CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.0917.BP040100W000011-0401_Toelichting.pdf

Raadsvergadering . (video) 23 februari 2022, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan BMV Heerlerbaan33.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Afbeelding - impressie nieuwe BMV

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

51

Afbeelding - situatietekening nieuwe BMV

Afbeelding - Terreinindeling nieuwe BMV

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

52

Afbeelding - impressie nieuwe BMV vogelvlucht

Afbeelding - impressie nieuwe BMV en schoolplein

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

53

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.

5.1

Milieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het bestemmingsplan: kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer-(beoordelings)plichtig zijn. De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang mer- of mer-beoordelingsplichtig. Deze mer-(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. De drempelwaarden zijn opgenomen in de C- en D-lijst bij het Besluit mer; mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op Natura2000-gebieden (in dat geval is een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk). Doel van een planmer is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van (in dit geval) een bestemmingsplan. In het planmer dient te worden beoordeeld of de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt, kan leiden tot ongewenste effecten voor het milieu.

Waar relevant beschrijft het planmer maatregelen waarmee negatieve effecten kunnen worden beperkt of voorkomen (of positieve effecten kunnen worden versterkt). Vormvrije m.e.r. beoordeling In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2).

Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. De realisatie van de nieuwe BMV betreft het oprichten van een gebouw waarin reeds aanwezige maatschappelijke voorzieningen/functies zullen worden gehuisvest. Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 5.800 m2 en light hiermee onder

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

54

de drempelwaarden als genoemd in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Voor de volledigheid wordt wel getoetst of voor de het planologisch mogelijk maken en de realisatie van de nieuwe BMV Heerlerbaan een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Deze aanmeldnotitie is opgesteld en als Bijlage 3 toegevoegd. Hierin zijn de mogelijke nadelige milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling zijn beschreven Procedure en beoordelingscriteria De m.e.r. beoordeling hoort bij de ruimtelijke plannen (plan) en waarin de hiervoor genoemde activiteiten mogelijk worden gemaakt. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt dezelfde procedure als een formele m.e.r.-beoordeling: een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Conclusie Het voorliggend bestemmingsplan ontwikkeling zorgt, noch in de aanlegfase, noch in de gebruiksfase, tot zodanige belangrijke nadelige milieugevolgen dat een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen.

Bij besluit van PM DATUM 2021/2022 heeft het gemeentebestuur van Heerlen besloten dat voor het bestemmingsplan BMV Heerlerbaan geen milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen.

5.2

Akoestiek

De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. De normen uit de Wet geluidhinder hebben tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient dan ook rekening te worden gehouden met het aspect 'geluid'. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Binnen het plangebied zijn de geluidsaspecten industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai relevant.

5.2.1 Wegverkeerlawaai Ingevolge het bepaalde in de Wet geluidhinder heeft in beginsel iedere weg een geluidszone. Een dergelijke zone geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangewezen gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Wel dient hier in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd te worden. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai De toevoeging aan de BMV betreft de basisschool De Windwijzer (met circa 200 kinderen) en de sporthal. De ontwikkeling past niet geheel in het vigerende bestemmingsplan. In het kader van de bestemmingsplanprodcedure is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 4). Het plan is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Romeinenstraat, de Caumerweg, de Palestinastaat en de Jeruzalemstraat. Het doel van het onderzoek wegverkeerslawaai is het bepalen van de optredende geluidbelastingen vanwege deze wegen en het toetsen van

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

55

de berekende waarden aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Daarnaast is het doel om op basis van de gecumuleerde geluidbelastingen vanwege al het relevante wegverkeer, het toekomstige akoestisch leefklimaat te beoordelen, om daarmee te bepalen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij worden ook de nabijgelegen niet-geluidgezoneerde 30 km/u-wegen betrokken.

Gegevens Wegverkeerslawaai Door de gemeente Heerlen is een shapebestand aangeleverd met de wegverkeersgegevens voor het prognosejaar 2030 dat kan worden gehanteerd als uitgangspunt voor het maatgevend jaar in voorliggend onderzoek. Het betreffen verdelingen in licht, middelzwaar en zwaar verkeer, de verdeling over het etmaal (dag,- avond- en nachtperiode), de snelheden en de wegdektypes. Tevens is door de gemeente Heerlen aangegeven dat de verkeerstoename als gevolg van de nieuwe functies van het plan 217 mvt/etmaal bedraagt en is een overzicht aangeleverd van de verdeling van deze verkeersgeneratie over het netwerk in de omgeving van het plangebied.

Berekeningsresultaten In tabel 4-1 wordt voor enkele maatgevende rekenpunten de hoogste geluidbelasting als gevolg van de zoneplichtige Romeinenstraat, de Caumerweg, de Palestinastraat en de Jeruzalemstraat getoond inclusief aftrek conform art 110g Wgh.

