CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Spoorsingel 42-46C_Toelichting.pdf

(oud) Commissie Ruimtelijke Ontwikkeling 10 februari 2021, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C27.248 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Verontreiniging en hinder

De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Dit zal geen permanente nadelige gevolgen hebben aangezien het slechts om een tijdelijke situatie gaat. Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot onevenredige verontreiniging of hinder voor het milieu. Zie hiervoor mede paragraaf 5.2 Akoestiek tot en met 5.14 Niet gesprongen explosieven in deze toelichting.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

26

Risico van ongevallen

Het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren 10 -6 van risicobronnen. Echter is het plangebied wel gelegen binnen het invloedsgebied van de 'spoorlijn Sittard – Heerlen'. In het kader van de ligging binnen het invloedsgebied heeft een berekening van het groepsrisico plaatsgevonden. Uit deze berekening (zie Bijlage 10) is gebleken dat het gesommeerd groepsrisico veroorzaakt door het spoor hoger is dan de oriëntatiewaarde. De realisatie van de woningen heeft geen invloed op het aantal te verwachten slachtoffers. Omdat het groepsrisico hoger is dan de oriëntatiewaarde kan niet worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Derhalve zijn maatregelen aangedragen die getroffen kunnen worden om de risico's te verkleinen. Aangezien onderhavig plan niet specifiek voorziet in de bouw van appartementen voor zorg of senioren wordt verondersteld dat de aanwezigen overwegend goed zelfredzaam zijn. Het feit dat op meerdere bouwlagen appartementen worden voorzien, vermindert die zelfredzaamheid echter. De zelfredzaamheid en mobiliteit van de bewoners van de appartementen kan in beginsel als goed worden beoordeeld. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, zelfredzaamheid en maatregelen. In paragraaf 5.8.5 wordt per scenario aangegeven welke maatregelen getroffen kunnen worden.

Gelet op het feit dat ook zonder realisatie van het plan sprake is van een hoog groepsrisico, wordt gesteld dat de primaire voorzieningen (primair bluswater, opstelplaatsen voor hulpdiensten, calamiteitenplan) in de omgeving van het plangebied op orde zijn.

Het plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen waardoor er een verdere overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico ontstaat. Door het toepassen van (bouwkundige) maatregelen kan de kans op slachtoffers worden gereduceerd. Hiertoe zijn de effectbeperkende maatregelen (uit paragraaf 5.8.6) die zijn aangedragen door de Brandweer Zuid-Limburg als een voorwaardelijke verplichting opgenomen binnen de bestemmingsplanregels. Deze voorwaardelijke verplichting ziet erop toe dat bij het gebruik van de gronden binnen het plangebied voor woondoeleinden (alsmede bij de oprichting van bebouwing) voldaan dient te worden aan de effectbeperkende maatregelen, zoals aangedragen door de Brandweer Zuid-Limburg. Deze maatregelen zullen verder worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag van de Omgevingsvergunning. Met de te nemen maatregelen zullen de risico’s zoveel mogelijk worden beperkt en wordt de ontwikkeling van het plan uit oogpunt van externe veiligheid verantwoord geacht. Conclusie: Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het object

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

27

Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Gemengd - 3'. Ter plaatse van het plangebied was in het verleden reeds jarenlang sprake van leegstand en verpaupering van de daar aanwezige bebouwing. In het kader van de herontwikkeling van de percelen is deze bebouwing en de bijbehorende parkeerplaats geamoveerd. Het plangebied betreft derhalve nu een braakliggend terrein.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

n.v.t.

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: - gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 5.5. Uit de stikstofdepositie berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase van onderhavig plan blijkt dat de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat de ontwikkeling in het kader van de aanleg- en gebruiksfase aanvaardbaar wordt geacht.

- gebieden waarin bij communautaire Nee. wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

Nee

landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Archeologie In het kader van onderhavig bestemmingsplan worden de reeds aanwezige dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 5' binnen het plangebied gehandhaafd (conform het vigerend bestemmingsplan 'Heerlen-Stad Noord'). De grenswaarden ten aanzien van de archeologische dubbelbestemmingen worden binnen onderhavig plan niet overschreden. Een nader archeologisch onderzoek is derhalve niet aan de orde. Mogelijk aanwezige archeologische resten worden zodoende in voldoende mate beschermd binnen het plangebied. Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden binnen het plangebied, moet hiervan conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog. Voor een verdere uitwerking zie paragraaf 5.11. Cultuurhistorie In de directe omgeving van het plangebied zijn geen panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde. Ook binnen het plangebied zijn geen panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde. Voor een verdere uitwerking zie paragraaf 5.12.

Conclusie: Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

28

gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee

Watergebied van internationale betekenis

Nee

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De dichtstbijzijnde goudgroene natuurzone (Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk) ligt op ongeveer 680 meter ten zuidoosten van het plangebied.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied. Het gaat reeds om een bestaand bebouwd gebied.

