CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.0917.BP030300W000010-0401.pdf

Raadsvergadering . (video) 19 oktober 2022, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Woningbouw Dr. Jaegersstraat'30.315 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

26

Uitsnede Omgevingsverordening Limburg, kaart 2 (Duurzame verstedelijking)

Conclusie plangebied Het project is gelegen binnen ‘Bebouwd gebied’ in de regio Zuid-Limburg. Hiervoor gelden de volgende provinciale regels: Ad.1: Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. In dit geval is sprake van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, zoals reeds is toegelicht in paragraaf 2.2.3 van deze toelichting. Het planvoornemen betreft de bouw van 13 huurwoningen. De huurwoningen zijn voorzien in de sociale huursector. In de Regionale Woonvisie Parkstad Limburg is geformuleerd dat met de woningcorporaties wordt gewerkt aan het verruimen van het aanbod aan betaalbare sociale huurwoningen. Hiermee wil gemeente Heerlen werken aan huurwoningaanbod dat aansluit bij de veranderende vraag.

Hierbij is het belangrijk dat de sociale huisvestingsopgave verdeeld over de stad wordt opgepakt en bij voorkeur te realiseren in de bestaande voorraad en leegstaand vastgoed. Voor de herontwikkeling van de voormalige HTS zijn maximaal 14 huurwoningen gereserveerd in de woningmarktprogrammering Parkstad. Van deze 14 wooneenheden worden met dit bestemmingsplan nu 13 eenheden gerealiseerd. De conclusie is dan ook dat het planvoornemen voornamelijk kwalitatief past binnen de lokaal uitgewerkte Regionale Woonvisie Zuid-Limburg, onderdeel Heerlen. Het ontbreken van een

27

kwantitatieve woningbehoefte heeft tot gevolg dat nieuwe ontwikkelingen onaanvaardbare effecten kunnen hebben op de bestaande voorraad. Daarom zijn in regionaal verband afspraken gemaakt rondom compensatie. Uitgangspunt is dat toevoeging van woningen moet leiden tot vernieuwing en een kwalitatieve aanvulling op de bestaande woningvoorraad. Ad. 2: Artikel 2.4.2 Wonen Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Naar aanleiding van gewijzigde omstandigheden op de woningmarkt is de ‘Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’ medio 2020 geëvalueerd. Vanuit diverse stakeholders is verzocht om coulanter om te gaan met de compensatieplicht omdat in sommige marktsegmenten tekorten zijn ontstaan. Om aan deze vraag vanuit de samenleving tegemoet te komen, is het structuurvisiebesluit "Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen" ontwikkeld. Dit besluit bepaalt dat goede woningbouwplannen: waaraan aantoonbaar behoefte is, die leiden tot een maatschappelijke meerwaarde, die planologisch 'aanvaardbaar' zijn en die regionaal zijn afgestemd, niet meer hoeven te worden gecompenseerd.

De raad heeft dit structuurvisiebesluit op 27 januari 2021 vastgesteld. De voorliggende ontwikkeling leidt tot een toename van de bestaande woningvoorraad, aangezien er 13 woningen worden gebouwd ten kosten van een voormalig schoolgebouw. In de regionale woningmarktprogrammering is een plan voor deze locatie opgenomen. Dit betekent dat het plan reeds is opgenomen in het regionaal woonprogramma. De maatschappelijke meerwaarde zit onder andere in het realiseren van woningen in de sociale huur, bedoeld voor kansrijke doelgroepen. Maar ook omdat een leegstaand gedeelte van een school is gesloopt om plaats te maken voor woningen. Hiermee is verloedering en ook waardedaling van deze locatie voorkomen. Het plan is ten slotte planologisch aanvaardbaar omdat - met inachtneming van maatregelen - omliggende niet-woonfuncties niet geschaad worden in de bedrijfsvoering. Conclusie is dat het planvoornemen past binnen de beleidsregels van de Omgevingsverordening Limburg.

2.4.

Regionaal beleid

2.4.1. Structuurvisie Parkstad Limburg 2.4.1.1. Algemeen De regio Parkstad Limburg heeft in 2009 een intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad'. De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren:

28

• •

•

•

Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfsrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft.

De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: 1. Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur: natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. 2. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht: hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. 3. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking: herstructurering gaat voor uitbreiding. Het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. 4. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid: de ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal.

