Bijlage 01a - 20231117_r_NL.IMRO.0399.BPZandzoomHLO2023-03011
Tekst van het document
32
Artikel 14 Verkeer 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
b. c. d. e. f. g.
gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen met maximaal 2 rijbanen met de daarbij horende verkeerskundige voorzieningen zoals kruisingen, rotondes, op- en afritten, in- en uitvoegstroken, opstelstroken, oversteekplaatsen, verkeersregeling- en geleiding en additionele voorzieningen; fiets- en wandelpaden; bermen, water en bermsloten; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; groenvoorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; geluidwerende voorzieningen.
De inrichting van de in de bestemming begrepen gronden dient met name te zijn gericht op een goede doorstroming van het verkeer. 14.2 Bouwregels 14.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming. 14.2.2 Gebouwen Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en verkeersdoeleinden. Hiervoor geldt dat uitsluitend gebouwen mogen worden gebouwd zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 2, bijlage II Besluit omgevingsrecht. 14.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van bouwwerken voor de verkeerstechnische uitrusting bedraagt ten hoogste 12 m; de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m; voor het overige bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 2 m.
33
Artikel 15 Verkeer - Railverkeer 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor Verkeer - Railverkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
verkeer en vervoer per rail; spoorwegovergangen en -onderdoorgangen en overige voorzieningen voor het verkeer en vervoer per rail; bermen en bermsloten; geluidwerende voorzieningen.
Het aantal sporen en spoorwegovergangen mag niet worden vergroot. 15.2 Bouwregels 15.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming. 15.2.2 Gebouwen Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en verkeersdoeleinden. Hiervoor geldt dat uitsluitend gebouwen mogen worden gebouwd zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 2, bijlage II Besluit omgevingsrecht. 15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. b. c.
de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 2 m ten opzichte van de hoogte van bovenkant spoorstaaf; de bouwhoogte van bouwwerken voor de verkeerstechnische uitrusting bedraagt voor het overige maximaal 8 m ten opzichte van de hoogte van bovenkant spoorstaaf; voor het overige bedraagt de bouwhoogte niet meer dan 2 m ten opzichte van de hoogte van bovenkant spoorstaaf.
15.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • • • • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid; parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid,
nadere eisen stellen aan de plaats van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
34
15.4 Specifieke gebruiksregels 15.4.1 Voorwaardelijke verplichting geluidscherm De bouw van geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van de spoorweg zoals bedoeld in de Wet geluidhinder is alleen toegestaan als de noodzakelijke geluidoverdrachtbeperkende voorziening, zijnde een geluidscherm, langs het spoor is gerealiseerd met een hoogte van minimaal 1,5 meter en in stand wordt gehouden. 15.5 Afwijken van de gebruiksregels 15.5.1 Toestaan lager geluidsscherm Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 15 lid 4.1 ten einde een lager geluidsscherm toe te staan onder voorwaarde dat: a. b.
met de toepassing van een lager geluidscherm en eventueel aanvullende geluidwerende voorzieningen een minimaal even hoog beschermingsniveau kan worden bereikt; het bepaalde onder a is aangetoond middels een akoestisch onderzoek.
35
Artikel 16 Verkeer - Verblijfsgebied 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
verkeersdoeleinden; verblijfsdoeleinden; fiets- en wandelpaden; garages; bermen, bermsloten, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; groenvoorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen.
16.2 Bouwregels 16.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming. 16.2.2 Gebouwen a.
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van garages gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van garages bedraagt ten hoogste 2,5 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze hoger is.
16.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. b. c. d.
de bouwhoogte van bouwwerken voor de verkeerstechnische uitrusting bedraagt maximaal 8 m; de bouwhoogte van speeltoestellen bedraagt maximaal 6 m; de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 2 m ten opzichte van de hoogte van de spoorbaan; voor het overige bedraagt de bouwhoogte niet meer dan 2 m.
36
Artikel 17 Water 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
water en oeverstroken; dammen ten behoeve van de ontsluiting van (woon-)percelen; bruggen, uitsluitend ten behoeve van fiets- en wandelverkeer.
17.2 Bouwregels a. b.
Gebouwen mogen niet worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van bruggen bedraagt ten hoogste 2 m; 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 1 m.
37
Artikel 18 Wonen 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
wonen; het behoud en herstel van houtwallen zoals opgenomen als bijlage bij deze regels; het zoveel als mogelijk handhaven van de groenvoorzieningen zoals deze op de verbeelding zijn aangeduid als 'groen';
met daaraan ondergeschikt: d. e. f. g. h.
verkeer en verblijf; tuinen en erven; groenvoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; openbare nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen.
