Bijlage 01b 20231123_t_NL.IMRO.0399.BPZandzoomHLO2023-0301
Tekst van het document
46
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medische centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling is een geluidsonderzoek uitgevoerd door Adviesburo Van der Boom op 16 oktober 2023. Dit onderzoek omvatte een (her)berekening van de geluidsbelasting op de beoogde geluidsgevoelige objecten als gevolg van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. In het vorige bestemmingsplan Zandzoom is reeds een besluit genomen over hogere waarden, dat nog steeds van kracht is. Voor het huidige bestemmingsplan is beoordeeld of het eerder afgegeven besluit over hogere waarden afdoende is, of dat er een aanvullend of hernieuwd besluit nodig is. Uit het onderzoek blijkt dat de eerder afgegeven hogere waarden voor de nieuw beoogde woningen aan de Kennemerstraatweg niet voldoen. De bestaande hogere waarden van 60 dB zijn onvoldoende en dienen te worden verhoogd naar 63 dB. De eerder afgegeven hogere waarden voor de woningen aan de Vennewatersweg en Ypersteinerlaan voldoen nog steeds en behoeven geen aanpassing.
Ook de eerder afgegeven hogere waarden voor het spoor voldoen nog steeds, waarbij is uitgegaan van een doorlopend geluidscherm. De realisatie hiervan is geborgd in de planregels.
47
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Door de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD) is een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezige bedrijvigheid in het plangebied. Deze bedrijven zijn weergegeven in de tabel die in bijlage [3] is opgenomen. In deze tabel zijn tevens de aan te houden richtafstanden opgenomen. Bij de uitwerking van de bestemmingen zal in beginsel rekening moeten worden gehouden met deze afstanden. Dit is ook als dusdanig opgenomen in de planregels en op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. De belemmerende werking hiervan zal moeten worden afgewogen mede in relatie tot de al bestaande woningen in de nabijheid van deze bedrijven. 4.5.1 Spuitzones De gronden in en nabij het plangebied zijn onder andere bestemd voor agrarische bedrijven. Op deze gronden is bollenteelt toegestaan en kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de drift van gewasbeschermingsmiddelen van belang. Het neerkomen van een deel van de gewasbeschermingsmiddelen door wind heeft namelijk mogelijk effect op de gezondheid van omwonenden. Normering Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (bijvoorbeeld fruitbomen of bollenteelt) in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen woningen.
De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen
48
opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. Vanwege het ontbreken van wetgeving is een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten (veelal fruitteelt als maatgevende teeltvorm) en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies in acht moet worden genomen. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Bij de afstand van 50 m wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en dat er anderzijds geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Deze afstand is echter indicatief. Daarnaast moet hierbij de kanttekening gemaakt worden dat deze zone van 50 m uitgaat van de toepassing van bestrijdingsmiddelen zonder enige vorm van driftreductie. In de uitspraak in zaak 2015-06413/1/R2 is naar voren gekomen dat locatiespecifieke omstandigheden in de overwegingen dienen te worden betrokken. De uitspraak van de Afdeling d.d. 10 september 2014 betekent in dit verband dat de afstand van 50 m niet overal behoeft te worden toegepast. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waar van deze aan te houden afstand (gemotiveerd) kan worden afgeweken.
Het gaat om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op/in de gevoelige functies en de borging van de te nemen maatregelen om tot dit klimaat te komen. Op grond van artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er verplicht ten minste 75% driftreducerend gespoten moet worden. Uitgaande van deze verplichte spuitmethode is te onderbouwen dat de 50 meter als vuistregel in zekere zin achterhaald is. Volstaan kan worden met een kleiner aan te houden afstand voor fruitteelt als maatgevende teeltvorm en daarmee ook voor minder belastende teeltvormen. Hierbij dient de afstand dusdanig te zijn, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functie. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. De vuistregel van 50 meter betreft geen minimaal aan te houden afstand. Het is mogelijk om gemotiveerd van deze afstand af te wijken.
Hierbij dient de afstand dusdanig te zijn, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functie. De ABRvS geeft in haar uitspraak van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2373) aan dat het mogelijk is om bij vollegrondsteelt van gewassen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, af te wijken van de vuistregel van 50 meter. Bij dergelijke vollegrondsteelt worden gewasbeschermingsmiddelen, in tegenstelling tot boom- en fruitteelt, op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden. Bij de betreffende uitspraak wordt een afstand van 9,5 meter voldoende geacht, mede omdat het woonerf is afgeschermd door een heg, die eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen zal tegenhouden. In artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit milieubeheer, dat op 1 januari 2018 in werking is getreden, is bepaald dat bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen en op braakliggend land in de open lucht een techniek wordt gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75% ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek. Daarmee gelden er voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen strengere normen dan waarvan de ABRvS in haar uitspraken is uitgegaan.
49
Bollenteelt Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij bollenteelt ontstaat beperkt spuitnevel, omdat spuittechniek neerwaarts is en de spuitkoppen zich relatief dicht bij de grond bevinden. In en nabij het plangebied is geen teeltvorm toegestaan waarbij een niet-neerwaartse spuittechniek wordt toegepast, zoals boom- en fruitteelt. In het westen van het plangebied, nabij de spoorlijn, nabij de Kennemerstraatweg en in het oosten van het plangebied is grenzend aan een woonbestemming bollenteelt toegestaan. Uit onderzoeken met het ESFA (OPEX)-model is gebleken dat bij de meeste teeltvormen met een afstand van 5 meter voldaan aan de maximaal acceptabele blootstellingsnormen voor individuele gewasbeschermingsmiddelen. De planlocatie en de hierbij voorziene woningen liggen op een grotere afstand van dan 5 meter van bollenvelden die nog bedrijfsmatige geëxploiteerd worden. Het plan voldoet, voor wat betreft dit aspect, aan een goede ruimtelijke ordening.
