Bijlage 1 Bestemmingsplan toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
49
5.3.1 Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater.
Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit.
De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
50
5.3.2 Regionaal en gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid en is een uitwerking van het POL2015. Waterbeheersplan 2016-2021 Waterschap Limburg Het Waterbeheersplan 2016-2021 is het centrale beleidsplan van het waterschap. Het bevat de beleidsvoornemens voor de periode 2016-2021. Daarnaast wordt een globale doorkijk geboden naar de verdere toekomst. Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. Het beschrijft: hoe ze het watersysteem en waterkeringen op orde willen brengen; voor welke thema's ze aan de lat staan en hun strategie hiervoor; welke maatregelen ze gaan uitvoeren, wie de partners daarin zijn en hoe ze dit monitoren en bijsturen. Ook staat beschreven welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het optimaliseren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden.
De Keur is een document met regels die het waterschap hanteert om beken, dijken, waterwerken en grondwater in Limburg te beschermen. Het is een belangrijk document voor iedereen die bij, of met water, activiteiten onderneemt. In de keur zijn o.a. de normen opgenomen waaraan de verwerking van (hemel)water aan dient te voldoen. Deze normen heeft de gemeente Heerlen overgenomen en verwerkt in het Watertakenplan Heerlen 2020-2024. Watertakenplan Heerlen 2020-2024 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast en droogte in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Het Watertakenplan 2020-2024 omvat de volgende items: evaluatie verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020; invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater; beleid, speerpunten en maatregelen; samenwerking Parkstad. personele en financiële middelen 5.3.3 Eisen aan de watertoets conform Watertakenplan Heerlen 2020-2024 Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. De resultaten hiervan worden uiteindelijk vastgesteld in deze waterparagraaf.
Hemelwater Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. De gemeente houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan: hergebruiken; bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken; noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging /
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
51
infiltratievoorziening; lozen naar oppervlaktewater; geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. Bij de watertoets wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden in vergelijking met de situatie voor sloop. In onderhavige situatie is hier zeker geen sprake van. Daar waar voorafgaand aan de sloop vrijwel het volledige plangebied bebouwd en verhard was ontstaat in de nieuwe situatie veel meer ruimte voor groen en onverharde terreingedeeltes. Eisen Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen: Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlaktewater (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur. Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging/infiltratie eis T=25 (35 mm in 45 minuten) en doorkijk naar T=100 (45 mm in 30 minuten). Minimale eis volgens rioolaansluitverordening gemeente Heerlen.
Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen. Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag. Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden. Vrijkomend vuilwater (wc's, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente. Grondwater De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwateroverlast en/of -onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn. Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders.
Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwaterkwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. Voor de gewenste ontwateringsdiepten verwijzen wij naar onderstaande tabel en figuur.
Functie
Gewenste ontwateringsdiepte (m, t.o.v. gemiddeld hoogste grondwaterstand) Bestaand gebied Nieuwbouw
Woningen met kruipruimte*
0,5
0,5
Woningen zonder kruipruimte*
0,3
0,3
Tuinen/groenvoorzieningen* 0,5 Voor natuurlijke groenvoorzieningen hebben we geen normen
0,5
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
52
Hoofdwegen **
0,7
1,0
Secundaire wegen en woonstraten **
0,7
0,7
Bedrijventerreinen**
0,7
0,7
* t.o.v. onderkant vloer; ** t.o.v. de kruin van de weg
5.3.4 Plangebied De bovengenoemde uitgangspunten zijn ook voor het plangebied van toepassing. In verband met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied is een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Hier zijn onderstaande conclusies en adviezen uit voortgekomen die bij de verdere uitwerking van de infiltratievoorziening meegenomen dienen te worden: In verband met de grondwaterstand is de maximale ondergrens voor de bergings- c.q. infiltratievoorziening vastgesteld op 103,3 meter + NAP. De rekenwaarde voor de horizontale waterdoorlatendheid in de leembodem is 0,45 m/dag. Op basis van de literatuurgegevens heeft de bodem dieper dan 6 meter beneden maaiveld een hogere wateropnamecapaciteit dan de bovenliggende deklaag van leem. Geadviseerd wordt om een overloop te maken naar de beter doorlatende zand-/grindlagen onder de 6 meter beneden maaiveld. In het toekomstige ontwerp dient een escaperoute opgenomen te worden voor overtollig regenwater. Er is sprake van maaiveldverhang op de locatie wat bij overbelasting van het toekomstige regenwatersysteem leidt tot oppervlakkige afstroom van regenwater. Bij overbelasting van de bergingsvoorziening en het infiltratiesysteem moet overtollig water gecontroleerd kunnen afstromen zonder overlast te veroorzaken binnen de bebouwingscontouren. In het voorliggende bestemmingsplan wordt een kader gecreëerd voor de toekomstige functies.