De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding. De Bestuurscommissie Ruimte van de regio Parkstad Limburg heeft de Structuurvisie in 2015 kritisch tegen het licht gehouden en onderzoekt de mogelijkheden voor een aanscherping of actualisatie van dit beleid. Belangrijkste opgave hierbij is dat de samenwerkende gemeenten in de toekomst dienen te beschikken over een instrument dat hen in staat moet stellen om integraal in plaats van sectoraal, proactief in plaats van reactief en op het regionale schaalniveau te kunnen sturen op ruimtelijke ontwikkelingen en programma's. Daarbij zal ook expliciet aandacht zijn voor urgente, nieuwe ruimtelijke thema's zoals klimaat, milieu, water, grondstoffen en voedsel. De vier hoofdthema's uit de structuurvisie zijn concreet uitgewerkt in diverse beleidsnota's, op zowel regionaal als gemeentelijk niveau. Deze komen in de volgende paragrafen aan bod, waarbij tevens wordt aangegeven hoe deze hun uitwerking hebben op dit bestemmingsplan.

29

Uitsnede ontwikkelkaart Structuurvisie Parkstad Limburg (plangebied blauw omcirkeld)

Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangeduid als ‘Bestaand woongebied / herstructureringsgebied’. Het realiseren van 13 woningen op een locatie van een voormalige leegstaand schoolpand past binnen een dergelijk gebied, omdat de functie wonen wenselijk is in een woongebied / herstructureringsgebied.

2.5.

Gemeentelijk beleid

2.5.1. Structuurvisie Heerlen 2035 Op 7 juli 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de ruimtelijke opgaven van de toekomst. De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed. Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt. Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan inhoudelijk vier thema's centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad.

30

2.5.1.1. Vitale stad In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt. In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen. 2.5.1.2. Centrale stad In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor. 2.5.1.3. Innovatieve stad In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol.

Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een klimaat-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven, niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering. 2.5.1.4. Verrassende stad In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis. Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het “Verhaal van Heerlen” tot uitdrukking komt.

Uitsnede kaart ‘Visie: bouwen aan een compactere stad’ (plangebied rood omlijnd)

31

2.5.1.5. Conclusie plangebied Met dit bestemmingsplan wordt een ontwikkeling in bestaand stedelijk woonmilieu tot stand gebracht waarin wordt gestreefd naar een kwalitatief goede en duurzame woonkwaliteit. Door de realisatie van dit project worden 13 woningen gerealiseerd voor de sociale huursector. Dit draagt bij aan een Vitale Stad (meer woningen met kwaliteit en variatie). Door de herontwikkeling van de locatie krijgt de locatie van het inmiddels gesloopte schoolgebouw een nieuwe invulling. De locatie is gelegen nabij het centrum van de stad, in de aanduiding ‘Stedelijk woonmilieu’. Hierdoor draagt deze ontwikkeling ook bij aan de Centrale Stad en de visie om in het stedelijk woonmilieu te verdichten, zoals beschreven in de Structuurvisie Heerlen 2035. 2.5.2. Groenbeleidsplan Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd. Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een uitvoeringsprogramma aan gekoppeld.

Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit. In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten: • Het landschappelijke kader van Heerlen; • De hoofdgroenstructuur van Heerlen; • Steenbergen als symbool voor een grenzeloze regio; • Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap; • De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad'; • De historische structuur als (groene) parels in het stedelijke weefsel; • Stadsombouw Heerlen: robuust groen met nieuwe functies. De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Om een goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt. Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen.

De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte.

32

Conclusie plangebied De planlocatie ligt in stadsdeel Heerlen-centrum. Het stadsdeel centrum heeft een zeer divers karakter met enerzijds het centrum en de uitwaaierende lintbebouwing en anderzijds de verspreid gelegen mijnkoloniën en grootschalige woonbuurten die naadloos in elkaar overgaan. Het stadsdeel heeft een duidelijke relatie met zowel het Caumerbeekdal als het Geleenbeekdal. Ondanks dat heeft het centrum zelf een vrij stenig karakter. Verspreid over het stadsdeel liggen verschillende groengebieden die dienst doen als verblijfsgroen zoals het nabijgelegen Bekkerveld en historische bebouwing met bijbehorende groenstructuren die bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van het stadsdeel. Het plangebied maakt deel uit van de vooroorlogse buurten. De vooroorlogse woonbuurten vormen een belangrijk onderdeel van historie van Heerlen en liggen aan de basis van de verstedelijking van de Parkstad. Deze voor Nederland veelal unieke woonbuurten vormen het grootste deel van de nalatenschap van de steenkolenmijnbouw en nemen in dat opzicht een bijzonder plaats in, in de identiteit van Heerlen. Doelstelling is om deze parels van Heerlen duurzaam voor de toekomst in stand te houden, waarbij de stedenbouwkundige opzet zoveel mogelijk in stand wordt gehouden in combinatie met de bijbehorende groenstructuur. De Dr.

Jaegersstraat is aangewezen als een subgroenstructuur waar een passende boom- en groenstructuur gewenst is als onderdeel van het monumentale karakter van de vooroorlogse bebouwing.