4.6 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval door activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen. De overheid wil met haar beleid burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen de effecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen bieden en hanteert als basisnorm dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met gevaarlijke stoffen voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de miljoen (10-6) per jaar. Dit is het zogenaamde plaatsgebonden risico. Naast de norm voor het plaatsgebonden risico is een norm voor het groepsrisico gedefinieerd. Het groepsrisico geeft inzicht in hoeveel personen worden bedreigd door een calamiteit bij een risicovolle activiteit. Het aantal getroffen personen is per mogelijke calamiteit verschillend, omdat de effecten per type calamiteit verschillen. Een risicovolle activiteit kan leiden tot verschillende soorten calamiteiten met bijbehorende effecten (dus slachtoffers) en kansen. Een ander punt is de aanwezigheid van personen binnen het effectgebied (of invloedsgebied) van de calamiteit. Als er geen personen in het invloedsgebied aanwezig zijn kunnen er geen slachtoffers vallen en is het groepsrisico dan ook 'nihil'. Het groepsrisico kan niet in 1 getal worden uitgedrukt.
Maar wordt als een curve weergegeven in een grafiek waarin het aantal dodelijk slachtoffers is uitgezet tegen de kans dat een calamiteit met dit aantal slachtoffers kan optreden. Het groepsrisico kent geen harde grenswaarde. Wel is er een zogenaamde oriëntatiewaarde waarmee het berekende groepsrisico mee moet worden vergeleken. Deze waarde geldt als een richtwaarde waaraan getoetst moet worden en is een soort maat voor wat binnen Nederland nog als maatschappelijk geaccepteerde kans geldt voor calamiteiten waarbij meerdere dodelijke slachtoffers kunnen vallen. De oriëntatiewaarde is zodanig gedefinieerd dat bij iedere factor 10 toename van het aantal slachtoffers de kans hierop met een factor 100 moet afnemen. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat bij een groter aantal slachtoffers het maatschappelijk draagvlak hiervoor snel afneemt aangezien dit tot een ontwrichting van de locale samenleving kan leiden. De oriëntatiewaarde is geen 'saneringswaarde'. Dit betekent dat als deze overschreden wordt dit niet tot een verplichte sanering hoeft te leiden. Wel moet altijd geprobeerd worden om het groepsrisico zo veel mogelijk te beperken. Verder moet iedere verandering van het groepsrisico door risicobronnen of veranderingen in de ruimtelijke omgeving worden verantwoord.
50
4.6.1 Wettelijk kader Elk ruimtelijk besluit moet worden getoetst aan de wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid voor risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen. Voor risicovolle bedrijven met gevaarlijke stoffen zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende regeling (Revi). Daarnaast is op 28 juni 2016 de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid' in de Staatscourant gepubliceerd. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations. Voor transportroutes van gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor gelden de regels zoals vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens de Regeling basisnet in werking getreden. Het basisnet geeft de maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken.
Voor hogedrukaardgastransportleidingen zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico vastgelegd in het Besluit houdende milieukwaliteitseisen externe veiligheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). 4.6.2 Ligging plangebied en risicovolle objecten De omgeving van het plangebied is getoetst op het aspect externe veiligheid. Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens in de provinciale risicokaart van Noord-Holland en gegevens van risicobronnen die bekend zijn bij de gemeente en de Veiligheidsregio. Op de volgende afbeelding is de ligging van het ontwikkelgebied aangegeven met de dichtstbijzijnde risicovolle activiteiten. Opgemerkt wordt dat het LPG verkoopstation bij bron 4 niet meer gerealiseerd wordt.
Ligging plangebied met dichtstbijzijnde risicovolle activiteiten
51
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het invloedsgebied van de volgende risicobronnen binnen het plangebied ligt: 1. 2.
3.
LPG-tankstation BOHA, Vennewatersweg 2a en 2b te Heiloo. Op grond het Bevi/Revi gelden er normen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Hoge druk aardgas buisleiding van de Gasunie (A-562). Op grond van het Bevb en het Revb gelden er normen voor een belemmeringenstrook, het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Hoge druk aardgas buisleiding van de Gasunie (W-571-01). Op grond van het Bevb en het Revb gelden er normen voor een belemmeringenstrook, het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.
4.6.3 Bevi-inrichtingen (LPG-tankstation BOHA) GP Groot brandstoffenhandel en oliehandel B.V. (Boha) is gevestigd aan de Vennewatersweg 2a en 2b te Heiloo. De doorzet aan LPG is in de vergunning gelimiteerd tot 500 m³ per jaar. De opslag van LPG vindt plaats in een ondergrondse tank van 20 m3. Het vulpunt is op minder dan 50 meter afstand gelegen van het reservoir. Verder worden op het achterterrein tankwagens (benzine/diesel) geparkeerd en worden deze tankwagens gelost of geladen vanuit de aanwezige ondergrondse tanks. Volgens informatie van het bedrijf zelf vindt dit gemiddeld ca. 1 x per werkdag plaats. Het bedrijf is gelegen in het plangebied. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een rapportage opgesteld waarbij een toetsing is uitgevoerd aan de normen voor het plaatsgebonden risico en waarbij het groepsrisico is berekend, zie bijlage [4]. Plaatsgebonden risico Op de volgende afbeelding verschillende risicocontouren weergegeven.
Risicocontouren (bron: Prevent Adviesgroep)
52
In de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid' d.d. 28 juni 2016 zijn de risicocontouren (de veiligheidsafstanden) verkleind. Voor de huidige situatie van het LPG-station BOHA betekent dit dat de risicocontour is verkleind van 45 meter (zie afbeelding) naar 25 meter rond het vulpunt. Binnen deze veiligheidafstanden voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6-contour) van 25 meter zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig. Groepsrisico Op de volgende afbeelding is het door Prevent Adviesgroep B.V. berekende groepsrisico weergegeven.
