Bijlage 01b 20231123_t_NL.IMRO.0399.BPZandzoomHLO2023-0301
Tekst van het document
Dit uitvoeringsprogramma loopt tot en met 2020, maar word verlengd tot 2025, al dan niet in aangescherpte vorm na herijking medio 2020. Speerpunt 2 | Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie De provincie zet zich in om in de behoefte van voldoende betaalbare woningen te voorzien. Tegelijk wil de provincie in lijn met het coalitieakkoord de transitie maken naar een volledig klimaatneutrale, klimaatadaptieve, natuurinclusieve en circulaire gebouwde omgeving.
26
3.2.4 Monitor Woningbouw 2021 De Monitor Woningbouw 2021 bevat cijfers over de ontwikkeling van de woningvoorraad en huishoudens. Het belangrijkste doel van de monitor is het inzichtelijk maken van de voortgang bij het bereiken van woningbouwdoelstellingen, nu en in de toekomst. De basis van de monitor wordt gevormd door de doelstellingen, uitkomsten en afspraken in de regionale actieprogramma's. De monitor geeft een overzicht van de ontwikkeling van de woningbehoefte in de periode 2021-2030. Tot aan 2030 is er in Noord-Holland sprake van een indicatieve opgave van 165.000 woningen. De regio’s Kop van Noord-Holland, Zaanstreek-Waterland en Amsterdam behalen de streefwaarde voor de korte termijn (opgave tot 2025) en hebben voldoende harde plancapaciteit. De overige regio’s, waaronder regio Alkmaar, moeten plancapaciteit hard maken om de streefwaarde te bereiken. Op korte termijn (tot 2025) is er in regio Alkmaar sprake van een indicatieve bouwopgave van 12.000 - 14.000 woningen. Na een gestage stijging in de drie jaren ervoor is het aantal verleende bouwvergunningen in 2019 gedaald. Deze daling heeft zich in 2020 voortgezet. 3.2.5 Programma Nieuwe Strandwal Op 12 maart 2014 hebben de gemeenten Alkmaar, Heiloo, Castricum en de provincie Noord-Holland een overeenkomst ondertekend betreffende het Programma Nieuwe Strandwal (voorheen 'Wonen in het Groen').
Het Programma Nieuwe Strandwal heeft als doel een samenhangend ruimtelijk programma te realiseren dat bijdraagt aan de ontwikkeling van het gebied zoals weergegeven op de volgende afbeelding, waarbij de aanleg van een woonwijk met groene allure gepaard gaat met de realisatie van natuur en recreatieve voorzieningen, een aansluiting op de A9 en bijbehorende toegangswegen en bedrijventerrein Boekelermeer.
Begrenzing plangebied Programma Nieuwe Strandwal
27
Het Programma Nieuwe Strandwal bestaat uit de volgende deelprogramma's: 1. 2. 3. 4.
wonen; groen (ruimtelijke kwaliteit); bedrijventerrein; aansluiting A9.
Op het voorliggende bestemmingsplan is met name het deelprogramma Wonen van toepassing. Het doel van dit programma is 'het vraaggestuurd realiseren van woningen binnen het plangebied, zodat een bijdrage wordt geleverd aan de lokale en regionale woningbehoefte'. De realisatie van woningen in het plangebied Zandzoom draagt bij aan de verwezenlijking van dit doel.
28
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Woonakkoord Regio Alkmaar De provincie Noord-Holland en alle gemeenten in Noord-Holland hebben gezamenlijk regionale actieprogramma's wonen opgesteld. Hiermee geven zij uitvoering aan de Provinciale woonvisie 20102020. In de regionale actieprogramma's wonen staan per regio afspraken over het aantal te bouwen woningen en de kwaliteit ervan. Regio Alkmaar heeft samen met de provincie Noord-Holland dit Woonakkoord 2021-2025 opgesteld. Hierin is aangegeven welke woonopgaven er liggen, wat de gewenste richting is en welke afspraken daarbij passen. Sinds 2011 maakt de regio afspraken over wonen, eerst in een Regionaal Actieprogramma (RAP) Wonen (RAP 2011), later in het RAP 2016-2020, de regionale woonvisie 20132020, de ‘Woningbouwafspraken en programmering Regio Alkmaar’ (2019) en de Woondeal NoordHolland Noord (NHN). Het Woonakkoord is een nieuw beleidsinstrument van de provincie Noord-Holland met als hoofddoel voldoende woningen te realiseren. De provincie Noord-Holland vraagt in haar Woonagenda 2020-2025 aan regio’s om, samen met de provincie, Woonakkoorden op te stellen, met daarin afspraken over woningbouw, nieuwbouw en een overzicht van woningbouwplannen in het landelijk gebied. De provincie wil ook het verduurzamen van de woningvoorraad stimuleren en inspelen op het veranderde klimaat.
Op korte termijn is er behoefte aan alle typen woningen in alle (prijs)segmenten. Ondertussen zien we de bevolkingssamenstelling van Regio Alkmaar veranderen: de regio vergrijst en het aantal (oudere) eenpersoonshuishoudens neemt toe. Uit een recent ABF-onderzoek in opdracht van de Woningmakers worden deze aantallen bevestigd: tot 2040 zou de woningvoorraad in Regio Alkmaar tussen de 25.40033.600 woningen moeten toenemen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt maximaal 1.278 woningen mogelijk op deze locatie. Gezien het grote woningtekort in Amsterdam en de sterke instroom vanuit deze gemeente, evenals de langere looptijd van het voorliggende bestemmingsplan, is er voldoende (bovenregionale) vraag.
29
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie 2030 In 2013 is door de inwoners, de maatschappelijke instellingen, de ondernemers van Heiloo en de gemeente Heiloo de 'Toekomstvisie 2030: de kracht van Heiloo' opgesteld. Op 7 oktober 2013 heeft de raad van de gemeente Heiloo de kernwaarden van de toekomstvisie onderschreven. Heiloo is in 2030 een dorp waar natuur, ruimte, bewustzijn en verbinding de belangrijkste waarden zijn. In Heiloo is in 2030 ruimte in de ruimste zin van het woord: er is fysieke ruimte, er is ruimte voor initiatieven, er wordt ruimte gegeven aan elkaar, en er is ruimte voor wonen, werken en recreëren. Heiloo ligt niet alleen in een groene omgeving, ook bij huis is de natuur dichtbij. Mensen in Heiloo gaan in 2030 bewust om met elkaar en met hun omgeving, en zij voelen zich met elkaar verbonden. De uitgangspunten van de Toekomstvisie 2030 zijn:
•
Heiloo blijft een zelfstandige gemeente maar werkt samen met gemeenten in de regio om de dienstverlening en het voorzieningenniveau op een kwalitatief hoog peil te houden;
• •
Heiloo is een forensengemeente;
•
Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties nemen verantwoordelijkheid voor een duurzame toekomst (People, Planet, Profit); Iedereen voert de regie over zijn eigen leven en is in principe verantwoordelijk voor het voorzien in eigen behoeften.
