t_NL.IMRO.0917.BP030300W000010-0401.pdf
Tekst van het document
Hierbij is gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden).
53
5.3.2. Regionaal en gemeentelijk beleid 5.3.2.1. Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma dat Gedeputeerde Staten van Limburg op 30 maart 2021 in ontwerp hebben vastgesteld. Het waterprogramma gaat over de hoogwaterprojecten langs de Maas waar de provincie bij betrokken is, over droogte en wateroverlast, over voldoende water, schoon water van een goede kwaliteit, over de beken en beekdalen en over een duurzaam gebruik en bescherming van ons grondwater. Doelstelling van het waterbeleid voor de komende jaren is het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. In het waterprogramma is aangegeven hoe de provincie dit wil realiseren en welke middelen daarvoor beoogd zijn in te zetten. 5.3.2.2. Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Limburg Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027.
Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2019-2023 is uitgezet. 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur na een uitgebreid participatieproces het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. 5.3.2.3. Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden. De Keur is een document met regels die het waterschap hanteert om beken, dijken, waterwerken en grondwater in Limburg te beschermen. Het is een belangrijk document voor iedereen die bij, of met water, activiteiten onderneemt. In de keur zijn o.a. de normen opgenomen waaraan de verwerking van (hemel)water dient te voldoen. Deze normen heeft de gemeente Heerlen overgenomen en verwerkt in het Watertakenplan Heerlen 2020-2024. 5.3.2.4. Watertakenplan 2020-2024 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast en droogte in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Het Watertakenplan 2020-2024 omvat de volgende items: • evaluatie verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020; • invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater;
54
• • •
beleid, speerpunten en maatregelen; samenwerking Parkstad. personele en financiële middelen
5.3.3. Eisen aan de watertoets conform Watertakenplan Heerlen 2020-2024 Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. De resultaten hiervan worden uiteindelijk vastgesteld in deze waterparagraaf. Hemelwater: Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. De gemeente houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan: • hergebruiken; • bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken; • noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratievoorziening; • lozen naar oppervlaktewater; • geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden.
Bij de watertoets wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden. Eisen: Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen: • Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur. • Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging/infiltratie eis T=25 (35 mm in 45 minuten) en doorkijk naar T=100 (45 mm in 30 minuten). Minimale eis volgens rioolaansluitverordening gemeente Heerlen. • Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. • Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen. • Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag.
55
•
Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden. Vrijkomend vuilwater (wc’s, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente.
•
Grondwater De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwateroverlast en/of – onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn. Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwaterkwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. Voor de gewenste ontwateringsdiepten verwijzen wij naar onderstaande tabel en figuur.
Functie
Gewenste ontwateringsdiepte (m, t.o.v. gemiddeld hoogste grondwaterstand) Bestaand gebied
Nieuwbouw
Woningen met kruipruimte*
0,5
0,5
Woningen zonder kruipruimte*
0,3
0,3
Tuinen/groenvoorzieningen* Voor natuurlijke groenvoorzieningen hebben 0,5 we geen normen
0,5
Hoofdwegen **
0,7
1,0
Secundaire wegen en woonstraten **
0,7
0,7
Bedrijventerreinen**
0,7
0,7
* t.o.v. onderkant vloer; ** t.o.v. de kruin van de weg
56
5.3.4. Plangebied In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd. Beoogd wordt over te gaan tot de bouw van 13 grondgebonden rijwoningen. De rijwoningen zullen direct aan de straat worden gesitueerd (zonder voortuin) en met een achtertuin. Tevens zijn parkeerplaatsen beoogd in het achterterrein (achter de achtertuin) met toegangswegen aan weerszijden van het blok van 13 woningen. Deze toegangswegen worden bestraat met grasstenen. De eerder in deze paragraaf beschreven beleidsuitgangspunten zijn voor het plangebied van toepassing. In het voorliggende bestemmingsplan wordt een kader gecreëerd voor de toekomstige functies. Watertoets Voor dit bouwplan is een watertoetstekening en bijbehorende memo opgesteld. Ook is een infiltratieonderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat de doorlatendheid van de bodem voldoende is. Deze watertoetstekening is op een grotere schaal als bijlage bij deze toelichting gevoegd (met bijbehorende memo). Verhard oppervlak Het verhard oppervlak van het nieuwbouwplan is 1.925 m2. Hoe deze oppervlakte is bepaald staat getekend op de tekening die als bijlage 10 deel uitmaakt van deze bestemmingsplantoelichting. Als bergingseis is 80mm aangehouden. De berekening van deze berging staat ook op bijgevoegde tekening. Hieruit blijkt dat de bergingseis voldoet aan de eisen van de gemeente Heerlen.
