Spoorsingel 42-46C_Toelichting.pdf
Tekst van het document
5.7.2 Niet in betekenende mate (NIBM) De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
45
5.7.3 Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg
minimaal 2 ontsluitingsweg
3%-norm
3%-norm
1500
3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van maximaal 20 woning, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Desondanks is volledigheidshalve voor de ontwikkeling de bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is gebruikt gemaakt van de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu. In deze tool dient het extra aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie te worden ingevoerd, waarbij dient te worden uitgegaan van het weekdaggemiddelde. De verkeersgeneratie is bepaald op basis van de verkeerskundige rapportage in Bijlage 9.
Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer leveren derhalve geen beperkingen op voor de ontwikkeling
5.7.4 Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse tussen de 18 en 20 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 12 en 14 µg/m³ en de concentratie NO 2 tussen 20 en 25 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO 2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
46
5.7.5 Conclusie Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden.
5.8
Externe veiligheid
5.8.1 Landelijk beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.
Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
47
wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld. Externe veiligheid inrichtingen Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen. Externe veiligheid buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revi). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen. Externe veiligheid transport Het beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, via het spoor en via het water staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Hierin is het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' verankerd. Het primaire doel van dit Basisnet is het creëren van een plafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Aan de hand van deze maximale vervoerstromen van gevaarlijke stoffen kunnen de externe veiligheidsrisico's worden bepaald.
5.8.2 Gemeentelijk beleidskader In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen. Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.
5.8.3 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Econsultancy een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Onderzoek externe veiligheid Spoorsingel te Heerlen, Econsultancy, rapportnummer 9815.004, d.d. 13 december 2019). Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige notitie die als Bijlage 10 is opgenomen bij deze toelichting.
5.8.4 Beoordeling plaatsgebonden risico Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en de omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
48
5.8.5 Beoordeling groepsrisico Transport Op circa 80 meter ten zuiden van het plan is de spoorlijn Sittard – Heerlen gelegen. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op grond van het transport van gevaarlijke stoffen moet rekening gehouden worden met een invloedsgebied van 460 meter. Gelet op de afstand tot de spoorlijn (<200 m) is het noodzakelijk een kwantitatieve risicoanalyse uit te voeren. Op circa 900 meter afstand is de provinciale weg N281 gelegen. Via deze transportroute worden de gevaarlijke stoffen LF1, LF2 en GF3 vervoerd. Voor LF1 en LF2 bedraagt het invloedsgebied 45 meter. Het invloedsgebied van GF3 bedraagt 460 meter. Het onderzoeksgebied is op ruime afstand gelegen. De provinciale weg is derhalve niet relevant voor het onderhavig onderzoek. Inrichtingen Ten oosten van het onderzoeksgebied is een benzineservicestations met LPG-vulpunt aanwezig. De afstand tot de grens van het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Het plangebied is met ruim 1,4 km op voldoende afstand gelegen. Ten westen van het onderzoeksgebied is de inrichting Van Dooren B.V. gelegen. Het betreft een groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen. De afstand tot de grens van het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Het plangebied is met ruim 1,5 km op ruim voldoende afstand gelegen.
Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse buisleidingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt. Vanuit dit kader bestaan er dus geen belemmeringen. Berekening groepsrisico Voor de berekening van het groepsrisico van de spoorlijn is gebruik gemaakt van het door het RIVM beheerde rekenprogramma genaamd RBM II. De risicoberekeningen die in dit rapport zijn beschreven zijn uitgevoerd met RBM II versie 2.4. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van de meteorologische gegevens van het KNMI-weerstation Beek. De populatiegegevens zijn opgevraagd via de website BAG-populatieservice. Daarbij is de Handleiding Populatieservice versie 1.0 gevolgd en zijn de gegevens uit populatiebestand 2019-07 gebruikt. Voor de toekomstige situatie is in het onderzoeksgebied rekening gehouden met 20 woningen. Conform de HaRT is per woning een aanwezigheid van 1,2 personen in de dag en 2,4 in de nacht aangehouden, hetgeen gelijk staat aan 48 aanwezigen. Volgens het Basisnet is ter plaatse van het plangebied geen plaatsgebonden risico van 10-6/jaar of meer aanwezig. Daarom kan worden voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Uit de berekening (zie Bijlage 10) volgt dat het gesommeerd groepsrisico veroorzaakt door het spoor hoger is dan de oriëntatiewaarde.