De toekomstvisie is de basis (geweest) voor een structuurvisie en een strategische visie. Op de structuurvisie wordt in subparagraaf 3.4.2 nader ingegaan. 3.4.2 Structuurvisie 2030 Op 3 november 2014 is de Structuurvisie 2030 vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo. De structuurvisie beschrijft hoe de gemeente denkt dat Heiloo er in 2030 op ruimtelijk gebied uit ziet. De structuurvisie is een uitwerking en verdieping van de ruimtelijke aspecten uit de Toekomstvisie 2030. Het zijn de ruimtelijke ontwikkelingen die op dit moment zijn te voorzien en die relevant zijn voor de toekomstige ruimtelijk-fysieke inrichting van Heiloo. Al deze aspecten vormen het vertrekpunt voor de structuurvisie en zijn de basis van de feitelijke opdracht voor Heiloo tot 2030. Deze opdracht is vertaald naar de volgende missie: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
het dorpse karakter van Heiloo versterken; de diversiteit aan het woningaanbod vergroten; een goede balans tussen rood (bebouwing), groen (plantsoenen, bos, agrarische gebied etc.), blauw (oppervlakte water) en grijs (infrastructuur)realiseren; het bevorderen van duurzaamheid, waaronder energiezuinig en milieubewust leven; optimaliseren van maatschappelijke voorzieningen, recreatiemogelijkheden en accommodatiegebruik; verbeteren werkgelegenheid door optimaliseren bedrijvigheid, zakelijke dienstverlening, detailhandel, horeca en toerisme.
Aan de hand van de thema's wonen, werken, verplaatsen en verblijven, vermaken en verblijven, leren en zorgen en recreëren en bewaren wordt de missie verder uitgewerkt. Met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is met name het thema wonen van belang. Zandzoom wordt op de structuurvisiekaart (zie de volgende afbeelding) namelijk aangewezen als een bestaande ontwikkelingslocatie waar woningbouw voortgezet moet worden.
30
Structuurvisiekaart Heiloo Met betrekking tot de ontwikkeling van Zandzoom (en Zuiderloo) geeft de structuurvisie aan dat de bebouwing zich concentreert tot de oorspronkelijke strandwal, globaal gelegen tussen de Oosterzijweg en de spoorlijn. Ten westen van de spoorlijn en de zone rond de gemeentegrens met Castricum zal de bebouwing minder intensief zijn en zal openheid en groen de overhand hebben. De sturende rol van de gemeente ten aanzien van woningbouw is beperkt en wordt alleen ingezet om kwetsbare groepen te helpen. Wanneer er scheefgroei dreigt qua leeftijdsopbouw zal sturing op het woningaanbod kunnen worden ingezet om bepaalde groepen aan te trekken. Het sturende effect is echter beperkt daar nieuwbouw slechts een klein deel van het woningaanbod vormt.
31
3.4.3 Nota Cultuurhistorie 2011 Op 9 mei 2011 is de Nota Cultuurhistorie vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo. Met de Nota Cultuurhistorie worden instrumenten aangereikt om op de lange termijn de bijzondere identiteit, en daarmee de hoge ruimtelijke kwaliteit van Heiloo veilig te stellen. De Nota Cultuurhistorie richt zich minder op regels, maar meer op voorlichting en bewustwording van de inwoners van Heiloo. Met de Nota Cultuurhistorie kiest Heiloo voor een duurzaam behoud van de eigen identiteit. De basis van deze ruimtelijke identiteit van Heiloo wordt, samengevat, door de volgende elementen gevormd:
• • • •
contrast bebouwde strandwal en lege strandvlaktes;
•
van oorsprong agrarisch karakter met stolpboerderijen, die gelegen zijn op de overgangen van strandwal en strandvlaktes; 19e en 20e eeuwse tuinderactiviteiten aan de zuidzijde van Heiloo;
• • • • • • •
stedenbouwkundige opbouw met sterk noord - zuid gericht wegenpatroon; herkenbaar oost - west gericht verkavelingpatroon, houtwallen en hagen; bewust gebruik van de (oostelijke) overgang van strandwal naar strandvlakte (door versterkte huizen, buitens, nijverheid en industrie);
groene scheiding van Alkmaar aan de noordzijde door Nijenburg; protestantse en katholieke dorpskernen die gescheiden worden door het gemeentebosje; invulling van de historische linten met losse, individuele en niet te grootschalige bebouwing; waterputten waar omheen de twee Middeleeuwse kernen van Heiloo zijn ontstaan; bij de Witte Kerk en op het terrein van Onze Lieve Vrouw ter Nood; nieuwere 20e eeuwse uitbreidingswijken, overwegend met groene bermen en zachte overgangen tussen openbaar en privégebied; het geheel aan archeologische relicten, dat niet zichtbaar, in de bodem van Heiloo aanwezig is.
Omtrent de belangrijkste ruimtelijke en cultuurhistorische kenmerken van Heiloo zijn door het gemeentebestuur beleidslijnen vastgesteld. Hierin is onder andere aangegeven dat vastgehouden dient te worden aan de ontwikkelingsstructuur van Heiloo (wegenpatronen en verkavelingspatronen), het bewust gebruiken van de overgang van strandwal naar strandvlakte en het hanteren van groene bermen als overgang tussen openbaar en privégebied bij de aanleg van nieuwe woonwijken. In de stedenbouwkundige opzet de locatie Zandzoom (zie subparagraaf 2.3.1) is derhalve zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande structuren. 3.4.4 Groenbeleidsplan Heiloo Op 6 februari 2012 is het Groenbeleidsplan Heiloo 2012-2022 vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo. In het groenbeleidsplan is beschreven hoe met het groen van Heiloo moet worden omgegaan, zodat de beeldkwaliteit zijn waarde behoudt. Naast een visie op het groen worden uitgangspunten voor de inrichting en acties ten behoeve van beheer benoemd. Het Groenbeleidsplan uit 2012 is aan vernieuwing toe. In 2022 is een start gemaakt met het opstellen van een nieuw groen beleidsplan. Hiervoor is een traject opgesteld dat is gestart na de zomer in 2022 en in 2023 verder zijn beslag zal krijgen. Het nieuwe Groenbeleidsplan kent een traject dat gelijk oploopt met het onderhavige bestemmingsplan.
De planontwikkeling in Zandzoom zal tot gevolg hebben dat de hoeveelheid groen die de gemeente in beheer heeft, zal toenemen. In het groenbeleidsplan zal de toename aan areaal worden meegenomen in de noodzakelijke exploitatiebudgetten.
