Romeins Museum de Thermen_Toelichting
Tekst van het document
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. 4.4.1.4
Soortenbeschermingvanuit provinciaal beleid
Op 6 december 2017 zijn de beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg in werking getreden. Dit beleid is erop gericht om ruimte te bieden voor ontwikkeling, soorten in een gunstige staat te behouden en administratieve lasten en onderzoekslasten te minimaliseren. De voornaamste aspecten uit dit beleid zijn: Aanpassen van de Rijkslijst jaarrond beschermde vogelsoorten tot 20 soorten met jaarrond beschermd nest en 19 soorten waarvoor een omgevingscheck volstaat (niet langer een onderscheid tussen cat. 1-4 en cat. 5). Dit houdt in dat o.a. nesten van de buizerd en sperwer niet langer volledig jaarrond beschermd zijn. Nesten van de boerenzwaluw, bosuil, huiszwaluw, raaf, rode wouw en torenvalk zijn echter wel jaarrond beschermd; Bij inzet van afdoende bewezen mitigerende maatregelen om een overtreding te
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
49
voorkomen is geen ontheffing benodigd; Bij behoud van functioneel leefgebied het verplaatsen van kunstmatige nestgelegenheid van jaarrond beschermde soorten zonder dat een ontheffing vereist is; Toetsen van effecten op circa 100 soorten mag ook in regionaal verband (i.p.v. enkel lokaal). 4.4.2
Beschermde gebieden
Relevante Natura 2000-Gebieden In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse relevante Natura 2000-gebieden: Geleenbeekdal op circa 0,7 km Kunderberg op circa 2 km; Brunssummerheide op circa 3 km.
Afbeelding 4 - 4 Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied Gezien de afstanden tot de beschermde gebieden leidt het plan niet tot verstoring in de vorm van bijvoorbeeld geluid- of lichthinder. De gevolgen van stikstofemissie van verbrandingsmotoren kunnen zich echter ook op grotere afstand voordoen in de vorm van stikstofdepositie. Dit aspect is verder onderzocht. 4.4.2.1
Stikstofdepositie
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is onderzocht of de sloop en bouw en/of het gebruik van het nieuwe museum zouden kunnen leiden tot een relevante toename van stikstofdepositie in nabij gelegen Natura 2000-gebieden (11). Stikstofemissie sloop- en bouwfase Met het plan wordt de verbouwing van het Thermenmuseum mogelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen voor de af- en aanvoer van materiaal, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de bouwwerkzaamheden. De aanlegfase is een tijdelijke ontwikkeling en zal minder dan één jaar duren. De
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
50
werkzaamheden worden in 2025 uitgevoerd met een bouwtijd van circa 2 jaar (tot 2027). De benodigde gegevens (type, draaiuren, brandstof verbruik, verkeersgegevens, etc.) voor de inzet van het materieel tijdens de bouwwerkzaamheden zijn bepaald op basis van de door de opdrachtgever aangeleverde informatie en informatie uit vergelijkbare projecten. Er zijn berekeningen uitgevoerd ten aanzien van de aanlegfase. Uit dit onderzoek blijkt dat de er geen toename van stikstofepositie ontstaat. Stikstofemissie gebruiksfase Het nieuwe pand zal niet meer worden verwarmd met aardgas en is daarmee gasloos. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase worden uitsluitend veroorzaakt door de verkeersbewegingen van en naar het museum. Op basis van de aangeleverde informatie worden er dagelijks maximaal 300 lichte verkeersbewegingen, 4 middelzware vrachtbewegingen en 8 busbewegingen verwacht. Hierbij is een worstcasescenario gehanteerd waarbij al het verkeer, inclusief vracht- en busverkeer, zich richting de parkeergarage aan de Uilestraat zal begeven. Voor de gebruiksfase is uitgegaan van het rekenjaar 2027. Uit de berekeningen blijkt dat er in de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie ontstaat.
Conclusie Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. 4.4.2.2
Beschermde gebieden
Het plangebied zelf vormt geen onderdeel van een Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden bevinden zich aan de zuidwestzijde van Heerlen, het Geleenbeekdal en de Kunderberg. Het Geleenbeekdal bevindt zich hemelsbreed het dichts nabij het plangebied, namelijk op iets meer dan 1 kilometer afstand. In de Provincie Limburg is het Natuurnetwerk Nederland opgedeeld in zogenaamde Goud-, Zilver- en Bronsgroene Zones. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van deze zones. Ook liggen deze zones op voldoende afstand om te voorkomen dat er vanuit het plangebied effecten in deze zones kunnen ontstaan (externe werking).