Afbeeldi ng - Tabel 4-1 Berekeningsresultaten wegverkeer inclusief aftrek art. 110g Wgh

Uit deze tabel blijkt dat: de geluidbelasting als gevolg van de Romeinenstraat ten hoogste 29 dB Lden bedraagt inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. de geluidbelasting als gevolg van de Caumerweg bedraagt ten hoogste 26 dB Lden inclusief aftrek; de geluidbelasting als gevolg van de Palestinastraat bedraagt ten hoogste 15 dB Lden inclusief aftrek; de geluidbelasting als gevolg van de Jeruzalemstraat bedraagt ten hoogste 16 dB. Voor deze wegen is dus ook ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De Wet geluidhinder vormt daarmee geen belemmering voor het plan.

Geluidsbelasting in het kader van de ruimtelijke onderbouwing

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

56

Ten behoeve van de beoordeling van het akoestisch leefklimaat zijn tevens de gecumuleerde geluidbelastingen bepaald ten gevolge van alle relevante wegen in de nabijheid van het plangebied. De gecumuleerde geluidbelastingen als gevolg van wegverkeerslawaai variëren tussen 25 dB en 47 dB exclusief aftrek op basis van art. 110g Wgh. Op basis van deze geluidbelastingen is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.

Conclusie In het kader van de bestemmingsplanprodcedure is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het ontwikkeling van een Brede Maatschappelijke Voorziening Heerlerbaan. Het plan is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Romeinenstraat, de Caumerweg, de Palestinastaat en de Jeruzalemstraat. Op basis van de berekeningsresultaten kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting als gevolg van de zoneplichtige wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder vormt daarmee geen belemmering voor het plan. De gecumuleerde geluidbelastingen als gevolg van alle relevante wegen in de nabijheid van het plangebied variëren tussen 25 dB en 47 dB exclusief aftrek op basis van art. 110g Wgh. Op basis van deze geluidbelastingen is sprake van een goed akoestisch leefklimaat. Vanuit het aspect wegverkeerslawaai is er bijgevolg sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.2.2 Spoorweglawaai Artikel 4.1 Besluit geluidhinder bepaalt voor spoorweglawaai hetzelfde als artikel 76 Wet geluidhinder voor wegverkeerlawaai. Optie A Indien echter - zo bepaalt artikel 4.1, derde lid, Besluit geluidhinder - op het tijdstip van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een spoorweg reeds aanwezig of in aanleg is dan behoeven die waarden niet in acht te worden genomen voor in de zone van een spoorweg gelegen woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen, die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn. In zo'n situatie behoeft een akoestisch onderzoek naar de invloed van spoorweglawaai niet plaats te vinden. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de bouw van nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen binnen de geluidszone van een spoorweg. In zo'n situatie behoeft evenmin een akoestisch onderzoek naar de invloed van spoorweglawaai plaats te vinden.

5.2.3 Industrielawaai Op grond van de Wgh worden industrieterreinen waarop 'grote lawaaimakers' zijn gevestigd ruimtelijk gescheiden van woningen en andere geluidgevoelige objecten. Daarom moet voorzien zijn in een geluidszone – een gebied rondom het industrieterrein waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan (Art. 40 Wgh). Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een gezoneerd industrieterrein. Er hoeft zodoende in dit kader geen akoestisch onderzoek plaats te vinden.

5.2.4 Externe geluidhinder Er is onderzocht of er geen toename van optredende geluidbelastingen te verwachten is als gevolg van de toename van verkeer op de openbare weg (buiten de grens van de inrichting) door de ontwikkeling van de BMV. Uit dit onderzoek (zie Bijlage 9) is gebleken dat de toename van de geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe BMV ten hoogste 0,95 dB bedraagt. Er is geen wettelijk toetsingskader voorhanden. Er is daarom aansluiting gezocht bij het wettelijke toetsingskader in het geval van reconstructie conform de Wet geluidhinder. Daarbij wordt een toename van minder dan 2 dB gezien als een niet-significant en dus als een akoestisch aanvaardbare toename. De berekende toename in voorliggende situatie bedraagt minder dan 1 dB en is dus op basis

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

57

van bovenstaande redenatie als niet-significant te benoemen. Tenslotte zijn de geluidbelastingen als gevolg van stemgeluid van spelende kinderen bepaald ter hoogte van de gevel van omliggende bestaande woningen. De berekende geluidbelastingen voldoen aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau conform stap 2 uit de VNG-publicatie. Geconcludeerd wordt dat ook ten aanzien van deze bronnen ter plaatse van bestaande woningen sprake zal zijn van een akoestisch goed woon- en leefklimaat.

5.2.5 Conclusie Gelet op het bovenstaande voldoet het plan aan de gesteld voorwaarden voor het aspect geluid en kan een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het vooliggend bestemmingsplan.

5.3

Water

In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat.

5.3.1 5.3.1.1

Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede kwaliteit te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatie gebonden maatregelen. 5.3.1.2

Waterwet

De Waterwet (22 december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wet is overgegaan naar de Waterwet. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Dit brengt met zich mee dat de perceeleigenaar verantwoordelijk is voor de ontwatering en afwatering van zijn eigen perceel. Alleen in uitzonderingsgevallen kan hemelwater geloosd worden op het openbaar riool.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

58

5.3.1.3

Wet ruimtelijke ordening en watertoets

De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden besproken met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.

