Romeins Museum de Thermen_Toelichting
Tekst van het document
De kwaliteit van het aanwezige materiaal is doorslaggevend. Bij het toepassen van materialen en werkmethodes worden de volgende algemene duurzaamheidsprincipes gehanteerd: d. minder uitstoot van CO2, fijn stof, stikstof, andere broeikasgassen als gevolg van toegepaste materialen (productie en transport); dus ook bouwmaterieel emissie-vrij; e. minder milieubelasting in het plangebied en de omgeving ervan; f. zoveel mogelijk gebruik van hernieuwbare energiebronnen in aanleg en gebruiksfase; g. beschermen en stimuleren van gezondheid in en rondom het plangebied, als gevolg van aanleg en gebruik; h. minder uitputting van grondstoffen door streven naar optimaal circulair gebruik van materialen en zo veel mogelijk hergebruik van de aanwezige grondstoffen. Sluiten van de grondstofketen. Voor materiaalgebruik hanteren we de driedeling voor circulariteit (Trias Circumflex): 1. Gebruik zo weinig mogelijk nieuwe materialen en grondstoffen door vrijkomende materialen en grondstoffen in de keten te houden; 2. Gebruik secundaire grondstoffen ter vervanging van primaire grondstoffen in nieuwe producten; 3. Gebruik grondstoffen met lage CO2-emissie en niet-fossiele energie om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen in nieuwe producten; 4. Reduceren van CO2 op basis van MKI-waarde.
Voor betontoepassingen dient te worden gewerkt met duurzaam geproduceerd beton met een MKI-waarde (MKI: Milieukosten indicator) van max. € 25,-.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
27
Afbeelding 2 -7 Visuele weergave grondstoffenketen
Afstemming tussen duurzaamheidseisen De ambities voor duurzaamheid zijn voor een deel richtinggevend, alleen voor energie wordt een duidelijk niveau vereist. Deze voorwaarden zouden met andere duurzaamheidseisen op gespannen voet kunnen staan of als communicerende vaten kunnen werken. Daarom is een goede bepaling van duurzaamheidskwaliteit belangrijk en adequate en tijdige afstemming vereist tussen maatregelen voor de genoemde drie pijlers. Er is behoefte aan om in de ontwerpfase te bepalen hoe duurzaam of circulair het nieuwe gebouw wordt en in welke mate we invulling geven aan eisen en bijdragen aan ambities. Ook is belangrijk dat daarnaast de consequenties van keuzes voor andere kwaliteitseisen bespreekbaar worden gemaakt in een vroeg stadium en dat het bouwproces goed te volgen is. Tevens willen we goede borging van beoogde kwaliteit en een duidelijk uitleg over de bereikte kwaliteit van het gebouw. Aanbevolen wordt om in de ontwerpfase afstemming van de drie pijlers van het programma Duurzaamheid te bereiken met de duurzaamheidstool GPR Gebouw. Hierin wordt gewerkt met een score tussen 1-10 voor vijf pijlers waaraan een ambitie kan worden verbonden: Energie – 9 (BENG) Milieu – 7 Gezondheid – 8 Gebruikskwaliteit – 8 Toekomstwaarde – 8.
Een score van 7 voor de pijler milieu klinkt misschien wat laag, maar is een rechtstreekse resultante van een zeer hoge score op Energie (meer materiaal toevoegen om meer energie op locatie op te wekken). Een hogere score voor milieu is niet realistisch als minimale eis. In de ontwerpfase functioneert de GPR als een monitoringstool om de mate van duurzaamheid te bewaken en een goede afweging te onderbouwen. GPR kan ook bij gedeeltelijke nieuwbouw/verbouwing worden ingezet. De nieuw op te richten bebouwing wordt waar mogelijk gebouwd met duurzaam en/of uitkomend materiaal. Hiertoe is het hergebruik potentieel van het bestaande, deels te slopen gebouw volledig inzichtelijk gemaakt. Op basis hiervan is een hergebruikstrategie bepaald. Een en ander maakt onderdeel uit van het Innovatieproject Digital Deconstruction (DDC) Brightlands.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
28
Afbeelding 2 - 8 3D-scannen van het Thermenmuseum Heerlen (gtb-lab.com) Energietransitie Het Parkstad Limburg Energietransitie ambitiedocument (PALET) geeft een vooruitblik op de kansen en mogelijkheden voor een energie neutrale regio in 2040. Vanuit ruimtelijk oogpunt worden er gebieden benoemd die potentieel geschikt zouden kunnen zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie en gebruik van bodemenergie. In 2015-2016 is de lange termijn doelstelling om in 2040 als regio energieneutraal te zijn, vertaald in een uitvoeringsprogramma voor de korte termijn (2016 - 2020). In dit programma zijn concrete acties, maatregelen en projecten benoemd die ertoe moeten leiden dat in 2020 ten minste 8% van de totaalopgave tot 2020 wat betreft energiebesparing en duurzame energieopwekking is gerealiseerd. Voor nieuwbouw gelden inmiddels strenge wettelijke eisen die gehanteerd dienen te worden zoals de Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG-norm) en de verplichting dat er zonder een aardgasaansluiting gebouwd moet worden. De toepassing van mijnwater en zonne-energie dient hierbij als ontwerpeis voor de nieuwbouw te worden meegenomen. Conclusie plangebied Het nieuwe museum zal geen gebruik meer maken van aardgas voor verwarming. Verder wordt zo veel mogelijk uitvoering gegeven aan het geschetste duurzaamheidsbeleid.