De exacte wijze waarop met afval- en hemelwater wordt omgegaan zal worden uitgewerkt in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen, waarbij de bovengenoemde uitgangspunten als toetsingskader in het bestemmingsplan zullen worden gehanteerd. Bij de inrichting van het openbaar gebied zal rekening worden gehouden met de aanleg van de benodigde bergings- c.q. infiltratievoorzieningen.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
53
5.4
Bodem
Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.
5.4.1
Beleidskader
Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
54
Homogene deelgebiedenkaart. Deelgebied
Bovengrond
Ondergrond
1 Agrarisch en natuur
<AW
<AW
2 Woonwijken
<AW
Industrie
3 Industrie
<AW
<AW
4 Mijnsteengebieden
Wonen
Wonen
AW
= Achtergrondwaarde
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
55
Wonen
= Maximale waarde klasse Wonen
Industrie
= Maximale waarde klasse Industrie
Het plangebied is gelegen in deelgebied Woonwijken.
5.4.2 Plangebied Om de kwaliteit van de bodem in beeld te brengen zijn voor het plangebied de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: 1. Vooronderzoek bodem voor de locatie Schinkelkwadrant omsloten door de Schinkelstraat Honigmannstraat - Promenade - Geerstraat te Heerlen, opgesteld door gemeente Heerlen en gedateerd 12 maart 2018, projectnummer HL091704885. 2. Verkennend bodemonderzoek Bouwput Schinkelstraat en indicatief onderzoek tank Honigmannstraat te Heerlen, Geonius Milieu B.V. , rapportnummer MA150152.122, d.d. 14 maart 2019. 3. Verkennend bodemonderzoek Schinkelkwartier Zuid, omsloten door de Schinkelstraat Honigmannstraat - Promenade - Geerstraat, opgesteld door Geonius en gedateerd 22 augustus 2019, rapportnummer MA150152.133.R01.V1.0, locatiecode HL091704885 De rapportages van de bodemonderzoeken zijn als Bijlage 7, Bijlage 8 en Bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand worden de conclusies kort samengevat. (1) Vooronderzoek Op grond van het vooronderzoek en inspectie ter plaatse is de navolgende hypothese gesteld: De onderzoekslocatie kan als een onverdacht terrein met een verdachte deellocatie beschouwd worden. De verdachte deellocatie betreft het terreindeel grenzend aan de voormalige chemische wasserij ter plaatse van Promenade 16-26. Er is geen freatisch grondwater te verwachten binnen 5,0 m-mv.
De locatie kan als verdacht voor het aantreffen van asbest gezien worden. De sloop van de bebouwing wordt gezien als activiteit die bodemverontreiniging kan veroorzaken. (2) Verkennend bodemonderzoek Bouwput Schinkelstraat en indicatief onderzoek tank Honigmannstraat Doelstelling van dit onderzoek is het verkrijgen van een indicatieve kwaliteit van het zand in de bak van de tank en een bepaling van de kwaliteit van bodem van de bouwput. Plaatselijk wordt in de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan nikkel, zink, PAK, PCB en minerale olie aangetroffen. Uit dit verkennend onderzoek blijkt verder dat ter plaatse van boring 002 in de putbodem (gelegen op 2m-mv) de interventiewaarde voor PAK wordt overschreden. Deze verontreiniging is beperkt van omvang, ligt op een diepte waar er geen contact mogelijk is en is afgedekt met een doek zodat deze bij eventuele werkzaamheden of ontwikkelingen in de toekomst duidelijk herkenbaar is. (3) Verkennend bodemonderzoek Schinkelkwartier Zuid Na de sloop van een groot deel van de bebouwing is het verkennend bodemonderzoek Schinkelkwartier Zuid uitgevoerd.