57
Watertoetstekening (grotere versie is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd)
Infiltratieonderzoek / K-Waarde Uit het infiltratieonderzoek (bijlage 12 bij deze toelichting) blijkt dat de K-waarde ter plaatse van de infiltratievoorzieningen 0,4 en 0,6 m1/dag is. Voor deze eenvoudige berekening is een gemiddelde van 0,5 m1/dag aangehouden. Infiltratieberekening Het verhard oppervlak van dit bouwplan is 1.925 m2. De infiltratie eis is 35mm verwerken in 24 uur. Dit betekent dat 1.925 x 0,035 = 67 m3 water per 24 uur moet zijn geïnfiltreerd. De oppervlakte van de bergingsvoorziening is 156 m2 (65m x 2,40m). De oppervlakte van de wanden van de infiltratiekratten is 134,8 m². Uit de infiltratieberekening (bijlage 10) blijkt het volgende: In 24 uur is ca 24 m³ water geïnfiltreerd. Er is ca. 65,8 m³ water de voorziening ingestroomd (0.035*1925=67,4 m³ neerslag, instromingsverliezen 1,6 m³). Na een uur is 24,3 m³ geïnfiltreerd. Er zit nog 44,4 m3 in de voorziening. De eis is dat na 24 uur dezelfde bui kan worden verwerkt. De noodzakelijke berging van de voorziening bedraagt dan: 67,7 m³ (maatgevende bui)+ 44,4 m³ (hoeveelheid water in de voorziening na de eerste bui) = 111,8 m³. De beschikbare berging bedraagt 154 m³. Dit komt overeen met 80 mm berging. Dit is gebaseerd op de eis van het waterschap. Deze eis is van toepassing indien vanuit de voorziening
58
rechtstreeks wordt geloosd op het oppervlaktewater. Dat is overigens niet het geval. Hieruit blijkt dat de infiltratie eis voldoet aan de eisen van de gemeente Heerlen. Overige relevante zaken Om het hoogteverschil tussen het bouwpeil en de aflopende weg op te vangen komt voor de woningen een parallel trottoir te liggen. Dit parallel trottoir is van Wonen Limburg. In dit parallel trottoir komt dit parallelriool te liggen. Het betreft een infiltratievoorziening waarbij gerekend is met infiltratiekratten. De noodoverlaat zit hoger dan de bovenzijde van de kratten, dit betekent dat de totale bergingsvoorziening wordt gebruikt. De exacte hoogte wordt bepaald na de hoogtemeting. De voorziening loopt niet direct leeg. De gehele voorziening wordt gebruikt. Dit betekent dat de voorziening een bui van 100mm kan bergen. Deze kan daarna via de zijkanten van de voorziening infiltreren. Bij een zwaardere bui gaat de overstortmuur in put P2 werken. Rondom de kratten komt infiltratiedoek en de zijkanten van de kratten wordt aangevuld met infiltratiezand welke voldoet aan de specificaties van de bodemfilter. Boven de infiltratiekratten worden naar waarschijnlijkheid grasbetontegels aangebracht. Om invulling te geven aan de nazuivering van het hemelwater zullen er geen uitlogende materialen worden toegepast in de bouw. Voor de nazuivering van het hemelwater afkomstig van de verharding (o.a.
de parkeerplaatsen) zal er gebruik worden gemaakt van een bodemfilter rondom de infiltratievoorziening dan wel wordt er onder de doorlatende verharding een vlijlaag aangebracht met binding van zware metalen en met microben voor afbraak olie en PAK. Nadere detaillering conform brochure “Hemelwater schoon naar beek en bodem” (bodemfilter) dan wel conform opgave leverancier (vlijlaag). Voornoemde brochure is opgesteld door o.a. provincie Limburg, waterschap en Rijkswaterstaat is tevens bijgevoegd in bijlage 10. Pre-waterdvies waterschap Limburg In het kader van vroegtijdig afstemmen is de watertoets naar waterschap Limburg gestuurd voor pre-advies. Op 21 december 2020 is advies gegeven over de norm wat betreft hemelwater op nieuwe verharding. Op 22 februari 2022 is een akkoord gegeven op de watertoets, zoals deze in deze paragraaf en bijlage 10 is weergegeven en is toegelicht.
