CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Spoorsingel 42-46C_Toelichting.pdf

(oud) Commissie Ruimtelijke Ontwikkeling 10 februari 2021, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C27.248 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Spoorsingel 42-46C

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Situering plangebied 1.3 Juridische status 1.4 Planvorm 1.5 Leeswijzer

3 3 3 5 7 8

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Regionaal beleid 2.4 Gemeentelijk beleid

9 9 11 13 17

Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving 3.1 Ruimtelijke en functionele structuur

20 20

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving 4.1 Het programmatisch kader 4.2 De bebouwingsmogelijkheden

22 22 22

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Akoestiek 5.3 Water 5.4 Bodem 5.5 Natuurwaarden 5.6 Verkeer en parkeren 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Externe veiligheid 5.9 Technische infrastructuur 5.10 Bedrijfshinder 5.11 Archeologie 5.12 Cultuurhistorie 5.13 Trillingen 5.14 Niet gesprongen explosieven

24 24 30 36 39 42 44 45 47 52 52 55 57 57 58

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding 6.2 Opbouw van de regels 6.3 Toelichting van de bestemmingsregels 6.4 Bijzondere regelingen

60 60 60 62 63

Hoofdstuk 7 Handhaving en uitvoerbaarheid 7.1 Handhavingsbeleid 7.2 Financiële uitvoerbaarheid

65 65 65

Hoofdstuk 8 Procedure en overleg 8.1 Procedurestappen 8.2 Vooroverleg 8.3 Overleg omgeving 8.4 Zienswijzen

66 66 66 67 67

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

2

Toelichting

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

In het kader van de herhuisvesting van basisschool Tarcisius en andere onderwijs- en ondersteunende voorzieningen in de voormalige HTS aan het Bekkerveld te Heerlen, heeft een vastgoedoverdracht met woningcorporatie Wonen Limburg plaatsgevonden. De gemeente heeft de voormalige HTS gekocht van Wonen Limburg. Wonen Limburg heeft op haar beurt twee locaties gekocht van de gemeente Heerlen. Te weten twee percelen aan de Spoorsingel 42-46C kadastraal bekend als Heerlen, sectie D, nr.s 7707 en 9908 (het voormalige sporthotel) en een locatie gelegen aan de burgemeester Gijzelslaan te Heerlen. Met Wonen Limburg is overeengekomen dat de gronden aan Spoorsingel bouwrijp worden opgeleverd en voorzien van een passend bestemmingsplan voor maximaal 20 woningen. Wonen Limburg draagt zorg voor de benodigde vergunningaanvraag en realisatie van de woningen. Ter plaatse van deze locatie zijn al sedert jaren woningbouwtitels op de regionale programmering opgenomen. Ook is het mogelijk om ter plekke woningen te bouwen. Deze mogelijkheden zijn echter nooit gerealiseerd. Daardoor was tot voor kort sprake van leegstand en verpaupering van de aanwezige bebouwing. In het kader van de herontwikkeling van de percelen is deze bebouwing en de bijbehorende parkeerplaats geamoveerd.

Onderhavig bestemmingsplan is nodig, omdat de bouwplannen ter plekke niet passen binnen de bestaande bestemmingsplanregeling qua situering van de woningen. Dit bestemmingsplan creëert passende en meer flexibele bouwmogelijkheden. Middels dit bestemmingsplan wordt voor het plangebied en de beoogde herontwikkeling een actueel juridisch-planologisch kader gevormd.

1.2

Situering plangebied

Het plangebied 'Spoorsingel 42-46C' grenst in noord-, oost- en westelijke richting aan verschillende percelen met een gemengde bestemming. Deze percelen waren in het verleden in gebruik voor detailhandel, horeca en woondoeleinden. In zuidelijke richting grenst het plangebied direct aan de Spoorsingel. In de directe omgeving van het plangebied zijn onder meer het 'Maankwartier' (aan de zuidwestelijke zijde) en politiebureau Heerlen (zuidoostelijke zijde) gelegen. Op de navolgende afbeeldingen is de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart en is de exacte begrenzing van het plangebied weergegeven op een kadastrale ondergrond.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

3

Topografische kaart met ligging plangebied (rode pijl).

