CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Romeins Museum de Thermen_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 5 Archeologie

Raadsvergadering . (video) 30 oktober 2024, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Romeins Museum de Thermen'19.668 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAAP-RAPPORT 6114

Plangebied Thermenmuseum te Heerlen Gemeente Heerlen Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Colofon Titel: Plangebied Thermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek Versie: 19-01-2023 Auteur: drs. G. Tichelman, met een bijdrage van N. Paffen Projectcode: HETHE3 Bestandsnaam: RAAPrap_6114_HETHE3_20230119 Autorisatie: W . De Baere

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telef oon: 0294-491 500

1382 LV W eesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

W ebsite: www.raap.nl

1380 GB W eesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2023 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Er is geen verklaring ontvangen van het bevoegd gezag omtrent goed- of afkeuring van het rapport.

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Samenvatting In opdracht van de gemeente Heerlen heeft RAAP in augustus-oktober 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek met een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Thermenmuseum te Heerlen. De aanleiding vormt de toekomstige bouw van het nieuwe museum op de locatie van het oude museum, waarbij mogelijk nog aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden. De twee hoofdvragen aan het onderzoek waren: 1) waar, en vanaf welke diepte binnen het plangebied moet met archeologisch resten worden rekening gehouden, en 2) welke gevolgen heeft het huidige ontwerp van de nieuwbouw voor de eventuele archeologische resten.

Landschap Geomorfologisch gezien behoort het plangebied tot een lössglooiing, waarin radebrikgronden en bergbrikgronden kunnen voorkomen. Binnen het museum is in het verleden een goed bewaarde brikgrond van een radebrikgrond of weinig erodeerde brikgrond vastgesteld. De oostelijke palaestra is hoogstwaarschijnlijk in de Romeinse tijd iets afgegraven, ten behoeve van de bouw van het badhuis. De boringen buiten het museum hebben weinig uitsluitsel gegeven over de huidige bodemgesteldheid buiten het museum, omdat bijna alle boringen op ondoordringbaar puin zijn gestoten. Direct ten zuidwesten van het Thermenmuseum is het oorspronkelijke bodemprofiel ernstig afgetopt. Verder zijn verschillende delen in het plangebied verstoord als gevolg van bouw en sloop in het verleden, egalisering en de aanleg van kabels en leidingen.

Archeologie Over het meest zuidwestelijke perceel binnen het plangebied is een melding bekend uit het jaar 1936, waarin divers muurwerk en een profiel door de laat-Romeinse gracht worden beschreven. De meeste archeologische informatie komt van de opgravingen in de jaren ’40 (Beckers en Van Giffen) en de jaren ’50 (Bogaers), waarbij niet alleen het badhuis is opgegraven maar ook een gebied daaromheen: het zogenaamde thermenterrein. De resultaten waren lange tijd alleen uit voorlopige berichten bekend, maar zijn recentelijk definitief uitgewerkt en gepubliceerd (Jeneson & Vos). Met dit onderzoek is niet alleen de chronologie van het badhuis en overige structuren rondom het badhuis scherper gesteld, maar ook een synthese over de ontwikkeling van Coriovallum geschreven.

Specifieke archeologische verwachting Voor het plangebied is een specifieke archeologische verwachting opgesteld, waarbij eerst op basis van de oude opgravingsgegevens de hoogste en de diepste archeologische niveaus zijn bepaald. In een tweede stap zijn latere verstoringen als gevolg van de bouw van het huidige museum, egalisering en de aanleg van kabels en leidingen in kaart gebracht, om te bepalen waar nog met archeologische resten gerekend kan worden. Tenslotte, zijn de ingrepen ten behoeve van het nieuwe museum

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[3]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

systematisch nagelopen om vast te kunnen stellen of deze mogelijk archeologische resten raken. Dit lijkt inderdaad het geval te zijn, en wel vooral bij de aanleg van de nieuwe kelder (uitbreiding van de bestaande kelder), de aansluiting op het mijnwaternetwerk, de sloop (en verwijdering) van de oude kelder en de aanleg van delen van de nieuwe gevel.

Advies Geadviseerd wordt maatregelen te nemen ten aanzien van zowel de sloop als de nieuwbouw, zodat eventueel aanwezige archeologische resten zo goed mogelijk beschermd blijven (behoud in situ) óf zo goed mogelijk worden onderzocht en veilig gesteld (behoud ex situ). Een combinatie van beide kan ook. Voorafgaand aan de archeologische werkzaamheden zal een Programma van Eisen (PvE) opgesteld dienen te worden, waarin onder andere de strategie, de methodiek en de vraagstelling van het onderzoek worden omschreven. Dit PvE dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag, alvorens werkzaamheden kunnen plaatsvinden.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[4]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................ 3 Inhoud ..................................................................................................................................... 5 1 Inleiding ................................................................................................................................ 6 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 6 1.2 Administratieve gegevens ....................................................................................................................10 1.3 Doel- en vraagstelling .........................................................................................................................10

2 Bureauonderzoek en een veldinspectie .................................................................................... 12 2.1 Methode .............................................................................................................................................12 2.2 Aardkundige situatie ...........................................................................................................................12 2.3 Archeologische gegevens ....................................................................................................................21 2.4 Historische situatie..............................................................................................................................31 2.5 De bouw van het museum in 1975-1977 ...............................................................................................37 2.6 Huidige situatie ...................................................................................................................................38 2.7 Toekomstige situatie ...........................................................................................................................40

3 Gespecificeerde archeologische verwachting............................................................................ 44 3.1 Inleiding .............................................................................................................................................44 3.2 Gespecificeerde archeologische verwachting op basis van oude opgravingen en verstoringen ................45 3.3 Gevolgen van de bouw van het nieuwe museum op archeologische resten ............................................47

4 Conclusies en advies ............................................................................................................ 60 4.1 Conclusie ...........................................................................................................................................60 4.2 Advies ................................................................................................................................................60 4.3 Beantwoording van de onderzoeksvragen ............................................................................................63

Literatuur ............................................................................................................................... 66 Websites/Digitale bronnen ........................................................................................................ 66 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ................................................................ 68

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[5]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van de gemeente Heerlen heeft RAAP in augustus-oktober 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd ten behoeve van het plangebied Thermenmuseum te Heerlen (figuur 1). De aanleiding betreft de bouw van het nieuwe museum op de locatie van het oude museum, hetgeen mogelijk nog aanwezige archeologische resten kan verstoren. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunning.

Figuur 1. Aanduiding plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[6]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. Op landelijk niveau gaat het dan om de Erfgoedwet uit 2016 en de Omgevingswet die naar verwachting op 1 juli 2023 in werking treedt. De Erfgoed wet omschrijft de wet- en regelgeving omtrent het behoud en beheer van het cultureel erfgoed. Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. Op gemeentelijk niveau heeft de gemeente Heerlen in 2018 een beleidsnota geformuleerd, met als doelstellling: “ haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het ‘gemeenschappelijke geheugen’ en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk.“ 1 Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Heerlen (figuur 2) ligt het plangebied in waardecategorie 1 (monumenten: terreinen van zeer hoge waarde, wettelijk beschermd) en waardecategorie 2 (monumenten: terreinen van zeer hoge waarde). 2 Waardecategorie 1 geldt de nog zichtbare archeologische site in het huidige museum, categorie 2 de rest daaromheen. Het beleid voor categorie 1 (het huidige rijksmonument) schrijft voor dat speciaal toestemming aan de RCE gevraagd moet worden.