Berekend groepsrisico Het groepsrisico is berekend met SafetiNL voor de volgende situaties:
• •
de bestaande situatie met LPG-branchemaatregelen (blauwe lijn); de te bestemmen situatie met LPG-branchemaatregelen (rode lijn).
Het groepsrisico neemt bij een maximaal mogelijke invulling toe, maar blijft bij het treffen van de LPGbranchemaatregelen ruim onder de oriëntatiewaarde. Door de gemeenteraad zal deze toename van het groepsrisico moeten worden verantwoord. Hoe groter de toename van het groepsrisico hoe “zwaarder” deze verantwoording zal moeten zijn. De inhoud van deze rapportage kan gebruikt worden voor het getalsmatige deel (personendichtheden en omvang van het groepsrisico) van deze verantwoording. Verder moet op grond van het Bevi een advies worden gevraagd aan de veiligheidsregio ten aanzien van het groepsrisico, de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Dit advies moet worden betrokken bij de verantwoording en besluitvorming door de raad. Per 29 juni 2016 gelden de verkleinde veiligheidsafstanden (met LPGbranchemaatregelen) voor zowel bestaande als nieuwe situaties. De veiligheidsafstanden zonder LPG-branchemaatregelen zijn daarmee komen te vervallen.
53
Effectafstand De effectafstand van een LPG-tankstation bedraagt, zoals ook al eerder is aangegeven, volgens de circulaire 60 meter voor (beperkt) kwetsbare objecten. Deze afstand is gebaseerd op het ongevalsscenario dat het meest bijdraagt aan het plaatsgebonden risico. Dat is namelijk slangbreuk gevolgd door een fakkelbrand. Dit scenario kan onmiddellijk (dus zonder ontwikkeltijd) optreden. Op de afstand van 60 meter gaat men uit van een warmtestraling van 10 kW/m² (1% letaliteitsgrens voor onbeschermde personen). Zelfredzame personen zijn vanaf 60 meter afstand voldoende beschermd tegen de effecten van dit scenario. De effectafstand voor zeer kwetsbare objecten bedraagt 160 meter. Onder zeer kwetsbare objecten worden onder andere onder meer ziekenhuizen, zorginstellingen, gebouwen voor onderwijs voor minderjarigen of buitenschoolse opvang, peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, justitiële inrichtingen en asielzoekerscentra. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen zeer kwetsbare objecten binnen een afstand van 160 meter mogelijk. In het voorliggende bestemmingsplan is een aanduiding 'veiligheidszone - lpg' tot een afstand van 60 meter van het LPG-tankstation opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan.
Mits aangetoond wordt dat binnen de effectafstand voldoende maatregelen worden getroffen, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd van dit verbod af te wijken. Afwijken van deze effectafstand is mogelijk als er veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Hierbij gaat het om het behoud van de veiligheid van (beperkt) kwetsbare personen als er een fakkelbrand is. Het slim positioneren van vluchtwegen in gebouwen en in de omgeving is een voorbeeld van een maatregel. Hiermee worden vluchtmogelijkheden zo goed mogelijk ondersteund. Ook goede risicocommunicatie en snelle alarmering kunnen een rol spelen. 4.6.4 Buisleidingen In de volgende tabel zijn de gegevens weergegeven, zoals deze op de risicokaart zijn vermeld, van de hoge druk aardgasbuisleidingen waarvan het invloedsgebied is gelegen binnen bestemmingsplan Zandzoom. Verder is van deze leiding de 100% letaliteitscontour aangegeven die gebaseerd is op de afstandentabel die door de Gasunie is verstrekt. Gegevens leiding Buisleiding nummer
Exploitant
Max. (bar)
A-562 W-571-01
Gasunie Gasunie
66,2 40,00
werkdruk
Diameter (inch) 24,02 12,75
Risicocontour en effectafstanden Pr 10-6-contour Letaliteitscontour (meter) 1% 100% ca. 120 meter 310 140 niet aanwezig 140 70
Het plangebied ligt binnen de 1% letaliteitscontour van buisleiding A-562 en binnen de 1% en 100% letaliteitscontour van buisleiding W-571-01. Leiding en belemmeringenstrook Op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling (Revb) moet de ligging van de buisleiding en de belemmeringenstrook van 5 meter (of 4 meter bij buisleidingen tot en met 40 bar) rond deze leiding worden aangegeven op de verbeelding. De buisleidingen en bijbehorende belemmeringenstroken zijn gelegen buiten het plangebied. Plaatsgebonden risico Hoge druk aardgasbuisleiding W-571-01 beschikt niet over een PR 10-6-contour. Hoge druk aardgasbuisleiding A-562 beschikt wel over een PR 10-6-contour maar deze is gelegen buiten het plangebied. De normen voor het plaatsgebonden risico in het BevB vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
54
Groepsrisico De invloedsgebieden (1% letaliteit) en de 100% letaliteitcontouren van de twee hogedrukaardgasbuisleidingen binnen het plangebied zijn in de bovenstaande tabel weergegeven. Wat het groepsrisico betreft draagt vrijwel alleen de aanwezige bevolking binnen de 100% letaliteitcontour bij aan het groepsrisico. Het plangebied is gelegen binnen de 1% letaliteitscontour van buisleiding A-562 en binnen de 1% en 100% letaliteitscontour van buisleiding W-571-01. Door Prevent Adviesgroep B.V. is in het kader van het bestemmingplan voor de bestaande situatie en de te bestemmen situatie voor buisleiding W-571-01 en A-562 het groepsrisico berekend met CAROLA, zie bijlage [5]. Voor de beide buisleidingen is bij beide omgevingssituaties met CAROLA geen significant groepsrisico berekend (geen zichtbare FN-curve voor het groepsrisico aanwezig). Dit betekent dat de bestaande bebouwing en de te bestemmen bebouwing geen zichtbare bijdrage levert aan het groepsrisico. De berekeningen zoals door Prevent Adviesgroep uitgevoerd zijn gedaan in augustus 2014. Om te bepalen of het onderzoek nog actueel is, is door Prevent Adviesgroep een actualisatietoets uitgevoerd (Prevent Adviesgroep, 15 november 2023). In deze toets komt Prevent Adviesgroep tot de conclusie dat de normen voor externe veiligheid, zoals aangegeven in het Bevb, geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Een (her)berekening van het groepsrisico is niet vereist. Er is geen sprake van een significant groepsrisico. Op grond van het Bevb kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. 4.6.5 Advies Veiligheidsregio Noord-Holland Noord Ten aanzien van de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation en de buisleidingen moet advies worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is dit advies ingewonnen en heeft de Veiligheidsregio NoordHolland Noord gereageerd, zie paragraaf 7.3.