5.4.
Bodem
Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegd gezag op basis van de Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie(s). 5.4.1. Beleidskader 5.4.1.1. Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering.
59
5.4.1.2. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
Uitsnede homogene deelgebiedenkaart - Bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen (plangebied rood omlijnd)
5.4.2. Conclusie plangebied Het plangebied is gelegen in Woonwijken. Om de kwaliteit van de bodem in beeld te brengen, is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek uitgevoerd (kenmerken, respectievelijk MA160096.R01, d.d. 12-05-2016 en MA180677.R01, d.d. 23-012019). De rapportages van deze onderzoeken zijn als bijlage 3 en 4 bij de toelichting gevoegd. Deze onderzoeken hebben plaatsgevonden voordat de sloop van de bebouwing heeft plaatsgevonden. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies uit deze onderzoeken. Na de sloop van de bebouwing is nog een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit is als bijlage bij de toelichting gevoegd en de resultaten worden in paragraaf 5.4.2.3 nader beschreven.
60
Situatietekening verkennend bodemonderzoek
5.4.2.1. Verkennend bodemonderzoek Het onderzoeksgebied van het verkennend bodemonderzoek beslaat het volledige terrein van het voormalige HTS-gebouw gelegen tussen de Dr. Jaegerstraat en de Burgemeester Savelberstraat/Bekkerveld. Het onderhavige plangebied betreft een beperkt deel van dit onderzoeksgebied. Ter plaatse van het plangebied zijn alleen boringen verricht op het buitenterrein (boringen 10 t/m 14). Na uitvoering van het verkennend bodemonderzoek is het volgende geconcludeerd. Buitenterrein - de bovengrond (0-0,5 m-mv) van het buitenterrein is licht verontreinigd met lood, PAK (10 VROM) en PCB (som 7). De sporen baksteenhoudende en zwak koolhoudende leemlaag in de ondergrond (OG1 0,5-0,7/1,0 m-mv) ter plaatse van boringen 012, 013 en 017 op het buitenterrein is licht verontreinigd met lood, zink en PAK (10 VROM); - de matig baksteenhoudende en zwak koolhoudende laag (BG2 0,3-0,7 m-mv) in de bovengrond bij boring 019 is matig verontreinigd met PAK (10 VROM) en licht verontreinigd met kobalt en nikkel.
De aangetroffen verontreinigingen houden hoogstwaarschijnlijk verband met de aangetroffen bodemvreemde bijmengingen Omdat deze matige verontreiniging met PAK is aangetroffen in een separaat monster en de interventiewaarde niet wordt overschreden, achten we hier geen aanvullend of nader bodemonderzoek noodzakelijk; - de zintuiglijk schone lemige ondergrond (0,7-2,0 m-mv) is licht verontreinigd met lood. Uit de resultaten van het asbestonderzoek aan de grens met het oostelijk gelegen perceel Bekkerweg 62 blijkt dat in beide mengmonsters van de fijne fractie van proefgaten PG01 en
61
PG02 het gemeten gehalte asbest de bepalingsgrens niet overschrijdt. De asbestverontreiniging die aanwezig is op het naastgelegen perceel is derhalve niet aanwezig op onderhavige locatie. De matige bijmengingen aan baksteen(puin) die bij boring 019 in de ondergrond zijn aangetroffen geven op basis van de NEN 5707 aanleiding om de bodem hier als verdacht aan te merken. Deze laag met bodemvreemde bijmengingen, weliswaar in een mindere gradatie, is ook bij boringen 012 en 013, aangetroffen. Gelet op de doelstelling van onderhavig onderzoek (nagaan of de bodem ter plaatse verontreiniging is geraakt door de bedrijfsmatige activiteiten ter plaatse), is hier geen verkennend onderzoek asbest verricht. 5.4.2.2. Aanvullend verkennend asbestonderzoek Na uitvoering van het aanvullend verkennend asbestonderzoek blijkt het volgende. • Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat in de aangetroffen leemlagen binnen de onderzoekslocatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk; • Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat in de aanwezige fundatie (puingranulaat) geen asbest aanwezig (48,36 mg/kgds) is groter dan de helft van de interventiewaarde (50 mg/kgds). Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk. 5.4.2.3.
