CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ongekend onrecht.pdf

(oud) Commissie Maatschappij en Financiën 14 januari 2021, gemeente HeerlenBij agendapunt: Update Sociaal Domein48.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

pagina 59/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

slechtigheden voorgeschoteld, waardoor ik toen […] best geschokt was,[…] Ik kwam uit die sessie. Mijn argwaan was weggenomen en ik kwam daar uit met het idee dat er heel veel slechtigheid was van de ouders. Dan ga ik dat AO in en dan lees ik de beantwoording van de staatssecretaris die blijkbaar overal in zit, overal een antwoord op heeft, alle getallen kent, er helemaal in is gedoken en er misschien zelfs in is doorgeschoten en waarvan ik nu weet: ik denk dat de antwoorden technisch kloppen maar het verhaal klopt niet. En daar ben ik relatief recent achter gekomen. Uit presentaties die waarschijnlijk34 aan staatssecretaris Wiebes zijn gegeven, blijkt dat na de bezwaarbeoordeling 87% van de ouders van de Parel geen recht had op kinderopvangtoeslag. Ook worden de gedragingen van ouders beschreven die ertoe hebben geleid dat is vastgesteld dat er geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. Tijdens het Verslag algemeen overleg over de Parel wordt de motie Ulenbelt/Siderius 35 ingediend, waarin de regering wordt verzocht alleen de eigen bijdrage te innen bij de ouders die slachtoffer zijn geworden van het fraudeleus handelen van kinderopvangorganisatie De Parel. De motie wordt niet aangenomen door de Tweede Kamer en mist daardoor uitwerking.

2016-2017 - Aanloop naar rapport Nationale ombudsman “Geen powerplay maar fair play” In november 2016 meldt de Nationale ombudsman aan het ministerie van Financiën dat hij een onderzoek gaat instellen naar aanleiding van de signalen van de advocaat van ouders uit de CAF 11-zaak en de reactie die de Belastingdienst/Toeslagen gaf op een door haar ingediende klacht. Over het traject daartoe verklaart de betreffende advocaat, mevrouw González Pérez, het volgende in het openbaar verhoor: Mevrouw González Pérez: Ik heb natuurlijk diverse gesprekken gehad bij de Belastingdienst. Ik heb de Ombudsman er op enig moment bij betrokken. Die verwees mij naar de klachtenafdeling. Bij de klachtenafdeling heb ik geprobeerd heel dat traject te doorlopen. Dat stagneerde aan alle kanten. In maart 2016 ben ik weer teruggegaan naar de Ombudsman: ik kom niet vooruit; kunt u toch niet zelf dat onderzoek starten, want het schiet niet op. Die heeft mij weer teruggestuurd naar de klachtenafdeling. Toen zaten we uiteindelijk in september 2016. Hij is in november het onderzoek begonnen. Directeur Toeslagen Blankestijn geeft in zijn verhoor aan dat hij het onderzoek direct meldt bij zijn directeur-generaal, op dat moment nog de heer Leijtens. Staatssecretaris Wiebes wordt op dat moment niet geïnformeerd.

Deze verklaart tijdens zijn openbaar verhoor niet eerder dan 9 augustus 2017, de datum van het verschijnen van het rapport, te zijn geïnformeerd over de klachten of het onderzoek van de Nationale ombudsman. Vlak na de aankondiging van het onderzoek van de Nationale ombudsman vraagt het MT Toeslagen medio november 2016 aan de nieuwe vaktechnisch coördinator om zich te verdiepen in de CAF 11-zaak. De vaktechnisch coördinator krijgt daarvoor stukken doorgestuurd van het MT-lid dat haar had gevraagd onderzoek te doen. Het eerste

34

Deze presentaties zijn na het verhoor door het ministerie van Financiën aan de commissie verzonden, waarbij is

opgemerkt dat uit de systemen niet duidelijk is of deze presentaties zijn gegeven. 35

Kamerstuk II 2015/16, 31 322, nr. 295.

pagina 60/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

beeld dat ze krijgt naar aanleiding van de stukken beschrijft zij tijdens het openbaar verhoor: Mevrouw Palmen-Schlangen: Wel voldoende om voor mij een eerste beeld te vormen, maar of het voldoende is geweest als het gaat om de volledigheid van het hele dossier, dat verwacht ik niet.[…] Wat ik daaruit merkte, was dat de advocaat steeds vragen stelde en zij daar van collega's niet altijd goed of volledig antwoord op kreeg. Mevrouw Leijten: Oké, dat gaat dan over het proces. Maar als het gaat over de inhoud van de zaak? Mevrouw Palmen-Schlangen: Nou, ja, de inhoud ... Wat ik ervan begrepen heb, ging het over een dossier waarbij ouders in één keer geconfronteerd werden gedurende een toeslagjaar met een stopzetting. Als je ouders confronteert met zo'n stopzetting gedurende het jaar, heeft dat heel veel impact. Op 8 maart 2017 doet de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) uitspraak in een CAF 11-zaak. De uitspraak wordt ook betrokken in het memo dat mevrouw Palmen opstelt en op 13 maart 2017 aan haar MT-lid stuurt. In het memo oordeelt mevrouw Palmen dat de Belastingdienst/Toeslagen laakbaar heeft gehandeld. Deze stuurt het door aan de heer Blankestijn ter bespreking voor de MTdag die de dag erna plaatsvindt. In het memo bespreekt mevrouw Palmen als eerste de procedure bij en de uitspraak van de Raad van State.

In het memo wordt erop gewezen dat een andere keuze had kunnen worden gemaakt bij het instellen van hoger beroep. Verder wordt vermeld dat in de uitspraak door de Raad van State wordt vastgesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de stopzetting van het voorschot niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht en in strijd met de voor opschorting geldende regels heeft gehandeld. Vervolgens gaat mevrouw Palmen in het memo in op de bezwaar- en beroepsprocedures, waarbij zij onder meer wordt opmerkt dat bezwaren lang zijn blijven liggen, bewijsstukken keer op keer worden opgevraagd, onjuiste rechtsgronden voor stopzetting worden gebruikt en dat diverse rechtsbeginselen worden geschonden. Ten aanzien van de klacht van de advocaat van ouders betrokken in het CAF 11onderzoek adviseert mevrouw Palmen de klacht gegrond te verklaren en een vorm van compensatie aan te bieden. Hierbij wordt de mogelijkheid van een vaststellingsovereenkomst genoemd. Ook geeft ze een vervolgadvies hierover: “Daarnaast adviseer ik met klem de processen van Belastingdienst/Toeslagen te heroverwegen en een coördinatie aan te brengen. Het MT is verantwoordelijk voor het hele proces, ook op inhoud.

Hoe is het mogelijk geweest onderzoek in te stellen zonder werkinstructies en behandelkaders? Hoe is het mogelijk geweest de toeslag voor 300 burgers op deze wijze stop te zetten, met een onjuiste rechtsgrond, geen acht te slaan op de rechtsbescherming, inbreuk op de vereiste zorgvuldigheid, inbreuk op het motiveringsvereiste en de bewijslastverdeling? Hoe is het mogelijk geweest dat bezwaren twee jaar zijn blijven liggen? Hoe is het MT tot de conclusie gekomen dat hoger beroep wenselijk was, ondanks het afbreukrisico? Hoe heeft het MT akkoord kunnen geven op het niveau van de beantwoording?”. Ten aanzien van de klacht die het gastouderbureau Dadim heeft ingediend, wordt gesteld dat het ongegrond verklaren van deze klacht ter discussie staat door de uitspraak van de Raad van State. Mevrouw Palmen adviseert om hierover afstemming te zoeken met juridische zaken.

pagina 61/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Het memo sluit af met de informatievraag van de Nationale ombudsman naar aanleiding van zijn onderzoek. Deze vraagt naar interne instructies of richtlijnen over hoe belastingmedewerkers moeten handelen als er sprake is van mogelijke fraude of onrechtmatigheden bij een lopende kinderopvangtoeslag en de rapporten van de bij de gastouders afgelegde actualiteitsbezoeken van november 2013. Mevrouw Palmen concludeert hierbij dat van het bestaan van dergelijke werkinstructies tot dat moment nog niets is gebleken en dat de Belastingdienst/Toeslagen laakbaar heeft gehandeld. Het memo wordt de dag erna op alleen procesniveau besproken in het MT. De heer Blankestijn verklaart tijdens zijn openbaar verhoor: Mevrouw Leijten: Heeft u het die dag besproken in het managementteam? De heer Blankestijn: Ja, we hebben het gewoon besproken in de zin van: wat staat erin? En we hebben gezegd wat we ermee gaan doen: dat gaan we in de groepen bespreken.[…] Wij hebben dat memo verder niet inhoudelijk besproken. De heer Blankestijn verklaart verder dat het MT anders aankeek tegen de uitspraak van de Raad van State. Hoe het memo daarna onbekend blijft, kan hij niet verklaren. Volgens de heer Blankestijn zou het memo na bespreking in het MT gearchiveerd moeten zijn bij de MT-verslagen. Het MT toeslagen besluit om wederom het gesprek aan te gaan met de advocate.