De realisatie van de appartementen heeft geen invloed op het aantal te verwachten slachtoffers. Omdat het groepsrisico hoger is dan de oriëntatiewaarde kan niet worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hieronder wordt inzicht gegeven in maatregelen die eventueel getroffen kunnen worden om de risico’s te verkleinen. Verantwoording groepsrisico Aangezien onderhavig plan niet specifiek voorziet in de bouw van appartementen voor zorg of senioren wordt verondersteld dat de aanwezigen overwegend goed zelfredzaam zijn. Het feit dat op meerdere bouwlagen appartementen worden voorzien, vermindert die zelfredzaamheid echter. De zelfredzaamheid en mobiliteit van de bewoners van de appartementen kan in beginsel als goed worden beoordeeld. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, zelfredzaamheid en maatregelen. In onderstaande paragrafen wordt per scenario aangegeven welke maatregelen getroffen kunnen worden. Gelet op het feit dat ook zonder realisatie van het plan sprake is van een hoog groepsrisico, wordt gesteld dat de primaire voorzieningen (primair bluswater, opstelplaatsen voor hulpdiensten, calamiteitenplan) in de omgeving van het plangebied op orde zijn. Explosie
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
49
In geval van een explosie volgens het principe van een warme of koude BLEVE zal de drukgolf ter plaatse van het plan leiden tot ruitbreuk. Bij een koude en warme BLEVE gaan binnen respectievelijk 115 en 140 meter alle brandbare materialen branden. In combinatie met ruitbreuk kan in het gebouw niet langer veilig worden geschuild. De gevelconstructie aan de zijde van het spoor wordt zodanig ontworpen dat deze voldoende weerstand biedt tegen drukgolf als gevolg van een BLEVE. Bij een afstand van 80 meter tot de appartementen treedt er lichte schade op als gevolg van overdruk. Het gevolg is ruitbreuk en schade aan deurposten. Daarnaast wordt aanbevolen brandwerende- en hittewerende geveldelen toe te passen. Door de verblijfsruimten in het gebouw gunstig in te delen kunnen de risico’s als gevolg van een koude en warme BLEVE worden beperkt. In geval van een warme BLEVE kan het gebouw bij tijdige alarmering worden ontvlucht. Bij een BLEVE op grotere afstand kan wel worden geschuild, mits het gebouw bescherming biedt tegen hittestraling en overdruk. Tenslotte kunnen de risico’s ook worden verminderd door het glasoppervlak aan de zijde van het spoor te beperken. (Fakkel-)brand Het plangebied is gelegen in de 1 e ring, waarbij in geval van een fakkelbrand, alle aanwezige brandbare materialen binnen 135 meter vlam vatten en zal het gebouw normaliter moeten worden ontvlucht.
Het handelingsperspectief is vluchten uit zicht van de brand richting de Willemstraat. Het toepassen van brandwerende- en hittewerende materialen geeft de bewoners meer tijd om het pand te ontvluchten. Nooduitgangen en vluchtroutes dienen van de risicobron af te zijn gericht. Aangezien pal naast het spoor ook woningen aanwezig zijn, wordt verondersteld dat de primaire voorzieningen (hydranten, voldoende opstelplaatsen en secundair bluswater) langs het spoor in orde zijn. De initiatiefnemer is niet verantwoordelijk voor deze voorzieningen. Bereikbaarheid Hulpdiensten kunnen binnen de gewenste aanrijtijd ter plaatse zijn. Het plan is vanaf de brandweerpost aan de Bekkerweg binnen 6 minuten bereikbaar. Ambulances vanaf het ambulancepost aan de Looierstraat zijn binnen 3 minuten ter plaatse. Bij calamiteiten op het spoor zal de eerste aandacht van hulpdiensten zich richten op de calamiteit zelf. Het plangebied is bereikbaar over twee verschillende routes vanuit tegengestelde windstreken via de Spoorsingel. Voor de bluswatervoorziening en bereikbaarheid van een nieuw ontwikkeling geldt dat ze moeten voldoen aan de eisen van de brandweer. De inzet van de brandweer zal vooral gericht zijn op blussen van eventuele secundaire branden. Evacuatie Koude BLEVE Voor een koude BLEVE zijn geen mogelijkheden voor evacuatie aangezien dit scenario geen ontwikkeltijd kent.