Voor categorie 2 schrijft het beleid voor dat er bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 40 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. 3 De omvang van de bodemingrepen bedraagt 3.680 m 2 en de diepte van de ingrepen bedraagt maximaal 250 cm –mv. De ingrepen zijn daarmee groter dan de vrijstellingsgrens. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is daarom verplicht conform het vigerend beleid.

1 Gemeente Heerlen, 2018. 2 Verhoeven, 2007 (update 2013). 3 Gemeente Heerlen, 2018:43.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[7]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 2. Plangebied op de geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Heerlen. Bron: Verhoeven & Vanneste, 2014.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[8]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[9]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek

Bureauonderzoek en inventaris erend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Opdrachtgever

Exaedes, Roermond

Contact opdrachtgever

M. de Rooij

Bevoegde overheid

Gemeente Heerlen

Contact bevoegde overheid

H. Vanneste

Plaats

Heerlen

Gemeente

Heerlen

Provincie

Limburg

Centrumc oördinaten (X/Y)

196480/321863

Toponiem

Thermenmuseum

Kadastrale gegevens

HLN01 (gemeente Heerlen) sectie D perc eel 8994

Oppervlakte plangebied

7550 m²

Afbakening onderzoeksgebied

Tijdens onderhavig onderzoek is het plangebied inclusief een zone van circa 10 m rondom het plangebied onderzocht.

Onderzoeksperiode

Augustus-oktober 2022

Uitvoerder

RAAP Zuid

Projectleider

drs. G. Tichelman

Projectmedewerkers

N. Paffen

RAAP-projectcode

HETHE3

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer

5292210100

Beheer en plaats documentatie

RAAP regio Zuid te W eert en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.

Tabel 1. Administratieve gegevens.

1.3 Doel- en vraagstelling Het plangebied betreft het gehele oude Thermenmuseum, alsmede de tuin van het museum en de groenvoorzieningen rondom het museum. In het kader van de bouw van het nieuwe museum en de inrichting van de direct rondom liggende groenzones, is het van belang dat archeologische resten ter hoogte van het beschermde monument en zijn directe omgeving zo min mogelijk schade ondervinden. Tijdens de toekomstige werkzaamheden dienen de archeologische resten in dit gebied in principe in situ te worden behouden, of als dit niet mogelijk is zo goed als mogelijk onderzocht te worden (behoud ex situ). Hiertoe is het van belang van te voren in te schatten waar en vanaf welk niveau zich mogelijk nog archeologische resten kunnen bevinden, en indien mogelijk, om wat voor resten het gaat. Het doel van het onderzoek is dan ook in de eerste plaats in te schatten waar en vanaf welke diepte met archeologische resten rekening moet worden gehouden. In de tweede plaats dient onderzocht te worden waar bij de aanleg van het nieuwe museum eventuele archeologische resten geraakt zullen worden. Tot de aanleg van het nieuwe museum behoort ook de inrichting van groenvoorzieningen rondom het museum en de sloop van het oude museum. Voor wat betreft dit laatste wordt er van uitgegaan dat resten van muurfunderingen waaronder de depotkelder geheel verwijderd zullen worden.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[10]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Met betrekking tot het bureauonderzoek worden de volgende onderzoeksvragen geformuleerd, die in hoofdstuk 4 beantwoord worden: 1.

Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?

2.

Welke gegevens met betrekking tot archeologische resten binnen het plangebied zijn reeds bekend?

3.

Wat was het historisch landgebruik van het plangebied en wat is het landgebruik nu en wat is de invloed daarvan op de (verwachte) archeologie en (bodem)gaafheid?

4.

Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting te worden bijgesteld?

5.

Wat is de gespecificeerde verwachting ten aanzien van mogelijke archeologische resten in het gebied? Waar en vanaf welke hoogte (in m NAP) kunnen archeologische resten worden verwacht?

6.

Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten? Waar kunnen in het kader van de sloop van oude gebouwresten en de nieuwbouw archeologische resten geraakt worden en waar kunnen eventuele archeologische resten in situ bewaard blijven?

7.

Op welke wijze kan bij de (bouw)werkzaamheden met verwachte archeologische resten worden omgegaan?

8.

Hoe kunnen mogelijk aanwezige archeologische resten het best onderzocht worden voorafgaand aan of gedurende de civiele werkzaamheden?

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[11]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2 Bureauonderzoek en een veldinspectie 2.1 Methode Het bureauonderzoek dient ervoor om – op basis van verschillende bronnen – inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop van de tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Naast de conform de KNA verplichte bronnen is door de gebiedsexperts van RAAP een beredeneerde keuze gemaakt uit betrouwbare bronnen die voor de archeologische verwachting relevante informatie bevatten (zie bijlage 2 voor de motivering). Daarvoor is gebruik gemaakt van de landelijk en voor RAAP digitaal beschikbare archieven. Voor de beschrijving van de historische situatie is gebruik gemaakt van hiervoor relevante informatiedragers. Voor de actuele metadata van de verzamelde gegevens (gemeente, plaats, etc.) wordt verwezen naar het van toepassing zijnde data-archief. Vrijwel het complete plangebied is onderzocht tijdens opgravingen van de thermen in 1940 -1941 en nadere onderzoeken tussen de jaren 1950 en 2015. 4 Op basis van de gegevens van deze oude onderzoeken en overige (archeologische) meldingen én verstoringen in het gebied, als gevolg van bouw en sloop van gebouwen, de aanleg van het bestaande museum en kabels en leidingen wordt een specifieke archeologische verwachting voor het gebied opgesteld.

Met een klein booronderzoek in het veld is voorts gepoogd op bepaalde locaties een nader inzicht in de huidige bodemgesteldheid buiten het museum te verkrijgen. In het bureauonderzoek worden veelvuldig hoogtes van maaiveld, archeologische vlakken en of verstoringen aangegeven. Het gaat hierbij natuurlijk steeds om hoogtes in meters. Ter wille van de leesbaarheid van het rapport is het achtervoegsel +NAP echter weggelaten.