Het advies van mevrouw Palmen om een vaststellingsovereenkomst aan te gaan wordt niet overgenomen. Dit blijkt echter niet uit de MT verslagen, maar uit de wijze waarop een oplossing door de Belastingdienst/Toeslagen wordt vormgegeven in de richting van de ouders. In april en in mei wordt de advocaat van ouders uit de CAF 11-zaak, mevrouw González Pérez, uitgenodigd voor een gesprek om te spreken over een oplossing. De daadwerkelijke gesprekken hadden echter een andere invulling dan verwacht. Mevrouw González Pérez: Wat ik tijdens dat gesprek heel erg vond, was dat dat gesprek blijkbaar niet georganiseerd was om het over die stopzetting te hebben. De oplossing die mij tijdens een telefoontje vanuit de Belastingdienst werd medegedeeld, was dat ik een éérlijke oplossing zou krijgen voor de problemen die ontstaan waren. Maar wat merkte ik toen ik daar aan tafel zat? Daar ging het helemaal niet meer over. De verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid voor de stopzetting verdwenen een beetje naar de achtergrond. Wat wilde de Belastingdienst destijds? Zij wilden dat ik gewoon weer gegevens ging aanleveren. En dan zat ik weer met die periode daarna, want daar moest ik dan ook weer alles voor aanleveren.

Dat kwam dus in de plaats van kijken naar de stopzetting, wat er was gebeurd, wat er met de nationaliteit was gebeurd, de blokkade en de materiële en de immateriële schade.[…] Ik heb inderdaad gezegd: ik zit hier voor de stopzetting aan tafel en de mensen die hier aan tafel zitten, blijkbaar niet. Uiteindelijk wordt het vervelend en als iemand zo uit het gesprek wegloopt ... In het openbaar verhoor bevestigt mevrouw Palmen deze waarneming: Mevrouw Palmen-Schlangen: Ik heb het gesprek niet als oplossingsgericht ervaren. Mevrouw Leijten: Was het de bedoeling dat er een oplossing kwam? Mevrouw Palmen-Schlangen: Dat vind ik lastig te beantwoorden, omdat de insteek van het mt en ook van het betreffende mt-lid was dat de verschillende

pagina 62/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

gevallen individueel bekeken moesten worden. Dat was heel erg in tegenspraak met mijn advies. Mevrouw Leijten: Want u zei eigenlijk: afzien van wat voor procedures dan ook. En de lijn werd: we gaan alles wederom individueel toetsen. Mevrouw Palmen-Schlangen: Ja, precies. De lijn was ook in dat gesprek dat we bewijsstukken wilden zien. Na twee gesprekken die naar haar oordeel geen zicht boden op een oplossing naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State schort mevrouw González Pérez de gesprekken verder op in afwachting van het rapport van de Nationale ombudsman. Volgens mevrouw González Pérez heeft het tot december 2019 geduurd, na het advies van de Adviescommissie uitvoering toeslagen, voordat daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de Raad van State. De heer Van der Lee: Mevrouw González Pérez, ik wilde nog even met u teruggaan naar het gesprek dat u had na het winnen van het hoger beroep, dus naar maart 2017. U gaf aan dat u de toezegging kreeg dat er nog een brief zou worden gestuurd waarin zou staan welke gegevens er nog ontbraken. Heeft u die brief ook gehad? Mevrouw González Pérez: Die heb ik op 8 mei 2017 gekregen.

De heer Van der Lee: Wat is er daarna gebeurd? Is de Belastingdienst daadwerkelijk tot uitvoering van het vonnis van de Raad van State overgegaan? Mevrouw González Pérez: Die brief van 8 mei 2017 was eigenlijk weer een brief met een verzoek om informatie. Omdat daar zo op werd gehamerd, heb ik op enig moment een brief geschreven met: ik schort de onderhandelingen op, want ik kom er niet uit. Dat is het gevolg geweest. Toen heb ik ook Kamerlid Pieter Omtzigt benaderd. De heer Van der Lee: Is het tot uitvoering van het oordeel van de Raad van State gekomen? Mevrouw González Pérez: Je hebt een uitspraak en daarna een discussie over hoe die moet worden geïnterpreteerd. De manier waarop zij die beslissing uitvoerden, namelijk door naar een heel jaar te kijken, dan terug te gaan en ten slotte te kijken of er nog een recht was, was niet een manier om te komen tot een totaaloplossing. […] Nou, op enig moment is Donner er gekomen en die heeft een beslissing genomen over wat fair is. En ik heb nog veertig mensen die het daarmee niet eens zijn. De heer Van der Lee: Het gaat me om deze specifieke zaak. Er is een oordeel van de Raad van State, maar daar is in deze specifieke zaak door de Belastingdienst geen uitvoering aan gegeven, anders dan via de route van Donner. En die wordt nu dus voor meerdere zaken gevolgd. Klopt dat? Mevrouw González Pérez: Ja, zo klopt 't.

Behandeling memo Palmen Het memo Palmen is geschreven in opdracht van het MT Toeslagen en is het resultaat van vier maanden onderzoek. Het memo wordt op 13 maart 2017 aan het MT gezonden via het MT lid dat de opdracht had gegeven.

pagina 63/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Op 14 maart 2017 wordt het memo behandeld in de vergadering van het MT, waarna het volgens de heer Blankestijn moeten zijn toegevoegd aan het archief van de MT vergaderingen. Dit is echter niet gebeurd. Op 4 juni 2019 zendt de landelijk vaktechnisch coördinator toeslagen, die in 2017 tijdens de voorbereiding van het memo heeft gesproken met Palmen, het memo naar Cleyndert en twee medewerkers. Deze verwerken het in de eerste set factsheets, meer specifiek factsheet 6, die de volgende ochtend, 5 juni 2019, aan staatssecretaris Snel worden gegeven en even later die ochtend worden besproken. Na de besprekingen (ambtelijk en met staatssecretaris) liggen er een aantal actiepunten ten aanzien van factsheet 6, te weten: - “Bij factsheet 6 verduidelijken waar precies het memo is besproken niet in MT en niet op het ministerie [DGBD] - Daarnaast onderzoeken met wie dan wel precies het memo besproken is en dat helder opschrijven en vastleggen [DGBD].” Er wordt vervolgens gewerkt aan een nieuwe serie van dertien factsheets. De verwijzing naar het memo Palmen komt daarin niet terug. De commissie heeft niet kunnen vaststellen wie daarvoor verantwoordelijk is. Het memo wordt vervolgens niet doorgezonden aan Uijlenbroek, Leijten of staatssecretaris Snel.