Warme BLEVE In geval van een brand op het spoor moet een evacuatie snel en adequaat in gang worden gezet. Een vroegtijdige alarmering van de omwonenden zorgt ervoor dat zij veilig kunnen vluchten. Bewoners zullen via het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) worden gealarmeerd. Verder zijn in de nabijheid van het plangebied voldoende zendmasten aanwezig die NL-Alerts kunnen sturen. Bij een calamiteit kan worden ontvlucht aan de achterzijde van het plangebied via de parkeerplaatsen of de Robroekergats naar Willemstraat. Nooduitgangen en vluchtroutes in het gebouw dienen van de bron af gericht te zijn. Het is aan te bevelen in het pand duidelijke vluchtroutes aan te geven zodat bewoners het pand snel kunnen verlaten. Hiermee wordt de zelfredzaamheid verbeterd. De ontvluchting vanuit het plangebied van de spoorlijn af is goed te noemen. Conclusie Het plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen waardoor er een verdere overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico ontstaat. Door het toepassen van (bouwkundige) maatregelen kan de kans op slachtoffers worden gereduceerd. Deze maatregelen zullen verder worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag van de Omgevingsvergunning. Met de te nemen maatregelen zullen de risico’s zoveel mogelijk worden beperkt en wordt de ontwikkeling van het plan uit oogpunt van externe veiligheid verantwoord geacht.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
50
5.8.6 Advies Veiligheidsregio Als onderdeel van de Veiligheidsregio beoordeelt de brandweer de bereikbaarheid van het plangebied en de daaraan verbonden objecten of inrichtingen. Dit doet de brandweer aan de hand van de 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid'. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen planregels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid. Ook maakt de brandweer een inschatting van de risico's binnen het zogenaamde effectgebied. Het effectgebied wijkt af van het invloedsgebied. Het effectgebied is het gebied waar de effecten van de calamiteit merkbaar zijn, exclusief het gebied van de risicobron (brongebied). Het effectgebied is in de regel groter dan het invloedsgebied. Echter, bij de verantwoording van het groepsrisico speelt het effectgebied, in tegenstelling tot het invloedsgebied, formeel geen rol. Niettemin worden door de brandweer wel maatregelen voorgesteld om de effecten van een calamiteit binnen het effectgebied te beperken. Het is aan de gemeente om te bepalen in hoeverre hiermee redelijkerwijs rekening kan worden gehouden bij de ruimtelijke planvorming.
Advies Brandweer Zuid-Limburg Op grond van artikel 13 lid 3 Bevi dient het bestuur van de Veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van een risicobron. De Brandweer Zuid-Limburg, als onderdeel van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg, geeft invulling aan deze bevoegdheid. Onderhavig plan is voorgelegd aan de Brandweer Zuid-Limburg (Advies Spoorsingel 42-46C Heerlen, Brandweer Zuid-Limburg, rapportnummer 2020.1081.0008, d.d. 12 maar 2020). In haar advies heeft de Brandweer Zuid-Limburg aangegeven (Bijlage 11) dat de ontwikkeling op circa 80 meter afstand is gelegen van het Spoortraject Heerlen-Herzogenrath (risicobron). Conform de regeling Basisnet vindt er vervoer van categorie A (brandbare gassen) plaats. In het voorbereidingstraject op de realisatie van nabijgelegen Maankwartier zijn gemeente en brandweer overeengekomen dat het maatgevend EV-scenario een koude BLEVE is op de kopse kanten van het perron, zowel aan de zuidelijke als de noordelijke kant.
