Ongekend onrecht.pdf
Tekst van het document
Die oordeelt dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag van de betreffende ouder terecht op nihil heeft gesteld, omdat de ouder niet heeft aangetoond dat de kosten voor de opvang geheel zijn betaald. In de uitspraak wijst de Raad van State er tevens op dat indien een schenkingsovereenkomst tussen de vraagouder en de gastouder zou bestaan waarin werd overeengekomen dat de eigen bijdrage als schenking terug werd gegeven aan de vraagouder, er toch een recht zou bestaan op kinderopvangtoeslag. Naar aanleiding van de uitspraak volgt ambtelijk overleg tussen het ministerie van Financiën en het ministerie van SZW. Op 1 februari 2013 wordt in een ambtelijke notitie aan staatssecretaris Weekers voorgesteld toch volledig terug te vorderen indien de eigen bijdrage niet is betaald, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State. Dit voorstel staat in scherp contrast met de voorstellen van 2 oktober en 17 december 2012. De staatssecretaris stemt hier echter wel mee in. De heer Weekers: Toen we het hadden over oktober en begin december […] ging ik er op basis van de stukken die mij voorlagen van uit dat ik ook de beslissing kón nemen om maar terug te vorderen tot de hoogte van de eigen bijdrage.[…] Toen ben ik er een- en andermaal op gewezen dat een vereiste om de kinderopvangtoeslag te krijgen het betalen van een eigen bijdrage is.
Dat is niet alleen het beleid van Sociale Zaken, maar dat staat in de wet. En dat is nu door de hoogste administratieve rechter ook vastgesteld. Dus ik voelde mij niet vrij om af te wijken van de wet, zoals die door de hoogste rechter was uitgelegd. In deze notitie van 1 februari 2013 wordt ook opgemerkt dat door vastgelegde schenkingen er de mogelijkheid bestaat van gratis kinderopvang. Er wordt gesteld dat dit een ‘lek’ in de regeling is. Staatssecretaris Weekers geeft minister Asscher hierover op 5 februari 2013 een memo en marge van de zogenaamde politieke vierhoek - een overleg tussen ministers die met elkaar praten over bijvoorbeeld één specifiek onderwerp. Op 25 februari 2013 krijgt minister Asscher ook een ambtelijke nota over de uitspraak van de Raad van State in de casus Appelbloesem. De ambtenaren van SZW adviseren
pagina 42/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
de systematiek rondom de eigen bijdrage in stand te houden. “Voor ouders die ten onrechte ontvangen toeslag moeten terugbetalen zijn de uitspraken van de RvS zuur. Het gaat veelal om grote bedragen.” Directeur-generaal Belastingdienst Veld verzoekt voorafgaand aan deze notitie ambtelijk SZW om het besluit tot invordering expliciet voor te leggen aan minister Asscher. Minister Asscher ontvangt van zijn ambtenaren vervolgens inderdaad een notitie, waarin met name wordt ingegaan op het ‘lek’ in de regeling. Wel wordt in deze notitie opgemerkt dat de Belastingdienst heeft gevraagd de invordering expliciet aan de minister voor te leggen, en wordt gewezen op de veelal grote bedragen die ouders moeten terugbetalen. De heer Van Aalst: Uw ambtenaren schrijven u over de gevolgen van die terugvordering voor de ouders. "De gevolgen zijn zuur en het gaat veelal om grote bedragen. Onduidelijk is of ouders zich voldoende hadden vergewist van de regels. Echter […] de Raad van State heeft in een uitspraak aangegeven dat er niets veranderd hoeft te worden." Ze raden u dan ook aan om niets te veranderen. Heeft u ingestemd met deze lijn? De heer Asscher: Nou, de Raad van State … Dat er niets veranderd hoeft te worden, ging over de vraag of de wet moet worden aangescherpt. De heer Van Aalst: Laat de alles-of-nietsbenadering intact.
De heer Asscher: De vraag die voorlag, was: moet de wet worden aangescherpt om het lek tegen te houden? Moet je schenken tussen grootouders en andere gezinnen verbieden? De vraag die mij wordt voorgelegd in de nota is: kunt u ermee instemmen dat het wettelijk stelsel op deze manier hetzelfde blijft? Ik heb dat gelezen als: we gaan de wet niet aanscherpen. Ik ben het met u eens: verderop in de nota, bij het kopje publiciteit staat "dit is zuur voor ouders." Daar had ik op moeten aanslaan. Dat heb ik niet gedaan. Daar had ik op moeten doorvragen. Ik had moeten vragen: wat is dat dan? Wat is er aan de hand? Daar heb ik spijt van, want dan had ik misschien de onrechtvaardigheid van de impact hiervan tot me door laten dringen en had ik er wat aan kunnen doen. Maar ik heb toen het oordeel gehad: de hoogste rechter heeft gezegd dat de Belastingdienst gelijk heeft. De hoogste rechter heeft gezegd: die schenkingen kunnen, mits goed vastgelegd. Geen reden om de wet aan te scherpen. Minister Asscher besluit in te stemmen met het ambtelijk advies om de wettelijke regeling ongewijzigd te laten. Tijdens een overleg tussen beide directeuren-generaal op 28 mei 2013 geeft directeur-generaal Veld aan dat hij verwacht dat er veel onvrede zal zijn bij ouders, maar directeur-generaal Werk Camps “houdt zijn rug recht” en is van mening dat desondanks de invordering moet starten.
In juni 2013 start de invordering in de zaak Appelbloesem.
Fraudewet SZW Op 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZWWetgeving (Fraudewet SZW) in werking. Hiermee wordt invulling gegeven aan de taakstellende besparing uit het regeerakkoord Rutte I. In de Memorie van toelichting van deze verzamelwet wordt ook de kinderopvangtoeslag geadresseerd. Met deze wet neemt de regering een aantal maatregelen om fraude met de kinderopvangtoeslag tegen te gaan. De controle bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag wordt aangescherpt en sancties worden zwaarder. De verwachte opbrengsten voor de kinderopvangtoeslag bedragen € 25 miljoen per jaar. Volgens meerdere getuigen was de betekenis van deze Fraudewet SZW voor de kinderopvangtoeslag beperkt en leverde
pagina 43/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
dit geen financiële prikkel op om steviger aan de slag te gaan met de kinderopvangtoeslag. De heer Van Aalst: Welke betekenis had deze Fraudewet Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de fraudebestrijding bij de kinderopvangtoeslag? De heer Asscher: Het richtte zich vooral op de Sociale Zaken-wetgeving, dus de WW-uitkeringen, de bijstand. Daar was de betekenis dat er hogere boetes kwamen, dat er ook een minimumboete was, ook bij een klein vergrijp. Het was een hele strenge fraudewet, zo streng zelfs dat er eigenlijk redelijk kort na invoering ook signalen kwamen dat het niet goed ging en dat mensen die een vergissing maakten eigenlijk ten onrechte als fraudeur werden behandeld. Die wet is dan ook relatief snel weer gewijzigd.[…] U moet zich voorstellen: wij hadden in die tijd wel grotere problemen dan 25 miljoen. Het was een periode van enorme economische crisis en stijgende werkloosheid, en mijn probleem was juist bij die kinderopvangtoeslag dat er te weinig gebruik van gemaakt werd, omdat mensen geen werk hadden of hun werk kwijtraakten. Dus je ziet in die jaren ook een daling van het totale beslag op de kinderopvangtoeslag.
Businesscase Intensivering toezicht toeslagen Op 28 mei 2013 dringt de directeur-generaal Werk Camps (SZW) er bij de directeurgeneraal Belastingdienst Veld op aan om de € 157 miljoen28 uit het Regeerakkoord Rutte II voor versterking van het toezicht door de Belastingdienst niet alleen in te zetten voor de inkomstenbelasting, maar ook voor toeslagen. De Belastingdienst heeft dan al een businesscase intensivering toezicht en invordering (ITI) opgesteld, waarvan toeslagen geen onderdeel uitmaken. SZW stelt voor dat de Belastingdienst een businesscase opstelt waarin ook “extra geld voor het toeslagendeel wordt gegenereerd”. Voormalig minister Asscher verklaart niet op de hoogte te zijn geweest van deze druk vanuit SZW, maar vindt het logisch dat SZW aandrong om extra middelen voor toezicht door de Belastingdienst ook in te zetten voor toeslagen. Directeur-generaal Veld stelt dat hij het plan voor de businesscase intensivering toezicht en invordering (ITI) op hoofdlijnen al voor de formatie van Rutte I “in de la had liggen”. Hij zou een eventuele taakstelling voor de Belastingdienst liever invullen door extra inkomsten te genereren dan door medewerkers te ontslaan, waarbij hij het genereren van opbrengsten door extra toezicht als een normale activiteit ziet. De businesscase voor intensivering van het toezicht op toeslagen wordt ontwikkeld naast de businesscase ITI.