5.3.2 5.3.2.1

Regionaal en gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021

Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Dit gaat over: Hoogwaterbescherming in de Maasvallei Aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in verband met klimaatverandering Behoud en herstel van beken en waterrijke natuurgebieden en verbetering van hun waterkwaliteit Drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer. Provinciale Staten hebben het beleid vastgesteld. Waterschap Limburg, gemeenten en derden voeren het uit. Een belangrijk onderdeel van het Provinciaal Waterplan is de alliantie tussen Provincie en Waterschap Limburg. In de planperiode 2016-2021 investeren Waterschap Limburg, gemeenten, de Rijksoverheid, de Europese Unie en de Provincie gezamenlijk 580 miljoen euro in het Limburgse water. De Provincie draagt hier aan 24 miljoen euro bij. Met het Provinciaal Waterplan wordt niet alleen voldaan aan de eisen die Europa stelt in de Kaderrichtlijn Water en de Rijksoverheid in de Waterwet en het Deltaprogramma. Het Provinciaal Waterplan vormt samen met het van de Rijksoverheid en het Waterbeheersplan Limburg 2016-2021 van Waterschap Limburg een onderdeel van het tweede Stroomgebiedbeheerplan Maas 2016-2021. Provinciale Staten hebben het beleid vastgesteld. Waterschap Limburg, gemeenten en derden voeren het uit.

De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels. 5.3.2.2

Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Limburg

Per 1 januari 2017 zijn de waterschappen Roer en Overmaas en Peel en Maasvallei gefuseerd tot het nieuwe Waterschap Limburg. Vooruitlopend op deze fusie hebben de waterschappen Roer en Overmaas en Peel en Maasvallei gezamenlijk het Waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Het Waterbeheerplan 2016-2021 is een integraal beleids- en uitvoeringsplan van Waterschap Limburg. Het bevat de beleidsvoornemens voor de periode 2016 tot en met 2021. Daarnaast wordt een globale doorkijk geboden naar de verdere toekomst Zo wordt de koers uitgezet voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg waarbij nadrukkelijk de gevolgen van de klimaatverandering en de ontwikkeling in de maatschappij worden betrokken. In het Waterbeheerplan 2016-2021 is beschreven hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen, welke thema's hierbij spelen, welke maatregelen het waterschap gaat uitvoeren, wie hun partners daarin zijn en hoe het waterschap dit monitort en bijstuurt. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van d Ook staat beschreven welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

59

dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het optimaliseren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. 5.3.2.3

Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019

In de Keur is een nieuwe bergingsnorm opgenomen van 80 mm voor rechtstreekse lozingen op oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat de bergingsnorm bij nieuwe verharding (rechtstreeks lozend op oppervlaktewater) bindend is. Bij bestaande verharding wordt de norm als richtlijn gebruikt. Hierbij is het streven om zoveel mogelijk naar de nieuwe norm toe te groeien. Uitgangspunt gemeente blijft bergingseis T=25 (35 mm in 45 minuten) en doorkijk naar T=100 (45 mm in 30 minuten).

5.3.3

Gemeentelijk beleid

5.3.3.1

Integraal Waterplan

Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Al sinds 2011 wordt in de regio Parkstad met onze waterpartners samengewerkt aan het verbeteren van de waterketen (riolering en afvalwaterzuivering) en het watersysteem (beken). Het Integraal Waterplan is het eerste gezamenlijke visiedocument. In het plan is de regionale ambitie en visie beschreven van de samenwerkingsregio Parkstad. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendige stad", "Gezond, schoon en voldoende water", "Werken aan waterbewustzijn", "Anticiperen op de Omgevingswet" en "Samenwerken inde waterketen". 5.3.3.2

Watertakenplan 2020-2024

In het plan is de gemeentelijke wateropgave voor de middellange termijn omschreven. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendig Heerlen", "Anticiperen op de Omgevingswet", "Samenwerken in de waterketen", "Meten, data en rekenen", "Beheer op maat" en "Werken aan waterbewustzijn". Door het opnemen van een uitvoeringsprogramma en een kostendekkingsplan wordt de komende jaren invulling gegeven aan de speerpunten.