Kadastrale kaart met begrenzing plangebied.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

4

1.3

Juridische status

1.3.1 Bestemmingsplan 'Heerlen-Stad Noord' Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Heerlen-Stad Noord' zoals dit op 29 september 2015 door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan is voor het plangebied de bestemming 'Gemengd - 3' van toepassing. Verder geldt voor het grootste gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 5' en voor een kleiner gedeelte 'Waarde - Archeologie 2'. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone - ondergrondse parkeergarage' en de functieaanduiding 'wonen uitgesloten'. Tot slot geldt voor een gedeelte van het plangebied de maatvoering 'maximum bouwhoogte: 18 meter' en 'maximum bouwhoogte: 6 meter'. Bestemming 'Gemengd - 3' De voor 'Gemengd - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dienstverlening, uitsluitend op de begane grond; b. ambachtelijke bedrijvigheid, uitsluitend op de begane grond; c. ateliers, uitsluitend op de begane grond; d. wonen in de vorm van woningen ; en daarnaast geldt dat: e. ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' wonen niet is toegestaan. Ten aanzien van het bouwen van gebouwen gelden binnen de bestemming 'Gemengd - 3' de volgende eisen: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b.

de bouwhoogte bedraagt maximaal de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; c. het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 100% van het bouwvlak, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' een ander percentage is aangegeven.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

5

Verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Heerlen-Stad Noord' (plangebied rood omlijnd)

Bestemming 'Waarde - Archeologie 2' De voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. In deze dubbelbestemming is de voorwaarde opgenomen dat voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 40 centimeter, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Bestemming 'Waarde - Archeologie 5' De voor 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

In deze dubbelbestemming is de voorwaarde opgenomen dat voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 40 centimeter, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Gebiedsaanduiding 'overige zone - ondergrondse parkeergarage' De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ondergrondse parkeergarage' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor een ondergrondse parkeergarage.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

6

Conclusie De beoogde ontwikkeling is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet geheel mogelijk. De beoogde ontwikkeling vindt namelijk deels plaats op gronden met de functieaanduiding 'wonen uitgesloten', waardoor het functioneel gebruik van de gronden voor woondoeleinden niet is toegestaan. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied de maatvoering 'maximum bouwhoogte: 6 meter'. De beoogde bebouwing is echter hoger dan deze maximum bouwhoogte.

1.4

Planvorm

De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan. De toelichting geeft een nadere uitleg van de gemaakte beleidskeuzen en invulling van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status. Elk bestemmingsplan is te onderscheiden door een landelijk uniek identificatienummer. Dit bestemmingsplan is geregistreerd en vindbaar op het landelijke portaal onder www.ruimtelijkeplannen.nl nummer NL.IMRO.0917.BP031200W000004-0401.

1.4.1 Toelichting In de toelichting wordt de opzet van het plan beschreven en zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten vermeld. Ook wordt verslag gedaan van de resultaten van het over het plan gevoerde overleg en inspraak.

1.4.2

Regels

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de gronden, die in het plan zijn gelegen, bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden of functies. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld, die regelingen bevatten over het gebruik van deze gronden en van de opstallen die zich daarop bevinden. Met het oog op de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen schrijft de SVBP de wijze waarop een planregel is opgebouwd voor en hoe de regels worden ingedeeld (vaste hoofdstukindeling).

1.4.3 Verbeelding De verbeelding geeft een grafische weergave van het plangebied. In de verbeelding zijn de plangrens, bestemmingen en aanduidingen weergegeven. Het bestemmingsplan onderscheidt een digitale en een analoge verbeelding. Beide verbeeldingen zijn rechtsgeldig, echter bij interpretatieverschillen is de digitale verbeelding beslissend. De digitale verbeelding is een interactieve raadpleegomgeving via het internet die de gehele inhoud van het bestemmingplan (grafische weergave, regels en toelichting) toont. Door een muisklik op de kaart te geven, verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in beeld. Tevens is het mogelijk om te meten op de kaart en door middel van coördinaten (het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel) de exacte locatie te bepalen. De analoge verbeelding bestaat uit 1 blad en heeft een schaal van 1:500. De legenda legt een verbinding tussen de bestemmingen, de aanduidingen en de regels en geeft een verklaring van de maatvoering, de symbolen en de topografische ondergrond(en).

1.4.4 Ondergrond De ondergrond is een samenstelling van de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie) en kadastrale begrenzingen. Na vaststelling van het bestemmingsplan is de gehanteerde ondergrond onlosmakelijk met het bestemmingplan verbonden. De ondergrond is zichtbaar op de analoge verbeelding, echter deze wordt niet standaard getoond in combinatie met de digitale verbeelding. De topografische kaarten en luchtfoto's die worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn niet altijd up to date en slechts bedoeld als oriëntatiemiddel. Bij interpretatieverschillen is de

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

7

vastgestelde ondergrond bepalend.