Dit wordt door de directeur Toeslagen Cleyndert niet nodig geacht, omdat er inmiddels al uitspraak is gedaan door de Raad van State en er ook al een rapport van de Nationale Ombudsman ligt. Ook wordt het memo niet aan de Adviescommissie uitvoering toeslagen verstrekt. Mevrouw Cleyndert verklaart dat het ministerie van Financiën aan de Adviescommissie heeft aangeboden om meerdere stukken te verstrekken, maar dat de Adviescommissie aangaf dat het niet de bedoeling was dat Financiën op eigen initiatief allerlei stukken zou aanbieden. De Auditdienst Rijk ontvangt het memo op 9 maart 2020, enkele dagen voor het uitbrengen van haar rapport op 12 maart 2020. In het rapport wordt geen melding gemaakt van het memo. De Tweede Kamer ontvangt het memo pas op 20 oktober 2020 nadat een verzoek om toezending is gedaan door het lid Omtzigt tijdens het Algemeen Overleg Voortgang hersteloperatie Kinderopvangtoeslag op 15 oktober 2020. De meest cruciale passages uit dit advies worden in de versie van 20 oktober 2020 niet aan de Tweede Kamer verstrekt. Pas nadat de betreffende juridische adviezen tijdens een openbaar verhoor van de ondervragingscommissie zijn voorgelezen, krijgt de Tweede Kamer het memo integraal toegestuurd op 4 december 2020.

pagina 64/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hoofdstuk 4 Problemen komen in beeld Dit hoofdstuk gaat in op het rapport van de Nationale ombudsman over de CAF 11zaak, het stopzetten van directe financiering, het toekennen van een beperkte schadevergoeding in de CAF 11-zaak, het onderzoek naar overige CAF-zaken, het proportioneel vaststellen van de kinderopvangtoeslag en de instelling van de Adviescommissie uitvoering toeslagen.

Rapport Nationale ombudsman – de CAF 11-zaak wordt gezien als geïsoleerde casus, waarvan de problemen al zijn opgelost. Rapport Nationale ombudsman “Geen powerplay maar fair play” Op 9 augustus publiceert de Nationale ombudsman het rapport “Geen powerplay maar fair play; Onevenredig harde aanpak van 232 gezinnen met kinderopvangtoeslag”. Het rapport gaat over wat later bekend is geworden als de CAF 11-zaak. De Ombudsman beschrijft in het rapport dat de Belastingdienst/Toeslagen in 2014 de kinderopvangtoeslag heeft beëindigd van 232 ouders die kinderopvang afnamen bij hetzelfde gastouderbureau. De Belastingdienst/Toeslagen had het vermoeden dat deze ouders geen recht hadden op kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen vroeg de ouders bewijsstukken aan te leveren. Vervolgens bevestigde de Belastingdienst/Toeslagen in bijna alle gevallen de beëindiging van de lopende kinderopvangtoeslag en moesten de ouders de kinderopvangtoeslag over 2012, 2013 en 2014 terugbetalen. Ouders konden vanaf 1 september 2014 niet opnieuw kinderopvangtoeslag aanvragen. Veel ouders hebben bezwaarschriften ingediend bij de Belastingdienst, maar omdat de Belastingdienst/Toeslagen niet had aangeven welke bewijsstukken er ontbraken of niet juist waren was het moeilijk om het bezwaar goed te motiveren.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft grote achterstand opgelopen bij de behandeling van de bezwaarschriften, maar de indieners kregen geen bericht over de vertragingen. De Ombudsman constateert dat de Belastingdienst/Toeslagen door deze aanpak de ouders langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid heeft gebracht. De Ombudsman oordeelt dat in deze casus de Belastingdienst het burgerperspectief onvoldoende heeft laten meewegen, er geen sprake was van fair play tijdens en na de beëindigingsprocedure, de Belastingdienst/Toeslagen te weinig voortvarend is geweest bij de behandeling van bezwaarschriften en de Belastingdienst/Toeslagen het geschonden vertrouwen moet herstellen.

De Ombudsman beveelt aan dat (1) de Belastingdienst/Toeslagen voortaan bij het stopzetten en onderzoeken van de rechtmatigheid van toeslagen de procedure moet volgen zoals de wetgever deze voor ogen had en moet voldoen aan het behoorlijkheidsvereiste van fair play, (2) de Belastingdienst/Toeslagen bij het afwijzen van een toeslag duidelijk in de beschikking moet aangeven welke bewijsstukken ontbreken of niet voldoen aan de eisen, (3) de Belastingdienst/Toeslagen excuses en een tegemoetkoming aanbiedt aan de ouders die overlast hebben ondervonden door de aanpak en (4) de Belastingdienst/Toeslagen binnen drie maanden de voorheen afgewezen bezwaren toetst aan de uitspraak van de Raad van State als de ouders hebben voldaan aan hun informatieplicht.

pagina 65/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

De toenmalige directeur-generaal van de Belastingdienst, de heer Uijlenbroek is in het voorjaar van 2017 op de hoogte van het lopende onderzoek van de Ombudsman en de CAF 11-zaak. Hij heeft volgens eigen zeggen destijds de toenmalige directeur Toeslagen, de heer Blankestijn, maximaal de ruimte gegeven om de zaak op te lossen. De heer Blankestijn kan zich niet herinneren dat hij een inhoudelijke reactie heeft gehad van de heer Uijlenbroek of zijn voorganger op het rapport van de Ombudsman. Staatssecretaris van Financiën Wiebes wordt op 9 augustus 2017 geïnformeerd over het rapport van de Nationale ombudsman. De voorgestelde woordvoeringslijn houdt in dat de Belastingdienst zich herkent in de getrokken conclusies, het betreurt dat de ouders bij wie de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet en daar overlast van hebben ondervonden en dat de geconstateerde problemen niet meer kunnen voorkomen, omdat de werkwijze sinds 2016 is aangepast. Bij de woordvoeringslijn merkt staatssecretaris Wiebes op dat hij het wel een erg eenzijdig mea culpa vindt. Hij maakte deze opmerking, omdat hij het van belang vindt om uit te leggen waarom de Belastingdienst destijds heeft gekozen voor een harde fraudeaanpak. Op 8 september 2017 krijgt staatssecretaris Wiebes een notitie over het versturen van excuusbrieven aan de ouders.

Hij schrijft bij die notitie dat hij niet tegen excuses is, maar dat “we niet te nederig moeten zijn en ook moeten uitleggen, waarom we de beslissing destijds hebben genomen”. Op 15 september 2017 beantwoordt staatssecretaris Wiebes Kamervragen van het lid Omtzigt over de opschorting en stopzetting van kinderopvangtoeslag.36 Een van de vragen luidt: “Zijn er ouders, kinderopvanginstellingen/gastouders en bemiddelingsbureaus die een onnodig grote schade geleden hebben van het abrupt stopzetten en terugvorderen van kinderopvangtoeslag in 2014? Zo ja, om hoeveel mensen en instellingen gaat het dan?”. Het antwoord hierop luidt: “Daar is niets van gebleken. Een ieder die meent dat hij als gevolg van onrechtmatig handelen schade heeft geleden kan overigens individueel een verzoek om schadevergoeding doen. Dit verzoek zal dan worden getoetst aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving.” De heer Wiebes noemt dit antwoord in zijn verhoor onbegrijpelijk, verbijsterend, fout en idioot. Staatssecretaris van Financiën Snel treedt op 26 oktober 2017 aan en ontvangt de ambtelijke notitie van 20 oktober 2017 over de reactie op de aanbevelingen van het rapport van de Ombudsman.

Zijn ambtenaren stellen in de notitie voor om naar aanleiding van de opmerking van staatssecretaris Wiebes over excuses, alleen excuses aan te bieden aan de ouders, waarvan blijkt dat zij recht hadden op kinderopvangtoeslag. In reactie op de aanbeveling van de Ombudsman om de ouders een tegemoetkoming te bieden schrijven zijn ambtenaren dat eerder is besloten dat dit niet wordt gedaan in de vorm van een schadevergoeding of smartengeld. De ambtenaren merken verder op dat de procedure van het stopzetten onzorgvuldig is geweest, maar dat ook is gebleken dat op goede gronden toezicht is uitgevoerd op de populatie. Zij wijzen er op dat een belanghebbende wel individueel een verzoek tot schadevergoeding kan indienen. Staatssecretaris Snel gaat akkoord met deze reactie. In het verhoor geeft hij de volgende verklaring over het niet opvolgen van de aanbeveling om de ouders een tegemoetkoming te bieden:

36

Antwoord op vragen van het lid Omtzigt over de opschorting en stopzetting van de kinderopvangtoeslag aan een groep

ouders in 2014. Aanhangsel Handelingen II 2016/17, 2720, pg. 4

pagina 66/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Mevrouw Van Kooten-Arissen: De Nationale ombudsman deed ook een aanbeveling om ouders een tegemoetkoming te bieden voor het aangedane leed. Waarom besloot u in november 2017 deze aanbeveling niet over te nemen? De heer Snel: Dat was inderdaad een deel van de aanbeveling die we in ieder geval niet honderd procent hebben overgenomen. De vraag was: wat bedoel je dan met compensatie? Ik herinner me dat mij werd uitgelegd, en ook dat klonk logisch: als mensen uiteindelijk onterecht zijn behandeld -- daar heb je allerlei juridische procedures voor: het duurt te lang of wat dan ook -- dan kan er ook om een schadevergoeding worden gevraagd. Het is dan aan de rechter om die toe te kennen of niet. We hebben die weg nadrukkelijk opengehouden en ook gezegd: je zou daar eens goed naar moeten kijken. Maar we hebben niet gesproken over een soort tegemoetkoming zoals we die veel later wel zijn gaan vormgeven. Daar waren we op dat moment nog niet over aan het nadenken, omdat we ook niet het idee hadden dat dat op dat moment … Wij overzagen op dat moment nog niet, om het zo maar te zeggen, de ellende die we er later wel in zagen.