4.4.3 Beschermde soorten In opdracht van gemeente Heerlen is een quickscan ecologie uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Coriovallumstraat. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) met betrekking tot soortbescherming en gebiedsbescherming (inclusief Natuurnetwerk Nederland, hierna NNN en Natura 2000). De quickscan bestaat uit een eenmalig veldbezoek in combinatie met een bureaustudie en is als (bijlage 8) bij de toelichting opgenomen. Hieronder zijn de effecten op de verwachte natuurwaarden opgenomen op basis van de planontwikkeling. De effectenbeoordeling richt zich op de wijziging in bestemming. Een effectenbeoordeling op uitvoeringsniveau is in dit stadium van de planvorming nog niet mogelijk. Vogelrichtlijnsoorten 1. Algemene broedvogels: Er kan een mogelijk aantasting van verblijfplaatsen plaatsvinden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. 2. Vogels met een jaar rond beschermde nestplaats: Het plangebied vormt voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest geen
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
51
broedgebied of essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving van soorten die broeden in de nabijheid. Habitatrichtlijnsoorten 1. Vleermuizen Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er alleen raakvlakken met het voorkomen van gewone- en ruige dwergvleermuis, in het geval vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing. Onderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen is nodig om de aanwezigheid aan te tonen, dan wel uit te kunnen sluiten. In het geval verblijfplaatsen aanwezig zijn, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. 2. Vrijgestelde Nationaal beschermde soorten Er zijn geen verblijfsplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën aangetroffen. De uitvoering van de ontwikkeling kan mogelijk verstorend werken voor egel, muizensoorten, gewone pad en bruine kikker. Geadviseerd wordt om te voldoen aan de zorgplicht. Indien hieraan kan worden voldaan zijn vervolgestappen niet noodzakelijk. Er zijn enkele verblijfsplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën aangetroffen. Er moet aan de zorgplicht worden voldaan. Indien hieraan kan worden voldaan zijn vervolgestappen niet noodzakelijk. 3. Niet of deels vrijgestelde Nationaal beschermde soorten In en om het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van eekhoorns of andere hier relevante soorten aangetroffen.
Omdat in het plangebied diverse gebouw bewonende vleermuizen voorkomen en het plangebied verblijfplaatsen kan bevatten en potentieel leefgebied kan vormen, is nader onderzoek noodzakelijk. Het nader onderzoek is inmiddels uitgevoerd Zie bijlage 9). Uit het onderzoek blijkt dat het museum niet in gebruik is als vaste voortplantings- of rustplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen. Wel is het groen aan de noordoostzijde van de onderzoekslocatie essentieel foerageergebied van in de omgeving verblijvende gewone dwergvleermuizen. Door het treffen van maatregelen kan de overtreding van een verbodsbepaling echter voorkomen worden waardoor een ontheffingsaanvraag niet aan de orde is. De vereiste maatregelen zijn: Zorg ervoor dat er in de toekomstige situatie evenveel of meer groen aanwezig is dan in de huidige situatie en behoud de huidige verhoging waarop het groen aanwezig is. Bij het verwijderen van kleine hoeveelheden groen er eerst voor zorgen dat er nieuw groen aanwezig is. Voorkom directe uitstraling van verlichting op het groen de eerste twee uur na zonsondergang en de laatste twee uur voor zonsopkomst. Het foerageergebied dient zo min mogelijk verlicht te worden door te werken met lage armaturen, die niet naar boven uitstralen, LED verlichting (heeft een scherpe cut-off zodat verstrooiing zoveel mogelijk wordt tegengegaan), dynamische verlichting en/of amberkleurig licht.
Eventueel kan er gewerkt worden met een eerste barrière van groen die verlichting van het achterliggende foerageergebied tegenhoudt. Als aan deze maatregelen wordt voldaan kan overtreding van een verbodsartikel voorkomen worden, zodat er geen ontheffing noodzakelijk is. Indien deze maatregelen niet getroffen kunnen worden is ontheffing wel noodzakelijk. Het nader onderzoek naar vleermuizen is van september 2021. In de regel kan gedurende 3 jaar van een dergelijk onderzoek gebruik worden gemaakt. De gemeente heeft er voor gekozen het gebouw ongeschikt te (laten) maken voor vleermuizen. Er is een ecologisch werkprotocol opgesteld (zie bijlage 12), waarin de maatregelen staan die bij de werkzaamheden (het ongeschikt maken) moeten worden getroffen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Het onderzoek is in 2024 geactialiserd waarbij ook een nieuw veldbezoek heeft plaatsgevonden (zie bijlage 11) Ten aanzien van dit onderzoek is vasgesteld dat de huidig situatie van de onderzoekslocatie hetzelfde is als drie jaar geleden, waardoor niet te verwachten is dat er nu vleermuizen aanwezig zijn in het pand. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door het verwijderen van groen en het
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
52
grind op het dak buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
4.4.4 Conclusie Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect leidt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Uit de uitgevoerde quickscan en actualisatie is gebleken dat verblijfsplaatsen voor vrijgestelde nationaal- en niet of deels vrijgesteld nationaal beschermde soorten zijn aangetroffen. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd in de periodes waarin vrijstelling geldt en aan de zorgplicht kan worden voldaan, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Doordat bepaalde maatregelen worden genomen om de omgeving van het nieuwe museum te behouden als essentieel foerageergebied voor in de omgeving verblijvende dwergvleermuizen, worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De inrichting van het groen is mede daarom in samenspraak met een ecoloog verder bepaald. Het gebouw zelf wordt ongeschikt gemaakt voor vleermuizen. Bij deze werkzaamheden wordt een speciaal hiervoor opgesteld ecologisch werkprotocol gevolgd.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Nationaal beleid In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen. Daarmee hangen de volgende besluiten en regelingen samen: Besluit gevoelige bestemmingen Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. 4.5.1.1
Besluit gevoelige bestemmingen
Conform artikel 5.16a van de Wm kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen (Besluit) opgesteld. Het Besluit beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
53
4.5.1.2
Niet in betekenende mate (NIBM)
In de AMvB 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door de gemeente.
4.5.2 Plangebied In het voorliggende bestemmingsplan wordt de herontwikkeling van het Romeins museum mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling valt niet onder één van de beschreven categorieën van gevallen. Om te bepalen of dit plan bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit is daarom gebruik gemaakt van de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu. In deze tool dient het extra aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie te worden ingevoerd.