2.4.6 Archeologiebeleid gemeente Heerlen Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta'. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
29
bekende en verwachte archeologische waarden. De Erfgoedwet juncto Monumentenwet 1988 geeft een vrijstelling van de onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze vrijstelling aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar beneden plaatsvinden. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens. Beleidsnota archeologie Op 31 oktober 2018 is de beleidsnota archeologie 'Erfgoed is identiteit, beleidsnota archeologie gemeente Heerlen' vastgesteld. In deze beleidsnota wordt het beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vastgelegd. Het archeologisch beleid van de gemeente Heerlen heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen' en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ruimtelijke ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Heerlen ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden.
Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde.
2.4.7 Archeologische verwachtings- en cultuurhistorischeadvieskaart Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische verwachtings-en beleidskaart opgesteld. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat is vertaald in een geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart. Deze kaart is door de gemeenteraad van Heerlen vastgesteld op 1 oktober 2013.
Het doel van de archeologische verwachtings- en beleidskaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden. Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet juncto de Monumentenwet 1988 vereist. Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De verstoring van de bodem dient dieper dan 40 cm onder de oppervlakte plaats te vinden voordat de onderzoekplicht geldt. Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.
Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde In gebieden met een lage verwachtingswaarde, geldt alleen voor grotere projecten (10.000
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
30
m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht. Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht. In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".
Afbeelding 2 - 9 Uitsnede Archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart met ligging plangebied in rood kader In het vigerende bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 1
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
31
(monument) en 2 (zeer hoge waarde) opgenomen. Deze worden in het voorliggende bestemmingsplan onverkort overgenomen. Conclusie Het bestemmingsplan maakt werkzaamheden mogelijk waarmee eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen worden aangetast. Er is specifiek archeologisch onderzoek uitgevoerd en op basis hiervan heeft de gemeente een selectiebesluit genomen. Een en ander wordt uitgebreid besproken in paragraaf 4.8).
2.4.8 Bodembeleidsplan 2016 Op 28 september 2016 heeft de gemeenteraad van Heerlen het bodembeleidsplan Heerlen 2016 vastgesteld, met daarin opgenomen de Nota bodembeheer en de bijbehorende Bodemkwaliteitskaart voor de gemeente Heerlen. Het bodembeleidsplan Heerlen 2016 geeft aan hoe de gemeente Heerlen omgaat met bodemverontreinigingen. Onderdeel van het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer met de bodemkwaliteitskaart waarin het beleid wordt beschreven voor hergebruik en toepassen van grond. Voor uitgebreidere informatie over het aspect bodem, zie paragraaf 4.3.
2.4.9 Watertakenplan 2020 - 2024 De zes gemeenten binnen de samenwerkingsregio Parkstad (Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Simpelveld, Voerendaal), het Waterschap Limburg en Waterschapsbedrijf Limburg hebben voor dit traject een gezamenlijk proces doorlopen. Dit heeft geleid tot het Integraal Waterplan en tot gezamenlijke standpunten die zijn verwerkt in de visie, ambitie en strategieën en kennisuitwisseling in dit watertakenplan. In het proces is ruimte gelaten voor de gemeenten om op onderdelen het beleid lokaal in te kleuren. In het plan is de gemeentelijke wateropgave voor de middellange termijn omschreven. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendig Heerlen", "Anticiperen op de Omgevingswet", "Samenwerken in de waterketen", "Meten, data en rekenen", "Beheer op maat" en "Werken aan waterbewustzijn". Door het opnemen van een uitvoeringsprogramma en een kostendekkingsplan wordt de komende jaren invulling gegeven aan de speerpunten. De toetsing van dit planvoornemen ten opzichte van voornoemd beleid is weergegeven in paragraaf 4.2.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
32
Hoofdstuk 3
3.1
Planbeschrijving
Inleiding
Het Romeins Museum in Heerlen: een nieuw nationaal, cultureel en onbegrensd knooppunt
Het unieke Romeinse erfgoed van de stad vormt een onuitputtelijke bron van ontdekkingen maar mist een aantrekkelijke 'landmark' om nieuwe generaties te verbinden aan het verleden en aan de toekomst. Heerlen is een stad die keer op keer laat zien dat transformatie en toekomst geven aan het verleden hand in hand gaan. Het is een pionierstad, al eeuwen. De gemeenteraad van Heerlen ging in 2021 unaniem akkoord met een investering om het Romeins Museum te realiseren. De directe aanleiding is dat de instandhouding van het rijksmonument Romeins badhuis bedreigd wordt door de huidige huisvesting. De gemeente benut deze kans om dit oudste stenen gebouw van Nederland – ouder dan het Colosseum - als topstuk van het Romeins verleden van Heerlen en de regio te tonen. Vanuit een rotsvast vertrouwen in de unieke waarde van Heerlen als nieuw internationaal en cultureel knooppunt heeft Heerlen zich dan ook gecommitteerd aan de bouw en de ontdekkingsreis van het Romeins Museum en haar directe omgeving. De transformatie van Heerlen krijgt met het Romeins Museum een unieke versnelling en trekt hiermee een stevige lijn naar een nieuwe toekomst als cultuur- en kennisstad van regionaal, landelijk en internationaal belang. Een investering in een sterke culturele infrastructuur met nationale impact is dan ook noodzakelijk om dit mogelijk te maken.