2.2 Aardkundige situatie 2.2.1 Geologie en geomorfologie Het Zuid-Limburgse lössgebied wordt in geologische termen gerekend tot het Limburgs Massief, dat voor Nederlandse begrippen gekenmerkt wordt door een sterk reliëf (circa 30-320 m).5 In de diepere ondergrond bevinden zich een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde tektonische breuklijnen, waarvan de Feldbiss de bekendste is. De Feldbissbreuk loopt ongeveer ter hoogte van de lijn SittardKerkrade en markeert de grens waarbij het zuidelijk deel (Zuid-Limburg) als opheffingsgebied optreedt, terwijl de ten noorden daarvan gelegen Centrale Slenk (ook wel: Roerdalslenk) zich als dalingsgebied gedraagt. Vanaf het Pleistoceen (2,6 miljoen-10.000 jaar geleden) liggen Zuid- en Oost-Nederland permanent boven de zeespiegel en werd via de Rijn en Maas water met afbraakmateriaal in de richting van het Noordzeebekken afgevoerd. Gedurende het Pleistoceen wisselden periglaciale omstandigheden en warmere tussenperioden elkaar af, waardoor perioden van insnijding (tijdens de warmere perioden) en afzetting (tijdens koudere perioden) elkaar voortdurend opvolgden. 6 Tezamen 4 Jeneson & Vos, 2020. 5 Berendsen, 1998 & 2000; Felder & Bosch, 2000. 6 Berendsen, 1998 & 2000; Van de Berg, 1996.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[12]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

met de tektonische opheffing en daling resulteerde deze afwisseling van sedimentatie en insnijding in het ontstaan van de zogenaamde Maasterrassen, waarbij de Maas zich steeds verder naar het westen verlegde. Het oudste terras bevindt zich daarom in het oosten, terwijl het huidige Maasdal zich in het westen bevindt. De hoogteverschillen tussen de verschillende terrassen kunnen meerdere meters bedragen, maar in Zuid-Limburg is het oorspronkelijke reliëf sterk afgezwakt als gevolg van de in het midden en laat pleistoceen afgezette löss die het terrassenlandschap afdekt. Heerlen ligt in het zogenoemde erosiebekken van Heerlen dat een aparte plaats inneemt binnen het Zuid-Limburgs lössgebied. 7 Het bekken is ontstaan door terugschrijdende erosie vanuit de Geleenbeek en de bijbehorende zijtakken waardoor een min of meer ovale depressie is ontstaan die circa 60 m lager ligt dan de omringende lössplateaus. Na de uitruimfase van het bekken heeft in de ijstijden een opvulling met löss plaats gehad. Löss is een zeer fijnkorrelig sediment dat oorspronkelijk onder extreem koude en droge omstandigheden door de wind is afgezet tijdens de voorlaatste ijstijd (Saalien: 370.000-130.000 jaar geleden) en de laatste ijstijd (Weichselien: 115.000-12.000 jaar geleden). De löss is waarschijnlijk afkomstig van afzettingen uit het Noordzeebekken.

8 Dit lösspakket (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert) heeft in het erosiebekken van Heerlen soms diktes tussen 2 en 5 meter maar ook diktes van meer dan 8 meter.

7 Kuyl, 1980. 8 Berendsen, 2000: 13.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[13]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 3. Plangebied (zwarte stippellijn) op Algemeen Hoogtebestand Nederland.

Het huidige plangebied ligt net niet meer op het lössplateau van Heerlen, tussen de Geleenbeek in het westen en de Caumerbeek in het oosten, maar bevindt zich op een helling naar het noorden en noordwesten, in de richting van de Geleenbeek (figuur 3). Zoals goed zichtbaar op de AHN is het plangebied onnatuurlijk verlaagd, een direct gevolg van de aanleg van het badhuis zelf, de opgravingen op het thermenterrein en de aanleg van het huidige museum. Geomorfologisch gezien behoort het plangebied tot een lössglooiing (code 6H33).

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[14]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Geologische situatie (W eerts e.a., 2006; TNO, 2021)

Formatie van Boxtel, laagpakket van Schimmert

Geomorf ologische situatie (Koomen & Maas, 2004)

Lössglooing (code: 6H33)

Ouderdom geomorfologische structuur

2,6 miljoen-10.000 jaar geleden

Bodemkundige situatie

löss

Verwachte diepteligging van archeologisch relevante lagen

vanaf circa 40 cm onder het maaiveld

Tabel 2. Overzicht van geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het plangebied en de directe omgeving.

2.2.2 Bodem en stratigrafie in het plangebied Inleiding Vanaf het begin van het holoceen heeft in het lösspakket bodemvorming plaatsgevonden, waarbij zich zogenaamde leembrikgronden hebben ontwikkeld. Onder invloed van een infiltrerend regenwater is de kalk in de löss opgelost, waarna uitspoeling van klei heeft plaatsgevonden die op een iets dieper niveau weer is afgezet. De horizont waar de klei uitspoelt, wordt de uitspoelings- of E-horizont genoemd en de dieper gelegen laag, waar de klei zich weer afzet, de inspoelings- of Bt-horizont. Deze Bt-horizont bestaat uit stugge met klei verdichte leem (de briklaag), die als gevolg van ijzermineralen vaak bruinrood gekleurd is. De daarboven liggende E-horizont is lichtbruin tot lichtgrijsbruin van kleur en kleiloos. Onder de Bt-horizont bevindt zich via een overgangszone (de BC-horizont) het onaangetaste, oorspronkelijke moedermateriaal (de C-horizont), meestal lichtgeelbruin van kleur. In lössbodems worden twee verschillende leembrikgronden onderscheiden. Radebrikgronden vertonen een vrijwel intact en gefaseerd profiel met een A-, E- en volledige Bt-horizont. Bergbrikgronden daarentegen hebben als gevolg van erosie juist geen intact bodemprofiel meer: de A- en E-horizonten en veelal ook een deel van de Bt-horizont is langs de helling naar beneden getransporteerd.

Deze verspoelde löss is aan de voet van de helling, bijvoorbeeld in de droog- of beekdalen, als colluvium afgezet. Dit colluvium is net als de E-horizont kleiloos en kent niet of nauwelijks bodemvorming; ze wordt als vaaggrond geclassificeerd. Voor een reconstructie van het Romeinse maaiveld en hoe deze situatie in de tijd daarna veranderd is, moet even bij bodem- of hellingerosie worden stil gestaan. Schattingen gaan er vanuit dat bij hellingen groter dan 2% de A-horizont is geërodeerd, maar dat tot een hellingspercentage van 8% de vastere briklaag of Bt-horizont nog wel aanwezig is. 9 Deze biedt vanwege de stugheid ook enige bescherming tegen verder erosie. Op steilere hellingen kan ook de Bt-horizont verdwenen zijn. Het thermenterrein ligt op de rand van het plateau van Heerlen, op een punt waar deze reeds duidelijk begint af te hellen in de richting van het noordwesten, waar een groot droogdal (ter hoogte van de huidige Valkenburgerweg) verder westelijk uitmondt in de Geleenbeek. Het hellingspercentage ter hoogte van het thermenterrein bedraagt rond de 2-4%, zodat mogelijk niet al te veel bodemerosie heeft plaatsgevonden. Er vanuit gaande dat bodemerosie in het algemeen ná de Romeinse tijd en vooral sinds de middeleeuwen plaatsvond, kan gesteld worden dat bij de bouw van de thermen in de

