Romeins Museum de Thermen_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 5 Archeologie
Tekst van het document
2.5 De bouw van het museum in 1975-1977 De eerste plannen voor een overkapping van het badhuis werden reeds tijdens het onderzoek in 1941 gemaakt door de architect Frits Peutz, die de opgravingen bezocht. Het ontwerp werd in 1975 uitgewerkt door het Bureau Peutz, dat door zijn zonen was voortgezet. Voor de bouw werden eerst de delen rondom het badhuis en de overdekking boven het monument gebouwd, alvorens de afdeklagen bovenop het monument (binnen het museum) werden verwijderd. Het museum bestaat eigenlijk uit drie delen: een museumhal met een dakconstructie boven het monument, een museum- en kantorencomplex aan de voorzijde (de noordzijde) en een aanbouw voor de expositieruimte voor de vaste collectie aan de achterzijde (de zuidzijde). Een groot gedeelte van de voorzijde en ongeveer een derde van de aanbouw in het zuiden zijn onderkelderd. Voor de bouw van de kelders werden bouwputten aangelegd, die vanwege de diepte ten opzichte van het maaiveld een talud hadden en dus groter waren dan de kelders zelf. Hoe groot precies is onbekend en kan alleen worden ingeschat worden aan de hand van bestaande foto’s.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[37]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 19. Opname tijdens de bouw vanuit het westen, met rechts het steile talud van de bouwput. Bron: archief Thermenmuseum.
De onderkant van de vloeren in het museum, van de kelders en waar geen kelders zijn van de begane grond, geven het niveau aan tot waarop alle eventuele archeologische resten zijn verdwenen. Hierbij moet worden uitgegaan van een zekere 30 tot 40 cm onder de bovenkant van deze (kelder)vloeren, aangezien deze op een funderingslaag liggen. Diepere verstoringen zijn tenslotte ontstaan voor funderingsbalken voor de gevels (circa 50 cm breed), enkele funderingsbalken voor de vloeren haaks op de gevels (circa 50 cm breed) en de aanleg van kabels en leidingen en riolering binnen het gebouw. De funderingsbalken voor gevels en vloeren verlopen circa 50 cm dieper dan de fundering voor de vloeren zelf. Het precieze verloop van kabels en leidingen en rioleringen, alsmede hun diepte, is niet op tekeningen teruggevonden.
2.6 Huidige situatie De huidige situatie betreft het huidige museum. Langs de oostzijde van het museum bevinden zich een tuin/binnenplaats aan de noordoostzijde en een geplaveid pad tot aan de zuidelijke begrenzing van het plangebied. Vanaf de tuin en het pad loopt een steil talud naar de oostelijk aangrenzende percelen, waaruit nog eens blijkt hoe diep de ingreep van de opgravingen en museumbouw op het oorspronkelijke landschap was. Aan de noordzijde langs de Coriovallumstraat bevinden zich van oost naar west een aflopende toegang tot de binnenplaats/tuin aan de oostzijde van het museum, het trottoir, de hoofdingang, parkeerplaatsen, een verdiepte talud naar de fietseningang in de kelder, verdere parkeermogelijkheden en een groenstrook voor de noordwest hoek. Langs de Kruisstraat aan de westzijde en de Deken Nicolaijstraat aan de zuidzijde bevinden zich eveneens groenstroken en de
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[38]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
trottoirs langs deze straten. Aan de zuidzijde is in het westen een deel van de laat-Romeinse gracht binnen de groenstrook gereconstrueerd. Iets ten oosten daarvan bevindt zich via een verdiept talud een ingang (voor vrachtverkeer) tot de huidige depotkelder. Daarnaast ligt de zuidelijke aanbouw voor de vaste collectie van het museum, die tot aan de zuidoostelijke hoek van de museumhal reikt. Alleen in het westelijke een derde van deze aanbouw bevindt zich de depotkelder.
Figuur 20. Luchtfoto van de huidige situatie.
Het oorspronkelijke landschap loopt omlaag van zuidoost naar noordwest, waarbij ten behoeve van het huidige museum maar ook al tijdens de bouw van het badhuis in de Romeinse tijd (zie § 2.2.2) iets in de helling is ingegraven. Dit is vooral goed zichtbaar langs de oostzijde van het museum, met steile taluds met hoogteverschillen van anderhalf tot twee meter naar de ten oosten liggende percelen of bebouwing. Ter hoogte van de noordwesthoek van het museum loopt het huidige maaiveld buiten het
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[39]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
museum wederom sterk af naar het (noord)westen, beduidend lager dan het vloerniveau binnen het museum zelf. Hier lopen taluds van één tot twee meter naar beneden naar het westen en noorden. Tenslotte bevinden zich rondom het gebouw diverse kabels en leidingen, waarvan nu alleen de op dit moment in gebruik zijnde kunnen worden weergegeven, via een klic-melding. De ervaring leert dat in het stedelijk gebied ook nog met meerdere oudere kabels en leidingen rekening moet worden gehouden. In 2022 zijn hoogtemetingen gedaan, direct rondom het huidige museum (bijlage 3).
Huidig grondgebruik Hoogteligging maaiveld
Groenstroken, parkeerplaats en, inritten, mus eum Oostzijde: (van N naar Z): circa 114,00 – 115,70 Noordzijde (van O naar W ): circa 114,70 – 112,00 m W estzijde (van N naar Z): circa 112,00 – 113,80 m Zuidzijde (van W naar O):circa 113,80 – 116,20 m
Grondwatertrap of -stand
Grondwater dieper dan 2 m -mv
Milieutechnische condities
onbekend
Aanwezige constructies (funderingen, kelders e.d.)
Kelders langs de noordzijde en de zuidzijde (alleen het depot), fundering rondom ter hoogte van de gevels.
Loc atie en diepte van kabels/leidingen
Circa 80- 150 cm(?)
Tabel 4. Overzicht van de huidige s ituatie van het plangebied.
2.7 Toekomstige situatie Op basis van de door de opdrachtgever verstrekte gegevens is het volgende gebleken over de toekomstige situatie (zie ook figuur 22).
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[40]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 21. Impressie van het nieuw museum vanuit het noordoosten (Coriovallumsraat).
Conform de uitschrijving voor het nieuwe ontwerp zullen bij de bouw van het toekomstige museum de ingrepen in de bodem tot een minimum beperkt blijven. Voor de bouw van het nieuwe museum wordt zo veel mogelijk gebruik van bestaande fundamenten van het huidige museum, terwijl het vloerpeil van het nieuwe museum circa 50 cm hoger ligt dan het oude vloerniveau. Voorts worden de gevels van het hoofdgebouw aan de noordoostzijde opgehangen aan de vier zware pijlers voor het archief van het oude museum: er zijn dus geen nieuwe (dragende) funderingen nodig. De bestaande kelder aan de noordzijde blijft in gebruik, zodat daar geen extra funderingen nodig zijn. De kelder wordt wel iets vergroot naar het oosten en noordoosten. Het gaat om een 7,5 m dikke L-vorm van 20 x 20 m, rondom de zuidoostelijke hoek van de huidige kelder. Vanuit dit nieuwe kelderdeel zal het nieuwe Thermenmuseum tevens op het mijnwaternetwerk worden aangesloten. De precieze ligging van de aansluiting is echter nog niet bekend. In figuur 22 is daarom niet de sleuf zelf aangegeven, maar de acht meter brede zone waarbinnen de sleuf zal worden aangelegd. De daadwerkelijke sleuf zal 1,5 tot 2 m breed zijn en circa 150 cm diep (onder het maaiveld). De gevelfunderingen rondom het museum en de hal volgen de huidige buitenwand van het museum, behalve in het oosten.