32
3.4.5 Groenbeheerplan 2021-2031 De ambities voor het openbaar groen in de gemeente Heiloo zijn vastgelegd in het Groenbeleidsplan Heiloo 2012-2022 en het Bomenbeleidsplan 2008. Het groenbeheerplan slaat de brug tussen deze op strategisch en tactisch niveau vastgelegde ambities en de operationele realisatie hiervan. Groen is belangrijk voor de biodiversiteit en het tegengaan of opvangen van effecten van klimaatverandering. Beheer van openbaar groen is een kerntaak van de gemeente. In het groenbeheerplan staat op welke wijze de gemeente het groen beheren. Een kwalitatief goede groenstructuur draagt bij aan het welzijn en de veiligheid van de bevolking. Het groenbeheerplan gaat over het gemeentelijke openbaar groen, zoals bomen, bosplantsoen, heesters, gazon en bermen. Ook bossen, parken en windsingels/bosplantsoen rondom sportvelden in beheer en eigendom van de gemeente vallen eronder. De belangrijkste bestuurlijke vastgelegde ambities, kaders en aandachtspunten vanuit het huidige groenbeleid zijn:
•
Behoud en versterken van het groene karakter: Behoud van landschappelijke kwaliteiten. Ruimschoots compenseren van groen dat moet verdwijnen. Bij gemeentelijke projecten kiezen voor kwalitatief groen dat bijdraagt aan biodiversiteit en klimaatbestendigheid.
•
Basis op orde. De openbare ruimte voldoet aan het gestelde kwaliteitsniveau en wettelijke zorgplicht. Dat wil zeggen: geen kapitaalvernietiging en het is schoon, heel en veilig. Een integrale benadering van de fysieke leefomgeving. Planmatig werken op basis van inspecties en meerjarenplannen.
•
Natuurinclusief beheer. Heiloo streeft naar natuurinclusief beheer. Met een zo natuurlijk mogelijke inrichting, beheer en onderhoud van het groen, rekening houdend met de functie en ligging.
•
Duurzaam en klimaatbestendig. Verduurzamen van de leefomgeving, samen met andere stakeholders. Onder andere door verbeteren van groen en biodiversiteit. Duurzaamheid als selectiecriterium bij onderhoud, materiaalkeuze en selectie van aannemers;
•
Leefbaarheid en participatie. Leefbaarheid betekent onder andere gezond, veilig en schoon en waarbij bewoners en werkenden zich medeverantwoordelijk voelen voor hun omgeving. Bewoners zijn belangrijke ogen en oren bij het beheer. Het is gemakkelijk voor bewoners om meldingen te doen en de gemeente reageert adequaat.
3.4.6 Bomenbeleidsplan Heiloo 2008 Het karakter van Heiloo wordt voor een groot deel bepaald door de grote hoeveelheid bomen. Er wordt gestreefd naar behoud van dit bomenbestand. Omdat landelijk wet- en regelgeving ontbreekt, is het aan de gemeente om een sturende rol in de omgang met bomen te vervullen. Om hieraan invulling te geven is op 3 november 2008 het Bomenbeleidsplan Heiloo 2008 vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo. In dit bomenbeleidsplan wordt uiteengezet op welke wijze een boom als beeldbepalend of monumentaal wordt bestempeld en hoe de gemeente Heiloo daar de voor- en nadelen van ondervindt. Doel van het bomenbeleidsplan is het waarborgen en verstevigen van de huidige kwaliteit en kwantiteit en het karakter van Heiloo voor de toekomst. Om het voorgaande beleidsmatig in te kaderen worden in het bomenbeleidsplan de volgende beleidsuitgangspunten gehanteerd:
• • • •
herkenbaarheid; leefbaarheid; veiligheid; duurzaamheid.
Specifiek voor (her)inrichtingsprojecten wordt erop gewezen dat bomen vaak onderwerp van discussie zijn. De discussie is vaak 'bomen of bouwen', terwijl beiden goed samen kunnen gaan: een 'volwassen' groene omgeving geeft immers een hoge kwaliteit van de woonomgeving. Het is daarom van belang om het aanwezige groen vroeg in het ontwerpproces te betrekken.
33
3.4.7 Parkeerbeleidsplan Gemeente Heiloo 2010 De raad van de gemeente Heiloo heeft in 2010 het Parkeerbeleidsplan Heiloo 2010 vastgesteld. Het parkeerbeleidsplan vormt samen met de Nota parkeernormen 2022 het actuele beleidskader voor verkeer en parkeren. In het parkeerbeleidsplan is aan de hand van de huidige parkeersituatie en bijbehorende problemen en opmerkingen een nieuw parkeerbeleid voor de gemeente Heiloo beschreven. Hierbij komen de volgende parkeerthema's aan bod:
• • • • • • • • • • •
parkeren voor diverse deelgebieden; parkeernormen voor inbreiding- en nieuwbouwlocaties; parkeren bij scholen; grenzen gebied blauwe zone; uitgifte parkeerontheffingen; systematiek voor het vaststellen van parkeerknelpunten; parkeren van grote voertuigen; fietsparkeren bij winkelcentra en bij openbare voorzieningen; gehandicaptenparkeren; de verwijdering van fiets- en/of autowrakken; Heilooërprofiel.
De kapstok voor het parkeerbeleid van de gemeente Heiloo is een groen, sociaal, veilig en duurzaam Heiloo waarbij de fiets op de eerste en de auto op de tweede plaats komt. Omdat ruimte schaars is, moet beschikbare (parkeer)ruimte zo efficiënt mogelijk worden benut, voordat er eventueel nieuwe ruimte wordt vrijgemaakt. Het parkeerbeleidsplan vormt samen met de Nota parkeernormen het kader waaraan bouwplannen en initiatieven getoetst worden om te bepalen of voorzien wordt in voldoende parkeercapaciteit. De laatste Nota parkeernormen is opgenomen in het Paraplubestemmingsplan parkeernormen zoals dat op 20 februari 2023 is vastgesteld. Voor de ontwikkeling in Zandzoom geldt dat de planvorming al enkele jaren zijn beslag krijgt. In het kader van het bestemmingsplan zijn inmiddels de benodigde verkavelingsplannen tot op detailniveau uitgewerkt. Deze uitwerking heeft plaatsgevonden met inachtneming van de normen zoals deze in 2019 van kracht waren. Om de planontwikkeling niet te frustreren met latere gewijzigde normen geldt voor Zandzoom een vaste norm. Bestemmingsplan Zandzoom kent dan ook een eigen parkeernormentabel en wijkt daarmee af van de generieke regeling zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren 2022'.
34
3.4.8 Verkeersbeleid Heiloo 2018-2030 De komende jaren staat Heiloo diverse grote ontwikkelingen te wachten op het gebied van woningbouw, de ontwikkeling van bedrijventerreinen en infrastructurele projecten. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het verkeersbeleid, zoals in 2008 is vastgesteld, actualisatie behoeft. Hiertoe heeft de gemeenteraad op 28 november 2022 een eerste besluit genomen. Met dit besluit zijn oude grenswaarden vervangen voor nieuwe toetswaarden per wegvak. Ook besloten het verkeersbeleid af te ronden door maatregelenpakket B en enkele aanvullingen hierop aan te nemen. Daarmee is het ‘Verkeerbeleid Heiloo 2018 - 2030’ zoals vastgesteld in maart 2018 met deze aanvulling definitief. De effecten van de ontwikkelingen op verkeersstromen in, door en langs Heiloo zijn als uitgangspunt opgenomen in dit beleid. De aansluiting A9 zorgt voor een oplossing van een groot aantal problemen die zijn ontstaan door ruimtelijke ontwikkelingen en de toename van mobiliteit. Door de veranderingen in de verkeersstromen kunnen echter ook nieuwe knelpunten ontstaan. Het verkeersbeleid beschrijft de visie van de gemeente op verkeer in 2030 en de maatregelen die nodig zijn om de visie in de praktijk te realiseren.