18.2 Bouwregels 18.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming. 18.2.2 Hoofdgebouwen Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: a. b. c. d. e. f.
gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’; ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan; het aantal woningen bedraagt ten hoogste het bestaande aantal, dan wel ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal per bouwvlak; de gehele kap dient te zijn voorzien van een dakhelling van tenminste 30° en ten hoogste 60°; in aanvulling op het gestelde artikel 18 lid 2.2 sub e geldt voor bestaande hoofdgebouwen: 1. de bestaande dakhelling indien dit minder is dan 30° of meer dan 60°; 2. dat bestaande hoofdgebouwen mogen worden uitgebreid met de afwijkende dakhelling; 3. dat bij vervangende nieuwbouw sprake dient te zijn van een dakhelling van ten minste 30° en ten hoogste 60°.
18.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a.
b.
het achtererfgebied mag voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: 1. bij percelen tot 250 m² de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken 50 m² bedraagt; 2. bij percelen van 250 - 500 m² de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken 75 m² bedraagt; 3. bij percelen groter dan 500 m² de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken 100 m² bedraagt; bijbehorende bouwwerken worden op een afstand van ten minste 2,5 m achter de voorgevelrooilijn gebouwd, dan wel uitsluitend voor bestaande aan- en uitbouwen en bijgebouwen de bestaande afstand, indien deze minder is;
38
c.
d.
e. f. g.
in aanvulling op het gestelde in artikel 18 lid 2.3 sub b. geldt dat bij uitbreiding van bijbehorende bouwwerken en bij vervangende nieuwbouw sprake dient te zijn van een afstand van tenminste 2,5 m achter de voorgevelrooilijn; in aanvulling op het gestelde in artikel 18 lid 2.3 sub d geldt dat bij vervangende nieuwbouw de diepte van aan- en uitbouwen de afwijkende diepte mag bedragen; bij uitbreiding van aan- en uitbouwen dient sprake te zijn van een diepte achter de achtergevelrooilijn van ten hoogste 3,5 m gerekend vanaf de achterste bouwgrens; aan- en uitbouwen worden uitsluitend plat afgedekt, tenzij in de bestaande situatie sprake is van een kap; de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3,25 m, dan wel uitsluitend voor bestaande bijbehorende bouwwerken de bestaande bouwhoogte, indien deze hoger is; in aanvulling op het gestelde in artikel 18 lid 2.3 sub f geldt dat bestaande bijbehorende bouwwerken met een hogere bouwhoogte dan 3,25 m mogen worden uitgebreid met de afwijkende bouwhoogte; bij vervangende nieuwbouw dient sprake te zijn van een bouwhoogte van ten hoogste 3,25 m.
18.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. b. c.
de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m; de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.
18.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld;
• • • •
de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid;
de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling van karakteristieke panden;
parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
nadere eisen stellen aan: a. b. c.
d.
de plaats van hoofdgebouwen indien niet in de naar de weg gekeerde bouwgrens wordt gebouwd; de diepte van hoofdgebouwen; de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling van het pand ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” in de zin dat bij (gedeeltelijke) verbouwing en/of verandering aangesloten dient te worden bij de bouwvorm van het bestaande pand; de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
39
18.4 Afwijken van de bouwregels 18.4.1 Algemeen 18.4.1.1 Goothoogte Burgemeester en Wethouders kunnen, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 18 lid 2.2 sub b voor het verhogen van de goothoogte tot ten hoogste 6 m en voor niet meer dan 50% van de omtrek van hoofdgebouwen.
40
Artikel 19 Woongebied - Centrale Kamer - Oost 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor Woongebied - Centrale Kamer - Oost aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep; overige (ontsluitings-)wegen en paden; verblijfsgebieden en openbare ruimten;
met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i. j. k. l.
tuinen, erven en terreinen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; wegen, straten en paden; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; water.
19.2 Bouwregels 19.2.1 Algemeen Op de in artikel 19 lid 1 bedoelde gronden mogen hoofdgebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
het aantal nieuwe woningen mag niet meer bedragen dan 399 woningen; bestaande woningen die ten behoeve van de planontwikkeling worden gesloopt mogen binnen het bestemmingsvlak worden herbouwd.
19.2.2 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: a. b. c.
d. e.
hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak; in afwijking van het bepaalde onder a zijn hoofdgebouwen niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten'; voor zover is aangegeven mogen uitsluitend de woningtypen worden gebouwd: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', voor vrijstaande woningen; 2. ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen' voor woningen twee-aaneen; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' voor rijwoningen en rug aan rug woningen; 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', voor gestapelde woningen; de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding aangeduid; de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan de bij de bouwwijze aangegeven diepte:
41
bouwwijze
max. diepte
rij
12 m
twee-aan-een
12 m
rug-aan-rug
12 m *
vrijstaand
15 m
*) diepte per woning
f.
g. h.
de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt: 1. bij vrijstaande woningen aan twee zijden minimaal 3 meter; 2. bij twee-aaneengebouwde woningen en rijwoningen aan de niet aaneengebouwde zijde minimaal 3 meter; 3. bij gestapelde woningen aan twee zijde minimaal 5 meter; de afstand van woningen tot de openbare weg bedraagt minimaal 3 meter; de afstand van hoofdgebouwen tot de bestemming 'Water' mag niet minder dan 5 m bedragen.