In het noordoosten, het hoofdgebouw, wordt het nieuwe museum circa negen meter korter, terwijl direct ten zuiden daarvan de gevel over een stuk van dertien meter circa acht meter breder wordt. In de overige gevallen liggen de oude en de nieuwe gevel tussen rond de een en
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[41]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
twee meter uit elkaar (in het oosten 2,70 meter), waarbij de lijn met de nieuwe gevel steeds buiten de oude façades ligt. De gevelfundering is een lichte wandfundering, omdat het dak van zowel het museum als de hal op pijlers binnen het gebouw rust. Voor deze lichte gevelfundering is een funderingssleuf nodig, die circa 1 m diep en circa 80 cm breed is. De aanbouw met expositieruimte en kelderdepot aan de zuidzijde van het huidige museum verdwijnt. Dit gebouwdeel zal in ieder geval bovengronds gesloopt worden. In hoeverre ook de ondergrondse fundamenten en de kelder verwijderd worden is onbekend. Aan de voorzijde zal de ingang naar het oosten worden verplaatst: ter hoogte van de huidige binnenplaats. Aan de noord-, west en zuidzijden zullen groeninrichting en voetpaden ontstaan, waarvoor nog geen definitief ontwerp bestaat. Ten dele zullen hierbij mogelijk het verloop van een Romeinse weg naar het zuidoosten en de laat-Romeinse gracht zichtbaar worden gemaakt.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[42]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 22. Inrichtingsplan.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[43]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
3 Gespecificeerde archeologische verwachting 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt eerst de archeologische verwachting binnen het plangebied opgesteld, op basis van de oude opgravingsgegevens en latere verstoringen als gevolg van de bouw van het huidige museum. Daarna worden de ingrepen ten behoeve van het nieuwe museum systematisch nagelopen en vergeleken met de archeologische gegevens en verstoringen ter plaatse (zie figuur 23).
Figuur 23. Contouren van oudbouw en nieuwe bouw geprojecteerd over de gedocumenteerde vlakken uit de opgravingen van de jaren ’40 en ’50.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[44]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
3.2 Gespecificeerde archeologische verwachting op basis van oude opgravingen en verstoringen Normaal gesproken gaat men er vanuit dat na een opgraving geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Tijdens het proefsleuvenonderzoek in het badhuis in 2017 bleek echter dat de meeste sporen uit het bewaarde, diepste archeologische vlak nog niet gecoupeerd en afgewerkt waren. Vermeld dient hierbij wel dat dit het gedeelte binnen het bewaarde monument zelf betreft, waar waarschijnlijk reeds tijdens de opgraving met een behoud in situ werd rekening gehouden. Bij de opgravingen van Bogaers in de jaren ’50 zou men er van uit kunnen gaan dat wel alles is onderzocht, maar is dit niet geheel duidelijk (zie ook § 2.3.4). Van meerdere putten ontbreken bijvoorbeeld de coupevellen, al hoeft dit niet te betekenen dat geen coupes zijn gezet. Bij enkele putten waarvan wel coupetekeningen bestaan, is het aantal sporen uit de vlaktekening soms groter dan het aantal coupes, zoals bijvoorbeeld in het geval van put 4. Onbekend is ook in hoeverre enkele profieldammen uit de jaren ’50, de niet opgegraven stroken tussen enkele opgravingsputten, alsnog zijn opgegraven of niet. Hierover bestaat geen informatie. Behoudens de mogelijke resten van grondsporen in situ kan nog vermeld worden dat zich overal vondsten (ex situ) kunnen bevinden, die niet zijn verzameld.
Zo beschikte men in de jaren ’50 bijvoorbeeld nog niet over metaaldetectors. Alhoewel de kans groot is dat ter hoogte van de oude opgravingsputten geen archeologische resten in situ bewaard zijn gebleven, zeker nadat hier ook nog een museum is gebouwd, kan het niet geheel worden uitgesloten. Daarom wordt er hieronder vanuit gegaan dat in de laatste opgravingsvlakken van de opgravingen uit de jaren ’50 nog archeologische resten in situ aanwezig kunnen zijn. In situ resten kunnen dan in principe overal worden verwacht: vanaf het niveau van de diepst gedocumenteerde vlakken binnen de oude opgravingen, of buiten deze putten (bijvoorbeeld de profieldammen) vanaf het hoogste niveau waarop archeologische resten kunnen worden vastgesteld. Vooropgesteld dat deze niveaus niet verstoord zijn tijdens latere gebeurtenissen, zoals de bouw van het huidige museum in de jaren ’70 en de aanleg van kabels en leidingen sindsdien. Archeologisch vondstmateriaal, tenslotte, kan overal worden aangetroffen, ook in reeds geroerde pakketten. Met behulp van de gedocumenteerde vlakken van de oude opgravingen is voor alle opgravingsputten gereconstrueerd tot op welk diepte onderzoek heeft plaatsgevonden. Een overzicht van de diepste gedocumenteerde vlakken is weergegeven in bijlage 3.
Verstoringen betreffen de bouw van het huidige museum in de jaren ‘70, kabels en leidingen vanaf die periode en oudere verstoringen van ingrepen van vóór de opgravingen uit de jaren ’40. Duidelijk is in ieder geval dat alle archeologische resten minstens zo ver zijn afgegraven en verdwenen, als voor de aanleg van het museum in 1975 nodig was. De dimensies van deze ingrepen kunnen ten dele worden ingeschat op basis van het oude ontwerp, met de dikte en diepte van vloeren en funderingen (zie bijlage 4 en bijlage 5). Men zal niet dieper hebben gegraven dan strikt noodzakelijk is geweest. De onderkant van vloeren en funderingen kunnen direct op de ongeroerde leem hebben gelegen, maar er kan ook een kleine kruipruimte aanwezig zijn of een tussenlaag zijn aangebracht. Verdere verstoringen zijn ontstaan als gevolg van de aanleg van riolering en overige kabels en leidingen binnen het gebouw. De omvang van de bouwput kan alleen worden ingeschat op basis van fotomateriaal. Destijds niet opgegraven zijn behalve de profieldammen en de randen van het plangebied ook de percelen die niet voor onderzoek beschikbaar waren: een perceel in het noordwesten en het hoekperceel in het zuidwesten (zie figuur 16). In het noordwesten gaat het om een huis met schuur uit
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[45]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
waarschijnlijk de 19 e of begin 20 e eeuw, dat omstreeks de jaren ‘60 is gesloopt (§ 2.4). Het is niet bekend of het huis een kelder had, en zo ja hoe groot deze was. Van het gebouw op het zuidwestelijke perceel weten we iets meer, omdat Peters in 1936 het profiel van de laat-Romeinse gracht in de bouwput beschreef (§ 2.3.2). Gezien de diepte van de gracht die Peters hier beschrijft (twee meter diep) is het zeer waarschijnlijk dat hier een kelder werd aangelegd. Hoe groot de kelder precies was, is onbekend. Aangezien de gracht gezien is door Peters wordt uitgegaan van een kelder vanaf de straat tot net voorbij de noordelijke begrenzing van de laat-Romeinse gracht. Met betrekking tot de delen buiten de oude opgravingsputten bestaat geen directe informatie over de stratigrafie en hebben boringen hieromtrent ook niets opgeleverd. Om het hoogste archeologische niveau in deze zones te bepalen is geïnterpoleerd op basis van de vlakhoogtes uit de opgravingen én de ligging binnen het oorspronkelijke landschap (bijlage 6). Bedoeld hiermee is dat het plangebied op een helling naar het noordwesten ligt, en vanuit de opgravingsputten gedacht het vlak naar het oosten en zuiden dus verder omhoog loopt en naar het noorden en westen omlaag. In het westen loop dit eerste vlak verder omlaag tot op een hoogte van circa 112,50 m in het noorden tot 113,60 m in het zuiden (bijlage 6).