De Brandweer Zuid-Limburg acht het derhalve raadzaam om in het kader van de koude BLEVE de navolgende effectbeperkende maatregelen te nemen: beperkte beglazing aan de zijde van het spoor, of; toepassen van brand- en hittewerende beglazing aan de zijde van het spoor, en; toepassen van houten- of stalen kozijnen aan de zijde van het spoor (in elk geval geen kunststof); toepassen van brandwerend metselwerk aan de zijde van het spoor, en; richt nooduitgangen en vluchtwegen zodanig in dat van de risicobron af kan worden gevlucht; Daarnaast wordt geadviseerd om gebruikers binnen het plangebied middels risicocommunicatie bekend te maken met het scenario en bijbehorende handelingsperspectieven. Concreet betekent dit ten tijde van het voltrekken van de BLEVE binnen schuilen (het tijdsbestek tussen moment van impact en de daadwerkelijke BLEVE is echter dermate kort dat er weinig ruimte is voor handelen) en vluchten haaks op de risicobron nadat de vuurbal is opgetrokken. Tot slot heeft de Brandweer Zuid-Limburg aangegeven dat er een primaire bluswatervoorziening aanwezig is op ongeveer 45 meter van het plangebied met een capaciteit van 110 m3 p/u. Dit is voldoende voor een eerste blusinzet bij secundaire branden als gevolg van een koude BLEVE. Daarnaast geldt ten aanzien van de bereikbaarheid dat het plangebied via twee zijden ontsloten dient te worden.
Een willekeurig adres moet namelijk via een tweede onafhankelijke route bereikbaar zijn. Gezien de ligging van het plangebied voldoet de huidige situatie hier reeds aan. Conclusie Om te waarborgen dat de aangedragen effectbeperkende maatregelen worden toegepast
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
51
binnen onderhavig plan is binnen de bestemmingsplanregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting ziet erop toe dat het gebruik van de gronden binnen het plangebied voor woondoeleinden (alsmede bij de oprichting van bebouwing) voldaan dient te worden aan de effectbeperktende maatregelen, zoals aangedragen door de Brandweer Zuid-Limburg.
5.8.7 Conclusie Bij de totstandkoming van bestemmingsplan 'Spoorsingel 42-46C' is op voldoende wijze rekening gehouden met de externe veiligheid. De vaststelling van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.
5.9
Technische infrastructuur
Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die een planologische belemmering vormen voor de verdere planontwikkeling of waarvoor een planologische beschermingszone dient te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
5.10
Bedrijfshinder
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen.
Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
52
De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0 m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden - hier aangeduid als gebieden met functiemenging - heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Gemengd gebied versus gebied met functiemenging In de VNG-publicatie wordt het begrip 'gemengd gebied' gebruikt om richtafstanden aan te geven tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca, kleine bedrijvigheid). Het begrip 'gebied met functiemenging' wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden.
De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd; categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden;
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
53
categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: het gaat om kleinschalige, ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Naast bovengenoemde randvoorwaarden zijn bij de keuze van de activiteiten de volgende criteria gehanteerd: voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1; voor categorie B betreft het activiteiten: in categorie 1 voor het aspect gevaar; in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur; in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen); voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, maar met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen).
5.10.1 Toetsing ontwikkelingen binnen het plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Econsultancy een Quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd (Quickscan bedrijven en milieuzonering woningbouw Spoorsingel te Heerlen, rapportnummer 9815.002, d.d. 10 januari 2020). Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 12 bij deze toelichting is opgenomen. Het plangebied is aan te duiden als een gemengd gebied, een gebied met functiemenging. Het plangebied ligt namelijk in het centrum van Heerlen. Een stadscentrum is een gebied met functiemenging. De in de nabijheid van het plan gesitueerde gronden zijn daarnaast bestemd voor dienstverlening, ambachtelijke bedrijvigheid, ateliers, bedrijven, horeca, kantoor, maatschappelijk, sportschool en wonen. Tevens ligt op ongeveer 75 meter van het plan een spoorweg. Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Heerlen-Stad Noord'. Ten zuiden van het plangebied is het bestemmingsplan 'City-West' van kracht. Binnen beide bestemmingsplannen zijn gronden gelegen, waarvoor getoetst dient te worden of de realisatie van het plan (woningbouw) tot negatieve gevolgen kan leiden voor de bestaande bedrijfsvoering of dat het woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied negatief wordt beïnvloed.