55
4.7 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijksten hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
56
4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterplan 2022-2027 Op 15 december 2021 is het Waterprogramma 2022-2027 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het Waterplan geeft de koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het hoogheemraadschap bouwt voort opde regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023.Het WBP is een wettelijke verplichting die volgt uit de Waterwet (die straks opgaat in de Omgevingswet) en het Bestuursakkoord Water. In het Waterplan 2022 – 2027 zijn de doelen en ambities uitgewerkt in de 'maatschappelijke effecten'.Dit zijn:
• • • • • • •
Waterveiligheid; Voldoende water; Gezond water; Schoon water; Veilige vaarwegen; crisibeheersning; en bestuur en organisatie.
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterplan het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die ze in de periode 2012 – 2027 gaan uitvoeren. Met het Waterplan wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2022 en 2027. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In 2016 is de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier' vastgesteld door Het hoogheemraadschap. De regels in de keur zijn onder te verdelen in twee categorieën: gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Met de geboden worden derden verplicht het aan hen toegewezen onderhoud aan waterstaatswerken uit te voeren. De verboden zijn er om te voorkomen dat wijzigingen worden aangebracht in waterstaatswerken, waardoor ze niet (goed) meer functioneren.
Zo is het bijvoorbeeld verboden om zonder toestemming van het Hoogheemraadschap een steiger in het water aan te leggen of een sloot te dempen. De regels uit de keur zijn vastgelegd in het keurdocument. De legger uit dit keurdocument bepaalt waar de geboden en verboden uit de keur van toepassing zijn. 4.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
57
Planspecifiek De waterhuishouding in Zandzoom is van groot belang. Er zal een robuust watersysteem in Zandzoom moeten worden gecreëerd, waardoor de ontwatering in, en de afwatering van het gebied, ook na realisatie van de woningbouwontwikkeling, blijvend gegarandeerd is. In het kader van de Nota van Uitgangspunten voor Zandzoom is een Variantenstudie watersysteem Zandzoom uitgevoerd, zie bijlage [6]. In deze variantenstudie zijn varianten voor het watersysteem van Zandzoom binnen de kaders van het beleid van de gemeente Heiloo en het HHNK beschreven. Ontwatering plangebied In de huidige situatie is de ontwateringsdiepte in het plangebied beperkt. In praktisch het hele gebied is deze minder dan 0,7 meter. Uitzondering zijn delen in de groene buffer waar de ontwateringsdiepte groter is dan 0,7 meter. Om een goede afwatering en ontwatering te realiseren zijn binnen Zandzoom de volgende varianten beschouwd:
• • •
Variant A - Droge greppels; Variant B - Infiltratieriolering (in combinatie met greppels); Variant C - Natte greppel.
Uit de beoordeling van de verschillende varianten blijkt dat variant B de hoogste score krijgt doordat bij de aanleg van een systeem met greppels en IT-riolering de ontwatering op robuuste wijze en met weinig risico op falen kan worden gerealiseerd. Variant B heeft ook de minste opbolling van grondwater waardoor minder ophoging van het maaiveld benodigd is. Een minpunt van deze variant is de toename van afvoer van water uit het gebied. Met het oog op de klimaatverandering is robuustheid van het hele watersysteem gewenst. Dit wordt aan de ene kant bereikt door voldoende ontwatering van bebouwingen en wegen en aan de andere kant door aanvullende berging boven- of ondergronds. In de situatie van extreme neerslag wordt de robuustheid gezocht in het aanleggen van overloopgebieden. Deze overloopgebieden kunnen in de groenstructuren worden verwerkt. Het systeem is eenvoudig en robuust, maar wijkt wel af van het Masterplan Water Zandzoom en Zuiderloo van 2008. In het Masterplan was geen infiltratieriolering voorzien. Het Hoogheemraadschap ondersteunt de aanpak om met een infiltratieriool een robuuster systeem te creëren. Vanuit beheer en onderhoud heeft het niet de voorkeur om infiltratievoorzieningen bij particulieren in de tuinen te plaatsen om het dakwater te infiltreren.
De werking van de particuliere infiltratievoorzieningen is afhankelijk van de inspanning van de bewoners en lastig te controleren door de gemeente. Door het toepassen van een IT-riool kunnen particuliere infiltratievoorzieningen achterwege gelaten worden. Het dakwater kan namelijk op het IT-riool aangesloten worden. Dit systeem wordt onderhouden door de gemeente en is daardoor minder faalgevoelig. Gevolg van deze keuze is wel dat er aanvullende berging benodigd is in het plan. Deze berging kan verwerkt worden in de groengebieden. Ook het toepassen van regentonnen kan bijdragen aan de berging. Uitgangspunt is dat het regenwater in de tuinen ter plaatse wordt geïnfiltreerd. Het heeft daardoor de voorkeur dat verharding in de tuinen wordt beperkt. Dit is echter niet afdwingbaar.
