Bijlage 22 MER Zandzoom Heiloo v2-min
Tekst van het document
In het gedeelte ten oosten van de Oosterzijweg, op enige afstand van de weg zelf, ligt de voormalige oude buurtschap Oosterzij, bestaande uit een aantal van oorsprong zeer oude boerderijen op een klein stukje parallel aan de strandwal lopend stukje strandwal. In het Zandzoomgebied komen daarnaast enkele kleinere boselementen voor. Bij het kloostergebouw aan de Hoogeweg staan enkele waardevolle lindes. Houtwallen, bosjes, boomsingels en hagen hadden oorspronkelijk betekenis als leverancier van geriefhout en zijn nu vooral van belang voor flora en fauna. Een groot deel van de greppels op de strandwal is in de loop van de tijd verdwenen. Enkele zijn nog aanwezig, waarvan een grotere noord-zuidgerichte greppel midden in het Zandzoomgebied in wintertijd water voert. In het gebied ten westen van de Westerweg zijn de agrarische percelen door watervoerende sloten van elkaar gescheiden. Een groot karakteristiek element vormt het park bij en de bebouwing van de kapel en het klooster Onze Lieve Vrouwe ter Nood. In 1905 is op de fundamenten van een kapel van voor 1400 opnieuw een kapel gebouwd. In het park is een put aanwezig met heilzaam water. Het kapelbos heeft zowel vanuit cultuurhistorisch als ecologisch opzicht betekenis.
In het plangebied zijn de volgende gebouwen en landschappen aan te merken als karakteristiek: Hoogeweg 39, 42, 43, 47, 65, 68 en 73; Nieuwelaan 3; Groeneweg 20 en 22; Korte Kapellaan 10 en 12/14; Westerweg 358, 368, 376, 405 en 423; Oosterzijweg 122 en 124.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
27/114
Als karakteristiek is verder de rococogrenspaal aan de Kennemerstraatweg/Rijksweg op de grens van de gemeenten Heiloo en Castricum aan te merken.
3.3 Te onderzoeken alternatieven of varianten. In een m.e.r. is het verplicht alle ‘redelijkerwijs te beschouwen alternatieven’ te beschouwen. Met alternatieven wordt gedoeld op grote verschillen in de wijze waarop de voorgenomen activiteiten gerealiseerd kunnen worden. Dit betreft bijvoorbeeld het beoordelen van verschillende locaties waar de voorgenomen activiteit gerealiseerd kan worden of het beschouwen van een significant groter of kleiner programma. Vanwege het voortraject is het niet realistisch meer om met alternatieven te werken. Andere uitbreidingslocaties (van ongeveer dezelfde omvang) zijn er niet binnen de gemeente en een significant ander programma past niet binnen de doelstellingen van het project. Vanwege de eerdere uitspraak van de Raad van State is het wel opportuun om een alternatief voor de ontsluiting van het plangebied te beschouwen. In dit MER wordt daarom uitgegaan van de ontwikkeling van Zandzoom gebruik makend van bestaande infrastructuur zonder nieuwe aansluiting op de A9 en een alternatief waarbij de ontsluiting via een nieuwe aansluiting op de A9 gaat plaatsvinden via de Lagelaan (en de daarbij behorende opwaardering). Dit is dan ook het enige alternatief wat in het MER wordt onderzocht.
Daarnaast zal op basis van de effectbeschrijving per milieuaspect nagegaan worden of er vanuit ieder milieuaspect varianten mogelijk zijn om de effecten te beperken met mitigerende of compenserende maatregelen.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
28/114
4 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen. 4.1 Inleiding In een m.e.r. worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling van Zandzoom (zoals in hoofdstuk 3 beschreven) vergeleken met de referentiesituatie. Dat is de situatie die in de toekomst zal ontstaan als de voorgenomen ontwikkeling niet wordt gerealiseerd. De referentiesituatie is gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu, samen met de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkelingen in- en rondom het plangebied. De referentiesituatie gaat ervan uit dat vastgesteld overheidsbeleid (en de gevolgen daarvan) zal worden gerealiseerd. In de autonome ontwikkelingen wordt nog niet uitgegaan van de nieuwe aansluiting op de A9 aangezien hier nog geen definitief besluit over is genomen. Het beschrijven van de referentiesituatie vraagt dus om een analyse van de vraag hoe het plan- en studiegebied er in de toekomst uit zal zien bij ongewijzigd beleid. Er wordt ook rekening gehouden met generieke (plan-overschrijdende) ontwikkelingen die van belang zijn voor de te verwachten milieueffecten, zoals vigerende milieuregels die randvoorwaarden stellen aan de milieueffecten van nabijgelegen bedrijven. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de verwachte autonome ontwikkeling van het verkeer in het plangebied en het studiegebied en de aan het verkeer gerelateerde emissies en immissies (met name geluid en luchtkwaliteit).
Ook zal er rekening worden gehouden met vastgestelde ontwikkelingen in het studiegebied die van invloed zijn op de milieugevolgen en milieugebruiksruimte in het plangebied. De uitgangspunten die hiervoor worden gehanteerd worden in het MER onderbouwd. De beschrijving van de referentiesituatie wordt gedaan vanuit dezelfde onderzoeksthema’s zoals die worden gehanteerd voor de effectbeschrijving van de voorgenomen activiteit en de te hanteren alternatieven.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
29/114
4.2 Verkeer en vervoer Voor de beschrijving van de huidige situatie voor verkeer en vervoer wordt uitgegaan van de situatie zoals die zich in 2021 voordeed. Voor de beschrijving is gebruik gemaakt van de verkeersparagraaf Zandzoom opgesteld door Goudappel (zie bijlage 1 bij dit MER).
4.2.1
Gemotoriseerd verkeer
Huidige infrastructuur gemotoriseerd verkeer In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de huidige verkeerssituatie in en rondom het plangebied. Het plangebied en de ligging van de belangrijkste wegen zijn weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1: Plangebied Zandzoom en ligging belangrijkste wegen (bron: Goudappel 2023)
Delen van de Vennewatersweg en van de Kennemerstraatweg liggen binnen het plangebied. Deze wegen zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingswegen, de hoofdroutes binnen het dorp. De overige wegen in het plangebied zijn erftoegangswegen, die vooral een functie hebben voor de ontsluiting van de aanliggende percelen en voor de afwikkeling van het langzaam verkeer. De verkeersaantallen passen bij een gemengde afwikkeling van gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer. Buiten het plangebied liggen op het noordelijk deel van de Kennemerstraatweg ter hoogte van de gemeentegrens met Alkmaar, de verkeersaantallen op het niveau van 20.000 mvt/etmaal. Daarbij hoort wel de nuancering dat op het
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
30/114
kruispunt met de Van Foreestlaan het verkeer vanaf de zijweg in de avondspits langer dan de duur van de spitsperiode staat te wachten om het kruisingsvlak te passeren. Op de Kerkelaan en op de Stationsweg zijn de verkeersaantallen te hoog voor de functie van de erftoegangsweg en de vormgeving die daarbij behoort. Tot 6.000 mvt/etmaal is het nog acceptabel dat langzaam en gemotoriseerd verkeer van hetzelfde wegprofiel gebruik maken. Het verkeersbeleid van Heiloo heeft als uitgangspunt dat het (toekomstig) autoverkeer evenwichtiger moet worden verdeel over de wegen in Heiloo, waarbij de verkeersdruk op de Kerkelaan en de Stationsweg wordt verminderd. De herinrichting van de Kerkelaan begin 2022 heeft het effect gehad dat het verkeersaanbod reeds is teruggedrongen tot onder de 6.000 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling Op de erftoegangswegen in het plangebied zijn de verkeersaantallen beperkt van omvang waardoor er sprake is van een adequate verkeersafwikkeling. Op de kruispunten van de Vennewatersweg, Kennemerstraatweg en de Ypersteinerlaan die direct toegang bieden tot het plangebied, is ook sprake van een adequate verkeersafwikkeling. De enkelstrooksrotonde Kennemerstraatweg-Vennewatersweg is centraal gelegen t.o.v. het plangebied en is van belang voor de bereikbaarheid van de verschillende deelgebieden.