1.5

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling van het plangebied. Hoofdstuk 5 gaat in op de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven en hoofdstuk 8 geeft een beeld van de doorlopen bestemmingsplanprocedure en het gevoerde overleg.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

8

Hoofdstuk 2

Planologisch beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader voor het rijksbeleid, het provinciaal en regionaal beleid en het gemeentelijk beleid, van toepassing voor het bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C, toegelicht.

2.1

Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur; het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen.

Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en een klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor Parkstad Limburg geeft het Rijk in de SVIR wel aan dat het aanpakken van de krimpopgave noodzakelijk is om leegstand en verpaupering te voorkomen. Dit beleid is op regionaal niveau verder uitgewerkt. Voor het plangebied geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte direct in het geding zijn.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. Het tweede lid van art. 3.1.6 luidt met de inwerkingtreding van de aangepaste ladder als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

9

De ladder is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Voorliggend bestemmingsplan betreft een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. In het voorliggende geval worden 20 woningen mogelijk gemaakt. Het toevoegen van meer dan 11 woningen is in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro van toepassing is. Het beoogde initiatief voorziet in de realisatie van 20 woningen, hetgeen een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking vereist. Ten aanzien van onderhavig plan is een laddertoets uitgevoerd. Het volledig onderzoek is als Bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies.

Uit dit onderzoek blijkt dat de laddertoets beperkt kan blijven tot een beschrijving van de behoefte, aangezien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het bestaand stedelijk gebied. Onderstaand worden eerst de conclusies gegeven vanuit de kwantitatieve behoefte, vervolgens zal ingegaan worden op de kwalitatieve behoefte. De komende jaren neemt de bevolking en het aantal huishoudens in de gemeente Heerlen af met respectievelijk -7% en -6%. Een soortgelijk beeld geldt voor de regio Parkstad als geheel. Dit betekent dat er in de gemeente Heerlen (primaire verzorgingsgebied) in kwantitatieve zin geen behoefte is aan extra woningen. In de gemeente Heerlen ligt voor de komende jaren een planvoorraad van circa 1.806 woningen, waarvan 844 met de status hard. De locatie aan de Spoorsingel in Heerlen is voor 60 woningen reeds opgenomen in de woningbouwprogrammering (zachte plancapaciteit). Vanuit de bestaande bestemming 'gemengd-3' is er op de planlocatie ook al deels sprake van harde plancapaciteit. Geconstateerd wordt dat de woningbouwopgave in de gemeente Heerlen niet kwantitatief, maar kwalitatief van aard is. Immers, ook zonder huishoudensgroei kunnen woningbouwontwikkelingen om kwalitatieve redenen nodig zijn.

Ondanks het ontbreken van een kwantitatieve woningbehoefte zijn er in het centrum van Heerlen in kwalitatieve zin aanvullingen gewenst ten aanzien van woningbouw. Enerzijds gaat het om levensloopgeschikte woningen (met name goedkope/betaalbare huur), anderzijds om grotere sociale huurappartementen. Daarnaast heeft de gemeente de ambitie om in het centrum van Heerlen woningen te realiseren in een stedelijk woonmilieu die aantrekkelijk zijn voor de Urban Heerlen-doelgroepen. Voor het deelgebied 'Urban Living', waarbinnen de planlocatie Spoorsingel gelegen is, gaat het specifiek om jongvolwassenen en jonge gezinnen. De goede bereikbaarheid (station Heerlen, N281) en de nabijheid van stedelijke voorzieningen maken dat de locatie inspeelt op de behoefte van de Urban Heerlen-doelgroep, maar daarnaast ook aantrekkelijk is voor andere doelgroepen (bijvoorbeeld oudere huishoudens). Tot slot zorgt onderhavig initiatief voor de realisatie van (sociale) huurwoningen, waarmee voorzien wordt in een behoefte aan dit type woningen in Heerlen centrum. Bovendien geeft het initiatief invulling aan de wens van de gemeente om het centrum stedelijk woonmilieu in Heerlen te versterken en verder uit te breiden. Op dit moment zijn er onvoldoende harde plannen om in de behoefte aan centrum-stedelijk wonen in Heerlen te voorzien. Er is geen sprake van onaanvaardbare effecten.