Met de businesscase Toeslagen komt € 25 miljoen per jaar beschikbaar voor intensivering van het toezicht op toeslagen. Daarvan wordt € 16,5 miljoen geleverd vanuit de SZW-begroting voor kinderopvang. De prikkel van deze businesscase wordt volgens de directeur toeslagen Blankestijn gevoeld bij het toezicht op de kinderopvangtoeslag: De heer Blankestijn: Op basis van die businesscase hebben wij een 100 fte kunnen aannemen in de loop der tijden, startende vanaf april 2014. De zogenaamde ISTteams, Integraal Subjectgericht Toezicht, zijn toen ingericht bij ons. De kern van de businesscase was dat departementen, in het bijzonder dus BZK en SZW, die opbrengst of dat geld dat ze aan de Belastingdienst gaven, wel terug wilden zien in niet-uitgekeerde toeslagaanvragen. Achteraf gezien is die benaming "businesscase
28
In de verhoren wordt verwezen naar € 156 miljoen, dit wordt in het SZW-verslag gebruikt.
pagina 44/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
Fraude" -- want zo werd die genoemd -- een hele verkeerde keuze, want de opbrengst, zal ik maar even zeggen, van die businesscase kwam gewoon voort uit regulier werk, dus aanvragen die niet juist waren, mensen die een aanvraag deden die niet in Nederland woonden, die helemaal geen recht hadden. De bedoeling was wel heel nadrukkelijk: dat geld dat wij er als beleidsdepartementen in hebben gestopt, dat willen we ook daadwerkelijk terugzien. Mevrouw Kuiken: Daar werd u ook op afgerekend? De heer Blankestijn: Ik heb dat ook beschreven. Ik zal het nog een keer aangeven: ik heb gewoon in mijn reguliere voortgangsrapportages tot het einde van mijn Toeslagentijd daarover gerapporteerd. Ook onder directeur Toeslagen Cleyndert, de opvolger van de heer Blankestijn, heeft de businesscase Fraude, zoals deze binnen de Belastingdienst/Toeslagen wordt genoemd, een dwingend karakter. Zij moet op haar tweede werkdag in december 2018 besluiten om 1.950 bezwaren met zes weken te verdagen, wat inhoudt dat de afhandelingstermijn wordt verlengd. De capaciteit die binnen de Belastingdienst/Toeslagen eigenlijk beschikbaar zou moeten zijn voor bezwaarafhandeling wordt namelijk in de laatste maanden van 2018 ingezet voor extra toezicht, om zo de businesscase Fraude te halen.
Voormalig staatssecretaris Weekers plaatst tijdens het openbaar verhoor de volgende kanttekening bij het dwingende karakter van de businesscase: Mevrouw Belhaj: De adviescommissie noemde in haar eindrapport de businesscase een volstrekt oneigenlijke prikkel, met als resultaat een vorm van morele corruptie. Wat is uw kijk daarop? De heer Weekers: Als de businesscase goed wordt toegepast en niet als target wordt gezien, dan is er niks mis mee. Als het uitpakt zoals Donner heeft geconcludeerd, dan is het een perverse prikkel. Ook de minister-president verklaart tijdens het openbaar verhoor over harde targets bij businesscases: De heer Van der Lee: Minister Opstelten […] was een voorstander van concrete kwantitatieve streefnormen die departementen aan "incasso" -- tussen aanhalingstekens -- zouden binnenhalen, ook voor bijvoorbeeld terugvorderingen van onterecht ontvangen toeslagen. […] Die voorstellen zijn van tevoren met uw ministerie afgestemd. Wat was uw positie als het ging om het instellen van streefnormen? De heer Rutte: Nou, het maximale wat ik daar acceptabel vind, is dat je bij fraudebestrijding nadenkt over wat businesscases is gaan heten, maar niet met harde targets. Dat is onverstandig. Zoals u het opleest, krijg je bijna het gevoel dat het een soort target wordt, waarbij je als je het bedrag niet haalt het maar moet bijplussen uit een ander deel van je begroting.
MT Fraudebestrijding en CAF Naar aanleiding van de Bulgarenfraude wordt bij het ministerie van Financiën op 28 mei 2013 op initiatief van directeur-generaal Veld een speciaal management team ingesteld, het MT Fraudebestrijding. Toenmalig algemeen directeur belastingdienst Blokpoel verklaart over de instelling van dit MT:
pagina 45/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
De heer Blokpoel: Ja. Zoals u zei, heeft de zogenaamde Bulgarenfraude veel aandacht voor fraudefenomenen opgeleverd. Er is natuurlijk altijd sprake geweest van fraudebestrijding binnen de Belastingdienst. Tegelijkertijd was er zowel politiek als binnen de organisatie als in de pers zeer veel aandacht rondom de Bulgarenfraude. Daar hebben wij ook het beeld aan overgehouden dat we meer moesten gaan doen aan fraudebestrijding. Dus in het totale werkpakket van dienstverlening -- gewone controles, voorlichting en allerlei andere dingen -- kwam er echt meer focus op fraudebestrijding. In die zin is er dus ook een speciale vergadering van het managementteam van de Belastingdienst in het leven geroepen die specifiek over fraudebestrijding ging. De heer Blokpoel omschrijft het MT als een verschijningsvorm van het reguliere MT Belastingdienst. De ambtelijke top van het ministerie van Financiën die in 2019 in functie is, wordt pas in juni 2019 bekend dat dit MT heeft bestaan. Dit MT heeft tot doel meer focus op fraudebestrijding te leggen door de al bestaande initiatieven in de diverse delen van de Belastingdienst bij elkaar te brengen. In het MT worden geen operationele besluiten genomen, hoewel blijkt dat de verschillende deelnemers geen duidelijkheid hebben op dat moment over het besluitvormend karakter van het MT.
De directeuren die zitting hebben in het MT Fraudebestrijding nemen de gemaakte procesafspraken met zich mee naar hun eigen organisatieonderdeel om daar er een operationele uitwerking aan te geven. In het eerste verslag van dit nieuwe MT wordt beschreven dat de “goeden onder de kwaden zullen gaan lijden”, maar ook dat dit zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Er wordt niet aangegeven hoe dit wordt geborgd. Staatssecretaris Weekers gaat in juni 2013 op bezoek bij de Belastingdienst/Toeslagen, waar hij spreekt met medewerkers. De heer Blankestijn verklaart hierover: Mevrouw Kuiken: En daar sprak -- en dan citeer ik uit uw persoonlijke position paper -- staatssecretaris Weekers ook de woorden: "Voor mij is de maat vol, voor jullie is de maat waarschijnlijker al langer vol. We hebben een systeem gebouwd dat heel sociaal oogt, maar niet zo sociaal uitpakt. Het doet pijn als je ziet dat het zo door criminelen wordt gebruikt." Dus iedereen voelde: we moeten nu ... De heer Blankestijn: Er moet echt wat gebeuren. Mevrouw Kuiken: Alles was daarop gericht? De heer Blankestijn: Ja, dus dat voelde echt heel stevig, ja. Ja. In juni 2013 krijgt staatssecretaris Weekers een presentatie over het MT Fraudebestrijding. Hij vraagt het MT om hem periodieke updates te geven over de voortgang van de fraudebestrijding.