Het nieuw te bouwen museum vormt ook internationaal gezien een belangrijke culturele ontwikkeling waarbij het badhuis, net als in 65 na Chr. culturen en mensen aan elkaar verbindt. Het Romeins Museum wordt het logische aanspreekpunt voor de Romeinse archeologie in de regio. Het nieuwe museum zal de poort tot het Romeinse verleden van de regio vormen en deze verhalen niet alleen in het museum vertellen maar ook samen met partners uitdragen buiten de museummuren, met nieuwe projecten in de stad en in de regio. Het museum zal een katalysator zijn voor andere maatschappelijke, economische en culturele projecten. Culturele en creatieve ondernemers en makers die vanuit de inspiratie van het topstuk, het museum zelf en de collectie maatschappelijke projecten opstarten om het Romeins verleden nog meer beleefbaar te maken. Het nieuw te bouwen museum in Heerlen wordt geen stenen fort, maar een naar buiten gekeerd toegankelijk, inclusief en tot de verbeelding sprekend museum midden in Heerlen. Gelegen in een aantrekkelijk stadsgebied dat het Romeins verleden uitademt en ruimte geeft voor ontmoeting en verbinding in de openbare ruimte. Van hieruit worden bezoekers verleid de stad en de regio te gaan verkennen. De context - Impact met vijf unieke waardes De impact van het nieuw te realiseren museum vormt zich in vijf unieke waardes.
Al deze waardes samen zorgen voor een vernieuwd en verstevigd verblijfsklimaat voor inwoners, toeristen en studenten, internationale aantrekkingskracht en levert een significante waarde aan de lokale en regionale economie. Erfgoedwaarde: Rijksmonument en collectie Het Romeins Museum staat voor het beheer, behoud en de presentatie van het unieke rijksmonument, het Romeins badhuis. Daarnaast worden in het museum de archeologische collecties van Heerlen beheerd, bewaard en gepresenteerd voor generaties nu en in de toekomst. Hiermee is het museum een schatkamer van lokale, regionale, nationale en Euregionale betekenis.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
33
Verbindende waarde: internationaal knooppunt Het Romeins Museum wordt een nieuw internationaal knooppunt. Het museum staat in directe verbinding met bezoekers maar ook met partners zoals het onderwijs, kennisinstellingen, start-ups en bedrijfsleven en specifiek ook het toerisme. Het Romeins Museum vormt één van de belangrijke trekpleisters van de regio Parkstad voor (dag)toeristen. Belevingswaarde: een nieuw drielandenpunt Met een uniek rijksmonument, sterke tentoonstellingen en een uitgebreide programmering binnen en buiten is het Romeins Museum niet alleen een gebouw om te bezoeken, maar geeft het een gezicht aan het Nederlandse en Euregionale Romeinse verleden – samen met partners! Educatieve en wetenschappelijke waarde Het Romeins Museum biedt een inclusieve en informele leeromgeving voor verschillende generaties. Het museum wordt een vaste waarde in het curriculum van scholen in de provincie Limburg. Het vormt een kennisplek voor studenten aan de diverse hogescholen en universiteiten zowel in Nederland als daarbuiten. Economische waarde Het Romeins Museum is een trekpleister voor de stad, de regio Parkstad en de Euregio. Het nieuwe museum zorgt voor een wervelende dynamiek en aantrekkingskracht door haar knooppunt functie. Met zijn educatieve, toeristische en wetenschappelijke waarde bevordert het museum het economisch klimaat van de stad en de regio Parkstad.
3.2
Het plan
Algemeen Gelet op het steeds grotere belang van het Romeins Museum voor Heerlen en de ambitie die het museum op landelijk en euregionaal gebied heeft en wenst te krijgen in de toekomst, dienen we de ontwikkeling te zien in het grotere perspectief van de plannen die voor het centrum van Heerlen zijn ontwikkeld. Het Centrum van Heerlen is onderverdeeld in 4 ruimtelijk en thematisch gevormde delen. Het Thermenmuseum bevindt zich in het Romeins Kwartier; een gebied dat zijn identiteit sterk ontleent aan de daar aanwezige archeologische resten uit de Romeinse tijd. Het is ook de plek waar het bestuurscentrum van Heerlen en de Vondst zijn gevestigd. Heerlen investeert in de kwaliteit van het toekomstige Romeins Museum dat een impuls aan haar directe omgeving moet geven. Het museum vormt met het nieuw gerealiseerde stadhuis (stadskantoor) de belangrijkste bouwsteen van het Romeins Kwartier. De wijze waarop dit gebouw aansluit op de binnenstad bepaalt het slagen van de operatie om het gehele gebied aantrekkelijker te maken voor burgers van Heerlen, bezoekers en toeristen. We hebben het dan over de kwaliteit en attractiviteit van de openbare ruimte, de gebouwde omgeving en haar programmering. Een gebied waar de bezoeker aangenaam wordt verrast door wat op zijn pad komt. Een omgeving die prikkelt en nieuwsgierigheid opwekt naar dat wat er in het verleden is geweest en wat er nu staat.