9 Berendsen 2000, 22-23. Hoogstwaarschijnlijk is de bodemerosie pas met landbouw op gang gekomen. Als hellingen voortdurend

begroeid zijn, zal de bodem beter behouden zijn.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[15]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Romeinse tijd hoogstwaarschijnlijk nog een radebrikgrond of weinig geërodeerde bergbrikgrond aanwezig was. Ná de Romeinse tijd, met name vanaf de middeleeuwen zal in het plangebied hoogstwaarschijnlijk wel enige hellingerosie hebben plaatsgevonden. Het gaat dan om bodemmateriaal dat vanuit het zuiden en zuidoosten in de loop van enkele honderden jaren langs de hellingen naar het westen, noordwesten en noorden werd verspoeld. Ter hoogte van het thermenterrein kan dit nu moeilijk gereconstrueerd worden, maar op basis van foto’s tijdens de opgravingen in de jaren ’40 lijkt in het oosten enig colluvium aanwezig, terwijl dit uit een beschrijving door Peters in de jaren 1936 ook aan de westzijde het geval moet zijn geweest. 10 Tot het colluvium kunnen ook lagen met puin en afval gerekend worden, materiaal dat na het uit gebruik raken van de vicus eveneens aan hellingerosie ten prooi was gevallen.

Figuur 4. Foto op het noorden met een oostelijke profieldam in 1941. Tussen de gele lijnen lijkt een ouder maaiveld aanwezig afgedekt met colluvium. Onder het oude maaiveld een flinke laag met veel puin, een egaliserings laag die ontstaan is nadat het badhuis uit gebruik is geraakt. Bron: Thermen-archiefmap 161.

10 Peters, 1936.Peters beschrijft de zuidwestelijke hoek van het afgegraven terrein als “vrij hooge terrein” en zegt iets later over

de gehele afgraving:“…genivelleerd, zoodat de grond 1 – 2 M. afgegraven werd”. Aangezien het gebied in het zuiden van nature iets hoger ligt, zal met name de zuidwestelijke hoek bij de nivellering dieper zijn afgegraven.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[16]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Proefsleuvenonderzoek in het Thermenmuseum 2017 Tijdens het thermenonderzoek tussen 2017 en 2020 (Jeneson & Vos) heeft zowel een fysisch geografisch onderzoek als een proefsleuvenonderzoek (zie ook figuur 14) plaatsgevonden, waarmee ook informatie over het bodemprofiel op het thermenterrein zelf bestaat. 11 Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn per proefsleuf profielopnames gemaakt en is steeds de dikte van de diverse bodemhorizonten en de diepte van de C-horizont vastgelegd (tabel 3). Het is daarbij duidelijk geworden dat nagenoeg overal de ongeroerde natuurlijke ondergrond aan het oppervlak ligt. In dit vlak bevinden zich nog wel hier en daar enkele sporen. Een uitzondering vormt het uiterst noordwestelijke deel van het thermenterrein. Daar is het gebied mogelijk reeds in de Romeinse tijd opgehoogd, in het kader van een egalisering voorafgaand aan de aanleg van het badhuis. Dit was niet ongebruikelijk bij de aanleg van een gebouw op een helling. 12 Het lijkt er op dat iets vergelijkbaars ook bij de bouw van het thermencomplex is gebeurd: het terrein is ter hoogte van de oostelijk palaestra namelijk iets dieper afgetopt dan in het westen, terwijl de noordwesthoek mogelijk iets is opgehoogd. 13

1

2

3

4

5

6

7

8

9

dikte Bt (cm)

50-60

x

40-60

20-35

x

x

0-10

20-25

x

dikte BC (cm)

40

25

20

40

x

x

40-60

30-40

50

C vanaf cm -mv 100

120

70-80

60-80

x

0-10

50-60

85

?

Tabel 3. Overzicht van natuurlijke bodemlagen per proefsleuf. Zoals in tabel 3 is af te lezen, bevindt het best bewaarde bodemprofiel zich in proefsleuf 1 (westelijke palaestra), waar nog een Bt-horizont van 50 tot 60 cm is opgemeten en de C-horizont zich vanaf circa 100 cm onder het huidige maaiveld bevindt (figuur 5). In alle overige profielen, met name in de oostelijke palaestra, bleek een dunnere Bt-horizont aanwezig en de C-horizont minder diep en was het profiel dus meer getopt.

11

Vanwege de vorst zijn toen alleen boringen binnen het museum gezet en niet er buiten. De meeste informatie komt daarom uit de proefsleuven, waar per proefsleuf twee kolomprofielen zijn gedocumenteerd Tichelman, 2019. 12 Een egalisering is bijvoorbeeld vastgesteld in de het hoofdgebouw van het villacomplex Kerkrade-Holzkuil Tichelman, 2005, 58. 13 Tichelman, 2019, § 5.2.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[17]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 5. Het bodemprofiel in het zuidprofiel van proefsleuf 1 uit het proefsleuvenonderzoek in het Thermenmuseum. Bron: Tichelman, 2019, figuur 9. Booronderzoek buiten het Thermenmuseum 2022 Aan de oost-, west- en zuidzijde van het museum zijn in totaal 11 boringen gezet, om te kijken of nog oorspronkelijke bodemprofielen aanwezig zijn langs de randen van het plangebied (figuur 6). 14 Dit heeft niet zo veel informatie opgeleverd als gehoopt. De boorgegevens worden beschreven vanaf het huidige maaiveld en in m +NAP.

14 Tijdens het fysisch geografisch onderzoek in 2017 (De Moor, 2017) konden deze boringen niet worden gezet, vanwege een

strenge vorstperiode.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[18]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 6. Boorpunten binnen het plangebied, met de resultaten van vlak 1 van de oude opgravingen.

Aan de oostzijde zijn vijf boringen gezet (B1-5). De bedoeling was in eerste instantie bovenop het talud naar het oosten te boren, en wel op die locaties die destijds niet waren opgegraven (de profieldammen), in de hoop dat hier nog oorspronkelijke bodemprofielen aanwezig zijn. Helaas werd bovenop deze taluds (B2, 3 en 4; 116,10 m +NAP) vrij direct op bouwpuin gestuit, meestal vanaf circa 50 cm onder het maaiveld (ca. 115,60 m +NAP), en éénmaal (B5, 116,30 m + NAP) op 100 cm (115,30 m +NAP). Een zesde boring verder zuidwaarts kon niet gezet worden, omdat het talud hier te dicht begroeid was. Aangezien de bovenlagen in deze boringen steeds recent zijn en puin bevatten, is het waarschijnlijk dat op jonger bouwpuin is gestoten. Waarschijnlijk gaat het om puin rondom de bouwput tijdens egalisaties of de bouw van het museum in de jaren “70. B1 (114,40 m +NAP) bevindt zich onderaan het talud, circa 40 cm boven het huidige pad langs de zuidoostzijde van het huidige museum.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[19]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Bij B1 werd vanaf 40 cm (vanaf 114,00 m + NAP) waarschijnlijk verstoord BC-materiaal vastgesteld en lijkt pas vanaf 120 cm -mv (113,20 m +NAP) werkelijk ongeroerd materiaal aanwezig (C-löss). Aan de westzijde is één boring gezet (B6, 113,20 m +NAP). In de boring zijn alleen verstoorde lagen aangetroffen en werd uiteindelijk geboord op een ondoordringbaar puin (110 cm –mv, 111,90 m +NAP). Ten aanzien van de westelijke zijde kan nog gebruikt gemaakt worden van een waarneming in de Kruisstraat in 2018 (?). Ten behoeve van de aanleg van een gasleiding is ter hoogte van het Thermenmuseum een sleuf dwars over de Kruisstraat aangelegd. Tijdens de graafwerkzaamheden werden waarnemingen verricht om al dan niet vast te stellen of archeologisch resten aanwezig waren. Onder het wegdek werd echter alleen nog een C-horizont vastgesteld. Het gebied is dus volledig getopt. Aan de zuidzijde zijn vijf gezet (B7-11), omdat in enkele boringen op ondoordringbaar puin werd gestoten en gepoogd werd op een andere locatie meer succes te hebben. Dit was helaas niet het geval. Boring 7 (113,35 m +NAP) is de enige boring, waarin de natuurlijke ondergrond is vastgesteld. Vanaf circa 50 cm –mv ( 112,85 m +NAP) werd een BC-horizont in lӧss vastgesteld (Lz1, lichtbruin, mangaanspikkels) en vanaf circa 90 cm (112,45 m +NAP) een C-horizont ((Lz1, lichtgeelbruin).