Verkennend bodemonderzoek (inclusief asbestonderzoek) na sloop De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: • In de zandige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond (Bbk indicatief “achtergrondwaarde”). • In de lemige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) is een licht verhoogd gehalte aan kobalt aangetoond (Bbk indicatief “achtergrondwaarde”). • In de zandige ondergrond (0,5-1,4 m-mv) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond (Bbk indicatief “achtergrondwaarde”). • In de lemige ondergrond (1,0-2,0 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten aan PAK, PCB en/of minerale olie aangetoond (bbk indicatief “industrie” tot “niet toepasbaar”). • Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “onverdacht” voor de ondergrond te worden verworpen. Dit heeft geen consequenties voor de gevolgde onderzoeksstrategie. De hypothese “verdacht” voor de bovengrond dient te worden aanvaard. • Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is in een gehalte boven de criteriumwaarde voor nader onderzoek (50 mg/kgds). Conclusie plangebied Op basis van de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken is de conclusie dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie.
5.5.
Natuurwaarden
Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In deze paragraaf is daarom een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.
62
5.5.1. Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.5.1.1. Natura 2000 De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. 5.5.1.2. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL2014 welke is vastgesteld op 12 december 2014.
De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden die het Natuurnetwerk Nederland vormen en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Daarnaast geeft de Omgevingsverordening bescherming aan natuurlijke en landschappelijke waarden in de ‘Bronsgroene landschapszone’, het ‘Beschermingsgebied Nationaal Landschap’ en de ‘Zone natuurbeek’. Op 5 januari 2018 is de wijzigingsverordening (GC03) gepubliceerd, deze verordening voorziet in de toevoeging van bescherming van de ‘Zilvergroene natuurzone’. Tevens is door middel van deze wijziging een uitgebreidere beschrijving van de kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone en Beschermingsgebied Nationaal Landschap opgenomen. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. 5.5.1.3. Soortenbescherming vanuit Wet Natuurbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3.
‘andere soorten’ (Bijlage A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’ van de Wet natuurbescherming). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art.
63
1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. 5.5.1.4. Soortenbescherming vanuit provinciale beleid Op 6 december 2017 zijn de beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg in werking getreden. Dit beleid is erop gericht om ruimte te bieden voor ontwikkeling, soorten in een gunstige staat te behouden en administratieve lasten en onderzoekslasten te minimaliseren. De voornaamste aspecten uit dit beleid zijn: - Aanpassen van de Rijkslijst jaarrond beschermde vogelsoorten tot 20 soorten met jaarrond beschermd nest en 19 soorten waarvoor een omgevingscheck volstaat (niet langer een onderscheid tussen cat. 1-4 en cat. 5). Dit houdt in dat o.a. nesten van de buizerd en sperwer niet langer volledig jaarrond beschermd zijn.
Nesten van de boerenzwaluw, bosuil, huiszwaluw, raaf, rode wouw en torenvalk zijn echter wel jaarrond beschermd; - Bij inzet van afdoende bewezen mitigerende maatregelen om een overtreding te voorkomen is geen ontheffing benodigd; - Bij behoud van functioneel leefgebied het verplaatsen van kunstmatige nestgelegenheid van jaarrond beschermde soorten zonder dat een ontheffing vereist is; - Toetsen van effecten op circa 100 soorten mag ook in regionaal verband (i.p.v. enkel lokaal). 5.5.2. Natura 2000 Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura2000-gebieden, namelijk 1,1 km van het Geleenbeekdal en 1,9 km van Kunderberg. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten. Door de afstand tot de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Kunderberg, de tussenliggende stedelijke bebouwing, het fijnmazig wegenpatroon en de N281 kan uitgesloten worden dat storingsfactoren tijdens de nieuwbouw reiken tot Geleenbeekdal of andere Natura 2000gebieden.
64
Nabijgelegen Natura 2000-gebieden (paars gearceerd)
Een (significant) negatief effect gezien in het licht van de instandhoudingsdoelen kon op voorhand echter niet uitgesloten worden. Om deze reden is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Goudgroene natuurzone en andere beschermde zones. Er vindt geen aantasting plaats van wezenlijke kenmerken en waarden of van kernkwaliteiten van deze zones. De beleidsregel Natuurcompensatie is niet van toepassing.