Om de continuïteit in het beleid te waarborgen, zijn een aantal belangrijke uitgangspunten (deels uit het Verkeersplan Heiloo 2008) overgenomen uit het Verkeersbeleid van 2008. Het gaat daarbij om de volgende kaders:
• • • •
De categorisering van wegen (welke functie heeft een weg) blijft gehandhaafd; De vastgestelde toetswaarden voor de diverse wegen blijven gehandhaafd;
•
De aansluiting A9 Heiloo wordt gerealiseerd.
De grenswaarden voor de Stationsweg om te zetten naar toetswaarden (signaalfunctie); De spoorwegonderdoorgang Vennewatersweg is gerealiseerd voordat de aansluiting A9 Heiloo wordt opengesteld;
Binnen deze kaders heeft de planuitwerking verder vorm gekregen. In lijn met de uitspraak van de Raad van State wordt ook een scenario beschouwd waarin Zandzoom wordt gerealiseerd zonder dat er (direct) een aansluiting op de rijksweg A9 is. 3.4.9 Ambities programma klimaat BUCH-gemeenten De gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo leggen hun gezamenlijke ambitie vast als het gaam om duurzaamheid. Met de 'Ambities programma klimaat BUCH-gemeenten' geven ze inzicht in de ambities die de BUCH-gemeenten willen waarmaken. Het geeft een beeld hoe er programmatisch wordt gewerkt en wat kan worden verwacht van de programma-organisatie en de zichtbare resultaten die ‘buiten’ worden bereikt. Samen trekken zij op om de doelstellingen te behalen. Met het programma klimaat wordt door de gemeenten t/m 2025 de uit te voeren acties beschreven. De gemeenten werken vanuit 5 pijlers die onderling verbonden zijn:
• • • • •
energietransitie; duurzame mobiliteit; circulaire economie; klimaatadaptatie; duurzame bedrijfsvoering.
De gemeenten streven ernaar in 2030 net zoveel duurzame energie te produceren als naar verwachting wordt verbruikt.
35
Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling is de ambitie om energieneutraal bouwen. De ambitie 'nul-op-de meter' voor de nieuwbouw in het gebied wordt haalbaar geacht. Dit betekent dat het gebied Zandzoom haar eigen energie opwekt en gebruikt. Tevens kan de elektra-infrastructuur zo worden ingericht dat de overcapaciteit van duurzame energie lokaal kan worden geleverd en opgeslagen in elektrische voertuigen en thuisbatterijen. De onderstaande uitgangspunten gelden voor de Zandzoom:
• • • • •
keuze voor hogere kwaliteit woningen t.o.v. bouwbesluit met goede isolatie, laagtemperatuur vloerverwarming en warmteterugwinning op douchewater en ventilatie; gebruik van lokale duurzame warmte/ koude bronnen (per woning of aantal woningen); gasloze wijk; duurzame energieopwekking met zonnepanelen; nul-op-de-meterwoningen.
De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Er is gekozen om – naast het speerpunt 'nul-op-de meter' – een aantal andere thema’s te doorlopen, zoals circulair bouwen (hernieuwbare en gerecyclede materialen), afvalscheiding, waterinfiltratie, geluidsreductie, veiligheid, gezondheid en intensief bouwen. Van de bovenstaande thema’s sluiten de thema’s circulair bouwen en gezondheid het beste aan bij het karakter van de groene gebiedsontwikkeling in Zandzoom. Voorgesteld wordt om circulair bouwen en gezondheid als tweede en derde speerpunt te benoemen. De volgende maatregelen dragen bij aan de eerdergenoemde speerpunten:
• • • •
isoleren met duurzame bouwmaterialen;
• • • • • •
intelligente ventilatie met warmteterugwinning;
hergebruik van materialen; triple glas met hogere geluidsreductie; gebruik maken van bodembronnen voor warmte/ koude levering wat bijdraagt aan een hoog comfort (vloerverwarming / - koeling); stille duurzame technieken, zoals zonnepanelen; nader onderzoek naar duurzame energieopwekking in openbare ruimte; LED-verlichting openbare ruimte; waterinfiltratie van hemelwater in het gebied; goede fietsverbindingen naar sportvoorzieningen en natuurgebieden.
Vanuit de initiatiefnemers is ook aangegeven welke ambitie wordt nagestreefd. Dit is opgenomen in het Ambitiedocument Duurzaamheid. In deze notitie staat beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de Ambitie voor duurzaamheid zoals deze beschreven is in de vastgestelde Kadernota.
36
3.4.10 Woonvisie Heiloo De Woonvisie Heiloo (vastgesteld op 4 februari 2019) schetst de visie van de gemeente op het wonen in de gemeente Heiloo voor de komende vijf tot tien jaar. De kaders van deze woonvisie worden bepaald door het rijksbeleid, de Provinciale Woonvisie, het Regionaal Actie Programma (RAP) en de Regionale Woonvisie Regio Alkmaar. De richting van de Woonvisie Heiloo wordt ingegeven door de Toekomstvisie 2030, de Structuurvisie 2030, het Woningmarkt onderzoek Heiloo 2017 en het collegeprogramma. Heiloo biedt een prettig dorps woonmilieu in een groene omgeving. De uitstraling van Heiloo is luxe en groen. Het woonmilieu van Heiloo laat zich typeren als centrum-dorps. Dit zijn kleinere plaatsen met een dorpse sfeer, een landelijke omgeving, een hoog voorzieningenniveau en een korte afstand tot een centrumgemeente. Heiloo bouwt in een gewild woonmilieu waar de komende decennia een flinke behoefte naar is. De missie van de gemeente Heiloo op het gebied van wonen is:
• • • •
versterking van het dorpse karakter;
• •
WoonKeur, maar maatwerk mogelijk;
vergroting van de diversiteit van het woningaanbod; duurzamer en toekomstbestendiger bouwen dan de landelijk vastgestelde normen; bevorderen doorstroming op de woningmarkt, zodat iedereen (ook starters) een wooncarrière kan maken; een woningbouwprogramma dat aansluit bij de wensen van de woonconsument en: o voldoende sociale huurwoningen omvat; o voldoende betaalbare koopwoningen omvat.