Waterwinlocaties, waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden

Nee

Beschermd monument

Nee

Belvédère-gebied

Nee

Conclusie: Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Nee

Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake. Gezien de berekende verkeersgeneratie van de toekomstige woningen van maximaal 68 mvt/etmaal blijft de verkeersgeneratie theoretisch gezien nagenoeg gelijk ten aanzien van de voorgaande verkeersgeneratie op basis van de oorspronkelijke functies binnen het plangebied. Vanwege de status van de Spoorsingel (direct grenzend aan de zuidzijde van het plangebied) als gebiedsontsluitingsweg heeft de gemeente Heerlen in haar programma van eisen opgenomen dat uitritten hier in principe niet wenselijk zijn. Praktisch gezien wordt dit vertaald naar maximaal 1 uitrit voor de gehele ontwikkeling, mits deze aansluit op de Spoorsingel. In de oorspronkelijke situatie binnen het plangebied lag er een uitrit ter hoogte van Spoorsingel 42. In de toekomstige situatie is een nieuw uitrit voorzien aan de westzijde van het plangebied. Het aantal uitritten op de Spoorsingel zal derhalve gelijk blijven.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

29

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Er is sprake van een braakliggend terrein (sloop van de oorspronkelijk bebouwing heeft reeds plaatsgevonden). Er wordt voorzien in de realisatie van 20 woningen. Het bouwvlak binnen het plangebied mag volledig bebouwd worden, maar omvat niet het gehele plangebied. De gehele rooilijn (= perceelgrens) langs de Spoorsingel en Robroekergats mag worden bebouwd, in maximaal 4 bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 14 meter hoog. Langs de Robroekergats ter overgang naar de achterliggende bebouwing mag tot maximaal 3 bouwlagen hoog gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 10,5 meter. De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

5.1.3 Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling De beoogde ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde 'drempelwaarden' bij lange na niet worden overschreden. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in één van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, is voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1.

De kenmerken van het project;

2.

De plaats van het project; en

3.

De kenmerken van het potentiële effect;

sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. Bij m.e.r.-beoordelingsbesluit van 26 mei 2020 is uitgesproken dat de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Op 26 mei 2020 heeft het bevoegd gezag op basis van de aanmeldingsnotitie (Bijlage 15) besloten om geen milieueffectrapport op te stellen voor onderhavige ontwikkeling.

5.2

Akoestiek

De Wet geluidhinder, als ook een goede ruimtelijke ordening, bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

30

5.2.1 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Econsultancy een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai, Econsultancy, rapportnummer 9815.003, d.d. 16 april 2020). Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen. Onderstaand wordt achtereenvolgens ingegaan op de onderzoeksresultaten in relatie tot wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai.

Weg- en railverkeerslawaai Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een (spoor)weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De beoogde woningen binnen onderhavig plan worden geprojecteerd in de geluidszone van de spoorlijn Sittard-Kerkrade en de wegen Spoorsingel, en Stationstraat en segmenten van de Willemstraat. Derhalve dient voor deze (spoor)wegen een akoestisch onderzoek plaats te vinden. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing worden tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen (Kempkensweg en segmenten van de Willemstraat) in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de woningen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het onderstaande toetsingskader.

Samenvatting toetsingskader

In het akoestisch onderzoek wordt de geluidsbelasting op de toekomstige geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en getoetst. Voor onderhavig plan is vooralsnog enkel een bestemmingsplanverdeling bekend met daarin een bouwvlak en bouwhoogte. Voor elke zijde van het bouwvlak zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 4 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 5.21. Alleen als gevolg van de Spoorsingel treedt overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB voor wegen. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt met maximaal 9 dB overschreden. Hiermee wordt de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB en de plandrempel van de gemeente (eveneens 63 dB) niet overschreden. Naast de overschrijding veroorzaakt door de Spoorsingel, zorgt ook het doorgaand spoor voor een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting voor spoorwegen. De hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB wordt met maximaal 2 dB overschreden. De plandrempel van de gemeente van 63 dB wordt niet overschreden. Ook de maximaal te ontheffen waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Voor de Spoorsingel en het doorgaand spoor zijn afwegingen van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk.

Ten gevolge van de Spoorsingel wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB overschreden. Conform de Wet geluidhinder dient een maatregelenonderzoek plaats te vinden. Hierbij dienen achtereenvolgens bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen te worden overwogen. Van de maatregelen voorgesteld in het Actieplan van de gemeente Heerlen is het verlagen van de verkeersintensiteiten van de Spoorsingel onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële maatregel. Aanpassen van snelheid van de Spoorsingel van 50 naar 30 km/uur zal een reductie van circa 3 dB betekenen voor alle appartementen, maar de woningen met een overschrijding als gevolg van deze weg zullen nog steeds overschrijding kennen. Verder is een verplaatsing van de woningen gezien de beperkte ruimte op de kavels niet efficiënt. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

31

doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Hogere waarde Voor de nieuw te bouwen woningen dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Spoorsingel en doorgaand spoor een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: de geluidsbelasting op de woningen bedraagt ten hoogste 57 dB ten gevolge van de Spoorsingel; ten gevolge van doorgaand spoor hebben woningen aan de Spoorsingel een geluidsbelasting van ten hoogste 57 dB; de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB en 68 dB, respectievelijk voor de Spoorsingel en doorgaand spoor; de berekende geluidsbelastingen zijn niet hoger dan de drempelwaarden uit het Actieplan van de gemeente; op de achtergevels van de woningen is sprake van een geluidsluwe gevel; bron- en overdrachtsmaatregelen voor de Spoorsingel en doorgaand spoor niet doelmatig zijn of op overwegende bezwaren stuiten; met het plan wordt met de (vervangende) nieuwbouw een nieuwe invulling aan het terrein gegeven. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woningen (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd.

Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Middels een voorwaardelijke verplichting is binnen de bestemmingsplanregels gewaarborgd dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning (ten behoeve van bouwen) een gevelonderzoek uitgevoerd dient te worden, waaruit moet blijken dat de binnenwaarde voor de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt.

Industrielawaai Gezien de ligging van het plangebied nabij het busstation, spoorwegemplacement en een bedrijfsperceel (verpakkingswinkel) heeft Econsultancy ook een onderzoek industielawaai uitgevoerd voor onderhavige ontwikkeling (Rapportage onderzoek industielawaai, Econsultancy, rapportnummer 9815.007, d.d. 16 april 2020). Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen. Bedrijfsperceel (Spoorsingel 48) Wettelijke toetsing Wm/Wgh Het bedrijfsperceel (Spoorsingel 48) wordt met de realisatie van het plan niet belemmerd in de activiteiten (geluidsrechten). De kopgevel waar de overschrijding optreedt wordt uitgevoerd als dove gevel. Dit heeft tot gevolg dat de gevel niet aan toetsing onderhevig is en er geen overschrijding en dus geen belemmering van activiteiten optreedt. Afweging goed woon- en leefklimaat Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie van de verpakkingswinkel bedraagt ten hoogste 34 dB(A). Deze geluidsbelasting treedt op ter plaatse van de noordelijke kopgevel op begane grond. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie. Het maximale geluidniveau bedraagt ten hoogste 70 dB(A), met uitzondering van de toetspunten op de noordelijke kopgevel.

Hier treedt een maximale geluidniveau tot 73 dB(A) op en wordt de richtwaarde uit stap 2 overschreden. De overschrijding is het gevolg van sluitende autoportieren op het parkeerterrein van de verpakkingswinkel en treedt enkel in de dagperiode op. In beginsel worden hiermee de geluidsrechten van de inrichting aangetast. Bij toepassing van stap 3 uit de VNG-publicatie wordt het geluid als gevolg van aan- en afrijdend verkeer uitgezonderd van toetsing. In dat geval treedt geen overschrijding op. Toepassing van stap 3 is mogelijk omdat uit het onderzoek naar (weg- en rail)verkeerslawaai en het emplacement blijkt dat sprake is van een rumoerige omgeving.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

32

De betreffende kopgevel wordt als dove gevel uitgevoerd, dus zonder te openen delen. De gevel is derhalve niet onderhevig aan toetsing van de geluidsbelasting en er is geen sprake meer van aantasting van de geluidsrechten van de inrichting. Bovendien is de karakteristieke geluidwering van de gevel hoger dan gemiddeld, hetgeen een gunstig effect heeft op het geluidniveau in de woning. De realisatie van een dove gevel is binnen onderhavig plan gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de bestemmingsplanregels. De voorwaardelijke verplichting waarborgt dat het bouwen en het gebruik van de gronden en aanwezige bebouwing (conform de bestemming 'Wonen') alleen toegestaan indien: de noordelijke kopgevel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' als dove gevel is uitgevoerd, tenzij uit onderzoek blijkt dat geen dove gevel noodzakelijk is, omdat aangetoond is dat: 1. wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, dan wel; 2. de geluidbelasting de maximale ontheffingswaarde niet overschrijdt. bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning ten behoeve van bouwen: 1. middels een gevelonderzoek is aangetoond dat de binnenwaarde voor de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt.

Spoorwegemplacement Wettelijke toetsing Wm/Wgh Het emplacement wordt met de realisatie van het plan niet belemmerd in de activiteiten (geluidsrechten). Afweging goed woon- en leefklimaat Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de ‘voorgevel’ (zijde Spoorsingel) hoger is dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie overschreden. Ter plaatse van 5 toetspunten wordt tevens de richtwaarde uit stap 3 overschreden. Ter plaatse van de voorgevel blijkt de geluidsbelasting in de avondperiode maatgevend. In de nachtperiode is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau nergens hoger dan 45 dB(A). Ook is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode nergens hoger dan 50 dB(A). De kans op (nachtelijke) slaapverstoring is aanvaardbaar klein. Omdat uit het onderzoek naar wegverkeerslawaai is gebleken dat ter plaatse van deze toetspunten een hogere waarde moet worden vastgesteld, is een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevel vereist. Daarom wordt voorgesteld in dat onderzoek ook het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van het emplacement in de uitgangspunten mee te nemen. Uit de aangeleverde berekeningsresultaten volgt een maximaal geluidniveau van ten hoogste 52 dB(A) in elke periode. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarden.