Deze periodieke updates zijn vormgegeven door mondelinge overdracht, notities en de gebruikelijke halfjaarrapportages. Op 13 augustus 2013 besluit het MT Fraudebestrijding op voorstel van de heer Blokpoel en de heer Van der Vlist, directeur FIOD, tot het instellen van het Combiteam Aanpak Facilitators, het CAF. De aanleiding hiervoor zijn diverse signalen van de werkvloer binnen de Belastingdienst en de FIOD over het ontbreken van een structurele aanpak van facilitators. Met het CAF ontstaat dan een team waar medewerkers van alle onderdelen van de Belastingdienst signalen van mogelijke facilitators kwijt kunnen. De heer Blokpoel wordt aangewezen als verantwoordelijk bestuurder. Staatssecretaris Weekers wordt in oktober 2013 geïnformeerd over het instellen van het CAF en de CAF aanpak. Hierbij wordt geen aandacht besteed aan de manier waarop
pagina 46/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
binnen de Belastingdienst/Toeslagen opvolging wordt gegeven aan de onderzoeken van het CAF. In januari 2014 treedt staatssecretaris Weekers af vanwege late uitbetalingen van de kinderopvangtoeslag aan ouders, die hierdoor in problemen raakten. Op 4 februari 2014 treedt Wiebes aan als nieuwe staatssecretaris van Financiën. Bij zijn aantreden wordt staatssecretaris Wiebes geïnformeerd over het CAF. Tijdens het openbaar verhoor verklaart hij dat hij daarna niet meer expliciet is geïnformeerd over het CAF en dat hij ook niet is geïnformeerd over de werkwijze van het CAF. Het CAF wordt in februari 2014 voor het eerst geëvalueerd door het MT fraudebestrijding. De heer Blokpoel wijst dan op het dilemma van de CAF-aanpak en dat het CAF aan de slag gaat met een klantenpakket waarvan 80% fout is en 20% goed. In het openbaar verhoor stelt de heer Blokpoel dat deze percentages geen vaste onderbouwde waardes zijn, maar aannames. Zijn opmerking moet volgens de heer Blokpoel worden gezien als de waarschuwing dat de goeden zullen gaan lijden onder de kwaden. De evaluatie leidt ertoe dat de CAF-aanpak door directeur-generaal Veld geaccepteerd wordt, waarmee hij dus ook de aanpak van ouders, die te goeder trouw zijn, accepteert. Ook besluit het MT Fraudebestrijding dat de politiek moet worden meegenomen in de aanname van 80%-20%, een punt dat lang blijft staan op de actiepuntenlijst van het MT.
Het is onduidelijk of directeur-generaal Veld dit inderdaad met de staatssecretaris heeft gedeeld. In het openbaar verhoor stelt hij meermaals met de politiek erover gesproken te hebben dat de goeden onder de kwaden zullen lijden. Onduidelijk is of dit in reactie was op het actiepunt voortvloeiende uit de CAF evaluatie. De weekverslagen die het CAF team opstelt, worden regelmatig besproken in het MT Fraudebestrijding. Dit blijkt onder andere als de heer Blankestijn bij de bespreking van de evaluatie in februari 2014 aandacht vraagt voor de toon van de weekverslagen. In deze weekverslagen wordt bijvoorbeeld gesproken over ‘Licence to disturb’. In het openbaar verhoor verklaart de heer Blankestijn de toon niet professioneel te vinden en niet getuigen van respect. Uit de weekverslagen blijkt dat met vooringenomenheid wordt gekeken naar ouders die betrokken zijn in CAF-zaken. Hoewel directeur-generaal Veld als MT-lid deze weekverslagen ontvangt, onderneemt hij hierop geen actie. In het MT fraudebestrijding worden aan de hand van de weekverslagen van het CAF ook casussen besproken op een procesniveau, onder andere in het kader van fraudefenomenen. Dit leidt bijvoorbeeld tot het besluit in februari 2014 dat CAFdossiers gebruikt gaan worden om de risicoselectie aan te vullen.
Onder risicoselectie wordt begrepen het selecteren van bepaalde groepen en/of personen op basis van kenmerken, waaronder bijvoorbeeld nationaliteit.29 Ook besluit het MT in februari 2014 dat toeslagen gestopt kunnen worden bij gerede twijfel. Eerder was dit ernstige twijfel. De heer Blankestijn verklaart in zijn openbaar verhoor hierover dat dit besluit werd genomen omdat de druk op de medewerkers erg hoog was om fraude aan te pakken en dat er in die periode naar zijn mening erg veel fraude was. De elementen van het in 2013 al bestaande toezicht binnen de Belastingdienst/Toeslagen, te weten de groepsgewijze toegepaste zachte stop, de intensieve controles en uitvragen (zero tolerance), het niet rappelleren, waartoe het MT Toeslagen besloot in 2013, en de ‘alles-of-niets’ benadering zijn niet door de heer Blankestijn besproken in het MT Fraudebestrijding. Tijdens de openbare verhoren blijkt
29
De Autoriteit Persoonsgegevens concludeert in zijn rapport van 17 juli 2020 dat het verwerken van de dubbele
nationaliteit door de Belastingdienst in risicoselectie-modellen onrechtmatig en discriminerend was.
pagina 47/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
verder dat de ambtelijke top van de Belastingdienst al geruime tijd op de hoogte was van in ieder geval de ‘alles-of-niets’ benadering. De heer Blokpoel: Ook, maar met name tussen mij en de dg. Misschien dan even een sfeertekening vanuit ons deel van de organisatie. Wij hebben heel veel buikpijn gehad en hebben ook echt heel intensief met elkaar gesproken over het feit dat als er een kleine fout werd gemaakt bij toeslagen, het beeld kennelijk was dat de hele toeslag moest worden terugbetaald. Dat zat zo ongelofelijk ver af van wat wij gewend zijn in de fiscale hoek! Als daar een fout wordt gemaakt, is de eerste vraag: is dit nou opzet of niet? Als daar een fout wordt gemaakt, is het meest voorkomende instrument een correctie. […] Daar is intensief over gesproken. Directeur-generaal Veld bevestigt het beeld dat de heer Blokpoel schetst in zijn openbaar verhoor. De politiek verantwoordelijken van die tijd, staatssecretarissen Weekers en Wiebes, herkennen dit beeld echter niet. De heer Wiebes: Die buikpijn heeft nooit zo doorgeklonken. Laat ik het precies proberen te zeggen. […] Eind 2014 kreeg ik een nota die ik voor het eerst weer terugzag toen Follow the Money ermee naar buiten kwam. Daar werd het in genoemd. Maar in alle eerlijkheid, ik heb later ...
Nee, toen Follow the Money ermee kwam -- ik volg dit natuurlijk ook -- heb ik die nota weer bekeken en dat is eigenlijk helemaal geen buikpijnnota. Sterker nog, dat is helemaal geen nota die mij waarschuwt dat hierover buikpijn bestaat en dat hier onredelijke dingen gebeuren.[…] Dit is een nota, en die herinnering kwam ook terug, die ik gelezen heb als: nou ja, de Belastingdienst waarschuwt me hier dat ze eigenlijk te soft zijn. Meerdere getuigen verklaren verder dat de genoemde aanpak van ouders binnen de Belastingdienst/Toeslagen geen fraudebestrijding is, maar van normaal toezicht en dat daarom dit niet is teruggekomen in het MT Fraudebestrijding. Binnen de Belastingdienst/Toeslagen werd het controleren van aanvragen beschouwd als regulier toezicht. Mevrouw Kuiken: Ik vroeg specifiek aan u of u aan de start van dit managementteam Fraude niet op een of andere manier heeft aangegeven "joh, ik heb inmiddels ook twee, drie jaar ervaring met een aantal zaken op het terrein van kinderopvangtoeslagen en hoe dat dan kan mislopen". Dat heeft u op geen enkele manier kenbaar gemaakt? De heer Blankestijn: Nee, omdat er een verschil is tussen: wat is een fraudeaanpak en wat is een reguliere toetsing op aanvragen? Daar zit echt een heel groot verschil tussen.