5.3.4 Plangebied Conform de regels van het waterschap Limburg dient een wateradvies gevraagd worden bij alle Voor het plan is een Waterparagraaf opgesteld. De waterparagraaf is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Het plangebied heeft de volgende oppervlakken: 1.830 m2 bebouwd oppervlak van een standaard plat dak (afvloeiingsfactor van 0,8); 395 m2 vegetatiedak met een afvloeiingsfactor van 0,2; 1.215 m2 (betrekkelijk) open verharding (afvloeiingsfactor van 0,8). Uitgaande van de gemeentelijke richtlijn (3,5 m3 per 100 m2 bebouwd/verhard) dient binnen het plan te worden voorzien in 120 m3 (3.440 m2) opvangcapaciteit. In grote lijnen zijn er verschillende oplossingen, te weten: Infiltratiekratten die onder bestrating worden aangelegd Oppervlakkige voorzieningen zoals een wadi/vijver en/of een greppel Verticale grindpalen door de lössleemlaag Infiltratieriolen. Dit zijn rioolbuizen die aan de onderzijde openingen hebben van waaruit hemelwater in de bodem infiltreert. Het realiseren van de benodigde waterberging is in dit plan haalbaar maar vereist wel de nodige inpassen in het plan. Dat is een stedenbouwkundige opgave. De voorkeur gaat uit naar afvoer van hemelwater naar de bodem. Daarmee kan droogte in andere jaargetijden worden beperkt. Conclusie

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

60

Bij de verdere uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met de realisatie van voldoende opvangcapaciteit voor (hemel)water. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.

5.4

Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegd gezag op basis van de Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie(s).

Algemeen Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.

5.4.1

Beleidskader

5.4.1

Beleidskader

5.4.1.1

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de bodem te beschermen. De Wbb maakt duidelijk dat grondwater een onderdeel van de bodem is. Daarnaast worden de sanering van verontreinigde bodem en grondwater door middel van de Wbb geregeld. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. 5.4.1.2

Besluit bodemkwaliteit

Het landelijke Besluit bodemkwaliteit (Bbk) heeft als doel duurzaam bodembeheer. Het Bbk geeft regels voor de toepassing van grond en baggerspecie. Hiermee wordt gewaarborgd dat de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater als gevolg van de toepassing voldoende wordt beschermd.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

61

5.4.2 5.4.2.1

Gemeentelijk beleid Bodembeleidsplan

Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van een brede maatschappelijke voorziening en omliggende voorzieningen mogelijk gemaakt, maar blijft de bestaande bestemming 'Maatschappelijk' vigerend. In 2020 is een vooronderzoek bodem uitgevoerd dat nader wordt besproken in paragraaf 5.4.3. 5.4.2.2

Nota bodembeheer

Het landelijke Besluit bodemkwaliteit (Bbk) heeft als doel duurzaam bodembeheer. De gemeentelijke Nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. Op 28 september 2016 is de Nota bodembeheer met daarin opgenomen de Bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen vastgesteld. Heerlen heeft gekozen voor een zogenaamd gebiedsspecifiek beleid. Op basis van dit beleid zijn lokale maximale waarden opgesteld. De gemiddelde kwaliteit van de bodem is ingedeeld in drie algemene categorieën te weten: industrie, wonen en achtergrondwaarde. Voor gebieden waar lokale maximale waarden zijn opgesteld gelden de waarden uit de algemene categorieën niet meer.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

62

Homogene deelgebiedenkaart Het plangebied is gelegen in deelgebied Woonwijken.

5.4.3 Plangebied Onderzoeken Ter plaatse is/zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: - Vooronderzoek Bodem, 7 september 2020, Bijlage 6. Uit dit uitgevoerd vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat: Asbest Op grond van het vooronderzoek kan de navolgende hypothese worden gesteld: De onderzoekslocatie kan met betrekking tot asbest als een verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld beschouwd worden i.v.m. de geplande sloop van de gebouwen binnen de begrenzing op de locatie. Ten aanzien van de hypothese asbestverdacht dient een verkennend onderzoek conform de NEN-5707 (inclusief maaiveld-inspectie asbest) verricht te worden. Bodem Op grond van het vooronderzoek kan de navolgende hypothese worden gesteld: De onderzoekslocatie kan als een onverdacht terrein beschouwd worden. Conform NEN5740 wordt derhalve de volgende hypothese vastgesteld: ONV-NL Er is geen freatisch grondwater te verwachten binnen 5,0 m-mv. Derhalve kan afgezien worden van het plaatsen van een peilbuis. Onderzoeksvoorstel voor verkennend bodemonderzoek Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van een indicatie of de grond en/of het ondiepe grondwater ter plaatse zijn verontreinigd.

Door sloop van gebouwen kan de bodem fysisch en chemisch verontreinigd raken, daarom wordt geadviseerd om het chemisch bodemonderzoek pas te laten uitvoeren nadat de sloop heeft plaatsgevonden. De sloop van de aanwezige bebouwing zal pas in maart 2022 plaatsvinden. Daarna kan pas een volledig bodemonderzoek worden uitgevoerd. In de omgevingsvergunning voor de realisatie van de BMV en daarbij behorende bouwwerken kunnen voorwaarden worden opgenomen waarin wordt gesteld dat een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd na de sloop van de aanwezige bebouwing. Als het bodemonderzoek is uitgevoerd voor de sloop, zal na de sloop altijd een aanvullende maaiveldinspectie asbest nodig zijn conform BRL 2000 protocol 2018. De resultaten van deze maaiveldinspectie kunnen er toe leiden dat verder onderzoek naar asbest conform de NEN-5707 / 5897 noodzakelijk is. Conclusie Voor wat betreft het aspect bodem zijn er nu geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