In de bestaande situatie is ter plaatse van de toetspunten met de hoogste geluidsbelasting reeds sprake van een woonbestemming. Het emplacement wordt met de realisatie van het plan niet belemmerd in de activiteiten. Busstation Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie van het busstation bedraagt ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde. Deze geluidsbelasting treedt op aan de zijde van de Spoorsingel. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie. Maatgevende bron qua immissieniveau is het rijden van bussen via perron A. Het immissieniveau bedraagt 58 dB(A). Het maximale geluidniveau wordt daarmee geschat op 63 dB(A). Hiermee wordt de richtwaarde in de nachtperiode overschreden. Bij toepassing van stap 3 uit de VNG-publicatie wordt het geluid als gevolg van aan- en afrijdend verkeer uitgezonderd van toetsing. In dat geval treedt geen overschrijding op. Toepassing van stap 3 is mogelijk omdat uit het onderzoek naar (weg en rail)verkeerslawaai en het emplacement blijkt dat sprake is van een rumoerige omgeving. Omdat de gevel aan de zijde van de Spoorsingel aan hoge geluidsbelastingen onderhevig is (waaronder als gevolg van het emplacement), zal hier een hogere karakteristieke geluidwering moeten worden gerealiseerd dan de standaardeis van 20 dB uit het Bouwbesluit.

Dit leidt tot een aanvaardbaar inpandig woon- en leefklimaat, ook in relatie tot het maximale geluidniveau als gevolg van voorbijrijdende bussen. De geluidsbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het busstation is berekend op 45 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

33

Parkeergeluid Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van voertuigbewegingen binnen het plangebied bedraagt ten hoogste 43 dB(A) etmaalwaarde op omliggende woningen. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie. Wanneer op het terrein van het plangebied in het kader van komen en gaan van voertuigen autoportieren worden gesloten, kan dit leiden tot maximale geluidniveaus tot 86 dB(A) op woningen binnen het plangebied. Het hoogst berekende niveau op bestaande omliggende woningen bedraagt 81 dB(A). Dit is hoger dan de richtwaarde voor (bedrijfsmatige) maximale geluidniveaus, die in de nachtperiode ten hoogste 60 dB(A) bedraagt. Als gevolg van bestaande parkeerbewegingen buiten het eigen terrein (parkeervakken aan de Spoorsingel uitgezonderd), treedt op bestaande woningen een maximale geluidniveau tot 82 dB(A) op. Dit is hoger dan het maximale geluidniveau als gevolg van nieuwe parkeermogelijkheden. Het maximale geluidniveau op nieuw te realiseren woningen als gevolg van reeds bestaande parkeermogelijkheden bedraagt ten hoogste 71 dB(A). In beide gevallen is de berekende waarde hoger dan de richtwaarde.

5.2.2 Conclusie Gezien de voorgaande akoestische onderzoeken heeft Econsultancy een samenvattend document opgesteld, waarin een integrale afweging plaatsvindt ten aanzien van de uitgevoerde onderzoeken (Integrale afweging, Econsultancy, rapportnummer 9815, d.d. 24 april 2020). Onderstaand worden kort de bevindingen uit deze rapportag beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen. In de onderstaande tabel is een intergrale afweging zichtbaar ten aanzien van de uitgevoerde akoestische onderzoeken. Uit de tabel is op te maken dat op een aantal punten grens- en richtwaarden worden overschreden. In de integrale afweging is onderbouwd waarom ondanks de geconstateerde overschrijdingen sprake is van een aanvaardbare situatie in het kader van onderhavig plan.

Toetsing aan wet- en regelgeving

Stedenbouwkundige invulling Op de percelen binnen het plangebied was in het verleden sprake van detailhandel met bovenwoningen. In de onderstaande afbeelding is het bouwvlak geprojecteerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Uit deze projectie is af te leiden dat het geprojecteerd bouwvlak een afschermende werking heeft voor achterliggende woningen.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

34

Ligging bouwvlak (cyaan) ten opzichte van 'bestaande' bebouwing (grijs)

De bestaande bebouwing bestaat uit ten hoogste 3 bouwlagen. Het plan voorziet in de realisatie van 3 tot 4 bouwlagen. In de onderstaande afbeelding is het verschil in afschermende werking voor achterliggende woningen getalsmatig weergegeven. De (maatgevende) geluidsbelasting als gevolg van Spoorsingel en doorgaand spoor is weergegeven als Lden en het busstation als etmaalwaarde (langtijdgemiddeld beoorde-lingsniveau). De geluidsbelasting als gevolg van de detailhandel is zowel in de bestaande als toekomstige situatie verwaarloosbaar te noemen.

Afschermend effect plan

Het afschermend effect van het nieuw te realiseren bouwvlak ten opzichte van de bestaande afschermende bebouwing is aanzienlijk te noemen. Hoewel reeds in alle gevallen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting en grenswaarde wordt voldaan, wordt met de realisatie van het plan een nog lagere geluidsbelasting gerealiseerd. Bouwkundige oplossingen De gevels aan de zijde van de Spoorsingel ondervinden de hoogste geluidsbelasting. In het kader van de aanvraag hogere waarde is nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevel vereist. Bovendien moet hier rekening gehouden worden met calamiteitenscenario's op het doorgaand spoor. Het is niet aan te raden om aan deze zijde buitenruimten (zoals balkons) te realiseren zonder enige mate van afscherming. De kopgevel van het bouwvlak aan de zijde van de detailhandel ondervindt een hoog maximaal geluidniveau in de dagperiode als gevolg van parkerende voertuigen. De betreffende kopgevel wordt als dove gevel uitgevoerd (zonder te openen delen). Dit is binnen onderhavig plan gewaaborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Omdat via voor- en achtergevel voldoende daglicht in de woning valt en ook voldoende kan worden geventileerd, is de toepassing van een dove gevel geen ernstige beperking van de bouwkundige vrijheid.