Uit dit onderzoek volgt dat: In zowel de zandige als lemige bovengrond (0-0,5 m-mv) worden, behalve monster BG1 (licht verontreinigd met nikkel), geen van de onderzochte parameters in gehalten boven de achtergrondwaarde aangetroffen; De ondergrond bestaande uit leem bevat, behalve mengmonster OG1 (licht verontreinigd met nikkel) geen van de onderzochte parameters in gehalten boven de achtergrondwaarde; Het zand in de ondergrond is licht verontreinigd met PAK; Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk; De sloop op locatie heeft niet geleid tot negatieve gevolgen m.b.t. de bodemkwaliteit Conclusie Voor perceel D 9431 en D9432 moet voorafgaand aan de ontwikkeling van deze percelen nog middels bodemonderzoek worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt niet verwacht dat de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor het huidige en geplande gebruik van deze twee percelen. Voor het overige plangebied kan op basis van de resultaten van de uitgevoerde
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
56
bodemonderzoeken worden geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie. Gezien de analyseresultaten, waarbij geen van de onderzochte parameters de tussen- dan wel interventiewaarde overschrijden, is een nader onderzoek of sanerende maatregelen hier niet noodzakelijk. Voor wat betreft de bestemmingsplanprocedure van het plangebied is de bodemkwaliteit middels de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken afdoende in beeld gebracht.
5.5
Natuurwaarden
5.5.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en de Wet natuurbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Oorspronkelijk zijn de Natura 2000-gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen het Natuurnetwerk Nederland. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Wet natuurbescherming. De Minister van Economie, Landbouw & Innovatie (EL&I) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.
5.5.2 Soortenbescherming: Wet natuurbescherming Het soortenbeleid uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming. Deze wet kent een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Dat betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn (nalaten tot) handelen nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige natuurwaarden, verplicht is dit achterwege te laten. Men dient alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden verwacht om nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Verder dient in geval van een voorgenomen ingreep tijdig vooraf te worden nagegaan of zich (mogelijk) strenger beschermde soorten in het gebied bevinden, of en welk effect de ingreep heeft op deze soorten, of mitigerende dan wel compenserende maatregelen moeten worden genomen en of bij de provincie Limburg ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
57
5.5.3 Quickscan flora en fauna In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de bebouwing binnen het plangebied inmiddels gesloopt en is sprake van een braakliggend terrein. Binnen het plangebied zijn kortom in de huidige situatie geen ecologisch waardevolle soorten aanwezig. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de sloop van de bebouwing conform de daarvoor geldende richtlijnen heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan de sloop zijn de hiertoe benodigde ecologische onderzoeken uitgevoerd, maatregelen genomen en is tevens een ontheffing aangevraagd en verkregen ten behoeve van het verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) met het kenmerk FF/75c/2013/0100 voor het tijdvak 1 oktober 2013 tot en met 30 september 2018. Deze ontheffing is per brief van 28 augustus 2018 van de provincie Limburg, met het kenmerk 2018/56883, verlengd tot en met 31 maart 2019. De voorgenomen plannen kunnen kortom in overeenstemming met de huidige nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Wel dient ten aanzien van (incidenteel) aanwezige algemene soorten te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan niet aan de orde.
De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde gebieden zullen niet worden aangetast.
5.5.4 Onderzoek stikstofdepositie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura-2000 gebied. Het dichtsbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied betreft het Geleenbeekdal op circa 900 meter afstand van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Waar de voorgenomen ontwikkeling de herontwikkeling van het Schinkelkwadrant te Heerlen betreft, kan echter een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op het Natura 2000-gebied op voorhand niet worden uitgesloten. Derhalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat bij zowel de aanleg- als de gebruiksfase de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 10 is opgenomen bij deze toelichting.
5.5.5 Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen.