Om de generatie van verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW, november 2018). Voor de verkeersbewegingen van motorvoertuigbewegingen per etmaal wordt verwezen naar Bijlage 11 Ecologie: stikstofdepositie.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
54
Afbeelding 4 - 5 Resultaat NIBM-tool
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
55
Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer leveren daarom geen beperkingen op voor de ontwikkeling. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Nationaal beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. 4.6.1.1
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. 4.6.1.2
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
56
Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per bestemmingsplan beoordeeld.
4.6.2 Gemeentelijk beleid In de 'Beleidsregel voor externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moeten worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Een aanscherping c.q. actualisatie wordt meegenomen in de nog op te stellen omgevingsvisie. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden. In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren.
De invloedsgebieden van respectievelijk BEVI-inrichtingen, hogedruk aardgasleidingen en spoor-, rijks- en provinciale wegen zijn op kaarten weergegeven. De invloedsgebiedenkaarten lenen zich als praktisch instrument voor een quick scan bij een ruimtelijk project om gemakkelijk vast te stellen of de externe veiligheid in beschouwing genomen moet worden en het groepsrisico verantwoord. De kaarten hebben een signaalfunctie. Ze geven ook aan waar de zoneringen voor de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico liggen die zich wettelijk verplicht dienen te vertalen in de planregels. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van voorliggende paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek.
4.6.3 Plangebied Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl), het geldende bestemmingsplan, de studie 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening' (AVIV, projectnummer 142686 d.d. 26.11.2014) en de Regeling Basisnet zijn externe veiligheidsrisico's beoordeeld in een notitie Externe Veiligheid (zie bijlage 7). Op basis van de openbare risicokaart zijn de risicobronnen geïnventariseerd, zie onderstaande afbeelding.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
57
Afbeelding 4 - 6 Risicokaart (plangebied blauw omcirkeld) De risicobronnen zijn: 1. Tamoil De Kissel – Kissel 43; 2. Transport van gevaarlijke stoffen, provinciale weg N281: knooppunt Ten Eschen - (A76) – knooppunt Bocholtz (A76); 3. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, spoorlijn Sittard – Heerlen; 4. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, A79: knooppunt Kunderberg – Keulseweg; 5. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, A76: knooppunt Ten Esschen – knooppunt Kunderberg; 6. Hogedrukaardgasleiding Gasunie: a. A-645 b. A-578 c. Z-504-03.
4.6.3.1
Beoordeling plaatsgebonden risico
Tamoil de Kissel De risicobronnen binnen de inrichting aan de Kissel 43 betreffen een vulpunt, een LPG-reservoir en een LPG-afleverinstallatie. Op basis van de openbare risicokaart geldt een risicocontour van maximaal 35 meter. De gevoelige functies binnen het plangebied zijn gelegen op een afstand van meer dan 1,5 kilometer ten opzichte van deze bronnen, waardoor deze bronnen geen belemmering opleveren voor het plan. Transport van gevaarlijke stoffen, provinciale weg N281: knooppunt Ten Eschen - (A76) – knooppunt Bocholtz (A76) Conform de gegevens van de risicokaart heeft deze provinciale weg geen PR 10-6 contour. Daarmee levert deze bron geen belemmering op voor het plan. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, spoorlijn Sittard – Heerlen Het plaatsgebonden risico voor de spoorlijnen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Er geldt volgens de Regeling voor het tracé ter hoogte van het plangebied een risicocontour van 0 meter voor de spoorlijn Sittard-Heerlen. Ter plaatse is er tevens geen sprake van een plasbrand-aandachtsgebied. Daarmee levert deze bron geen belemmering op voor het plan. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, A79/A76
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
58
Volgens de Regeling basisnet geldt voor het wegtracé A79 (knooppunt Kunderberg – Keulseweg) een risicocontour van 0 meter. Overigens is ter plaatse geen sprake van een plasbrandaandachts-gebied. Voor het wegtracé A76 (knooppunt Ten Esschen – knooppunt Kunderberg) geldt, conform de Regeling basisnet, een risicocontour van 7 meter. Tevens is sprake van een plasbrand-aandachtsgebied. Dit gebied strekt zich uit tot 30 meter vanaf de buitenkant van de weg. Het plangebied is op een afstand van respectievelijk circa 600 meter en 1,75 kilometer gelegen ten opzichte van de wegtracés A79 (knooppunt Kunderberg – Keulseweg) en A76 (knooppunt Ten Esschen – knooppunt Kunderberg). Het plaatsgebonden risico van deze bronnen vormt daarmee geen belemmering. HogedrukaardgasleidingenGasunie Ten behoeve van het bestemmingsplan ‘Heerlen West’, vastgesteld 2022-07-05, is onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Uit deze berekeningen is gebleken dat enkel de buisleiding A-645-deel-1 een 10-6 risicocontour heeft die buiten de leiding valt op een afstand van circa 120 meter aan weerszijden van de buisleiding. De PR-contour reikt daarmee niet tot het plangebied, waarmee deze bronnen geen belemmering opleveren voor het plan. 4.6.3.2
Beoordeling groepsrisico
Tamoil de Kissel Voor de inrichtingen aan de Kissel 43 geldt een afstand tot de grens van het invloedsgebied van 150 meter. De inrichting bevindt zich op meer dan 1,5 kilometer van het plangebied waardoor nader onderzoek met betrekking tot het groepsrisico voor deze inrichting niet noodzakelijk is. Transport van gevaarlijke stoffen, provinciale weg N281: knooppunt Ten Eschen - (A76) – knooppunt Bocholtz (A76) Conform de gegevens van de risicokaart vinden er 542 transporten GF3 plaats op de provinciale weg N281. De hoogte van het groepsrisico is vastgesteld door de toepassing van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART): Over de N281 worden geen stoffen uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 vervoerd, waardoor een RBM II berekening niet aan de orde is; Op basis van de aanwezigheidsdichtheid ter hoogte van het plangebied van circa 60 personen/ha en een afstand van het wegtracé tot het plangebied van circa 360 meter blijkt dat het aantal vervoerseenheden ruim onder de drempelwaarde1 is gelegen. Het groepsrisico ligt daarmee onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg is, mede gezien de grote afstand, daarmee niet van invloed op het plan. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, spoorlijn Sittard – Heerlen De spoorlijn Sittard-Heerlen ligt op een afstand van circa 500 meter tot het plangebied.