Werkwijze Combiteam aanpak facilitators (CAF) Het Combiteam aanpak facilitators, CAF, richt zich op facilitators van fraude. Hiermee worden personen bedoeld die fraudeleus handelen organiseren dan wel mogelijk maken. Het doel van het CAF was het facilitators onmogelijk maken om hiermee door te gaan. Het CAF gaat aan de slag met signalen van de werkvloer of andere bronnen. Deze signalen kunnen, indien het een kinderopvanginstelling of gastouderbureau betreft, ook afkomstig zijn van de GGD. Het CAF doet onderzoek naar deze signalen. Dit kan inhouden dat er bezoeken worden afgelegd aan gastouders of het gastouderbureau (waarneming ter plaatse). De conclusie van het onderzoek van het CAF wordt als
pagina 48/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
advies geformuleerd aan de dienst waar het signaal vandaan kwam. Het CAF kan zelf geen aanslagen opleggen of toeslagen stopzetten. Indien uit het onderzoek blijkt dat er een sterk vermoeden of bewijs van fraude is, draagt het CAF de zaak over aan de FIOD en het OM. Inmiddels is gebleken dat CAFonderzoeken naar kinderopvanginstellingen of gastouderbureaus vrijwel nooit leidden tot strafrechtelijke vervolging, maar dat in deze CAF-zaken wel veelal sprake was van stopzetting van toeslagen van ouders. Opvolging adviezen binnen Belastingdienst/Toeslagen De Belastingdienst/Toeslagen kan naar aanleiding van het advies van het CAF besluiten om de rechtmatigheid van de kinderopvangtoeslag te gaan controleren. Hierbij maakt zij tot medio 2016 veelal gebruik van het toepassen van de zachte stop op het hele klantenpakket van een vermeende facilitator. Feitelijk betekent dit dat groepsgewijs de toeslag wordt stopgezet op een toekomstige datum. Voor die datum krijgen ouders de mogelijkheid om met bewijsstukken aan te tonen dat ze recht hebben op de toeslag. Er is hierbij sprake van een intensieve uitvraag van documenten. Ook de controle hiervan door de Belastingdienst/Toeslagen is intensief. Werkwijze bij CAF11 De naam CAF 11 staat voor het onderzoek dat het CAF team in 2013 start onder de naam “Hawaï”.
Aanleiding hiervoor zijn een tweetal signalen vanuit de GGD uit 2011 over gastouderbureau Dadim. Naar aanleiding hiervan legt het CAF eind 2013 16 bezoeken aan gastouders af en bezoekt in mei 2014 het gastouderbureau zelf voor een administratieve controle. Uit ambtelijke reconstructies van het ministerie van Financiën en onderliggende documenten blijkt dat het besluit tot stopzetting van toeslagen van ongeveer 302 ouders betrokken in het CAF 11 onderzoek wordt op 10 april 2014 genomen binnen het team Handhavingsregie binnen de Belastingdienst/Toeslagen. Een medewerker van dat team, die tevens werkzaam is voor het CAF team, verstrekt de opdracht tot het stopzetten van de toeslagen. Op het opdrachtformulier wordt geen of onvoldoende grond vermeld voor de stopzetting. Het besluit tot stopzetting wordt dus genomen ruim een maand voordat het bezoek aan Dadim plaatsvindt. Naar aanleiding van het bezoek aan Dadim eind mei 2014 vindt overleg plaats met de FIOD en het OM, waarbij wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van fraude bij Dadim.
Fraudebeleid SZW – Project kwaliteitsverbetering en fraudebestrijding gastouderbureaus (KEF) In februari 2014 krijgt minister Asscher een voorstel voor het project kwaliteitsverbetering en fraudebestrijding gastouderbureaus. Doel van dit project was om oneigenlijk gebruik en misbruik te verminderen, de kwaliteit en veiligheid te verhogen en slecht presterende gastouderbureaus ‘uit het stelsel te drukken’. Bij de start van het project Kwaliteitsverbetering en fraudebestrijding gastouderbureaus is al duidelijk dat er bij veel gastouderbureaus gebreken bestonden in de contracten tussen de gastouderbureaus, de vraagouders en de gastouders. Daarnaast ontbreken vaak (80%) urenstaten. Vooraf is dus al duidelijk dat er veel fouten zullen worden aangetroffen. Toch worden gastouderbureaus ook aangepakt via terugvorderingen bij ouders. Directeur-generaal Werk Boereboom (SZW) verklaart hier het volgende over: De heer Van Aalst: Het valt ons namelijk op dat in deze projectopzet bij de start van het project al duidelijk is dat er bij de meeste gastouderbureaus gebreken
pagina 49/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
bestaan in de contracten die worden gesloten tussen gastouderbureau, vraagouder en gastouder. Bij 80% ontbreken zelfs de urenstaten. Vooraf is dus eigenlijk al duidelijk dat er heel veel fouten zullen worden aangetroffen. Toch worden die gastouderbureaus ook aangepakt via terugvorderingen bij de ouders. Weet u waarom dat was? De heer Boereboom: Dat is gebeurd omdat dat voortvloeide uit de wet en -- wat ik eerder aangaf in antwoord op mevrouw Leijten -- dat dat mede vanuit het principe was dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor de kinderopvang en voor een goede administratie. Het was dus helemaal geredeneerd … De kinderopvangtoeslag is ook een toeslag aan ouders. Daarmee zijn ouders dus verantwoordelijk voor een goede aanvraag van de kinderopvangtoeslag. De heer Boereboom legt uit dat het project via twee lijnen werkt: via kwaliteitstoezicht door de GGD en via de ouders: Mevrouw Leijten: Zijn er ook andere manieren om zo'n voor u nietfunctionerend/frauduleus gastouderbureau uit het stelsel te drukken? De heer Boereboom: In mijn beleving, zoals ik het begrepen heb, waren er maar twee mogelijkheden om dat te doen. De ene kant was langs de lijn van de kwaliteit en GGD-toezicht. De andere lijn was dat als ouders … Dat je de financiële lijnen moest stilleggen.
Vanuit de kennis van toen was het zo dat als de kinderopvangtoeslag niet juist was besteed -- dat was de standaardlijn -- de kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd. Langs die twee lijnen dus. De focus van minister Asscher lag bij dit project op de kwaliteit en veiligheid van de gastouderbureaus. Hij vond de prijs voor de samenleving van een onveilige kinderopvang veel groter dan die van een kinderopvang waarvan de administratie rammelde. Asscher verklaart dat hij zich niet realiseerde dat gastouders ook werden aangepakt via terugvorderingen bij de ouders, hoewel dit wel expliciet in de projectplannen was opgenomen: De heer Asscher: Ik had die terugvordering helemaal niet als een instrument op het oog. Ik zag die terugvordering als een ongelukkig effect van dat toeslagensysteem, niet als een instrument of zelfs bijna als een wapen, zoals het later is ingezet, tegen ouders. De gedachte was wel: als mensen aan het sjoemelen zijn, is de kwaliteit waarschijnlijk ook niet in orde, en als de kwaliteit niet in orde is, zijn ze misschien wel aan het sjoemelen. Daarom was het niet … De heer Van Wijngaarden: Dus u wist wel dat er sjoemelende gastouderbureaus waren, denk ik. De heer Asscher: Ja.
De ministeriële commissie aanpak fraude Het kabinet besluit in juni 2013, op voorstel van minister Opstelten van Veiligheid en Justitie, een ministeriële commissie voor de aanpak van fraude in te stellen. Aanleiding voor het instellen van de commissie zijn vooral incidentele fraudezaken zoals de Bulgarenfraude (zorg- en huurtoeslag), fraude met studiefinanciering en fraude met persoonsgebonden budgetten (PGB’s). De heer Van der Lee: Wat ik wel tegenkom, zijn verwijzingen naar incidenten: de Bulgarenfraude en de fraude met het persoonsgebonden budget. Het wekt de indruk
pagina 50/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
bij de lezer van vele jaren later dat het redelijk incidentgedreven is in plaats van op basis van een grondige analyse. Is dat een onterechte conclusie mijnerzijds? De heer Rutte: Nee, die is misschien wel terecht, maar dat zit natuurlijk ook in het karakter van de politiek. Het is niet zo dat wíj die grondige analyses zelf maken. Je hebt natuurlijk ambtelijke ondersteuning die grondige analyses maakt. Vervolgens moeten de politici in een lekendemocratie proberen om daar op een verstandige manier conclusies uit te trekken. Dat hebben we ook gedaan. Dat vind ik ook de goede rolverdeling. Daarbij heb je die wetenschappelijke input soms aan tafel in de vorm van wetenschappelijke bureaus. Onder meer minister Asscher is lid van de commissie. Ook staatssecretaris van Financiën Weekers neemt deel aan vergaderingen van de commissie. Voorzitter van de commissie is minister-president Rutte. Hij vult die rol op een actieve wijze in. De heer Van der Lee: U krijgt op 14 juni 2013 ook nog weer een advies van uw ambtenaren om de andere bewindspersonen indringend aan te spreken op hun inzet en de boodschap te geven dat -- ik quoot -- "alles op alles moet worden gezet om fraude te beperken". […] Ik confronteer u hier met een quote waarin u nadrukkelijk de aanjager bent en zelfs geadviseerd wordt om bewindspersonen daar indringend op aan te spreken.