30 In het oosten ligt dit eerste archeologische niveau op circa 114,35 m in het noorden tot 115,33 m in het zuiden. De diepte tot waarop minstens archeologische resten aanwezig kunnen zijn, ligt op het onderste archeologische niveau, ofwel de diepst gedocumenteerde vlakken van de oude opgravingen. Deze diepste vlakken kunnen ook weer geïnterpoleerd worden tot aan de randen van het plangebied (bijlage 7). In het westen loop dit diepste vlak verder omlaag tot op een hoogte van circa 112,00 m in het noorden tot 113,20 in het zuiden (bijlage 7). 31 In het oosten ligt dit diepste archeologische niveau op circa 113,60 m in het noorden tot 115,00 m in het zuiden. 32 Tenslotte, kan op basis van vergelijking van de diepst gedocumenteerde vlakken met de verstoringsgegevens als de bouw van het huidige museum, kabels en leidingen én de huidige maaiveldhoogtes zones worden opgemaakt waar minstens de diepst bewaarde archeologische niveaus waarschijnlijk nog bewaard zijn (bijlage 8). Delen waar het maaiveld dieper ligt dan het onderste archeologische niveau vallen dan af, zoals bijvoorbeeld een zone direct ten zuidwesten langs het Thermenmuseum. Hier kunnen eventueel alleen nog diep ingegraven sporen aanwezig zijn.
Op basis van een waarneming van sterk afgetopte bodemprofielen in de Kruisstraat lijkt het bodemprofiel langs de gehele westelijke rand van het plangebied eveneens afgetopt, zodat hier mogelijk hetzelfde geldt. Ook delen van het huidige museum die dieper reiken dan de diepste niveaus vallen af, zoals de kelders. Delen waar nog met archeologische resten te rekenen valt betreffen onder andere de delen van het huidige museum die niet onderkelderd zijn en de oostelijke en zuidelijke randzones van het plangebied, die minder diep zijn afgegraven dan de rest van het plangebied. Bijzonder lijkt daarbij in ieder geval het gedeelte ten oosten naast de depotkelder, aangezien hier op zijn minst de laatRomeinse gracht nog aanwezig is (figuur 24). De aanwezigheid van de gracht aldaar, is bevestigd door Joep Gielen, toenmalige medewerker van het Thermenmuseum (zie ook § 3.3.2). 33 Het ligt dan misschien voor de hand te veronderstellen dat de laat-Romeinse gracht aan de noordzijde (voorzijde)
30 De meest westelijke raai met hoogtemetingen is niet uitgevoerd of bewaard. De hier genoemde hoogtes zijn zelf ingeschat op
basis van de waar te nemen helling aan de hand van de overige hoogtemetingen. 31 De meest westelijke raai met hoogtemetingen is niet uitgevoerd of bewaard. De hier genoemde hoogtes zijn zelf ingeschat op basis van de waar te nemen helling aan de hand van de overige hoogtemetingen. 32 In het uiterste zuiden is in het oosten van het plangebied niet mee dan zuiden 33 Mondelinge mededeling Karen Jeneson.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[46]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
van het museum ook nog ten dele aanwezig is, namelijk in het gedeelte ten oosten van de huidige kelder. Dit weet Joep Gielen helaas niet meer. 34
Figuur 24. De laat-Romeinse gracht (twee fasen) ten zuiden v an de thermen, in het oostprofiel van de bouwkuil voor de depotkelder. Van het profiel is een lakprofiel gemaakt dat in het Thermenmuseum hangt. Bron: archief Thermenmuseum.
3.3 Gevolgen van de bouw van het nieuwe museum op archeologische resten De archeologische gegevens met betrekking tot de bouw van het nieuwe museum betreffen alleen de opgravingen uit de jaren ’50, omdat de zone met het monument zelf (de opgravingen uit de jaren ’40) onaangetast blijven. Hieronder wordt per gebouwdeel op basis van de nu geplande ingrepen bekeken waar eventueel bewaarde archeologische resten geraakt kunnen worden.
3.3.1 Voorzijde huidig museum met kelder aan de noordzijde Aan de noordzijde bevindt de huidige kelder zich in het westen over de gehele breedte van het gebouw, maar in het oosten niet. In de oostelijk helft van het gebouw bevinden zich langs de noord-, oost en zuidzijden delen die niet onderkelderd zijn (zie ook figuur 22). De onderkant van de keldervloer ligt op 110,30 m (de bovenkant op 110,70 m). In het gehele gebouwdeel met kelder is dus alles tot op 110,30 m verdwenen, mogelijk nog dieper als onder de vloer
34 Mondelinge mededeling Karen Jeneson
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[47]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
nog een tussenlaag is aangebracht. Op enkele plaatsen reikt de verstoring in ieder geval iets dieper vanwege onderliggende poeren, die op heipalen rusten. De poeren hebben een dikte van 68/70 cm (bijlage 5), terwijl de daaronder staande heipalen (40 x 40 cm groot) nog zo’n 9 m diep gaan. 35 Onder de huidige depottoren gaat het om vier grote poeren van elk 3 x 3 m, maar verder alleen om enkele kleinere poeren van 40 x 40 cm. De vier grote poeren betreffen de vier zware pijlers waarop het archiefdepot fundeerde en ook de toekomstige museum toren fundeert. In de gebouwdelen zonder kelder rusten de buitengevels op funderingsbalken van beton en de vloer op vergelijkbare funderingsbalken in een raster parallel en haaks op deze gevels (bijlage 4). De onderkant van de vloer met een dikte van 30 cm bevindt zich op 113,80 cm, de bovenkant (= bestaand peil) op 114,10 m. Met uitzondering van de stroken met funderingsbalken is hier dus alles tot op minstens 113,80 m verdwenen. Mogelijk ligt dit niveau nog iets lager (113,50 - 113,60 cm), omdat veelal nog een kruipruimte bestaat of een tussenlaag is aangebracht. De funderingsbalken hebben een breedte van circa 60 cm en reiken 60 cm dieper dan de vloer (circa 113,20 m), zie bijlage 5. De kelder van het huidige museum blijft in gebruik, maar voor het nieuwe museum wordt de kelder naar het oosten en zuidoosten uitgebreid.
Daarnaast zal vanaf de Coriovallumstraat de aansluiting op het mijnwaternetwerk gerealiseerd moeten worden. Hiertoe zal vanuit de bestaande mijnwatersleuf, een sleuf tot in het nieuwe kelderdeel worden aangelegd. De sleuf heeft waarschijnlijk een breedte van circa 150- 200 cm, en een diepte van circa 150 cm onder het huidige maaiveld. De precieze ligging is echter nog niet bekend. In figuur 25 is daarom niet de sleuf zelf aangegeven, maar de zone waarbinnen de sleuf zal worden aangelegd. De uitbreiding van de kelder zal de oude opgravingsputten 2, 3, 5, 6, 7 en 8 oversnijden, terwijl de sleuf voor de mijnwaterbuizen putten 5, 8 en de dam tussen de 5 en 8 kan aansnijden (figuur 23). 36 De uitbreiding van de kelder zal minstens tot op 110,30 m +NAP moeten worden afgegraven, de NAP-hoogte van de onderkant van de huidige keldervloer. De sleuf voor de aansluiting op het mijnwaternetwerk zal tot op circa 150 cm onder het huidige maaiveld worden gegraven. Het huidige maaiveldniveau direct ten noorden van het huidige museum, in het museum en op het terras aan de oostzijde van het museum, ligt steeds rond de 113,90 m +NAP.