19.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is het bepaalde in artikel 27 lid 2 van toepassing. 19.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is het bepaalde in artikel 27 lid 3 van toepassing. 19.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • • • • • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling; de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid; parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
nadere eisen stellen aan: a. b. c. d. e. f.
de situering van hoofdgebouwen; de situering van de voorgevel van hoofdgebouwen; de diepte van hoofdgebouwen; de situering van gestapelde bebouwing binnen het deelgebied; de situering van bijbehorende bouwwerken; de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
deze eisen dienen overeenkomstig het Ruimtelijk kwaliteitskader te zijn.
42
19.4 Afwijken van de bouwregels 19.4.1 Opheffen bouwverbod wonen uitgesloten Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 2.2 sub b ten einde hoofdgebouwen binnen het aanduidingsvlak mogelijk te maken onder voorwaarde dat: a. b.
de bedrijfsvoering ten behoeve waarvan de zone is opgenomen volledig is beëindigd; dan wel uit nader onderzoek blijkt dat: 1. de aanwezige bedrijfsvoering als gevolg van woningbouw niet in zijn mogelijkheden wordt beperkt; 2. bij de te realiseren woningen er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
19.4.2 Beperkt verplaatsen van woonprogramma Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 2.1 sub a ten einde 20 woningen extra toe te staan, met dien verstande dat: a. b. c. d. e.
het aantal extra woningen elders binnen het woongebied in mindering worden gebracht waarmee het totaal aantal woningen niet meer bedraagt dan bepaald in artikel 27 lid 1 sub a; het extra programma ruimtelijk en stedenbouwkundige goed inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derden niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in de gemeentelijke plankosten.
19.4.3 Afwijken van de maximale bouwdiepte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 2.2 sub e ten einde een ruimere bouwdiepte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
de maximale bouwdiepte na afwijking niet meer mag bedragen dan 17 meter; de maximale bouwdiepte uitsluitend bij de initiële bouw overschreden mag worden; de ruimere bouwdiepte stedenbouwkundig inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaadt worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
19.4.4 Afwijken van de maximale goothoogte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 2.2 sub d ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d.
de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 9,5 meter; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
19.4.5 Afwijken van de maximale goothoogte bij gestapelde bebouwing Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 2.2 sub d ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
een ruimere goothoogte alleen is toegestaan voor gestapelde woningen; de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 11 meter; het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan 3 bouwlagen; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
43
19.4.6 Afwijken van de minimale afstand tot de erfgrens of openbare weg Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 2.2 sub f of artikel 19 lid 2.2 sub g ten einde hoofdgebouwen op een kortere afstand tot de erfgrens of de openbare weg te realiseren onder voorwaarde dat: a. b.
deze kortere afstand stedenbouwkundig inpasbaar is en hierover een advies is uitgebracht door het kwaliteitsteam; de belangen van omwonenden niet ovevenredig worden geschaad.
19.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.5.1 Verbod tot verwijderen 'Te behouden groen en greppels' Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. b.
het dempen van greppels zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels', ; het kappen van bomen of verwijderen van struikgewas binnen groenstroken of groengebieden zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels'.
19.5.2 Vergunning De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 19 lid 5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a.
b.
hierdoor dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect de te verwachten gevolgen de landschappelijke en natuurlijke waarden van de greppels of het groen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; voorzien wordt binnen het woongebied voor een passend alternatief waarmee in voldoende mate voorzien wordt in de compensatie van het te verwijderen groen of de te dempen greppel.
19.5.3 Uitzondering Het verbod van artikel 19 lid 5.1 is niet van toepassing, indien: a. b.
de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; werken en werkzaamheden van geringe omvang dan wel, welke het normale onderhoud en beheer betreffen.
44
Artikel 20 Woongebied - Centrale Kamer - West 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor Woongebied - Centrale Kamer - West aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep; overige (ontsluitings-)wegen en paden; verblijfsgebieden en openbare ruimten; ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk', tevens voor kleinschalige dagbesteding voor mindervalide in combinatie met een theetuin van maximaal 300 m2; een geluidwerende voorziening ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm';
met de daarbij behorende: f. g. h. i. j. k. l. m. n.
tuinen, erven en terreinen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; wegen, straten en paden; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; water.
20.2 Bouwregels 20.2.1 Algemeen Op de in artikel 20 lid 1 bedoelde gronden mogen hoofdgebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
het aantal nieuwe woningen mag niet meer bedragen dan 328 woningen; bestaande woningen die ten behoeve van de planontwikkeling worden gesloopt mogen binnen het bestemmingsvlak worden herbouwd.