Bedrijf (B) Ten noorden van het plangebied zijn gronden gelegen met de functieaanduiding Bedrijf (B). Op 7 meter afstand van de beoogde appartementen is het bedrijf 'de verpakkingswinkel.nl' gelegen. De richtafstand van de desbetreffende inrichting is 10 meter voor het aspect geluid. Er dient een aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd om de mogelijke hinder van het bedrijf te onderzoeken. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van het akoestisch onderzoek industrielawaai (Bijlage 3). Een afweging ten aanzien van het aspect 'geluid' omtrent de verpakkingswinkel heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 5.2. Daarnaast zijn er binnen het bestemmingsplan 'City-West' een tweetal inrichtingen gelegen, waarvoor het plan binnen de richtafstanden valt. Dit betreft het busstation en emplacement Heerlen. Busstation Voor het busstation geldt een richtafstand van 50 meter voor geluid. Het plangebied valt binnen de richtafstand. Er dient derhalve een aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar de inrichting. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van het akoestisch onderzoek industrielawaai (Bijlage 3). Een afweging ten aanzien van het aspect 'geluid' omtrent het busstation heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 5.2. Emplacement
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
54
Daarnaast is op 70 meter van het plan het emplacement Heerlen gelegen. Voor het rangeerterrein geldt een richtafstand van 200 meter voor geluid en gevaar. Er dient een aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar de inrichting. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van het akoestisch onderzoek industrielawaai (Bijlage 3). Een afweging ten aanzien van het aspect 'geluid' omtrent het emplacement heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 5.2. In het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 10) heeft reeds een onderbouwing plaatsgevonden ten aanzien van het aspect 'gevaar'. In de directe omgeving van het plan vinden verder geen activiteiten plaats waar aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
5.10.2 Conclusie Op basis van de bovenstaande uitgangspunten kan geconcludeerd worden dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor de beoogde herontwikkeling binnen het plangebied.
5.11
Archeologie
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die vanaf 1 juli 2016 deels is overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Monumentenwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder.
Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.
5.11.1 Gemeentelijk beleid Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013. Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht.
Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
55
Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet vereist. Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder dan 40 cm diep. Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht. Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.
In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".
5.11.2 Plangebied Volgens de Archeologische Verwachtings- en Cultuurhistorische Advieskaart voor Parkstad Limburg en de gemeente Nuth, deelkaart gemeente Heerlen (noord) geldt voor het grootste gedeelte van het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Voor een klein gedeelte aan de noordoostzijde van het plangebied geldt een hoge archeologische waarde. Dit komt overeen met de dubbelbestemmingen die conform het vigerend bestemmingsplan 'Heerlen-Stad Noord' gelden voor het plangebied in de vorm van 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Archeologie 2' (reeds beschreven in paragraaf 1.3.1). Hieronder worden de uitgangspunten ten aanzien van deze dubbelbestemmingen beschreven.
Bestemming 'Waarde - Archeologie 2' De voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. In deze dubbelbestemming is de voorwaarde opgenomen dat voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 40 centimeter, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Bestemming 'Waarde - Archeologie 5' De voor 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
In deze dubbelbestemming is de voorwaarde opgenomen dat voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 40 centimeter, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
56
gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. De hierboven beschreven grenswaarden ten aanzien van de archeologische dubbelbestemmingen worden binnen onderhavig plan niet overschreden. Een nader archeologisch onderzoek is derhalve niet aan de orde.