Na de verwijdering van het bovenste pakket (recente bovengrond, vloer/terras en -funderingen), circa 40 - 50 cm dik, bevinden we ons hier op een hoogte van circa 113,40 - 113,50 m, hetgeen ongeveer correspondeert met de diepste archeologische vlakken op deze locaties tijdens de oude opgravingen. Alleen ter hoogte van de dieper reikende vloer- en gevelfunderingen is het vlak nog circa 60 cm dieper verstoord. Vlak 3 van de oude opgravingen lag tussen 113,50 m + NAP ter hoogte van de noordgevel van het huidige museum en 114,20 m + NAP ter hoogte van de zuidgevel in het oostelijke deel van het museum. In putten 2, 3, 6 en 7 is destijds geen dieper vlak meer aangelegd, maar in putten 5 en 8 wel. In put 5 is nog verdiept tot op vlak 6 (113,40 m), in put 8 tot op vlak 4 (113,30 m). Deze diepste vlakken zijn waarschijnlijk aangelegd in de ongeroerde ondergrond (de B- of Bt-horizont in de lössbodem), zodat geen dieper vlak meer nodig was. In het derde vlak van putten 2 en 3 zijn enkele (paal)sporen ingetekend, maar Vos (2020b) komt voor deze sporen niet tot een structuurinterpretatie. Voor de sporen in putten 6 en 7 wel. De palen uit het derde vlak van putten 6 en 7 behoren volgens Vos (minstens) tot structuur 6A een houten voorganger van huis 6 uit vlak 1, een
35 Uitgangspunten definitief ontwerp, versie 4.14, § 2.11 en 3.1. 36 Een precieze locatie en dimensie van de sleuf is nog niet bekend. In de figuren is voor de sleuf steeds een breedte van twee
meter aangehouden.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[48]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
huis met stenen funderingen (zie figuur 25). 37 Beide plattegronden hebben dezelfde oriëntatie als het badhuis: ZW-NO. Gebouw 6A kan niet gedateerd worden, maar moet van vóór de stenen opvolger dateren die volgens Vos eind eerste tot begin tweede eeuw (circa 75-125) kan worden gedateerd. Structuur 6A is niet geheel duidelijk. Zo bevinden zich aan de noordzijde ook enkele paalkuilen en of puntfunderingen (stiepen) in het vlak 3 van put 7, die een andere oriëntatie hebben. Deze sporen hebben dezelfde oriëntatie als een weg die op een iets hoger niveau op deze locatie is aangetroffen. Het gaat om een noordwest-zuidoost uitgerichte weg, waarschijnlijk uit de 1e eeuw, de Via Belgica zelf of een weg die hier parallel aan loopt. 38 De weg was alleen in vlakken 1 en 2 zichtbaar en niet meer in vlak 3. Enkele meters naar het noorden ligt dan de laat-Romeinse spitsgracht uit de vierde eeuw, die de weg doorsnijdt. Deze gracht was zeker nog tot in de diepste vlakken aanwezig, maar hoe diep daaronder is niet bekend.
37 Vos, 2020b, 56-61. 38 Bogaers tekende deze weg weliswaar zo in, maar volgens Vos is het precieze verloop van de weg op deze locatie allerminst
duidelijk. Vos, 2020b.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[49]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 25. Overzicht nieuwbouw situatie (rode stippellijn) in het noordoosten van het huidige museum (blauwe stippellijn) ten opzichte van oude opgravingsgegevens.
De sporen uit de diepste vlakken (circa 113,30- 113,50 m +NAP) in putten 5 en 8, bestaan behoudens de gracht uit paalsporen en standgreppels voor wanden, die behoren tot structuur 5A. Het gaat om een groot houten gebouw dat haaks staat op de direct ten oosten liggende noord-zuid weg, de Via Traiana (niet meer zichtbaar in figuur 25). Het is de voorganger van een gebouw met funderingen van steen op dezelfde locatie, gevonden op een iets hoger niveau (structuur 5). Beide plattegronden vormen interessante structuren, zowel voor wat betreft de plattegrond (geen normale vicus bewoning) als zijn locatie aan de Via Traiana én de zojuist beschreven weg. De gebouwen zouden bijvoorbeeld als herberg of militaire wachtpost kunnen hebben gediend. Zoals vermeld is niet duidelijk of alle sporen van de diepste ingetekende vlakken ook daadwerkelijk zijn gecoupeerd en afgewerkt (zie § 2.3.4). Volgens Vos zijn in ieder geval geen coupetekeningen van
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[50]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
putten 2, 3, 5, 6, 7 en 8 aanwezig. 39 Voor de uitbreiding van de kelder kunnen daarom (resten van de) sporen uit deze diepste vlakken van putten 2, 3, 5, 6, 7 en 8 worden vastgesteld, vooral bestaande uit paalkuilen. Interessant daarbij is dat hier ook enkele profieldammen waren, waarover geen informatie bekend is. In het uiterste noorden van de uitbreiding van de kelder en de sleuf voor het mijnwater netwerk wordt ook de laat-Romeinse gracht aangesneden, die zeker dieper gaat dan het hier diepst gedocumenteerde vlak (133,30 m +NAP). 40 Met de uitbreiding van de kelder kunnen dus op zijn minst resten van de laat-Romeinse gracht nader onderzocht worden. Aangezien de huidige buizen van het mijnwaternetwerk aan de noordzijde van de Coriovallumstraat liggen, moet de sleuf voor de aansluiting op het museum de Coriovallumstraat oversteken. Hierbij zal een middeleeuwse gracht worden aangesneden, die is aangetroffen in de bestaande sleuf voor het mijnwaternetwerk aan de noordzijde van de Coriovallumstraat. Tijdens de aanleg van die sleuf in 2020, werd namelijk een oost-west verlopende middeleeuwse gracht vastgesteld, vanaf circa 50 cm onder het huidige maaiveld. 41 De gracht werd tot op een diepte van maximaal 150 tot 190 cm onder het maaiveld onderzocht, waarbij de bodem van de gracht niet is vastgesteld.
Ook de breedte van de gracht kon tijdens dit onderzoek niet bepaald worden, omdat de mijnwatersleuf slechts 150 cm breed was. Met de nu aan te leggen sleuf voor de aansluiting op het Thermenmuseum zal de middeleeuwse gracht bijna haaks worden aangesneden, zodat in ieder geval meer duidelijkheid over de breedte van de gracht wordt verkregen.
3.3.2 Achterzijde met kelder aan de zuidzijde De depotkelder (circa 13,5 x 8,5 m) bevindt zich alleen in het meest westelijke een derde van de aanbouw voor de permanente expositieruimte 1 aan de zuidkant van het museum (figuur 23). De kelder heeft een toegangstalud voor verkeer langs de westelijke zijde. De onderkant van de keldervloer ligt op circa 112,88 m, de dikte van de vloer is 30 cm. De onderkant van de vloer in het overige oostelijke deel van deze aanbouw die niet onderkelderd is, bevindt zich op 115,86 m. In de oostelijke kelderwand van de depotkelder was een doorgang geconcipieerd, die is dichtgemetseld. Deze potentiële doorgang was destijds aangelegd om een eventuele uitbreiding van de kelder naar het oosten in de toekomst mogelijk te kunnen maken. Aan de bovenzijde van deze dichtgemetselde doorgang is recentelijk een gat gehakt, om te kijken of men destijds ook de grond onder de vloer van het niet onderkelderde deel heeft afgegraven. Dit bleek niet het geval. Onder de vloer blijkt een ondiepe ’kruipruimte’ van circa 30 cm aanwezig, met daaronder een niet recentelijk geroerd grondpakket. 42 Dit betekent dat hier de bodem bij de bouw van het museum ‘slechts’ tot op een diepte van circa 115,50 m geroerd is. De diepst gedocumenteerde archeologische vlakken in deze zone liggen echter dieper (circa 114,40 m, zie ook bijlage 7).