Bovendien is het dan niet noodzakelijk om de detailhandel te beperken in de vorm van maatwerkvoorschriften.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

35

Aan de indeling van de woningen kunnen nadere eisen worden gesteld om het woon- en leefklimaat te borgen. Omdat de achtergevel geluidluw is, wordt geadviseerd ten minste 1 slaapkamer aan de geluidluwe zijde te realiseren. Negatieve gezondheidseffecten als gevolg van slaapverstoring worden daarmee zoveel mogelijk voorkomen. Cumulatie In het onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai is de gecumuleerde geluidsbelasting inzichtelijk gemaakt. De gecumuleerde geluidsbelasting is uitgevoerd in overeenstemming met bijlage 1 van het Reken- en meetvoorschrift geluid (2012), met uitzondering van het feit dat ook bronnen waarvoor de onderscheidenlijke grenswaarde niet wordt overschreden ook zijn meegenomen in de berekening. Dit leidt tot een gecumuleerde geluidsbelasting van ten hoogste 63 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting is lager dan de maximaal te ontheffen waarden voor weg- en rail-verkeer. Bovendien is de achtergevel van het bouwvlak geluidluw.

5.3

Water

In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat.

5.3.1 Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Stroomgebiedbeheersplan Maas is vervangen door het Stroomgebied-beheerplan 2016-2021 (14-12-2015). Dit plan beschrijft de doelen en maatregelen in het stroomgebied van de Maas voor schoon en ecologisch gezond water voor duurzaam gebruik. Het stroomgebiedbeheerplan 2015 is een actualisatie van het stroomgebiedbeheerplan 2009. Bepaalde niet-variabele informatie, zoals de bodemopbouw en -gebruik van het stroomgebied, wordt dan ook niet herhaald. Het stroomgebiedbeheerplan 2015 gaat uit van de vereisten van artikel 13 en bijlage VII KRW, de evaluaties van de stroomgebiedbeheerplannen 2010 - 2015 door de Europese Commissie (3e [4] en 4e [5]) en hetgeen al bekend is van de elektronische rapportage volgens artikel 15 KRW.

Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

36

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.

Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit. 5.3.2 Regionaal en gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die in de periode 2016-2021 worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water.

Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én is een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionale waterbeleid in het POL2014. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid, waarbij wordt ingezet op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid: Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei; Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem; Behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit; Duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer. Bij de verdere ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de bovengenoemde algemene uitgangspunten. Er is verder geen sprake van strijdigheid met het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Waterbeheersplan 2016-2021 Met het Waterbeheerplan 2016-2021 zet het Waterschap Limburg de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.

Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

37

van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Uitgangspunten hemelwatervoorzieningen Waterschap Limburg Ten aanzien van infiltratievoorzieningen hanteert het Waterschap Limburg als uitgangspunt dat hemelwaterbergende voorzieningen gedimensioneerd dienen te worden op een bui van T=25 (35 mm in 45 minuten). Tevens dienen de gevolgen van bui van T=100 (45 mm in 30 minuten) inzichtelijk te worden gemaakt en mogen de watereffecten van een dergelijke bui niet tot overlast leiden. In situaties waar echter geen goede noodoverloopvoorzieningen aangelegd kunnen worden pleit het waterschap voor de aanleg van een robuust systeem op basis van de extreme T=100 bui. De maximale leegloop/ herbeschikbaarheid van de bergende en infiltrerende voorziening(en) bedraagt 24 uur. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 De gemeenteraad van Heerlen heeft op 20 oktober 2015 het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vastgesteld. Hierin staan maatregelen die ervoor zorgen dat het rioolstelsel, grondwater en oppervlaktewater (vijvers) in de toekomst goed blijven functioneren. Maatregelen zoals bijvoorbeeld het herinrichten van de visvijvers, het weer herinrichten van de Caumerbeek en maatregelen die voorkomen dat tijdens regenval te veel verdund rioolwater in de beken terecht komt.

Ten aanzien van afvalwater is bepaald dat alle percelen binnen het gemeentelijke grondgebied waar afvalwater vrijkomt, moeten zijn voorzien van een aansluiting op de riolering. Binnen de bebouwde kom worden vrij vervalstelsels aangelegd, waarbij de vuiluitworp naar het oppervlaktewater (overstorten) tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Ten aanzien van hemelwater geldt als uitgangspunt dat bui 08 (20 millimeter neerslag in 60 minuten) niet tot water op straat zal leiden, tenzij hier de openbare ruimte op is ingericht. De oppervlakkige infrastructuur van de openbare ruimte is voorbereid op de afvoer van extreme neerslaggebeurtenissen door het voorkomen van “zakken” in het lengteprofiel. Op locaties waar dit niet kan wordt ernaar gestreefd bui 10 (35,7 millimeter neerslag in 60 minuten) onder de deksel te houden. Hinder (bij bui 8) wordt niet geaccepteerd. Overlast (bij bui 10) moet zo veel mogelijk worden vermeden. Op locaties waar regelmatig overlast of hinder voorkomt, zal de gemeente waar mogelijk maatregelen treffen om deze problemen tegen te gaan.