Nabijgelegen Natuurnetwerk/Goudgroene zone (blauw en groen gearceerd)
5.5.3. Conclusie plangebied Een quickscan flora & fauna is uitgevoerd om te onderzoeken of er overtreding van natuurweten regelgeving plaatsvindt met dit project. Het onderzoek heeft plaatsgevonden voor de sloop van de bouw. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
65
Gelet op het ontbreken van ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen.
5.6.
Luchtkwaliteit
5.6.1. Algemeen In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). Daarmee samenhangen de volgende besluiten en regelingen: • Besluit gevoelige bestemmingen • Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM) • Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. 5.6.2. Besluit gevoelige bestemmingen Conform artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend.
In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen. De planlocatie ligt niet binnen de 50 meter contour van de N281. Daarom is het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing en vormt het geen beperking voor de ontwikkeling. 5.6.3. Niet in betekenende mate (NIBM) In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing
66
aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door het bevoegd gezag (gemeente). In artikel 5.16 van de gewijzigde Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. Onderhavig project wordt mogelijk gemaakt op basis van een nieuw bestemmingsplan. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen. Als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt, is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt er onder deze 3%-grens gebleven: • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1); • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). 5.6.4. Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 13 wooneenheden. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht.
Een overschrijding van de grenswaarden door het onderhavige project is dan ook niet aan de orde en op basis van artikel 5.16 lid 1 aanhef en onder c Wm kan het bestemmingsplan zonder nader onderzoek doorgang vinden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool 2020 van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer.
67
Uit de monitoringstool (zie afbeelding hierboven) volgt dat direct ten noorden van het plangebied (ter plaatse van de Burgemeester Gijzelslaan) zowel in de huidige situatie als voor de jaren 2020 en 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met artikel 5.16 li1 aanhef en onder c Wm, zodat het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
68
5.7.
Externe veiligheid
5.7.1. Nationaal beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: - activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; - transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; - transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. 5.7.1.1.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. 5.7.1.2. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten.
Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.
69
Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per bestemmingsplan beoordeeld. 5.7.2. Gemeentelijk beleidskader In de 'Beleidsregel voor externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden.
Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moeten worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Een aanscherping c.q. actualisatie wordt meegenomen in de nog op te stellen omgevingsvisie. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden. In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren. De invloedsgebieden van respectievelijk BEVI-inrichtingen, hogedruk aardgasleidingen en spoor-, rijks- en provinciale wegen zijn op kaarten weergegeven. De invloedsgebiedenkaarten lenen zich als praktisch instrument voor een quickscan bij een ruimtelijk project om gemakkelijk vast te stellen of de externe veiligheid in beschouwing genomen moet worden en het groepsrisico verantwoord. De kaarten hebben een signaalfunctie. Ze geven ook aan waar de zoneringen voor de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico liggen die zich wettelijk verplicht dienen te vertalen in de planregels.
70
5.7.3.
Plangebied
Uitsnede risicokaart (plangebied rood omlijnd)
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen PR-contouren van gevaarlijke stoffen. In het plangebied en daarbuiten zijn risicobronnen op zodanige afstand gelegen dat in het plangebied het risico het plaatsgebonden risico onder de PR-contour 10-6.jr ligt. Daarmee is duidelijk dat aan het Bevi wordt voldaan. Het invloedsgebied van een risicobron omvat het gebied waar 1% letaliteit mogelijk is ten gevolge van een risicobron. Gelet op de ligging t.o.v. de N281 (ca 500m), is de zogenoemde lichte verantwoording van het groepsrisico aan de orde op grond van art 7a en 7b van het Besluit externe veiligheid transportroutes). Beperkte verantwoording groepsrisico Bij het scenario van een BLEVE (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) zijn personen binnen 150 meter onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Het plangebied ligt op voldoende afstand waardoor schuilen hier een beste advies is, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien dit niet mogelijk is, kan ervoor gekozen worden om te vluchten. Er zijn voldoende mogelijkheden om in tegengestelde richting van het incident te vluchten.