De zuidelijke aanbouw ligt bovenop de oude opgravingsputten 15, 16, 20 en 21. Tussen 16 en 20 en tussen 20 en 21 zijn profieldammen blijven staan, waarbij tussen put 20 en 21 in het uiterste zuiden zelfs een groter stuk niet is opgegraven. Putten 15 en 16 zijn tot op vlak 2 gedocumenteerd, tot op 114,30 – 114,50 m, putten 20 en 21 tot op vlak 3, van west naar oost tot op circa 114,50 – 114,95 m. Al deze diepste vlakken zullen dan nog bewaard zijn gebleven. Buiten het gebouw ligt het maaiveld
39 Vos, 2020b, 28.
Het gaat volgens hem om een onduidelijke zone met grind (soms met schelpen).
40 W aarschijnlijk is de gracht verder westwaarts wel uitgespit met de aanleg van de bestaande kelder, waarvoor minstens tot op
een diepte van 110,30 m +NAP is gegraven. 41 Tichelman, in voorbereiding. 42 Mondelinge mededelingen van K.Jeneson en J. Gielen.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[51]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
in het westen rond de 115,40 m en in het oosten rond de 116,00 m. In deze zones zal eveneens minstens het diepste archeologische niveau nog behouden zijn. Voor wat betreft de archeologische sporen gaat het in deze zone om de laat-Romeinse gracht ten zuiden van het badhuis en de zone binnen de omgrachting. Op de oude opgravingsvlakken zijn behoudens de gracht nog diverse kuilen en greppeltjes ingetekend, maar Van Giffen beschrijft alleen de gracht. Vos beschrijft alleen twee grotere tegen elkaar liggende kuilen (K14 en K24) en een interessant greppeltje (greppel 2). 43 Het greppeltje is circa 30 cm breed en loopt parallel aan de gracht, op een afstand van circa 2,20 m. Vos schrijft dat de greppel in putten 23, 14 en 15, iets ten westen, in de oude opgravingstekeningen als ‘houten spoor’ was ingetekend. Volgens Vos was het greppeltje slechts 30 cm diep en lag de bodem ervan op 114,10 m. De sporen onder de vloer van de depotkelder zijn allemaal ‘opgeruimd’. Dit blijkt uit een dwarsdoorsnede van de laat-Romeinse gracht, het diepst reikende spoor, in de oostelijke wand van de bouwput voor deze kelder (figuur 20). Onder het deel van de aanbouw dat niet onderkelderd is kan met archeologische resten rekening worden gehouden vanaf de diepste gedocumenteerde vlakken: vanaf circa 114,30 m in het westen en vanaf 114,95 m in het uiterste oosten.
Aangezien het tijdens de bouw niet geroerde pakket al op 115,50 m begint, bestaat hier dus een buffer van 55 tot 80 cm.
43 Vos, 2020b; K14 en K24: p. 74-75; greppel 2: 46-47.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[52]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 26. Archeologische situatie aanbouw zuid met depotkelder. Afgebeeld zijn vlakken 1 en 2.
3.3.3 De gevels en groenvoorzieningen rondom het nieuwe museum De funderingen voor de nieuwe gevels zullen in de meeste gevallen nauwelijks archeologische resten raken, aangezien voor deze funderingen maximaal 80 tot 100 cm onder het huidige maaiveld zal worden gegraven. Voor de groenzones is dit waarschijnlijk niet veel anders, afhankelijk van de precieze inrichting. Het ontwerp hiervoor is op dit moment nog niet precies duidelijk. Per zijde zal bekeken worden wat de uitgangssituatie is. Noordzijde Langs de noordzijde van het museum zijn vlakken gedocumenteerd tot op 111,08 - 119,73 m in het uiterste westen tot 113,60 - 113,90 m in het uiterste oosten. Alleen tussen de oude putten 10, 11 en 12
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[53]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
bevindt zich een zone die nooit is opgegraven. Het gaat om het perceel met huis en schuur dat gedurende de opgravingen in de jaren ’50 nog aanwezig was (§ 2.4). Het huidige maaiveld langs de noordzijde ligt op circa 111,40 m in het uiterste westen tot op 114,60 114,70 in het uiterste oosten (zie ook bijlage 3 en bijlage 8). In het uiterste westen volgt de nieuwe gevel de lijn van de oude gevel van de museumhal, maar op circa twee meter buiten de oude gevellijn. Het maaiveld aan de lijn van de nieuwe gevel ligt hier rond de 113,00 m, terwijl de diepst gedocumenteerde vlakken hier op circa 110,70 m (put 12), en 112,00-112,20 (put 11) liggen. Ter hoogte van put 12 zal de funderingssleuf voor de nieuwe gevel dus niets opleveren, maar ter hoogte van put 11 kan dit nog wel het geval zijn, net zoals op de locaties van profieldammen. Verder naar het oosten volgt de nieuwe gevel niet de lijn van de oude museumgevel, maar de lijn van de hal boven het monument. De lijn van deze nieuwe gevel ligt hier dan bovenop de huidige kelder en zal daarom in het geheel geen archeologische resten kunnen raken. Ter hoogte van de kantoren ten oosten naast de huidige ingang vervolgt de nieuwe gevel de oude gevel weer (figuur 27). In het uiterste westen bevindt het maaiveld zich daar op 114,07 m, terwijl het diepst gedocumenteerde vlak zich hier op 112,60 - 112,70 m (put 10) bevindt.
In het middendeel ligt het maaiveld op 113,45 m, terwijl het diepste gedocumenteerde vlak hier op 112,65 – 112,95 m lag (putten 8 en 9). Ter hoogte van de noordoostelijke hoek, tenslotte, ligt het maaiveld nu op 113,90, terwijl het diepste vlak hier op een hoogte van circa 112,90 m lag (put 5, vlak 6). 44 In het westen zal dus het diepste vlak niet gehaald worden, maar in het midden en oostelijke deel wel. Daarnaast is natuurlijk ook de profieldam tussen putten 8 en 5 van belang. Ten aanzien van de groenvoorzieningen of straat- en trottoirinrichting kunnen in enkele zones nog archeologische resten aanwezig zijn (bijlage 8). Bijzonder interessant daarbij zijn natuurlijk de nog niet opgegraven zones tussen putten 10, 11 en 12 in het westen en ten oosten en zuiden langs putten 4 , 1 en 2 in het oosten. Bij dit laatste gaat het vooral om de taluds naar de aangrenzende percelen. Deze zones zijn niet opgegraven maar kunnen als gevolg van de aanleg van de bouwput wel enigszins verstoord zijn.
44 De NAP-hoogte 112,90 is niet zichtbaar in figuur 27, als gevolg van het ingezoomde overzicht ( die´gis kiest dan willelkeurig
een label dat hij niet laat zien). Zie hiervoor de bijlage met vlakhoogtes.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[54]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 27. Noordoostzijde met diepst gedocumenteerde v lakken (NAP-hoogtes in blauw) en huidige maaiveldhoogte (NAP-hoogtes in rood).