5.3.3 Plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Econsultancy een watertoets uitgevoerd (Watertoets Spoorsingel te Heerlen, Econsultancy, rapportnummer 9815.001, d.d. 29 januari 2020). Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 5 bij deze toelichting is opgenomen. Toekomstige waterbergingsopgave Op basis van het toekomstig verhard oppervlak (circa 1.100 m2) en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 39 m3 (1.100 m2 x 0,035 m). In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Potentiële voorziening berging hemelwater Binnen onderhavige ontwikkeling wordt beoogd om op de bebouwing een groen dak te realiseren. Ten aanzien van een groen dak kan een onderscheid worden gemaakt in extensieve- en intensieve groen daken.

Extensieve groene daken hebben een dunne substraatlaag en een sedumbegroeiing, eventueel aangevuld met kruiden en grassen. Extensieve groene daken, ook wel sedum- of kruidendaken genoemd, worden vanwege het lage gewicht vaak toegepast. Bij een extensief groen dak kan, afhankelijk van de begroeiing en helling van het dak circa 25 l/m2 geborgen worden. Een intensief groen dak, ook wel natuurdak genoemd, heeft een gevarieerdere beplanting en

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

38

kan daardoor in vergelijking met extensieve groene daken, relatief meer regenwater vasthouden. Natuurdaken zijn hoger in gewicht dan sedumdaken. Bij een intensief groen dak kan, afhankelijk van vegetatie, type substraat en helling van het dak gemiddeld 55 l/m2 geborgen worden. Bij intensieve groene daken zijn vaak extra constructieve maatregelen vereist. Vanwege de extra constructieve maatregelen en het onderhoud is het aannemelijk dat binnen onderhavig plan wordt gekozen voor een extensief groen dak. Uitgaande dat het gehele bouwvlak (circa 1.053 m2) bebouwd wordt kan bij een extensief groendak circa 26 m3 worden geborgen. Indien wordt gekozen voor een intensief groen dak kan circa 58 m3 hemelwater geborgen worden. Op basis hiervan is het enkel haalbaar om de gehele wateropgave middels een intensief groendak op eigen terrein te verwerken. De exacte wijze waarop met het hemelwater wordt omgegaan zal worden uitgewerkt in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen, waarbij de bovengenoemde uitgangspunten in acht genomen worden. Afvalwater Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving.

5.3.4 Conclusie Op basis van de bovenstaande randvoorwaarden en uitgangspunten is onderhavige ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van onderhavig plan.

5.4

Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.

5.4.1 Beleidskader Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

39

Homogene deelgebiedenkaart. Deelgebied

Bovengrond

Ondergrond

1 Agrarisch en natuur

<AW

<AW

2 Woonwijken

<AW

Industrie

3 Industrie

<AW

<AW

4 Mijnsteengebieden

Wonen

Wonen

AW

= Achtergrondwaarde

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

40

Wonen

= Maximale waarde klasse Wonen

Industrie

= Maximale waarde klasse Industrie

Het plangebied is gelegen in deelgebied Woonwijken, hetgeen overeenkomt met de beoogde woonfunctie binnen het plangebied.

5.4.2 Plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Geonius een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek Slooplocatie Spoorsingel 46 te Heerlen, Geonius Milieu B.V., rapportnummer MB150152.136.R01.V1.1 , d.d. 21 november 2019). Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725, de NEN 5707+C2 en de NEN 5740. Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 8 bij deze toelichting is opgenomen. Bovengrond In de zandige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan kobalt, zink, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. In de lemige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) in mengmonster BG3 zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan kobalt, nikkel, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. In de lemige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) in mengmonsters BG2 en BG4 is maximaal een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. Ondegrond In de lemige ondergrond (0,5-1,0 m-mv) in mengmonster OG1 zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel aangetoond. In de lemige ondergrond (0,5-2,0 m-mv) in mengmonster OG2 zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetoond.

PFAS Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie) uit het Tijdelijk handelingskader blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte bodem voor de stofgroep PFAS indicatief varieert van “achtergrondwaarde” tot “wonen”, hetgeen overeenkomt met het beoogde functionele gebruik van de gronden binnen het plangebied (woonfunctie). Asbest Er is zowel visueel als analytisch vastgesteld dat binnen het plangebied geen asbest in de bodem aanwezig is.