Het plan ligt daarmee op een grotere afstand dan 200 meter zoals genoemd in artikel 8 lid 1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hiermee vervalt de wettelijke verplichting om het groepsrisico te verantwoorden. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, A79/A76 De afstand van de wegtracés A79 (knooppunt Kunderberg – Keulseweg) en A76 (knooppunt Ten Esschen – knooppunt Kunderberg) tot het plangebied bedraagt respectievelijk circa 600 meter en 1,75 kilometer. Hiermee ligt het plan op een grotere afstand dan 200 meter zoals genoemd in artikel 8 lid 1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hiermee vervalt de wettelijke verplichting om het groepsrisico te verantwoorden. HogedrukaardgasleidingenGasunie Voor de aardgasleidingen van Gasunie zijn de 1%- en de 100% letaliteitscontouren opgenomen in onderstaande tabel:
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
59
Tabel 4 - 3 Letaliteitscontouren Gasunie Het plangebied ligt met een afstand van meer dan 1,85 kilometer ruim buiten deze invloedsgebieden. Omdat een toevoeging van personen op een dergelijk grote afstand geen invloed heeft op het groepsrisico is verder onderzoek niet noodzakelijk. 4.6.3.3
Verantwoording groepsrisico
Het plangebied is gelegen binnen: De effectafstand van de N281 waarover toxische vloeistoffen (LT2) worden vervoerd; de effectafstand van de A76 waarover toxische vloeistoffen (LT3) worden vervoerd. Bijgevolg dient voor deze risicobronnen ingegaan te worden op: a. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp, en; b. Voor zover het plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. Conform artikel 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is het plan aan de veiligheidsregio (Brandweer Regio Zuid-Limburg) toegezonden. Dit is meegezonden naar de Veiligheidsregio. 4.6.3.4
Advies veiligheidsregio
Als onderdeel van de Veiligheidsregio beoordeelt de brandweer de bereikbaarheid van het plangebied en de daaraan verbonden objecten of inrichtingen. Dit doet de brandweer aan de hand van de 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid'. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen planregels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid.
4.6.3.5
Hoogspanningslijnenen zendmasten
De magneetveldzones rond het bovengrondse hoogspanningsnet zijn door het RIVM vastgelegd in de Netkaart. Deze Netkaart bevat de breedte van de indicatieve magneetveldzone. Indien de indicatieve zone een bestemmingsplan overlapt, moet nader onderzoek plaatsvinden. Uit de onderstaande afbeelding blijkt dat de dichtstbijzijnde hoogspanningslijnen ten noorden en ten oosten van het plangebied zijn gelegen op een afstand van meer dan 1,5 km.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
60
Afbeelding 4 - 7 Uitsnede Netkaart Uit het Antenneregister blijkt dat de meest nabij gelegen zendmasten op een afstand van circa 200 meter liggen. Dit betreffen GSM-masten, LTE-masten, UMTS-masten, 5G-masten, PAMR-masten en vaste verbindingen.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
61
Afbeelding 4 - 8 Uitsnede kaart Antenneregister
Agentschap Telecom, toezichthouder op het gebruik van elektromagnetische velden, voert jaarlijks door heel Nederland steekproefsgewijs veldsterktemetingen uit om na te gaan of de blootstellingslimieten worden overschreden. Uit geen enkele van de veldsterktemetingen blijkt dat de blootstellingslimieten op publiek toegankelijke plaatsen in Nederland worden overschreden. 4.6.3.6
Conclusie plangebied
Aangezien het plangebied is gelegen binnen de effectafstand van de A76 dienen de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg meegewogen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag heeft het plan voorgelegd aan de veiligheidsregio om advies uit te brengen over bestrijding van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied. De overige risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied vormen geen belemmering voor de omvorming van het bestaande Thermenmuseum naar het nieuwe Romeins Museum de Thermen in Heerlen.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
62
4.7
Bedrijfshinder
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
4.7.1 Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een 'rustige woonwijk', dan wel een 'rustig buitengebied'. Als deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijke ordening. Indien één van deze afstanden niet wordt gerespecteerd is nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of alsnog sprake kan zijn van een milieuhygiënisch verantwoorde situatie. De richtafstanden in de lijst bij de publicatie gelden voor een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. In dit geval is sprake van een gemengd gebied (stedelijk gebied), waarin nu en straks verschillende functies aanwezig zijn.