5.11.3 Conclusie In het kader van onderhavig bestemmingsplan worden de reeds aanwezige dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 5' binnen het plangebied gehandhaafd (conform het vigerend bestemmingsplan 'Heerlen-Stad Noord'). Mogelijk aanwezige archeologische resten worden zodoende in voldoende mate beschermd binnen het plangebied. Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden binnen het plangebied, moet hiervan conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.
5.12
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen monumenten gelegen. Wel is de 'Willemstraat' ten noorden van het plangebied op de 'Cultuur Historische Waardenkaart Limburg' aangeduid als 'weg ouder dan of gelijktijdig met middeleeuwse verkaveling'. Onderhavige ontwikkeling oefent echter geen invloed uit op het verloop en profiel van de Willemstraat. Verder zijn er in de directe omgeving geen beeldbepalende of monumentale panden gelegen, voorzien van een beschermende regeling, die door de beoogde herontwikkeling zouden kunnen worden beïnvloed.
5.13
Trillingen
5.13.1 Onderzoek Gezien het plangebied is gelegen in de nabijheid van een spoorweg (ten zuiden van het plangebied) en het plangebied direct grenst aan de Spoorsingel is in verband met mogelijke trillingen als gevolg van trein- en wegverkeer een quickscan trillingen uitgevoerd. Ontwikkelingen Spoorsingel Heerlen; quickscan trillingen, rapportnummer 05627-51533-01, d.d. 18 juli 2019. Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 13 bij deze toelichting is opgenomen. Trillingen treinverkeer Ten aanzien van de potentiële trillingshinder heeft er binnen de quickscan een toetsing plaatsgevonden aan de navolgende parameters: 1. Type treinen (reizigers, goederen). 2. Afstand tot het spoor. 3. Aanwezigheid wissels en ES-lassen. 4. Rijsnelheid treinen. 5. Verdeling treinintensiteit over de dag-, avond- en nachtperiode. 6. Spoorligging. 7. Bodem. 8. Fundering gebouwen. 9. Dikte vloeren. Uit deze toetsing is gebleken dat er in potentie het risico is op hinder door trillingen. Echter
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
57
door de lage rijsnelheid van de treinen, de afstand tot het spoor en de samenstelling van de bodem uit leem betreft dit een laag risico. Daarnaast worden de woningen binnen onderhavig plan niet te licht gebouwd, waardoor de kans op trillingshinder klein is. Trillingen wegverkeer Conform de bouwmogelijkheden in paragraaf 4.2 kan de gehele rooilijn langs de Spoorsingel en de Robroekergats worden bebouwd. Voor de Spoorsingel betekent dit dat de nieuwbouw gescheiden wordt van de weg door een parkeerstrook, het fietspad en de stoep. De afstand tot de rand van de weg bedraagt circa 7 m. Het wegdek bevat een enigszins verdiept liggende putdeksel maar vertoont geen duidelijk beschadigingen, kuilen of richels. De rijsnelheid van het verkeer bedraagt 50 km/uur. De weg wordt gebruikt door zowel licht als zwaar verkeer. Door de korte afstand, het putdeksel, de rijsnelheid en het gebruik van de weg door zwaar verkeer bestaat er in potentie een risico op trillingshinder. Dit risico vormt een probleem als de woningen binnen het plangebied te licht worden gebouwd. De woningen binnen onderhavig plan worden echter niet te licht gebouwd, waardoor de kans op trillingshinder klein is.
5.13.2 Conclusie Aangezien het risico op trillingshinder door treinverkeer laag is en het risico op trillingshinder door wegverkeers beperkt heeft het aspect 'trillingshinder' geen belemmerende werking op onderhavig plan. Bij het ontwerp van de toekomstige woningen wordt rekening gehouden met het aspect trilling door de woningen niet te licht te bouwen.