In boringen 8 (114,30 m +NAP) en 9 (114,45 m) werd steeds vanaf circa 50 cm op ondoordringbaar puin geboord (respectievelijk 113,80 m +NAP en 113,95 m +NAP). Het betreft een donkergrijze laag met grind en puin. In boring 10 (114,10 m +NAP) werd vanaf 40 cm (113,70 m +NAP) op ondoordringbaar puin gestoten. In boring 11 (114,50 m +NAP), tenslotte, werden diverse verstoorde lagen vastgesteld, maar leek vanaf 110 cm –mv (113,30 m +NAP) de ongeroerde C-horizont aanwezig. Conclusie boringen: Aan de oostzijde is geen zinvolle informatie gewonnen. Bovenop de taluds zijn alleen maar boringen met ondoordringbaar puin aangeboord, hoogstwaarschijnlijk als gevolg van de bouw van het museum in de jaren ’70. B1 ligt ter hoogte van het pad naast het museum, en wel op een locatie van een zogenaamde profieldam, een gedeelte dat misschien niet is opgegraven. Hier is vanaf 114,00 m +NAP materiaal van de natuurlijke BC-horizont aanwezig, maar deze is waarschijnlijk verstoord. Een ongeroerde Bt-horizont is in ieder geval niet aangetroffen. De hoogte komt overeen met vlak 3 in oude opgravingsput 3, het diepst gedocumenteerde vlak in deze put (zie bijlage 3). Pas echt schoon lijkt de bodem hier in de C-horizont, vanaf 113,20 m +NAP. De mogelijke verstoring tot in de BC-horizont kan op een grondspoor wijzen maar ook op een recente verstoring als gevolg van de bouw van het huidige museum.

Aan de westzijde zijn in B6 alleen maar verstoorde lagen aangeboord en is vanaf 111,90 m + NAP op ondoordringbaar puin gestoten. De meest nabije hoogtemeting binnen het monument in het museum bevindt zich hier zeven meter oostelijker: 112,47 m +NAP, vlak 1. Gezien de langzame helling naar het westen zal het archeologische vlak in de Bt-horizont hier, direct buiten de hal, waarschijnlijk op circa 112,00 m +NAP hebben gelegen. Dit is ongeveer de hoogte waarop nu op ondoordringbaar puin is gestoten. Hier kan een grondspoor met hard materiaal zijn aangeboord, maar ook een recente verstoring in samenhang met de bouw van het museum in de jaren ’70, of daarna. Opmerkelijk aan de westzijde (direct buiten het museum) is de sterk aflopende helling naar het westen, met name in het noordwesten, hetgeen doet vermoeden dat hier een verdieping van de weg heeft plaatsgevonden. Dit wordt bevestigd door een waarneming in de Kruisstraat in 2016 (zie boven). Iets ten noorden van de

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[20]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

kruising met de Deken Nicolaijstraat werd in een leidingsleuf haaks op de Kruisstraat onder het wegdek geen B- of BC-horizont meer vastgesteld. Het bodemprofiel is hier volledig afgetopt. Aan de zuidzijde ligt het maaiveld ter hoogte van B7 (113,35 m +NAP), net buiten het museum, iets lager dan vlak 1 in het museum iets ten oosten (113,42 m +NAP). De ongeroerde BC-horizont 50 cm lager in B7 (112,85 m +NAP) wijst op een afgetopte situatie. B8 (114,40 m +NAP), 9 (114,48 m +NAP) en 10 (113,78 m +NAP), respectievelijk ten zuiden en ten noorden van de laat-Romeinse gracht, stuitten na 50 cm op ondoordringbaar puin, zodat geen informatie over deze locaties bestaat. B11 ligt boven de oude opgravingsput 23, waarvan alleen een vlak 1 bestaat (circa 114,60 - 114,70 m +NAP). Aangezien het maaiveld nu zelfs lager ligt (114,50 m +NAP) en ook nog een verstoord pakket van circa 110 cm is vastgesteld, is duidelijk dat het oorspronkelijke bodemprofiel hier diep is aangetast en mogelijke archeologische sporen verdwenen zijn.

2.3 Archeologische gegevens 2.3.1 Inleiding Nagenoeg het gehele plangebied is in het verleden archeologisch onderzocht. Bekend is in de eerste plaats de opgraving van het Romeinse badhuis in de jaren 1940, dat het grootste gedeelte van het plangebied inneemt. Echter, ook daarvóór en daarná zijn archeologische gegevens verzameld. Oudere meldingen betreffen beschrijvingen van Piet Peters die stadsarchivaris van Heerlen was tussen 1924 en 1940. Peters was ook vóór zijn indiensttreding al bekend als amateurhistoricus en archeoloog en als zodanig bijna overal aanwezig wanneer civiele graafwerkzaamheden plaatsvonden. Ná de opgravingen van het badhuis in de jaren ’40 vonden in de jaren ‘50 nog diverse opgravingen plaats direct rondom het badhuis. Daarna gebeurde niet veel meer maar worden nog wel enkele vondsten gemeld. Al deze onderzoeken werden alleen in voorlopige artikelen gepubliceerd, waarvan de publicatie van het badhuis door Van Giffen & Glasbergen (1948) de meest uitgebreide en belangrijkste was. Een definitieve uitwerking van de onderzoeken van het badhuis én de direct aangrenzende gebieden, tezamen het thermenterrein genoemd, vond plaats in de vorm van een interdisciplinair onderzoek in het kader van de restauratie van het badhuis en de planning van een nieuw museum, uitgevoerd tussen 2017 en 2020. 15