4.7.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen in een stedelijke omgeving en maakt zodoende deel uit van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Voor een museum geldt – conform de VNG-publicatie - een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. Aan deze richtafstand en dus aan stap 1 uit de VNG-publicatie wordt logischerwijze dan ook voldaan. De nieuwe situatie kan desondanks gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat in de omgeving, in de vorm van geluideffecten. Om aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat is een akoestisch onderzoek - conform stap 2 - uit de VNG-publicatie uitgevoerd naar de geluidbelasting in de representatieve bedrijfssituatie op de meest nabijgelegen woningen uitgevoerd. Voor het volledige akoestische onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 6 deel van deze toelichting uitmaakt. In stap 2 wordt de geluidimmissie van het plan ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen bepaald en wordt beoordeeld of deze geluidniveaus voldoen aan het toetsingskader in stap 2 van de VNG-publicatie. De richtwaarden uit stap 2 voor een gemengd gebied zijn gelijk aan de standaard geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. In het kader van het Activiteitenbesluit worden echter verschillende situaties (o.a. het laden en lossen in de dagperiode) uitgesloten van toetsing. Deze zaken kunnen wel van invloed zijn op het woon- en leefklimaat.
Uitgangspunt voor het akoestisch onderzoek vormt de geluiduitstraling van het museum tijdens de maximaal representatieve bedrijfssituatie (hierna: RBS): de bedrijfssituatie waarbij de voor de geluidsproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor de bedrijfsvoering bij volledige capaciteit. Activiteiten die gezamenlijk ten hoogste 12 keer per jaar voorkomen en leiden tot een hogere geluidsproductie, worden buiten beschouwing gelaten. Relevante en dus onderzochte bronnen van geluid met betrekking tot de RBS van het museum
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
63
zijn: c. Geluid als gevolg van verkeersbewegingen (o.a. laden en lossen); d. Installatiegeluid als gevolg van de opgestelde installaties. e. Het stemgeluid op het terras van de mansio; f. Het waterelement op het terras van de mansio. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd dat de geluidbelasting als gevolg van de exploitatie van het museum voldoet aan de richtwaarden conform stap 2 uit de VNG-publicatie. Hierbij is een onderbouwde aanname gedaan voor het brongeluid van het waterelement. Bij het uitwerken van dit onderdeel moet dit bronniveau worden gerespecteerd. Er is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening.
4.8
Archeologie
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta'. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die vanaf 1 juli 2016 deels is overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2024 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Monumentenwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.
4.8.1 Beleidsnota archeologie Op 31 oktober 2018 is de beleidsnota archeologie 'Erfgoed is identiteit, beleidsnota archeologie gemeente Heerlen' vastgesteld. In deze beleidsnota is het beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vastgelegd. Het archeologisch beleid van de gemeente Heerlen heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen' en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ruimtelijke ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Heerlen ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
64
4.8.2 Archeologische verwachtings- en beleidskaart Heerlen Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat is vertaald in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart. De archeologische verwachtingskaart is door de gemeenteraad van Heerlen vastgesteld op 1 oktober 2013.
Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden. Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten: voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet juncto de Monumentenwet 1988 vereist. Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen: voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De verstoring van de bodem dient dieper dan 40 cm onder de oppervlakte plaats te vinden voordat de onderzoekplicht geldt. Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde: voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.
Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde: in gebieden met een lage verwachtingswaarde, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht. Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde: in deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht. 4.8.3 Plangebied Het plangebied is op de archeologische beleidskaart gelegen in een gebied dat is gekarteerd als waarde 1 (archeologisch rijksmonument) en waarde 2 (zeer hoge archeologische waarde). De voorgenomen ontwikkelingen overschrijden de ondergrenzen onderzoeksplicht. Daarom is onderzoek noodzakelijk. In opdracht van de gemeente Heerlen heeft RAAP in augustus-oktober 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd ten behoeve van het plangebied Thermenmuseum te Heerlen (zie bijlage 5). De aanleiding betreft de bouw van het nieuwe museum op de locatie van het oude museum, hetgeen mogelijk nog aanwezige archeologische resten kan verstoren. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) heeft tot doel de archeologische verwachting voor het gebied te toetsen door de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw en eventuele bodemverstoringen in kaart te brengen.
Deze onderzoeksfasen zijn onderdeel van het traject van archeologisch vooronderzoek dat als einddoel heeft de archeologische waarde van het terrein vast te stellen.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
65
Afbeelding 4 - 9 Ligging plangebied op archeologische verwachtings- en beleidskaart
Landschap Geomorfologisch gezien behoort het plangebied tot een lössglooiing, waarin radebrikgronden en bergbrikgronden kunnen voorkomen. Binnen het museum is in het verleden een goed bewaarde brikgrond van een radebrikgrond of weinig geërodeerde brikgrond vastgesteld. De oostelijke palaestra is hoogstwaarschijnlijk in de Romeinse tijd iets afgegraven, ten behoeve van de bouw van het badhuis. De boringen buiten het museum hebben weinig uitsluitsel gegeven over de huidige bodemgesteldheid buiten het museum, omdat bijna alle boringen op ondoordringbaar puin zijn gestoten. Direct ten zuidwesten van het Thermenmuseum is het oorspronkelijke bodemprofiel ernstig afgetopt. Verder zijn verschillende delen in het plangebied verstoord als gevolg van bouw en sloop in het verleden, egalisering en de aanleg
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
66
van kabels en leidingen. Archeologie Over het meest zuidwestelijke perceel binnen het plangebied is een melding bekend uit het jaar 1936, waarin divers muurwerk en een profiel door de laat-Romeinse gracht worden beschreven. De meeste archeologische informatie komt van de opgravingen in de jaren '40 (Beckers en Van Giffen) en de jaren '50 (Bogaers), waarbij niet alleen het badhuis is opgegraven maar ook een gebied daaromheen: het zogenaamde thermenterrein. De resultaten hiervan zijn pas recentelijk definitief uitgewerkt en gepubliceerd. Met dit onderzoek is niet alleen de chronologie van het badhuis en overige structuren rondom het badhuis scherper gesteld, maar ook een synthese over de ontwikkeling van Coriovallum geschreven. Specifieke archeologische verwachting Voor het plangebied is een specifieke archeologische verwachting opgesteld, waarbij eerst op basis van de oude opgravingsgegevens de hoogste en de diepste archeologische niveaus zijn bepaald. In een tweede stap zijn latere verstoringen als gevolg van de bouw van het huidige museum, egalisering en de aanleg van kabels en leidingen in kaart gebracht, om te bepalen waar nog met archeologische resten gerekend kan worden. Tenslotte zijn de ingrepen ten behoeve van het nieuwe museum systematisch nagelopen om vast te kunnen stellen of deze mogelijk archeologische resten raken.