71
Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden, is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. De (regionale) brandweer kan in het geval van een calamiteit met toxische gassen het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem activeren (WAS: de sirenes) om de bevolking te alarmeren om te gaan schuilen. Uit een overzicht van de WAS-dekking in de gemeente Heerlen valt op te maken dat het WAS-systeem voor het plangebied dekkend is. Met betrekking tot zelfredzaamheid speelt risicocommunicatie een belangrijke rol. Risicocommunicatie is het voorlichten van mensen over de risico's die gelopen worden, en welke handelingspatronen (vluchten of schuilen) daarbij het meest gewenst zijn. Het opstellen van een risicocommunicatieplan op objectniveau is daar een goed voorbeeld van. Met dit bestemmingsplan wordt een kader geschept om reguliere woningen te realiseren ten koste van een gedeelte van een maatschappelijke bestemming. Er ontstaat hiermee geen functie voor minder zelfredzame personen. Gezien de functiewijziging neemt het aantal mogelijke minder zelfredzame personen door dit planvoornemen af.
Planologisch gezien is in de huidige situatie sprake van een maatschappelijke bestemming waarin zich functies kunnen vestigen voor o.a. minder zelfredzame personen (bijvoorbeeld zorg). Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.8.
Technische infrastructuur
Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die een planologische belemmering vormen voor de verdere planontwikkeling of waarvoor een planologische beschermingszone dient te worden opgenomen in het bestemmingsplan.
5.9.
Bedrijfshinder
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygienische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
72
5.9.1. Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. 5.9.2. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.
De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). 5.9.3. Beoordeling plangebied In dit concrete geval is het plangebied gelegen in een straat met overwegend woonbebouwing. Eromheen zijn meerdere niet-woonfuncties gelegen. Dit betreffen hoofdzakelijk maatschappelijke functies. Deze zijn zowel direct aangrenzend aan het plangebied (zoals het voormalig HTS-gebouw Bekkerveld 30 en de gebouwen aan Bekkerweg 62-64) als op enige afstand van het plangebied gesitueerd (zoals het gebouw van de brandweer Bekkerweg 44). Om deze reden kan het plangebied als gemengd gebied worden getypeerd. Hierdoor kunnen de richtafstanden met één afstandstap lager worden toegepast. Hierna volgt een korte opsomming van de niet-woonfuncties in de directe omgeving van het plangebied. Getoetst is of aan de richtafstanden (na verlaging) kan worden voldaan indien binnen het plangebied een woonbestemming wordt gerealiseerd.
73
Omliggende niet-woonfuncties
5.9.3.1. Bekkerveld 30 (HTS-gebouw) Op deze locatie is het oudste gedeelte van de voormalige HTS gelegen. In de huidige situatie heeft het de bestemming Maatschappelijk. In het oude gebouw van de voormalige HTS wordt een kindcentrum gerealiseerd. De bebouwing tussen het plangebied en het oude (monumentale) schoolgebouw is gesloopt. Voor scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs geldt de milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter voor het hinderaspect geluid. De speelplaats van deze school wordt gerealiseerd achter het achtererfgebied van de beoogde woningen. Aan de richtafstand kan derhalve niet worden voldaan. Gezien deze feiten is een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd. In paragraaf 5.2 is hier nader op ingegaan. 5.9.3.2. Bekkerweg 62 (Appartement De Oude School) Op deze locatie met de bestemming Maatschappelijk is een pension gesitueerd (met keuken). Voor dit type bedrijven geldt de milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand geldt van 0 meter. Het perceel van het pension grenst direct aan het plangebied. De woningen worden op enige afstand van de perceelsgrens gesitueerd. Op deze wijze wordt er enige afstand gecreëerd tussen beide. Aan de richtafstand kan worden voldaan. 5.9.3.3. Bekkerweg 64 (woning met atelierruimte) Op deze locatie met de bestemming Maatschappelijk is een woning met atelierruimte gesitueerd.
Voor ateliers geldt de milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand geldt van 0 meter. Het perceel is gelegen op een afstand van circa 10 meter van het plangebied. Aan de richtafstand kan worden voldaan.