Bij de nieuwbouw van woningen moet een kwaliteitsslag gemaakt worden en inwoners de mogelijkheid geboden worden om door te stromen naar een beter passende woning. Door (nultreden)woningen te bouwen in het betaalbare middensegment en hogere prijssegmenten kan de meeste doorstroming worden gerealiseerd. Daarmee verschuift de aandacht in het woonbeleid van nieuwbouw voor starters naar doorstroming voor starters. Kwaliteit woning en woonomgeving De gemeente Heiloo streeft naar een gedifferentieerde wijkopbouw met als uitgangspunt dat Heiloo een groene gemeente met een dorps karakter blijft. Op het gebied van wonen, duurzaamheid en levensloopbestendigheid valt nog veel te winnen. Met verduurzaming van woningen wordt bijgedragen aan een betaalbare, aantrekkelijke en toekomstbestendige woningvoorraad. In 2050 moeten alle woningen onafhankelijk van aardgas zijn. Daarom wordt bij nieuwbouw aardgasloos gebouwd. Woningbouwbeleid Voor nieuwbouwprogrammering dient gekeken te worden naar de meest recente woningmarktonderzoeken, bevolkingsprognoses en de locatie. Daarom hanteren we geen vooraf vastgelegd woningbouwprogramma. Door geen categorieën met bijbehorende prijsklassen te hanteren wordt de prijs-kwaliteitverhouding beter, kan er gerichter voor de actuele vraag worden gebouwd en zal er meer variatie in woningtypen en prijsklassen ontstaan.
Door marktconform te bouwen komt er ook meer doorstroming op de woningmarkt op gang. Het is de taak van de gemeente om de kwetsbare groepen in de samenleving te ondersteunen. Daarom is het van belang om te bepalen om hoeveel en welk type sociale huurwoningen er werkelijk nodig zijn. De prestatieafspraken met corporaties zijn het geëigende middel om dit vast te leggen. Jaarlijks worden deze afspraken geëvalueerd en bijgesteld. Daarbij is het van belang dat de komende jaren door de lopende nieuwbouwprojecten nog veel sociale woningen (huur en koop) worden opgeleverd. Hierdoor voldoet de gemeente ruimschoots aan de regionale afspraak (Regionale Woonvisie) om minimaal 30% in categorie 1 en 2 te realiseren.
37
In het RAP (zie subparagraaf 3.3.1) is afgesproken dat iedere gemeente in de regio Alkmaar de lokale uitbreidingsbehoefte kan faciliteren. Ook is afgesproken dat gemeenten niet meer dan het gemeentelijk aandeel in de prognose benutten. De huishoudensprognose voor Heiloo van 2017 gaat voor de komende 10 jaar (2017 tot 2027) uit van een extra woningbehoefte van 1.540 woningen. Heiloo heeft op dit moment meer woningen in de programmering staan dan dat er volgens de huishoudensprognose voor de komende 10 jaar nodig zijn. Daarom moet de gemeente Heiloo de komende jaren terughoudend zijn met het mogelijk maken van nieuwe woningbouwlocaties. Bij iedere nieuwe locatie zal gekeken moeten worden of er ruimte is in de programmering (RAP en Ladder voor duurzame verstedelijking). Het voorgenomen plan wordt in subparagraaf 3.1.3 en subparagraaf 3.3.1 getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking en het RAP. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het voorliggende bestemmingsplan een langere looptijd heeft dan het huidige beleidskader. In de ladderonderbouwing (zie subparagraaf 3.1.3) is hiermee rekening gehouden. 3.4.11 Waterstructuurplan 18 juni 2017 In juni 2017 is het Waterstructuurplan Zandzoom opgesteld door Sweco en afgestemd met het Hoogheemraadschap. De huidige situatie is niet ingesteld op de ontwikkeling van nieuwe woningen.
Daarom zijn voor het ontwikkelen van het gebied structuren nodig die houvast bieden voor het stedenbouwkundig plan en de ontwikkeling van het gebied. In het waterstructuurplan wordt ingegaan op de thema’s riolering, water en bouwrijp maken. Het bestaande rioleringssysteem is niet toereikend om de toename van de droogweerafvoer te verwerken. Hierdoor is een nieuw systeem benodigd dat aansluit op het bestaande netwerk, waarmee de afvoer naar de waterzuivering Heiloo wordt gerealiseerd. Naast de afvoer van vuilwater is een systeem benodigd om het hemelwater en het grondwater te beheersen. Het is van belang om een robuust watersysteem te creëren, waardoor de ontwatering in en de afwatering van het gebied gegarandeerd wordt. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op het systeem van greppels op de zandrug. De uitkomsten van het Waterstructuurplan zijn doorvertaald naar de IPOR. De IPOR dient als kader voor de ontwikkelende partijen van de deelpercelen. Onderdeel van het IPOR zijn de randvoorwaarden op het gebied van de thema’s riolering, water en bouwrijp maken. Het waterstructuurplan is de onderbouwing van de opgenomen randvoorwaarden in de IPOR. Uitgegaan wordt van waterberging in het eigen gebied door gescheiden HWA afvoer en drainage/infiltratie/transportriool.
Bij forse regenval en hoge grondwaterstand voeren de secundaire oostwest gelegen greppels het overtollige water naar de primaire greppels die afvoeren op Kamer West en Kamer Oost. De volgende uitgangspunten ten aanzien van de inrichting zijn in de IPOR gehanteerd voor de uitwerking van het waterstructuurplan per exploitatiegebied:
•
daar waar in het waterstructuurplan wordt gesproken over ‘open water’, wordt het bergend oppervlak van de waterstructuren bedoeld; dus in de Zandzoom betreft dit voornamelijk de (veelal droge) greppels;
•
alle percentages worden berekend op basis van de totale oppervlakte (m2) van het exploitatiegebied (oppervlakte uitgeefbaar opgeteld bij oppervlakte openbaar); het percentage verhard oppervlak en het percentage greppel is aan elkaar gerelateerd; hoe meer oppervlakte (m2) verhard oppervlak er in een exploitatiegebied wordt gerealiseerd, hoe meer oppervlakte (m2) greppel er nodig is;
•
•
het verhard oppervlak wordt berekend door de totaal oppervlakte (m2) van alle verharding van het openbare terrein op te tellen bij het totaal dakoppervlakte (m2); dit betreft ook eventuele bijgebouwen indien deze op de HWA riolering worden aangesloten;
•
de oppervlakte van de greppels wordt berekend aan de hand van de breedte van de greppels op de hoogte van het bestaande maaiveldniveau (dus niet ten opzichte van het maaiveldniveau na ophoging);
•
dammen in greppels worden niet meegerekend bij de oppervlakte van de greppels.
38
3.4.12 Inrichtingsprincipes en Profielen Openbare Ruimte Zandzoom te Heiloo Voor het plangebied Zandzoom zijn Inrichtingsprincipes en Profielen Openbare Ruimte (verder: IPOR) opgesteld. De doelstelling van de IPOR is meerledig: a.
b.