63

5.5

Natuurwaarden

5.5.1 Natura 2000 De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen. Dit doet zij door gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en/of diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Natuurbeschermingswet. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

5.5.2 Wet natuurbescherming (Wnb) Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De nadruk komt te liggen op het samenspel tussen provincies en gemeenten. Provincies bepalen wat voor hun gebied wel en niet mag in de natuur. De provincie Limburg heeft dit opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014, hoofdstuk 3. Er gelden drie vergunningen voor activiteiten in of met een effect op een Natura 2000-gebied: als er sprake is van effect op stikstof, geluid, licht en grondwater (Vergunning gebiedsbescherming); als er sprake is van effect op beschermde dieren en planten (Vergunning soortenbescherming); bij het kappen van bomen en struiken (Vergunning houtopstanden). 5.5.3 Plangebied In het gebied tussen de Corisbergweg en de Vullingsweg ontwikkelt de gemeente Heerlen een Brede Maatschappelijke Voorziening Heerlerbaan. Twee scholen worden samengebracht en daarnaast wordt voorzien in een peuteropvang, kinderdagverblijf en BSO, een bibliotheek, een welzijnsorganisatie, een huisartsenpraktijk en een sportzaal. Het gebouw wordt (net zoals in de huidige situatie) aangehecht aan het huidige gemeenschapshuis De Caumerbron. De meeste functies zijn in de huidige situatie reeds aanwezig binnen het plangebied en worden samengevoegd.

De toevoeging van de BMV betreft de basisschool De Windwijzer (met circa 200 kinderen) en de sporthal. Voorafgaand aan de realisatie van de nieuwe BMV wordt het huidig schoolgebouw gesloopt. De sloop van de bibliotheek/huisartsenpraktijk zal plaatsvinden na de realisatie van de nieuwbouw.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

64

5.5.4

5.5.4.1

Beschermde gebieden

Stikstofdepositie

Per 1 juli 2021 is de nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Hiermee wordt de Wet natuurbescherming gewijzigd en wordt een vrijstelling van de vergunningplicht voor de bouwsector opgenomen in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming. Deze vrijstelling geldt voor alle projecten die in de gebruiksfase geen tot weinig stikstofemissie veroorzaken en heeft betrekking op de bouw- en aanlegfase van projecten inclusief de daarmee gepaard gaande vervoersbewegingen. Wel bestaat er een verplichting om de emissie van stikstof te beperken voor bouw- en sloopwerkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning of melding noodzakelijk is. Hiermee wordt beoogd dat machines en andere processen (eerder) worden vervangen door alternatieven met een lagere uitstoot. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is onderzocht of de sloop en bouw en/of het gebruik van de nieuwe BMV zouden kunnen leiden tot een relevante toename van stikstofdepositie in nabij gelegen Natura 2000-gebieden (Bijlage 7).

Kleine, tijdelijke deposities In de aanleg- of bouwfase van een project wordt materieel ingezet dat slechts tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. In de Handreiking Voortoets Stikstof1, gepubliceerd door BIJ12, d.d. februari 2021 is aangegeven dat kleine, tijdelijke depositietoenames als gevolg van bouwwerkzaamheden niet leiden tot significante effecten voor Natura 2000-gebieden. Als uitgangspunt wordt daarbij gehanteerd dat een project met alléén kleine, tijdelijke deposities in de aanleg- of bouwfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie. In beginsel geldt deze lijn voor alle vormen van tijdelijke emissies in de aanlegfase, in de praktijk zal dit met name mobiele werktuigen en de aan-/afvoer van materiaal en materieel betreffen. Indien de stikstofdepositie in de aanlegfase groter is dan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) óf er is sprake van een depositiebijdrage in de gebruiksfase op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied, dan kan wel sprake zijn van een vergunningplicht op het gebied van stikstof.

Bovengenoemde redeneerlijn wordt ook door de Provincie Limburg onderschreven en is in lijn met de vrijstelling van vergunningplicht ten aanzien van de aanlegfase zoals deze is voorzien in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, die per 1 juli 2021 in werking is getreden. Relevante Natura 2000-Gebieden In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse relevante Natura 2000-gebieden: Geleenbeekdal op circa 1,2 km Kunderberg op circa 2,7 km; Brunssummerheide op circa 4,5 km.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