Voormalig directeur Toeslagen Blankestijn verklaart hier het volgende over: De heer Blankestijn: Neemt u van mij aan dat wij alles gedaan hebben om te kijken wat de mogelijkheden waren om hier een andersoortige compensatie te geven dan gegeven is, maar wij hebben daarin geen mogelijkheid kunnen vinden, omdat er geen wettelijke mogelijkheid is om dat te doen. Het is niet voor niks dat die regeling bewust wel gemaakt is in 2019 om over te gaan tot een vorm van compensatie. Dat kon niet zomaar zonder een regeling. In de notities die naar staatssecretaris Wiebes en staatssecretaris Snel zijn gegaan over het Ombudsmanrapport wordt het advies van mevrouw Palmen niet genoemd, terwijl de directeur Toeslagen op de hoogte is van dit advies. De heer Blankestijn geeft daar de volgende verklaring voor: Mevrouw Van Kooten-Arissen: Ja, maar de staatssecretaris krijgt een notitie van u over het rapport van de Ombudsman, waarin onder andere is geconstateerd het stopzetten van de toeslagen en het laakbaar handelen. Vervolgens maakt u geen melding van het memo van mevrouw Palmen. Dat is toch wel heel erg vreemd. De heer Blankestijn: Nou, dat vind ik niet vreemd, omdat dat gewoon een advies is dat aan ons is uitgebracht.

Daarvan hebben wij gezegd: als we kijken naar wat de inhoud is, dan doen wij precies wat de Ombudsman ook aangeeft, en dat kunnen we een-op-een leggen over het verhaal van mevrouw Palmen. Zowel de heer Uijlenbroek, staatssecretaris Wiebes als staatssecretaris Snel geven aan dat zij de CAF 11-zaak in eerste instantie zagen als een geïsoleerde casus, waarvan de problemen inmiddels waren opgelost. Zij hebben niet doorgevraagd of de problematiek die in het Ombudsmanrapport wordt beschreven breder speelt: De heer Uijlenbroek: De informatie was dat die groepsgewijze stopzetting al sinds 2016 was afgeschaft. Dus ik zat in een situatie dat de Nationale ombudsman zegt: joh, dit is niet goed gegaan op de casus. Een van de factoren was de groepsgewijze stopzetting. Eigenlijk was dat probleem al opgelost in 2016 in generieke zin, maar op de casus dus nog niet, want die was daarvoor. Daar kan ik ook bij mezelf weer op reflecteren. Ik had toen natuurlijk ook de vraag kunnen stellen: joh, maar zijn er dan nog meer … Oké, je hebt die groepsgewijze stopzetting in 2016 generiek al hersteld. Dit is dan één casus waar het niet goed is gegaan. Ik had natuurlijk toen

pagina 67/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

ook nog de vraag kunnen stellen: zijn er nog meer cases die slachtoffer zijn geweest van dat handelen tot 2016? Staatssecretaris Wiebes geeft in zijn openbaar verhoor een vergelijkbare reactie: De heer Wiebes: Mijn indruk was toen nog: dit gaat om één zaak van één gastouderbureau waar het helemaal is misgegaan. Ik las in die nota ... Want dat gaat Eric Wiebes natuurlijk weer doen. Als hij een probleem krijgt, gaat hij kijken: waar is de oplossing? Er stond in de stukken: deze werkwijze volgen wij al geruime tijd niet meer. Sinds 2016, werd er gemeld. En ten tweede: wij gaan dit op individuele basis met die ouders oplossen. Daarvan dacht ik toen: deze zaak is helemaal misgegaan, maar in elk geval hebben we dat erkend; het kan niet meer gebeuren. Dat staat ook gewoon in de nota: het kan niet meer gebeuren. En we gaan dit individueel met de ouders oplossen. […] Ik heb het er toen ongetwijfeld met de dg over gehad, maar ook de afgelopen week dacht ik: wat zou ik nu vinden dat ik had moeten doen met dat Ombudsmanrapport? Met dat Ombudsmanrapport had ik moeten doen wat ik bij andere Ombudsmanontmoetingen wel heb gedaan, namelijk afspreken met de Ombudsman, tegenover hem gaan zitten ...

Je weet niet hoe groot die bom is, maar er is in elk geval bij dit gastouderbureau iets zodanig misgegaan dat je onder alle omstandigheden zou moeten zeggen: laat ik hier eerst eens even met de Ombudsman over gaan praten. Dan had de Ombudsman waarschijnlijk gezegd: weet je, er zijn drie ouders; als je daar nou eens mee gaat praten, dan krijg je ook een beeld van hoe dit zit. En dat heb ik niet gedaan. Ten slotte verklaart zijn opvolger staatssecretaris Snel hierover: De heer Snel: Ik herinner me dat ik het las en dat ik dacht: zo, dat is best pittig. Maar het goede nieuws was: wij nemen alle aanbevelingen van de NO over. Ik heb de excuses naar die ouders dat het allemaal zo lang duurde gegeven. Dat klinkt dan raar, maar daarmee hadden wij, dachten wij, grotendeels een probleem gesignaleerd, de aanbevelingen van de NO gewogen en overgenomen, en een aantal aanbevelingen moesten we nog uitwerken. Mijn gevoel was: dat is flink misgegaan in de uitvoering, die mensen zijn niet netjes behandeld, het duurde allemaal veel te lang. Daar waren inmiddels oplossingen voor bedacht. Die hebben we geaccordeerd, en daarmee leek op dat moment voor mij dat dossier ook weer minder belangrijk.

Betrokkenheid SZW bij rapport Nationale ombudsman Het ministerie van SZW is niet direct betrokken bij het rapport van de Nationale ombudsman en de reactie daarop, maar neemt hier ambtelijk wel kennis van. Zo verklaart directeur Kinderopvang Van Tuyll: Mevrouw Van Tuyll: Ik heb het rapport gelezen. Ik ben ontzettend geschrokken van wat daarin stond, omdat de Ombudsman eigenlijk zei: de uitvoerder heeft niet volgens zijn eigen regels gehandeld en daardoor zijn mensen vreselijk knel komen te zitten. Daar heb ik me wel enigszins over opgewonden, dat dat kan.[…] Mevrouw Van Tuyll bespreekt het rapport met haar medewerkers en meldt tijdens een MT-vergadering van het directoraat-generaal Werk dat zij dit een hele nare manier vindt om met mensen om te gaan. Ze meldt dit niet aan haar staatssecretaris, maar neemt wel contact op met Financiën: Mevrouw Van Tuyll: Ik heb er contact over gehad met degene bij Financiën met wie wij contact hadden over beleid: hé, hoe werkt dit nou? Wij hadden inmiddels ook gezien dat de directeur-generaal van de Belastingdienst gereageerd had en had

pagina 68/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

gezegd wat hij eraan ging doen. Daar hebben we nog een keer een gesprek over gevoerd op beleidsniveau. Toen ik een van de eerste keren met de directeur Toeslagen sprak, in maart 2018, hebben we het hier ook over gehad: is dit inmiddels veranderd?[…] Er werd mij verzekerd dat dit niet meer zo kon gebeuren. Mevrouw Van Tuyll hoort dan ook dat opvolging is gegeven aan alle punten die de Ombudsman in het rapport noemt. Hoewel Van Tuyll in maart 2016 is aangetreden als directeur Kinderopvang, heeft zij pas twee jaar later voor het eerst contact met de directeur Toeslagen: De heer Van der Lee: Dus u treedt aan als de nieuwe directeur Kinderopvang bij de opdrachtgever en pas twee jaar na uw aantreden spreekt u voor het eerst met de directeur Toeslagen, die gaat over de uitvoering van de kinderopvangtoeslag? Mevrouw Van Tuyll: Ja. De heer Van der Lee: Hoe kan dat? Mevrouw Van Tuyll: Ons contact was met het beleidsdeel van de Belastingdienst. De heer Van der Lee: Er was helemaal geen contact rechtstreeks met de uitvoering? Mevrouw Van Tuyll: Nee. De heer Van der Lee: Wat vindt u daarvan? Mevrouw Van Tuyll: Ik vind dat achteraf heel, om het huiselijk te zeggen, stom. Ik heb in de samenwerking rond de directe financiering gemerkt hoe belangrijk het is om met die uitvoerder echt aan tafel te zitten, omdat je dan snapt wat werkt in de praktijk en wat niet werkt.