Groenelementen planvoornemen

Er is een ligusterhaag voorzien langs het parallel trottoir voor de voorgevel van de woningen. Hiermee wordt er een bijdrage geleverd aan het vergroenen van het straatbeeld. De inritten worden voorzien van grasstenen. Onder de parkeerplaatsen zijn bergingsvoorzieningen beoogd voor de infiltratie van hemelwater. Het geluidscherm op de erfgrens tussen de school en de woningen wordt voorzien van begroeiing. Verder worden de hekwerken op de erfgrenzen tussen de woningen voorzien van hedera (klimplant). Voor het overige is de ruimte te beperkt voor de realisatie van nieuwe groenstructuren. Het in de nabijheid gelegen Bekkerveld heeft in de buurt de functie als openbaar groen in de vorm van een park.

33

2.5.3. Parkeernota Heerlen - Deel 1 Visie- en Ambitiedocument Op 20 april 2016 heeft de gemeenteraad van Heerlen de 'Parkeernota Heerlen - Visie en Ambitiedocument' vastgesteld. Het College van Burgemeester en Wethouders en de gemeenteraad hadden de wens uitgesproken om het bestaande parkeerbeleid te herijken. Zowel in het coalitieakkoord 2014-2018 als in het addendum Parkeernota 2010 is aangegeven dat er behoefte is aan een nieuwe parkeernota waarin de diverse parkeersystemen integraal meegenomen worden. Daarnaast is de positie van de gemeente op de parkeermarkt veranderd na de verkoop van haar parkeervastgoed. De gemeente is nu slechts een speler op de markt van straatparkeren. Ook is haar rol op publiekrechtelijk gebied constant in ontwikkeling. Op hoofdlijnen dient het nieuwe parkeerbeleid te zorgen voor een betere afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van parkeren, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Het anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en het bieden van een gastvrij en klantvriendelijk parkeersysteem maken hier onderdeel van uit. Aan de hand van de huidige situatie en een aantal toekomstige ontwikkelingen is een beeld geschetst van de verwachtingen ten aanzien van het parkeren in Heerlen de komend jaren.

Hierbij is onder andere aandacht besteed aan ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit, technologie en maatschappij. In tegenstelling tot de eerdere 'Parkeernota Heerlen 2010' is ervoor gekozen om deze nieuwe beleidsnota in twee delen op te knippen en wel: de 'Parkeervisie & Ambitie' en de 'Parkeermaatregelen'. In het eerste deel 'Parkeervisie & Ambitie' wordt de parkeervisie van de gemeente Heerlen uiteengezet op basis van haar ambitie in de stad, de relaties naar de ruimtelijke en economische ontwikkeling in de stad en de beleidskaders die hierbij passend zijn. In het tweede deel 'Parkeermaatregelen' worden de verschillende beleidsinstrumenten (maatregelen) uitgewerkt. De Parkeernota geldt als “rode draad” voor het totale parkeerbeleid en geeft richtlijnen voor de verder uit te werken maatregelen en deelnota's. De juridische en beleidsmatige verankering is vastgelegd in het visiedocument, de uitwerking van deze visie in de praktijk vindt in diverse deelnota's, die de maatregelen bevatten, plaats. De status van deze nota is derhalve richtinggevend voor de deelnota's. Een en ander is in het onderstaande schema weergegeven. De onderhavige Parkeernota zal ondergeschikt zijn aan de nog op te stellen Verkeersvisie Heerlen. Uiteindelijk zal de Verkeersvisie Heerlen als kapstok dienen voor de diverse thematische nota's, zoals de Parkeernota.

Onder de Parkeernota hangen vervolgens de verschillende uitvoeringsnota's, zoals de 'Nota Parkeernormen' en de 'Nota Digitalisering'.

34

Ten behoeve van het economisch goed functioneren van een winkelgebied dan wel binnenstad alsook het faciliteren van verschillende doelgroepen, zowel in garages als op straat, wordt het parkeren in Heerlen gereguleerd. In Heerlen kunnen verschillende parkeerreguleringsgebieden teruggevonden worden: 1. betaald parkeergebieden; 2. vergunninggebieden; 3. parkeerschijfzones; 4. vrije parkeergebieden. Totdat deel 2 van de Parkeernota - met name “Parkeernormen” - door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld, gelden de parkeernormen uit de Parkeernota Heerlen 2010.