74
5.9.3.4. Bekkerweg 44 (brandweer) Op deze locatie is de brandweer van Heerlen gevestigd. Voor brandweerkazernes geldt de milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter. De afstand van het perceel van de brandweer (bestemming Maatschappelijk) tot het plangebied is circa 50 meter. Aan de richtafstand kan worden voldaan. 5.9.3.5. Bekkerveld evenementenlocatie In het park vinden evenementen plaats, zoals Park City Live. Rondom het park zijn in dit geval reeds woningen aanwezig. Deze woningen zijn gelegen op een kortere afstand van het park dan dit plangebied. Deze woningen vormen reeds het toetsingskader voor de handhaving van een evenementenvergunning (APV), bijvoorbeeld in het kader van geluid. Omdat de bestaande woningen reeds op een kortere afstand tot het park zijn gelegen, en omdat de APV bepaalde regels bevat voor maximale geluidsniveaus op nabijgelegen gevels kan worden geconcludeerd dat het evenement niet wordt beperkt door dit planvoornemen. 5.9.4. Conclusie plangebied Geconcludeerd wordt dat aan alle richtafstanden van omliggende niet-woonfuncties kan worden voldaan, met uitzondering van de richtafstanden met betrekking tot de school. In paragraaf 5.2 is dit toegelicht, onder andere welke maatregelen er toegepast worden. Voor het overige kan worden geconcludeerd dat hierdoor sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
De omliggende niet-woonfuncties worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
5.10.
Archeologie
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om archeologie. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. Het overgangsrecht van de Erfgoedwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m², maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens. 5.10.1.
Beleidsnota archeologie Op 31 oktober 2018 is de beleidsnota archeologie 'Erfgoed is identiteit, beleidsnota archeologie gemeente Heerlen' vastgesteld. In deze beleidsnota is het beleid ten aanzien van de omgang
75
met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vastgelegd. Het archeologisch beleid van de gemeente Heerlen heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen' en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ruimtelijke ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Heerlen ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde. 5.10.2. Archeologische verwachtings- en beleidskaart Heerlen Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek.
Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013. Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden.
• Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Monumentenwet 1988 vereist. • Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m² genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder van 40 cm diep.
76
•
•
•
Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m² en 2500 m² oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m² en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht. Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.
In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".
Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart Heerlen-Noord (2013)
5.10.3. Conclusie plangebied Het plangebied is gelegen in waardecategorie 2 (terreinen met zeer hoge waarde). Hieruit blijkt dat binnen het plangebied sprake kan zijn van behoudenswaardige archeologische resten. Omdat het niet mogelijk is om deze resten duurzaam in de ondergrond te behouden, is het (selectie)besluit genomen om een opgraving uit te voeren, zodat de resten boven de grond (ex situ) kunnen worden veiliggesteld. Omdat het onderzoeksgebied bebouwd is geweest, is het niet mogelijk om een eventuele vindplaats voorafgaand aan de geplande ontwikkeling te onderzoeken. Het archeologisch onderzoek is daarom gecombineerd met de civieltechnische werkzaamheden en uitgevoerd als een opgraving - variant archeologische begeleiding tijdens de sloopwerkzaamheden. De rapportage hiervan is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hieruit is het volgende gebleken: Op basis van het onderzoek hoeven er binnen de gesloopte delen geen archeologische resten meer verwacht te worden. Dit geldt echter niet voor de zones direct rondom het onderzochte
77
gebied. Uit de profielopname blijkt dat er rondom de put sprake is van een dikke en goed ontwaterde (stugge) briklaag. Er zijn geen aanwijzingen dat deze serieus is getopt. Wel ontbreekt een E-horizont (uitspoelingslaag bodem: laag onder bovenste bodemlaag). Hierdoor kunnen – daar waar deze brikgrond nog aanwezig is – archeologische resten nog steeds verwacht worden. Omdat de toekomstige bebouwing niet is voorzien ter plaatse van dit intacte bodemprofiel kan worden geconcludeerd dat het bouwplan de archeologie niet zal belemmeren. Ter plaatse van de niet onderzochte delen geldt ongewijzigd de dubbelbestemming zoals deze in het bestemmingsplan “Heerlen-Zuid” opgenomen is, waardoor bij de realisatiefase (in het kader van een omgevingsvergunning) rekening gehouden wordt met de archeologie. Bijvoorbeeld bij de realisatie van de inrit, parkeerplaatsen en mogelijke infiltratievoorzieningen. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is wat betreft archeologie.
5.11.
Cultuurhistorie
Uit historische kaarten blijkt dat het plangebied lange tijd onbebouwd was. De Dr. Jaegersstraat is reeds gekarteerd op een kaart uit ca. 1925. Destijds was deze weg nog doodlopend. De straat is voor het eerst gekarteerd als aansluitende weg op Bekkerweg in ca. 1937. Op deze kaart is ook voor het eerst het oudste gedeelte van de voormalige HTS-school gekarteerd. Uit BAGgegevens blijkt dat het gebouw dateert uit 1913. Het gebouw is geen monument.