Het borgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van Zandzoom, zodat deze ook tijdens de bouw en in de toekomst goed onderhouden kan worden. Binnen de velden, erven, buitens en buurtschappen van het plangebied Zandzoom worden eenduidige wegprofielen en materialen toegepast, waardoor de openbare ruimte één uitstraling krijgt. In dit verband kunnen de kenmerkende inrichtingsprincipes en profielen worden gezien als uitwerking/aanvulling op het document RKK Zandzoom. Het verschaffen van technische kaders en aanwijzingen voor de verdere uitwerking en het aanleggen van de openbare ruimte van Zandzoom. In de IPOR wordt ook het ruimtebeslag vastgelegd.
Voor exploitatiegebieden die geen openbare ruimte hebben (100% uitgeefbaar), is een separate notitie opgesteld en is de IPOR niet van toepassing. Uit het voorgaande volgt dat de IPOR een belangrijke kaderende functie heeft bij het ontwerp, het beoordelen en het toetsen van de verdere planuitwerkingen en verkavelingen van de openbare ruimte van Zandzoom. Het IPOR bevat criteria voor verkeersstructuren, parkeren, riolering, groen, speel-, nuts- en huisvuilvoorzieningen. Ook is een procesbeschrijving opgenomen waarbinnen de verdere planvorming in relatie tot de IPOR doorlopen wordt. In de planopzet van dit bestemmingsplan is via het verkavelingsplan de IPOR juridisch aangehaakt. Ook via het exploitatieplan en de anterieure overeenkomsten is geborgd dat de openbare ruimte conform de IPOR wordt ingericht. Waar uitvoering geven aan het IPOR niet mogelijk is als gevolg van eisen vanuit het RKK, wordt binnen de kaders van het RKK gekeken naar een gelijkwaardige oplossing. 3.4.13 Nota Omgevingskwaliteit Op 17 april 2023 is de Nota omgevingskwaliteit door de gemeenteraad van Heiloo vastgesteld. Met deze nota wil de gemeente graag een waardevolle en aantrekkelijke omgeving creëren waar mensen graag willen wonen, ondernemers zich willen vestigen en bezoekers kunnen genieten.
Wat van waarde is wil de gemeente Heiloo mooi houden en nieuwe ontwikkelingen moeten passen in de ‘couleur locale’ van de gemeente. Het doel van de nota is het behouden en stimuleren van een goede omgevingskwaliteit ten behoeve van de identiteit van een plek of gebied. De nota is verdeeld in twee delen. Het eerste deel beschrijft het kaderstellend beleid met een algemene toelichting over omgevingskwaliteit, een ruimtelijke analyse, een gebiedsindeling, de welstandsregieniveaus, de gebiedskwaliteiten en de basisprincipes voor een goede omgevingskwaliteit. In dit deel wordt het sectorale beoordelingskader architectuur aangevuld met landschap, stedenbouw en erfgoed. Het tweede deel is een uitwerking met criteria voor het uiterlijk van bouwwerken en vervangt de Welstandsnota. Planspecifiek Voor de planontwikkeling van Zandzoom geldt dat het RKK het kwaliteitskader vormt waarbinnen de verdere planvorming gestalte krijgt. Om bouwplannen te toetsen is een specifiek kwaliteitsteam in het leven geroepen die het college adviseert over de ruimtelijke kwaliteit in het kader van af te geven Omgevingsvergunningen. Deze systematiek blijft behouden. Daarmee is de Nota omgevingskwaliteit niet van toepassing op het onderhavige plangebied. In de Nota omgevingskwaliteit is deze werkwijze op pagina 29 beschreven.
39
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit milieueffectrapportage belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit milieueffectrapportage: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. In de gewijzigde Besluit milieueffectrapportage staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit milieueffectrapportage genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Bij de start van de planvorming was nog niet volledig duidelijk of voor het aspect stikstof ja/nee gebruik gemaakt moest gaan worden van externe saldering. Indien gebruik gemaakt wordt van extern salderen ontstaat er via de Wet natuurbescherming de verplichting om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In dat kader is in eerste instantie een Notitie reikwijdte en detailniveau ter inzage gelegd. Deze notitie is het vertrekpunt geweest voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling. In opdracht van de gemeente Heiloo is door Sweco een Milieueffectrapportage opgesteld (Sweco, 16 november 2023). In de rapportage worden de milieueffecten in beeld gebracht van de ontwikkeling van Zandzoom. Deze milieuefeffecten kunnen vervolgens door de gemeenteraad van Heiloo meegewogen worden in de besluitvorming omtrent het vaststellen van het bestemmingsplan.
40
In een m.e.r. is het verplicht alle ‘redelijkerwijs te beschouwen alternatieven’ te beschouwen. Met alternatieven wordt gedoeld op grote verschillen in de wijze waarop de voorgenomen activiteiten gerealiseerd kunnen worden. Dit betreft bijvoorbeeld het beoordelen van verschillende locaties waar de voorgenomen activiteit gerealiseerd kan worden of het beschouwen van een significant groter of kleiner programma. Vanwege het voortraject is het niet realistisch meer om met alternatieven te werken. Andere uitbreidingslocaties (van ongeveer dezelfde omvang) zijn er niet binnen de gemeente en een significant ander programma past niet binnen de doelstellingen van het project. Vanwege de eerdere uitspraak van de Raad van State is het wel opportuun om een alternatief te beschouwen waarbij de ontsluiting van het plangebied via de bestaande infrastructuur gaat plaatsvinden en niet via de nieuwe aansluiting op de A9. Dit is dan ook het enige alternatief wat in het MER is onderzocht. Uit de MER-beoordeling blijkt dat beide alternatieven vrijwel identiek zijn beoordeeld op alle beoordelingscriteria. Dit is te verklaren door het feit dat de variatie beperkt is tot de verkeersafwikkeling. De enige verschillen in de effectbeoordeling doen zich daarom voor op het gebied van verkeer en vervoer, en ecologie. Hieronder volgt een beknopte bespreking van de effectbeoordeling per thema.
Deze effectbeoordeling maakt inzichtelijk hoe de twee varianten scoren ten opzichte van elkaar. Verkeer en Vervoer In de variant Zandzoom zonder aansluiting op de A9 verslechtert de bereikbaarheid, vooral buiten het plangebied. De toetswaarde op de Kennemerstraatweg wordt overschreden. Bij realisatie van de aansluiting op de A9 verbetert de bereikbaarheid, met name rond de Ring Alkmaar. Verkeersveiligheid neemt echter af door een toename van verkeer, wat aanvullende maatregelen vereist. Geluid en Trillingen Zowel verkeerslawaai als spoorweglawaai overschrijden op locaties de voorkeursgrenswaarde. De toevoeging van woningen verhoogt de geluidsbelasting, met negatieve effecten. Ook op het gebied van trillingen zijn negatieve effecten niet volledig uit te sluiten, wat bij het ontwerp van woningen moet worden overwogen. Luchtkwaliteit In de huidige situatie is het woon- en leefklimaat goed, en er wordt niet verwacht dat de luchtkwaliteit substantieel zal veranderen met het planvoornemen. Externe Veiligheid Het plaatsgebonden risico van de buisleiding A-562 blijft gelijk in beide varianten. De aanwezigheid van GP Groot Brandstoffen Oliehandel B.V. en de planologische mogelijkheid voor een LPG Tankstation langs de Lagelaan leidt tot een beperkte toename van het groepsrisico, wat een gering negatief effect veroorzaakt.