Dit lijkt inderdaad het geval te zijn, en wel vooral bij de aanleg van de nieuwe kelder (uitbreiding van de bestaande kelder), de aansluiting op het mijnwaternetwerk, de sloop (en verwijdering) van de oude kelder en de aanleg van delen van de nieuwe gevel. Op de advieskaart uit het RAAP-rapport zijn de zones waarvoor nog een hoge archeologische verwachting geldt, weergegeven (zie onderstaande afbeelding). Maar in de zones buiten de hoge verwachting kunnen archeologische resten niet met zekerheid uitgesloten worden.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
67
Afbeelding 4 - 10 Advieskaart archeologisch onderzoek Advies Geadviseerd wordt maatregelen te nemen ten aanzien van de sloop en de nieuwbouw, zodat eventueel aanwezige archeologische resten zo goed mogelijk beschermd blijven (behoud in situ) óf zo goed mogelijk worden onderzocht en veiliggesteld (behoud ex situ). Een combinatie van beide kan natuurlijk ook: resten kunnen ten dele worden opgegraven en ten dele behouden blijven. Concreet wordt met betrekking tot de archeologische werkzaamheden het volgende geadviseerd. In zones waar niet of nauwelijks sporen bewaard zijn, kunnen restanten van kleine sporen als paalsporen beter geheel worden opgegraven, terwijl grote sporen zoals de laat-Romeinse gracht, na documentatie en eventuele bemonstering, zich goed lenen om ze ten dele ook in situ voor toekomstige generaties te behouden. Als onderzoeksmethode wordt een opgraving voorafgaand aan de werkzaamheden geadviseerd, zodat alle resten in principe ex situ kunnen worden veiliggesteld, met mogelijke uitzondering van delen van de laat-Romeinse gracht. Een opgraving variant begeleiding is eventueel mogelijk, mits daarover goede afspraken worden gemaakt en archeologen genoeg tijd en ruimte krijgen de resten op te graven.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
68
Selectiebesluit Op basis van het archeologisch advies, heeft de gemeente het volgende selectiebesluit genomen: De bevoegde overheid neemt het advies van RAAP over. Dat wil zeggen dat vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt indien door planaanpassing behoud in situ niet mogelijk is. In bijlage 5 in het rapport van RAAP, zijn dieptes in m +NAP opgenomen tot welke diepte reeds archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Het vervolgonderzoek heeft betrekking op het hele plangebied, afgezien van de zwaar verstoorde zones op de advieskaart (bovenstaande afbeelding), ruitvormige arcering). Alhoewel de kans groot is dat ter hoogte van de oude opgravingsputten geen archeologische resten in situ bewaard zijn gebleven, zeker nadat hier ook nog een museum is gebouwd, kan het niet geheel worden uitgesloten. Daarom wordt ervan uit gegaan dat in de laatste opgravingsvlakken van de opgravingen uit de jaren '50 nog archeologische resten in situ aanwezig kunnen zijn vanaf het niveau van de diepst gedocumenteerde vlakken binnen de oude opgravingen (zie bijlage 8 in het rapport), of buiten deze putten (bijvoorbeeld de profieldammen) vanaf het hoogste niveau waarop archeologische resten kunnen worden vastgesteld. Vooropgesteld dat deze niveaus niet verstoord zijn tijdens latere gebeurtenissen, zoals de bouw van het huidige museum in de jaren '70 en de aanleg van kabels en leidingen sindsdien.
Archeologisch vondstmateriaal, tenslotte, kan overal worden aangetroffen, ook in reeds geroerde pakketten. In de advieskaart zijn zones afgebakend waarvoor de verwachting om archeologische resten aan te treffen het hoogst is. Het vervolgonderzoek dient bij voorkeur te bestaan uit een opgraving die voorafgaand aan de werkzaamheden plaatsvindt. Een opgraving variant archeologische begeleiding is eventueel ook mogelijk, mits daarover goede afspraken worden gemaakt en archeologen genoeg tijd en ruimte krijgen de resten op te graven. Ter plaatse van de laat-Romeinse gracht kan voor behoud in situ gekozen worden. Dat wil zeggen dat de gracht bij aantreffen wordt gedocumenteerd en eventueel bemonsterd, maar niet gecoupeerd en/of afgewerkt. Ook hier dienen voorafgaand goede afspraken gemaakt te worden. Gravend onderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de regioarcheoloog. Zonder goedgekeurd en geldig PvE, mogen de werkzaamheden niet starten. In aanvulling hierop geldt: Er geldt te allen tijde een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten.