20.2.2 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: a. b. c.
d.
e. f.
hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak; in afwijking van het bepaalde onder a zijn hoofdgebouwen niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten'; in afwijking van het bepaalde onder a mag ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' in plaats van één woning bebouwing voor het bepaalde onder artikel 20 lid 1 sub d worden opgericht waarbij de bouwregels gelden overeenkomstig een vrijstaande woning; artikel 20 lid 1 voor zover is aangegeven mogen uitsluitend de woningtypen worden gebouwd: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', voor vrijstaande woningen; 2. ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen' voor woningen twee-aaneen; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' voor rijwoningen en rug aan rug woningen; 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', voor gestapelde woningen; de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding aangeduid; de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan de bij de bouwwijze aangegeven diepte:
45
bouwwijze
max. diepte
rij
12 m
twee-aan-een
12 m
rug-aan-rug
14 m *
vrijstaand
15 m
*) diepte per woning
f.
g.
de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt: 1. bij vrijstaande woningen aan twee zijden minimaal 3 meter; 2. bij twee-aaneengebouwde woningen en rijwoningen aan de niet aaneengebouwde zijde minimaal 3 meter; 3. bij gestapelde woningen aan twee zijde minimaal 5 meter; de afstand van woningen tot de openbare weg bedraagt minimaal 3 meter.
20.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is het bepaalde in artikel 27 lid 2 van toepassing. 20.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is het bepaalde in artikel 27 lid 3 van toepassing. 20.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • • • • • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling; de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid; parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
nadere eisen stellen aan: a. b. c. d. e. f.
de situering van hoofdgebouwen; de situering van de voorgevel van hoofdgebouwen; de diepte van hoofdgebouwen; de situering van gestapelde bebouwing binnen het deelgebied; de situering van bijbehorende bouwwerken; de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
deze eisen dienen overeenkomstig het Ruimtelijk kwaliteitskader te zijn.
46
20.4 Afwijken van de bouwregels 20.4.1 Opheffen bouwverbod wonen uitgesloten Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2.2 sub b ten einde hoofdgebouwen binnen het aanduidingsvlak mogelijk te maken onder voorwaarde dat: a. b.
de bedrijfsvoering ten behoeve waarvan de zone is opgenomen volledig is beëindigd; dan wel uit nader onderzoek blijkt dat: 1. de aanwezige bedrijfsvoering als gevolg van woningbouw niet in zijn mogelijkheden wordt beperkt; 2. bij de te realiseren woningen er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
20.4.2 Beperkt verplaatsen van woonprogramma Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2.1 sub a ten einde 20 woningen extra toe te staan, met dien verstande dat: a. b. c. d. e.
het aantal extra woningen elders binnen het woongebied in mindering worden gebracht waarmee het totaal aantal woningen niet meer bedraagt dan bepaald in artikel 27 lid 1 sub a; het extra programma ruimtelijk en stedenbouwkundige goed inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derden niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in de gemeentelijke plankosten.
20.4.3 Afwijken van de maximale bouwdiepte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2.2 sub f[1] ten einde een ruimere bouwdiepte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
de maximale bouwdiepte na afwijking niet meer mag bedragen dan 17 meter; de maximale bouwdiepte uitsluitend bij de initiële bouw overschreden mag worden; de ruimere bouwdiepte stedenbouwkundig inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaadt worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
20.4.4 Afwijken van de maximale goothoogte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2.2 sub e ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d.
de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 9,5 meter; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
47
20.4.5 Afwijken van de maximale goothoogte bij gestapelde bebouwing Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2.2 sub e ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
een ruimere goothoogte alleen is toegestaan voor gestapelde woningen; de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 11 meter; het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan 3 bouwlagen; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
20.4.6 Afwijken van de minimale afstand tot de erfgrens of openbare weg Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2.2 sub f[2] of artikel 20 lid 2.2 sub g ten einde hoofdgebouwen op een kortere afstand tot de erfgrens of de openbare weg te realiseren onder voorwaarde dat: a. b.
deze kortere afstand stedenbouwkundig inpasbaar is en hierover een advies is uitgebracht door het kwaliteitsteam; de belangen van omwonenden niet ovevenredig worden geschaad.
20.5 Specifieke gebruiksregels 20.5.1 Voorwaardelijke verplichting trillingen a.
b.
Het bouwen van bouwwerken, binnen een afstand van 20 meter van het buitenste spoor, voor wonen zoals bedoeld in artikel 20 lid 1 sub a is uitsluitend toegestaan wanneer uit een berekening en/of nader onderzoek van de trillingssterkte blijkt dat de streefwaarden voor Wonen nieuwe situatie, zoals bedoeld in Richtlijn B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden. In afwijking het bepaalde artikel 20 lid 5.1 sub a is het bouwen van bouwwerken voor wonen zoals bedoeld in artikel 20 lid 1 sub a ook toegestaan op voorwaarde dat alle doelmatige en kosteneffectieve maatregelen om de trillingssterkte te verminderen worden getroffen en uit een berekening en/of nader onderzoek blijkt dat ten minste de streefwaarden voor Wonen in bestaande situatie, zoals bedoeld in Richtlijn B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden.