Van archeologische vondsten tot hoogstaande architectuur en kunst die het verhaal mee vertelt. Er wordt bij de transformatie van het bestaande Thermen Museum tot Romeins Museum dan ook grote aandacht gevraagd voor die aansluiting in schaal en maat op de ontwikkelingen rondom het Raadhuisplein. Het plangebied is een overgangsgebied van het stadscentrum van Heerlen naar een meer stedelijk woongebied dat met bouwblokken gegroepeerd is rondom het Hesselleplein en het Tempsplein. Het ontwerp Het huidige Thermenmuseum is opgebouwd uit een doosvormig volume bestaande uit de overkapping van de archeologische vindplaats van de Romeinse Thermen met een verhoogd deel aan de Deken Nicolaijestraat waarin een tentoonstellingszaal is gehuisvest. Aan de Coriovallumstraat staat de markante betonnen archieftoren, omringd door laagbouw met ruimtes met diverse functies zoals filmzaal maar ook kantoren. Het gebouwencomplex en het plangebied grenst aan bebouwing uit de jaren dertig met een invulling die varieert tussen woon- en kantoorfuncties. Het Romeins museum krijgt een nieuwe verschijningsvorm. Het bestaande gebouw wordt grondig verbouwd. In het ontwerp is de inrichting van de buitenruimte rondom het gebouw op
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
34
het eigen perceel zorgvuldig vormgegeven. Zo ontstaat er, doordat de oppervlakte van het museumgebouw compacter wordt, meer buitenruimte.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
35
Afbeelding 3 -1 3-D impressies nieuwe situatie Het rijksmonument badhuis de Thermen staat, als oudste stenen gebouw van Nederland (63 n.C.) voor het Romeins verleden van Heerlen, voor dé ontmoetingsplek van de Romeinse regio. Het huidige Thermenmuseum er omheen is ontstaan in de jaren '70, waarbij het badhuis is overdekt met het destijds nieuwe 'spaceframe'. Op het museum staat een betonnen archieftoren. Het gebouw is technisch verouderd, klimatologisch qua beheer en behoud van het monument niet toereikend en mist een voor een Romeins Museum relevante expressie. Het vernieuwde museum maakt het 'Romeinse geheim' van Heerlen toegankelijk voor een breed publiek. De voorgenomen verbouwing kent vijf kenmerkende aspecten: uitbreiden, waarbij een logistiek duidelijke opzet moet worden gecreëerd; eenheid brengen in de versnipperde en betekenisloze buitenruimte; technisch verbeteren en tegelijkertijd beleefbaar maken van het badhuis; bescherming van het rijksmonument door het creëren van een passend (binnen)klimaat omstandigheden (temperatuur en vochtigheid); voorzien in een passende expressie. De constructie van het badhuis dient intact te blijven. Rondom de badhuiszaal komt een nieuwe muur van Romeins metselwerk, met aan de buitenzijde detailleringen en opbouw volgens Romeinse metselwerk patronen en constructiewijzen.
Op de 4 kolommen van de deels te slopen archieftoren wordt een nieuw en compact museumdeel (de 'mansio') geconstrueerd met expositiezalen, kantoren en educatie-ruimten. Onder dit opgetilde volume ligt een ruime entree aan een groen pleintje. Het nieuwe bouwdeel is bekleed met gevelpanelen met een subtiele verwijzing naar de plaatselijke traditie van pottenbakken in de Romeinse tijd. Langs de expositiezalen loopt een hellingbaan naar beneden; na de tijdelijke en permanente expositie daal je hierlangs af naar de omloop van het badhuis. Een glazen of houten pad leidt vlak langs de opgraving.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
36
Afbeelding 3 -2 Impressie nieuwe situatie (doorsnede) Het ontwerp is verrassend logisch en maakt efficiënt gebruik van het bestaande. Het is groen en gastvrij. De 'mansio' is functioneel en flexibel, zodat het verhaal in steeds nieuwe vormen verteld kan worden. Bovenal is het nieuwe museum een aansprekende compositie van monumentaal en nieuw, die zelfverzekerd de Romeinse grondvesten van Heerlen uitdraagt. Bij de gevel van de 'mansio' is als basis een halfsteensverband van panelen gekozen met enkele grotere openingen, met name bij het dakterras. De raamopeningen bij de hellingbanen zijn daarentegen ontworpen als insnijdingen in het gevelvlak. Grotere glasvlakken, zoals bij het centrale trappenhuis aan de achterzijde, zullen met zeefdruk in de toon van de keramiek-panelen onopvallend worden opgenomen. Het voorstel is een doorlopend reliëf, gebaseerd op vaasvormen. De bouwmassa Het nu voor het plangebied ontworpen nieuwe museum toont zich aan de buitenzijde in twee helder gedefinieerde volumes met ieder een sterke eigen identiteit. Enerzijds het volledig gesloten grote volume waarbinnen het Romeins badhuis gelegen is, dat sterk verankerd ligt in de situatie als archeologische vindplaats. Een zwaar gebouw van baksteen met baksteenmotieven die herinneringen aan het Romeins verleden oproepen en het volume van destijds van het badhuis in de openbare ruimte zal laten voelen.