Stedenbouwkundige opzet

Conclusie plangebied Het plangebied is gelegen in het gebied ‘schil’. Bij elke woning in het plangebied moeten minimaal 1,8 parkeerplaatsen op eigen terrein, binnen de bestemming 'Wonen' worden gerealiseerd. Conform de parkeernorm betekent dit dat er minimaal 23 (23,4) parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. In dit concrete geval worden 26 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de achterzijde van de woningen. Deze parkeerplaatsen zijn uitsluitend bereikbaar voor toekomstige bewoners van dit plan via een eigen erftoegangsweg (eenrichtingsverkeer). Deze erftoegangsweg wordt

35

gerealiseerd tussen de nieuwe huurwoningen en de huidige woningen, met 2 inritten aan de Dr. Jaegersstraat. Met de realisatie van 26 parkeerplaatsen wordt voorzien in parkeernorm conform de ‘Parkeernota Heerlen 2010’. 2.5.4. Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017 In de duurzaamheidsvisie van Heerlen 2017 kiest de gemeente voor drie pijlers binnen duurzaamheid: Energietransitie, Gezonde Stad (leefomgeving) en Circulaire Economie. Deze pijlers bevatten de belangrijkste gemeenschappelijke doelstellingen van zowel de gemeente als de bedrijven en instellingen in de stad: 1. We werken aan beperking van klimaatverandering d.m.v. energiebesparing en inzet hernieuwbare energie. 2. We bewaken en verbeteren de kwaliteit van leefomgeving t.b.v. een gezonde en aantrekkelijke stad om in te wonen, werken en leven. 3. We stimuleren de ontwikkeling van duurzame producten en processen waar dit een bijdrage levert aan een betere leefomgeving of aan energietransitie. Er zijn geen normen vastgelegd voor het begrip duurzaamheid. Op enkele thema’s binnen duurzaamheid, zoals leefomgeving, water en groen, is sectorale wet- en regelgeving van toepassing. De toetsing aan deze kaders komt elders in de onderbouwing aan de orde. Voor energietransitie is een regionaal beleidskader geformuleerd (zie hieronder), voor klimaatadaptatie en circulaire economie is het in ontwikkeling.

Waar mogelijk en nodig sluiten we aan bij de landelijke akkoorden klimaatakkoord, deltaplan ruimtelijke adaptatie en grondstoffenakkoord. Op termijn zullen hieruit beleidsregels volgen die zullen landen in het omgevingsplan. 2.5.4.1. Energietransitie Het Parkstad Limburg Energietransitie ambitiedocument (PALET) geeft een vooruitblik op de kansen en mogelijkheden voor een energieneutrale regio in 2040. Vanuit ruimtelijk oogpunt worden er gebieden benoemd die potentieel geschikt zouden kunnen zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie en gebruik van bodemenergie. In 2015-2016 is de lange termijn doelstelling om in 2040 als regio energieneutraal te zijn, vertaald in een uitvoeringsprogramma voor de korte termijn (2016 - 2020). In dit programma zijn concrete acties, maatregelen en projecten benoemd die er toe moeten leiden dat in 2020 ten minste 8% van de totaalopgave tot 2020 wat betreft energiebesparing en duurzame energieopwekking is gerealiseerd. 2.5.4.1.1. Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 13 rijwoningen mogelijk. De gemeente wil bij de verlening van omgevingsvergunningen voor deze woningen zo veel mogelijk anticiperen op de toekomstige eisen aan energieneutraliteit. De nieuwbouw wordt aardgasvrij uitgevoerd. De initiatiefnemer is voornemens zonnepanelen op het dak te plaatsen. De woningen worden niet op het mijnwaterproject aangesloten.

36

2.5.5. Beleidsregel beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving 2014 De beleidsregel 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving 2014' is op 25 februari 2014 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen. Regelmatig ontplooien mensen initiatieven om in hun woning een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit te ontplooien. Die initiatieven worden door de gemeente beoordeeld aan de hand van het geldende bestemmingsplan. Als een initiatief niet binnen het bestemmingsplan past, dan kan er een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden verleend. Met deze beleidsregels worden de uitgangspunten voor het al dan niet toestaan van beroepsof bedrijfsmatige activiteiten vastgelegd. In de beleidsregel wordt bedrijvigheid in de woonomgeving in een tweetal subcategorieën onderverdeeld: a. de vrije beroepen, beroepen aan huis, ofwel aan huis gebonden beroepen (deze begrippen worden synoniem gebruikt); b. de consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten. Voor nadere uitleg, zie paragraaf Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving (paragraaf 6.3.1). Dit beleid is geïntegreerd in de regels van dit bestemmingsplan. 2.5.6.

Archeologiebeleid gemeente Heerlen Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta'. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden.

De Erfgoedwet juncto Monumentenwet 1988 geeft een vrijstelling van de onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze vrijstelling aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar beneden plaatsvinden. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens. 2.5.6.1. Beleidsnota archeologie Op 31 oktober 2018 is de beleidsnota archeologie 'Erfgoed is identiteit, beleidsnota archeologie gemeente Heerlen ' vastgesteld. In deze beleidsnota wordt het beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vastgelegd.

37

Het archeologisch beleid van de gemeente Heerlen heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen' en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ruimtelijke ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Heerlen ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde. 2.5.6.2.

Archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaarten en archeologiebeleid/ondergrenzen Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische verwachtings-en beleidskaart opgesteld. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat is vertaald in een geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart. Deze kaart is door de gemeenteraad van Heerlen vastgesteld op 1 oktober 2013.