58
De mogelijkheid bestaat om meerdere varianten in het plangebied toe te passen. Dit is afhankelijk van meerdere factoren zoals een stedenbouwkundig plan en de daarop te baseren hydraulische berekeningen. In de centrale kamer ligt het voor de hand om variant B Infiltratieriolering toe te passen. In de flanken bestaat de mogelijkheid om de variant A zonder infiltratieriolering toe te passen. Voor het toepassen van variant C moet per deelgebied de haalbaarheid worden beschouwd. Deze variant is wellicht minder effectief en is alleen in de uiterste randen van de flanken mogelijk. Daarbij moet rekening gehouden worden met extra civiele kunstwerken in het bestaande watersysteem om de watervoerendheid te regelen (bijvoorbeeld diepere duikers). Uitgangspunt is dat het regenwater in de tuinen ter plaatse wordt geïnfiltreerd. Het heeft daardoor de voorkeur dat verharding in de tuinen wordt beperkt. Dit is echter niet afdwingbaar.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
4.8.1 Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
59
Planspecifiek Rondom het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden, waarvan de volgende binnen een afstand van tien kilometer van het plangebied:
• • • • •
Noordhollands Duinreservaat (circa 1,7 kilometer); Eilandspolder (circa 6 kilometer); Noordzeekustzone (circa 7 kilometer); Schoorlse Duinen (circa 9,5 kilometer); Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (circa 9,5 kilometer).
Het plangebied heeft geen relatie met deze omliggende Natura 2000-gebieden. Voor vrijwel alle mogelijke externe effectfactoren zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid, trillingen e.d. geldt dat gezien de afstand en de tussenliggende elementen, geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. In de ecologische voortoets, zoals opgesteld door Endemica (Endemica, 15 november 2023), is geconcludeerd dat, gezien de gepaste afstand van de ontwikkeling tot het Natura-2000 gebied, de genoemde storingsfactoren geluid, licht, trilling en verstoring die tijdens of na de voorgenomen werkzaamheden tot stand komen zullen de Natura 2000-gebieden niet bereiken en daarmee niet aan de orde zijn. Evenmin zijn verontreiniging of verdroging van toepassing. Het Natura 2000-gebied ligt buiten de verstoringsafstand van deze factoren. Tevens wordt het voornemen binnen de bestaande milieuregels afgewikkeld, waardoor verontreiniging geen relevant effecttype is. Voor de omliggende Natura 2000-gebieden dient daarmee uitsluitend beoordeeld te worden of de voorgenomen activiteiten leiden tot negatief effect, waarbij alleen de storingsfactoren vermesting en verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, een negatief effect kunnen hebben.
Effecten stikstof Om te beoordelen of er negatieve effecten optreden als gevolg van depositie van stikstof is door Langelaar Milieuadvies een stikstof berekening opgesteld. Omdat de eventuele aansluiting van de A9 geen onderdeel uitmaakt van deze planvorming is, in overeenstemming met de eerdere uitspraak van de Raad van State, uitgegaan van het scenario dat Zandzoom wordt gerealiseerd met ontsluiting op het bestaande wegennet. Uit de studie van Langelaar blijkt dat het planvoornemen, in vergelijking met de huidige situatie, leidt tot een afname van de stikstofdepositie in 8 Natura 2000-gebieden. De meest significante daling doet zich voor in het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat, met een afname van 1,05 mol N/ha/jaar. Het planvoornemen resulteert niet in een toename van stikstofdepositie voor enig habitattype of voor stikstofgevoelige leefgebieden van kwalificerende soorten. Veel van de stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden overstijgen momenteel de Kritische Depositiewaarde. Het planvoornemen draagt bij aan een vermindering van de stikstofdepositie in deze gebieden en draagt zo positief bij aan het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen. Op basis van deze bevindingen kan met zekerheid worden gesteld dat het planvoornemen geen negatieve effecten veroorzaakt als gevolg van stikstofdepositie.
Daarom kan geconcludeerd worden dat er geen verplichting is voor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).
60
4.8.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek In het kader van de ontwikkeling van Zandzoom is een Omgevingsscan voor de locatie uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Endemica (OmgevingsScan flora en fauna, 15 november 2023). In de omgevingsscan is in beeld gebracht welke beschermde plant- en diersoorten in het plangebied voorkomen. In het kader van het onderzoek is het plangebied opgedeeld in vijfdeelgebieden. Deze deelgebieden zijn vervolgens meerdere malen bezocht. In de rapportage is vervolgens per kamer in beeld gebracht wat aangetroffen is en welke vervolgstappen nodig zijn. Nader onderzoek is op onderdelen noodzakelijk, als ook mogelijk het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. Hieronder is een samenvatting per kamer opgenomen. Kamer West Dit deelgebied bestaan voor een groot deel uit agrarisch land, maar ook uit boomgaarden met houtwallen en woonerven plus bebouwing. Op meerdere plaatsen zijn geschikte plekken voor overwinterende Rugstreeppadden aanwezig.
Er zijn Huismussen waargenomen aan de west- en oostkant van het deelgebied en mogelijk het aanwezige groen in gebruik nemen als leefgebied of mogelijk zelfs als broedlocatie. Onderzoek uitgevoerd conform kennisdocument Huismus dient dit aan te tonen/uit te sluiten. Ten oosten ligt een zandlichaam die vestiging van Oeverzwaluwen mogelijk maakt. Indien nestelende oeverzwaluwen aanwezig zijn, dient deze plek met rust te worden gelaten, anders moet de zandlichamen worden afgevlakt/verwijderd om stijlranden te voorkomen. Eveneens zijn in dit deelgebied enkele boomholtes aangetroffen geschikt voor vleermuizen en lijnvormige structuren die als vliegroutes kunnen dienen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het Vleermuisprotocol 2021. Ook zijn verspreid over het gebied bomen aanwezig die mogelijk in bezit zijn van jaarrond beschermde nesten van roofvogels zoals de Sperwer en de Ransuil. Door onderzoek uit te voeren op basis van de telrichtlijnen van SOVON, kan het voorkomen van deze soorten worden vastgesteld. De overige aanwezige bomen (zonder functie voor vleermuizen of jaarrond beschermde nesten) kunnen gekapt worden, mits er een kapvergunning is van de gemeente Heiloo, voordat er vogels gaan broeden. Voorafgaande aan de kap dient eerst door een ecoloog vastgesteld te worden dat er geen vogels aan het broeden zijn.