Toen directe financiering uiteindelijk niet doorging en we bij de Belastingdienst het verbetertraject in hebben gezet, hebben we ook gezegd "ik wil eigenlijk wat we met DUO hadden bij de Belastingdienst ook", dus echt met die uitvoerder aan tafel, horen wat er werkt, waar je tegenaan loopt en wat wel uitvoerbaar is en wat niet, en niet een tussenlaag van beleid ertussen zetten. Dus ik heb dat anders gedaan. Staatssecretaris van SZW Van Ark, die in oktober 2017 aantreedt, twee maanden na het rapport van de Nationale ombudsman, is niet op de hoogte van de inhoud van dit rapport. Mevrouw Leijten: We komen zo meteen nog op de inhoudelijke keuzes bij de directe financiering, maar dat is natuurlijk een belangrijk onderwerp als u start. Dat zei u al. Dat zat groot in uw overdrachtsdossier. Vindt u het een gemiste kans dat het rapport van de Nationale ombudsman, dat toch ging over hoge navorderingen en de handhaving van de Belastingdienst, daar helemaal niet bij betrokken is? Mevrouw Van Ark: Ja, zeker achteraf constateer ik dat. Ik denk dat dat echt een gemiste kans is geweest. Dit was misschien een moment geweest om direct al bij aanvang van mijn staatssecretariaat een richting op te gaan die ik niet ben opgegaan, maar die ouders veel leed had kunnen besparen. Dat spijt mij zeer.

Stopzetten ontwikkeling directe financiering Op 26 oktober 2017 treedt staatsecretaris Van Ark aan bij SZW. Zij krijgt onder andere de verantwoordelijkheid voor de portefeuille kinderopvang. Een van de opdrachten uit het regeerakkoord was om zorgvuldig te kijken naar de invoering van het alternatieve financieringsstelsel directe financiering.

pagina 69/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hoewel er toen al ruim drie jaar werd gewerkt aan directe financiering en de Belastingdienst daarin is meegegaan, komt er eind 2017/begin 2018 alsnog een tegenvoorstel vanuit de Belastingdienst: Mevrouw Van Tuyll: We waren met die directe financiering begonnen in samenwerking of in samenspraak met de Belastingdienst. De Belastingdienst zei, tenminste uit de gesprekken die ik voerde met een deel van het beleid: wij vinden de kinderopvangtoeslag ontzettend lastig en vreselijk complex om uit te voeren, dus van ons mag je het hebben. Dat beeld kantelde. Er kwam voor ons vrij onverwacht een tegenvoorstel vanuit de dg Belastingdienst. Die zei: wij kunnen ook in eigen huis een aantal verbeterslagen aanbrengen en dan loopt het aantal terugvorderingen ook terug. Dus er lag opeens een alternatief terwijl er tot die tijd was gezegd: we kunnen binnen de kinderopvangtoeslag eigenlijk niet zo veel doen. Anderzijds was er onvoldoende vertrouwen dat de sector [de kinderopvangorganisaties] het op tijd aan zou kunnen om de goede gegevens aan te leveren zodat die facturen betaald konden worden.

De heer Van der Lee: Hoe zag dat alternatief er dan uit? Wat waren dan opeens de briljante ideeën om binnen het bestaande systeem die enorme omvang terug te vorderen toeslagen ongedaan te maken? Mevrouw Van Tuyll: Dat zat 'm met name in zelf proberen vanuit de Belastingdienst de gegevens bij de kinderopvangorganisaties binnen te halen, op vrijwillige basis, en door op tijd de ouders te waarschuwen: wat jij van tevoren hebt ingeschat en wat ik nu binnen zie komen aan gegevens, klopt niet met elkaar; dus moet je niet je aanvraag aanpassen en moet je niet een wijziging doorgeven? De heer Van der Lee: Maar de kern van het systeem bleef dat je met jaren bleef werken, toch? Mevrouw Van Tuyll: Ja. De heer Van der Lee: Dus met hele grote terugvorderingen, als ook in die extra stap toch weer dingen niet helemaal in de tijd bij elkaar komen. Dan is lijkt mij toch de conclusie dat wat het hoofddoel was van directe financiering, niet kon worden gedekt met alleen maar een aanpassing binnen de bestaande systematiek? Omdat je op jaren blijft werken, blijven die enorme bedragen toch staan? Mevrouw Van Tuyll: Ja, in ieder geval naar mijn inschatting zou het dan een beperkter effect hebben dan directe financiering.

Staatssecretaris Van Ark is zich dan niet bewust van de problemen met de ‘alles-ofniets’ benadering, waar haar directeur kinderopvang ook pas in februari 2018 achter komt: Mevrouw Van Ark: Als ik terughaal hoe het is gegaan, zie ik dat ik snel met dit dossier aan de slag ben gegaan. Ik heb in november en december al een aantal verdiepende gesprekken gehad met mijn eigen beleidsdirectie, met name op de probleemanalyse. Zoals ik al aangaf, bestond die uit een aantal componenten: het complexe stelsel, het feit dat je van tevoren moest aanvragen, de voorschotsystematiek, de late vaststelling van het inkomen en de verantwoordelijkheidsverdeling. Dat waren de elementen waarop ik ging analyseren. Daar zat de alles-of-nietssystematiek niet bij. Dus toen ik op enig moment met mijn collega-staatssecretaris in gesprek ging over de Belastingdienst en hij zei "ik kan alle oplossingen die DUO biedt, met de Belastingdienst bieden", was ik in eerste

pagina 70/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

instantie een beetje verrast, want in de ambtelijke notities die ik had, stond dat de Belastingdienst het niet kon. Toen zei ik: dan moet je me dat wel uitleggen. Daar heb ik ook veel gesprekken over gevoerd.[…] Had ik op dat moment -- ik zou willen dat het zo was -- de alles-of-nietsbenadering gezien als onderdeel van het probleem, dan denk ik dat ik een ander gesprek had gevoerd met het departement van Financiën dan dat ik heb gedaan.[…] Het is wrang om te constateren dat het grote thema waar uw commissie naar op zoek is, geen onderdeel was van de informatie die ik toen had of aangereikt heb gekregen. Dat vind ik gewoon heel erg. Ik ben met allerlei thema's aan de slag gegaan. Ik heb op allerlei manieren geprobeerd om stappen te zetten in de schuldenproblematiek en in de kinderopvangtoeslag, maar ik heb de eerste afslag gemist. Staatssecretaris Van Ark legt uit voor welke groep zij een oplossing aan het zoeken was met hetzij directe financiering hetzij verbeteringen binnen het toeslagenstelsel: Mevrouw Van Ark: Als ik nu terugkijk, met wat ik nu weet, zie ik dat er eigenlijk drie groepen ouders zijn. Ouders die te maken hebben met de probleemanalyse waarmee ik aan de slag ben gegaan. Ouders die te maken hebben met de CAFproblematiek, om het even zo te noemen. En ouders die te maken hebben met de alles-of-nietsbenadering.