In de huidige situatie zijn er op de rotonde geen problemen met de verkeersafwikkeling.
4.2.2
Openbaar vervoer
Het openbaarvervoer netwerk in de omgeving van Heiloo is inzichtelijk gemaakt in figuur 4.2. Heiloo heeft een intercity status. Het station bevind zich op fietsafstand (minder dan 10 minuten fietsen) van het plangebied. In de huidige situatie rijdt twee keer per uur een intercitytrein richting Alkmaar en Amsterdam (de Zaanlijn). Naast de verbinding naar Amsterdam kan er ook gereisd worden richting en Haarlem en Alkmaar (de Kennemerlijn). De Kennemerlijn kent in de daluren een bediening met een stoptrein en in de spits rijdt er een spitsintercity die ook stopt in Heiloo. In 2019 (vóór COVID-19) maakten bijna 5.000 in- en uitstappers per dag gebruik van het treinstation.
Figuur 4.2 Openbaar vervoer mogelijkheden. Locatie plangebied aangegeven in rood (bron: Connexxion)
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
31/114
De Kennemerstraatweg wordt intensief benut door buslijn 167; de lijn tussen Alkmaar en station Castricum waar 2 keer per uur per richting kan worden gereisd. In of nabij het plangebied zijn twee haltevoorzieningen aanwezig. Aanvullend op de reguliere busverbinding functioneert een OVflex service wanneer er geen reguliere buslijn rijdt. OVflex is een duurzame en flexibele vervoersservice op bestelling. Er is dus geen vaste dienstregeling bij OVflex. Een taxi komt de reiziger op de afgesproken tijd ophalen bij een halte en brengt de passagier zo snel mogelijk naar de gekozen eindhalte.
4.2.3
Langzaam Verkeer
De hoofdroutes van het langzaam verkeer in het plangebied zijn de Vennewatersweg, de Westerweg, de Groeneweg, de Hoogeweg (fietsstraat) de Kennemerstraatweg en de Oosterzijweg (figuur 4.3). De noord-zuid routes via de Westerweg, Hogeweg en Oosterzijweg vallen grotendeels samen met de historische lintenstructuur in het gebied en vormen een aantrekkelijk alternatief voor de route langs de Kennemerstraatweg.
Figuur 4.3 Fietsstructuur Heiloo (bron: Verkeersbeleid 2018-2030, bewerking Goudappel)
Het aantal oost-west routes in en langs het gebied wordt bepaald door de mogelijkheden om het spoor en de Kennemerstraatweg te kruisen. De kruising van het spoor is mogelijk ter hoogte van de Korte Kapellaan (voetgangerstunnel met fietsgoot) en de Vennewatersweg (spoortunnel voorzien van fietspad en trottoir). Voetgangers zijn voor en na de spoortunnel Vennewatersweg gedwongen gebruik te maken van het fietspad. De Kennemerstraatweg vormt een barrière voor fietsers. Alleen ter hoogte van de rotonde Vennewatersweg kan langzaam verkeer in twee etappes oversteken. Bij het kruispunt Kennemerstraatweg met de Kapellaan/Lagelaan is de intensiteit van het gemotoriseerde verkeer zodanig hoog, dat het oversteken van beide rijrichtingen hoge wachttijden met zich meebrengt. Er is sprake van
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
32/114
een zeer slechte oversteekbaarheid voor langzaam verkeer. Alleen met een middensteunpunt kan het langzaam verkeer veilig en vlot oversteken. Het kruispunt van de Vennewatersweg met de Groeneweg is met de komst van de spoortunnel een ongelijkvloerse fietsoversteek geworden. De middensteunpunten op de kruispunten van de Westerweg, de Hoogeweg en de Oosterzijweg bieden fietsers en voetgangers de mogelijkheid om in twee fasen de Vennewatersweg over te steken. Bij de voorrangskruispunten zijn de middensteunpunten krap gedimensioneerd (2,0 meter i.p.v. 2,5 meter) en geven de middeneilanden beperkte fysieke afscherming.
4.2.4
Verkeersveiligheid
Verkeersongevallen worden niet altijd geregistreerd. Daarom is de verkeersonveiligheid niet alleen te staven met objectieve ongevalscijfers. Het accent van de gemeente Heiloo ligt daarom voor de korte termijn meer op het verbeteren van de subjectieve (gevoelsmatige) in plaats van objectieve (feitelijke) verkeersveiligheid. Natuurlijk blijft de gemeente ook vasthouden aan de landelijk geldende principes van het inrichten van wegen op basis van de wegencategorisering. Een impressie van de locaties van de ongevallen in en rondom het plangebied in de periode 2016 t/m 2019 (periode met een representatief verkeersbeeld voor Covid-19), is weergegeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4 Geregistreerde ongevallen in en rondom het plangebied in de periode 2016 t/m 2019 (brongegevens: ViaStat, bewerking Goudappel).
In de periode 2016 t/m 2019 hebben in het plangebied 7 ongevallen plaatsgevonden. Dit lage aantal geeft aan dat de wegen in het plangebied relatief veilig zijn. Van de 7 ongevallen hebben:
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
33/114
3 ongevallen plaatsgevonden op de Vennewatersweg, op het wegvak tussen Lijnbaan en Westerweg; 2 ongevallen plaatsgevonden op de Kennemerstraatweg, op het wegvak tussen de Vennewatersweg en de Hoogelaan; op zowel de Westerweg als de Kapellaan elk 1 ongeval plaatsgevonden.
Bij alle zeven ongevallen was sprake van eenzijdige ongevallen (4 maal een personenauto en 3 maal een bromfiets), waarvan 3 ongevallen met een gewonde. Op de wegen rondom het plangebied wordt meer verkeer afgewikkeld, waardoor de kans op een ongeval hoger ligt. De kans op conflicten is het grootst:
Op het voorrangskruispunt Vennewatersweg-Westerweg hebben 4 ongevallen plaatsgevonden, waarvan 1 dodelijk (eenzijdig) ongeval en 1 ongeval met letsel. Bij 2 ongevallen was sprake van een voorrangsconflict tussen gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer; Op het voorrangskruispunt Vennewatersweg-Hogeweg hebben 3 voorrangsongevallen plaatsgevonden, waarvan 1 ongeval met letsel; Op de rotonde Kennemerstraatweg-Vennewatersweg hebben 4 ongevallen plaatsgevonden zonder letsel, waarvan 2 met voorrangsongevallen met (snor)fietsers; Op het voorrangskruispunt Kennemerstraatweg-Kapellaan hebben 3 ongevallen plaatsgevonden zonder letsel, waarvan 2 met voorrangsongevallen met bromfietsers.
Op de tussenliggende wegvakken hebben voornamelijk eenzijdige ongevallen plaatsgevonden. Op de Vennewatersweg voldoet de vormgeving van de kruispunten niet aan de richtlijnen die vandaag de dag worden gesteld. De krappe middensteunpunten, de 30 km/uur-drempels en de zigzag-strepen voldoen niet aan de basiskenmerken, maar zijn voor het waarborgen van de verkeersveiligheid van fietsers in het verleden bewust als tijdelijke maatregel aangebracht. Reconstructie van de kruispunten is noodzakelijk voor een duurzaam veilige inrichting.