Beseft moet worden dat bepaalde soorten, zoals de Ekster en Houtduif, al in februari kunnen broeden. Tot slot zijn er elementen of holten in de grond aanwezig die door marterachtigen gebruikt kunnen worden als rusten/of verblijfplaats. In de oevers langs het de Kruisdijk komen, gezien de verspreiding volgens de Zoogdieratlas, misschien Noordse Woelmuizen voor. Het is belangrijk om te kunnen uitsluiten dat Noordse Woelmuizen aanwezig zijn aangezien deze oevers waarschijnlijk aangetast worden. Dit kan bijvoorbeeld door uitgebreid muizenkeutels te verzamelen en op DNA van de Noordse Woelmuis te laten testen. Zekerheidshalve wordt aangeraden om gelijktijdig ook te testen op DNA van de Waterspitsmuis.
61
Centrale kamer West Het centrale deel bestaat veelal uit agrarisch gebied met kascomplexen, schuren en woonhuizen. Hier en daar zijn ook (kleine) boomgaarden en woonerven aanwezig. Geschikt voortplantingshabitat is ten oosten aangetroffen en ook biedt het deelgebied ten oosten overwinteringshabitat voor de Rugstreeppad. Voordat dit gebied vergraven wordt, dient eerst te worden vastgesteld dat hier geen Rugstreeppadden aanwezig zijn. Dit onderzoek dient conform het kennisdocument Rugstreeppad van BIJ12 plaats te vinden. Mochten er Rugstreeppadden aangetroffen worden dat is het nodig om een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen om de dieren te verplaatsen. De boomgaarden in dit deelgebied vormen o.a. ‘rommelige’ plekken binnen dit deelgebied, die mogelijk verblijfplaatsen van kleine marterachtigen herbergen. Daarom is het noodzakelijk om vooraf en de handreiking wezel, hermelijn en bunzing van de OD-NHN vast te stellen of de kleine marterachtigen aanwezig zijn of niet. Tot slot dient aan de randen van in dit deelgebied, conform kennisdocument Huismus en op basis van de telrichtlijnen van SOVON, de functie van het gebied voor de Huismus en mogelijke broedplekken van de Ransuil worden onderzocht. Verdere werkzaamheden in dit deelgebied kunnen uitgevoerd zolang er geen broedende vogels aanwezig zijn.
Centrale Kamer Oost Voordat werkzaamheden hier kunnen plaatsvinden moet ook in dit deelgebied naar meerdere soortgroepen onderzoek worden uitgevoerd. Ruigtes en rommelhoekjes rondom de kascomplexen en de opgaande begroeiing in dit deelgebied maken het mogelijk om verblijfplaatsen van kleine marterachtigen te herbergen. Daarom is het noodzakelijk om vooraf en conform de handreiking wezel, hermelijn en bunzing van de OD-NHN vast te stellen of de kleine marterachtigen aanwezig zijn of niet. Met name ten zuiden zijn elementen die voor de Rugstreeppad geschikt zijn om in te overwinteren en zijn kleine poelen aangetroffen geschikt als voortplantingslocatie. Conform het kennisdocument Rugstreeppad dient nader bepaald te worden of hier Rugstreeppadden aanwezig zijn. Ook de westzijde van dit deelgebied kan deel uitmaken als functioneel leefgebied van de Huismus en wellicht enkele broedlocaties herbergen. Helemaal ten zuiden van dit deelgebied ligt mogelijk een essentiële vliegroute en moet vastgesteld worden of de aanwezige holte in een boom dient als vaste rust- en verblijfplaats. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden volgens de richtlijnen genoemd in het Vleermuisprotocol 2021 en het kennisdocument Huismus. Kamer Oost Aandachtspunt zijn de aanwezige zandlichamen waarin Oeverzwaluwen kunnen gaan broeden en Rugstreeppadden kunnen verblijven.
Voordat deze zandlichamen worden verwijderd dient te worden vastgesteld dat hier geen vogels in aan het broeden zijn. Ook hier geldt dat mochten er Rugstreeppadden in de zandlichamen aangetroffen worden dat is het nodig om een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen om de dieren te verplaatsen. Wegens de aanwezigheid van potentiële nestlocaties van de Ransuil dienen kapwerkzaamheden niet verricht te worden voordat onderzoek hiernaar is gedaan, conform de telrichtlijnen van SOVON. Het kappen van overige bomen en verwijderen van vegetaties is tevens pas mogelijk als er geen broedende vogels aanwezig zijn. Noordse woelmuizen bevinden zich mogelijk alleen in oevers die niet aangetast worden maar voorkomen moet worden dat (marginale) verbindingsroutes richting het Die verdwijnen en daardoor eveneens lokaal aanwezige Noordse Woelmuizen, Daarom is het belangrijk om te kunnen uitsluiten dat Noordse Woelmuizen aanwezig zijn. Dit kan bijvoorbeeld door uitgebreid muizenkeutels te verzamelen en op DNA van de Noordse Woelmuis te laten testen. Voor de ontwikkeling van 'Koningshof' gelegen in Kamer Oost is op 16 maart 2021 een ontheffing Wet natuurbescherming door de omgevingsdienst verleend. Deze ontheffing is afgegeven voor de bouw van zes woningen waarvoor bosschages, bomen, ruigte en greppels worden verwijderd.