5.4.3 Conclusie Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “onverdacht” voor de ondergrond binnen het plangebied te worden verworpen. Dit heeft echter geen consequenties voor de gevolgde onderzoeksstrategie. De hypothese “verdacht” voor de bovengrond dient te worden aanvaard. Op basis van de bovenstaande resultaten van onderhavig verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het geplande gebruik van de locatie (woonfunctie). Het plangebied is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik/functie.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

41

5.5

Natuurwaarden

5.5.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en de Wet natuurbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Oorspronkelijk zijn de Natura 2000-gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen het Natuurnetwerk Nederland. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Wet natuurbescherming. De Minister van Economie, Landbouw & Innovatie (EL&I) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

5.5.2 Soortenbescherming: Wet natuurbescherming Het soortenbeleid uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming. Deze wet kent een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Dat betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn (nalaten tot) handelen nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige natuurwaarden, verplicht is dit achterwege te laten. Men dient alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden verwacht om nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Verder dient in geval van een voorgenomen ingreep tijdig vooraf te worden nagegaan of zich (mogelijk) strenger beschermde soorten in het gebied bevinden, of en welk effect de ingreep heeft op deze soorten, of mitigerende dan wel compenserende maatregelen moeten worden genomen en of bij de provincie Limburg ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd.

5.5.3 Quickscan flora en fauna In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient opgemerkt te worden dat er voor de voorheen aanwezige bebouwing een sloopmelding heeft plaatsgevonden. Bij de sloop van de bebouwing is conform de daarvoor geldende richtlijnen gehandeld. In de huidige situatie betreft het plangebied een braakliggend terrein. Binnen het plangebied zijn derhalve in de huidige situatie geen ecologisch waardevolle soorten aanwezig. De voorgenomen plannen kunnen kortom in overeenstemming met de huidige nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Wel dient ten aanzien van (incidenteel) aanwezige algemene soorten te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Vanuit de Wet natuurbescherming is het van belang dat geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die negatieve effecten op de aangewezen soorten en habitattypen kunnen veroorzaken. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Geleenbeekdal' op circa 1 kilometer afstand zijn negatieve effecten, waaronder lichthinder en geluidhinder op voorhand uitgesloten. Volgens artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) moet voor een project de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in beeld worden gebracht.

Het is verboden om zonder Wnb projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die een significant storend effect hebben. Op basis van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) met betrekking tot stikstofdepositie is geen sprake van een significant storend effect wanneer deze niet boven de 0,00 mol/ha/jaar komt. Om de effecten

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

42

omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NO x) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. Tot slot is toetsing aan het onderdeel houtopstanden (conform de Wet Natuurbescherming) bij dit plan niet aan de orde. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde gebieden zullen niet worden aangetast.

5.5.4 Onderzoek stikstofdepositie In het kader van onderhavig plan is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase van het beoogde planvoornemen. Gebruiksfase woningen Spoorsingel 42-46, AERIUS Calculator, AERIUS kenmerk: S3sTYsmb54yu, d.d. 29 januari 2020. Aanlegfase woningen Spoorsingel 42-46, AERIUS Calculator, AERIUS kenmerk: S4gt2gZm3Da4, d.d. 17 februari 2020. Onderstaand worden kort de resultaten van de stikstofdepositie berekening voor de aanlegen gebruiksfase beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige berekening die als Bijlage 6 (gebruiksfase) en Bijlage 7 (aanlegfase) bij deze toelichting is opgenomen. Gebruiksfase Binnen het plangebied worden 20 woningen in de sociale huursector gerealiseerd. De woningen zijn gasloos en hebben derhalve geen stookinstallatie. De verkeersgeneratie in de gebruiksfase is bepaald conform CROW 2018, publicatie 381. De stedelijkheidsgraad voor de gemeente Heerlen is sterk stedelijk. De woningen zijn gelegen aan de rand van het centrum. Wanneer wordt uitgegaan van ‘Sterk stedelijk + schil centrum’ en 'huur, huis, sociale huur' bedraagt de verkeersgeneratie per woning maximaal 4,7 mvt bewegingen per etmaal. Dit resulteert in een totale verkeersgeneratie van 94 voertuigbewegingen/etmaal. De ingevoerde gegevens binnen de gebruiksfase gaan uit van een worstcase scenario.

Uit de berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat de ontwikkeling in het kader van de gebruiksfase aanvaardbaar wordt geacht. Aanlegfase Tijdens de aanlegfase worden diverse bouwmachines gebruikt. Op basis van een worstcase scenario is een berekening uitgevoerd voor de aanlegfase, waarbij is uitgegaan van de maximale bouwmogelijkheden die zijn toegestaan op basis van de bestemmingsplanregels behorende bij onderhavig bestemmingsplan. De gebruikte invoergegens met betrekking tot de bouwmachines, alsmede het aantal verkeersbewegingen berusten derhalve op een worstcase scenario. Uit de berekening voor de aanlegfase blijkt dat de resultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat de ontwikkeling in het kader van de aanlegfase aanvaardbaar wordt geacht.

5.5.5 Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

43

5.6

Verkeer en parkeren

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Grenspaal12 een verkeerskundige notie opgesteld, waarin nader is ingegaan op de verkeersgeneratie van het plan, de ontsluiting van de functies en de parkeerbehoefte (Verkeersgeneratie en parkeren Spoorsingel Heerlen, Grenspaal12, rapportnummer 19-0501-01_v2, d.d. 5 juli 2019). Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit deze notitie. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige notitie die Bijlage 9 als is opgenomen bij deze toelichting.