Het doel van de archeologische verwachtings- en beleidskaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden. • Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet juncto de Monumentenwet 1988 vereist. • Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De verstoring van de bodem dient dieper dan 40 cm onder de oppervlakte plaats te vinden voordat de onderzoekplicht geldt. • Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten

38

•

•

onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde In gebieden met een lage verwachtingswaarde, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht. Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.

In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief". De toetsing van dit planvoornemen ten opzichte van voornoemd beleid is weergegeven in paragraaf 5.10. 2.5.7. Bodembeleidsplan 2016 Op 28 september 2016 heeft de gemeenteraad van Heerlen het bodembeleidsplan Heerlen 2016 vastgesteld, met daarin opgenomen de Nota bodembeheer en de bijbehorende Bodemkwaliteitskaart voor de gemeente Heerlen. Het bodembeleidsplan Heerlen 2016 geeft aan hoe de gemeente Heerlen omgaat met bodemverontreinigingen. Onderdeel van het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer met de bodemkwaliteitskaart waarin het beleid wordt beschreven voor hergebruik en toepassen van grond. De toetsing van dit planvoornemen ten opzichte van voornoemd beleid is weergegeven in paragraaf 5.5. 2.5.8. Beleidsregel voor externe veiligheid In de 'Beleidsregel voor externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is.

Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moeten worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Een aanscherping c.q. actualisatie wordt meegenomen in de nog op te stellen omgevingsvisie. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden. In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren. De invloedsgebieden van respectievelijk BEVI-inrichtingen, hogedruk aardgasleidingen en spoor-, rijks- en provinciale wegen zijn op kaarten weergegeven. De

39

invloedsgebiedenkaarten lenen zich als praktisch instrument voor een quick scan bij een ruimtelijk project om gemakkelijk vast te stellen of de externe veiligheid in beschouwing genomen moet worden en het groepsrisico verantwoord. De kaarten hebben een signaalfunctie. Ze geven ook aan waar de zoneringen voor de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico liggen die zich wettelijk verplicht dienen te vertalen in de planregels. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van voorliggende paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek. Beoordeling plaatsgebonden risico . De toetsing van dit planvoornemen ten opzichte van voornoemd beleid is weergegeven in paragraaf 5.8. 2.5.9. Watertakenplan 2020-2024 De zes gemeenten binnen de samenwerkingsregio Parkstad (Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Simpelveld, Voerendaal), het Waterschap Limburg en Waterschapsbedrijf Limburg hebben voor dit traject een gezamenlijk proces doorlopen. Dit heeft geleid tot het Integraal Waterplan en tot gezamenlijke standpunten die zijn verwerkt in de visie, ambitie en strategieën en kennisuitwisseling in dit watertakenplan.

In het proces is ruimte gelaten voor de gemeenten om op onderdelen het beleid lokaal in te kleuren. In het plan is de gemeentelijke wateropgave voor de middellange termijn omschreven. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendig Heerlen", "Anticiperen op de Omgevingswet", "Samenwerken in de waterketen", "Meten, data en rekenen", "Beheer op maat" en "Werken aan waterbewustzijn". Door het opnemen van een uitvoeringsprogramma en een kostendekkingsplan wordt de komende jaren invulling gegeven aan de speerpunten. De toetsing van dit planvoornemen ten opzichte van voornoemd beleid is weergegeven in paragraaf 5.3.

40

Hoofdstuk 3.

Gebiedsbeschrijving

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld worden gebracht. In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het plangebied en zijn directe omgeving. Zowel de historie van het plangebied als de huidige ruimtelijke en functionele structuur worden beschreven. De situering van het plangebied is in hoofdstuk 1 beschreven.

3.1.

Historie

Het plangebied was bebouwd met een gedeelte van de HTS (zie foto hieronder). Dit inmiddels gesloopte pand bestond uit drie delen en had een oppervlakte van circa 15.000 m². De drie gebouwen zijn in verschillende tijdsperioden gerealiseerd. Het oudste gedeelte aan Bekkerveld is in het begin van de 20e eeuw gebouwd. Later zijn er praktijkruimtes bijgebouwd. In de jaren ‘70 jaren is het gebouw aan de Dr. Jaegersstraat 40 gerealiseerd (het plangebied). Het gebouw aan de zijde van het Bekkerveld heeft een monumentale uitstraling en wordt als zeer waardevol gezien voor de wijk Bekkerveld.

Foto voormalig HTS-gebouw Dr. Jaegersstraat 40 (bron: Google maps, juni 2018)

41

Topografische kaart omgeving

3.2.

Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen ten zuiden van de binnenstad van Heerlen in de wijk Bekkerveld. De wijk bestaat uit twee buurten, Aarveld en Bekkerveld. Het plangebied ligt in de buurt Aarveld. In deze buurt wonen circa 2.700 bewoners. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit stadswoningen en enkele appartementen. De gebouwen zijn gesitueerd aan de weg zonder voortuinen. Hierdoor heeft de buurt een verstedelijkt uiterlijk. Aan de straat Bekkerveld is een park gelegen met daarbij de Sint-Annakerk. Dit park ligt ten zuiden van het plangebied. Aan dit park is ook het oude pand van de HTS gelegen. Ten noorden van de Dr. Jaegersstraat is de brandweer en GGD gelegen.

3.3.

Mobiliteit

De Dr. Jaegersstraat is een vrij korte straat die gelegen is tussen Bekkerweg en Benzenraderweg. Zowel de Bekkerweg als de Benzenraderweg zijn gebiedsontsluitingswegen. De Bekkerweg loopt vanuit het centrum richting het zuidoosten van de stad. Ten zuiden van het plangebied loopt in evenwijdige richting van de Dr. Jaegersstraat de straat Bekkerveld. Deze straat is rondom het park Bekkerveld en de kerk gesitueerd. In de Dr. Jaegersstraat wordt geparkeerd op de weg. De

42

woningen in de straat zijn met name stadswoningen zonder voortuin. Hierdoor heeft de straat een stedelijk uiterlijk.

3.4.

Functionele structuur

De omgeving is te karakteriseren als een buurt met zowel veel woongebieden als maatschappelijke functies en groen. Op navolgende luchtfoto is deze functionele structuur zichtbaar. Het plangebied is gelegen direct nabij de school aan Bekkerveld 30 (maatschappelijke functie). In de nabijheid bevinden zich verder ook enkele commerciële functies, zoals detailhandel en horeca. In paragraaf 5.2 is nader ingegaan op niet-woonfuncties in de directe omgeving van het plangebied.

Luchtfoto plangebied en omgeving (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

43

Hoofdstuk 4.

Planbeschrijving

Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van 13 rijwoningen. Het betreffen grondgebonden rijwoningen die worden gebouwd als één massa op de oorspronkelijke footprint van de voormalige school. Deze woningen zullen met 2 bouwlagen en kap worden uitgevoerd en qua bouwmassa aansluiten op de andere bebouwing in de straat. De woningen worden aangeboden in de sociale huursector. Er wordt uitgegaan van een beukmaat van 5,4 meter (breedte van de woning). De woningen hebben een footprint van circa 50 m², en de bruto vloeroppervlakte bedraagt circa 120 m². De woningen bevatten twee vrij ruime slaapkamers op de verdieping. De grondgebonden rijwoningen (stadswoningen) passen in het straatbeeld met hoofdzakelijk grondgebonden rijwoningen en enkele appartementen. Zo worden de woningen voorzien zonder voortuinen, zodat het aansluit op het aanwezige stadsuiterlijk. Dit geldt eveneens voor de oriëntatie, kapvorm, kaprichting, gebouwhoogte en dichtheid. Dit komt overeen met het beeld in de straat. Met het plan wordt de straatwand stedenbouwkundig afgebouwd met een schaal en maat die aansluitend is bij hetgeen in de omgeving aanwezig is. Het parkeren wordt op eigen terrein opgelost. Aan de achterzijde zijn parkeerplaatsen voorzien die bereikbaar zijn via een eigen eenrichtingsweg. Deze weg zal niet openbaar toegankelijk zijn, met uitzondering van bereikbaarheid voor calamiteiten.

Stedenbouwkundig plan

44

De woningen worden voorzien van kleine bergingen in het achtererfgebied. Rondom de tuinen komt een schutting. Om hoogteverschillen tussen straat en peil op te vangen wordt er gebruik gemaakt van een verhoogd parallel trottoir ter plaatste van de woningen. De uitwerking ervan hangt nauw samen met het totale hoogte verloop van de straat. De vergroening middels een (ligusterhaag) vormt een essentieel onderdeel van de uitwerking. Tussen de school aan de Bekkerveld 30 en het plangebied wordt een scherm gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 2,60 en over een lengte van circa 80 meter. Dit scherm wordt geplaatst in verband met de afscherming van omgevingsgeluid van toekomstig spelende kinderen op het schoolplein van de school. Daarnaast biedt het scherm ook een deugdelijke afscheiding tussen de maatschappelijke functie en de met dit bestemmingsplan beoogde woonfunctie. Het ontwerp voor de woningen is op 2 juni 2021 goedgekeurd door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Op navolgende beelden is een impressie van de woningen te zien.