Westzijde De locatie van de nieuwe westelijke gevel ligt nog net binnen het (eerste) opgravingsvlak van de opgraving 1940 – 1941 (figuur 28). De laatste rij gedocumenteerde vlakhoogtes van dit opgravingsvlak ligt circa 6 – 7 meter naar het oosten, met 112,29 m in het noorden tot 113,42 in het zuiden. Op basis van interpolatie en een verder afhellen van het vlak naar het westen, zullen de vlakhoogtes ter hoogte van de nieuwe gevel tussen 112,00 m in het uiterste noorden tot circa 113,00 m in het uiterste zuiden liggen. Als enige spoor geldt een groot rond spoor in het midden van de gevel, dat Van Giffen als “kalkovenbasement” interpreteerde, waarschijnlijk een kalkbrandoven. 45 Volgens Vos is het spoor waarschijnlijk met de bouw van het museum verloren gegaan.
45 Van Giffen,
1948, 232; Pl.III.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[55]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 28. Diepst gedocumenteerde vlak (vlak 1) van opgraving 1940 – 1941, met v lakhoogtes in blauw. In rood de huidige maaiveldhoogtes buiten het museum. Het oranje bolletje geeft B6 aan.
Het huidige maaiveld op de lijn van de nieuwe gevel ligt tussen 113,20 m in het noorden en 113,30 m in het zuiden, ofwel ongeveer een meter hoger dan het destijds gedocumenteerde vlak. Met een funderingsdiepte van 100 cm zal het archeologische vlak in het noorden mogelijk niet geraakt worden, maar in het zuiden wel. Mede gezien B6 met verstoorde pakketten tot op een diepte van 100 cm, is het de vraag of hierbij ook archeologische resten herkend kunnen worden. Rond de zuidwestelijke hoek is de bodem hoogstwaarschijnlijk verstoord als gevolg van de ligging van kabels of leidingen. Zuidzijde Aan de zuidzijde ligt het maaiveld direct buiten het museum van de westelijke hoek tot aan de aanbouw iets dieper dan het opgravingsvlak (vlak 1) in het museum (figuur 29). Zoals B7 duidelijk maakte is daar ook nog met een verstoorde bovenlaag te rekenen, zodat het bodemprofiel hier tot onder de Bt-horizont
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[56]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
is afgetopt. Hier hoeft dus niet met archeologische resten rekening te worden gehouden (bijlage 8). Hetzelfde geldt voor het stuk gevel dat over de depotkelder loopt. Voor het geveldeel dat over de oostelijke rest van de aanbouw loopt, bedraagt de diepst gedocumenteerde vlakhoogte 114,40 in het westen en 114,50 in het oosten. De onderkant van de vloer in deze aanbouw ligt op 115,86 m, zodat met een verdieping van 100 cm het diepst gedocumenteerde vlak nog niet bereikt wordt. De zone aan de zuidoosthoek is echter nooit opgegraven en zal daarom wel archeologische resten kunnen verstoren.
Figuur 29. Diepst gedocumenteerde vlakken per put van opgraving 1940 – 1941, met vlakhoogtes in zwart, ter hoogte van de zuidelijke nieuwe gevel. In lichtblauw de huidige maaiveldhoogtes buiten het museum. De rode bolletjes geven de locaties van boringen aan (met boornummer).
Het bodemprofiel in de groenstrook ten zuiden van het huidige museum is eventueel alleen aan de zuidzijde van de nu gereconstrueerde greppel relatief goed behouden, omdat alleen daar de oorspronkelijke helling langs de Deken Nicolaijestraat behouden lijkt te zijn. De boringen hebben echter geen informatie over het hier voor te vinden bodemprofiel opgeleverd. In de zuidwestelijke hoek is het gebied verstoord als gevolg van de kelder van slagerij Schmeetz op de zuidwest hoek (§2.4 en figuur 16) en de ten westen daarvan gelegen kabels en leidingen. Naast het talud naar de depotkelder is een kleine parkeerplaats, waaronder mogelijk ook nog een (relatief) goed behouden bodem aanwezig kan zijn. Het maaiveld ligt hier op circa 115,80, terwijl eronder een profieldam ligt en twee opgegraven sleuven (putten 14 en 15, zie figuur 23) die tot op 114,20 m zijn opgegraven.
Oostzijde Aan de oostzijde lopen de huidige maaiveldhoogtes sterk uiteen vanwege het steile talud naar de oostelijke percelen. Het maaiveld dichtbij het museum betreffen de hoogtemetingen van het pad (rond
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[57]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
de 114,80 m), terwijl de hoogtemetingen tegen de oostelijke perceelgrenzen de bovenkant van het talud aangeven (rond de 116 m), zie ook bijlage 8. Vermeldingswaardig is dat aan de oostelijke zijde enkel profieldammen aanwezig waren, die mogelijk nooit zijn opgegraven. Hier zouden dus archeologische resten kunnen liggen, mits de zone niet tot op grotere diepte is afgegraven tijdens de bouw van het huidige museum. De gevel wordt van zuid naar noord besproken. Ter hoogte van de zuidoostelijke hoek (oude opgravingsput 19) ligt het huidige maaiveld circa 40 cm boven het diepst gedocumenteerde vlak. Op deze locatie zal een verdieping van 100 cm dus dieper reiken dan de diepste gedocumenteerde archeologische resten en bestaat kans dat archeologische resten geraakt zullen worden. Het is onbekend hoe diep de huidige (recente) bovenlaag reikt en of deze niet reeds het bodemprofiel ernstig heeft verstoord. Ter hoogte van put 18 is het diepst gelegen vlak ter hoogte van de nieuwe gevel 114,54 m dus circa 34 cm onder het huidige maaiveld. 46 Hier gelden dus dezelfde omstandigheden en kansen op archeologische resten als bij put 19. In het zuiden van put 17 ligt het huidige maaiveld op circa 114,35 m en het diepst gedocumenteerde vlak op circa 114,23.
Afhankelijk van de dikte van de huidige bovenlaag (30 – 50 cm) is waarschijnlijk niet meer veel over van het archeologische vlak op deze hoogte. De nieuwe gevel gaat hier met een haakse hoek naar het oosten het talud in om iets daarna weer naar het noorden te lopen. Deze zone is interessant, omdat de taluds hiervoor hoogstwaarschijnlijk zullen worden afgegraven. Aangezien hier tevens meerder profieldammen lagen, kan de zone nieuwe archeologische gegevens opleveren. Daar waar de nieuwe gevel zich iets verderop weer in oostelijke (getrapt) richting begeeft, ligt het huidige maaiveld dieper dan de gedocumenteerde vlakken (putten 6 en 2) en zullen hoogstwaarschijnlijk geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Daarna volgt de nieuwe gevel de nieuwe kelder. De aanleg van de nieuwe gevel zal hier niets nieuws meer opleveren, omdat de (diepere) ontgraving van de kelder dan al heeft plaats gevonden (zie § 3.3.1). Uiteindelijk ligt de nieuwe gevel aan de noordoostelijke hoek dan nog in een zone waar geen kelder is of komt. Hier ligt het huidige maaiveld op circa 113,87 m, terwijl het diepst gedocumenteerde vlak (put 5 vlak 6) van noord naar zuid tussen 112,90 m en 113,40 m ligt. Ook hier zal een verdieping van 100 cm het archeologische niveau dus raken.
46 Dit is niet zichtbaar in figuur 30 vanwege de inzoom op het overzicht (het gisprogramma laat dan willekeurig enkele labels niet
zien, als deze te dicht op elkaar staan). Zie daarom put 18, vlak 1 in bijlage 7.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[58]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 30. Diepst gedocumenteerde vlakken per put (met putnummer) van opgraving jaren ’40 en ’50, met vlakhoogtes in zwart, ter hoogte van de oostelijke nieuwe gev el. In lichtblauw de huidige maaiveldhoogtes buiten het museum. De rode bolletjes geven de locaties van boringen aan (met boornummer).