Ik ben met die eerste groep ouders, die te maken hadden met de reguliere problemen in het stelsel, aan de slag gegaan, op basis van het regeerakkoord. Later kwam duidelijkheid over de CAF-problematiek. Dat zat 'm echt in die uitvoering bij de Belastingdienst, was mijn beeld. […] Die laatste groep mensen, die echt met die alles-of-nietsbenadering te maken hebben, stonden mij in december 2017 of in het jaar daarna niet helder op het netvlies. Dat vind ik heel erg. Het ambtelijk advies van SZW aan de staatssecretaris blijft om directe financiering in te voeren: Mevrouw Van Tuyll: Ik heb vrij hartstochtelijk gepleit voor het doorvoeren van directe financiering omdat ik echt het gevoel had dat we daarmee veel meer oplosten. In een ambtelijke nota voor staatssecretaris Van Ark geeft mevrouw Van Tuyll hiervoor op 27 maart 2018 de volgende argumenten: 

“De BD/T geeft aan meer oog voor de burger te hebben dan enkele jaren gelden en op zoek te zijn naar balans tussen handhaving en dienstverlening (A0 Fin 14 dec 17).

De BD/T is van oordeel dat de huidige uitvoeringspraktijk van de KOT inmiddels zo goed loopt dat daarmee een belangrijk argument voor DF is komen te vervallen.

Dit zien wij anders vanuit een beleidsperspectief: een argument voor DF ligt in de complexiteit van de huidige KOT regeling zelf welke is gebaseerd op een voorschotsystematiek. Dit sluit aan bij de resultaten uit eerdere beleidsdoorlichtingen (zoals IBO Vereenvoudiging Toeslagen 2008-2009)

De problemen met de KOT regeling zijn de wereld niet uit. Ook op dit moment geeft de KOT problemen (zie kopje Toeslagen in de media).”

Ook secretaris-generaal SZW Mulder adviseert staatssecretaris Van Ark om directe financiering in te voeren:

pagina 71/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Mevrouw Mulder: Ik heb er zelf met de staatssecretaris ook weleens over gesproken. Het was een moeilijke afweging. De directe financiering was een mooi voorstel. We waren blij dat dat nog op tafel lag na de formatie. Het lag al een beetje wiebelig op tafel na de formatie. Het bleef wel een groot ICT-traject. Dat was ook gewoon spannend. We hadden extra checks gedaan of DUO dit zou kunnen. Maar goed, tegelijkertijd weten we ook dat we veel ICT-trajecten hebben gehad bij de overheid die ingrijpend en groot waren en waar toch dingen fout zijn gegaan, gaandeweg. Dus het was ook echt een risico om door te gaan. Dat heb ik beleefd als de belangrijkste afweging voor de staatssecretaris om te zeggen: alles afwegende, … En er lag inmiddels een alternatief van de Belastingdienst, namelijk: wij kunnen de terugvorderingen ook enorm terugbrengen binnen het huidige stelsel. Toen heeft zij uiteindelijk die afweging gemaakt. Mevrouw Belhaj: Dus er speelden geen financiële overwegingen een rol? […]Ook niet de investeringen in ICT, op wat voor manier dan ook? Mevrouw Mulder: Nee, dat is niet doorslaggevend geweest in mijn beleving, nee. […] Nou ja, je kan niet over dit soort trajecten praten zonder ook over de financiën te spreken, maar in mijn herinnering zat daar niet de crux, het wordt het een of het ander.

De crux zat in: durf je het aan, met alle risico's die er zijn, of is een alternatief dichterbij dan toch veiliger?[…] Ambtelijk durfden we het wel aan. Mijn eindadvies was om het wel te doen, die directe financiering, vanwege de schuldenproblematiek.[…] Ik bedoelde te zeggen dat er risico's werden gezien. Die zagen wij zelf bij het ministerie ook. Het was een moeilijke afweging, het was een close call, wat het beste zou zijn, omdat er ook risico's waren dat het ingewikkeld zou worden. Alles afwegende was het ambtelijk advies om wel door te gaan met directe financiering. Op 25 april 2018 laat staatssecretaris Van Ark de Tweede Kamer weten te stoppen met de ontwikkeling van directe financiering en te kiezen voor verbeteringen binnen het bestaande toeslagensysteem. Mevrouw Van Ark legt haar afweging uit: Mevrouw Van Ark: Ik heb in november gesprekken gevoerd met de ambtelijke organisatie over het systeem. In december heb ik een gesprek gevoerd omdat het advies was om directe financiering een jaar uit te stellen. 2019 zou het invoeringsjaar zijn. In 2020 zou het helemaal ingevoerd worden. Er waren nog gesprekken met het veld. Het liep nog niet helemaal goed, dus het advies was om het invoeringsjaar met een jaar uit te stellen. Ik heb omstreeks die tijd ook een gesprek gehad met mijn collega-staatssecretaris van Financiën.

[…] Hierin zei hij: "In het regeerakkoord staat directe financiering. Dat is een oplossing voor de problemen in het kinderopvangstelsel, maar wij zijn inmiddels een aantal jaar verder met de kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst. Ik wil heel graag met je in gesprek, want ik wil het houden." Hij zei daarbij: het klinkt misschien gek, maar Toeslagen is eigenlijk het best lopende onderdeel van de dienst. Er waren toen ook algemeen overleggen in de Kamer gaande over de Belastingdienst. Daar was ik over geïnformeerd door de ambtelijke organisatie. Dus het beeld dat ik had, strookte niet helemaal met wat hij zei. Maar als een collega zich bij je meldt en dat zegt, moet je daarnaar luisteren, vind ik. […] Je treft vele dossiers aan als je bewindspersoon bent, maar ik kan u zeggen dat dit er wel één was. Het stond in het regeerakkoord en ik voelde het als een zware verantwoordelijkheid. Dus ik heb dit onderwerp vanaf het eerste moment ter hand genomen, omdat ik hierin een goede keuze wilde

pagina 72/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

maken voor de problematiek zoals ik die aantrof en zoals die mij werd aangereikt. Dat betekent dat ik mij erin ben gaan verdiepen op het moment dat de collega van Financiën zich bij mij meldde en zei "ik kan dit wellicht beter dan DUO en met minder risico's". Wij hebben toen in het eerste bewindspersonenoverleg afgesproken dat de staatssecretaris van Financiën een presentatie van DUO zou krijgen en dat ik een presentatie zou krijgen van de Belastingdienst. Die presentaties hebben ook plaatsgevonden en ik heb zelf ook nog een werkbezoek gebracht aan DUO. We hebben vervolgens een tweede bewindspersonenoverleg gehad, omdat er een knoop doorgehakt moest worden. En ik kan u zeggen dat het tot op het laatste moment moeilijk was, omdat het echt een keuze was tussen enerzijds een grote verandering met grote implicaties en dus ook met grote risico's, maar ook met grote mogelijke voordelen, en anderzijds een ontwikkeling die wellicht iets minder voordelen zou hebben, maar die op termijn door bijvoorbeeld de t-2-systematiek meer impact zou hebben doordat je het ook kon doorrekenen voor alle toeslagen en dat met minder risico's op het terrein van ICT. Die gesprekken heb ik gevoerd. Vervolgens heb ik nog een gesprek gevoerd met de staatssecretaris van Financiën, omdat ik, toen we het besluit hadden genomen, echt wilde borgen dat hij ging leveren wat we hadden afgesproken.

Mij stond namelijk heel helder voor ogen dat er veel ouders waren die te maken hadden met bedragen die ze terug moesten betalen. Dat gesprek heeft in april plaatsgevonden en toen hij mij dat verzekerde in dat gesprek, wist ik, hoewel het een dilemma bleef, dat ik de knoop op deze manier ging doorhakken. En dat is het besluit dat ik heb voorgelegd aan de ministerraad.[...] Mevrouw Leijten: Uw oplossing in de brief aan de Kamer van 25 april is eigenlijk om voor de Belastingdienst te kiezen. Het wordt duidelijk uiteengezet. De 80% 37 komt ook aan de orde, en noem het verder allemaal maar op. Maar wat zijn nou de twee initiatieven die de Belastingdienst neemt om u de zekerheid te geven dat die keuze de beste was? Mevrouw Van Ark: Het ging dan met name om het tussentijds informeren van ouders over de uren waarvoor zij kinderopvangtoeslag hadden aangevraagd. Dat wijzigt heel vaak. Met name ouders met een laag inkomen hebben relatief veel kinderopvangtoeslag, maar het zijn ook met name mensen met een relatief laag inkomen die vaak een tijdelijk contract hebben of een flexibel contract. Als zich daar fouten voordoen, kan dat tot hoge navorderingen leiden. Dus dit was een hele belangrijke. Een andere belangrijke was de gegevensuitwisseling met de kinderopvangorganisaties.