5.6
Verkeer en parkeren
Door de gemeente Heerlen is een verkeerskundige notitie opgesteld waarin nader is ingegaan op de verkeersgeneratie van het plan, de ontsluiting van de functies en de parkeerbehoefte. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit de notitie. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige notitie die als Bijlage 11 is opgenomen bij deze toelichting.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
58
5.6.1 Verkeersgeneratie Met behulp van de CROW-rekentool 'Parkeren en Verkeersgeneratie' kan berekend worden dat de realisatie van 98 woningen zal leiden tot een verkeersgeneratie van maximaal 400 motorvoertuigen per etmaal. Wat resteert is het incidenteel zoekverkeer/bevoorrading van de horeca en de Retail functie. Het aandeel bezoekers van Retail in het centrum maakt 94% uit van de totale verkeersgeneratie in het centrum. Het aandeel bezoekers van horeca maakt 90% uit van de totale verkeersgeneratie. Voor de bepaling van de 1000 m² BVO horeca zijn er geen kencijfers omtrent de verkeersgeneratie voorhanden. Uitgaande van 80 benodigde parkeerplaatsen (o.b.v. de vigerende parkeernormen) en een gemiddeld aantal parkeerwisselingen (turn-over) van twee kan worden gesteld dat deze functie een verkeersgeneratie heeft van 320 motorvoertuigen per etmaal. Dit resulteert in 32 motorvoertuigen per etmaal zoekverkeer/bevoorrading (zijnde 10% van 320) gerelateerd aan de horecafunctie. De berekening van de verkeersgeneratie van de Retail functie kan dan weer gebaseerd worden op een algemene gecombineerde binnenstadsfunctie op gebied van detailhandel, hetgeen overeenkomt met 10 motorvoertuigen per etmaal. Dit resulteert in 1 motorvoertuigen per etmaal zoekverkeer/bevoorrading (zijnde 6% van 10) gerelateerd aan de Retail functie.
Bijgevolg kan worden gesteld dat de gehele ontwikkeling zal leiden tot een maximale verkeersgeneratie van circa 433 motorvoertuigen per etmaal.
5.6.2 Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Honigmannstraat, de Schinkelstraat en de Geerstraat. Deze wegen kunnen de extra verkeersgeneratie zonder meer afwikkelen. Voor de Schinkelstraat en de Honigmannstraat is de verwachte intensiteit 1633 motorvoertuigen (= 1200 (huidig) + 433 (maximale toename door de ontwikkeling Schinkelkwadrant Zuid), hetgeen nog steeds ruim beneden de maximale intensiteit van 4000 motorvoertuigen voor erftoegangswegen ligt. Voor de Geerstraat geldt dat de intensiteit toeneemt van 9700 (huidig) naar 10.133 motorvoertuigen per etmaal. Dit is nog binnen de intensiteit die voor een gebiedsontsluitingsweg, zoals de Geerstraat, van om en nabij 20.000 motorvoertuigen per etmaal acceptabel wordt geacht. Als vuistregel voor intensiteiten op gebiedsontsluitingswegen worden intensiteiten tussen 15.000 en maximaal 20.000 motorvoertuigen per etmaal als acceptabel beschouwd, afhankelijk van de capaciteit van de kruisingen in het wegvak. Gesteld kan worden dat - gelet op de functie van de weg, deze vuistregel en de ervaringen in de huidige situatie - de optredende verkeersintensiteiten uit het oogpunt van verkeersafwikkeling niet leiden tot knelpunten.
5.6.3 Parkeren Auto Conform de vigerende parkeernormen (Parkeernota Heerlen 2010) dient een woning met een ligging in het 'centrum' gekoppeld te worden aan een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per wooneenheid. Ten behoeve van de woonfunctie (98 wooneenheden) bedraagt de parkeerbehoefte daarmee in totaal 147 parkeerplaatsen. Verder zal er sprake zijn van de realisatie van 1000 m2 BVO horeca en 279 m² BVO aan commerciële/centrum functies (Honigmannstraat). Conform de Parkeernota Heerlen (bijlage 6) geldt er in het gebied 'Centrum' een algehele vrijstelling voor alle vormen van horeca en voor winkels kleiner dan 1500 m2 BVO. Voor de voornoemde functies hoeft daarmee geen parkeerbehoefte te worden bepaald. Bijgevolg bedraagt de maximale parkeerbehoefte voor de ontwikkeling 147 parkeerplaatsen, die in beginsel op eigen terrein gerealiseerd dienen te worden. Het plan voorziet in de realisatie van minimaal 98 en maximaal 116 parkeerplaatsen op eigen terrein in het plangebied. Het realiseren van meer parkeerplaatsen in het plangebied wordt omwille van kwaliteitseisen niet wenselijk geacht. Zo kan de aanleg van meer parkeerplaatsen leiden tot een verstoring van de gewenste ruimtelijke en groene kwaliteiten van het binnengebied.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
59