2.3.2 Hoek Kruisstraat/Nieuwe Lindestraat, 1935 In een artikel uit 1936 beschrijft Peters een waarneming in de bouwkuil voor de nieuwe slagerij J. Schmeetz op de noordoostelijke hoek van de Kruisstraat en de Nieuwe Lindestraat, de tegenwoordige Deken Nicolaijestraat. 16 Het gaat om het hoekperceel direct ten zuiden van het Thermenmuseum. Peters beschrijft eerst de vondst van een grote, oost-west uitgerichte gracht, met een breedte van 7 m en een diepte van 2 m. Het gaat hierbij om dezelfde laat-Romeinse gracht, die Van Giffen en later Bogaers in de jaren ’40 ten zuiden van het badhuis vinden. Peters beschrijft ook sporen van een zogenaamde “walmuur” aan de noordzijde van deze gracht. Dezelfde gracht en de ten noorden daarvan liggende fundamentgreppel had Peters in 1919 ook al aangetroffen op het Tempsplein, circa 100 m

15 Jeneson & Vos, 2020. 16 Peters, 1936.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[21]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

verder oostelijk. 17 In zijn artikel van 1936 beschrijft Peters ook een grote afgraving/egalisering op het terrein van de Heide Maatschappij, waartoe blijkbaar ook het perceel van Schmeetz hoorde. In dit vrij grote gebied, twee derde tot drie vierde van de westelijke palaestra van het badhuis (!), werd circa “1 – 2 M” grond afgegraven. Peters schetst het verloop van twee parallelle muren langs de westzijde, parallel aan de Kruisstraat met enkele dwarsmuren en ziet hierin de “kazernen” van het “castellum”. Voorts ziet hij langs de oostzijde van dit afgegraven gebied een deel van een rond gebouwtje dat hij als het “hypocaustum van het badhuis” van het “castellum” interpreteert (nr.8 in figuur 7). Het betreft mogelijk het jonger praefurnium 2 aan de westzijde van het badhuis of het sunatorium (zweetruimte) van het badhuis. Duidelijk is ieder geval dat een behoorlijk gebied tot op het fundamentniveau, vergelijkbaar met vlak 1 van de opgraving van het badhuis, is afgegraven (vergelijk figuur 7 met figuur 11).

Figuur 7. Schets Peters uit 1936. Bron: Peters, 1936, p.15.Vergelijkter oriëntatie ook met figuur 11.

2.3.3 Badhuis, 1940-1941 De opgraving van het badhuis vond plaats gedurende de tweede wereldoorlog. De opgravingen stonden in het begin (1940) onder leiding van arts en amateurarcheoloog J.H. Beckers en werd in 1941

17 Peters, 1919.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[22]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

afgerond door professor A.E. Van Giffen van het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden. 18 Toen Van Giffen de opgraving overnam, had Beckers reeds het complete badhuis en de westelijke palaestra laten blootleggen, tot op het vloer- of fundamentniveau. Alleen het uiterst oostelijke stuk, vanaf de oostelijke porticus in de oostelijke palaestra, was nog niet opgegraven. Van Giffen legde daar enkele belangrijke profielen aan en groef de resterende oostelijke restanten stratigrafisch op, in tegenstelling tot wat Beckers daarvoor had gedaan. De enige documentatie van het door Beckers gegraven deel is door Van Giffen gemaakt: hij liet de algemene vlaktekening en profielen door het badgebouw tekenen. Vondsten uit specifieke, geregistreerde contexten bestaan alleen uit het door Van Giffen gegraven deel. Van Giffen legde na afloop van de opgraving ook nog enkel proefsleuven aan rondom het badhuis: één ten noorden en twee ten zuiden van het badhuis, en één verder naar het oosten op het Tempsplein. Hiermee legde hij het verloop van de laat-Romeinse gracht rondom het badhuis vast.

Figuur 8.Uitsnede van een overzicht in Van G iffen 1948, met opgravingsplattegrond van het badhuis en het verloop van de laat-Romeinse gracht rondom het badhuis op bas is van de proefsleuven. Bron: Van Giggen Pl.II

Na afloop van de opgravingen door van Giffen werd het gehele badhuis eerst provisorisch beschermd met asfaltpapier en stro, en later, in 1946 definitief afgedekt met zilverzand en teelaarde. In 1948 werden de voorlopige resultaten van de opgraving van het badhuis en de proefsleuven gepubliceerd. 19 In deze publicatie worden twee fases voor het badhuis gereconstrueerd. De aanleg en eerste fase van het badhuis werd gedateerd in de Claudische periode, vanaf omstreeks het midden van de eerste eeuw. De tweede fase werd aan het begin van de derde eeuw geplaatst. Bij de reconstructie van het verloop van de laat-Romeinse spitsgracht, kwam hij tot twee niet nader binnen de laat-Romeinse tijd te

18

Archis:zaakidentificaties 2921649100 en 3272857100.

19 Van Giffen & Glasbergen, 1948.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[23]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

dateren grachtfases. In het zuiden lagen deze grachtfases ten dele naast elkaar. In het noorden was dit niet opgevallen: daar lopen de grachtfases precies over elkaar heen.

Figuur 9. Overzicht opgravingen uit de jaren 1940 met proefs leuven ten noorden en ten zuiden van het badhuis. Let op: het noorden ligt onder. Bron: vanGiffen & Glasbergen, 1948, Pl. VI.

2.3.4 Opgravingen Bogaers 1952 - 1957 Onder leiding van Dr. J.E. Bogaers vonden tussen 1952 en 1957 diverse opgravingen plaats, die nagenoeg direct aansloten op de werkputten van de opgravingen uit de jaren ‘40. Alleen in het noordwesten en in de zuidwestelijke hoek bevonden zich twee percelen waar niet kon worden

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[24]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

opgegraven. Deze opgravingen werden alleen verwerkt in voorlopige berichten. 20 Naast de laatRomeinse gracht werden resten van een Romeinse weg (grindbaan) naar het zuidoosten gevonden (figuur 10), mogelijk de Via Belgica, en typische vicusbewoning (zogenaamde Streifenhäuser) aan deze weg.

Figuur 10. Foto tijdens opgravingen jaren ’50, vanuit het zuidoosten. In het profiel tegen het niet opgegraven perceel in het noordwesten is de Romeinse weg goed z ichtbaar. Links op de voorgrond loopt de laat-Romeinse gracht die de weg op dit punt langs de weg nog nauwelijks oversnijdt. Bron: Archief Thermenmuseum.