Impressie vooraanzicht woningen

45

Impressie achterzijde woningen

Verkeer De verkeersstructuur rond de betreffende locatie wordt gevormd door de gebiedsontsluitingswegen Bekkerweg en Benzenraderweg die via geregelde kruispunten aansluiten op de route Welterlaan-Burgemeester Gijzelslaan. Verdere afwikkeling richting de percelen vindt plaats via de erftoegangsweg Dr. Jaegersstraat. Uitgaande van 7,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal) per woning en een huidige intensiteit op de weg < 1.000 mvt/etmaal, kan worden geconcludeerd dat de extra verkeersgeneratie als gevolg van deze ontwikkeling zonder problemen kan worden verwerkt op de bestaande infrastructuur. Een acceptabele intensiteit op erftoegangsweg is namelijk maximaal 4.000 mvt/etmaal.

46

Hoofdstuk 5. 5.1.

Omgevingsaspecten

Milieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het bestemmingsplan: - kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer(beoordelings)plichtig zijn. De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang mer- of mer-beoordelingsplichtig. Deze mer-(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. De drempelwaarden zijn opgenomen in de C- en D-lijst bij het Besluit mer; - mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op Natura2000-gebieden (in dat geval is een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk). Doel van een planmer is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van (in dit geval) een bestemmingsplan. In het planmer dient te worden beoordeeld of de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt, kan leiden tot ongewenste effecten voor het milieu.

Waar relevant beschrijft het planmer maatregelen waarmee negatieve effecten kunnen worden beperkt of voorkomen (of positieve effecten kunnen worden versterkt). Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.beoordeling. In deze m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere plannen'; dit zijn: 1. kenmerken van het plan; 2. plaats van het plan; 3. kenmerken van het potentiële effect. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt dezelfde procedure als een formele m.e.r.beoordeling: een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r beoordeling in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

47

Conclusie plangebied Het planvoornemen voorziet in de realisatie van dertien woningen ten koste van een gedeelte van een voormalig schoolgebouw. Deze activiteit is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (activiteit D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Een milieueffectrapportage is pas verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het planvoornemen valt ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en de oppervlakte van het plangebied blijft ver beneden de 100 ha. Er is een aanmeldnotitie aan het college van B&W voorgelegd, waarin de mogelijke nadelige milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling zijn beschreven. Hieruit is gebleken dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Nadere analyse in een m.e.r.-(beoordeling) is niet noodzakelijk. De aanmeldnotitie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

5.2.

Akoestiek

De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. De normen uit de Wet geluidhinder hebben tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient dan ook rekening te worden gehouden met het aspect 'geluid'. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Binnen het plangebied zijn de geluidsaspecten wegverkeerslawaai en omgevingslawaai relevant. In dit geval is geen sprake van railverkeers- en industrielawaai, omdat er geen geluidzones aanwezig zijn binnen het plangebied. 5.2.1. Wegverkeerlawaai Ingevolge het bepaalde in de Wet geluidhinder heeft in beginsel iedere weg een geluidszone. Een dergelijke zone geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangewezen gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Wel dient hier in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd te worden.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder). Het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Bekkerweg, de Benzenraderweg, de Burgemeester Gijzelslaan, de Ruys de

48

Beerenbroucklaan en de Welterlaan. Daarnaast is het plan gelegen aan de 30 km/uur weg Dr. Jaegersstraat. Deze wegen zijn op navolgende afbeelding gemarkeerd weergegeven.

Overzichtskaart rondom plangebied

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk 2001/061/CK-01). Hierna worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen. Voor de gezoneerde wegen Bekkerweg, Benzenraderweg, Burgemeester Gijzelslaan, Ruys de Beerenbroucklaan en de Welterlaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Daarom is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Voor de 30 km/uur weg Dr. Jaegersstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Aangezien in deze situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

49

5.2.2. Omgevingslawaai/bedrijfshinder De te bouwen woningen liggen in de directe nabijheid van het Kindcentrum Tarcisius. Conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 geldt een richtafstand van 30 meter voor scholen (stap 1). Deze afstand heeft betrekking op het aspect geluid en het van toepassing zijnde omgevingstype 'rustige woonwijk'. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Daarom is een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Dit onderzoek maakt inzichtelijk of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de nieuw te bouwen woningen. Voor deze afweging van een goed woon- en leefklimaat bestaat geen geluidnormering. Het is aan het bevoegd gezag (de gemeente Heerlen) om dit af te wegen. In het geluidonderzoek wordt vooral het geluid van de buitenspeelplaatsen van het Kindcentrum Tarcisius in beeld gebracht. Het kindcentrum is alleen in de dagperiode in bedrijf (tussen 7.00 uur en 19.00 uur). Andere bronnen van het kindcentrum zoals dakinstallaties, geluiduitstraling uit het gebouw zelf maar ook verkeers- en parkeerbewegingen zijn door hun grote afstand tot de beoogde woningen niet relevant en voldoen aan de wettelijke eisen zoals gesteld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en de Wet geluidhinder.

In dit onderzoek wordt het geluid als gevolg van spelende kinderen (stemgeluid) op de buitenspeelplaatsen rondom het kindcentrum in beeld gebracht. Op de grens tussen het kindcentrum en het perceel van de te bouwen woningen is een geluidscherm voorzien van 80m lang en 2.6m hoog. Uit het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Met betrekking tot de maximale geluidniveaus (piekgeluidniveaus) kan worden gesteld dat op de gevels van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geluideis van 65 dB(A) etmaalwaarde, behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” (vanaf nu de brochure genoemd). Aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt op de gevels van de nieuwe woningen niet voldaan aan de geluideis van 45 dB(A) etmaalwaarde die behoort bij stap 2. Wanneer niet voldaan kan worden aan stap 2 biedt de brochure de mogelijkheid om te voldoen aan de norm van 50 dB(A), dit is stap 3 uit de brochure van de VNG. Dit kan alleen gemotiveerd gebeuren. Hierbij moeten andere geluidbronnen zoals wegverkeer, railverkeer en geluid van andere bedrijven in het reeds aanwezige geluid worden betrokken (cumulatie van het geluid). Uiteindelijk moet bepaald worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.

In dit geval dragen de geluidbelastingen van drukke wegen zoals de N281 en de Welterlaan net als het spoor nauwelijks bij aan de geluidbelasting van de omgeving, omdat ze afgeschermd liggen door bebouwing of op ruime afstand van de nieuwe woningen zijn gelegen. Er is dus geen sprake van een cumulatief effect met betrekking tot verkeerslawaai. Een cumulatief effect vanwege lawaai van een industrieterrein, bedrijventerrein, individuele bedrijvigheid of horecalawaai is er ook niet. Is er dan sprake van een goed woon- en leefklimaat? Deze afweging maakt het bevoegd gezag en zij kan aansluiting zoeken bij geluidnormeringen uit de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Wanneer een bedrijf zich vestigt in de nabijheid van een bestaande woning moet

50

er meestal voldaan worden aan de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Volgens de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit mag de geluidbelasting op die woning maximaal 50 dB(A) in de dagperiode bedragen. De wetgever vindt dit een goed geluidniveau op de gevel van een woning. Het kindcentrum veroorzaakt op de nieuw te bouwen woningen 50 dB(A) in de dagperiode. Dit komt dus overeen met de normering van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Met een standaard geluidwering conform bouwbesluit bedraagt het binnengeluidniveau in nieuwe woningen maximaal 30 dB(A). Deze situatie acht de gemeente Heerlen acceptabel. Naast de geluidbelasting op de woningen vindt ook een afweging plaats voor de buitenruimte van de woningen (tuinen) en hierbij wordt aansluiting gezocht bij het stappenplan van de VNGbrochure en de classificering van de kwaliteit van de akoestisch omgeving volgens de “methode Miedema”. Uit het geluidrapport blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de tuin maximaal 52 dB(A) bedraagt. Volgens de classificering valt dit in de milieukwaliteit redelijk (50-55). Dit acht de gemeente Heerlen acceptabel. Daarnaast dient inzichtelijk te worden gemaakt wat de bouw van deze nieuwe woningen heeft op de bestaande woningen. De nieuwe woningen genereren verkeersbewegingen en dus geluid op de bestaande woningen.

De verkeersgeneratie van de nieuwe woningen is niet beduidend hoger dan de verkeersgeneratie van de ter plaatse aanwezige woningen (Dr. Jägerstraat). De realisatie van de nieuwe woningen leidt voor de voorgevels van de bestaande omliggende woningen niet tot een verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat. Voor de volledigheid zijn de geluidgevelbelastingen ten gevolge van de motorvoertuigbewegingen c.q. de verkeersgeneratie van de 13 nieuwe woningen op de maatgevende zijgevels van twee bestaande woningen inzichtelijk gemaakt. De woningen grenzen namelijk aan de ontsluitende in- en uitrit (éénrichtingsverkeer) van de achter de nieuwe woningen gelegen eigen parkeerplaatsen. De berekening toont aan dat ruimschoots kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde conform stap 2 van de VNGbrochure. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat ter plaatse van zowel de nieuwe woningen (inclusief tuinen) als de bestaande woningen een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. 5.2.3. Conclusie plangebied Er bestaan vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan, mits een geluidwerende voorziening wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

51

5.3.

Water

Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk kunnen verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. In het kader van deze toets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat en worden vervolgens de beleidsregels (eisen) aangehaald waarmee in de watertoets gerekend moet worden. 5.3.1. Europees en Rijksbeleid 5.3.1.1. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken.

Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. 5.3.1.2. Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden. 5.3.1.3. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van

52

verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. 5.3.1.4. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. 5.3.1.5. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.

Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: • het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; • verbetering van de waterkwaliteit. 5.3.1.6. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit is gedaan voor de periode 2022 - 2027, maar ook verder vooruit. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=9fd10580-baa2-40e2-8fdb-d4526d10a7ab