20.5.2 Voorwaardelijke verplichting geluidsscherm Het gebruik van gronden voor wonen overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 lid 1 sub a binnen de invloedsfeer van het Hoogeweg 20.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.6.1 Verbod tot verwijderen 'Te behouden groen en greppels' Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. b.
het dempen van greppels zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels', ; het kappen van bomen of verwijderen van struikgewas binnen groenstroken of groengebieden zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels'.
48
20.6.2 Vergunning De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 20 lid 6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a.
b.
hierdoor dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect de te verwachten gevolgen de landschappelijke en natuurlijke waarden van de greppels of het groen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; voorzien wordt binnen het woongebied voor een passend alternatief waarmee in voldoende mate voorzien wordt in de compensatie van het te verwijderen groen of de te dempen greppel.
20.6.3 Uitzondering Het verbod van artikel 20 lid 6.1 is niet van toepassing, indien: a. b.
de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; werken en werkzaamheden van geringe omvang dan wel, welke het normale onderhoud en beheer betreffen.
49
Artikel 21 Woongebied - Oost kamer 21.1 Bestemmingsomschrijving De voor Woongebied - Oost kamer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep; overige (ontsluitings-)wegen en paden; verblijfsgebieden en openbare ruimten;
met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i. j. k. l.
tuinen, erven en terreinen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; wegen, straten en paden; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; water.
21.2 Bouwregels 21.2.1 Algemeen Op de in artikel 21 lid 1 bedoelde gronden mogen hoofdgebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
het aantal nieuwe woningen mag niet meer bedragen dan 180 woningen; bestaande woningen die ten behoeve van de planontwikkeling worden gesloopt mogen binnen het bestemmingsvlak worden herbouwd.
21.2.2 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: a. b. c.
d. e.
hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak; in afwijking van het bepaalde onder a zijn hoofdgebouwen niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten'; voor zover is aangegeven mogen uitsluitend de woningtypen worden gebouwd: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', voor vrijstaande woningen; 2. ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen' voor woningen twee-aaneen; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' voor rijwoningen en rug aan rug woningen; 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', voor gestapelde woningen; de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding aangeduid; de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan de bij de bouwwijze aangegeven diepte:
50
bouwwijze
max. diepte
rij
12 m
twee-aan-een
12 m
rug-aan-rug
14m *
vrijstaand
15 m
*) diepte per woning
f.
g.
de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt: 1. bij vrijstaande woningen aan twee zijden minimaal 3 meter; 2. bij twee-aaneengebouwde woningen en rijwoningen aan de niet aaneengebouwde zijde minimaal 3 meter; 3. bij gestapelde woningen aan twee zijde minimaal 5 meter; de afstand van woningen tot de openbare weg bedraagt minimaal 3 meter.
21.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is het bepaalde in artikel 27 lid 2 van toepassing. 21.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is het bepaalde in artikel 27 lid 3 van toepassing. 21.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • • • • • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling; de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid; parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
nadere eisen stellen aan: a. b. c. d. e. f.
de situering van hoofdgebouwen; de situering van de voorgevel van hoofdgebouwen; de diepte van hoofdgebouwen; de situering van gestapelde bebouwing binnen het deelgebied; de situering van bijbehorende bouwwerken; de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
deze eisen dienen overeenkomstig het Ruimtelijk kwaliteitskader te zijn.
51
21.4 Afwijken van de bouwregels 21.4.1 Opheffen bouwverbod wonen uitgesloten Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 2.2 sub b ten einde hoofdgebouwen binnen het aanduidingsvlak mogelijk te maken onder voorwaarde dat: a. b.
de bedrijfsvoering ten behoeve waarvan de zone is opgenomen volledig is beëindigd; dan wel uit nader onderzoek blijkt dat: 1. de aanwezige bedrijfsvoering als gevolg van woningbouw niet in zijn mogelijkheden wordt beperkt; 2. bij de te realiseren woningen er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
21.4.2 Afwijken van de maximale bouwdiepte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 2.2 sub e ten einde een ruimere bouwdiepte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
de maximale bouwdiepte na afwijking niet meer mag bedragen dan 17 meter; de maximale bouwdiepte uitsluitend bij de initiële bouw overschreden mag worden; de ruimere bouwdiepte stedenbouwkundig inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaadt worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
21.4.3 Afwijken van de maximale goothoogte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 2.2 sub d ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d.
de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 9,5 meter; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
21.4.4 Afwijken van de maximale goothoogte bij gestapelde bebouwing Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 2.2 sub d ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
een ruimere goothoogte alleen is toegestaan voor gestapelde woningen; de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 11 meter; het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan 3 bouwlagen; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
52
21.4.5 Afwijken van de minimale afstand tot de erfgrens of openbare weg Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 2.2 sub f of artikel 21 lid 2.2 sub g ten einde hoofdgebouwen op een kortere afstand tot de erfgrens of de openbare weg te realiseren onder voorwaarde dat: a. b.
deze kortere afstand stedenbouwkundig inpasbaar is en hierover een advies is uitgebracht door het kwaliteitsteam; de belangen van omwonenden niet ovevenredig worden geschaad.