De heer Rutte: Ik heb het zo verstaan, en dat vind ik ook verstandig, dat gezegd werd: als we zo'n commissie instellen, is het wel fijn als we ook allemaal doen waar die commissie voor bedoeld is, namelijk bijdragen aan het bestrijden van fraude in Nederland. Nogmaals, daarmee maak ik mijn eigen rol niet klein. Ik ben het met u eens. Dat is natuurlijk ook helemaal waar, dus ik bedoel niet te zeggen dat ik daar alleen maar hamertje-tik heb gespeeld. Zeker niet. Als voorzitter van zo'n commissie heb ik er een opvatting over. En ik héb een opvatting over fraude in Nederland. Ik vind het van heel groot belang dat de Nederlandse belastingbetaler ziet dat wij met al die centjes die we ophalen … Dat als dat wordt teruggeven aan mensen in de vorm van toeslagen of uitkeringen, dat we dat netjes doen. In het najaar van 2013 spreekt de commissie over een brief voor de Tweede Kamer over de rijksbrede aanpak van fraude.30 De toon van de brief komt nadrukkelijk aan de orde. De aanvankelijk hardere toon wordt aangepast. Benadrukt wordt dat er proportioneel moet worden opgetreden. De heer Van der Lee: Had u daarover nog een discussie in de ministerraad met uw collega's? De heer Rutte: Nee, volgens mij in de commissie. Ik heb het verslag in het weekend nog even teruggelezen.
Volgens mij vind je daarin terug dat er verschillende opvattingen over waren […] en ik dan concludeer: laten we in de toonzetting die twee opvattingen bij elkaar brengen. Dat refereert ook aan een eerder verslag van de commissie uit september 2013, zeg ik uit mijn hoofd, waarin we ook zeggen: je moet de balans vinden tussen dienstverlening en fraudebestrijding. De nadruk op proportionaliteit door de ministeriële commissie werkt niet voldoende door in de uitvoeringspraktijk door Belastingdienst/Toeslagen. De heer Weekers verklaart hierover:
30
Kamerstuk II 2013/14, 170 50, nr. 450.
pagina 51/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
De heer Weekers: Daar zijn concepten van brieven ook op aangepast. Daar is dus wel degelijk wat mee gedaan. Daarom is het ook zo erg dat we hier vandaag met elkaar moeten zitten, omdat een aantal mensen zo gedupeerd is, waaruit blijkt dat die proportionaliteit in de praktijk klaarblijkelijk niet heeft uitgepakt zoals wel altijd bedoeld was. De ministeriële commissie stelt in het najaar van 2013 voor de hele rijksoverheid een aantal uitgangspunten vast voor de fraudebestrijding. Zo onderstreept de ministeriële commissie het belang van een harde aanpak van fraude. Fraude moet niet alleen met het strafrecht, maar met alle mogelijke middelen worden bestreden. Mevrouw Belhaj: De commissie moest zich bezig gaan houden met een rijksbreed programma Afsluiten en afpakken. In de notitie staat dat het gaat om afpakken met alle daartoe geschikte middelen, strafrechtelijk, bestuursrechtelijk en privaatrechtelijk. Steunde u die lijn? De heer Weekers: Ja, die lijn steunde ik. […] Het strafrecht alleen kon het niet oplossen. Dus vandaar dat ook het bestuursrechtelijke instrumentarium moest worden uitgebreid. Een ander uitgangspunt dat de commissie vaststelt is eigen verantwoordelijkheid voor burgers en bedrijven bij het gebruik maken van regelingen van de rijksoverheid. Mevrouw Belhaj: Het eerste uitgangspunt: eigen verantwoordelijkheid voor burgers.
Vorige week wees een getuige erop dat die eigen verantwoordelijkheid bij de ingewikkelde kinderopvangtoeslag soms wel veelgevraagd was en tot hoge terugvorderingen kon leiden. Hoe zag u dat indertijd? De heer Weekers: Destijds was de eigen verantwoordelijkheid een vanzelfsprekendheid. Als je met de wijsheid van achteraf daarnaar kijkt, dan zeg je: ja, je vraagt ook wel erg veel van mensen, met wat ze niet alleen allemaal moeten aanleveren, maar ook wat ze moeten inschatten, zeker met complexe wetgeving. Maar destijds was het gewoon een gegeven: tegenover rechten staan ook plichten. Ja. De aanscherping van de fraudeaanpak van de Belastingdienst/Toeslagen heeft al vorm gekregen op het moment dat de ministeriële commissie van start gaat. De ministeriële commissie heeft daar nauwelijks invloed op. De heer Rutte: We hebben daar nooit gesproken over die CAF-zaken. We hebben überhaupt nooit zo gedetailleerd over departementen gesproken. Minister-president Rutte erkent in zijn verhoor dat het wel mogelijk is dat de nadruk die de ministeriële commissie legde op de harde aanpak van fraude, in de uitvoering als een extra stimulans is ervaren om fraude voortvarend aan te pakken. De heer Rutte: Het eerste punt van uw opmerking raakt aan de Bulgarenfraude en eerder de pgb-fraude. Is het daar wel in balans? […] Ja, en dat houd ik staande. Dat zie je echt in de commissie terug.
Tussen dienstverlening aan de burger en fraudebestrijding is er wellicht bij mensen in de uitvoering een gevoel ontstaan van: dit is wel heel erg belangrijk, wij kunnen nu over de grens gaan. […] En zozeer zelfs dat er kon gebeuren wat er bij het CAF is gebeurd. Dat kan nooit een rechtvaardiging daarin vinden. Maar het is wel gebeurd.
pagina 52/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 3 Signalen over gevolgen voor ouders In dit hoofdstuk komen enkele signalen over de ingrijpende gevolgen voor ouders in de periode 2013 – 2016 aan de orde.
Augustus 2013 - Ambtelijk signaal SZW: volledig terugvorderen is forse straf voor onwetende ouders Voor de ministerstafvergadering van 19 augustus 2013 wordt minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) door de directie Kinderopvang geïnformeerd dat kinderopvanginstellingen steeds vaker adverteren met ‘gratis kinderopvang’ voor ouders met een laag inkomen of die hun baan zijn kwijtgeraakt. Hierbij wordt geen eigen bijdrage van ouders in rekening gebracht, wat in strijd is met de wet. SZW en de Belastingdienst nemen – als ze dit opmerken - actief en rechtstreeks contact op met de ondernemers, die hierop goed reageren. De heer Asscher beaamt in het openbaar verhoor dat de regelgeving zowel voor ouders als voor professionele kinderopvanginstellingen ingewikkeld is. De heer Van Aalst: Was dat dan geen moment om dan ook gewoon die wet- en regelgeving aan te gaan passen, in plaats van die opnieuw uit te gaan leggen? De heer Asscher: Er was ook een breed gevoeld verlangen om die wet- en regelgeving aan te passen. Augustus 2013 werd er gekeken naar de introductie van de huishoudentoeslag, die dan de andere toeslagen zou vereenvoudigen. Voor de kinderopvangtoeslag werd nagedacht over mogelijkheden om dat helemaal af te schaffen. […] Het idee "je zou eigenlijk van die hele toeslagenfabriek af moeten", dat leefde toen al.