Dit volume wordt aan de achterzijde, zijnde de zuidzijde, begrensd door de Deken Nicolaijestraat, aan de oostzijde de Kruisstraat en aan de noordzijde door de Coriovallumstraat. Op de hoeken Deken Nicolaijestraat-Kruisstraat en Kruisstraat-Coriovallumstraat is het de hoogte van de omsluitende muur met daartussen hangend het bestaande spaceframe dat de archeologische site overspant. Een volume dat zich naadloos in zijn omgeving voegt en door zijn afwerking een verbinding aan gaat met de erachter gelegen woonwijk met bakstenen huizen, een bouwtechniek die door de Romeinen in onze regio is geïntroduceerd. Het volume verhoudt zich op een goede wijze tot de afmetingen van de panden die eromheen gelegen zijn. Anderzijds het licht gekleurde getilde hoge volume dat we moeten zien in de context van het grotere geheel van het Romeins Kwartier. Het volume gaat een dialoog aan met de bouwmassa's in haar omgeving en verhoudt zich hiertoe in haar hoogte. Het stadhuis, het nieuwe stadskantoor en het ertegenover gelegen gebouw van de Vondst. Qua hoogte is dit getilde deel van het Romeins Museum afgestemd op de hoogte van het nieuwe stadskantoor. Stedenbouwkundig is dus met name dit volume afgestemd op deze grotere context, die een nadrukkelijke zichtrelatie vanaf het Raadhuisplein mogelijk maakt, de plek van waaraf de meeste bezoekers zullen komen.
Een landmarkfunctie aansluitend op de zichtlijnen vanaf het Raadhuisplein. Maar ook komende vanaf het Van Grunsvenplein moet de hoogte zijn werking doen en is daarin maatgevend.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
37
Bezonning Het hogere volume dat zijn hoogte relateert aan het stadhuis vraagt wel aandacht voor de bezonning (schaduwwerking) in de achtertuinen van de omringende woningen en kantoren. Bij bepaling van de positie en de omvang van het hoge volume is hier zo optimaal mogelijk rekening mee gehouden. In het ontwerp wordt vanuit het gebouw bij de inrichting en functionaliteit van de ruimtes rekening gehouden met de oriëntatie naar de omgeving om het zicht op de aangrenzende achtertuinen zoveel mogelijk beperkt te houden in het kader van de privacy. Door middel van de versterking van de reeds aanwezige groene erfafscheidingen langs de perceelgrenzen wordt ook meer privacy gewaarborgd De plint Op de begane grond (ooghoogte) van het nieuwe complex aan de Coriovallumstraat, zal in het kader van een hoogwaardige belevingskwaliteit, sociale controle, beleefbaarheid en vanwege de centrumligging, geen blinde plint gerealiseerd worden. Dat betekent concreet dat ook op de begane grond (ooghoogte) functies gerealiseerd moeten worden die contact hebben (raamopeningen) met de straat. Aan het in te richten pleintje aan de Coriovallumstraat is daarom de publieksentree gesitueerd die zich onder het getilde volume met een lichte kleur bevindt. Een markante entree, transparant van opzet zodat de begane grond een open en wervende uitstraling heeft.
Deze openheid vormt een mooi contrast met het gesloten baksteen volume. Het gebouw aan de Kruisstraat en de Deken Nicolaistraat is dusdanig ontworpen dat hier een blinde gevel aanwezig is, die noodzakelijk is voor de optimale conservering van de Romeinse resten, maar er tevens voor zorgdraagt dat de verwachte bezoekers stromen hier geen overlast voor de aangrenzende woon- en werkomgeving zijn. Openbaar groen Het plangebied heeft te maken met vrij grote hoogteverschillen. Bij de aanleg van het openbaar groen wordt daar op een creatieve manier gebruik van gemaakt Op dit moment is rondom het museum een beperkte groene invulling aanwezig. Gezien de gewenste kwaliteitsverbetering, wordt gestreefd naar een meer groene inpassing van het gebouw op de locatie. In het voorgestelde ontwerp is het bebouwde oppervlak van het getransformeerde complex kleiner dan de oorspronkelijke bebouwing van het huidige Thermenmuseum. Hierdoor is er meer plek voor groen rondom het gebouw aangevuld met een welkome beperkte (ondergeschikte) terrasfunctie. Het bakstenen volume ligt in het plan ingebed in het groen dat zorgvuldig is vormgegeven. Naast het getilde volume is een open ruimte op het perceel gesitueerd, dat als voorpleintje voor het museum fungeert. Een aangenaam rustpunt in de stad.
