Bijlage 01a - 20231117_r_NL.IMRO.0399.BPZandzoomHLO2023-03011
Tekst van het document
25.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, als uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden in de grond (in situ) te behouden.
64
25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
c.
d.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren, met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 m: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden; 2. het graven van watergangen; 3. grondbewerkingen: afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, het scheuren van grasland, ontginnen van gronden of het aanleggen van een drainage; 4. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 5. het verlagen of verhogen van het grondwaterpeil; 6. het aanleggen of rooien van bos, houtwallen of boomgaarden waarbij stobben worden verwijderd; 7. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud betreffen. Onder normaal onderhoud van drainage wordt in ieder geval verstaan het vervangen van drainage in inmiddels gedraineerde percelen; 2. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; 3. ten dienste staan van archeologisch onderzoek; 4.
plaatsvinden nadat op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Ten aanzien van de in artikel 25 lid 4 sub a genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: 1. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, wat moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25 lid 2 sub a, moet overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar oordeel van het bevoegd gezag voldoende zijn vastgesteld. Als het rapport daarvoor aanleiding geeft, moet op het advies van de erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaatsvinden; 2. het overleggen van een rapport is niet nodig als naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld. Burgemeester en wethouders kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 25 lid 4 sub a verbinden: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals: alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 4. de verplichting om na beëindiging van de activiteiten schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Voordat burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25 lid 4 sub a winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige over de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige aantasting plaatsvindt of kan plaatsvinden aan de archeologische waarden, en zo ja welke van de in sub d genoemde voorwaarden moeten worden overgenomen.
65
3 Algemene regels Artikel 26 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 27 Algemene bouwregels 27.1 Algemeen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van hoofdgebouwen t.b.v. wonen geldt dat: a. b.
het totaal aantal woningen nieuw toe te voegen woningen niet meer dan 1.273 bedraagt; het minimum aantal huurwoningen bedraagt 9% van het totaal aantal nieuw toe te voegen woningen.
27.2 bijbehorende bouwwerken bij woningen Voor bijbehorende bouwwerken bij woningen gelden de volgende bepalingen: a.
b.
c.
d.
e.
f. g. h.
het achtererfgebied mag voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: 1. bij percelen tot 250 m² de maximale gezamenlijke oppervlakte 50 m² bedraagt; 2. bij percelen van 250 - 500 m² de maximale gezamenlijke oppervlakte 75 m² bedraagt; 3. bij percelen groter dan 500 m² de maximale gezamenlijke oppervlakte 100 m² bedraagt; bijbehorende bouwwerken worden op een afstand van ten minste 2,5 m achter de voorgevelrooilijn gebouwd, dan wel uitsluitend voor bestaande aan- en uitbouwen en bijgebouwen de bestaande afstand, indien deze minder is; in aanvulling op het gestelde in artikel 27 lid 2 sub b geldt dat bij uitbreiding van bijbehorende bouwwerken en bij vervangende nieuwbouw sprake dient te zijn van een afstand van tenminste 2,5 m achter de voorgevelrooilijn; burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde: 1. in artikel 27 lid 2 sub b voor het bouwen van bijhorende bouwwerken tot gelijk aan de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw indien een advies is afgegeven door het kwaliteitsteam; 2. in artikel 27 lid 2 sub b voor het bouwen van bijhorende bouwwerken voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw indien een advies is afgegeven door het kwaliteitsteam; 3. in artikel 27 lid 2 sub a t.b.v.
het mogelijk maken van grotere bijbehorende bouwwerken voor collectieve voorzieningen zoals bijvoorbeeld parkeerschuren indien een advies is afgegeven door het kwaliteitsteam; de diepte van aan- en uitbouwen achter de achtergevelrooilijn bedraagt ten hoogste 4 m, gerekend vanaf de oorspronkelijke achtergevel, dan wel uitsluitend voor bestaande aan- en uitbouwen de bestaande diepte indien deze groter is; aan- en uitbouwen worden uitsluitend plat afgedekt; <-- overleg Q-team burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 27 lid 2 sub f indien: 1. een advies is afgegeven door het kwaliteitsteam; de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3,30 m, dan wel uitsluitend voor bestaande bijbehorende bouwwerken de bestaande bouwhoogte, indien deze hoger is;
66
i. j.