5.6.1 Verkeersgeneratie Gezien de exacte functionele vormgeving van het plangebied nog onbekend is, is de verkeersgeneratie afhankelijk van de typering van het soort woningen binnen het plangebied. De verkeersgeneratie kan zodoende tussen de 45mvt/etmaal (woningtype etage, goedkoop/middel) en de 68 mvt/etmaal (huurhuis, sociale huur) komen te liggen. De exacte verkeersgeneratie is zodoende afhankelijk de toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied. De verkeersgeneratie is berekend met als uitgangspunt dat de ontwikkeling in het centrum van Heerlen ligt. Dit is analoog aan de in de ‘Parkeernota Heerlen 2010’ opgestelde begrenzing van het centrumgebied. De oorspronkelijke functionele indeling van het plangebied (voor de sloop van de bebouwing) zorgde voor een verkeersgeneratie van 69 mvt/ etmaal. Ervan uitgaande dat de oorspronkelijke functionele indeling van het plangebied (situatie voor de sloop van de bebouwing) berekend is op een adequate afwikkeling van het verkeer, zal de toekomstige invulling van de locatie met 20 woningen hier niets aan veranderen. Vanuit het aspect 'verkeer' bestaan er derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het beoogde initiatief.

5.6.2 Ontsluiting Vanwege de status van de Spoorsingel (direct grenzend aan de zuidzijde van het plangebied) als gebiedsontsluitingsweg heeft de gemeente Heerlen in haar eerdergenoemde programma van eisen opgenomen dat uitritten hier in principe niet wenselijk zijn. Praktisch gezien wordt dit vertaald naar maximaal 1 uitrit voor de gehele ontwikkeling, mits deze aansluit op de Spoorsingel. In oorspronkelijke situatie binnen het plangebied lag er een uitrit ter hoogte van Spoorsingel 42. In de toekomstige situatie is een nieuw uitrit voorzien aan de westzijde van het plangebied. Het aantal uitritten op de Spoorsingel zal derhalve gelijk blijven. De situering van de uitrit aan de westzijde van het plangebied betekent dat de uitrit uitkomt op een gedeelte van de Spoorsingel met een verhoogde middenberm, waardoor vertrekkend verkeer fysiek verplicht wordt om rechtsaf te slaan en richting de nabijgelegen rotonde bij de Kempkensweg te rijden. Wegrijdend verkeer richting het zuiden en oosten kan vervolgens eenvoudig haar weg vervolgen door bij deze rotonde te draaien en de Spoorsingel terug te nemen.

Verkeerskundig gezien is dit is de meest wenselijke situering, aangezien daarmee voorkomen wordt dat vertrekkend verkeer zowel rechts- als linksaf zou kunnen afslaan, hetgeen in relatie tot de tegenovergelegen uitrit van de busterminal tot onoverzichtelijke en daarmee verkeersonveilige situaties zou kunnen leiden.

5.6.3 Parkeren Conform de 'Parkeernota Visie- en Ambitiedocument', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 20 april 2016 ontstaat er binnen onderhavig plan een parkeerbehoefte van in totaal 30 parkeerplaatsen. Het is echter ruimtelijke gezien niet mogelijk om naast de beoogde bebouwing alle benodigde 30 parkeerplaatsen op grond van de parkeernota op eigen terrein te realiseren. Ook de realisatie van een parkeergarage is vanuit financieel (realisatie sociale huurwoningen) oogpunt onhaalbaar. Omwille van de fysieke en financiële onhaalbaarheid mag er uitgeweken worden naar de (semi-)openbare ruimte, om te voldoen aan de parkeerbehoefte conform de 'Parkeernota Visie- en Ambitiedocument'. Uit een parkeeronderzoek in Heerlen-centrum (november 2019) kan afgeleid worden dat er in de nabije omgeving van het plangebied (binnen een loopafstand van 100 tot 150 meter) voldoende parkeergelegeheid aanwezig is om de resterende parkeerbehoefte (tien parkeerplaatsen) op te vangen. Ten aanzien van de parkeerplaatsen in

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

44

de openbare ruimte geldt het betaald parkeerregime. De parkeerplaatsen op het eigen terrein binnen het plangebied zijn bedoeld voor de bewoners binnen de beoogde woningen. De parkeerplaatsen in de (semi-)openbare ruimte zijn bestemd voor bezoekers. De bewoners binnen het plangebied kunnen echter geen ontheffing aanvragen om gratis te parkeren in de openbare ruimte.

5.6.4 Conclusie Ten aanzien van de aspecten 'verkeer' en 'parkeren' bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig plan.

5.7

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). De volgende besluiten en regelingen hangen daarmee samen: Besluit gevoelige bestemmingen; Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM); Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM). Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

5.7.1

Besluit gevoelige bestemmingen

Conform artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen. De planlocatie ligt niet binnen de 50 meter contour van de N281. Daarom is het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing en vormt het geen beperking voor de ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=68c1230d-2601-401d-848b-309102800dd8