Maar we zaten er toen mee, met die ingewikkelde regels, en dan ligt het voor de hand om te zeggen: nou, waarschuw mensen en licht ze goed voor dat het zo wel werkt. De SZW-ambtenaren geven ook aan dat zij niet alleen met de Belastingdienst gaan spreken over de noodzakelijke communicatie/voorlichting, maar ook over de bestaande beleidslijn. Daarbij schrijven zij aan minister Asscher: “Het heffen van een eigen bijdrage is door de Raad van State bevestigd, maar er bestaat een gelijkgestemd gevoel intern dat het volledig terugvorderen van de toeslag in geval van onwetend handelen, een zeer forse straf is”. Tijdens de ministerstafvergadering onderstreept minister Asscher het belang van goede voorlichting aan ouders en ondernemers, maar gaat hij niet in op het signaal over de zeer forse straf. De heer Asscher: Ik weet niet of we het daarover hebben gehad, maar ik weet wel dat … Kijk, het werd gezien als een effect van hoe de wet werkte. Dus op het moment dat er geen recht is op kinderopvangtoeslag, moet worden terugbetaald. Dat was de interpretatie van de Belastingdienst en die was door de Raad van State bevestigd. Ik wilde natuurlijk voorkomen dat mensen in die situatie terechtkomen, dus daarom was die nadruk op voorlichting er.
Ik ben het helemaal met u eens: achteraf was dat een goed moment geweest om te zeggen "ja, maar is dit dan eigenlijk op zichzelf niet onrechtvaardig in de wetgeving zoals die is?" Dat gesprek heb ik toen niet gevoerd. Ik richtte me toen op: voorkom nou dat ouders en ondernemers zich hier niet bewust van zijn en met dit probleem geconfronteerd worden. De heer Van Aalst: Maar opnieuw komt natuurlijk dit signaal over het proportioneel terugvorderen, en toch legt u het naast zich neer.
pagina 53/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
De heer Asscher: Ik heb dat signaal opgevat als: dit is hoe de wet werkt, laten we voorkomen dat mensen hier in terecht komen. Er werd ook toen … De truc met gratis kinderopvang -- zo werd dat genoemd -- kenden we van De Appelbloesem. Dat werd gezien als opa-en-omacriminaliteit. Onterecht hè, weten we nu. […] ik was me er niet van bewust dat zo veel ouders hier zo oneerlijk mee werden getroffen. Mijn houding was: voorkom dat mensen de regels overtreden, want die regels zijn ingewikkeld, en laten we proberen -- maar dat heeft lang geduurd -- om dit hele systeem, met die berg aan terugvorderingen, waarbij dit in mijn ogen maar een onderdeeltje was … Het grootste deel, 90%, 95%, betrof mensen die ook grote bedragen moesten terugbetalen zonder dat er iets fout was gegaan met de regels, maar omdat het systeem zo werkte. Laten we proberen daar wat aan te doen.
December 2013 – juni 2014: brieven aan minister Asscher In december 2013 en in juni 2014 ontvangt minister Asscher enkele brieven van en namens gedupeerde ouders in de Appelbloesem-zaak.31 Deze ouders moesten forse bedragen aan kinderopvangtoeslag terugbetalen, van ruim € 8.000 tot ruim € 30.000. In zijn reactie toont de minister begrip voor de hulpvraag en legt uit dat hij niet in individuele gevallen kan treden. Minister Asscher bevestigt dat hij in ieder geval de eerste brief heeft gezien. De heer Asscher: Als ik het zo teruglees, vervult het me met schaamte dat ik het daarmee heb afgedaan en dat ik niet heb gezegd: wat nou als deze mensen gelijk hebben? Hoe gaat dat? Er wordt aangegeven dat de Belastingdienst tot aan de hoogste rechter in het gelijk is gesteld, dus je kunt nu niks meer doen, hooguit verwijzen naar juridische bijstand et cetera. Maar toch had mijn instinct een ander moeten zijn en had ik moeten zeggen: ja, maar toch bevalt dit me niet. En dat heb ik niet gedaan. […] De heer Van Wijngaarden: Ja, want die brief had natuurlijk ook aanleiding kunnen zijn om de wetgeving op de wat kortere termijn opnieuw te bekijken. U doelde al op het langetermijntraject en daar komen we zo nog over te spreken, maar reparatiewetgeving is natuurlijk ook een optie.
De heer Asscher: Nu weet ik dat dat inderdaad de top van een ijsberg was van veel meer mensen die helemaal buiten hun schuld in grote problemen waren gekomen. Het helpt ook niet dat het tot je komt als onderdeel van een fraudezaak. Dat gold voor De Appelbloesem in het bijzonder. Daarbij werd de fraude natuurlijk gepleegd door de houder van dat gastouderbureau. Dat maakt je nog voorzichtiger om daartegen in te gaan, maar dat had hier wel gemoeten. Dan was ik er misschien achter gekomen wat het betekende voor mensen … De heer Van Wijngaarden: Dan had u die ijsberg gezien. De heer Asscher: Dan had ik de ijsberg gezien en dan had ik in ieder geval het gesprek kunnen voeren: welk onderdeel van de wetgeving zouden we kunnen aanpassen? Kunnen we iets doen voor deze mensen? Kan Financiën wat doen, kunnen wij wat doen?
Directe financiering Op 24 september 2014 kondigt minister Asscher tijdens het algemeen overleg Kinderopvang aan dat een alternatief financieringsstelsel voor de kinderopvang zal
31
In het eindrapport van het Onderzoek Signalen Kinderopvangtoeslag SZW wordt melding gemaakt van drie brieven.
pagina 54/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
worden ontwikkeld: directe financiering. Minister Asscher motiveert dit tijdens dat algemeen overleg als volgt: “Met dat voorstel willen we bereiken dat het stelsel minder gevoelig is voor fouten aan de ene kant en voor fraude aan de andere kant. Daarmee pakken we bovendien het soms – ik zou haast zeggen vaak – pijnlijke probleem van de terugvorderingen aan, waarbij mensen soms zeer forse bedragen moeten terugbetalen op een moment dat ze daartoe nauwelijks in staat zijn.” In de openbare verhoren licht de heer Asscher toe dat hij daar de terechte terugvorderingen voor ogen heeft, die voor ouders vaak ook heel pijnlijk zijn: De heer Van Wijngaarden: Maar we weten nu toch dat een heel groot deel van die terugvorderingen helemaal niet terecht was? De heer Asscher: Die terugvorderingen van de eigen bijdrage waren niet terecht, maar ik heb het hier over de terechte terugvorderingen, die ook pijnlijk zijn. Dat is de spraakverwarring als je deze zin leest. Ik denk op dat moment nog steeds dat de bulk van ons probleem bestaat uit mensen die te goeder trouw die acht vakjes plus weet ik hoeveel keuzes daarna hebben ingevuld, bij wie daarna blijkt dat ze minder recht hadden op kinderopvangtoeslag dan het toen leek, waardoor ze moeten terugbetalen.
SZW is zich dan ambtelijk echter al langer bewust van de nihilstellingen32 bij het niet volledig betalen van de eigen bijdrage, zoals in augustus 2013 al werd gesignaleerd in een rapportage voor de ministerstafvergadering: De heer Van Aalst: De standaardreactie van het ministerie was inderdaad dat kinderopvang niet gratis is en dat ouders een bijdrage moeten betalen. Maar als we terugkijken, betekent dat dan ook automatisch dat ouders die hun eigen bijdrage niet betaald hadden, soms wel tot 25 keer hun eigen bijdrage terug moesten betalen, doordat de volledige kinderopvangtoeslag … De heer Boereboom: Ja, dat was wel de lijn. Die is ook bestendigd in de gerechtelijke uitspraken. Dat was de lijn onder de kinderopvangtoeslag. Voor mij was dat, toen ik dat zag, wel mede een aanleiding voor dat idee om te stoppen met de kinderopvangtoeslag en over te gaan tot directe financiering; dat was een van de argumenten. Directeur Kinderopvang Van Tuyll, die bij haar aanstelling in maart 2016 de opdracht kreeg om directe financiering verder te gaan uitwerken, verklaart zich pas in februari/maart 2018 bewust te zijn geworden van de ‘alles-of-niets’ benadering bij de kinderopvangtoeslag en de problematiek die hieraan gekoppeld is.