4.2.5
Autonome ontwikkelingen
De autonome ontwikkeling voor het jaar 2030 bevat alle vaststaande ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen in de regio Noord-Kennemerland. De ruimtelijke ontwikkelingen van het Heiloose deel van Zandzoom behoren niet tot de autonome ontwikkelingen. Wel is rekening gehouden met woningbouw in het Limmense deel van Zandzoom (volgens de reeds vastgestelde uitwerkingsplannen van de gemeente Castricum). Het aantal treinen per uur neemt toe, waardoor het voor inwoners van Heiloo aantrekkelijker wordt om voor de trein te kiezen als vervoermiddel. De aansluiting A9 wordt voor het bestemmingsplan Zandzoom als variabele aangehouden. De definitieve besluitvorming over de realisatie van de aansluiting A9 wordt verwacht gedurende de bestemmingsplanprocedure voor
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
34/114
Zandzoom. In de autonome ontwikkelingen is uitgegaan van de situatie zonder aansluiting A9. Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer Er is sprake van een toename van verkeer op het deel van de Vennewatersweg dat in het plangebied van Zandzoom ligt. Dit is het gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen van Zuiderloo. De resterende 214 woningen van Zuiderloo zijn in 2030 gerealiseerd en in gebruik genomen en worden via de Liguster en de Haagbeuk ontsloten op de Vennewatersweg. Op de erftoegangswegen ten zuiden van de Vennewatersweg is sprake van een afname van verkeersstromen. Dit heeft vooral te maken met de herinrichting van de Westerweg binnen de kom van Heiloo met een 30 km/uurregime en de afsluiting van de Hoogeweg. Deze afsluiting zorgt buiten het plangebied voor een verplaatsing van verkeer naar de Westerweg, Liguster en Kennemerstraatweg. Door de autonome groei van het verkeer wordt het ook elders in Heiloo drukker. Op het noordelijk deel van de Kennemerstraatweg is daardoor sprake van een overschrijding van de toetswaarde. Op de Kerkelaan zijn de verkeersaantallen te hoog voor de functie van erftoegangsweg en de vormgeving die daarbij behoort. Op het overgrote deel van de Stationsweg is sprake van een afname van verkeer. De afname is te verklaren vanuit de geplande herinrichtingsmaatregelen (30 km/uur-inrichting), die een dempend effect hebben op de verkeersgroei.
Op de Stationsweg rijdt niet alleen bestemmingsverkeer. Door de centrale ligging van deze route in Heiloo, de mogelijkheid om het spoor te kruisen en het winkelgebied Stationscentrum, heeft dit traject een dubbelfunctie (verkeersfunctie en verblijfsfunctie). De verkeersaantallen zijn op één deeltraject (tussen Kennemerstraatweg en Breedelaan) te hoog voor de functie van erftoegangsweg en de vormgeving die daarbij behoort. Verkeersafwikkeling In het plangebied is sprake van een adequate verkeersafwikkeling. Op de wegen rondom het plangebied is dit in de autonome situatie ook het geval. De centraal gelegen meerstrooksrotonde Kennemerstraatweg-Vennewatersweg kan het verkeer goed afwikkelen. Dit geldt ook voor de gereconstrueerde kruispunten van de Vennewatersweg met de Lijnbaan, de Westerweg, de Liguster en de Haagbeuk. Op de Ypesteinerlaan is vanwege het beperkte aantal afslagbewegingen ook sprake van een adequate verkeersafwikkeling. Op het voorrangskruispunt Kapellaan-Kennemerstraatweg-Lagelaan is in de maatgevende avondspitsperiode sprake van een redelijke verkeersafwikkeling. Op het noordelijk deel van de Kennemerstraatweg kunnen de kruispunten met de Ring Alkmaar en met de Van Foreestlaan met de vigerende vormgeving het verkeersaanbod vanaf de zijwegen niet verwerken. Bij het verkeerslicht met de Ring Alkmaar ontstaan uitzonderlijk hoge cyclustijden.
Waar een cyclustijd van meer dan 120 seconden normaliter als slecht wordt beoordeeld, zijn de cyclustijden in de avondspits 196 seconden. De wachtrij staat voorbij het nabijgelegen kruispunt met de Van Foreestlaan. Boven een cyclustijd van 200 seconden is de lengte van de wachtrij niet meer te berekenen. Dit is het geval in de ochtendspitsperiode van de autonome situatie. Het kruispunt van de Kennemerstraatweg met de Van Foreestlaan kan met de vigerende vormgeving het verkeersaanbod vanaf de zijweg niet verwerken. Ieder voertuig komende
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
35/114
vanaf de zijweg, staat in de avondspits langer te wachten dan de duur van de spitsperiode. Verkeersveiligheid Op de wegen rondom het plangebied wordt het als gevolg van autonome ontwikkelingen drukker dan in de huidige situatie het geval is. Met het pakket aan maatregelen dat is opgenomen in het bestemmingsplan Vennewatersweg, wordt op de kruispunten met de Vennewatersweg een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer gegarandeerd met minder conflicten tussen langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer. Het kruispunt KapellaanKennemerstraatweg-Lagelaan voldoet niet qua verkeersveiligheid. Er is sprake van een zeer slechte oversteekbaarheid. De intensiteit van het gemotoriseerde verkeer op de Kennemerstraatweg is zodanig hoog, dat het oversteken van beide rijrichtingen hoge wachttijden voor het langzaam verkeer met zich meebrengt. Openbaar Vervoer en Langzaam Verkeer Op het gebied van openbaar vervoer zal richting de toekomst het aantal treinen dat per uur vertrekt van Heiloo toenemen. Hierdoor wordt het aantrekkelijker en gemakkelijker om met de trein te reizen. Op het gebied van langzaam verkeer zijn er geen relevantie autonome ontwikkelingen bekend.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
36/114
4.3 Geluid en Trillingen Voor de beschrijving van de huidige situatie voor geluid veroorzaakt door wegverkeer en spoorwegverkeer wordt uitgegaan van de situatie die zich in 2019 voordeed. Voor de beschrijving van de huidige situatie voor trillingen veroorzaakt door spoorwegverkeer wordt eveneens uitgegaan van de situatie zoals die zich in 2019 voordeed. Voor deze beschrijving is gebruik gemaakt van het onderzoek uitgevoerd door PEUTZ (zie bijlage 2 bij dit MER).
4.3.1
Huidige situatie wegverkeerslawaai
In het plangebied en in de directe omgeving daarvan bevinden zich woningen welke als geluidgevoelig worden beschouwd. In de huidige situatie ondervinden deze geluidgevoelige objecten hinder van verkeerslawaai als gevolg van de bestaande wegen zoals de Vennewatersweg, de Ypersteinerlaan en de Kennemerstraatweg. In het kader van het MER is geen berekening gemaakt van de huidige geluidbelasting op deze geluidgevoelige objecten. Op basis van onderstaande gegevens vanuit het RIVM (in het jaar 2019) is te zien dat in de huidige situatie bij woningen dicht langs deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden (figuur 4.5).
Figuur 4.5 Geluid van Wegverkeer in 2019 (bron: Atlas leefomgeving).
4.3.2
Huidige situatie Spoorweglawaai
Door het plangebied loopt de spoorlijn Amsterdam – Alkmaar. In de directe omgeving van deze spoorlijn bevinden zich momenteel woningen. In het kader van het MER is geen berekening gemaakt van de huidige belasting van deze geluidsgevoelige objecten. Op basis van onderstaande informatie vanuit het
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
37/114
RIVM (in het jaar 2019) kan wel geconcludeerd worden dat op locaties langs het spoor de voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden (figuur 4.6).