Er dient ruime aandacht te worden gegeven aan de visie om de oorspronkelijke Romeinse bebouwing weer te geven in de omgeving (het 'Romeins tapijt') en de poging tot een samenhang van ideeën te komen met de ontwerpen voor het Raadhuisplein. Het voorliggende plan is een katalysator voor nieuwe kwaliteitsimpulsen in het gebied. Plannen rondom de locatie krijgen nu vorm die inspelen op een verhoging van de verblijfskwaliteit, versterking van het verhaal en een veiligere omgeving.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
38
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de voor deze ontwikkeling relevante omgevingsaspecten besproken.
4.1
Milieueffectrapportage
In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het bestemmingsplan: kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer-(beoordelings)plichtig zijn. De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang mer- of mer-beoordelingsplichtig. Deze mer-(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. De drempelwaarden zijn opgenomen in de C- en D-lijst bij het Besluit mer; mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op Natura2000-gebieden (in dat geval is een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk). Doel van een planmer is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van (in dit geval) een bestemmingsplan. In het planmer dient te worden beoordeeld of de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt, kan leiden tot ongewenste effecten voor het milieu.
Waar relevant beschrijft het planmer maatregelen waarmee negatieve effecten kunnen worden beperkt of voorkomen (of positieve effecten kunnen worden versterkt). Vormvrije m.e.r. beoordeling In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2).
Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. De voorgenomen ontwikkeling, het herbouwen van een bestaand museum, wordt beschouwd als een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 6000 m2 en blijft hiermee onder de drempelwaarden in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor het
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
39
voorliggende bestemmingsplan. In dat kader is een aanmeldnotitie opgesteld en als bijlage 1 toegevoegd. Hierin zijn de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling zijn beschreven. Procedure en beoordelingscriteria De m.e.r. beoordeling hoort bij het ruimtelijke plan (plan) waarin de hiervoor genoemde activiteiten mogelijk wordt gemaakt. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt dezelfde procedure als een formele m.e.r.-beoordeling: een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling zorgt, noch in de aanlegfase, noch in de gebruiksfase, voor zodanige belangrijke nadelige milieugevolgen dat een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Bij besluit van 4 oktober 2021 is besloten dat voor het bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen geen milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen. De aanmeldnotitie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.2
Water
Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk kunnen verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. In het kader van deze toets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat en worden vervolgens de beleidsregels (eisen) aangehaald waarmee in de watertoets gerekend moet worden.
4.2.1 4.2.1.1
Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. 4.2.1.2
Waterwet
De Waterwet (22 december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wet Bodembescherming is overgegaan naar de Waterwet. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan hemelwater geloosd worden op het openbaar riool.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
40
4.2.1.3
Wet ruimtelijke ordening en watertoets
De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden besproken met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. 4.2.1.4
Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water
Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw 'Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient' uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. 4.2.1.5
Nationaal bestuursakkoord water
Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Inter-provinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.
4.2.1.6
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water (voor ingewijden: dit zijn de KRW, ROR, KRM en MSP). Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van i. klimaatadaptatie j. waterveiligheid k. zoetwater en waterverdeling l. waterkwaliteit en natuur m. scheepvaart e n n. de functies van de rijkswateren
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
41
4.2.2 4.2.2.1
Regionaal en gemeentelijk beleid Provinciaal Waterprogramma 2022-2027
Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 2016-2021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode samen met de partners willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Het Provinciaal Waterprogramma werkt door in de Provinciale Omgevingsverordening en in omgevingsvisie en plannen van gemeenten en het waterbeheerprogramma van het Waterschap Limburg. 4.2.2.2
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Limburg
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met het water-beheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. Dat is een verplichting vanuit de Omgevingswet. Het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma hebben dezelfde looptijd en bieden de kaders voor dit waterbeheerprogramma. Zo zijn in het Nationaal Waterprogramma de Deltabeslissingen opgenomen. Het Provinciaal Waterprogramma geeft onder andere kaders voor het strategische grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor onze oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen en de overige wateren. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft hier de regionale invulling aan. Om te zorgen dat dit Waterbeheerprogramma in lijn is met het Provinciaal Waterprogramma is er zorgvuldig afgestemd. Het Waterbeheerprogramma beschrijft geen nieuw beleid, maar beschrijft de uitvoering van bestaand beleid of het voornemen om voor een thema nieuw beleid te gaan maken. De voortgang van de uitvoering van het programma wordt bewaakt via de jaarlijkse cyclus van kadernota, meerjarenbegroting en jaarbegroting. 4.2.2.3
Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019
Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden. De Keur is een document met regels die het waterschap hanteert om beken, dijken, waterwerken en grondwater in Limburg te beschermen. Het is een belangrijk document voor iedereen die bij, of met water, activiteiten onderneemt. In de keur zijn o.a. de normen opgenomen waaraan de verwerking van (hemel)water aan dient te voldoen. Deze normen heeft de gemeente Heerlen overgenomen en verwerkt in het Watertaken-plan Heerlen 2020-2024.