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[59]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
4 Conclusies en advies 4.1 Conclusie De twee hoofddoelstellingen van het onderzoek zijn: 1) waar en vanaf welke diepte binnen het plangebied moet met archeologisch resten rekening worden gehouden, en 2) welke gevolgen heeft het huidige ontwerp van de nieuwbouw voor eventuele archeologische resten. Op basis van de opgravingen uit de jaren ’40 en ’50, verstoringen door de bouw van het huidige museum en kabels en leidingen, de huidige maaiveldhoogte en enkele boringen zijn zones in het plangebied onderscheiden, waar nog archeologische resten (in situ) verwacht kunnen worden en zones waar dit niet meer het geval zal zijn (bijlage 8). Aangenomen wordt dat archeologische resten nog aanwezig kunnen zijn vanaf de diepste archeologische niveaus, omdat niet bekend is of daadwerkelijk alle archeologische resten zijn gecoupeerd en uitgespit. Bijzonder interessant zijn enkele niet gedocumenteerde profieldammen, die tussen de oude opgravingsputten lagen, en delen van het huidige museum die niet onderkelderd zijn. Zo zijn minstens nog resten van de laat-Romeinse gracht aanwezig onder de aanbouw, direct ten oosten naast de depotkelder. Mogelijk is de laat-Romeinse gracht ook nog aan de voorzijde van het museum behouden, direct ten oosten van de huidige kelder.
Daarnaast zijn ook de nog niet onderzochte delen interessant, zoals de oostelijke en noordoostelijke randzones van het plangebied en het niet opgegraven perceel in het noordwesten. Op basis van vergelijking tussen de verwachtingskaart en het ontwerp voor het nieuwe museum is overal gekeken of bij de bouw van het museum archeologische resten geraakt kunnen worden. Dit is inderdaad het geval, en wel vooral bij de uitbreiding van de bestaande kelder en de aansluiting op het mijnwaternetwerk aan de noordzijde van het museum en de sloop (en verwijdering) van de oude kelder aan de zuidzijde. Daarnaast kunnen ook op enkele locaties van de nieuwe gevel archeologische resten worden geraakt.
4.2 Advies Met betrekking tot de gevolgen van de nieuwbouw voor eventueel behouden archeologische resten is een advieskaart gemaakt (figuur 31), waar bij de sloop van het oude museum en de aanleg van het nieuwe museum archeologische resten geraakt kunnen worden. Bij de sloop is er vanuit gegaan dat resten van muur- en vloerfunderingen, waaronder die van de depotkelder, geheel verwijderd zullen worden. Geadviseerd wordt maatregelen te nemen ten aanzien van de sloop en de nieuwbouw, zodat eventueel aanwezige archeologische resten zo goed mogelijk beschermd blijven (behoud in situ) óf zo goed mogelijk worden onderzocht en veilig gesteld (behoud ex situ). Een combinatie van beide kan natuurlijk ook: resten kunnen ten dele worden opgegraven en ten dele behouden blijven. Aanbevolen wordt op basis van het definitieve ontwerp een Programma van Eisen (PvE) op te stellen, waarin zowel eventuele beschermmaatregelen als ook nader onderzoek voor een behoud ex situ worden vastgelegd. De uitvoering van werkzaamheden conform dit PvE geldt als voorwaarde voor een gunningverlening. In het PvE worden onder andere de strategie, de methodiek en de vraagstelling van het onderzoek omschreven. Dit PvE dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag, alvorens
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[60]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Het bevoegd gezag in deze is de gemeente, want de ingrepen betreffen niet het beschermde monument maar het gebied daaromheen. Met betrekking tot de archeologische werkzaamheden wordt het volgende geadviseerd. In zones waar niet of nauwelijks sporen bewaard zijn, kunnen restanten van kleine sporen als paalsporen beter geheel worden opgegraven, terwijl grote sporen zoals de laat-Romeinse gracht, na documentatie en eventuele bemonstering, zich goed lenen om ze ten dele ook in situ voor toekomstige generaties te behouden. Als onderzoeksmethode wordt een opgraving voorafgaand aan de werkzaamheden geadviseerd, zodat alle resten in principe ex situ kunnen worden veilig gesteld, met mogelijke uitzondering van delen van de laat-Romeinse gracht. Een opgraving variant begeleiding is eventueel mogelijk, mits daarover goede afspraken worden gemaakt en archeologen genoeg tijd en ruimte krijgen de resten op te graven.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[61]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
.
Figuur 31. Advieskaart.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[62]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
4.3 Beantwoording van de onderzoeksvragen 1.
Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?
Geomorfologisch gezien behoort het plangebied tot een lössglooiing, waarin radebrikgronden en bergbrikgronden kunnen voorkomen. Op het monument binnen het museum is in het verleden een goed bewaarde brikgrond van een radebrikgrond of weinig erodeerde brikgrond vastgesteld. Het oostelijke deel van de site, in ieder geval de oostelijke palaestra is hoogstwaarschijnlijk in Romeinse tijd iets afgetopt, ten behoeve van de aanleg van het badhuis. De boringen buiten het museum hebben weinig uitsluitsel gegeven over de huidige bodemgesteldheid buiten het museum. In het westen en met name ten zuiden van het Thermenmuseum (ter hoogte van de zuidwestelijke hoek) is het oorspronkelijke profiel behoorlijk afgetopt. Daarnaast zijn verschillende delen in het plangebied verstoord als gevolg van bouw en sloop in het verleden, egalisering en het aanleggen van kabels en leidingen.
2.
Welke gegevens met betrekking tot archeologische resten binnen het plangebied zijn reeds bekend?
Uit het gebied is een melding bekend uit het jaar 1936, die het zuidwestelijke hoekperceel van het plangebied betreft. Beschreven en geschetst zijn de ligging van muurwerk en een profiel door de laatRomeinse gracht (Peters, 1936). De meeste informatie komt natuurlijk uit de opgravingen van de jaren ’40 en ’50, die recentelijk zijn uitgewerkt (Jeneson & Vos, 2020). Tussen de jaren ’50 en 2020 bestaat nog een vondstmelding uit 1976 van een schatvondst uit de laat-Romeinse gracht, die werd aangetroffen bij werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het huidige museum.
3.
Wat was het historisch landgebruik van het plangebied en wat is het landgebruik nu en wat is de invloed daarvan op de (verwachte) archeologie en (bodem)gaafheid?
Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat tussen 1832 en 1925 enige bebouwing langs de westkant (Kruisstraat) van het plangebied ontstaat, maar de rest van het gebied nog akkerland blijft. Vanaf 1925 is ook het huidige Tempsplein ten zuidoosten van het badhuis op kaarten te zien en bevinden zich diverse gebouwen binnen het plangebied. De meeste bebouwing is echter in de jaren ‘40 reeds verdwenen, want tijdens de opgravingen in de jaren ’40 en ’50 staat alleen in het noordwesten en het uiterste zuidwesten nog bebouwing. Na de opgravingen werden de resten van het monument afgedekt en pas weer blootgelegd nadat het museum was aangelegd. Het is onduidelijk of tijdens de opgravingen uit de jaren ’50 alle sporen uit de diepste vlakken daadwerkelijk geheel onderzocht zijn en of de in eerste instantie bewaarde profieldammen nog zijn opgegraven. Van de opgraving van de jaren ’40 is tijdens een klein proefsleuvenonderzoek in 2017 duidelijk geworden dat de sporen uit het vlak toen niet zijn gecoupeerd en afgewerkt. De bouw van het huidige museum heeft er in ieder geval voor gezorgd dat binnen de contouren van het gebouw (met uitzondering van het beschermde monument) en tot op en bepaalde diepte (vloeren op begane grond en in kelders) alle mogelijke archeologische resten zijn verdwenen.