Zo zaten er een aantal verbetermaatregelen in die aanpak waar ik zeer aan hechtte en die ervoor moesten zorgen dat we de problematiek van die navorderingen konden stoppen. Minister van Financiën Hoekstra verklaart tijdens zijn openbaar verhoor dat hij zelf voorstander was van de invoering van directe financiering: De voorzitter: We hebben hier gisteren de huidige minister en toenmalige staatssecretaris Van Ark gehad. Zij heeft ons verteld hoe zij uiteindelijk het besluit heeft genomen om niet tot die directe financiering over te gaan. Om het een beetje beeldend te zeggen: ze is er nog apart voor naar het ministerie van Financiën gegaan, bij staatssecretaris Snel in de kamer. Die heeft ze recht in de ogen gekeken om een soort persoonlijke bevestiging te krijgen dat de Belastingdienst het aankon.

37

80% van de ouders kreeg toen te maken met een terugvordering of nabetaling.

pagina 73/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Ik heb begrepen dat hij daar gezegd heeft: "Wij kunnen het aan. Wij doen het. Niet DUO; ga daar niet naartoe, ga dat experiment niet aan. De Belastingdienst kan het aan." Bent u betrokken geweest bij die afweging? De heer Hoekstra: Nee, maar dan ben ik terug bij de gedachtewisseling die ik aan het begin met mevrouw Belhaj had. Mijn intrinsieke lijn was een andere. Mijn intrinsieke lijn was -- vergeef me de toelichting -- dat het doen van zo veel uitkeringen aan tussen een half miljoen en een miljoen burgers, zonder professionele administratie, in een systeem waarvan je weet dat je meer dan de helft van elke uitkering vervolgens corrigeert naar boven of naar beneden, vermoedelijk toch een slechter systeem was dan een systeem waarin je uitkeert aan een paar duizend gastouderbureaus met een professionele administratie. Dat was mijn stellige overtuiging. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat de staatssecretaris, die op zichzelf ook best wat zag in die gedachtegang die hij geadviseerd kreeg door de dienst. Minister Hoekstra legt zich neer bij de beslissing om te stoppen met directe financiering: De heer Hoekstra: Kijk, ik heb de conclusie die zij getrokken hebben, en die volgens mij ook nog politiek is gesondeerd, aanvaard.

Ik heb daarvan, zoals je dat natuurlijk vaker doet, gedacht … Je krijgt -- dat weten we allemaal -- zelden helemaal je zin in de politiek en je moet ook rekening houden met de mogelijkheid dat je het bij het verkeerde eind hebt. Ik heb dus gedacht: als zij nu besluiten, alles afwegende, om dit zo te doen, dan ga ik dat niet nog een keer opnieuw ter discussie stellen.

Onderzoek mogelijkheden proportioneel vaststellen Het verbeterplan van de Belastingdienst van 2 maart 2018 bevat onder andere een onderdeel ‘proportioneel terugvorderen’, waarvoor een wetswijziging benodigd is. Met proportioneel terugvorderen kunnen naar verwachting hoge terugvorderingen worden voorkomen. Proportioneel terugvorderen wordt in februari 2019 voor de eerste maal besproken door de directeur kinderopvang van SZW en de directeur Toeslagen van de Belastingdienst: Mevrouw Van Kooten-Arissen: Heeft de Belastingdienst tussen 2015 en 2019 zorgen over de proportionaliteit van de terugvorderingen en de striktheid van de wet met u besproken en, zo ja, wanneer? Mevrouw Van Tuyll: Dat is één keer met mij besproken.[…] Eén keer en dat was in februari 2019, door de huidige directeur Toeslagen. Toen lag er het plan voor het Verbetertraject kinderopvangtoeslag. In dat plan zat onder andere proportioneel vaststellen. Ik weet nog dat Agaath [Cleyndert, directeur Toeslagen] en ik een kennismakingsgesprek hadden. We hadden het over hoe het verbetertraject liep, of het lukte. Hebben we het gevoel dat we op het goede spoor zitten? Toen zei ze: "Eén ding zit mij dwars en dat is dat ik merk dat dat proportioneel vaststellen nog niet helemaal van de grond komt.

Er zijn wat aarzelingen of dat nou zo belangrijk is, of dat wel moet." Toen zei ze tegen mij: "Ik heb wel het gevoel dat het moet, want er lopen mensen echt klem." Daar hebben we het over gehad en we hebben gezamenlijk geconstateerd: dat mag echt niet van het bord glijden en dat moet vanaf nu wel echt opgepakt worden.

pagina 74/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Proportioneel vaststellen is ook onderdeel van de presentatie die de Belastingdienst op 29 maart 2018 aan staatssecretaris Van Ark geeft. Toch wordt in de Kamerbrief van 25 april 2018, waarin de keuze om te stoppen met directe financiering en de verbetermaatregelen voor het toeslagensysteem worden toegelicht, niet ingegaan op proportioneel vaststellen en terugvorderen. Mevrouw Van Ark verklaart dat het bij haar pas later op het netvlies komt: Mevrouw Leijten: In het voorstel, dat komt van de directeur-generaal Belastingdienst, de heer Uijlenbroek, die wij hier ook gesproken hebben, gaat het ook over proportioneel terugvorderen. Bent u daarover geïnformeerd in de verdere keuzes? Mevrouw Van Ark: Voor mij … Nee. De eerste keer dat ik proportioneel terugvorderen zie, is in het verslag van het schriftelijk overleg dat ik met de Kamer voerde op 9 juli 2018. […] Voor mij was het geen onderdeel van de afweging die ik heb gemaakt. Ik heb de vier probleemanalyses geschetst die ik vanaf het begin af aan helder op het netvlies heb gehad. Daar heb ik mijn afweging op gemaakt. Ik ben blij dat dat uit de gesprekken is gekomen en in de brief terecht is gekomen, want daardoor is het wel op tafel gekomen. Maar voor mij is dat in de brief van 9 juli voor het eerst.

Dat had dus veel eerder gekund en zelfs als ik op 9 juli had doorgevraagd, had ik wellicht eerder dan op 9 oktober 2019 hier wat aan kunnen doen. En dat vind ik echt frustrerend. Daar word ik boos om. Daar ben ik verdrietig om. Het gaat niet om mij, het gaat om de mensen die hier last van hebben gehad. Op 10 juli 2018 reageert de staatssecretaris in een schriftelijk overleg op vragen van de Tweede Kamer over het stoppen met directe financiering en de problematiek van de (hoge) terugvorderingen. De staatssecretaris noemt dan proportioneel terugvorderen voor de eerste keer aan de Tweede Kamer en zegt toe om te bezien of het mogelijk is om het recht op kinderopvangtoeslag proportioneel vast te stellen en daarmee de volledige terugvorderingen van het uitgekeerde voorschot te verminderen. Mevrouw Van Ark: Nadat ik de brief over de directe financiering had gestuurd en de Kamer zei "maar hoe dan?", wilde ik graag laten zien "hoe dan". Een van de zaken die uit dat overleg kwamen, was proportioneel terugvorderen, een term die op dat moment voor mij nog geen betekenis had. Ik vind echt dat ik toen door had moeten vragen. Maar omdat er een verkenning aan vastzat, dacht ik: "Dat lijkt me goed, want het probleem dat er staat, ziet er heel heftig uit.