Kamer zuid Aangrenzend aan de Zuidflank bevindt zich het Kapelbos met veelal oudere bomen, geschikt voor vele vogelsoorten. De aanwezige bomen aan de west- en noordzijde van het ‘Zuidflank’ bevatten dan ook potentiële nestgelegenheid voor soorten als de Ransuil en de Sperwer, waarnaar onderzoek moet worden gedaan op basis van de telrichtlijnen van SOVON. Daarnaast dient de noordkant van dit deelgebied geïnspecteerd te worden op het voorkomen van Huismussen en moet worden vastgesteld (middels het kennisdocument Huismus) welke functie het deelgebied heeft voor deze soort. Ten oosten van dit
62
plangebied moet conform het Vleermuisprotocol 2021 onderzocht of de bomenrijen een essentiële vliegroute vormen. De grenzen van het plangebied herbergen geschikt habitat voor kleine marters, waarvan de aanwezigheid moet worden aangetoond conform de handreiking wezel, hermelijn en bunzing. Tot slot vormen de open gedeeltes ten zuiden van het deelgebied geschikt overwinteringsmogelijkheden voor de Rugstreeppad en ten noorden is een mogelijke voorplantingsplek vastgesteld. Daarom is het noodzakelijk om vooraf onderzoek te doen naar het voorkomen van deze soort conform het kennisdocument Rugstreeppad. Omdat het openbaar groen voor alle algemene vogels broedgelegenheid biedt, mag verwijdering hiervan alleen indien broedende vogels niet aanwezig zijn. Vervolg onderzoeken Zoals in subparagraaf 3.1.4 is toegelicht zijn aan bestemmingsplannen vaak hoge onderzoekslasten verbonden, doordat deze plannen meerdere mogelijkheden bieden waarop een gebied ingevuld kan worden. Bij een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is er de mogelijkheid om dit probleem aan te pakken en door fasering de onderzoekslasten te verlagen. Bij het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is het op grond van artikel 7c, lid 9, onder a, sub 2 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet mogelijk af te wijken van artikel 3.1.6, lid 1, onder f van het Besluit ruimtelijke ordening.
Daarmee kan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan ook op een later moment aangetoond worden. Door verschillende marktpartijen is parallel aan dit bestemmingsplan traject nader onderzoek gedaan naar beschermde plant- en diersoorten binnen het plangebied. Dit is nog niet voor alle locaties uitgevoerd. Voor de plandelen waarvoor dit onderzoek is uitgevoerd en is afgerond zijn inmiddels ontheffingen aangevraagd. Voor het plandeel Koningshof is reeds in maart 2021 een ontheffing afgegeven. Nader veldonderzoek naar beschermde soorten van de Wet natuurbescherming zal uitgevoerd worden wanneer zich concrete initiatieven aandienen. Met dit nadere veldonderzoek kan de uitvoerbaarheid voor de verschillende deeluitwerkingen van het bestemmingsplan inzichtelijk gemaakt worden, waarbij de reeds uitgevoerde quickscan flora en fauna een eerste verkenning vormt. Waar er verblijfplaatsen aanwezig zijn of er aanleiding bestaat ontheffing aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming zal dit per ontwikkeling worden aangevraagd. Zorgplicht Voor alle in het plangebied aanwezige soorten, dus ook de algemene soorten, maar met uitzondering van de Huismuis en Bruine rat, geldt de Zorgplicht. Dit houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde en/of onbeschermde flora en fauna dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
63
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Op 9 mei 2011 is de Nota Cultuurhistorie vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo. In de Nota Cultuurhistorie is tevens het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie opgenomen. De archeologische waarde van een gebied wordt door de gemeente bepaald door het te toetsen aan aspecten zoals geomorfologie, historische wegen, en bekende archeologische vindplaatsen.
Het plangebied bevindt zich grotendeels op de strandwal. Het gebied is sinds de prehistorie in gebruik genomen door nomaden. Op basis van deze feiten heeft het gehele gebied een zeer hoge archeologische verwachting. Aan deze waardering is de consequentie verbonden dat ontwikkelingen vanaf 50 m² en dieper dan 50 cm vergunningplichtig zijn. Dit bestemmingsplan beoogt nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Ter behoud van de archeologische waarde van het gebied is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Dit houdt in dat voor werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 50 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voor enkele locaties binnen het plangebied zijn op basis van uitgevoerde onderzoeken reeds nieuwe selectiebesluiten genomen, waardoor de dubbelbestemming hier niet is opgenomen.
4.10 Cultuurhistorie Door recente wijzigingen in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is sinds 1 januari 2012 het opnemen van een cultuurhistorische paragraaf verplicht. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de, in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Planspecifiek Zoals in de vorige paragraaf reeds aangegeven is op 9 mei 2011 de Nota Cultuurhistorie vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo. In de Nota Cultuurhistorie beschrijft de gemeente Heiloo de belangrijkste ruimtelijke en cultuurhistorische kenmerken van Heiloo en heeft het op basis daarvan beleid vastgesteld. De identiteit van het dorp is door de eeuwen heen gevormd en bepaald door die kenmerken die passen bij haar historie; het zijn de elementen die laten zien waar de historie uit bestaat en hoe deze het dorp hebben gemaakt tot wat het is.
64
Een aantal van de beleidsuitspraken zijn specifiek op Zandzoom van toepassing. Vasthouden aan het contrast tussen de bebouwde strandwal en de lege strandvlaktes betekent zo veel mogelijk bebouwing concentreren op en rond de strandwal en de strandvlaktes zo open mogelijk houden. Vasthouden aan de ontwikkelingsstructuur van Heiloo (noord-zuid gericht wegenpatroon en oost-westgerichte verkaveling) houdt bovendien in dat bij nieuwbouw onderzocht wordt hoe kan worden aangesloten op het historisch gegroeide wegenpatroon en het bijpassende verkavelingspatroon. Concreet betekent dit voor Zandzoom:
• • • •
doorgaande wegen noord-zuid; dwarsverbindingen oost-west; verkaveling haaks op de Hoogeweg; stimuleren van het toepassen van houtwallen en hagen.