Daarnaast wordt het parkeren enkel rechtstreeks onder de gebouwen en in de binnenhoven gefaciliteerd. Parkeren onder en in de openbare ruimte wordt, mede omwille van infiltratie-eisen, in beginsel niet wenselijk geacht. Conform bijlage 3 van de Parkeernota Heerlen 2010 kan er, indien er op eigen terrein onvoldoende ruimte is of indien het financieel niet haalbaar is om een toereikende parkeervoorziening te realiseren, uitgeweken worden naar de (semi-)openbare ruimte. Dit laatste vraagt te allen tijde een nadere afweging van het gemeentebestuur en behoeft een ontheffing. De geactualiseerde parkeerbalans geeft aan dat er in het centrum een overschot aan parkeerplaatsen is. Rekening houdend met de volledige ontwikkeling van het Schinkelkwadrant is er nog steeds sprake van een aanzienlijke overcapaciteit. Het verlenen van een eventuele ontheffing zal derhalve haalbaar zijn. Fiets Met betrekking tot het fietsparkeren ziet het Bouwbesluit er op toe dat er dat er een minimaal benodigde oppervlaktemaat aan stallingsruimte wordt gereserveerd. Per wooneenheid dient, conform het facetbestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen', een stallingsruimte voor twee fietsen voorzien te zijn. Ten behoeve van de stallingsruimte voor fietsen m.b.t. de horecavoorziening geldt een norm van 15 fietsen per 100 m² BVO. Uitwerking hiervan volgt ten tijde van de omgevingsvergunning.
5.7
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). De volgende besluiten en regelingen hangen daarmee samen: Besluit gevoelige bestemmingen; Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM); Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM). Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.
5.7.1 Besluit gevoelige bestemmingen Conform artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen. De planlocatie ligt niet binnen de 50 meter contour van de N281. Daarom is het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing en vormt het geen beperking voor de ontwikkeling.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
60
5.7.2 Niet in betekenende mate (NIBM) In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de toevoeging van maximaal 98 woningen, 1.000 m² horeca en 279m² commerciële centrumfuncties mogelijk gemaakt. Voor de woningen geldt dat deze in principe vallen binnen de lijst met categorieën van gevallen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Desondanks is voor de ontwikkeling als geheel de bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is gebruikt gemaakt van de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu.
In deze tool dient het extra aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie te worden ingevoerd, waarbij dient te worden uitgegaan van het weekdaggemiddelde. Om de generatie van verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW, oktober 2012), zoals beschreven in paragraaf 5.6. Volgens deze publicatie leidt het planvoornemen tot een (weekgemiddelde) verkeersgeneratie van 433 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor het vrachtverkeer is in overleg met de gemeente bepaald dat het aandeel zwaar vrachtverkeer ca. 0,7% van het totaal aantal verkeersbewegingen betreft en middelzwaar vrachtverkeer ca. 3,8% van het totaal. In de NIMB-berekening is daarom uitgegaan van een worstcasescenario van het vrachtverkeer van 4,5 %. Bij doorrekening middels de NIBM-tool wordt het volgende resultaat gegenereerd:
Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer leveren derhalve geen beperkingen op voor de ontwikkeling.
5.7.3 Conclusie Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
61
5.8
Externe veiligheid
5.8.1 Landelijk beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.
Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld. Externe veiligheid inrichtingen Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
62
inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen. Externe veiligheid buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revi). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen. Externe veiligheid transport Het beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, via het spoor en via het water staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierin is het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' verankerd. Het primaire doel van dit Basisnet is het creëren van een plafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Aan de hand van deze maximale vervoerstromen van gevaarlijke stoffen kunnen de externe veiligheidsrisico's worden bepaald.
5.8.2 Gemeentelijk beleidskader In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen. Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.
In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren. De invloedsgebieden van de risicobronnen zijn op kaarten weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van deze paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek.