Het gaat om jongere bewoningsfasen met stenen funderingen en een oudere bewoningsfase in hout daaronder. In het uiterste oosten werd een groot gebouw gevonden, dat geen standaard Streifenhaus betreft, maar mogelijk een mansio (herberg) of statio (controlepost) was. Het gebouw heeft een porticus langs de oostzijde, waar de noord-zuid weg van Xanten naar Trier ligt, waarvan nog net de westelijke rand was vastgesteld. Een derde wegtracé ligt volgens Bogaers in het uiterste westen, waar hij een afsplitsing naar het zuidwesten zag. Recentelijk zijn de opgravingsresultaten door Vos nader uitgewerkt in het kader van het interdisciplinaire onderzoek van het thermenterrein (zie onder). 21 De overgeleverde documentatie van deze opgravingen is niet ideaal, maar Vos kon met enige moeite en wringen de meeste putten en vlakken wel reconstrueren en samenvoegen. Alleen put 13 kon niet toegevoegd worden omdat het nergens goed paste, terwijl put 22 geheel ontbrak. Goede spoorbeschrijvingen en definities ontbreken meestal, terwijl ook geen spoornummering bestaat. Vos gebruikt de publicatie van Bogaers uit 1959 als uitgangspunt. 22 Daarnaast leverden de combinatie van coupes, putprofielen en dagrapporten enige informatie om sporen te kunnen interpreteren. Coupes werden alleen gezet in de

20 Zie ook Vos, 2020b voor een overzicht. 21 Zie Vos, 2020b in Jeneson & Vos, 2020. 22 Bogaers, 1959,

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[25]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

laatste (diepste) vlakken. Van meerdere putten zijn echter geen coupevellen bewaard gebleven. Overgeleverd zijn alleen coupes uit putten 1, 4, 10, 11, 12, 16, 17, 18, 20, 21 en 23 (zie figuur 13). Voor wat betreft de ontbrekende putten is niet duidelijk in hoeverre deze in het geheel niet gecoupeerd zijn of dat ze alleen verloren zijn gegaan. Onduidelijk is ook of in de gecoupeerde putten ook daadwerkelijk alle sporen gecoupeerd en afgewerkt zijn. Het aantal sporen is namelijk groter dan het aantal coupes. Het toewijzen van vondsten aan bepaalde sporen, de vondstdocumentatie, was eveneens vrij slecht. Dit komt onder andere doordat Bogaers op drie locaties tegelijk aan het opgraven was en overal met put 1 en vondst 1 was begonnen. 23

Figuur 11. Opgraving badhuis 1940-1941 (exclusief proefsleuv en) en de opgrav ingen uit 1952-1957 daaromheen.

23 Vos, 2020b.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[26]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2.3.5 Periode 1960 tot heden Na de opgravingen van Bogaers is nog maar weinig gebeurd binnen het plangebied. Te vermelden zijn alleen de opgraving van een muntschat in de noordelijke laat-Romeinse gracht in 1975 (figuur 12) 24 en de ontgraving van het badhuis (verwijdering van teelaarde en zilverzand) in 1977 ten behoeve van het Thermenmuseum.

Figuur 12. Thermenterrein met locatieschets voor de muntschatvondst in laat-Romeinse gracht aan de noordzijde van het museum (profiel C-D) en de ligging van een dwarsdoorsnede van de gracht ten zuiden van het museum (profiel A-B). Bron: Jamar & Van der Vin, 1976, figuur 2.

Na de bouw van het museum werden de teelaarde en het opgebrachte zilverzand met de kraan verwijderd en ontstond eigenlijk een ‘tweede’ opgravingsvlak (opschoningsvlak), dat (geschat) zo’n 510 cm dieper lag dan het ‘eerste opgravingsvlak”, dat Van Giffen had opgetekend. Dit ‘tweede’ opgravingsvlak is nooit opgetekend. Door de droogte in de hal sloeg dit ‘tweede opgravingsvlak’ op een gegeven moment wit uit als gevolg van kalk of zouten (?). Aangezien dit het zicht op de resten voor het publiek sterk hinderde, besloot de museumdirectie in de jaren ’80 van de vorige eeuw tot het losbikken van deze witte bovenkant. Er werd een tuinbedrijf ingehuurd die het gehele vlak met een hak verbrijzelde/verkruimelde, een laag die daarna altijd is blijven liggen. In de jaren ’80- ‘90 is tenslotte

24 Jamar & van der Vin, 1976.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[27]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

ook nog een kuil gegraven door de museumstaf. Het gaat om een put van ca 3 x 1 m in de oostelijke palaestra, tegen de muur van het tepidarium.25

2.3.6 Het interdisciplinair onderzoek 2017-2020 Tussen 2017 en 2020 vond een interdisciplinair overzoek plaats waarbij alle oude opgravingsgegevens (minstens de vlakken) zijn gedigitaliseerd en al het vondstmateriaal opnieuw bekeken, gedetermineerd en of geanalyseerd is (Jeneson & Vos, 2020). 26 De resultaten hebben geleid tot een gestructureerd overzicht van de opgravingen en een analyse van de bouw en gebruiksgeschiedenis van het badhuis en het daaromheen liggende gebied, én een algehele synthese over de ontwikkeling van Coriovallum van de eerste tot de vierde eeuw. De digitalisering en (her)interpretatie van de oude opgravingsgegevens was niet eenvoudig, omdat zoals boven beschreven de documentatie van de oude opgravingen gebrekkig is (zie § 2.3.3 en 2.3.4). Zo zijn er bijvoorbeeld een aantal zones die tot meerdere putten lijken te horen (4-5 en 8-9) en heeft één put het label put 10 én put 1a. Behoudens deze put 1a en de ‘oude ‘ put 1, het opgegraven stuk uit de jaren ’40, is er ook nog een put 1b, in het uiterste oosten. Zie figuur 13 voor het overzicht van de gedocumenteerde werkputten.

25 Er bestonden diverse vondsten uit deze put maar geen profiel- of vlakdocumentatie. De profielen en het vlak zijn daarom tijdens

het proefsleuvenonderzoek in 2017 alsnog gedocumenteerd. 26 Alleen op basis van deze gedigitaliseerde vlakken konden alle figuren met sporenvlakken in dit rapport gemaakt worden.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[28]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 13. Overzicht van de oude werkputten gedurende het interdisciplinair onderzoek 2017-2020. 1 (1940-41) Bron: Vos, 2020b, figuur 3.4.

Binnen het kader van het interdisciplinaire onderzoek zijn in 2017 ook enkele proefsleuven aangelegd, of bestaande putjes op het monument schoongemaakt en gedocumenteerd (zie figuur 14). 27 Het gaat steeds om locaties ‘binnen’ de huidige tentoongestelde resten van de site, locaties die niet van de nieuwbouwsituatie zijn betroffen. Belangrijk is wel om te vermelden dat hierbij nog verrassend veel archeologische vondsten en sporen aanwezig bleken te zijn: in het laatste vlakniveau van Van Giffen

27 Tichelman, 2019.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[29]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

zijn blijkbaar niet alle sporen gecoupeerd en afgewerkt. Archeologische resten zijn met name te verwachten aan de noordflank van de noordwestelijke hoek van het terrein, omdat hier in het verleden hoogstwaarschijnlijk is opgehoogd en de ongeroerde ondergrond binnen het tentoongestelde monument niet overal aan het oppervlak ligt. Ter hoogte van proefsleuf 2 werden onder een ophogingspakket van circa 120 cm restanten van een kalkbrandoven gevonden, waarop een zuilfundament van de noordelijke porticus rustte. Van Giffen heeft direct ten westen van proefsleuf 2 (tegen het westelijk gelegen porticusfundament) ook een profiel gedocumenteerd en stelde hier eveneens grote ophoogpakketten vast. Waarschijnlijk gaat het hierbij om ophogingspakketten en/of resten van overige kalkbrandovens. Vos beschrijft een groot ovaalvormige spoor (kuil 8) ten noorden van de façade van het badhuis ter hoogte van de naar het noordwesten afbuigende goot. Het gaat om een kuil van circa 6 bij 4 meter, die nog circa 120 cm diep bewaard was. 28 Mogelijk gaat het hier om restanten van (uitgegraven?) kalkbrandovens.