65

Afbeelding - Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (Bron: Aerius) Stikstofemissie sloop- en bouwfase De sloop en bouw van de nieuwe BMV zal leiden tot een tijdelijke stikstofemissie als gevolg van: brandstofverbranding door mobiele werktuigen op de bouwplaats; brandstofverbranding door transport voor aan- en afvoer van materiaal, materieel en personeel. Voor de sloop- en bouwfase is bepaald dat een emissie als gevolg van deze fase van maximaal 436 kg NOx op jaarbasis geen depositieresultaten oplevert boven 0,05 mol/ha/jaar en dus niet leidt tot significante effecten. Om tot deze maximale emissie te komen is in de berekeningen uitgegaan van: Een emissie op de bouwplaats van circa 405 kg NOx op jaarbasis. Dit is vergelijkbaar met de verbranding van 15.900 liter brandstof door bouwmachines met STAGE klasse IIIa motoren en 15.900 liter brandstof door bouwmachines met STAGE IV motoren, dergelijke machines kunnen hiermee circa 2.120 uur per jaar worden gebruikt. Daarnaast is rekening gehouden met 636 uur stationair draaien; Een emissie van circa 31 kg NOx op jaarbasis als gevolg van het bouwverkeer: hierbij is worstcase uitgegaan van 2.000 personenwagens of bestelwagens die per jaar naar de bouwlocatie kunnen komen (365 dagen per jaar) en 4.000 vrachtwagens die per jaar naar de bouwlocatie kunnen komen (365 dagen per jaar).

Zowel de heen- als terug beweging is hierbij in rekening gebracht. Op basis van onze ervaring in soortgelijke projecten wordt geoordeeld dat het bouwplan uitvoerbaar zal zijn binnen de hierboven genoemde maximale emissie en bijbehorende uitgangspunten. Indien de sloop- en bouwfase beperkt kan blijven tot maximaal 1 jaar, dan kunnen zelfs nog meer mobiele werktuigen en transporten worden ingezet zonder dat dit leidt tot significante effecten (omdat bij een tijdelijke toename van maximaal 1 jaar de

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

66

drempelwaarde 0,1 mol/ha/jaar bedraagt).

Stikstofemissie gebruiksfase Het uitgangspunt voor de nieuwe BMV is dat deze volledig 'gasloos' wordt, zodat deze in de toekomst geen emissie van NOx veroorzaakt als gevolg van gebouwverwarming of bereiding warm tapwater. De enige relevante bron van stikstofemissie is de verkeersgeneratie als gevolg van het plan. Door de gemeente Heerlen is aangegeven dat de verkeerstoename als gevolg van de nieuwe functies van het plan 217 mvt/etmaal bedraagt en is een overzicht aangeleverd van de verdeling van deze verkeersgeneratie over het netwerk in de omgeving van het plangebied. Voor de gebruiksfase van BMV Heerlerbaan in Heerlen is berekend dat de stikstofemissie als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op relevante nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat het mogelijk is de emissie van stikstof tijdens de aanlegfase relevant te beperken door toepassing van zoveel mogelijk schoon materieel. Aangezien er geen toename van de depositie wordt berekend als gevolg van de gebruiksfase, kan in dat geval gebruikt gemaakt worden van de vrijstelling voor de aanlegfase en vormt het aspect stikstofdepositie verder geen belemmering voor het project.

Gevoeligheidsanalyse Tevens is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd ten aanzien van de gebruiksfase. Geconcludeerd is dat zelfs indien de verkeersaantrekkende werking verdubbeld zou worden dat dan alsnog geen toename van stikstofdepositie wordt berekend.

Conclusie Voor de realisatie van de nieuwe BMV in Heerlen is geconcludeerd dat noch de sloop-/bouwfase noch de gebruiksfase van het plan leidt tot significant negatieve effecten in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Voor de sloop- en bouwfase is geoordeeld dat een realistisch bouwproces in geen geval zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar. Voor de gebruiksfase is daarnaast geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten als gevolg van stikstofdepositie zijn daarmee op voorhand uitgesloten. De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast. De Wet natuurbescherming vormt vanuit het aspect stikstofdepositie dus ook geen belemmering voor het plan. 5.5.4.2

Beschermde gebieden

Het plangebied zelf vormt geen onderdeel van een Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden bevinden zich aan de zuidwestzijde van Heerlen, het Geleenbeekdal en de Kunderberg. Het Geleenbeekdal bevindt zich hemelsbreed het dichts nabij het plangebied, namelijk op iets meer dan 1 kilometer afstand. In de Provincie Limburg is het Natuurnetwerk Nederland opgedeeld in zogenaamde Goud-, Zilver- en Bronsgroene Zones. Waarbij Goudgroen het meest waardevol is en de andere twee minder. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van deze zones.

5.5.5 Beschermde soorten De gemeente is voornemens een Brede Maatschappelijke Voorziening 'Heerlerbaan' te ontwikkelen. De ontwikkeling past niet in het vigerende bestemmingsplan en hiertoe is het nodig een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. In opdracht van gemeente Heerlen is een quickscan ecologie uitgevoerd voor het plangebied gelegen tussen de Corisbergweg en de Vullingsweg. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) met betrekking tot soortbescherming en

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

67

gebiedsbescherming (inclusief Natuurnetwerk Nederland, hierna NNN en Natura 2000). De quickscan bestaat uit een eenmalig veldbezoek in combinatie met een bureaustudie en is als(Bijlage 8) bij de toelichting opgenomen. Hieronder zijn de effecten op de verwachte natuurwaarden opgenomen op basis van de planontwikkeling. De effectenbeoordeling richt zich op de wijziging in bestemming. Een effectenbeoordeling op uitvoeringsniveau is in dit stadium van de planvorming nog niet mogelijk. Vogelrichtlijnsoorten 1. Algemene broedvogels: Er kan een mogelijk aantasting van verblijfplaatsen plaatsvinden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. 2. Vogels met een jaar rond beschermde nestplaats: Het plangebied vormt voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest geen broedgebied of essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving van soorten die broeden in de nabijheid. Habitatrichtlijnsoorten 1. Vleermuizen Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er alleen raakvlakken met het voorkomen van gewone- en ruige dwergvleermuis, in het geval vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing. Onderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen is nodig om de aanwezigheid aan te tonen, dan wel uit te kunnen sluiten.