Bij het opstellen van de stedenbouwkundige opzet (zie subparagraaf 2.3.1) is getracht zoveel mogelijk rekening te houden met bovenstaande. Daarnaast zijn verschillende waardevolle elementen als behoudenswaardig opgenomen aangemerkt in het ruimtelijke kwaliteitskader. Deze behoudenswaardige elementen dienen ingepast te worden in de nog op te stellen verkavelingsplannen. Via deze verkavelingsplannen is het behoud van deze elementen geborgd.
4.11 Trillingen Voor trillingen bestaan geen wettelijke normen. Wel is door de Stichting Bouwresearch (SBR Richtlijn) een richtlijn opgesteld die een handvat biedt voor de vaststelling en beoordeling van trillingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat trillingen en mogelijke trillingshinder meegewogen dient te worden. Planspecifiek Er is een onderzoek naar trillingen van gevolg van railverkeer uitgevoerd, zie bijlage [7]. Uit het onderzoek blijkt dat trillinghinder aan de hand van de meetresultaten niet zonder meer uitgesloten kan worden op de mogelijke woningbouwlocaties aangezien er op maaiveld niet op alle meetposities wordt voldaan aan de grenswaarden voor nieuwe situaties uit de Richtlijn B 'Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn' van de Stichting Bouwresearch (SBR Richtlijn B). Middels een goed gedimensioneerde fundering kan hier wel aan voldaan worden. Omdat het plan zich nog in de bestemmingsplanfase bevindt, zijn er nog geen specifieke bouwplannen bekend. Geadviseerd wordt specifieke bouwplannen door te rekenen op dempend vermogen van de fundatie en om opslingering van trillingen door aanstoting van eigenfrequenties van vloeren te voorkomen. Het uitgevoerde onderzoek dateert van 24 januari 2019.
Daarmee is het onderzoek ouder dan twee jaar en dient verantwoord te worden waarom het onderzoek nog voldoende actueel is ter onderbouwing van het voorliggende bestemmingsplan. Door Peutz is overleg gevoerd met ProRail. Uit dit overleg is naar voren gekomen dat uiterst beperkt er wel goederentreinen kunnen rijden. Daarnaast is aangegeven dat er geen aanpassingen in de rijsnelheid, aantal (passagiers)treinen of aanpassingen aan het spoor worden voorzien. Dit kan uiteraard in de toekomst zich wel voordoen. Nu er geen wijzigingen op handen zijn is het gedane onderzoek nog voldoende actueel. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting voor het bouwen van woningen opgenomen. Hierin wordt verwezen naar Richtlijn B van Stichting Bouwresearch.
65
4.12 Verkeer en parkeren Verkeer Voor de planontwikkeling heeft Goudappel een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (Goudappel, 15 november 2023). In dit verkeerskundig onderzoek zijn de verkeerseffecten onderzocht die ontstaan als gevolg van de beoogde planontwikkeling. In het verkeerskundig onderzoek zijn twee varianten onderzocht: de realisatie van Zandzoom zonder aansluiting op de A9 en de realisatie van Zandzoom met een aansluiting op de A9. De achtergrond van deze onderzoeksopzet is dat voor de aansluiting op de A9 een zelfstandig planproces wordt doorlopen. Hierdoor kan in het kader van dit bestemmingsplan niet met zekerheid worden gesteld of de aansluiting op de A9 er daadwerkelijk komt. Ten tijde van het ter inzage leggen van dit ontwerp bestemmingsplan is nog geen absolute duidelijkheid of de aansluiting op de A9 daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Hoewel een nieuwe aansluiting op de rijksweg A9 wel de voorkeur geniet en hierover ook afspraken zijn gemaakt met de regio en hogere overheden is ook onderzocht of de ontwikkeling van Zandzoom binnen het bestaande wegennetwerk, met eventueel te treffen maatregelen, voldoet aan de vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Omdat er nog geen volledige zekerheid is over de nieuwe aansluiting is vooralsnog uitgegaan van dit scnenario.
Zonder aansluiting op A9 Uit het onderzoek van Goudappel, zie ook het rapport dat deel uitmaakt van de bijlagen bij de plantoelichting, blijkt dat Zandzoom zonder aansluiting te realiseren is. Zonder de uitvoering van de A9aansluiting en de bijbehorende maatregelen zullen de bestaande verkeersproblemen op het wegennet van Heiloo wel verder verergeren, en zullen er nieuwe problemen ontstaan als gevolg van de Zandzoomontwikkelingen. Door het implementeren van aanvullende maatregelen worden de nadelige gevolgen van de Zandzoom-woningbouwontwikkeling gedeeltelijk verminderd en gedeeltelijk tenietgedaan. De te nemen maatregelen zijn beschreven in de rapportage van Goudappel. Met het treffen van deze maatregelen is het plan verkeerskundig inpasbaar en wordt voldaan aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening. In juridische zin zijn de maatregelen, zoals benoemd in de rapportage van Goudappel, geborgd in de planregels middels het opnemen van een voorwaardelijke verplichting. Deze regeling is terug te vinden in hoofdstuk 3 van de planregels. Met aansluiting A9 Een scenario van de ontwikkeling van Zandzoom met, al dan niet gedurende de realisatie van Zandzoom, een aansluiting op de A9 is ook denkbaar. Hoewel hiervan nu niet van wordt uitgegaan, omdat een vastgesteld en onherroepelijk ruimtelijk kader er nog niet is, heeft Goudappel dit scenario ook getoetst.