Ze legt het probleem waarvoor directe financiering een oplossing moet bieden als volgt uit: Mevrouw Van Tuyll: Achteraf verbaast het me net als u dat bij mij nooit is neergelegd dat er ook nog een alles-of-nietsbenadering in de huidige kinderopvangtoeslag zat. Wij hebben ons gefocust op wat er gebeurt als je keurig je dingen doet en je aan het begin van het jaar een verkeerde inschatting maakt. Even om een cijfervoorbeeldje te geven. Als je als ouder een halfuur per dag bij gemiddeld gebruik mis zit -- een halfuur is niet veel -- kan dat aan het eind van het jaar al oplopen tot een verschil van €1.200. Naarmate het inkomen lager is, is de kinderopvangtoeslag hoger, dus elk verschilletje in inschatting is dan ook hoger. Voor die mensen is het het allermoeilijkst om dat terug te betalen. Zelfs als je
32
Hiermee wordt gedoeld op het volledig terugvorderen van de verstrekte kinderopvangtoeslag.
pagina 55/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
gewoon helemaal aan alle criteria voldoet, kan je met een hoge terugvordering geconfronteerd worden en dat was bij 15% van de ouders het geval. Tijdens het algemeen overleg van 24 september 2014 wijst Kamerlid Siderius (SP) minister Asscher erop dat de ontwikkeling van een nieuw financieringsstelsel geen oplossing biedt voor de ouders die op dat moment al te maken hebben met grote terugvorderingen en vraagt de minister wat hij eraan doet om de problemen voor deze ouders op korte termijn op te lossen. Minister Asscher verwijst hiervoor naar de Staatssecretaris van Financiën, die bezig is problemen in de uitvoering op te lossen. Een motie van Siderius33 om een onafhankelijke instantie hiernaar onderzoek te laten doen, wordt niet aangenomen. Bij de heroriëntatie op directe financiering in september 2016 wordt de omvang duidelijker: door de terugvordering van kinderopvangtoeslag hebben op dat moment 20.000 ouders een problematische schuld die niet meer op een normale wijze kan worden afgelost. De heer Asscher bevestigt dat zowel in 2014 als later in de ontwikkeling van directe financiering niet goed wordt gekeken naar deze groep ouders: De heer Van Wijngaarden: Wat hadden die mensen, die groep die u zelf signaleerde, wat had die dan aan het stelsel waaraan u aan het werken was? De heer Asscher: De mensen die daar al last van hadden, hadden daar niks aan.
Het ging meer om het voorkomen van dit soort problemen. De heer Van Wijngaarden: Maar u signaleerde wel dat die groep er was, maar u was tegelijkertijd bezig met het werken aan een oplossing of aan een nieuw stelsel, waarvan u nu ook zegt: dat was voor hen eigenlijk geen oplossing, dat nieuwe stelsel. Vond u dan niet dat u op dat moment meer moest doen dan alleen een nieuw stelsel maken? De heer Asscher: Ik dacht niet dat er mogelijkheden waren om binnen het stelsel iets hiervoor te doen, omdat ik veel meer het oog had op de terechte terugvorderingen dan op het fenomeen dat uw commissie onderzoekt. Maar u heeft gelijk. Ik had me natuurlijk moeten verdiepen in: kan je nu niet iets voor deze acute groep doen? Dus ik was misschien te veel bezig inderdaad met de oplossing van het hele probleem in plaats van met deze mensen. Klopt. Directeur-generaal Boereboom stelt dat er toen eigenlijk gekozen had moeten worden voor een tweesporenbeleid, waarmee ook de ouders die toen al in de problemen zaten zouden kunnen worden geholpen: De heer Van Aalst: Ik snap uw verhaal. U zegt: er moet een wetswijziging komen voor de oplossing van alleen het terugvorderen van de eigen bijdrage, eventueel met een boete. Maar een wetswijziging, daar gaat heel veel tijd overheen en we hebben nu een direct probleem.
Als u daarnaar kijkt, hoe ziet u die twee in verband met elkaar? Zag u nog andere oplossingen voor de korte termijn? De heer Boereboom: Nee, toen niet. Als u mij nu vraagt waar we nu staan in 2020, had ik wellicht een andere afweging kunnen en misschien ook moeten maken. Maar ik heb die naar eer en geweten gemaakt. Wij hadden een heel ambitieus plan om in 2018 aanvankelijk van die hele kinderopvangtoeslag af te zijn. Als ik zie dat we nu in 2020, bijna in 2021 leven, dan denk ik, alles afwegende met de kennis van nu, het verstandig was geweest om misschien wel wat je dan noemt een
33
Kamerstuk II 2014/15, 31 322, nr. 256.
pagina 56/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
tweesporenbeleid te hanteren. Je wil af van de kinderopvangtoeslag, maar tegelijkertijd had je misschien met noodwetgeving moeten komen om de scherpe randjes van de toenmalige kinderopvang…
Proportioneel terugvorderen n.a.v. De Parel, periode 2014-2016 In de zomer van 2014 krijgt het MT toeslagen signalen van de werkvloer over de hoge terugvorderingen wanneer een deel van de eigen bijdrage niet is betaald. Op 2 september 2014 besluit het MT toeslagen dat in voorkomende gevallen er sprake kan zijn van een evenredige toekenning. De voormalig directeur Toeslagen Blankestijn zegt in zijn openbaar verhoor dat hij dit besluit aan zijn directeur-generaal Belastingdienst Veld heeft gemeld. Op 12 november 2014 vindt een gesprek plaats tussen de directeuren-generaal Werk (SZW) en Belastingdienst. In een voorbereidend memo van SZW staat: “Volgens de Belastingdienst is de eigen bijdrage (te) knellend voor de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. SZW staat op het standpunt dat een inkomensafhankelijke eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang past in het belang dat gehecht wordt aan kwalitatief goede kinderopvang; kinderopvang is niet gratis.” Een voorbeeld hiervan wordt ook genoemd: “Bij de definitieve vaststelling van de toeslag blijkt dat ouders de eigen bijdrage niet betaald hebben. De Belastingdienst ziet zich genoodzaakt de gehele toeslag (vele tienduizenden euro's) terug te vorderen.
Alleen het terugvorderen van de niet betaalde eigen bijdrage (+ eventueel een boete) is volgens de Belastingdienst op basis van jurisprudentie niet mogelijk.” Ook fraude is een van de geagendeerde onderwerpen voor het overleg. Directeur-generaal Veld legt op 20 november 2014 een notitie voor aan staatssecretaris van Financiën Wiebes over de zaak De Parel. Als aanleiding hiertoe wordt een gesprek eind september tussen directeur-generaal Veld en een delegatie van de gemeente Capelle a/d IJssel genoemd. In de notitie is opgenomen dat de Belastingdienst/toeslagen heeft besloten om definitief toegekende toeslagen tot en met 2012 niet nader te onderzoeken. “Deze afweging kan mogelijk tot politieke en maatschappelijke discussie leiden over de vraag waarom niet in alle gevallen waar dat mogelijk was, is teruggevorderd. Er zullen nog wel forse terugvorderingen volgen over toeslagjaar 2013, 2012 en 2011 in de gevallen waar de definitieve toekenning nog moet plaatsvinden”. Tijdens het openbaar verhoor zegt staatssecretaris Wiebes hierover: De heer Wiebes: […] in de nota die ik eind 2014 kreeg en waarin ik gewaarschuwd werd voor wat ik las als "we zijn een beetje te soft; let op, dit is politiek gevoelig", stond in de toelichting wel dat men met het ministerie van SZW in gesprek was over een meer proportioneel systeem.