Op de locatie aan de Spoorsingel mogen al 60 woningen gebouwd worden, waarbij reeds voldaan is aan het gemeentelijk en regionaal beleidskader. Onderhavig plan voorziet enkel in de realisatie van 20 woningen op deze locatie. De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is namelijk sprake van een ontwikkeling, waarbij binnen bestaand stedelijk gebied invulling wordt gegeven aan de bestaande woningbouwbehoefte binnen de regio Parkstad-Limburg in z'n algemeenheid en de gemeente Heerlen in het bijzonder. Voor de verdere onderbouwing van deze behoefte wordt volledigheidshalve verwezen naar paragraaf 2.3.2 en 2.3.3. Conclusie Binnen de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling die voorziet in een actuele woningbouwbehoefte en die bijdraagt aan een optimale benutting van de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied (het principe van inbreiding voor uitbreiding).

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

10

2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen; mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament; grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; defensie; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; elektriciteitsvoorziening; buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Nationaal Natuurnetwerk; primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De bovenstaande onderwerpen hebben geen betrekking op het gestelde in dit bestemmingsplan.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) 2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naartoe te gaan en vooral ook om hier te blijven. Verder staat in het POL kwaliteit centraal.

Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de Ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. Visie Zuid-Limburg De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit heuvellandschap geeft samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen ruim 600.000 mensen, meer dan de helft van alle inwoners in Limburg. Het maakt onderdeel uit van een Europese regio met een rijk palet van economische topsectoren.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

11

Tegelijkertijd is Zuid-Limburg in economisch opzicht te typeren als een 'tussenregio', tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Daarbij kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningen, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles te veel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing.

Uitsnede kaart 'Zonering Limburg' van het POL2014. Op basis van de kaart 'Zonering Limburg' ligt het plangebied volledig binnen de zone 'overig bebouwd gebied'. Dit zijn de gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Het accent binnen deze gebieden ligt op de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, balans tussen voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit van de leefomgeving. In het POL2014 wordt specifiek met betrekking tot 'wonen' gesteld dat er in Zuid-Limburg grofweg drie woonsferen zijn te onderscheiden: stedelijk, landelijk en suburbaan. Elk van deze woonsferen is in te delen in meerdere woonmilieus. De stedelijke woonsfeer is te vinden in Heerlen, Maastricht en Sittard, en vlak over de grens in Aken. Deze gebieden, waarvan het plangebied deel uitmaakt, zijn bij uitstek het domein van burgers die de nabijheid van de binnenstad (o.a. cultuur, ontmoeting, voorzieningen en ontspanning) belangrijk vinden. De belangstelling voor de woonmilieus in en bij de stedelijke centra is en blijft groot. Beleidsopgaven die hierbij horen zijn: concentratie en verdichting, functiemenging en hergebruik van bestaand (karakteristiek en cultuurhistorisch) vastgoed.

Aan deze beleidsopgaven wordt met de voorgenomen ontwikkeling invulling gegeven, waarmee deze geheel in lijn is met deze algemene beleidsopgaven uit het POL2014. Ten aanzien van wonen wordt verder aangegeven dat in de regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg de keuzes verder uitgewerkt worden die op regionale schaal noodzakelijk zijn. Hierin wordt rekening gehouden met sterke en zwakke kanten, kansen en bedreigingen van de verschillende woonmilieus en gebaseerd op een gedeelde analyse in de woonmilieukaart op Zuid-Limburgse schaal. Langs deze, meer kwalitatieve weg, vindt de vertaling plaats van het beginsel 'meer stad, meer land´ en van de onderliggende, harde transformatieopgave. De kwalitatieve opgave wordt op deze manier sturend, met de kwantitatieve opgave als hard uitgangspunt. Voor meer informatie over de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2. Conclusie Het voorliggende initiatief betreft de herontwikkeling van het plangebied tot een centrumstedelijk woonmilieu. Hiermee wordt volledig aangesloten bij het provinciale beleid voor het stedelijk centrum van Heerlen. Het plan is kortom in lijn met de uitgangspunten van het POL2014 voor de zone 'overig bebouwd gebied'.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

12

2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de voormalige ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht.

De Omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen. Deze bepaling is niet van toepassing indien sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg; en het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Uit onderzoek (Bijlage 1) blijkt dat het voorliggende plan rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro. De ontwikkeling kan vanwege de locatiegebonden vraagstukken en de omvang van de ontwikkeling niet worden gerealiseerd in monumentale gebouwen. De structuurvisie Wonen Zuid Limburg is d.d. 23 november 2016 door gemeenteraad van Heerlen vastgesteld en het voorliggende plan voldoet aan het bepaalde in deze structuurvisie. De beoogde woningbouw binnen het plangebied past binnen de regionale woningbouwprogrammering (het initiatief is regionaal afgestemd). Met de realisatie van maximaal 20 woningen (sociale sector) past het plan binnen de structuurvisie Wonen Zuid Limburg en wordt tevens invulling gegeven aan de behoefte naar woningen binnen de sociale sector.

2.3

Regionaal beleid

2.3.1 Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren: Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfsrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad Centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft. De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling.

Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's:

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

13

Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.

Binnen het plangebied is sprake van herstructurering binnen het centrumgebied van Heerlen als Parkstad Centrum, waarbij stedelijk wonen wordt gerealiseerd, zoals nader omschreven in hoofdstuk 4. Voor dit gebied is in de structuurvisie voorzien in een sterkere ontwikkeling van Parkstad Centrum en tevens in clustering in het centrum. Middels de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied tot stedelijk wonen wordt invulling gegeven aan deze ambities. De ontwikkeling past daarmee binnen de algemene beleidslijnen van de Structuurvisie Parkstad Limburg. De vier hoofdthema's uit de structuurvisie zijn concreet uitgewerkt in diverse beleidsnota's, op zowel regionaal als gemeentelijk niveau. Deze komen in de volgende paragrafen aan bod, waarbij tevens wordt aangegeven hoe deze hun uitwerking hebben op bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

14

Uitsnede ontwikkelingskaart Structuurvisie Parkstad Limburg

2.3.2 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn. In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van het stedelijk gebied. Ten aanzien van het afstemmen van vraag en aanbod wordt geconstateerd, dat alleen voor de stedelijke woonsfeer de vraag groter is dan het aanbod.

Dit heeft echter gevolgen voor de opgave elders in de gemeente. Vanuit ruimtelijk oogpunt wordt aanbevolen om te kiezen voor 'gestructureerde concentratie'. Dat wil zeggen concentratie van ontwikkelingen binnen de centra en de centrumkernen. Hierdoor kan ook de voorzieningenstructuur beter in stand worden gehouden, in combinatie met een gerichte strategie om ook voorzieningen en andere ontwikkelingen te concentreren in de grote kernen. Hier hebben ook kleinere kernen zonder eigen voorzieningen baat bij, aangezien er binnen een redelijke straal ruim voldoende voorzieningen overeind kunnen blijven. Uitbreidingslocaties zijn schadelijk voor steden en dorpen om diezelfde reden. In de structuurvisie wordt geconcludeerd dat sprake is van een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

15

overschot, het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave en het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. Deze drie opgaven kunnen echter niet altijd één-op-één in de tijd gelijk lopen. Om invulling te geven aan deze opgave hebben de 18 Zuid-Limburgse gemeenten diverse beleidsafspraken gemaakt. De veranderende bevolkingssamenstelling en het veranderende voorzieningenlandschap leiden ertoe dat ook de Zuid-Limburgse gemeenten hun ruimtelijke ontwikkelingsstrategie gaan richten op het versterken van de bestaande stads- en dorpscentra, om zo voldoende draagkracht te organiseren en de voorzieningenstructuur in kernen te behouden. Dit betekent: geen nieuwe uitleglocaties meer, maar juist focus op herstructurering, inbreiding, herbestemming van (waardevol) leegstaand vastgoed, de invulling van rotte plekken en functiemenging. Binnen onderhavig plan is sprake van de herinvulling van een locatie waar voorheen bebouwing aanwezig was met een vervallen uitstraling. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, hetgeen aansluit op inbreiding voor nieuwe uitleglocaties.