Figuur 4.6 Geluid van treinverkeer in het jaar 2019 (bron: Atlas leefomgeving).
4.3.3
Huidige situatie trillingen door spoorwegverkeer
Door het plangebied loopt de spoorlijn Uitgeest – Alkmaar. Op de spoorlijn rijden uitsluitend reizigerstreinen. Trillinghinder veroorzaakt door het spoorwegverkeer kan niet op voorhand worden uitgesloten. Op meerdere locaties langs het traject Uitgeest- Alkmaar zijn trillingsmetingen uitgevoerd. De trilling metingen zijn verricht op donderdag 10 januari 2019 tussen circa 10:00 uur en13:30 uur. In deze periode vonden circa 10 passages van reizigerstreinen (doorgaande en stoptreinen) per uur plaats. In totaal zijn er dus circa 35 passages in de meetperiode geweest.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
38/114
Figuur 4.7 Meetposities langs het traject Uitgeest – Alkmaar (bron: Preutz 2019).
Uit de resultaten blijkt dat op de meetposities (figuur 4.7) op maaiveld thans niet automatisch wordt voldaan aan de streefwaarden uit de Richtlijn B ‘hinder voor personen in gebouwen door trillingen, meet- en beoordelingsrichtlijn van Stichting bouwresearch (SBR-B) voor de gebouwfunctie wonen in een nieuwe situatie bij herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd. Dit zijn overigens meetresultaten op maaiveldniveau, terwijl de streefwaarden uit de SBR-B van toepassing zijn op trillingniveaus in gebouwen. Echter, de metingen zijn uitgevoerd op een tegel op relatief zacht grasland. Uit eerder onderzoek ten behoeve van woningbouw binnen het bestemmingsplan Zuiderloo (zie Peutz-rapport O 16407-1-RA-001 van 3 juli 2018) is gebleken dat op een verharde ondergrond op dezelfde afstand tot het spoor trillingniveaus een factor 2 à 2,5 lager zijn. Realisatie van toekomstige woningen op een verharde ondergrond zal derhalve eveneens een reductie van de trillingsniveaus met een factor 2 à 2,5 tot gevolg hebben. In het geval van deze verharde ondergrond wordt er op meetposities 6, 7 en 8 al voldaan aan de streefwaarden gesteld in de SBR-B. Op een aantal meetposities wordt dan op maaiveld nog niet voldaan aan de streefwaarde voor A2 van 0,2 voor de nachtperiode.
4.3.4
Autonome Ontwikkelingen
Wegverkeerslawaai Er zijn voor het MER geen geluidsberekeningen gemaakt op basis van de verwachte autonome toename van het autoverkeer. Op basis van deze autonome groei van het autoverkeer kan wel verwacht worden dat de geluidsbelasting op de woningen gelegen langs de wegen enigszins zal toenemen.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
39/114
Spoorweglawaai Voor het spoorweglawaai is ook geen geluidsberekening gemaakt op basis van de verwachte autonome ontwikkeling. Door de plannen om de frequentie van het spoorwegverkeer te verhogen op dit traject is een toename van spoorweglawaai te verwachten. Trillingen door spoorwegverkeer In het Programma Hoogfrequent Spoor (PHS) wordt toegewerkt naar een uitbreiding van de treinfrequentie op het traject Alkmaar - Amsterdam. Uiterlijk in 2028 moeten er 6 treinen per uur, per richting rijden tussen Alkmaar en Amsterdam. Hinder door trillingen veroorzaakt door spoorwegverkeer kan daardoor mogelijk toenemen door de toename van treinverkeer.
4.4 Luchtkwaliteit Voor de beschrijving van de huidige situatie voor luchtkwaliteit in het jaar 2020 is uitgegaan van de Atlas Leefomgeving.
4.4.1
Huidige situatie luchtkwaliteit
Met behulp van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. In het plangebied zijn meerdere rekenpunten aanwezig. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide.
Figuur 4.8 Concentratie stikstofoxide in 2020 (µg/m3) (bron: Atlas leefomgeving)
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
40/114
De hoogste specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10 ), fijnstof (PM2,5 ) en stikstofdioxide (NO2 ) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,4 µg/m3 PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 15,4 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. In 2021 zijn de advieswaarden vanuit de WHO naar beneden bijgesteld waardoor deze momenteel sterk afwijken dan de grenswaarden van de Europese Unie. Er wordt momenteel nader bestudeerd hoe deze twee waarden dichter bij elkaar te brengen. Aan de (nieuwe) advieswaarden wordt nog niet voldaan voor de drie stoffen, maar deze liggen wel binnen handbereik. Omdat de grenswaarden niet worden overschreden en de advieswaarden binnen handbereik liggen is er sprake van een goed woonen leefklimaat. Kijkend naar de cijfers van 2021 is er ook al een sterke verbetering zichtbaar.
4.4.2
Autonome ontwikkeling
In de autonome situatie worden geen veranderingen verwacht die van grote invloed zullen zijn op de luchtkwaliteit. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide verder afneemt.
4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Onderscheid is gemaakt in plaatsgebonden risico, groepsrisico en plasbrandaandachtsgebied.
Kader: uitleg begrippen Externe Veiligheid Plaatsgebonden Risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het PR wordt geografisch weergegeven door risicocontouren langs de transportroute. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde van 10–6 verbonden, een jaarlijkse kans van één op de miljoen. Binnen de PR 10–6 contour bestaat een kans groter of gelijk aan 1 op de miljoen om als individuele burger bij continue en onbeschermde aanwezigheid te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De PR 10-6 contour wordt bij basisnetroutes het PR-plafond genoemd. De ligging van de PR 10–6 contour leidt tot een veiligheidszone rond risicovolle locaties en transportassen, wat consequenties heeft voor het ruimtegebruik. De begrippen ‘kwetsbaar object’ en ‘beperkt kwetsbaar object’ spelen een rol bij de toetsing van
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
41/114
het PR aan de normen. Voorbeelden van dit soort objecten (kwetsbaar) zijn woningen in woonwijken, ziekenhuizen en (beperkt kwetsbaar) kampeerterreinen tot 50 personen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten op een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Het groepsrisico wordt weergegeven in een fN-curve waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar en op de horizontale het aantal doden logaritmisch is weergegeven. Voor het GR geldt geen norm maar een ‘oriëntatiewaarde’ (OW). Het groepsrisico dient te worden verantwoord indien het:
is gelegen tussen 0,1 en 1 maal de oriëntatiewaarde en tussen de referentie en toekomstige situatie met meer dan tien procent toeneemt, of
hoger is dan 1 maal de oriëntatiewaarde én tussen de referentie en toekomstige situatie toeneemt.
Belemmeringenstrook buisleidingen Voor onderhoud aan de leidingen moet een belemmeringenstrook van minimaal 4 of 5 meter aan weerzijde van de leiding worden vrijgehouden. In deze strook geldt een bouwverbod en een aanlegvergunningenstelsel. Voor aardgasleidingen met een druk > 40 bar bedraagt de belemmeringenstrook 5 meter.
4.5.1
Huidige situatie externe veiligheid
In figuur 4.9 zijn de risicobronnen die op dit moment aanwezig zijn in en rondom het plangebied weergegeven.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
42/114
Figuur 4.9 Globale weergave van het plangebied met de momenteel aanwezige risicobronnen en risicocontouren.
In onderstaande tabel 4.10 zijn de meest relevante risicobronnen samengevat weergegeven en is aangegeven welke risicocontouren daarvoor gelden. Contouren die voor de planontwikkeling relevant zijn, zijn oranje weergegeven. Onder de tabel wordt per type risicocontour beschreven welke risicobronnen er in de omgeving aanwezig zijn en wat de relevantie daarvan is voor het plangebied. Bij het opstellen van de tabel is gebruik gemaakt van een viertal onderzoeken van Prevent Adviesgroep naar de effecten op externe veiligheid (zie bijlage 3 bij dit MER).