k.
l.
de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3,30 m, dan wel de goot- en bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid; burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde onder artikel 27 lid 2 sub h onder voorwaarde dat: 1. bij vrijstaande bijbehorende bouwwerken een bouwhoogte van maximaal 5 meter wordt toegestaan waarbij een twee schuinen dakvlakken worden toegepast en de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter; 2. een advies is afgegeven door het kwaliteitsteam; bijbehorende bouwwerken worden op ten minste 1 m van enig ander gebouw op hetzelfde erf gebouwd, dan wel uitsluitend voor bestaande bijbehorende bouwwerken de bestaande afstand indien deze minder is; in aanvulling op het gestelde in artikel 27 lid 2 sub k geldt dat bij uitbreiding van bijbehorende bouwwerken en bij vervangende nieuwbouw sprake dient te zijn van een afstand van ten minste 1 m tussen het bijbehorende bouwwerk en enig ander gebouw op hetzelfde erf;
voor erkers bij woningen gelden de volgende bepalingen: m. de overschrijding ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1 m; n. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan gebouwd wordt; o. de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw in de aangrenzende bestemming; voor ingangspartijen bij woningen gelden de volgende bepalingen: p. q. r.
de overschrijding ten opzicht van de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1,5 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan gebouwd wordt; de breedte mag niet meer bedragen dan 1/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw in de aangrenzende bestemming.
27.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde behorende bij woningen a.
b.
Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: 1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m; 2. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; 3. de bouwhoogte van erfafscheidingen aansluitend aan het openbaar gebied op een afstand tot 2,5 m achter de voorgevel bedraagt ten hoogtste 1 meter; 4. de bouwhoogte van erfafscheidingen aansluitend aan het openbaar gebied op een afstand van 2,5 m achter de voorgevel bedraagt ten hoogtste 2 meter; 5. de bouwhoogte voor een toegangshek t.p.v. een oprit bedraagt ten hoogste 2 meter; 6. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m; 7. de bouwhoogte van warmtepompen mag niet meer bedragen dan 1,5 m. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 27 lid 3 indien ten einde tuinmuren toe te staan onder voorwaarde dat: 1. tuinmuren zijn toegestaan tot een maximale hoogte van 3 meter; 2. tuinmuren niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gerealiseerd; 3. de tuinmuur passend is in het straatbeeld en integraal onderdeel uitmaakt van het stedenbouwkundigplan; 4. belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad; 5. een positief advies is afgegeven door het kwaliteitsteam;
67
27.4 Voorwaardelijke verplichting verkeersmaatregelen a.
b.
De bouw van nieuwe woningen en het afgeven van de hiervoor benodigde omgevingsvergunningen overeenkomstig de bestemmingen Woongebied - Centrale Kamer - Oost, Woongebied - Centrale Kamer - West, Woongebied - Oost kamer , Woongebied - West kamer en Woongebied - Zuid kamer is niet eerder toegestaan dan dat de benodigde verkeersbesluiten en verkeersmaatregelen overeenkomst de rapportage 'Verkeersrapportage Zandzoom' d.d. november 2023 en deze ook onderdeel uitmaakt van de bijlage bij de plantoelichting zijn genomen dan wel uitgevoerd; Burgemeester en wethouders kunnen met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a indien: 1. voorzien wordt in een nieuwe aansluiting op het rijkswegennet en de hiervoor noodzakelijke verkeerskundige maatregelen en verkeersbesluiten genomen zijn, of; 2. met alternatieve verkeerskundige maatregelen optredende negatieve verkeerseffecten op eenzelfde wijze kunnen worden weggenomen en hierover een verkeerskundig advies is uitgebracht.
Artikel 28 Algemene gebruiksregels 28.1 Algemeen Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval gerekend: a. b. c.
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen; het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen.
28.2 Aan-huis-verbonden beroep Onder het wonen is het aan-huis-verbonden beroep uitsluitend begrepen voor zover: a. b. c. d.
de uitoefening plaatsvindt in het hoofdgebouw of aan- en uitbouwen; de vloeroppervlakte ten hoogste 20% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en aan- en uitbouwen betreft met een maximum van 50 m²; detailhandel kan uitsluitend deel uitmaken van een aan-huis-verbonden beroep voor zover dit een geïntegreerd en ondergeschikt deel is van de beroepsuitoefening. dit niet leidt tot een verhoging van de parkeerdruk of tot extra autoverkeer in een mate waarin het woonklimaat onevenredig wordt aangetast.