In het geval verblijfplaatsen aanwezig zijn, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. 2. Vrijgestelde Nationaal beschermde soorten Er zijn een aantal verblijfsplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën aangetroffen. Geadviseerd wordt om te voldoen aan de zorgplicht. Indien hieraan kan worden voldaan zijn vervolgestappen niet noodzakelijk. 3. Niet of deels vrijgestelde Nationaal beschermde soorten In en om het plangebied zijn verblijfplaatsen van eekhoorns aangetroffen. Geadviseerd wordt om te werken in periodes waarin vrijstelling geldt en voldoen aan zorgplicht. Indien dit niet mogelijk is kan het nodig zijn om te werken middels een gedragscode of ontheffing aan te vragen. Conclusie Uit de uitgevoerde quickscan is gebleken dat verblijfsplaatsen voor vrijgestelde nationaal- en niet of deels vrijgesteld nationaal beschermde soorten zijn aangetroffen. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd in de periodes waarin vrijstelling geldt en aan de zorgplicht kan worden voldaan, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Omdat in het plangebied gewone- en ruige dwergvleermuis voorkomen, is nader onderzoek noodzakelijk. Indien verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Het nader onderzoek wordt uitgevoerd vóór de sloop van de bebouwing en een eventuele ontheffing zal dan, zo nodig, worden aangevraagd.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

68

5.5.6 Conclusie Het voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuwe BMV op de Heerlerbaan mogelijk. Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied, maar bevindt zich wel in een regio met Natura 2000-gebieden tot op minimaal een kilometer afstand hemelsbreed. Het plangebied maakt tevens geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing ('nee, tenzij'-toets) is daarom niet noodzakelijk. Voor de realisatie van de nieuwe BMV is geconcludeerd dat noch de sloop-/bouwfase noch de gebruiksfase van het plan leidt tot significant negatieve effecten in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het plangebied zijn verblijfsplaatsen van vrijgestelde nationaal- en niet of deels vrijgesteld nationaal beschermde soorten aangetroffen. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd in de periodes waarin vrijstelling geldt en aan de zorgplicht kan worden voldaan, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Voor de gewone- en ruige dwergvleermuis is nader onderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen nodig, om de aanwezigheid aan te tonen, dan wel uit te kunnen sluiten. In het geval verblijfplaatsen aanwezig zijn, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Dit zal vóór de sloop van de werkzaamheden worden geregeld.

De eventuele aanwezigheid van vleermuizen vormt, onder die voorwaarde, geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.

5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1 Nationaal beleid In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen. Daarmee hangen de volgende besluiten en regelingen samen: Besluit gevoelige bestemmingen Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. 5.6.1.1

Besluit gevoelige bestemmingen

Conform artikel 5.16a van de Wm kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die er toe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen (Besluit) opgesteld. Het Besluit beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

69

5.6.1.2

Niet in betekenende mate (NIBM)

In de AMvB 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door de gemeente.

5.6.2 Plangebied Middels dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe BMV op de Heerlerbaan mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling wordt niet toegewezen aan één van de beschreven categorieën van gevallen. Om te bepalen of dit plan bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit is daarom gebruik gemaakt van de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu. In deze tool dient het extra aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie te worden ingevoerd.

Om de generatie van verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW, november 2018). Voor de verkeersbewegingen van motorvoertuigbewegingen per etmaal worddt verwezen naar Bijlage 4 Onderzoek Geluid: wegverkeer en/of Bijlage 7 Stikstofdepositie. Bij doorrekening middels de NIBM-tool wordt het volgende resultaat gegenereerd:

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

70

Afbeelding - Resultaat NIBM-tool Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer leveren daarom geen beperkingen op voor de ontwikkeling. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden.

5.7

Externe veiligheid

5.7.1 Nationaal beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

71

veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. 5.7.1.1

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. 5.7.1.2

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen. Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per bestemmingsplan beoordeeld.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

72

5.7.2 Gemeentelijk beleid In de 'Beleidsregel voor externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moeten worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Een aanscherping c.q. actualisatie wordt meegenomen in de nog op te stellen omgevingsvisie. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden. In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren.