Gezonde Leefomgeving Het planvoornemen heeft nauwelijks effect op de milieugezondheidskwaliteit, maar biedt meer mogelijkheden voor wandelen en fietsen, wat gezond gedrag stimuleert. Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap De ontwikkeling verstoort de landschappelijke scheiding tussen strandwal en strandvlakte, maar houdt rekening met belangrijke cultuurhistorische elementen. De archeologische verwachtingswaarde is hoog, wat kan leiden tot aantasting van archeologische waarden. Bodem en Water De algemene bodemkwaliteit is geschikt, met lokale sanering op enkele locaties. De effectbeoordeling is overwegend positief, maar niet alle maatregelen zijn afdwingbaar, waardoor een beperkt negatief effect mogelijk is.
41
Ecologie Het planvoornemen draagt licht bij aan de verbetering van de natuurkwaliteit in Natura 2000-gebieden. In het alternatieve scenario neemt echter de stikstofdepositie toe, met negatieve effecten op de natuur. Gebiedsbescherming is overwegend positief, maar het plan kan invloed hebben op beschermde soorten, wat aanvullend onderzoek vereist. Duurzaamheid en Klimaatadaptatie Zandzoom wordt ontwikkeld met hoge duurzaamheidsambities, wat positieve effecten heeft op energietransitie en circulariteit. Hoewel bredere positieve effecten beperkt zijn, neemt het plan stappen om negatieve effecten van klimaatverandering te beperken. Eindconclusie Uit de analyse van de effecten van de verschillende alternatieven blijkt dat er weinig onderscheid is tussen de onderzochte mogelijkheden, met of zonder aansluiting A9. De voornaamste dispariteiten doen zich voor op het gebied van verkeer (bereikbaarheid) en natuur (stikstofdepositie in Natura 2000-gebied). Vanuit het perspectief van bereikbaarheid geniet de ontsluiting van Zandzoom via de Kennemerstraatweg en de Lagelaan naar de A9 de voorkeur. Deze nieuwe ontsluitingsroute, in combinatie met de aanpak van de A9, resulteert echter in een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Bovendien vallen de aanpak van de A9 en de realisatie van een nieuwe aansluiting buiten de reikwijdte van het project.
Nu de aansluiting op de A9 geen onderdeel uitmaakt van dit plan mag er, in lijn met de eerdere uitspraak van de Raad van State, nog niet van uitgegaan worden dat de aansluiting op de A9 er daadwerkelijk komt.
4.2 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen plannen voor woningbouw zijn er een groot aantal vooronderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging in het plangebied. Het plangebied is onderverdeeld in verschillende deelgebieden: de zogenaamde Kamers. Onderstaand is per kamer beschreven wat voor onderzoeken zijn uitgevoerd en wat de resultaten hiervan zijn. De verschillende oplegnotities, waarin de uitkomsten van de verschillende onderzoeken zijn samengevat, en enkele 'losse onderzoeken' zijn als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. Deelgebieden bodemonderzoek Kamer west In Kamer West zijn 5 onderzoeken uitgevoerd door Prommenz Milieu BV ter plaatse van 15 percelen. Deze zijn beschreven in de samenvatting gemaakt door Prommenz (Prommenz, d.d.
8 november 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5a). De percelen in Kamer West zijn allen geschikt voor de beoogde woonbestemming, omdat slechts lichte bodemverontreinigingen zijn aangetroffen in de bodem. Daarentegen wordt de interventiewaarde voor nikkel in grondwater overschreden ter plaatse van perceel 108. Het sterk verhoogde gehalte aan nikkel in het grondwater wordt vaker in de omgeving van glastuinbouw aangetroffen. De matige tot sterke verontreiniging met nikkel in het grondwater levert in de huidige situatie geen risico’s op voor de volksgezondheid maar de aard, mate en omvang dient in een nader onderzoek te worden bepaald.
42
Tevens wordt de interventiewaarde voor arseen in grondwater overschreden ter plaatse van percelen 109, 110, 28 en 69. Indien de interventiewaarde overschrijding kan worden toegeschreven aan diffuse bodemverontreiniging van (semi) natuurlijke oorsprong, is geen sprake van bodemverontreiniging in het kader van de Wet Bodembescherming. Er is dus ook geen sprake van een saneringsnoodzaak. Een aandachtspunt in deze kamer is perceel 112, ter hoogte van Lijnbaan 1 te Heiloo. Onder de asfaltverharding tussen de openbare weg en de ingang van de voormalige loods is asbestverdacht materiaal als funderingsmateriaal gebruikt. Bij het verwijderen van de verharding kan derhalve asbesthoudend materiaal worden aangetroffen. Centrale kamer west In Centrale Kamer West zijn 6 onderzoeken door HB Adviesbureau, ter plaatse van 13 percelen, en 8 onderzoeken door Prommenz Milieu BV, uitgevoerd ter plaatse van 18 percelen. Deze zijn beschreven in de samenvatting gemaakt door door Prommenz (Prommenz, d.d. 8 november 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5a). Er zijn twee asbestverdachte percelen in Centrale Kamer West. Ter plaatse van perceel 2195 is in de zuidoostelijke hoek een deels gesloopte schuur aangetroffen met een dakbedekking van asbestverdacht golfplaat.
Om uit te sluiten of dit materiaal op het maaiveld of in de bodem terecht is gekomen wordt aanbevolen om na het verwijderen van de schuur een asbest in grond onderzoek ter plaatse uit te voeren. Ter plaatse van perceel 600 staat een schuur met een betonvloer. Onder deze betonvloer is asbestverdacht puin aangetroffen. Het puin is destijds niet onderzocht dus wordt aanbevolen om na sloop van de schuur en vloer het puin op asbest te onderzoeken. Centrale kamer oost In deelgebied E2 / Centrale Kamer Oost zijn 11 onderzoeken door Prommenz Milieu BV, ter plaatse van 32 percelen, 1 onderzoek door HB Adviesbureau, ter plaatse van twee percelen, en een onderzoek door PJ Milieu BV, uitgevoerd ter plaatse van 1 perceel. Deze zijn beschreven in de samenvatting gemaakt door door Prommenz (Prommenz, d.d. 8 november 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5a). De percelen in Centrale Kamer Oost zijn over het algemeen geschikt voor het gebruik ‘wonen met tuin’, omdat slechts lichte verontreinigingen zijn aangetroffen in de grond en het grondwater. De bovengrond van perceel 3212 is lokaal matig tot sterk verontreinigd met koper. Het perceel is daardoor deels niet geschikt voor het gebruik ‘wonen met tuin’. Tevens wordt de interventiewaarde voor arseen in grondwater overschreden ter plaatse van perceel 3208.