28.2.1 Kelders a.
b.
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen: 1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan direct onder het oorspronkelijke hoofdgebouw; Burgemeester en wethouders kunnen, voor ondergrondse bouwwerken die buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen hoofdgebouw worden gerealiseerd, een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1. de kelder volledig is gelegen beneden peil; 2. kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel; 3. een advies is afgegeven door het kwaliteitsteam.
68
28.3 Voldoende parkeergelegenheid a.
b.
c.
Voor het parkeren van motorvoertuigen en/of fietsen, alsmede voor het laden of lossen van goederen dienen voldoende voorzieningen te worden getroffen op het betreffende bouwperceel, of in de omgeving daarvan. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op eigen terrein niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt bepaald aan de hand van de onderstaande tabel; Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien op eigen terrein of in de omgeving daarvan in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt bepaald aan de hand van de onderstaande tabel.
type woning
norm
bezoekersaandeel
woning (duur)
2,1 parkeerplaats per woning
0,3
woning (middelduur)
1,85 parkeerplaats per woning
0,3
woning (goedkoop)
1,55 parkeerplaats per woning
0,3
28.3.1 Afwijken van de parkeernorm a.
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 28 lid 3 en toestaan dat minder parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd dan de parkeernorm voorschrijft onder voorwaarden dat:
b. 1.
c.
het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien en dit ook blijkt uit een verkeerskundig onderzoek; 3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd; onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.
69
Artikel 29 Algemene aanduidingsregels 29.1 veiligheidszone 29.1.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone' geldt dat die gronden - naast de andere aangewezen bestemming(en) - tevens bestemd zijn voor de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in verband met een (nabij) aanwezige lpg-installatie. 29.1.2 Bouwregels Er mag geen toename plaatsvinden van kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, tenzij ze behoren tot de lpg-inrichting waaraan de veiligheidszone is gerelateerd. Tevens mag de functie van de kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten niet worden gewijzigd naar een functie voor beduidend grotere aantallen personen en/of kwetsbare groepen. 29.1.3 Specifieke gebruiksregels Het gebruik van de gronden t.b.v. de bedrijfsvoering mag niet in die zin worden gewijzigd, dat de aangegeven veiligheidszone wordt vergroot. 29.1.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de aanduiding wijzigen in die zin dat de zone wordt aangepast indien daartoe als gevolg van wijziging in gebruik, bedrijfsvoering, regelgeving of vergunningverlening aanleiding bestaat. 29.2 Karakteristieke bebouwing en beeldbepalende bomen 29.2.1 Bouwregels a. b.
c.
In afwijking van de regels bij de ter plaatse geldende bestemmingen geldt dat: ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' een gebouw slechts gedeeltelijk mag worden vernieuwd en/of veranderd dan wel worden uitgebreid, mits de gedeeltelijke vernieuwing en/of verandering dan wel uitbreiding: 1. er mede toe strekt de beeldbepalende hoofdvorm van het gebouw voor wat betreft de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, de dakvorm, de nokrichting en de dakhelling alsmede de gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers in bestaande toestand te behouden dan wel te versterken; 2. overigens voldoet aan de regels van de ter plaatse geldende bestemming. ter plaatse van de aanduiding 'waardevolle boom' binnen een straal van 10 m vanaf de stam van een boom, niet bovengronds en ondergronds mag worden gebouwd.
29.2.2 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken binnen een straal van 10 m rondom een boom, ter plaats van de aanduiding 'beeldbepalende boom', indien en voor zover dat noodzakelijk is om de beeldbepalende waarden van die boom te behouden.
70
29.2.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 29 lid 2.1 , indien en voor zover: a.
b.
het in dat lid bepaalde leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de rechthebbende in verhouding tot het met de bescherming van dat gebouw te dienen doel ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'; dit niet leidt tot een aantasting van een waardevolle boom ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalende boom' of strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredig grote beperking bij het op de bestemming gerichte gebruik.
29.2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden 1.