4.2.3 4.2.3.1
Gemeentelijk beleid Watertakenplan 2020-2024
Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast en droogte in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Het Watertakenplan 2020-2024 omvat de volgende items: evaluatie verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020; invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater; beleid, speerpunten en maatregelen; samenwerking Parkstad; personele en financiële middelen.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
42
4.2.3.2
Eisen aan de watertoets conform het Watertakenplan Heerlen 2020-2024
Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. De resultaten hiervan worden uiteindelijk vastgesteld in deze waterparagraaf. Hemelwater: Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. De gemeente houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan: hergebruiken; bergen en infiltreren in de bodem, de aanleg van groene daken; nood overstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratievoorziening; lozen naar oppervlaktewater; geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het overtollige hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het hemelwater altijd gescheiden aan te bieden.
Wanneer de verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is wordt bij de watertoets minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden. Eisen: Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen: Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur. Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging/infiltratie eis T=25 (35 mm in 45 minuten) en doorkijk naar T=100 (45 mm in 30 minuten). Minimale eis volgens rioolaansluitverordening gemeente Heerlen. Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen. Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag. Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden.
Vrijkomend vuilwater (wc's, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente. Grondwater De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwateroverlast en/of –onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn. Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
43
De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwaterkwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. Voor de gewenste ontwateringsdiepten wordt verwezen wij naar onderstaande tabel en figuur.
Gewenste ontwateringsdiepte (m, t.o.v. gemiddeld hoogste grondwaterstand)
Functie
Bestaand gebied
Nieuwbouw
Woningen met kruipruimte*
0,5
0,5
Woningen zonder kruipruimte*
0,3
0,3
Tuinen/groenvoorzieningen* 0,5 Voor natuurlijke groenvoorzieningen hebben we geen normen
0,5
Hoofdwegen **
0,7
1,0
Secundaire wegen en woonstraten **
0,7
0,7
Bedrijventerreinen**
0,7
0,7
* t.o.v. onderkant vloer; ** t.o.v. de kruin van de w e g Tabel 4 - 1 Ontwateringsdiepten
Afbeelding 4 - 1 Situatie waterhuishouding
4.2.4 Plangebied Voor het plan is een Waterparagraaf opgesteld. De waterparagraaf is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Hemelwater Met de realisatie van het voorliggende plan neemt het bebouwde oppervlak ten opzichte van de bestaande toestand af (met 12 %), en in de buitenruimte is (wat) meer ruimte voor groen. Bovendien is in het schetsontwerp enige ruimte opgenomen voor 'water'. De oppervlakken binnen het plangebied zijn opgenomen in onderstaande tabel. Gebruik
Oppervlak in m2 Wateropgave in m3
Bebouwing
2.715
95
Bestrating
1.700
60
Groen
1.075
-
Water
110
-
Totaal
5.600
155
Tabel 4-2 Wateropgave
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
44
In situaties waarin nieuwbouw wordt gerealiseerd gaat de gemeente uit van voorzieningen voor de opvang van hemelwater met een capaciteit van minimaal 3,5 m3 per 100 m2 bebouwd/verhard. De wateropgave per bebouwd/verhard deelgebied is in tabel 4-2 opgenomen en bedraagt totaal ca 155 m3. Om dit te realiseren zijn de volgende oplossingen denkbaar: Maaiveldverlagingen Op de ontwerpschets (zie onderstaande afbeelding) is aan de achterzijde van het nieuwe gebouw ca. 110 m2 ruimte voor water gereserveerd, de lengte van de 'waterpartij' is ca 33 m en de breedte 3,5 m. Deze waterpartij fungeert als buffer en is niet permanent gevuld. De wateropgave van 155 m3 betekent dat per m1 lengte van de voor water gereserveerde ruimte 1,41 m2 'natte dwarsdoorsnede' (155m3:110 m) nodig is. Bij een breedte van 3,5 m betekent dit een ruimte van ca 0,40 m, waarmee aan de normen wordt voldaan.
Afbeelding 4 - 2 Masterplan landschappelijke inrichting Kratten Meer kostbare alternatieven zijn kratten onder verharding. Deze zijn goed inpasbaar en niet zichtbaar maar wel kostbaar en lastiger te onderhouden. De kratten worden 'gevoed' vanaf de daken van de bebouwing (via regenpijpen) en de bestrating (verzameld via goten). Een bladvanger en zandvang beperken de kans op verstopping van de kratten. Bij een wateropgave van 155 m3 en een netto waterhoogte in kratten van 0,4 m zou ca. 390 m2 bestrating met kratten nodig zijn, dit is ca. 20-25% van het bestrate oppervlak rondom het gebouw. In beide geschetste alternatieven zullen de voorzieningen binnen een dag moeten kunnen leeglopen door infiltratie in de bodem. Gezien de gemeten doorlatendheden (infiltratieonderzoek, zie bijlage 4) kan dit geen probleem zijn. Van belang is dat het maaiveld van de buitenruimte niet vlak/horizontaal is. Hemelwater dat op verhardingen in lager gelegen delen (noordwesten) wordt opgevangen stroomt niet vanzelf/ onder vrij verval naar de waterbuffer, c.q. maaiveldverlaging aan de zuidwestzijde. Dit aspect verdient aandacht. Dit zou betekenen dat een deel van het op verhardingen opgevangen hemelwater met een bergingsvoorziening moet worden uitgerust, en met een pomp moet worden afgevoerd naar de buffer. Dit kan worden vermeden door te kiezen voor
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
45
een combinatie van buffer/oppervlakkige waterberging voor hemelwater afkomstig van daken en de hoger gelegen bestrating en kratten onder de verharding in de lager gelegen delen. Uiteraard kan ook worden besloten om dit deel van de wateropgave direct af te voeren naar de riolering. Conclusie Bij de verdere uitwerking van het plan moet rekening worden gehouden met de realisatie van voldoende opvangcapaciteit voor (hemel)water. De ambitie is om voor het maximaal haalbare te gaan, binnen de gestelde kaders en de mogelijkheden in het gebied. In de planregels is deze verplichting geborgd.