Zolang terreinen een (te verwachte) archeologische waarde hebben en deze terreinen nog niet volledig zijn onderzocht (definitief vrijgegeven), dienen deze planologisch beschermd te blijven door middel van een dubbelbestemming 'Waarde-archeologie' in het betreffende bestemmingsplan. Dit geldt met name voor de zones en/of sporen waar voor behoud in situ is geopteerd. De bovenstaande uitgangspunten zullen als voorwaarden worden opgenomen in de te verlenen omgevingsvergunning. Conclusie: Het aspect archeologie vormt, onder de gestelde voorwaarden, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt binnen het Beschermd Stadsgezicht Tempsplein e.o. en is deels aangewezen als Rijksmonument (monumentnummer 524991). Het Romeins badhuis is het oudste stenen gebouw van Nederland en is een archeologisch rijksmonument van waarde. Het badhuis is gerestaureerd (afgerond in 2018). Om dit gebouw goed te kunnen behouden en beheren zijn bepaalde zaken van belang, zoals het heersende binnenklimaat. Het huidige museumgebouw voldoet niet aan de eisen voor een goed binnenklimaat, nodig voor het behoud van het monument. Dit is een van de redenen voor de voorgenomen modernisering en verbouwing.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
69
Het ontwerp van het nieuwe museum is volledig afgestemd op het behoud van het Rijksmonument. Logischerwijze betekent dit dat het bestemmingsplan dat de ontwikkeling planologisch mogelijk maakt, op het gebied van cultuurhistorie acceptabel is. Conclusie: Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Explosievenonderzoek
Op voorhand is een Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten uitgevoerd (zie bijlage 13). Op basis van deze risicoanalyse wordt geen aanwezigheid en derhalve geen uitwerking van Ontplofbare Oorlogsresten verwacht.
4.11
Verkeer en parkeren
Verkeersgeneratie Er zijn geen CROW-kencijfers voorhanden om de verkeersgeneratie van het museum te berekenen. De ambitie is om het aantal jaarlijkse bezoekers op te trekken van 10.000 bezoekers in de huidige situatie naar 40.000 bezoekers. Aangezien het aantal bezoekers fluctueert naargelang seizoen, dag en tijdstip, is het onmogelijk om hieromtrent een eenduidig antwoord te verschaffen. Desalniettemin is er nog voldoende marge aanwezig op de omliggende wegen en dat de gewenste ontwikkeling niet zal leiden tot verkeerskundig ongewenste situaties. Auto parkeren Conform de vigerende parkeernormen (Parkeernota Heerlen 2010) dient een museum, gelegen in het ‘centrum’, gekoppeld te worden aan een parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per 100 m² BVO. De bruto vloeroppervlakte van het museum (4500 m² BVO) leidt ertoe dat het museum in principe voorzien dient te zijn van in totaal 23 parkeerplaatsen. Echter, omwille van een gebrek aan ruimte op eigen terrein mag er uitgeweken worden naar de (semi-)openbare ruimte. Gelet op de aanwezige restcapaciteit in de Heerlense parkeergarages kunnen bezoekers in de meest nabijgelegen parkeergarages parkeren.
Hoewel de loopafstand tussen het museum (dit valt onder categorie ‘ontspanning’) en de parkeergelegenheid – conform Parkeernota Heerlen 2010 - maximaal 100 meter mag zijn, is er geen andere parkeermogelijkheid vanwege de ligging in een gereguleerd gebied (betaald parkeren of vergunningparkeren). Oftewel, bezoekers van het museum zullen niet zorgen voor parkeeroverlast in de openbare ruimte. Bovendien is deze doelgroep in principe niet langdurig aanwezig en zal dit niet leiden tot een overvraag in de betreffende parkeergarage. Daarnaast dient er wel voldoende ruimte aanwezig ten behoeve van kortparkeren van (school)bussen, alsook voor gehandicaptenparkeerplaatsen. Fiets parkeren In navolging van de Mobiliteitsvisie Heerlen (2019) werd de Fietsnota Heerlen 2022 vastgesteld waarin beschreven wordt op welke wijze de gemeente Heerlen haar doelstelling omtrent de toename van het fietsgebruik (bij verplaatsingen tot 7,5 km) wil gaan realiseren. Zo worden hierbij vier programmalijnen, waaronder het op orde brengen van fietsvoorzieningen. Gesteld kan worden dat fietsparkeren een belangrijk onderdeel van iedere fietsrit is. Het draagt bij aan de beleving en het gemak voor de fietser om het fietsparkeren zo goed mogelijk te faciliteren. Daarnaast is het van belang om voldoende stallingsplekken te hebben.