5.14
5.14.1
Niet gesprongen explosieven
Onderzoek
Uit historisch vooronderzoek is gebleken dat de gronden binnen het plangebied verdacht zijn op de aanwezigheid van uit de Tweede Wereldoorlog achtergebleven conventionele explosieven (hierna: CE). Om toekomstige grondroerende werkzaamheden veilig te kunnen (laten) uitvoeren binnen het plangebied heeft euroradar derhalve een explosieven opsporingsonderzoek uitgevoerd (Proces-verbaal van oplevering explosieven opsporing Spoorsingel 40-47 te Heerlen, rapportnummer EU19-266-PVO-01, d.d. 18 december 2019). Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 14 bij deze toelichting is opgenomen. Oppervlaktedetectie Het plangebied (opsporingsgebied) is realtime gedetecteerd. In en rondom het opsporingsgebied bevonden zich zodanig veel verstorende objecten, dat de verstoringen (lees: objecten) vaak niet van elkaar te onderscheiden waren. Om deze reden is besloten het opsporingsgebied grotendeels laagsgewijs te ontgraven met behulp van een beveiligde graafmachine. De ontgraving heeft plaatsgevonden tot ca. 2.0m -mv. Vanaf deze diepte kon de resterende verdachte laag handmatig worden gedetecteerd en vrijgegeven. Objecten waarvan de signaturen overeen kwamen met het zoekdoel zijn direct benaderd, zowel met de hand als ondersteund door een beveiligde graafmachine.
Het benaderen van de op explosieven verdachte objecten heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid en op aanwijzing van een senior OCE-deskundige, ondersteund door assistent OCE-deskundigen. Tijdens de benaderwerkzaamheden zijn geen (restanten van) CE aangetroffen. Aangetroffen objecten zijn geïdentificeerd, gecontroleerd en als schroot omschreven. Deze zijnmeegenomen van de projectlocatie.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
58
5.14.2 Conclusie Het opsporingsgebied is onderzocht op de aanwezigheid van CE. Verdachte objecten die voldoen aan de gestelde criteria zijn direct benaderd. Hierbij zijn geen (restanten van) CE aangetroffen. Met de gebruikte zoekmethodiek zijn na het verwijderen van de objecten geen overige significante objecten welke overeenkomen met die van een CE meer waargenomen en is het gebied zonder dieptebeperking vrijgegeven om toekomstige werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
59
Hoofdstuk 6
Juridische planopzet
Dit hoofdstuk beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan 'Spoorsingel 42-46C'.
6.1
Inleiding
Bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van voorliggende toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie; GBKN) en kadastrale begrenzingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het sjabloon regels dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen.
6.2
Opbouw van de regels
De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels én die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden.
6.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: bestemmingsomschrijving; bouwregels; afwijken van de bouwregels;
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
60
specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden. Hierna volgt per bestemmingsonderdeel een korte toelichting. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen, bedrijven, detailhandel, recreatie, horeca etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zin 'met daarbij behorende'. Het betreft hier meestal functies als paden, groen, erven, etc. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar bevat ook inrichtingsaspecten. Bouwregels In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan afgeweken wordt, de maximale afwijking die met de afwijking kan worden toegestaan en eventueel de situaties of voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Als afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels). Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Hierin worden niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel afwijking kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan.
Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen, dienen soms aan een omgevingsvergunning gebonden te worden.
6.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
61
Met de algemene bouwregels wordt de bouw van bepaalde bouwwerken geregeld, die zijn toegestaan (of uitgesloten) binnen alle bestemmingen, voor zover daar per bestemming geen specifieke bouwregels voor zijn opgesteld. Algemene gebruiksregels In deze bepaling wordt aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. De specifieke gebruiksregel, zoals deze kan worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksregel van het bestemmingsplan. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat bij het bouwen voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Deze vallen samen met diverse bestemmingen, maar zijn niet aan te merken als dubbelbestemming. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan. Specifieke, op de bestemmingen gerichte, afwijkingen zijn reeds opgenomen onder de betreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven.
Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om een gedeelte van het plan te wijzigen ten behoeve van (geringe) wijziging van bestemmingsgrenzen op perceelsniveau of de vestiging van een seksinrichting. Per wijziging zijn voorwaarden opgenomen waaraan de wijziging moet voldoen.