2.3.3 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg Eind juni 2017 zijn de Regionale Woonvisies van alle 8 Parkstad gemeenten vastgesteld. Elke gemeente heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie. De documenten geven daarom niet alleen inzicht in de regionale Woonvisie Parkstad Limburg, maar tevens in de lokale woonvisies. Daar waar de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vooral Zuid-Limburgse spelregels geeft over de toevoegingen en onttrekkingen in de woningvoorraad, gaan de regionale woonvisies veel meer over kwalitatieve opgaven in de woningvoorraad. De woonvisies geven richting aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt; het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling- en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft een woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties, ingegeven door de herziene Woningwet. Op regionaal niveau is het versterken van aanwezige woonmilieus in Parkstad het vertrekpunt om de woonaantrekkelijkheid van zowel de regio als de gemeenten te verbeteren. Dit wel met ruimte om meer variatie binnen de bestaande woonmilieus te creëren. Gemeenten werken samen aan een goede match van vraag en aanbod, door: 1. het onttrekken van woningen waar de vraag achter blijft; 2.

het intrekken van ongewenste plancapaciteit; 3. het toevoegen van woningen/woonmilieus waar veel vraag naar is. Op gemeentelijk niveau is een aantrekkelijk woonklimaat een van de randvoorwaarden voor het vestigingsklimaat in de regio. Wonen ondersteunt ontwikkelingen rondom de Campussen, RWTH, etc. Het centrum van Heerlen biedt binnen de regio een uniek centrumstedelijk woonmilieu. De gemeente wil dit woonmilieu versterken door cultureel aanbod, kwaliteit van de openbare ruimte en goede voorzieningen. De woonfunctie moet in het centrum meer ruimte krijgen. Bij de woonmilieus op afstand van het centrum kiest de gemeente juist voor 'verdunnen' en 'vergroenen' van wijken, zodat hier aantrekkelijke woonmilieus ontstaan. De belangrijkste volkshuisvestelijke opgave van de gemeente Heerlen is gericht op de afstemming van wonen en zorg voor de verschillende doelgroepen. Daarnaast is het belangrijk voor de gemeente Heerlen dat de betaalbare huurwoningvoorraad op peil blijft en er voldoende aanbod levensloopgeschikte woningen zijn. Om de woonaantrekkelijkheid te verbeteren wil de gemeente Heerlen enerzijds het centrumgebied verder ontwikkelen als regionaal stedelijk centrum, en anderzijds in de woonwijken een kwaliteitsslag maken: naar meer ruime parkachtige woonmilieus.

Met de realisatie van de woningen binnen het plangebied wordt geheel in lijn met de bovengenoemde uitgangspunten gehandeld, aangezien sprake is van de realisatie van woningen in het centrumgebied van Heerlen, waarmee een aanzienlijke versterking van het stedelijk woonmilieu plaatsvindt. Verder past het initiatief, zoals reeds beschreven in paragraaf 2.3.2, binnen de regionale woningbouwprogrammering.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

16

2.3.4 Structuurvisiebesluit wonen Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat ingaat op het thema wonen. Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad. Geen verdere toename van de omvang van de regionale woningvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale woningvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit. Beleidsbesluit In haar regionaal woonbeleid, gepubliceerd als eigen beleid door de Parkstadgemeenten, geeft de Stadsregio aan wat de opgave in de regionale woningvoorraad t/m 2020 is (regionale kaders).

Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de woningvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen deze gestelde kaders. Vigerende bestemmingen woningbouw, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen / past binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. de woningbouwprogrammering). Conclusie In het voorliggende geval is sprake van een ontwikkeling in lijn met het 'Structuurvisiebesluit Wonen'. Er worden immers uitsluitend woningen mogelijk gemaakt die passen binnen de regionale afsprakenkaders.

2.4

Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Heerlen 2035 Op 7 juli 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de toekomstige ruimtelijke opgaven. De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed. Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt. Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan inhoudelijk vier thema’s centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad.

Vitale stad In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

17

variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt. In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen. Centrale stad In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor. Innovatieve stad In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een klimaat-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven, niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering.

Verrassende stad In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis. Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het “Verhaal van Heerlen” tot uitdrukking komt. Conclusie Binnen plangebied zijn er kansen voor 'Stedelijk wonen'. Stedelijk wonen betreft wonen aangrenzend aan Heerlen Centrum, waarbij wonen de hoofdfunctie is. Het stedelijk wonen betreft buurten met overwegend grondgebonden woningen en gestapeld wonen in hoge woningdichtheden met een mix tussen koop en huur. In voorliggende geval is sprake van de realisatie van maximaal 20 woningen (sociale huur), in een gebied dat is aangeduid voor het ontwikkelen van stedelijk wonen. De beoogde ontwikkeling is dan ook in overeenstemming de uitgangspunten voor het plangebied, zoals geformuleerd binnen de 'Structuurvisie Heerlen 2035'.