Risicobron
Afstand tot plangebied
PR
GR
Overige zones
Buisleiding W571-01
Ca. 15 m
0m
4 m belemmeringenstrook
Buisleiding A562
Ca. 120 m
120 m
5 m belemmeringenstrook
LPG Tankstation
0m
45 m van het vulpunt, 25 m van het reservoir en 15 m van de afleverzuil
0,23
GP Groot brandstoffen en Oliehandel B.V.
0m
34 m laad/lospunt, 20 m PGS15 opslag.
0,016
160 meter afstand voor zeer beperkt kwetsbare objecten, 60 m (beperkt) kwetsbare objecten in verband met fakkelbrand
Tabel 4.10 Weergave van risicobronnen en risicocontouren.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
43/114
Plaatsgebonden risico In en om het plangebied bevinden zich buisleidingen, een LPG tankstation en een brandstoffen- en oliehandel die allen een 10-6 risico contour met zich meebrengen. De buisleidingen W-571-01 en A-562 lopen langs het plangebied. Voor de buisleiding W-571-01 geldt dat er geen sprake is van een contour voor plaatsgevonden risico, voor buisleiding A-562 geldt een contour van 120 meter. Voor het LPG tankstation gelden verschillende afstanden voor het vulpunt, het reservoir en de afleverzuil, het gaat hier om respectievelijk 45 meter, 25 meter en 15 meter. Ter plaatse van GP Groot brandstoffen en Oliehandel B.V. ligt een PR 10-6 risicocontour van 34 meter rondom het laad- en lospunt voor benzinetankwagens, en 20 meter rond de PGS15 opslag en de geparkeerde vrachtwagens met gevaarlijke stoffen op het achterterrein. Groepsrisico Voor GP Groot brandstoffen en Oliehandel B.V. geldt dat het groepsrisico op 0,034 maal de orientatiewaarde ligt. De gronden rondom deze locatie zijn grotendeels onontwikkeld. Overige zones Rondom de buisleidingen W-571-01 en A0562 liggen belemmeringenstroken van respectievelijk 4 en 5 meter. Deze belemmeringenstrook is bedoeld voor eventueel onderhoud aan de leidingen, binnen deze strook mogen geen bouwwerken worden gerealiseerd.
4.5.2
Autonome ontwikkeling
Er is een LPG tankstation voorzien bij het kruispunt Lagelaan/Oosterzijweg. Dit tankstation wordt gerealiseerd in samenhang met de te realiseren ontsluitingsweg A9. Dit tankstation komt buiten het plangebied en zal geen risico-contouren binnen het plangebied hebben. Hierdoor zijn er geen relevante veranderingen in de autonome ontwikkeling die leiden tot een verandering van de huidige situatie met betrekking tot externe veiligheid.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
44/114
4.6 Gezonde leefomgeving Binnen het thema gezonde leefomgeving wordt onderscheid gemaakt tussen effecten op de milieugezondheidskwaliteit en effecten op de bevordering van gezond gedrag. Milieugezondheidskwaliteit Voor het aspect milieugezondheidskwaliteit wordt een analyse uitgevoerd van de effecten van het voornemen op bestaande en nieuwe woningen, waarbij niet alleen boven de grenswaarden, maar met name ook bij concentraties en belastingen onder de grenswaarden het effect van de ontwikkeling op de gezondheid van mensen wordt bepaald. De input voor dit onderzoek wordt gevormd door de onderzoeksresultaten van de aspecten geluid en luchtkwaliteit. Het studiegebied voor milieugezondheidskwaliteit wordt bepaald aan de hand van de reikwijdte van de effecten van geluid en luchtkwaliteit. Bevordering van gezond gedrag Op basis van de beschikbare informatie wordt beoordeeld in hoeverre de inrichtingsmaatregelen effect hebben op de bevordering van gezond gedrag. Te denken valt aan de mogelijkheden voor bewegen en de aanwezigheid van groenvoorzieningen in de buurt.
4.6.1
Huidige situatie gezonde leefomgeving
Zoals reeds beschreven in hoofdstuk 4.4 voldoet de luchtkwaliteit aan de gestelde grenswaarde van de Europese Unie van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide. Er wordt nog niet voldaan aan de aangescherpte advieswaarden van de WHO voor fijnstof en stikstofdioxide, maar deze waarden liggen wel binnen handbereik. Hierdoor is er sprake van een relatief goed woon- en leefklimaat. In hoofdstuk 4.3 is beschreven wat de geluidsbelasting op het plangebied is afkomstig van wegverkeer en de spoorweg die door het plangebied loopt. Beide veroorzaken op de kavels die grenzen aan de weg of het spoor een geluidsbelasting die de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Langs de hoofdwegen is de milieugezondheidssituatie daarom relatief slecht. In de rest van het gebied is dit relatief goed. Kijkend naar de huidige inrichting van het plangebied wordt gezond gedrag niet echt bevorderd. In het plangebied zijn maar weinig langzaam verkeersroutes of is het maar beperkt mogelijk een rondje te wandelen. De huidige inrichting stimuleert gezond gedrag dus maar zeer beperkt.
4.6.2
Autonome ontwikkelingen.
In de autonome situatie worden geen veranderingen verwacht die van grote invloed zullen zijn op de luchtkwaliteit en daarmee de gezondheid. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide verder afneemt. Er zal geen significante verandering zijn met het oog op geluidsniveaus. Er zijn ook geen autonome ontwikkelingen bekend die de geluidsbelasting laten veranderen of die gezond gedrag zullen stimuleren.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
45/114
4.7 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Voor de beschrijving van de huidige situatie voor Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap is gebruik gemaakt van de Nota Cultuurhistorie (2011) vastgesteld door de raad van Heiloo en het Ruimtelijk Kwaliteitskader Zandzoom (2019) opgesteld door La4sale (zie bijlage 4 bij dit MER).
4.7.1
Huidige situatie landschap
In de ruimtelijke structuur van het plangebied is nog steeds duidelijk de geomorfologie en de bewoningsgeschiedenis van het gebied af te lezen. Het plangebied kan op basis van geomorfologie en menselijk gebruik in twee delen worden verdeeld: de strandwal en het gebied ten westen daarvan, de vlakte (Westerzij) (figuur 4.11). Het gebied ten oosten van de strandwal (Oosterzij) is slechts voor een klein deel onderdeel van het plangebied.
Vlakte
Wal Vlakte
Figuur 4.11 Links kaart 1905 met locatie wal en vlakte. Rechts kaart plangebied (blauw) met indicatief locatie wal en vlakte.