21.5 Specifieke gebruiksregels 21.5.1 Voorwaardelijke verplichting trillingen a.
b.
Het bouwen van bouwwerken, binnen een afstand van 20 meter van het buitenste spoor, voor wonen zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 sub a is uitsluitend toegestaan wanneer uit een berekening en/of nader onderzoek van de trillingssterkte blijkt dat de streefwaarden voor Wonen nieuwe situatie, zoals bedoeld in Richtlijn B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden. In afwijking het bepaalde artikel 21 lid 5.1 sub a is het bouwen van bouwwerken voor wonen zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 sub a ook toegestaan op voorwaarde dat alle doelmatige en kosteneffectieve maatregelen om de trillingssterkte te verminderen worden getroffen en uit een berekening en/of nader onderzoek blijkt dat ten minste de streefwaarden voor Wonen in bestaande situatie, zoals bedoeld in Richtlijn B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden.
21.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.6.1 Verbod tot verwijderen 'Te behouden groen en greppels' Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. b.
het dempen van greppels zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels', ; het kappen van bomen of verwijderen van struikgewas binnen groenstroken of groengebieden zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels'.
21.6.2 Vergunning De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 21 lid 6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a.
b.
hierdoor dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect de te verwachten gevolgen de landschappelijke en natuurlijke waarden van de greppels of het groen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; voorzien wordt binnen het woongebied voor een passend alternatief waarmee in voldoende mate voorzien wordt in de compensatie van het te verwijderen groen of de te dempen greppel.
21.6.3 Uitzondering Het verbod van artikel 21 lid 6.1 is niet van toepassing, indien: a. b.
de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; werken en werkzaamheden van geringe omvang dan wel, welke het normale onderhoud en beheer betreffen.
53
Artikel 22 Woongebied - West kamer 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor Woongebied - West kamer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep; overige (ontsluitings-)wegen en paden; verblijfsgebieden en openbare ruimten;
met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i. j. k. l.
tuinen, erven en terreinen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; wegen, straten en paden; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; water.
22.2 Bouwregels 22.2.1 Algemeen Op de in artikel 22 lid 1 bedoelde gronden mogen hoofdgebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
het aantal nieuwe woningen mag niet meer bedragen dan 184 woningen; bestaande woningen die ten behoeve van de planontwikkeling worden gesloopt mogen binnen het bestemmingsvlak worden herbouwd.
22.2.2 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: a. b. c.
d. e.
hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak; in afwijking van het bepaalde onder a zijn hoofdgebouwen niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten'; voor zover is aangegeven mogen uitsluitend de woningtypen worden gebouwd: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', voor vrijstaande woningen; 2. ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen' voor woningen twee-aaneen; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' voor rijwoningen en rug aan rug woningen; 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', voor gestapelde woningen; de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding aangeduid; de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan de bij de bouwwijze aangegeven diepte:
54
bouwwijze
max. diepte
rij
12 m
twee-aan-een
12 m
rug-aan-rug
12m *
vrijstaand
15 m
*) per woning
f.
g.
de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt: 1. bij vrijstaande woningen aan twee zijden minimaal 3 meter; 2. bij twee-aaneengebouwde woningen en rijwoningen aan de niet aaneengebouwde zijde minimaal 3 meter; 3. bij gestapelde woningen aan twee zijde minimaal 5 meter; de afstand van woningen tot de openbare weg bedraagt minimaal 3 meter.
22.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is het bepaalde in artikel 27 lid 2 van toepassing. 22.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is het bepaalde in artikel 27 lid 3 van toepassing. 22.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • • • • • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling; de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid; parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
nadere eisen stellen aan: a. b. c. d. e. f.
de situering van hoofdgebouwen; de situering van de voorgevel van hoofdgebouwen; de diepte van hoofdgebouwen; de situering van gestapelde bebouwing binnen het deelgebied; de situering van bijbehorende bouwwerken; de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
deze eisen dienen overeenkomstig het Ruimtelijk kwaliteitskader te zijn.
55
22.4 Afwijken van de bouwregels 22.4.1 Opheffen bouwverbod wonen uitgesloten Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22 lid 2.2 sub b ten einde hoofdgebouwen binnen het aanduidingsvlak mogelijk te maken onder voorwaarde dat: a. b.
de bedrijfsvoering ten behoeve waarvan de zone is opgenomen volledig is beëindigd; dan wel uit nader onderzoek blijkt dat: 1. de aanwezige bedrijfsvoering als gevolg van woningbouw niet in zijn mogelijkheden wordt beperkt; 2. bij de te realiseren woningen er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
22.4.2 Afwijken van de maximale bouwdiepte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22 lid 2.2 sub e ten einde een ruimere bouwdiepte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
de maximale bouwdiepte na afwijking niet meer mag bedragen dan 17 meter; de maximale bouwdiepte uitsluitend bij de initiële bouw overschreden mag worden; de ruimere bouwdiepte stedenbouwkundig inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaadt worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
22.4.3 Afwijken van de maximale goothoogte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22 lid 2.2 sub d ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d.