In de notitie staat verder: “Vanuit DGBel en BT is bij SZW inmiddels meerdere malen aangegeven dat de regels met betrekking tot het terugvorderen van de gehele toeslag wanneer de eigen bijdrage niet is betaald, tot grote financiële problemen kunnen leiden bij ouders.” Staatssecretaris Wiebes schrijft in de kantlijn: “Als minder ingewijde vraag je je af waarom het hele bedrag wordt teruggevorderd i.p.v. het bedrag van de noodzakelijk geachte eigen bijdrage.” In het openbaar verhoor zegt de heer Wiebes dat het voorstel voor proportioneel terugvorderen van december 2014 een uitwerking is van deze opmerking. Op 21 november 2014 vindt de expertmeeting plaats met ambtenaren van SZW en de Belastingdienst over de eigen bijdrage. Op 5 december 2014 wordt bij SZW verslag
pagina 57/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
gedaan van de expertmeeting in een rapportage ministersstaf. De Belastingdienst heeft gepleit voor het aanpassen van de ‘alles-of-niets’ benadering bij de eigen bijdrage, vanwege proportionaliteit en onwetendheid bij burgers. “Deze en andere argumentaties worden de komende tijd getoetst op effectiviteit, houdbaarheid en noodzakelijkheid. Gestreefd wordt u nog voor het kerstreces te informeren over de diverse oplossingsrichtingen.” Op 11 december 2014 ontvangt staatssecretaris Wiebes opnieuw een notitie over De Parel. De staatssecretaris wordt met de notitie geïnformeerd over een ambtelijk traject met het ministerie van SZW en een voorstel voor aanpassing van de wetgeving dat de Belastingdienst heeft verstuurd aan het ministerie van SZW. “Door de Belastingdienst wordt voorgesteld om in situaties waar de eigen bijdrage niet is betaald (uitgezonderd fraudegevallen) de Kinderopvangtoeslag vast te stellen aan de hand van de daadwerkelijk betaalde kosten. Dit zal leiden tot een terug te vorderen bedrag bij de ouder waardoor er de facto alsnog sprake is van een eigen bijdrage.” En “Ambtelijk SZW wil het voorstel aan de minister meegeven in de kersttas.” Ook wordt het verzoek gedaan aan staatssecretaris Wiebes om te bellen met minister Asscher als SZW besluit de huidige regels met betrekking tot de eigen bijdrage te handhaven. Hier stemt de staatssecretaris mee in.
In een rapportage voor de ministerstafvergadering op SZW van 8 december 2014 wordt minister Asscher geïnformeerd over de zorgen van de Belastingdienst over de eigen bijdrage en hun argumentatie om wet- en regelgeving hierop aan te passen. Hierbij wordt vermeld dat ernaar wordt gestreefd de minister nog voor het kerstreces te informeren over de diverse oplossingsrichtingen en dat nog wordt getoetst op effectiviteit, houdbaarheid en noodzakelijkheid. Minister Asscher denkt dat het toen niet besproken is, omdat verwezen wordt naar een later tijdstip. Het voorstel van Financiën wordt door ambtelijk SZW niet meegegeven in de kersttas van minister Asscher. Op 30 januari 2015 vindt ambtelijk overleg plaats tussen het ministerie van Financiën en het ministerie van SZW. Tijdens het overleg maakt de directeur kinderopvang Flier duidelijk dat SZW niet voornemens is de wetgeving aan te passen. In het openbaar verhoor verklaart de heer Asscher dat een dergelijk voorstel van het ministerie van Financiën nooit door ambtelijk SZW aan hem is voorgelegd noch dat hem ooit voorstellen hebben bereikt om de wetgeving aan te passen.
De heer Van Wijngaarden: Heeft u in uw termijn als minister serieus overwogen om de alles-of-nietsbenadering los te laten en proportioneel te gaan vaststellen en terugvorderen? De heer Asscher: Nee.[…] Omdat ik dat nooit als een route voorgelegd heb gekregen ter beoordeling. […] Vanuit de Kamer werd soms gevraagd: waarom gebeurt dat niet? En dan zie je mij uitleggen hoe de wet werkt.[…] Ja, maar er werd niet gevraagd: moet die wet dan niet veranderen? Het was meer: waarom werkt dat zo? Toen heb ik uitgelegd: dit is de interpretatie van de Belastingdienst op basis van onze gecombineerde wetgeving, zoals de jurisprudentie dit ook staande houdt. In het MT Fraudebestrijding van begin februari 2015 wordt dit ook gemeld, waardoor ook directeur-generaal Veld hiervan op de hoogte is. Staatssecretaris Wiebes wordt hiervan echter niet op de hoogte gebracht en belt dan ook niet met minister Asscher over het voorstel.
pagina 58/132
Ongekend onrecht | Tweede Kamer der Staten-Generaal
De heer Wiebes: Nou, de logica zit helaas nog wranger in elkaar, want mijn belofte was om te bellen, zodra ik zou horen dat hij er eventueel niet mee akkoord ging. En dat signaal is nooit meer gekomen. Maar nogmaals, soms denk je achteraf: had ik maar gewoon een hele schaduwadministratie bijgehouden van alle beloftes en alle toezeggingen en alle dingen die lopen. Maar dat is als bewindspersoon ondoenlijk. Maar het is duidelijk: er is niet meer het signaal gekomen dat Lodewijk ... dat Asscher hier niet mee akkoord zou zijn gegaan. Maar het was fantastisch geweest als ik mij dit had herinnerd en na een tijd had gedacht: hoe staat het hiermee? Moet ik niet Asscher bellen? Maar ik heb erop vertrouwd dat de organisatie mij dat terug zou melden en dat ik dan het signaal zou krijgen: je moet nu bellen. Het MT toeslagen besluit begin februari 2015 het besluit tot evenredige toekenning te handhaven, omdat SZW geen aanpassingen in de wetgeving wil. Het is onduidelijk wat met dit MT-besluit is gebeurd. Aan minister Asscher wordt in juli 2015 in een ambtelijk stuk gemeld dat de mogelijkheid om in voorkomende gevallen terugvorderingen te kunnen matigen geen prioriteit meer heeft voor staatssecretaris Wiebes. Het is onduidelijk waarop deze zinsnede is gebaseerd.
Voormalig directeur-generaal Belastingdienst Veld verklaart hierover: De heer Van Wijngaarden: We lezen in een ambtelijk stuk voor de minister van Sociale Zaken van juli 2015 dat het proportioneel terugvorderen geen prioriteit meer is voor de staatssecretaris van Financiën, uw staatssecretaris dus, zullen we maar zeggen. Is dat ook uw beeld? De heer Veld: Nee, daar kan ik me niets bij voorstellen.[...] Ik heb dat in ieder geval nooit gehoord. Ik heb het zelf niet gevonden, maar ik heb het ook nooit van de staatssecretaris gehoord. Dus waarop dat gebaseerd is? Misschien een interpretatie van het feit dat inmiddels de definitieve toeslagbrieven voor De Parel de deur uit waren, dat het in die zin gepasseerd was. Maar in mijn herinnering was er op geen enkele wijze een soort wilsverandering, dat we bij Financiën hebben gedacht: nou ja, bij nader inzien vinden we het eigenlijk toch goed zo. In januari 2016 wordt aan staatssecretaris Wiebes een stuk voorgelegd dat naar de Tweede Kamer moet. Op dit document schrijft hij “zou materie graag nog eens aan tafel doornemen” en “Ik weet dat het niet conform de wet is, maar ik blijf het redelijk vinden om alleen de eigen bijdrage te innen”. Tijdens het openbaar verhoor verklaart hij hierover dat hij argwaan had gekregen en het team dat de zaak behandelde aan tafel heeft geroepen.
De heer Wiebes: In mijn herinnering is er op een gegeven moment weer iets gekomen over De Parel waarin weer sprake was van die terugvorderingen. Toen heb ik op dat stuk gezet: graag aan mijn tafel doornemen. Dat was een situatie waarin ik argwaan had gekregen door signalen die ik gewoon buiten de dienst om had gekregen van, in alle eerlijkheid, Kamerleden -- er zijn allerlei Kamerleden die mij in die zin hebben bediend omdat ze dingen hoorden waarvan ze dachten dat ik het niet wist -- dan wel organisaties of media daar buitenom. Ik had een zekere argwaan of dit er nou wel goed aan toe ging. Toen heb ik gevraagd om een ambtelijke sessie over De Parel. Nadat ik verschillende keren had moeten beloven dat we niet op specifieke gevallen en specifieke belastingplichtigen zouden ingaan, werd er een vorm gevonden om, zonder mij in te lichten over specifieke belastingplichtigen, te vertellen over wat er met De Parel aan de hand was. Daarmee was toen, achteraf bezien eigenlijk onterecht […] mijn argwaan weer verdwenen, want van de mensen die met de casus bezig waren kreeg ik aan mijn tafel een stuitende stroom van