De noord-zuidgerichte strandwal en -vlakten vormen de dragers van de landschappelijke en stedenbouwkundige hoofdstructuur. Oorspronkelijk was het gebied op de strandwal kleinschalig verkaveld met houtwallen als perceelsgrenzen. De agrarische bebouwing was geconcentreerd aan de randen van de strandwal. In latere eeuwen is door herverkaveling en door de bouw van niet-agrarische gebouwen het gebied ingrijpend van karakter veranderd. Wat is gebleven zijn de wegen en bovendien komen op sommige plaatsen resten van houtsingels en houtwallen voor. De strandvlakte ten westen van de strandwal werd Westerzij genoemd. In de Vroege Middeleeuwen was dit gebied grotendeels met veen bedekt en in gebruik voor extensieve beweiding en de jacht. In de 10e en 11e eeuw is dit gebied ontgonnen vanaf de strandwal, waardoor in noordwestelijke richting een regelmatige strokenverkaveling ontstond. De boerderijen lagen op de overgang van de strandwal naar de strandvlakte. Resten van deze structuur zijn nog steeds in het landschap zichtbaar, zowel aan de westkant als de oostkant van het ontwikkelgebied. De strandvlaktes hebben, mede door vernatting en
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
46/114
maaiveldverlaging, vooral een functie als weidegebied gekregen. Alleen in de omgeving van de Lijnbaan, waar een uitloper van de strandwal aanwezig is, was akkerbouw mogelijk. Langs de Lijnbaan was in vroegere eeuwen ook een rij boerderijen aanwezig. Van deze oorspronkelijke boerderijen is nog één herkenbaar; de overige bebouwing langs de Lijnbaan is van recentere datum. Het gebied ten westen van de Westerweg heeft een open karakter, met sloten als perceelscheidingen. De oost-westwegen in het gebied en de Lijnbaan lopen op iets hoger gelegen kaden. Hoewel de hoogteverschillen zijn afgevlakt, is toch nog steeds het hoogteverschil met de strandwal zichtbaar in het landschap. In het gebied komen geïsoleerde boerderijen voor. Het gebied vormt een eenheid met het aangrenzende gebied in de gemeente Bergen. Door de openheid van het landschap bestaan waardevolle zichtrelaties tussen de historisch-geografische objecten in het gebied, waaronder de abdij in EgmondBinnen en de Zanddijk. Het gebied heeft door deze kenmerken een hoge historisch-geografische belevingswaarde en maakt om die reden deel uit van het als cultuurhistorisch waardevol geclassificeerde gebied 'Bergen - Egmond Schoorl'. Hier moet worden gestreefd naar instandhouding en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit.
4.7.2
Huidige situatie archeologie
In de Nota Cultuurhistorie, vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo is de archeologische waarde van gebieden binnen de gemeente bepaald. De gebieden zijn getoetst aan de aspecten geomorfologie, historische wegen en bekende archeologische vindplaatsen. Het plangebied ligt grotendeels op de strandwal. Dit gebied is vanaf de prehistorie in gebruik genomen door nomaden. Op basis van deze feiten bezit het gehele gebied een zeer hoge archeologische verwachting.
4.7.3
Huidige situatie cultuurhistorie
Naast de archeologie is het ook van belang breder te kijken naar de algehele cultuurhistorische waarde van het gebied. Hieronder vallen ook historische (steden)bouwkunde en historische geografie. Het gaat hierbij om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de Nota Cultuurhistorie worden de belangrijkste ruimtelijke en cultuurhistorische kenmerken van Heiloo beschreven. De Identiteit van het dorp is door de eeuwen heen gevormd en bepaald door die kenmerken die passen bij haar historie; het zijn de elementen die laten zien waar de historie uit bestaat en hoe deze het dorp hebben gemaakt tot wat het is. Een aantal van deze kenmerken zijn specifiek op het plangebied van toepassing:
Het contrast tussen de bebouwde strandwal en de lege strandvlaktes. Het noord-zuid gerichte wegenpatroon en de oost-westgerichte verkaveling inclusief de daarbij horende groenstructuren.
In het gebied komen cultuurhistorisch waardevolle groenstructuren voor. Het betreft enerzijds het oost-westgerichte verkavelingspatroon van greppels en houtwallen/hagen en anderzijds de hagen die langs de oude doorgaande wegen zijn geplant om het vee te leiden bij veeverplaatsingen. De hagen langs de doorgaande wegen betreffen meidoorn of liguster, die van het oostwestpatroon vooral els.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
47/114
In het gedeelte ten oosten van de Oosterzijweg, op enige afstand van de weg zelf, ligt de voormalige oude buurtschap Oosterzij, bestaande uit een aantal van oorsprong zeer oude boerderijen op een klein stukje parallel aan de strandwal lopend stukje strandwal. In het Zandzoomgebied komen daarnaast enkele kleinere boselementen voor. Bij het kloostergebouw aan de Hoogeweg staan enkele waardevolle lindes. Houtwallen, bosjes, boomsingels en hagen hadden oorspronkelijk betekenis als leverancier van geriefhout en zijn nu vooral van belang voor flora en fauna. Een groot deel van de greppels op de strandwal is in de loop van de tijd verdwenen. Enkele zijn nog aanwezig, waarvan een grotere noord-zuid lopende greppel midden in het Zandzoomgebied in wintertijd water voert. In het gebied ten westen van de Westerweg zijn de agrarische percelen door watervoerende sloten van elkaar gescheiden. Een groot karakteristiek element vormt het park bij en de bebouwing van de kapel en het klooster Onze Lieve Vrouwe ter Nood. In 1905 is op de fundamenten van een kapel van voor 1400 opnieuw een kapel gebouwd. In het park is een put aanwezig met heilzaam water. Het kapelbos heeft zowel vanuit cultuurhistorisch als ecologisch opzicht betekenis. In het plangebied zijn de volgende gebouwen en landschappen aan te merken als karakteristiek:
Hoogeweg 39, 42, 43, 47, 65, 68 en 73; Kapellaan 6; Nieuwelaan 3; Groeneweg 22; Korte Kapellaan 10 en 12/14; Westerweg 358, 368, 376, 405 en 423; Oosterzijweg 122 en 124.
Als karakteristiek is verder de rococogrenspaal aan de Kennemerstraatweg op de grens van de gemeenten Heiloo en Castricum aan te merken.
4.7.4
Autonome ontwikkeling
In de autonome situatie worden geen veranderingen verwacht die van invloed zijn op het landschap en de cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
48/114
4.8 Bodem en water In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie beschreven over de bodemopbouw en -kwaliteit en de waterhuishouding in het gebied. Tot slot worden eventuele verwachte autonome ontwikkelingen toegelicht.
4.8.1
Huidige situatie bodem- en grondwaterkwaliteit
Om de bodemkwaliteit in het plangebied vast te stellen zijn er een groot aantal vooronderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hieronder wordt per deelgebied (kamer) een beschrijving gegeven van de resultaten van deze onderzoeken en daarmee de status van de bodemkwaliteit in dat deelgebied (zie figuur 4.12). De onderzoeken zijn ook bijgevoegd bij het bestemmingsplan en niet separaat in dit MER opgenomen.
Figuur 4.12 Deelgebieden / kamers gebiedsontwikkeling Zandzoom
Kamer west In kamer west blijkt uit de 5 uitgevoerde vooronderzoeken gaande over in totaal 15 percelen dat er geen grote verontreinigingen aanwezig zijn. Er is een verhoogd gehalte aan nikkel gemeten in het grondwater wat te verklaren kan zijn door de aanwezige glastuinbouw. De matige tot sterke verontreiniging van nikkel in het grondwater levert in de huidige situatie geen risico’s voor de gezondheid op. De precieze mate van verontreiniging en omvang dient in een nader onderzoek te worden bepaald. Daarnaast wordt op een aantal percelen de interventiewaarde voor arseen overschreden. Deze bodemverontreiniging is toe te weiden aan (semi) natuurlijke oorsprong en er is daarom ook geen saneringsnoodzaak. Op één perceel is mogelijk asbestverdacht materiaal als funderingsmateriaal gebruikt. Hier dient rekening mee gehouden te worden indien de verharding wordt verwijderd.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
49/114
Centrale kamer west In Centrale Kamer West zijn 14 onderzoeken uitgevoerd ter plaatse van 31 percelen. Op 2 percelen is asbestverdacht puin en/of bakbedekking aangetroffen die mogelijk resulteren in een lokale bodemverontreiniging met asbest. Centrale kamer oost In Centrale Kamer oost zijn in totaal 13 onderzoek uitgevoerd ter plaatse van 35 percelen. In het gebied zijn lichte verontreinigingen aangetroffen in de grond en het grondwater. Op één perceel is lokaal een matige tot sterke verontreiniging met koper aanwezig. Op één perceel wordt de interventiewaarde voor arseen overschreden. Deze kan worden toegeschreven aan een (semi) natuurlijke oorsprong waardoor er geen saneringsnoodzaak is. Op een tweetal percelen is asbest zowel visueel als analytische aangetroffen. Aangezien de interventiewaarde wordt overschreden is sanering noodzakelijk om ander gebruik mogelijk te maken. Kamer oost In Kamer oost zijn meerdere afzonderlijke bodemonderzoeken uitgevoerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen grote verontreinigingen in het gebied aanwezig zijn. Op één van de locatie is wel nader asbest onderzoek nodig. Kamer zuid Binnen kamer zuid zijn meerder bodemverontreinigingen aangetoond. Dit betreft op één perceel een olie- en chroomverontreiniging. Op een ander perceel is een sterke asbest verontreiniging aangetroffen.