2.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalende boom', een boom te vellen of te rooien dan wel zodanige handelingen te verrichten die de dood van of ernstige schade aan de boom veroorzaken. Een vergunning als bedoeld in artikel 29 lid 2.4 sub 1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door: 1. het vellen of rooien; 2. andere handelingen; 3. de te verwachten gevolgen van de handelingen onder 1 en 2;
blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende waarden van de bomen ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalende boom' en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 3.
Een vergunning als bedoeld in artikel 29 lid 2.4 sub 1 is niet vereist voor: 1. andere-werken, die behoren tot het normale onderhoud en beheer van bomen ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalende boom'; 2. andere-werken welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
29.3 veiligheidszone - bevi 29.3.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bevi" is het vestigen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet toegestaan, tenzij de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten onderdeel uitmaken van de betreffende risicivolle inrichting. 29.3.2 Bouwregels Op de gronden binnen de aanduiding "veiligheidszone - bevi" is het bouwen van bouwwerken overeenkomstig de geldende enkel bestemming niet toegestaan. 29.3.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 29 lid 3.2 ten einde bebouwing overeenkomstig de geldende enkelbestemming toe te staan onder voorwaarden dat: a. b.
voorzien wordt in een beperkte verantwoording van het groepsrisico; in het bouwplan met de ligging binnen de risicocontour wordt rekening gehouden.
71
Artikel 30 Algemene afwijkingsregels 30.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
• • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld;
• • • •
de beleving van groen en water; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid;
de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling van karakteristieke panden;
parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
bij omgevingsvergunning afwijken van: a. b. c.
d.
de in het plan gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen, inhoudsmaten en percentages dit met uitzondering van de maximale bouwhoogte (nok); het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; het bepaalde in het plan en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits de inhoud per gebouwtje ten hoogste 75 m³ bedraagt; het bepaalde in het plan en toestaan dat antennemasten voor telecommunicatie mogen worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 40 meter bedraagt.
30.2 Aan-huis-verbonden bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
• • •
de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
• • • •
de beleving van groen en water;
het straat- en bebouwingsbeeld; de bouwvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, kapvorm en gevelindeling van karakteristieke panden; de verkeersveiligheid en toegankelijkheid; parkeerruimte op eigen erf; de sociale veiligheid;
bij omgevingsvergunning afwijken van: a.
b. c.
het bepaalde in artikel 28 lid 2 en toestaan dat in combinatie met de woonfunctie de gronden worden gebruikt ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen en bedrijven die zijn genoemd onder milieucategorie 1 in de bij deze regels horende bijlage 1 Staat van Bedrijven, tot een oppervlakte van ten hoogste 50% van de gezamenlijke oppervlakte van hoofdgebouw en aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 100 m²; het bepaalde in artikel 28 lid 2 en toestaan dat gronden en gebouwen worden gebruikt ten behoeve van detailhandel; het bepaalde in artikel 28 lid 2 ten behoeve van een verruiming van de maximale oppervlakte die mag worden benut voor een aan-huis-verbonden beroep, tot ten hoogste 100 m², uitsluitend voor bouwpercelen die door hun aard (hoekkavel of kavel met vrijstaande woning) meer ruimte geven voor bebouwing.
72
Artikel 31 Algemene wijzigingsregels 31.1 Algemeen Burgemeester en Wethouders kunnen, mits een zorgvuldige inpassing in de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de directe omgeving daarvan gewaarborgd wordt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro, het plan wijzigen ten behoeve van: a.
b.
het oprichten van een transformatorstation, gasdrukmeet- en regelstation, rioolgemaal en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwen en andere bouwwerken van openbaar nut tot een inhoud van ten hoogste 100 m³ en een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter; een enigszins andere situering en/of begrenzing van bouwpercelen, dan wel bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en bouwvlakken en/of aanduidingen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen nodig zijn ter uitvoering van een bouwplan, op voorwaarde, dat de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, bestemmingsvlak dan wel bouwvlak met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd.
73
4 Overgangs- en slotregels Artikel 32 Overgangsrecht 32.1 Bouwwerken a.
b. c.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bestemmingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
32.2 Gebruik a. b.
c.
d.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 33 Slotregel Deze regels kunnen worden aangehaald als "Regels van het bestemmingsplan Zandzoom 2023".
74