Uitsnede topografische kaart uit ca. 1937 (bron: topotijdreis.nl)
78
Er zijn geen cultuurhistorische elementen aanwezig binnen het plangebied. Gezien het voorgaande bestaan er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen.
79
Hoofdstuk 6.
Juridische planopzet
Dit hoofdstuk beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan Woningbouw Dr. Jaegersstraat.
6.1.
Inleiding
Het bestemmingsplan Woningbouw Dr. Jaegersstraat bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels en gaat vergezeld van de voorliggende toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en kadastrale begrenzingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bouwwerken (wat mag waar?) en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels kunnen niet los worden gezien van de verbeelding. De verbeelding geeft aan waar welke bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen gelden, waaraan vervolgens de regels zijn gekoppeld. De verbeelding en regels vormen daarom samen het voor eenieder bindende deel van het bestemmingsplan. Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het 'Sjabloon regels' dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen.
Het geheel voldoet aan de randvoorwaarden die voortvloeien uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2012 (RSRO2012), waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De toelichting heeft geen bindende werking; deze maakt juridisch gezien ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de (ruimtelijke) onderbouwing en motivering van het bestemmingsplan en bij uitleg van de opzet van het plan en de daarin opgenomen regels.
6.2.
Opbouw van de regels
De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder zullen de verschillende onderdelen van de regels nader worden toegelicht.
80
6.2.1. Hoofdstuk 1 Inleidende regels 6.2.1.1. Begripsbepalingen In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die worden gebruikt in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Hierna wordt ingegaan op enkele voor de dagelijkse praktijk belangrijke begrippen. Hiermee wordt beoogd, middels een toelichting, deze in de juiste context te plaatsen en het onderlinge verband weer te geven. Deze toelichting is slechts als nadere uitleg bedoeld en betreft geen aanvulling op het besproken begrip. Woning/wooneenheid en huishouden Een woning of wooneenheid wordt gedefinieerd als 'een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden'. Het begrip 'huishouden' wordt vervolgens in de regels omschreven als 'persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, studenten of alleenstaanden die bij elkaar wonen, vormen geen huishouden, ook kamerverhuur valt hier niet onder.' Hieruit volgt dat andere huisvestingsvormen dan als een huishouden zijn uitgesloten.
Huisvesting van arbeidsmigranten of kamerverhuur aan studenten of andere kamerwijze verhuurvormen zijn daarom niet toegestaan in een woning, tenzij dat expliciet is vergund c.q. als zodanig is bestemd. Kamerverhuur en woningsplitsing Zoals uit het voorgaande blijkt, zijn andere huisvestingsvormen dan in de vorm van een 'huishouden' binnen reguliere woningen uitgesloten. De begripsbepaling 'huishouden' sluit expliciet uit dat kamerverhuur daaronder kan worden begrepen. Het begrip 'kamerverhuur' wordt als volgt omschreven: 'het verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning waarbij een kamer door maximaal 1 persoon bewoond mag worden'. Een kamer wordt vervolgens omschreven als: 'een woonruimte waarbij minimaal één van de voor bewoning vereiste voorzieningen zoals keuken, wasgelegenheid (douche-bad) of toilet wordt gedeeld met medebewoners'. Wanneer er in een woning meerdere personen worden gehuisvest die geen gezamenlijke huishouding vormen en waarbij geen sprake is van het delen van voor bewoning vereiste voorzieningen, dan is sprake van het splitsen van een woning in meerdere afzonderlijke, zelfstandige woningen. Omdat de gemeente het wenselijk vindt om het splitsen van woningen te reguleren, wordt het splitsen van woningen in twee of meer woningen in beginsel verboden in de algemene regels (Hoofdstuk 3) en kan dit enkel met een omgevingsvergunning worden toegestaan.
Aan het verlenen van deze vergunning gaat een beoordeling van de aanvraag en een uitgebreide afweging, onder andere op ruimtelijke aspecten, vooraf. De vergunning wordt dus niet 'standaard' verleend. Bebouwingstypologieën Woningen kunnen verschillende verschijningsvormen hebben, ook wel aangeduid als bebouwingstypologieëen. Zo kan een woning vrijstaand worden gebouwd, maar ook met twee of meer woningen aaneen of in de vorm van een complex met appartementen. In de bouwregels