Tot slot is er op één perceel sprake van een DDT-verontreiniging.
4.8.2
Huidige situatie water en waterbergend vermogen
In het plangebied is momenteel de ontwateringsdiepte beperkt. In praktisch het hele gebied is deze minder dan 0,7 meter. Hierdoor is het waterbergend vermogen van het gebied ook enigszins beperkt.
4.8.3
Autonome ontwikkeling
Er zijn op het gebied van bodem, water en ontplofbare oorlogsresten geen autonome ontwikkelingen te verwachten. Ontwikkelingen op het gebied van klimaatverandering in relatie tot water worden besproken in hoofdstuk 4.10.
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
50/114
4.9 Ecologie Voor het gehele plangebied is een omgevingsscan Flora en Fauna uitgevoerd door Bureau Endemica (15-11-2023) om de huidige ecologische waarden op dat moment in beeld te brengen (zie bijlage 7 bij dit MER). Daarnaast is gebruik gemaakt van de Ecologische Voortoets Zandzoom ter beoordeling van de effecten op Natura 2000-gebieden (zie bijlage 8 bij dit MER). Hieronder volgt een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en eventuele aanwezigheid van beschermde gebieden.
4.9.1
Huidige situatie beschermde gebieden
Natura2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. In een straal van 10 km van het plangebied liggen 5 Natura 2000-gebieden (zie figuur 4.13) Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Noordhollands Duinreservaat en ligt op 1,7 km ten westen van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. In het gebied komen stikstofgevoelige habitattypen voor. De overige Natura 2000-gebieden zijn de Eilandspolder (6 km), de Noorzeekustzone (7 km), Schoorsle Duinen (9 km) en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (ca. 9,5 km)
Figuur 4.13: Planlocatie ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura2000gebieden (bron: AeriusCalculator).
Het plangebied heeft geen directie relatie met deze omliggende Natura 2000gebieden. Voor vrijwel alle mogelijke externe effectfactoren zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid, trillingen e.d. geldt dat gezien de afstand en de tussenliggende elementen, geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Het enige aspect wat over een dergelijke afstand invloed heeft is stikstof/ammoniak. In de huidige situatie veroorzaken met name de aanwezige landbouwactiviteiten een depositie van stikstof/ammoniak in deze Natura 2000-gebiden. Door een te hoge stikstofdepositie neemt de biodiversiteit daarom af. Beide vormen van stikstof (NH3, ammoniak en stikstofoxide, NOx)
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
51/114
kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof en dan vooral depositie van ammoniak, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af. De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Bijzonder provinciaal Landschap Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Kernkwaliteiten binnen het BPL mogen niet worden aangetast, bijvoorbeeld het leefgebied voor weidenvogels of de openheid en de vergezichten in het landschap. Het plangebied is wel omringd door het BPL. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, gericht op de wezenlijke kenmerken en waarden van natuur en landschap) heeft een eigen regime en vallen daarom buiten het BPL-regime. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voormalig EHSis een landelijk netwerk van bestaande en nog te realiseren natuurgebieden.
Het provinciale ruimtelijke beleid voor het NNN stelt dat er geen nieuwe activiteiten in het NNN mogelijk gemaakt mogen worden, die per saldo leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (WKW) van het NNN of tot vermindering van het oppervlak van het NNN. Aantasting van de WKW is alleen niet toegestaan als sprake is van een significante aantasting. Het NNN in provincie Noord-Holland kent geen externe werking, waarmee negatieve effecten op een beschermd gebied bedoeld worden, veroorzaakt door projecten die buiten de grenzen van het betreffende gebied worden uitgevoerd. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op circa 1 km van het plangebied vandaan.
Figuur 4.14 planlocatie ten opzichte van het dichtstbijzijnde NNN-gebied en BPL, met de daarin horende Weidevogelleefgebieden (bron: GeoWeb Provincie Noord-Holland).
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
52/114
4.9.2
Huidige situatie beschermde soorten en rode lijsten
Vaatplanten Op basis van openbare bronnen, zoals databanken, verspreidingsatlassen, waarnemingsoverzichten, rapporten, en website, zijn aanwijzingen gevonden voor het voorkomen beschermde planten (in de nabijheid van) het plangebied. Glad biggenkruid is in 2016 aangetroffen in op de parkeerplaats bij het treinstation van Heiloo. Meer recent is dit jaar de plant gesignaleerd in het naast grenzende duingebied. Tijdens veldbezoek in 2020 en 2023 is deze soort echter niet waargenomen in het plangebied. Het ontbreken van recente waarnemingen geeft echter geen reden tot het uitsluiten van de aanwezigheid van de plant omdat deze door zijn voorkomen snel over het hoofd kan worden gezien. Algemene broedvogels Op basis van beschikbare bronnen is gebleken dat een groot aantal algemene broedvogels, zoals Zwartkop, Putter, Tjiftjaf, Groenling, Heggemus, Boomkruiper, en Houtduif in de omgeving van het plangebied voorkomen. Tijdens het veldbezoek in 2020 zijn in het plangebied vooral algemene soorten als Ekster, Kauw, Koolmees, Merel en Gaai Waargenomen. In 2023 waren dit soort zoals Zilvermeuw, Kauw en Ekster. Het plangebied herbergt een uniek habitat voor enkele algemene soorten, vanwege het kleinschalige landschap met her en der boomgaarden. Hierdoor beschikt het plangebied over talrijke broedlocaties, verspreid over het gehele plangebied.
Vogels met jaarrond beschermd nest Voor sommige vogels geldt dat ook buiten het broedseizoen hun nesten nog van een beschermde status genieten. Dit zijn vogels met jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermde nesten bevinden zich veelal in hoge bomen, bomen met holten of in (oudere) gebouwen dan wel in speciaal opgehangen nestkasten. Het plangebied Zandzoom herbergt geschikt habitat om soorten met een jaarrond beschermde nest status tot broeden te komen. In het plangebied zijn dan ook waarnemingen bekend van de Huismus, Buizerd, Havik, Sperwer, Boomvalk, Kerkuil, Ransuil (inclusief een broedplek in het Kapelbos) en zijn mogelijke broedplekken aanwezig van de Sperwer. Daarnaast zijn binnen Zandzoom of aan de rand van het gebied ook veel waarnemingen en/of broedgevallen bekend van categorie 5-soorten, namelijk van de Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Oeverzwaluw, Groene specht, Torenvalk en Spreeuw. Tijdens de veldbezoeken is tevens territoriaal gedrag (balts) waargenomen van verscheidene Groene spechten. Zwaar beschermde grondgebonden zoogdieren Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van zwaarder beschermde zoogdieren, zoals de Boommarter, Hermelijn, Wezel, Bunzing, Waterspitsmuis en Noordse Woelmuis (NDFF 20102023).