de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 9,5 meter; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
22.4.4 Afwijken van de maximale goothoogte bij gestapelde bebouwing Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22 lid 2.2 sub d ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
een ruimere goothoogte alleen is toegestaan voor gestapelde woningen; de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 11 meter; het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan 3 bouwlagen; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
22.4.5 Afwijken van de minimale afstand tot de erfgrens of openbare weg Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22 lid 2.2 sub f of artikel 22 lid 2.2 sub g ten einde hoofdgebouwen op een kortere afstand tot de erfgrens of de openbare weg te realiseren onder voorwaarde dat: a. b.
deze kortere afstand stedenbouwkundig inpasbaar is en hierover een advies is uitgebracht door het kwaliteitsteam; de belangen van omwonenden niet ovevenredig worden geschaad.
56
22.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.5.1 Verbod tot verwijderen 'Te behouden groen en greppels' Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. b.
het dempen van greppels zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels', ; het kappen van bomen of verwijderen van struikgewas binnen groenstroken of groengebieden zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels'.
22.5.2 Vergunning De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 22 lid 5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a.
b.
hierdoor dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect de te verwachten gevolgen de landschappelijke en natuurlijke waarden van de greppels of het groen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; voorzien wordt binnen het woongebied voor een passend alternatief waarmee in voldoende mate voorzien wordt in de compensatie van het te verwijderen groen of de te dempen greppel.
22.5.3 Uitzondering Het verbod van artikel 22 lid 5.1 is niet van toepassing, indien: a. b.
de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; werken en werkzaamheden van geringe omvang dan wel, welke het normale onderhoud en beheer betreffen.
57
Artikel 23 Woongebied - Zuid kamer 23.1 Bestemmingsomschrijving De voor Woongebied - Zuid Kamer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep; overige (ontsluitings-)wegen en paden; verblijfsgebieden en openbare ruimten;
met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i. j. k. l.
tuinen, erven en terreinen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; wegen, straten en paden; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; water.
23.2 Bouwregels 23.2.1 Algemeen Op de in artikel 23 lid 1 bedoelde gronden mogen hoofdgebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b. c.
het aantal nieuwe woningen als gevolg van sloop en nieuw mag niet meer bedragen dan 5 woningen; het aantal nieuwe woningen mag niet meer bedragen dan 182 woningen; bestaande woningen die ten behoeve van de planontwikkeling worden gesloopt mogen binnen het bestemmingsvlak Woongebied - Zuid kamer worden herbouwd.
23.2.2 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: a. b.
c. d.
hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak; voor zover is aangegeven mogen uitsluitend de woningtypen worden gebouwd: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', voor vrijstaande woningen; 2. ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen' voor woningen twee-aaneen; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' voor rijwoningen en rug aan rug woningen; 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', voor gestapelde woningen; de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding aangeduid; de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan de bij de bouwwijze aangegeven diepte:
58
bouwwijze
max. diepte
rij
12 m
twee-aan-een
12 m
rug-aan-rug
14 m *
vrijstaand
15 m
*) diepte per woning
e.
f.
de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt: 1. bij vrijstaande woningen aan twee zijden minimaal 3 meter; 2. bij twee-aaneengebouwde woningen en rijwoningen aan de niet aaneengebouwde zijde minimaal 3 meter; 3. bij gestapelde woningen aan twee zijde minimaal 5 meter; de afstand van woningen tot de openbare weg bedraagt minimaal 3 meter.
23.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is het bepaalde in artikel 27 lid 2 van toepassing. 23.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is het bepaalde in artikel 27 lid 3 van toepassing. 23.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • • • • • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling; de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid; parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
nadere eisen stellen aan: a. b. c. d. e. f.
de situering van hoofdgebouwen; de situering van de voorgevel van hoofdgebouwen; de diepte van hoofdgebouwen; de situering van gestapelde bebouwing binnen het deelgebied; de situering van bijbehorende bouwwerken; de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
deze eisen dienen overeenkomstig het Ruimtelijk kwaliteitskader te zijn.
59
23.4 Afwijken van de bouwregels 23.4.1 Beperkt verplaatsen van woonprogramma Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23 lid 2.1 sub a ten einde 20 woningen extra toe te staan, met dien verstande dat: a. b. c. d. e.
het aantal extra woningen elders binnen het woongebied in mindering worden gebracht waarmee het totaal aantal woningen niet meer bedraagt dan bepaald in artikel 27 lid 1 sub a; het extra programma ruimtelijk en stedenbouwkundige goed inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derden niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in de gemeentelijke plankosten.