Indien de overschrijding van de interventiewaarde kan worden toegeschreven aan diffuse bodemverontreiniging van (semi) natuurlijke oorsprong, is geen sprake van bodemverontreiniging volgens de Wet Bodembescherming. Er is dus ook geen sprake van een saneringsnoodzaak. Hierbij wordt wel opgemerkt dat in het geval van hoge concentraties in het grondwater, het bevoegd gezag een gebruiksadvies kan afgeven zoals een verbod op het oppompen van grondwater om de tuin te besproeien. Ook kunnen hoge concentraties aan arseen bezwaarlijk zijn bij een bemaling omdat het grondwater niet ongezuiverd mag worden geloosd. Ter plaatse van percelen 2234 en 2224, ter hoogte van Hoogeweg 54a en 54b is asbest zowel visueel als analytisch aangetroffen. Deze percelen betreffen een loods met opslag voor werkvoertuigen en de oprit daartoe. Aangezien de interventiewaarde voor asbest wordt overschreden moet de bodem voorafgaand aan de nieuwbouw middels ontgraving worden gesaneerd. Voor de sanering moet een BUS melding bij het bevoegd gezag worden ingediend met een proceduretijd van vijf weken. De sanering moet onder milieukundige begeleiding worden uitgevoerd. Bij uitvoering van de graafwerkzaamheden onder de CROWpublicatie 400 is voor percelen 2224 en 2234 de veiligheidsklasse ‘Zwart Niet-Vluchtig’ van toepassing.
Op 3 juli 2023 heeft Prommenz milieu bv voor haar eerder uitgevoerde onderzoeken eveneens bevestigd dat deze eerdere onderzoeken in voldoende mate een actueel beeld geven van de bodemkwaliteit. Prommenz concludeert dat het grootste deel van de onderzoeksgegevens van de grond en het grondwater nog actueel zijn en bij het huidige gebruik en inrichting van het plangebied niet op korte termijn hoeven te
43
worden geactualiseerd. Ter plaatse van de onderzochte percelen hebben na uitvoering van de bodemonderzoeken geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Voor aanvullend onderzoek en nog niet onderzochte percelen wordt verwezen naar de aanbevelingen van Prommenz Milieu uit 2021. Kamer oost Voor Kamer Oost zijn meerdere afzonderlijke bodemonderzoeken uitgevoerd door Prommenz, HB adviesbureau en Dura Vermeer. (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5b, 5c, 5d en 5e). Dit betreft voor de locaties aan de Oosterzijweg 57, Oosterzijweg 120, Projectlocatie Zomerzand. Voor de locatie aan de Oosterzijweg 57 geldt dat de locatie geschikt wordt geacht voor de toekomstige bestemming. Wel is nader asbest onderzoek voor de locatie benodigd. Voor de locatie Oosterzijweg 120 volgt dat het grondwater van het plangebied niet is verontreinigd. Voor de locatie is tevens een aanvullend asbest en puinonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen milieuhygiënische beperkingen aanwezig zijn voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Ter plaatse van projectlocatie Zomerzand, gelegen achter de Kennemerstraatweg 652, blijkt dat er geen beperkingen aanwezig zijn voor de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden op de locatie.
HB adviesbureau heeft in haar schrijven van 4 augustus 2023 herbevestigd dat de eerder uitgevoerde onderzoeken voor de Oosterzijweg 120 / Ypesteinerlaan 128 te Heiloo nog steeds een actueel beeld geven van de bodemkwaliteit. Voor het plandeel Zomerzand heeft HB adviesburo op 20 juli 2023 her bevestigd dat de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken nog een actueel beeld geven van de bodemkwaliteit. Het onderzoek met kenmerk 19HB0546-A1 v2, d.d. 24 september 2020 kan daarmee stand houden. Waarbij opgemerkt wordt dat voor PFAS de zandige bovengrond van MM04 licht verontreinigd is met PFOS, echter geen sanering noodzakelijk. De klasse industrie voor MM04 blijft van toepassing. Kamer zuid Door Hunneman Milieu - Advies is er voor Kamer Zuid een rapportage gemaakt waarin een overzicht is gegeven van de uitgevoerde onderzoeken (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5f). Binnen het plangebied zijn meerdere bodemverontreinigingen aangetoond. Op het perceel gelegen aan de Kennemerstraatweg 431 is olieverontreiniging en chroomverontreiniging geconstateerd. De omvang van de olieverontreiniging bedraagt circa 6 m³. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging; De chroomverontreiniging is geconstateerd in de bovengrond van de inrit op het perceel. De omvang bedraagt circa 130 m³ (260 m2 x 0,5 m1).
Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging; Op het perceel aan de Hoogeweg 67 t/m 71is asbestverontreiniging in de bovengrond van het puinpad gevonden. De omvang bedraagt circa 70 m³. Het betreft een sterke bodemverontreiniging, welke valt onder “besluit asbestwegen”. Op het perceel aan de Hoogeweg 67 t/m 71 is sprake van een DDT-verontreiniging in de grond. De omvang bedraagt circa 18 m³. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Op het overige onderzochte terrein zijn in de vaste bodem en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. De licht verhoogd aangetoonde gehalten geven geen aanleiding tot nader onderzoek. De bemonsterde waterbodems zijn vrij toepasbaar of toepasbaar als industriegrond en verspreidbaar op een aangrenzend perceel. In aan aanvullend schrijven van 14 augustus 2023 is door Hunneman Milieu - Advies herbevestigd dat er eerder uitgevoerde onderzoeken nog een actueel beeld geven van de bodemkwaliteit ter plaatse. Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan aangenomen worden dat bodemkwaliteit niet in de weg staat aan de beoogde ontwikkeling.
44
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste, of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede, moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
45
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden 1.273 extra woningen, naast de herbouw van 5 bestaande woningen. Er zal sprake zijn van een toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een NIBM-project; er is geen sprake van een 'groot' project waar meer dan 3% bij wordt gedragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn.
Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Voor de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan dat de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Bijlage 3A van de Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is. Het 3% criterium betreft:
• •
≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ≤ 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
De getalsmatige begrenzing van een NIMB project voor woningbouw is 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De beoogde ontwikkeling betreft een ontwikkeling met meerdere ontsluitingswegen. De verschillende kamers in het plangebied zullen immers allen eigen ontsluitingswegen krijgen, waardoor er ook sprake zal zijn van een gelijkmatige verkeersverdeling. Daarmee kan gesteld worden dat er sprake is van een NIBM-project. Met behulp van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. In het plangebied zijn meerdere rekenpunten aanwezig. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide. De hoogste specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,4 μg/m³ PM10, 7,9 μg/m³ PM2,5 en 15,4 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en wordt voldaan aan de door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en GGD bepaalde advieswaarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect luchtkwaliteit.