De invloedsgebieden van respectievelijk BEVI-inrichtingen, hogedruk aardgasleidingen en spoor-, rijks- en provinciale wegen zijn op kaarten weergegeven. De invloedsgebiedenkaarten lenen zich als praktisch instrument voor een quick scan bij een ruimtelijk project om gemakkelijk vast te stellen of de externe veiligheid in beschouwing genomen moet worden en het groepsrisico verantwoord. De kaarten hebben een signaalfunctie. Ze geven ook aan waar de zoneringen voor de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico liggen die zich wettelijk verplicht dienen te vertalen in de planregels. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van voorliggende paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek.

5.7.3 Plangebied Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl), het geldende bestemmingsplan, de studie 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening' (AVIV, projectnummer 142686 d.d. 26.11.2014) en de Regeling Basisnet zijn externe veiligheidsrisico's beoordeeld.

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

73

Afbeelding - Risicokaart (plangebied blauw omcirkeld) 5.7.3.1

Beoordeling plaatsgebonden risico

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en de omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.7.3.2

Beoordeling groepsrisico

Het huidige plan omvat geen/onvoldoende verantwoording van het GR, de omvang van het GR is niet berekend of bekend. Deze situatie vraagt alsnog om een verantwoording van het GR conform BEVI. In feite wordt met deze verantwoording alsnog voldaan aan het BEVI.

Spoorlijn Het plangebied ligt op meer dan 2500 meter van de spoorlijn van de spoorlijn Kerkrade Sittard - Geleen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 blijft binnen het spoortracé en van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) is geen sprake. De 100% letaliteitscontour ligt op 100 meter van de spoorlijn. Deze afstand geldt voor een koude BLEVE (door mechanische impact). Over het baanvak vindt enkel transport van brandbaar gas plaats. Een warme BLEVE (door verhitting of warmtestraling) wordt dan uitgesloten. Op basis van het bovengenoemde rapport van AVIV ligt het plangebied verder net binnen het globaal aangeven invloedsgebied en geldt ter hoogte van het plangebied dat het groepsrisico tussen de 0,1 en 1 keer de oriëntatiewaarde ligt. Op basis van de in het Basisnet aangegeven transporten op dit spoorvak geldt volgens de in het Basisnet gehanteerde systematiek een invloedsgebied van maximaal 460 meter. Het plangebied ligt binnen dit gebied. Gelet op de tussenliggende afstand zal echter geen significante invloed worden uitgeoefend op het groepsrisico. Aangezien sprake is van een ligging op meer dan 200 meter van de spoorlijn, dient in verband met de ligging binnen het invloedsgebied op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Wegen De dichtstbijzijnde weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de N281, op circa 1100 meter ten zuidwesten van het plangebied. Volgens de telgegevens van Rijkswaterstaat vinden over de weg transporten met brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2) en brandbare gassen (GF3) plaats. De stof GF3 heeft hierbij de grootste 1% letaliteitsafstand, zijnde 355 meter. De N-weg is op méér dan 355 meter afstand tot het plangebied gesitueerd en het plangebied ligt dan ook buiten het invloedsgebied van de N281. Aangezien het plangebied zich buiten het invloedsgebied bevindt, is deze bron niet relevant voor het plangebied vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Ook op basis van het bovengenoemde rapport van AVIV blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied ligt van wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De ligging ten opzichte van dergelijke wegen vormt kortom geen belemmering.

Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse buisleidingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt. Vanuit dit kader bestaan er dus geen belemmeringen.

Verantwoording groepsrisico Aangezien sprake is van een ligging op meer dan 200 meter van de spoorlijn Kerkrade Sittard - Geleen, dient in verband met de ligging binnen het invloedsgebied op basis van

bestemmingsplan BMV Heerlerbaan

74

artikel 7 en 8 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. Conclusie Gelet op het feit dat het plangebied op grote afstand van omliggende risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen ligt en er invulling is gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico, bestaan er vanuit het kader van externe veiligheid geen directe belemmeringen.

5.7.3.3

Advies veiligheidsregio

Als onderdeel van de Veiligheidsregio beoordeelt de brandweer de bereikbaarheid van het plangebied en de daaraan verbonden objecten of inrichtingen. Dit doet de brandweer aan de hand van de 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid'. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen planregels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid. Ook maakt de brandweer een inschatting van de risico's binnen het zogenaamde effectgebied. Het effectgebied wijkt af van het invloedsgebied. Het effectgebied is het gebied waar de effecten van de calamiteit merkbaar zijn, exclusief het gebied van de risicobron (brongebied). Het effectgebied is in de regel groter dan het invloedsgebied. Echter, bij de verantwoording van het groepsrisico speelt het effectgebied, in tegenstelling tot het invloedsgebied, formeel geen rol. Niettemin worden door de brandweer wel maatregelen voorgesteld om de effecten van een calamiteit binnen het effectgebied te beperken. Het is aan de gemeente om te bepalen in hoeverre hiermee redelijkerwijs rekening kan worden gehouden bij de ruimtelijke planvorming. 5.7.3.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=ea2f9fe4-adea-487e-a86a-3db2ff58918a