28 Vos, 2020b, 72-73.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[30]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 14. Overzichtskaart proefsleuven 2017 binnen het badhuis, met gedocumenteerde profielen in rood. Bron: Tichelman, 2019, figuur 3. In blauw kuil 8 volgens Vos 2020b.

2.4 Historische situatie Door Naomi Paffen Op basis van historische kaarten kan inzicht worden verkregen in het historisch gebruik van een gebied van na de late middeleeuwen tot begin 20e eeuw. In die periode was men veel meer dan nu gebonden aan de (on)mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood voor bewoning en andere vormen van landgebruik. Het historisch gebruik zegt daarmee iets over de archeologische potentie van het gebied. Daarnaast kan het informatie leveren over eventuele bodemverstoringen die in het verleden hebben plaatsgevonden. De kaartjes zijn verkregen via www.topotijdreis.nl., waarover de opgravingsgegevens van het thermenterrein, de opgravingen uit de jaren ’40 en ’50, geprojecteerd zijn. De georeferentie van deze historische kaarten is niet altijd even zuiver ter hoogte van het Thermenmuseum, zoals vooral blijkt uit de kaartjes uit 1926 en 1954. Duidelijk is echter steeds dat de noordzijde van de opgravingen

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[31]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

van het thermenterrein tot aan de Coriovallumstraat loopt en aan de zuidzijde tot aan de Deken Nikolaijstraat (voorheen Nieuwe Lindenstraat).

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[32]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 15. Plangebied geprojecteerd op diverse historische kaarten. Bron: topotijdreis (kadaster.nl).

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[33]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Uit de analyse van dit historische kaartmateriaal blijkt dat omstreeks 1832 alleen sprake is van bebouwing ten noordwesten van het badhuis (kruising Coriovallumstraat met de Kruisstraat). De overige delen van het plangebied zijn op dat moment nog in gebruik als akkerland. Omstreeks 1864 is te zien dat de bewoning langs de Kruisstraat zich verder uitstrekt in zuidelijke richting. Het overige deel van het plangebied blijft echter nog in gebruik als akkerland. In de jaren 1894 t/m 1925 breidt de bebouwing zich steeds meer uit, maar blijft de bebouwing binnen het plangebied beperkt tot de Kruisstraat. Vanaf 1925 is ook het huidige Tempsplein net ten zuidoosten van het badhuis op de kaarten te zien en bevinden zich diverse gebouwen binnen het plangebied. 29 Volgens topotijdreis verdwijnt de meeste bebouwing pas in de jaren ’60, maar het meeste daarvan moet reeds veel eerder zijn afgebroken: de opgravingsputten uit de jaren 40 en ’50 liggen namelijk ten dele over deze gebouwen. Tijdens de opgravingen in de jaren ’40 staat binnen of direct aan het plangebied alleen in het noordwesten en het uiterste zuidwesten nog bebouwing, zoals blijkt uit enkele foto’s en de kadasterkaart uit 1941. Op deze kadasterkaart staan in het noordwesten twee gebouwen langs de Coriovallumstraat (figuur 16).

Op de hoek ligt het oudste perceel, omdat dit perceel (met iets andere bebouwing) ook al op de kadasterkaart uit 1832 staat (figuur 15, linksboven). Dit gebouw was in ieder geval ten tijde van de opgravingen in de jaren ’50 reeds gesloopt, gezien de ligging van put 12 (zie figuur 23). Rechts naast dit perceel ligt een perceel met gebouw dat tijdens de opgraving nog wel aanwezig is, en waarvan de rooilijn iets verder van de Coriovallumstraat ligt (vergelijk ook figuur 15, rechts midden). Dit gebouw moet ergens tussen 1832 en 1926 zijn gebouwd; het is niet eenduidig te herkennen op de kaarten uit 1850 en 1864. Het gaat om een huis met ernaast gelegen schuur (figuur 17). Het huis in het zuidwesten (figuur 18) staat eveneens op de kadasterkaart uit 1941. Het betreft het hoekgebouw Kruisstraat/Nieuwe Lindestraat, hoogstwaarschijnlijk het gebouw van slagerij Schmeetz, dat in 1936 werd gebouwd (zie § 2.3.2). Gedurende de jaren ’60 verdwijnt ook de bebouwing in het noordwesten, alleen het huis in de zuidwestelijke hoek is blijven staan. Op een luchtfoto uit 1968 is het huis ten zuidwesten van het badhuis ook nog goed te zien. Het overige terrein ligt op dat moment braak. De archeologische resten zijn grotendeels afgedekt, al lijken nog enkele muurresten boven het maaiveld uit te steken. In 1975 wordt begonnen met de aanleg van het huidige Thermenmuseum dat in 1977 wordt geopend.

Tegen 1989 verdwijnt dan ook het laatste huis ten zuidwesten van het badhuis.

29 T ussen 1925 en 1936 verandert de kaart niet, en ook niet tussen 1937 en 1954. Deze laatste is echter van een erg slechte

kwaliteit.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[34]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 16. Kadasterkaart uit 1941 met opgravingsputten jaren ’40 en ’50.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[35]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 17. Foto tijdens opgraving 1940-1941. Vanuit het zuidoosten kijkend op het noordwesten op de Coriovallumstraat. Op de voorgrond de oostelijke palaestra en het badhuis met daarachter het niet opgegraven perceel met huis (witte muren) en de rechts ernaast gelegen schuur. Bron: Thermenarchief map 172.

Figuur 18. Foto opgraving 1940-1941 vanuit het noorden, kijkend op het zuiden. Het badhuis met rechts de westelijke palaestra met afvoergoten en piscina (zwembekken). Rechtsachter het huis op de zuidwestelijke hoek van het thermenterrein. Bron: Thermenarchief map 200.

RAAP-rapport 6114 / versie 19-01-2023

[36]

Plangebied T hermenmuseum te Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Uit de analyse blijkt dat ten noordwesten en ten zuidwesten van het badhuis ten tijde van de opgravingen in de jaren ’40 en ’50 bebouwing en bewoonde percelen lagen, waardoor daar geen opgraving kon plaatsvinden. In het noordwesten gaat het om een relatief klein en ouder huis (19e eeuw), waarvan onbekend is of het een kelder heeft gehad. Het gebouw van slagerij Schmeetz in het zuidwesten lijkt wel een kelder te hebben gehad: anders zou Peters hier niet de diepte van de laatRomeinse gracht kunnen hebben beschreven. Hoe groot deze kelder was, is niet bekend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=6369f9f3-198e-45ca-869a-79c0675d2799