23.4.2 Afwijken van de maximale bouwdiepte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23 lid 2.2 sub d ten einde een ruimere bouwdiepte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
de maximale bouwdiepte na afwijking niet meer mag bedragen dan 23 meter; de maximale bouwdiepte uitsluitend bij de initiële bouw overschreden mag worden; de ruimere bouwdiepte stedenbouwkundig inpasbaar is; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaadt worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
23.4.3 Afwijken van de maximale goothoogte Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23 lid 2.2 sub c ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d.
de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 9,5 meter; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
23.4.4 Afwijken van de maximale goothoogte bij gestapelde bebouwing Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23 lid 2.2 sub c ten einde een hogere goothoogte toe te staan onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e. f.
een ruimere goothoogte alleen is toegestaan voor gestapelde woningen; de goothoogte, na afwijken, niet meer mag bedragen dan 11 meter; het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan 3 bouwlagen; vooraf advies is gevraagd aan het kwaliteitsteam; belangen van derde niet onevenredig geschaad worden; voorzien wordt in een planschade verhaalsovereenkomst.
60
23.4.5 Afwijken van de minimale afstand tot de erfgrens of openbare weg Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23 lid 2.2 sub e of artikel 23 lid 2.2 sub f ten einde hoofdgebouwen op een kortere afstand tot de erfgrens of de openbare weg te realiseren onder voorwaarde dat: a. b.
deze kortere afstand stedenbouwkundig inpasbaar is en hierover een advies is uitgebracht door het kwaliteitsteam; de belangen van omwonenden niet ovevenredig worden geschaad.
23.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 23.5.1 Verbod tot verwijderen 'Te behouden groen en greppels' Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. b.
het dempen van greppels zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels'; het kappen van bomen of verwijderen van struikgewas binnen groenstroken of groengebieden zoals aangegeven op de kaderkaart 'Te behouden groen en greppels'.
23.5.2 Vergunning De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 23 lid 5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a.
b.
hierdoor dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect de te verwachten gevolgen de landschappelijke en natuurlijke waarden van de greppels of het groen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; voorzien wordt binnen het woongebied voor een passend alternatief waarmee in voldoende mate voorzien wordt in de compensatie van het te verwijderen groen of de te dempen greppel.
23.5.3 Uitzondering Het verbod van artikel 23 lid 5.1 is niet van toepassing, indien: a. b.
de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; werken en werkzaamheden van geringe omvang dan wel, welke het normale onderhoud en beheer betreffen.
61
Artikel 24 Leiding - Water 24.1 Bestemmingsomschrijving De voor Leiding - Water aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het herstel en de instandhouding van een (afval)watertransportleiding. 24.2 Bouwregels Op voor 'Leiding - Water' bestemde gronden mag niet worden gebouwd. 24.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bouwwerken ten behoeve van: a. b. c. d. e. f. g. h.
de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; het behoud van parkeervoorzieningen; de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen; de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken; het milieu; welstand.
24.4 Afwijken van de bouwregels 24.4.1 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor de bouw van: a. b.
andere bouwwerken, die noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de leidingen met een maximale hoogte van 3 m; bouwwerken ten behoeve van de onderliggende bestemming(en).
24.4.2 Voorwaarden De genoemde afwijkingen kunnen slechts worden verleend mits: a. b. c.
door de bouwwerken geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s); voldaan wordt aan de bepalingen van de onderliggende bestemming(en).
62
24.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 24.5.1 Verbodsbepaling Het is verboden op of boven de in artikel 24 lid 1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.
f. g. h.
het aanleggen en/of verharden van gronden, zoals wegen, fiets- en wandelpaden en oppervlakteverhardingen; het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, woelen, mengen, diepploegen, ontginnen, bodemverlagen, ophogen of egaliseren van de bodem en aanleggen van (drainage)leidingen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het aanleggen van boven- of ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen anders dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het aanleggen van geluidswallen; het verhogen of verlagen van de grondwaterstand.
24.5.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 24 lid 5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d.
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer ten dienste van de onderliggende bestemming; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals bedoeld in artikel 24 lid 4 .
24.5.3 Voorwaarden De in artikel 24 lid 5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien: a.
b.
door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct of indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
63
Artikel 25 Waarde - Archeologie 25.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn mede bestemd voor: a.
het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden.
25.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a.
b.
c.
d.
e.
bij een aanvraag voor omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 50 m², waarbij de bodemingrepen dieper gaan dan 0,50 meter, moet de aanvrager een onderzoeksrapport overleggen, waaruit blijkt of en in welke mate de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, worden verstoord. als uit het in sub a genoemd rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals: alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 4.
de verplichting om na beëindiging van de activiteiten schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. voordat burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a, wint het advies in bij een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg over de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige aantasting plaatsvindt of kan plaatsvinden aan de archeologische waarden, en zo ja, of en welke van de in sub b genoemde voorwaarden er in de vergunning moeten worden opgenomen. het overleggen van een rapport als bedoeld in sub a is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, voldoende is vastgesteld. het bepaalde in sub a geldt niet: 1. als op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; 2. als het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m² wordt uitgebreid, de bodemingrepen niet dieper gaan dan 0,50 m en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; 3. voor activiteiten die ten dienste staan van archeologisch onderzoek.