Overige regels Dit sublid geeft aan hoe andere wettelijke bepalingen, waarnaar is verwezen in de regels, dienen te worden geïnterpreteerd
6.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsbepalingen In deze bepalingen wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het bestemmingsplan.
6.3
Toelichting van de bestemmingsregels
Deze paragraaf beschrijft hoe de verschillende bestemmingen in het plangebied zijn toegekend.
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
62
6.3.1 Wonen Aan alle gronden binnen het plangebied is de bestemming 'Wonen' toegekend. De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor woondoeleinden, tuinen en verkeersdoeleinden. Woningen dienen binnen de bestemming 'Wonen' gerealiseerd te worden binnen het bouwvlak. Er mogen binnen het bouwvlak maximaal 20 woningen gerealiseerd worden. Daarnaast mag maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gerealiseerd worden buiten het bouwvlak. De bouwhoogte van woningen mag maximaal de hoogte bedragen, zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'. Het aantal bouwlagen mag maximaal het aantal bouwlagen betreffen, zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen'. Binnen het plangebied geldt ten aanzien van een gedeelte van de bebouwing de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel'. Deze bouwaanduiding ziet erop toe dat de noordelijke kopgevel als dove gevel uitgevoerd dient te worden. Het toepassen van een dove gevel is echter niet noodzakelijk indien aangetoond is dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde of wanneer de geluidsbelasting de maximale ontheffingswaarde niet overschrijdt.
Daarnaast geldt dat het bouwen en het gebruik van de gronden, zoals bedoeld in artikel 3.1 en 3.2 alleen toegestaan is wanneer in het kader van de aanvraag hogere waarde bij de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen middels een gevelonderzoek aangetoond is dat de binnenwaarde voor de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt. Tot slot geldt dat het bouwen en het gebruik van de gronden, zoals bedoeld in artikel 3.1 en 3.2 alleen toegestaan is indien ten aanzien van de koude BLEVE de effectbeperkende maatregelen worden toegepast.
6.3.2
Waarde - Archeologie 2
Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming zijn specifieke voorwaarden opgenomen waaraan bij de toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning voldaan dient te worden.
6.3.3 Waarde - Archeologie 5 Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming zijn specifieke voorwaarden opgenomen waaraan bij de toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning voldaan dient te worden.
6.4
Bijzondere regelingen
6.4.1 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving Het komt regelmatig voor dat mensen bij de gemeente een verzoek indienen om een beroepsof bedrijfsmatige activiteit te mogen uitoefenen in hun woning. De gemeente staat hier niet onwelwillend tegenover, mits dit binnen bepaalde kaders plaatsvindt. Een belangrijk criterium is dat de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Voor een eenduidige beoordeling van dergelijke verzoeken is de beleidsregel 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving' op 25 februari 2014 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In de beleidsregel wordt bedrijvigheid in de woonomgeving in een tweetal subcategorieën onderverdeeld: a. de vrije beroepen, beroepen aan huis, ofwel aan huis gebonden beroepen (deze begrippen worden synoniem gebruikt); b. de consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten. Aan huis gebonden beroepen
bestemmingsplan Spoorsingel 42-46C
63
Onder de aan huis gebonden beroepen worden in ieder geval begrepen: architect, advocaat, acupuncturist, beeldhouwer, belastingadviseur, fysiotherapeut, grafisch ontwerper / desktop publisher, huisarts, hypotheekadviseur, juridisch adviseur, kunstschilder, makelaar, notaris, psycholoog, tandarts, verloskundige, dierenarts (kleine huisdieren), zakelijke dienstverlener, logopedist. Aan huis gebonden beroepen worden van oudsher geacht binnen de woonbestemming te passen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn aan huis gebonden beroepen binnen de bestemming 'Wonen' dan ook rechtstreeks toegestaan. Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten Onder consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten wordt dienstverlenende of ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging verstaan. Dergelijke activiteiten wijken qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk af van aan huis gebonden beroepen en kunnen dus eveneens plaatsvinden in de woonomgeving. Wel gelden hiervoor specifieke randvoorwaarden, die zijn vastgelegd in de beleidsregel.