De kleinere soorten van marterachtigen, zoals Hermelijn en Wezel, maken als verblijfplaats gebruik van ondergrondse holen of verblijven tussen rommelhoekjes en puin-/takkenhopen. Evenals de Bunzing, waarvan zijn gangenstelsel echter van forser formaat zijn. Deze soort bevindt zich dan ook vaak in konijnen- of vossenholen maar ook in takkenhopen of brandhoutstapels. Als leefgebied zijn deze soorten met name afhankelijk van de aanwezigheid van
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
53/114
veel dekkende vegetatie (de Wezel en Hermelijn in meerdere mate dan de Bunzing die soms ook in ietwat opener landschappen (oevers en greppels) leeft). Via openbare bronnen is vastgesteld dat de Bunzing binnen gemeente Heiloo de afgelopen tien jaar meer dan twintig keer is waargenomen. Tevens is uit divers onderzoek vastgesteld dat Zuiderloo deel uitmaakt van het leefgebied van een of meerdere Bunzingen en is hier tevens een vaste rust- en verblijfplaats aangetroffen (perceel achter Hoogeweg 38) (Witte, 2020). Wanneer ingezoomd wordt op het plangebied van Zandzoom dan blijkt dat net ten zuiden van de Vennewatersweg en aan de rand van de ‘Centrale kamer oost’, op en rond het erf van Hoogeweg 40a zowel een Bunzing als een Boommarter regelmatig voorkomt. Waarschijnlijk woont deze Boommarter op het terrein van Onze Lieve Vrouw ter Nood, aan de Kapellaan. Daarnaast zijn twee waarnemingen van de Bunzing in de ‘Westflank’ bekend. Het is daarom met zekerheid te stellen dat Zandzoom een onderdeel vormt van een groter, volledig leefgebied van de Bunzing en Boommarter. Gezien de terreingesteldheid is het niet op voorhand uit te sluiten dat, naast de Bunzing en Boommarter, ook de Wezel en Hermelijn het plangebied in gebruik nemen als foerageergebied en/of hier verblijfplaatsen heeft (ondanks een gebrek aan waarnemingen in het gebied).
Losse waarnemingen van de Wezel en Hermelijn (NDFF of Waarneming.nl) voor Zandzoom ontbreken maar dat komt eerder door de schuwheid en slechte ‘zichtbaarheid’ dan door afwezigheid. De Wezel komt wel degelijk voor binnen Zandzoom gezien de aanwezige geschikte habitats. Zo laat recent gericht marteronderzoek bij de houtsingel aan het Koningshof (Kennemerstraatweg) zien dat het projectgebied deel uitmaakt van het leefgebied van meerdere Wezels. Men dient er dus vanuit te gegaan dat aldaar, evenals elders in Zandzoom, vaste verblijfplaatsen van de Wezel en/of Hermelijnen aanwezig zijn. Met name op plekken waar veel dekkende vegetatie aanwezig is. Alle deelgebieden hebben in meer of mindere mate geschikt jachtgebied, schuilgelegenheid of verblijfsgelegenheid voor kleine marterachtigen. Langs de dichte lijnvormige elementen aan de grenzen van de deelgebieden zouden de dieren zich kunnen verplaatsen en de bosschages in het plangebied (maar in het bijzonder het Kapelbos) zijn allemaal functioneel voor marterachtigen als foerageergebied en/of verblijfplaats. De aanwezige opstallen, in specifiek schuren en vervallen gebouwen, vormen tevens mogelijke verblijfplaatsen voor de Bunzing, met name in de winter. In Figuur 4.15 zijn de potentiële foerageergebieden en habitats voor marterachtigen aangegeven binnen Zandzoom.
Omdat elk deelgebied her en der beschikt over geschikte landschapselementen, liggen de locaties van het potentiële verblijfplaatsen en leefgebied zeer verspreidt over het plangebied.. De Noordse woelmuis is wel bekend aanwezig in het natuurgebied ‘Het Die’ aan de oostzijde van de A9. Het onderzoeksgebied is slecht geschikt voor de Noordse woelmuis. De benodigde levensvoorwaarden zijn veelal niet aanwezig. Het terrein is vaak te droog en een vochtige kruidenrijke oevervegetatie nabij schoon en helder water ontbreekt meestal. Volgens de zoogdieratlas komt de Noordse woelmuis echter wel degelijk voor ten westen van de A9. Het is meest waarschijnlijk dat de Noordse Woelmuis via de Laandervaart onder de A9 doorkomt en zo Zandzoom kan bereiken. De paddenpoel met rietzoom aan
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
54/114
Oosterzijweg vormt mogelijk een leefgebied waar de soort zo nu en dan een aantal jaren kan overleven. Voor de Waterspitsmuis geldt dat er geen waarnemingen bekend zijn ten westen van de A9. In de Westflank liggen langs de half-verharde Kruisdijk wat structuurrijkere oevers die suboptimaal zijn voor Waterspitsmuis. Door het uitvoeren van graafwerkzaamheden kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebied van zowel de Noordse Woelmuis als de Waterspitsmuis worden aangetast.
Figuur 4.15 Verspreidingskaart van waarnemingen van de Bunzing en Boommarter en geschikt habitat als foerageergebied en rust- en verblijfplaats. Sinds 2021 bijgekomen geschikte leefgebieden zijn aangegeven met een rode ster (bron: Endemica).
Laag beschermde zoogdieren In de nabije en ruime omgeving van het plangebied zijn via openbare bronnen waarnemingen bekend van laag beschermde zoogdieren zoals o.a. Vos, Gewone bosmuis, Veldmuis, Rosse woelmuis, Dwergmuis, Huisspitsmuis, Egel, Haas en Konijn. Tijdens het veldbezoek voor Zandzoom 2023 en inventarisaties van andere projecten in 2023 werden ook de Huisspitsmuis waargenomen nabij het volkstuinencomplex in deelgebied ‘centrale kamer west’ en meerdere Hazen (ca. 10) in het open grasland van ‘centrale kamer oost’. Het plangebied heeft ook op tal van plaatsen geschikt biotoop om te dienen als vaste verblijfplaats voor kleine, grondgebonden, beschermde zoogdieren zoals de bovengenoemde zoogdieren. Vanwege de aanwezigheid van geschikt biotoop (zoals groen of
Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614
55/114
onverharde grond) in en rondom het plangebied worden vaste verblijfplaatsen van laag beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten verwacht. Vleermuizen De functionele leefomgeving van vleermuizen bestaat uit de verblijfplaatsen inclusief de bijbehorende en essentiële vliegroutes en foerageergebieden. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van Laatvlieger, Rosse vleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis en Watervleermuis (NDFF 2010-2023). Van deze soorten verblijven Rosse vleermuis, Watervleermuis en Ruige dwergvleermuis in bomen en overige soorten hebben hun verblijfplaatsen over het algemeen in gebouwen. Het plangebied is vanwege zijn groene karakter, de dekking en variatie in landschap (zowel open als luwe, begroeide stukken) geschikt als foerageergebied met name voor dwergvleermuizen maar ook Rosse vleermuis en Laatvlieger. Watervleermuizen vangen insecten van het wateroppervlak of vlak boven het water. Omdat dit biotoop niet aanwezig is binnen het plangebied worden foerageergebieden van deze soort niet verwacht. Als vliegroute maken vleermuizen veelal gebruik van lijnvormige elementen. In het plangebied is sprake van lijnvormige elementen en kan een mogelijke essentiële vliegroute niet worden uitgesloten.