Om die reden wordt er bij elke ontwikkeling gevraagd om fietsenstallingen kwalitatief op peil te brengen, veilig te maken en de capaciteit in orde te maken. Hierbij wordt er gebruikgemaakt van de fietsparkeernormen die in het Facetbestemmingsplan ‘Stedenbouwkundige bepalingen’ zijn opgenomen. Conform het voornoemde facetbestemmingsplan dient een museum voorzien te zijn van stallingsruimte voor (minstens) 0,9 fietsen per 100 m² BVO. Gelet op de totale oppervlakte van ca. 4500 m² dient het museum bijgevolg voorzien te zijn van stallingsruimte voor (minimale) 41 fietsen (bezoekers). Opdat het fietsgebruik onder het personeel gestimuleerd wordt, wordt
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
70
– ondanks het gebrek aan fietsparkeernorm voor deze doelgroep – sterk aanbevolen om hen ook voldoende stallingsruimte aan te bieden. In tegenstelling tot de bezoekers is het personeel dagelijks langdurig aanwezig en dient hun stallingsruimte (minimaal) overdekt en afgesloten (liefst inpandig) te zijn. Aan de buitenzijde van het Museum wordt op dit moment voorzien in min. 42 fietsparkeerplaatsen (21 fietsparkeerbeugels tweezijdig te gebruiken). In de kelder is voorzien in fietsparkeerplaatsen voor de medewerkers (ca. 10 stuks). Hiermee wordt voldaan aan de eisen en wensen rondom fietsparkeren. Laden en lossen De laad- en loszone is gelegen aan de achterzijde van het museum. Hoewel het laden en lossen van grote museumstukken en overige leveringen (verbruiksartikelen, e.d.) respectievelijk slechts 1 à 2 keer per jaar (op afspraak door middel van een trekker-oplegger) en gemiddelde één keer per week (door middel van een bestelbus) gebeurt, is het verkeerskundig ongewenst om de ontsluiting te laten plaatsvinden via de Coriovallumstraat of Kruisstraat. De voornoemde straten zijn immers belangrijke gebiedsontsluitingswegen die dienen te zorgen voor een goede doorstroming. In afwezigheid van een goed alternatief wordt het, net omwille van het lage aantal laad- en losbewegingen, verkeerskundig toegestaan om het laden en lossen te laten plaatsvinden via de Deken Nicolayestraat.
Aangezien de Deken Nicolayestraat voorzien is van (vergunning)parkeerplaatsen bedoeld voor de aanwezige bewoners en de parkeerdruk daar zeer hoog is, dient het aantal parkeervakken gehandhaafd te worden.
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
71
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
Dit hoofdstuk beschrijft de opzet van de planregels van het bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen.
5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen bestaat uit een verbeelding met de bijbehorende regels en gaat vergezeld van de voorliggende toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en kadastrale begrenzingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bouwwerken (wat mag waar?) en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels kunnen niet los worden gezien van de verbeelding. De verbeelding geeft aan waar welke bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen gelden, waaraan vervolgens de regels zijn gekoppeld. De verbeelding en regels vormen daarom samen het voor eenieder bindende deel van het bestemmingsplan. Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het 'Sjabloon regels' dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen.
Het geheel voldoet aan de randvoorwaarden die voortvloeien uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2012 (RSRO2012), waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De toelichting heeft geen bindende werking; deze maakt juridisch gezien ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de (ruimtelijke) onderbouwing en motivering van het bestemmingsplan en bij uitleg van de opzet van het plan en de daarin opgenomen regels.
5.2
Opbouw van de regels
De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de Inleidende regels, de Bestemmingsregels, de Algemene regels en de Overgangs- slotregels en aan de orde komen. Hieronder zullen de verschillende onderdelen van de regels nader worden toegelicht.
5.2.1 5.2.1.1
Inleidende regels Begripsbepalingen
In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die worden gebruikt in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Hierna wordt ingegaan op enkele voor de dagelijkse praktijk belangrijke begrippen. Hiermee wordt beoogd, middels een toelichting, deze in de juiste context te plaatsen en het onderlinge verband weer te geven. Deze toelichting is slechts als nadere uitleg bedoeld en betreft geen aanvulling op het besproken begrip. Gebouw en bouwwerk, geen gebouw zijnde
bestemmingsplan Romeins Museum de Thermen
72
In bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen in ieder geval twee verschillende vormen van bouwwerken, namelijk gebouwen en bouwwerken, geen gebouw(en) zijnde. Onder gebouw wordt verstaan 'elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt'. Bouwwerken die hier niet aan voldoen, zijn aan te merken als een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Een overkapping of veranda is voorzien van een dak, maar voor zover ze niet geheel of gedeeltelijk zijn omsloten met wanden, toch aan te merken als een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hoofdgebouw, bijgebouw, aanbouw Naast het onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kunnen bouwregels voor gebouwen verder worden gespecificeerd voor verschillende soorten gebouwen, zoals hoofdgebouwen, bijgebouwen en aanbouwen. Deze begrippen worden in de begripsbepalingen nader gedefinieerd. Een hoofdgebouw wordt omschreven als 'een gebouw dat door zijn constructie of afmetingen valt aan te merken als belangrijkste gebouw op een bouwperceel'. Binnen de woonbestemming is dat de woning, in dit geval het museumgebouw. Een bijgebouw wordt omschreven als 'een vrijstaand gebouw behorende bij en bouwkundig ondergeschikt aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw'. Binnen de maatschappelijke bestemming kunnen dit bijvoorbeeld een berging of nutsgebouwtje zijn.
Aanbouw wordt omschreven als 'een gebouw dat is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw'. Dit gaat meestal om uitbreidingen van een woning. Uit de zinsnede 'in directe verbinding' volgt dat de aanbouw bereikbaar moet zijn vanuit de woning c.q. het hoofdgebouw. Bouwwerk, geen gebouw zijnde Ook de bouwregels voor bouwwerken, geen bouwwerken zijnde kunnen verder worden gespecificeerd. Bijvoorbeeld voor overkappingen, veranda's en licht- en antennemasten gelden vaak andere regels dan voor andere vormen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2.1.2