2.4.2 Facetbestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen Heerlen' De Reparatiewet BZK is 29 november 2014 in werking getreden. Deze wet neemt onder meet de wettelijke grondslag weg voor de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening. Dit betekent dat de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening geleidelijk via overgangsrecht zullen verdwijnen. Daarmee zal de bouwverordening als instrument op termijn (per 1 juli 2018) verdwijnen. Door de Reparatiewet zijn artikel 8 lid 5, artikel 9 en artikel 10 van de Woningwet vervallen en is tevens artikel 8.17 onder B van de Invoeringswet Wro komen te vervallen. Hiermee is de wettelijke grondslag weggenomen voor de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening. Daarbij wordt conform artikel 133 onder 1 van de Woningwet, een overgangstermijn gehanteerd die loopt tot 1 juli 2018. Na deze datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening hun werking ten aanzien van bestaande bestemmingsplannen. Deze bepalingen moeten derhalve zijn ondergebracht in het bestemmingsplan. De gemeente Heerlen wil derhalve de nog van toepassing zijnde resterende stedenbouwkundige bepalingen vastleggen middels het facetbestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen Heerlen'. Daarbij worden tevens actuele gemeentebrede regels inzake woningsplitsing, bouw in de nabijheid van leidingen en parkeren/laden en lossen vastgelegd.

Conclusie

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

18

Conform artikel 3 uit het facetbestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen Heerlen' geldt dat het facetbestemmingsplan alleen van toepassing is op plannen die gelden voordat het facetbestemmingsplan is vastgesteld (30 mei 2018). Bestemmingsplannen die daarna worden vastgesteld, vallen niet meer onder de werking van het facetbestemmingsplan. De regeling van het facetbestemmingsplan zal in deze worden ingebed. Zodoende zal dit ook plaatsvinden binnen onderhavig bestemmingsplan.

2.4.3 Parkeerbeleid Het parkeerbeleid van de gemeente Heerlen is geregeld in de 'Parkeernota Visie- en Ambitiedocument' zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 20 april 2016. Voor wat betreft parkeernormen is de op 2 november 2010 door de gemeenteraad vastgestelde 'Parkeernota Heerlen 2010' van toepassing. In de 'Parkeernota Visie- en Ambitiedocument' wordt gesteld dat het nieuwe parkeerbeleid op hoofdlijnen dient te zorgen voor een betere afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van parkeren, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Het anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en het bieden van een gastvrij en klantvriendelijk parkeersysteem maken hier onderdeel van uit. Aan de hand van de 'Parkeernota Heerlen 2010' zet de gemeente Heerlen onder meer in op een bruisend en levendig stadscentrum, aantrekkelijke leefbare woonmilieus, een goede bereikbaarheid, een krachtig ondernemersklimaat en hoogwaardig onderwijs. Het parkeerbeleid moet bijdragen aan de totstandkoming van deze speerpunten.

De visie op parkeren is dan ook als volgt geformuleerd: 'Heerlen streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte.' De parkeerbalans is in evenwicht op het moment dat de parkeerbezetting ligt tussen de 50 en de 80 procent. Per gebied kan het moment waarop deze parkeerbezetting wordt gemeten, verschillen. Uitgangspunt is dat de parkeerbezetting gemeten dient te worden als de gemiddelde parkeerbehoefte het hoogst is. Voor een optimaal parkeerbeleid is het van belang dat er sprake is van een adequaat openbaar vervoer, dat de bereikbaarheid per fiets optimaal is en (zo nodig) de omliggende woonbuurten afgeschermd worden middels parkeren voor vergunninghouders. Conclusie In paragraaf 5.6.3 wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan parkeren binnen het plangebied.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

19

Hoofdstuk 3

Gebiedsbeschrijving

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het plangebied Spoorsingel 42-46C en zijn directe omgeving.

3.1

Ruimtelijke en functionele structuur

De locatie Spoorsingel 42-46C is gelegen in het centrum van Heerlen en wordt omsloten door een menging van functies, waaronder detailhandel, horeca en woondoeleinden. De locatie grenst direct ten zuiden aan de Spoorsingel. In de directe omgeving ligt zuidwesten van het plangebied het station Heerlen en het 'Maankwartier'. De locatie is globaal gezien ten noorden van het winkelgebied van Heerlen centrum gelegen. Recent is de bebouwing die oorspronkelijk aanwezig was binnen het plangebied gesloopt. De oorspronkelijk aanwezige bebouwing stond reeds al enkele jaren leeg en raakte in verval. Binnen het oostelijk gedeelte van het plangebied waren enkele parkeervoorzieningen aanwezig (deze parkeerplaatsen waren tijdelijk aangelegd in verband met de behoefte voor het overloopgebied, inmiddels zijn deze parkeerplaatsen al elders voorzien). Voor een overzicht van de oorspronkelijke invulling van het plangebied zie de navolgende luchtfoto uit 2019 (voorafgaand aan de recentelijke sloop).