Het bureauonderzoek heeft enkele locaties achterhaald waar eventueel of met grote waarschijnlijkheid nog archeologische resten aanwezig zijn.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[63]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
4.
Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting te worden bijgesteld?
Ja. Het booronderzoek heeft weliswaar nauwelijks nieuwe informatie opgeleverd, maar hieruit is wel duidelijk geworden dat in ieder geval ten zuidwesten van de museumhal sprake is van een ernstig getopt bodemprofiel. Hier bestaat nagenoeg geen kans meer op het aantreffen van archeologische sporen. In de overige zones is dit niet duidelijk, omdat vooral op ondoordringbaar puin is geboord.
5.
Wat is de gespecificeerde verwachting ten aanzien van mogelijke archeologische resten in het gebied? Waar en vanaf welke hoogte (in m NAP) kunnen archeologische resten worden verwacht?
Archeologische resten kunnen in principe worden verwacht vanaf de diepst gedocumenteerde vlakken van de oude opgravingen, mits deze verschoond bleven van latere verstoringen. Nadere analyses op basis van de oude opgravingsgegevens, gegevens met betrekking tot de bouw van het huidige museum, kabels en leidingen en huidige maaiveldhoogtes hebben enkele zones opgeleverd, waar de diepst gedocumenteerde archeologische vlakken waarschijnlijk nog bewaard zijn. Dit betreft onder andere de delen van het huidige museum die niet onderkelderd zijn. Bijzonder is in ieder geval het gedeelte ten oosten naast de depotkelder, aangezien hier op zijn minst de laat-Romeinse gracht nog aanwezig is. Hetzelfde geldt hoogstwaarschijnlijk voor een deel van de laat-Romeinse gracht aan de voorzijde, in de uitbreiding voor de nieuwe kelder en de sleuf voor de aansluiting op het mijnwaternetwerk.
6.
Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten? Waar kunnen in het kader van de sloop van oude gebouwresten en de nieuwbouw archeologische resten geraakt worden en waar kunnen eventuele archeologische resten in situ bewaard blijven?
Bij een omzetting van het huidige ontwerp kunnen op verschillende locaties archeologische resten geraakt worden. Bij de uitbreiding van de kelder in het noorden, de sleuf voor de aansluiting op het mijnwaternetwerk en delen van de gevelfunderingen in het noorden, westen, zuiden en oosten én bij de sloop (en verwijdering) van de aanbouw met depotkelder in het zuiden worden de diepst gedocumenteerde vlakken en profieldammen van oude opgravingen geraakt en kunnen eventueel archeologische resten in situ worden gevonden. Ex situ vondsten kunnen overal worden aangetroffen, waarbij vooral mogelijke metaalvondsten interessant zijn, omdat metaaldetectoren ten tijde van de oude opgravingen nog niet bestonden. Delen van de laat-Romeinse gracht onder het niet onderkelderde deel van de zuidelijke aanbouw lenen zich vanwege hun grote volume eventueel voor een (gedeeltelijk) behoud in situ. Raadzaam is wel de aan te treffen resten goed te documenteren en te bemonsteren.
7.
Op welke wijze kan bij de (bouw)werkzaamheden met verwachte archeologische resten worden omgegaan?
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[64]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Archeologische resten kunnen gedocumenteerd en opgegraven worden of in situ behouden blijven, naar gelang de situatie en mogelijkheden, en wensen. Archeologische resten die tijdens de aanleg van gevelfunderingen worden aangetroffen, kunnen mogelijk het beste worden opgegraven, terwijl (grotere) delen van de laat-Romeinse gracht naast de depotkelder zich goed lenen voor een behoud in situ.
8.
Hoe kunnen mogelijk aanwezige archeologische resten het best onderzocht worden voorafgaand aan of gedurende de civiele werkzaamheden?
De archeologische resten kunnen het best onderzocht worden middels opgraving (eventueel variant bouwbegeleiding) en met nieuwe technieken als driedimensionaal scannen en fotograferen. Vanuit een archeologisch perspectief is het raadzaam dat de civiele uitvoerder begrip en geduld ten aanzien van archeologisch onderzoek heeft en het werk niet te strak wordt ingepland, zodat ruimte bestaat om met eventualiteiten om te gaan, zoals de aanleg van meerdere vlakken, het maken van een lakprofiel, het bergen van speciale vondsten, etc.
RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023
[65]
Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Literatuur Gemeente Heerlen, 2018. Erfgoed is identiteit. Beleidsnota archeologie gemeente Heerlen. Heerlen. Giffen, van, A.E. & W. Glasbergen, 1948. Thermen en castella te Heerlen-Coriovallum, overdruk uit: Miscellanea philologica historica et archaeologica in honorem Huberti van de W eerd, L’Antiquite classique XVII. Jamar, J.T.J. & J.P.A. van der Vin, 1976. A Hoard of Late Roman Coins from Heerlen, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (BROB) 26: 169-174. Jeneson, K. & W.K. Vos (ed.), Roman Bathing in Coriovallum. The thermae of Heerlen revisited, Nederlandse Archeologische rapporten 65 (2020), Amersfoort. Koomen, A.J.M. & G.J. Maas, 2004. Geomorfologische kaart Nederland (GKN). Achtergronddocument bij het landsdekkende digitale bestand. Alterra-rapport 1039, Wageningen. Moor, J. de, 2017-2021. Fysisch geografisch onderzoek Thermenmuseum Heerlen. Een synthetiserend onderzoek door middel van een bureaustudie en boringen.in Jeneson & Vos (ed), bijlage VI. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. Peters, P., 1919. De spitsgracht om Coriovallum (Romeinsch Heerlen), De Maasgouw, jaargang 39, december 1919, 89-92. Peters, P., 1928.
Uit Heerlens Verleden: Romeinsche vondsten, Publications de (la Société Historique et Archéologique dans le) Limburg 44, 349-357. Peters, P., 1936. Romeinsche vondsten in Heerlen, De Maasgouw, jaargang 56, maart-april 1936, 1318. SIKB, 2016. Beoordelingsrichtlijn Archeologie. BRL SIKB 4000. SIKB, Gouda. Tichelman, G., 2019. Proefsleuven in het Thermenmuseum, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek. RAAP-rapport 3378. W eesp. In: Jeneson & Vos, 2021, bijlage IV. TNO, 2021. Geologische overzichtskaart Nederland. https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen. Verhoeven, M. & H. Vanneste, 2014. Geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart Heerlen, RAAP, W eert. Vos, W.K., 2020a. The urban settings of the baths. Features and structures from the ROB excavations 1952-1957. In: Jeneson, K. & W.K. Vos (eds.); Roman bathing in Coriovallum. The thermae of Heerlen revisited ( NAR 65). Amersfoort. Vos, W.K., 2020b. Sporen en structuren ROB-opgravingen, Heerlen Thermenterrein. In: Jeneson, K. & W.K. Vos (eds.); Roman bathing in Coriovallum. The thermae of Heerlen revisited ( NAR 65). Amersfoort, Bijlage VII. Weerts, H., J. Schokker, K. Rijsdijk & C. Laban, 2006. Geologische overzichtskaart van Nederland. TNO Bouw en Ondergrond, Utrecht.