Het is goed dat we dit gaan oplossen." Deze verkenning naar de mogelijkheden om proportioneel vast te stellen wordt echter niet voortvarend aangepakt door SZW en de Belastingdienst: De heer Van der Lee: In december 2018 blijkt uit een Kamerbrief over het verbetertraject dat de verkenning naar proportioneel vaststellen nog niet is gestart. Waarom was er sinds de toezegging uit juli 2018 nog geen voortgang geboekt? Mevrouw Van Tuyll: Omdat binnen het project van het verbetertraject KOT eerst is gefocust op de hele grote groep ouders met hoge terugvorderingen. Mijn plaatsvervanger is hiermee bezig geweest en heeft meerdere malen gevraagd: om hoeveel mensen gaat dit nou en hoe groot zijn die terugvorderingen? Daar kregen we geen antwoord op. Toen is er eerst vanuit de Belastingdienst en vanuit ons gefocust op die 15% mensen die met hoge terugvorderingen te maken hebben. Het risico was dat dit naar de achtergrond zou verdwijnen. In februari 2019 hebben de

pagina 75/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

directeur Toeslagen en ik gezegd: maar dit mag echt niet naar de achtergrond verdwijnen. Dus het klopt dat er toen nog niet was gestart. Er is toen eerst gefocust op de hele grote groep mensen die in de knel kwam. In de Kamerbrief van 11 juni 2019 kondigt staatssecretaris Snel opnieuw aan dat hij samen met staatssecretaris Van Ark de mogelijkheden van proportioneel vaststellen zal onderzoeken.38 Mevrouw Van Kooten-Arissen: We hebben het nog steeds over de brief van staatssecretaris Snel. Daarbij merkt Sociale Zaken ook op dat Financiën wellicht doelt op het vraagstuk rondom proportioneel terugvorderen van de toeslagen. Sociale Zaken stelt dan voor om daarover in de brief te schrijven dat de mogelijkheden tot proportioneel terugvorderen, zeker ten aanzien van de kwetsbare groepen, nader onderzocht moeten worden. Maar dat had uw staatssecretaris toch een jaar eerder al toegezegd? Mevrouw Van Tuyll: Ja, daar waren we ook al mee bezig. Volgens mij had er moeten staan dat die op dit moment uitgezocht worden. Het klinkt raar dat het de toekomstige tijd is.

Compensatie voor CAF 11-ouders blijft uit; wel beperkte schadevergoeding Op 11 oktober 2018 stuurt staatssecretaris van Financiën Snel een brief naar de Tweede Kamer over de CAF 11-zaak. Staatssecretaris Snel biedt in die brief aan de ouders en de Tweede Kamer zijn excuses aan. Hij schrijft dat hij de problemen in de CAF 11-zaak zeer serieus neemt. Een van de maatregelen die hij neemt, is het verbeteren van de vaktechnische inbedding bij Toeslagen. De heer Snel verklaart daarover het volgende: De heer Van der Lee: Een ander element in die brief van oktober 2018 is ook een opdracht aan Toeslagen om de vaktechnische lijn te versterken. We hebben inmiddels geleerd dat dat betekent dat het juridisch geweten beter verankerd moet worden. We weten ook dat er een kwadrantenstructuur was in Toeslagen en dat er naast managementlijn geen verticale lijn was van vaktechniek. Is u, toen u die opdracht verstrekte naar aanleiding van het Ombudsmanrapport, ook verteld dat Toeslagen eerder al een poging had gedaan om die verticale lijn aan te brengen, maar daar binnen een halfjaar van was afgestapt? De heer Snel: Nee. De heer Van der Lee: Dat hebben wij gehoord van mevrouw Palmen, die was aangetrokken als coördinator. Er is u niet verteld dat die poging al eerder was gedaan? De heer Snel: Nee. Ik weet nog wel dat die vaktechnische inbedding echt een belangrijk punt was.

Als je de processtappen die wij in de loop van dat jaar, waar zoveel mis bleek te gaan … Daar viel mijn broek ook weleens van af, om het zo maar te zeggen. Dan was er ergens een onderzoek geweest. Dan was er een vraag: dit komt voor de rechter. En dan werd er hulp gevraagd: wie kan ons daarbij helpen? En dan kwam men weer terug bij dat fraudeteam. Daar klopte geen meter van. Ik kende de situatie bij Blauw, zeg maar de Belastingdienst niet zijnde Toeslagen, veel beter. Daar was een heel systeem: als je het ergens mee oneens bent, dan ga je naar de inspecteur of je vraagt iemand naar de inspecteur te gaan.

38

Op de brief van 11 juni 2019 wordt later in dit verslag uitgebreider ingegaan.

pagina 76/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

De heer Van der Lee: Ja, dat systeem bij Blauw kennen we. Daar is het juist verticaal ook georganiseerd. De heer Snel: Dat bestond helemaal niet bij Toeslagen. Dat vond ik onbestaanbaar. We hebben het eerder gehad over zo'n fabriek zonder menselijke maat. Nou, dit was een van dé voorbeelden en dat werd mij in de loop van dat jaar duidelijk. Je moet collega's kunnen bellen: ik heb hier een ingewikkeld probleem, jij hebt dit misschien in Noord-Groningen ook een keer meegemaakt, hoe heb jij dat opgelost? Die hele opzet bestond niet, is nooit ingebouwd bij Toeslagen. Ook kondigt staatssecretaris Snel in deze brief van oktober 2018 aan een schadevergoeding toe te kennen aan ouders die betrokken zijn bij de CAF 11-zaak als de Belastingdienst langer dan twee jaar over de afhandeling van het bezwaar heeft gedaan. Deze schadevergoeding bedraagt € 500 per half jaar dat de behandeling langer dan twee jaar heeft geduurd. Zowel voormalig staatssecretaris Snel als voormalig directeur-generaal van de Belastingdienst Uijlenbroek vonden dit een lage schadevergoeding, maar geven hierover aan dat zij geen mogelijkheid zagen hier iets aan te doen: De heer Van Wijngaarden: Ja, oké.

Vond u nou die schadevergoeding, als u die nog op het netvlies heeft, in verhouding staan tot de problemen in de CAF 11-zaak die in die brief worden genoemd? De heer Uijlenbroek: Dat is die €500 per halfjaar, hè? De heer Van Wijngaarden: Ja, per halfjaar te late beslissing op bezwaar. De heer Uijlenbroek: Dat is een vaste norm. Het probleem met vaste normen is dat ze soms heel ruimhartig zijn en soms een druppel op een gloeiende plaat. Als je kijkt naar wat ouders heeft getroffen, is het in deze situatie natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat. Maar dat is inherent aan het hanteren van vaste normen. Staatssecretaris Snel ging destijds niet op zoek naar mogelijkheden om een royalere schadevergoeding toe te kennen: De heer Van der Lee: U schrijft in uw brief dat u compensatie, een soort schadevergoeding -- geen compensatie, maar schadevergoeding -- wil geven aan ouders die getroffen zijn, maar eigenlijk alleen aan ouders die meer dan twee jaar hebben moeten wachten. Vond u dat nou in verhouding staan? Want het is ook niet zo'n heel hoog bedrag. De heer Snel: Nee, dat is waar. Het is goed dat u daarnaar vraagt. Ik heb me daarover namelijk enorm verbaasd toen ik met de juristen ging praten: wat is het maximale wettelijk toegestane bedrag dat ik hiervoor mag geven? Het antwoord was volgens mij € 500 per halfjaar of zo. De heer Van der Lee: Precies, dat klopt.

De heer Snel: Daarvoor hadden we gezegd: ze kunnen het krijgen. En nu zeiden we: nee, het mag het maximale zijn binnen de wet. Dat was € 500. Ik weet nog wel dat ik dacht: dat is ook weinig.[…] De heer Van der Lee: Even een laatste vraag op dit punt. U was zelf verbaasd over het beperkte bedrag dat u maximaal kon geven. Heeft u nog opdracht gegeven om te zoeken naar andere routes om wat royaler schade te kunnen vergoeden?

pagina 77/132

Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal

De heer Snel: Nee, toen nog niet, want toen zat het vooral in de duur. Dat was … Nee, en bovendien, het zou ook echt niet binnen mijn kunnen zijn geweest om te zeggen: ik vind vanaf nu dat iedereen meer schadevergoeding moet krijgen op het moment dat ze een juridische procedure met de overheid hebben. De heer Van der Lee: Nee, maar de opdracht geven om uit te zoeken wat er allemaal nog zou kunnen, is nog de eerste stap, hè? Dat betekent niet dat je onmiddellijk de wet moet gaan overtreden, maar … De heer Snel: Nou ja, misschien is het wel op dat moment … Ik weet nog wel dat me dat bijstond, en dat is me echt helemaal uitgelegd hoe of wat. Het heeft hopelijk wel een zaadje geplant voor mijn discussies die ik ruim een halfjaar later zou hebben over schadevergoeding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=a98066cd-df2e-45b3-985b-630d784a1cd7