4.3
Bodem
Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegd gezag op basis van de Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie(s),
4.3.1 4.3.1.1
Beleidskader Bodembeleidsplan
Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van een brede maatschappelijke voorziening en omliggende voorzieningen mogelijk gemaakt, maar blijft de bestaande bestemming 'Maatschappelijk' vigerend. In 2023 is een verkennend bodemonderzoek inclusief vooronderzoek uitgevoerd dat nader wordt besproken in paragraaf 4.3.2. 4.3.1.2
Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
46
Afbeelding 4 - 3 Homogene deelgebiedenkaart Het plangebied is gelegen in het deelgebied Woonwijken
4.3.2 Plangebied Onderzoeken Binnen het plangebied is in januari 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (cf NEN 5740, NEN 5707 en NEN 5897), zie bijlage 2. De aanleiding voor het uitvoeren van het
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
47
bodemonderzoek is vormt de geplande transformatie en modernisatie van het Thermenmuseum. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is de bodemkwaliteit vast te leggen voor de bestemmingsplanwijziging en het verkrijgen van een Omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Ook is het van belang om inzicht te krijgen in de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de geplande grondroerende werkzaamheden ten behoeve van de ARBO. Er is een onderzoeksopzet gemaakt, die is goedgekeurd door de gemeente. Ten behoeve van het onderzoek is ook gebruik gemaakt van verschillende bodemonderzoeken die in het verleden in en in de omgeving van het plangebied hebben plaatsgevonden. Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende: in de bodem zijn veelal sporen tot zwakke bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen; in de boven- en ondergrond met hierin bodemvreemde materialen zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen, PAK en/of minerale olie aangetoond; In het kader van de Wet bodembescherming is nog geen beleid opgesteld voor PFAS. Het Handelingskader PFAS (versie van december 2021) geeft echter wel invulling aan de zorgplicht uit de Wet bodembescherming (Wbb).
Op grond hiervan geven de gemeten PFAS-gehalten geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek; De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat de bovengrond indicatief voldoet aan de kwaliteitsklassen variërend van achtergrondwaarde’ tot ‘wonen’ en de ondergrond aan de kwaliteitsklassen variërend van ‘achtergrondwaarde’ tot ‘industrie’; De analyseresultaten van de onderzochte grondmengmonsters met betrekking tot PFAS zijn indicatief getoetst aan de normen uit het geactualiseerde Handelingskader PFAS van december 2021. Hieruit blijkt dat de grond indicatief voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’; Zowel zintuiglijk als analytisch is er geen asbest aangetroffen. Op basis van het onderzoek is met voldoende zekerheid vastgesteld dat de locatie onverdacht is voor asbest; De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende tussenwaarde (index 0,5). De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering of restricties voor de voorgenomen transformatie en modernisatie van de onderzoekslocatie.
Met het oog op de uitvoering van de geplande grondroerende werkzaamheden en het toekomstige gebruik zijn er geen belemmeringen op basis van de aangetoonde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Conclusie Voor het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling en de uit te voeren werkzaamheden.
4.4
Natuurwaarden
Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In deze paragraaf is daarom een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.
4.4.1 Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
48
4.4.1.1
Natura 2000
De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. 4.4.1.2
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL2014 welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden die het Natuurnetwerk Nederland vormen en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Daarnaast geeft de Omgevingsverordening bescherming aan natuurlijke en landschappelijke waarden in de 'Bronsgroene landschapszone', het 'Beschermingsgebied Nationaal Landschap' en de 'Zone natuurbeek'. Op 5 januari 2018 is de wijzigingsverordening (GC03) gepubliceerd, deze verordening voorziet in de toevoeging van bescherming van de 'Zilvergroene natuurzone'. Tevens is door middel van deze wijziging een uitgebreidere beschrijving van de kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone en Beschermingsgebied Nationaal Landschap opgenomen. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. 4.4.1.3
Soortenbeschermingvanuit de Wet natuurbescherming
In de Wnb is soortenbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. andere soorten' (Bijlage A 'fauna' en onderdeel B 'flora' van de Wet natuurbescherming). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.