5.8.3 Beoordeling plaatsgebonden risico Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en de omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
63
5.8.4 Beoordeling groepsrisico Spoorlijn Het plangebied ligt op meer dan 250 meter van de spoorlijn van de spoorlijn Kerkrade - Sittard - Geleen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 blijft binnen het spoortracé en van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) is geen sprake. De 100% letaliteitscontour ligt op 100 meter van de spoorlijn. Deze afstand geldt voor een koude BLEVE (door mechanische impact). Over het baanvak vindt enkel transport van brandbaar gas plaats. Een warme BLEVE (door verhitting of warmtestraling) wordt dan uitgesloten. Op basis van het bovengenoemde rapport van AVIV ligt het plangebied verder net binnen het globaal aangeven invloedsgebied en geldt ter hoogte van het plangebied dat het groepsrisico tussen de 0,1 en 1 keer de oriëntatiewaarde ligt. Op basis van de in het Basisnet aangegeven transporten op dit spoorvak geldt volgens de in het Basisnet gehanteerde systematiek een invloedsgebied van maximaal 460 meter. Het plangebied ligt binnen dit gebied. Gelet op de tussenliggende afstand zal echter geen significante invloed worden uitgeoefend op het groepsrisico. Aangezien sprake is van een ligging op meer dan 200 meter van de spoorlijn, dient in verband met de ligging binnen het invloedsgebied op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.
Wegen De dichtstbijzijnde weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de N281, op circa 400 meter ten zuidwesten van het plangebied. Volgens de telgegevens van Rijkswaterstaat vinden over de weg transporten met brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2) en brandbare gassen (GF3) plaats. De stof GF3 heeft hierbij de grootste 1% letaliteitsafstand, zijnde 355 meter. De N-weg is op méér dan 355 meter afstand tot het plangebied gesitueerd en het plangebied ligt dan ook buiten het invloedsgebied van de N281. Aangezien het plangebied zich buiten het invloedsgebied bevindt, is deze bron niet relevant voor het plangebied vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Ook op basis van het bovengenoemde rapport van AVIV blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied ligt van wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De ligging ten opzichte van dergelijke wegen vormt kortom geen belemmering. Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse buisleidingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt. Vanuit dit kader bestaan er dus geen belemmeringen.
Verantwoording groepsrisico Aangezien sprake is van een ligging op meer dan 200 meter van de spoorlijn Kerkrade Sittard - Geleen, dient in verband met de ligging binnen het invloedsgebied op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect
Verantwoording
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
64
De mogelijkheden ter voorbereiding Voor wat betreft de transportroute zijn gelet op de van bestrijding en beperking van de tussenliggende afstand en de vervoerde stoffen, omvang van een ramp of zwaar uitsluitend risico's in verband met brandbare gassen ongeval. relevant. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen op het spoortraject is, mede als gevolg van de tussenliggende afstand en de tussenliggende bebouwing, zeer klein. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen vanuit meerdere richtingen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de transportroute een ramp voordoet (zelfredzaamheid).
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten. In dit geval zijn uitsluitend calamiteiten met brandbare gassen (BLEVE) relevant. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE is vluchten in principe het uitgangspunt, waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan brandbare gassen biedt gelet op de tussenliggende afstand en tussenliggende bebouwing 'schuilen' in combinatie met het sluiten van ramen en deuren andere vorm van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering daarom van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de Veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Conclusie Gelet op het feit dat het plangebied op grote afstand van omliggende risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen ligt en er invulling is gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico, bestaan er vanuit het kader van externe veiligheid geen directe belemmeringen.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
65
5.8.5 Advies Veiligheidsregio Als onderdeel van de Veiligheidsregio beoordeelt de brandweer de bereikbaarheid van het plangebied en de daaraan verbonden objecten of inrichtingen. Dit doet de brandweer aan de hand van de 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid'. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen planregels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid. Ook maakt de brandweer een inschatting van de risico's binnen het zogenaamde effectgebied. Het effectgebied wijkt af van het invloedsgebied. Het effectgebied is het gebied waar de effecten van de calamiteit merkbaar zijn, exclusief het gebied van de risicobron (brongebied). Het effectgebied is in de regel groter dan het invloedsgebied. Echter, bij de verantwoording van het groepsrisico speelt het effectgebied, in tegenstelling tot het invloedsgebied, formeel geen rol. Niettemin worden door de brandweer wel maatregelen voorgesteld om de effecten van een calamiteit binnen het effectgebied te beperken. Het is aan de gemeente om te bepalen in hoeverre hiermee redelijkerwijs rekening kan worden gehouden bij de ruimtelijke planvorming.