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

20

Luchtfoto plangebied en directe omgeving (2019).

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

21

Hoofdstuk 4

4.1

Planbeschrijving

Het programmatisch kader

Algemeen Het voornemen bestaat tot herontwikkeling van de locatie Spoorsingel 42-46C in Heerlen. Oorspronkelijk bevond zich op deze locatie bebouwing die reeds enkele jaren leeg stond en een vervallen uitstraling had. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 20 woningen (sector huur) binnen het plangebied. De gemeente Heerlen zal de percelen binnen het plangebied bouwrijp opleveren (en mede voorzien van een bruikbaar bestemmingsplan), waarna Wonen Limburg de woningen zal realiseren binnen het plangebied.

De toekomstige functies binnen het plangebied Binnen het plangebied Spoorsingel 42-46C is voorzien in maximaal 20 woningen (sociale huur). De bestaande wegen rondom het plangebied (wegen, fietspaden en voetpaden) worden gehandhaafd in de toekomstige situatie. Binnen het plangebied worden geen openbare wegen of ruimten voorzien. Het autoverkeer zal via een inrit aan de westelijke zijde van het plangebied de locatie achter de bebouwing kunnen bereiken. Specifiek voor het plangebied gelden verder de volgende kaders: Maximaal 20 woningen; De gehele rooilijn (= perceelgrens) langs de Spoorsingel en Robroekergats kan worden bebouwd, in maximaal 4 bouwlagen (maximaal 14 meter hoog); Langs de Robroekergats ter overgang naar de achterliggende bebouwing mag tot maximaal 3 bouwlagen hoog gebouwd worden (maximaal 10,5 meter); Het bouwvlak mag volledig bebouwd worden; Buiten het bouwvlak mag maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gerealiseerd worden; De bestaande wegen rondom het plangebied worden gehandhaafd; De inrit aan de westelijke zijde van het plangebied zal tenminste 5 meter breed zijn; Maximaal één bouwlaag ondergronds binnen het bouwvlak.

4.2

De bebouwingsmogelijkheden

Voor wat betreft de nieuwbouw binnen het plangebied is op de onderstaande afbeelding weergegeven binnen welke vlakken (zwart omlijnd) bebouwing is toegestaan. Tevens is aangegeven wat de maximaal toegestane hoogte is en het maximum aantal bouwlagen ter plaatse van de beoogde nieuwbouw. De gehele rooilijn (= perceelgrens) langs de Spoorsingel en Robroekergats mag worden bebouwd, in maximaal 4 bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 14 meter hoog. Langs de Robroekergats ter overgang naar de achterliggende bebouwing mag tot maximaal 3 bouwlagen hoog gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 10,5 meter.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

22

Kaart met bouwvlak, maatvoeringaanduiding 'maximum aantal bouwlagen' en 'maximum bouwhoogte' en bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel'

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

23

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.

5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1 M.e.r.-plicht Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.

Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 5.5 Natuurwaarden blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

5.1.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit wil ondernemen, aangewezen

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

24

krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b (besluiten waarvoor het bevoegd gezag een beslissing dient te nemen inzake de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport), dient zij in een zo vroeg mogelijk stadium en uiterlijk voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit deze beslissing te nemen (artikel 7.19, lid 1 en 2 Wm). De achterliggende gedachte bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van het potentiële effect.

Kenmerken van het project - Omvang van het project - Cumulatie met andere projecten - Gebruik van natuurlijke grondstoffen - Productie van afvalstoffen - Verontreiniging en hinder - Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project - Bestaand grondgebruik - Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied - Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect - Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) - Grensoverschrijdende karakter van het effect - Waarschijnlijkheid van het effect - Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Omdat het plan voorziet in de bouw van woningen, maar ruimschoots onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D.11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het project heeft betrekking op de realisatie van maximaal 20 woningen. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 2.020 m2.

Cumulatie met andere projecten

Nee, er is geen sprake van cumulatie met andere projecten.

bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C

25

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=68c1230d-2601-401d-848b-309102800dd8