Advies Brandweer Zuid-Limburg In het kader van het reeds in 2018 in procedure gebrachte bestemmingsplan is door de Brandweer Zuid-Limburg aangegeven dat een mogelijk incident met vervoer van brandbare gassen over het spoortraject niet zal leiden tot onherstelbare schade of slachtoffers in het plangebied. Een mogelijke drukgolf als gevolg van een BLEVE zal worden opgevangen door tussenliggende bebouwing tussen spoor en plangebied. De hittestraling die hierbij vrijkomt is op deze afstand zodanig afgezwakt dat er geen secundaire branden of onherstelbare schade aan het gebouw zal ontstaan. De Brandweer Zuid-Limburg ziet derhalve geen aanleiding om aanvullend advies te geven over het bestemmingsplan.
5.8.6 Conclusie Bij de totstandkoming van bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid 2020' is op voldoende wijze rekening gehouden met de externe veiligheid. De vaststelling van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.
5.9
Technische infrastructuur
Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die een planologische belemmering vormen voor de verdere planontwikkeling of waarvoor een planologische beschermingszone dient te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
5.10
Bedrijfshinder
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
66
de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0 m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding.
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
67
Binnen gemengde gebieden - hier aangeduid als gebieden met functiemenging - heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Gemengd gebied versus gebied met functiemenging In de VNG-publicatie wordt het begrip 'gemengd gebied' gebruikt om richtafstanden aan te geven tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca, kleine bedrijvigheid). Het begrip 'gebied met functiemenging' wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden.
De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd; categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: het gaat om kleinschalige, ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
Naast bovengenoemde randvoorwaarden zijn bij de keuze van de activiteiten de volgende criteria gehanteerd: voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1; voor categorie B betreft het activiteiten: in categorie 1 voor het aspect gevaar; in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur; in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen); voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, maar met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen). Toetsing ontwikkelingen binnen het plangebied Het plangebied is aan te duiden als een gemengd gebied, een gebied met functiemenging. Het plangebied ligt namelijk in het centrum van Heerlen. Zoals hiervoor aangegeven is een stadscentrum een gebied met functiemenging. Binnen het plangebied worden de volgende functies toegestaan: wonen; horeca; Leisure; dienstverlening; detailhandel; verblijfsgebied. In de regels van het bestemmingsplan wordt voor alle duidelijkheid geen bedrijfsbestemming opgenomen en evenmin wordt groothandel toegestaan. Ook Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan binnen het plangebied. Op basis van de categorie-indeling voor gebieden met functiemenging worden binnen het
bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2020
68
plangebied overwegend categorie A functies mogelijk gemaakt en enkele categorie B functies. De voorgestane nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied leveren kortom geen onaanvaardbare hinder in de zin van bedrijven en milieuzonering op voor de woningen in en rondom het plangebied. Voor de nadere onderbouwing van de inpasbaarheid van het Schinkelkwadrant-Zuid wordt tevens verwezen naar de afzonderlijke onderzoeksparagrafen in dit hoofdstuk, waaronder paragraaf '5.2 Akoestiek'. Voorts dient ook te worden bekeken of er nabij het plangebied inrichtingen zijn gevestigd die milieuhinder kunnen veroorzaken. In de directe omgeving zijn uitsluitend inrichtingen gevestigd die passend zijn binnen een gebied met functiemenging. Er zijn kortom in de directe omgeving geen inrichtingen gelegen die de ontwikkeling van de woningen binnen het plangebied zouden kunnen belemmeren en tevens frustreren de te realiseren woningen omliggende inrichtingen niet in hun functioneren. Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn nagenoeg alle bedrijfstakken onder het systeem van algemene regels gebracht, waarmee de rijksoverheid de lastendruk voor het bedrijfsleven hoopt te reduceren. Voor veel groepen van bedrijven vervalt de meldingsplicht of de vergunningsplicht.
Voor detaillisten, kantoorgebouwen, scholen en dergelijke vervalt in veel gevallen de meldingsplicht. Er moet echter wel worden voldaan aan de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Ook voor de diverse nieuw te realiseren inrichtingen binnen het plangebied geldt dat men moet voldoen aan de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Conclusie Op basis van de bovenstaande uitgangspunten kan geconcludeerd worden dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor de beoogde herontwikkeling binnen het plangebied.
5.11
Archeologie
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die vanaf 1 juli 2016 deels is overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Monumentenwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder.