1. De ruimtelijke onderbouwing d.d. 12 april 2023.pdf
Tekst van het document
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 30
Inrichting terrein tijdelijke situatie
In het zuiden van het besluitgebied is in de huidige situatie een grondwal gelegen. Ten behoeve van de boorinstallaties zal de grondwal (gedeeltelijk) worden verwijderd. Dit is nog afhankelijk van de grootte van de boorinstallatie. Dit is pas definitief bij de uitvoer van het initiatief. De functie van de grondwal is niet bekend, maar na de booractiviteiten wordt het verwijderde deel teruggelegd of in overleg met het bevoegd gezag afgevoerd.
Gebruiksfase Zodra de boringen zijn verricht wordt het terrein definitief ingericht zodat het water kan worden opgepompt ten behoeve van het energienetwerk. De definitieve situatie betreft de volgende: boorput net onder maaiveld van circa 2x2 meter; bovengrondse unit geplaatst van circa 15 x 4,5 x 3 meter met pompen voor aansluiting op het mijnwaterdistributienetwerk; plaatsen van hekwerk rondom boorput en pompstation. Onderstaand is een uitsnede van de inrichting van het terrein ten aanzien van de definitieve situatie en een ontwerptekening van de beoogde bovengrondse unit opgenomen. Deze tekeningen zijn eveneens als respectievelijk Bijlage 2 en Bijlage 3 aan onderhavige onderbouwing toegevoegd.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 31
Inrichting terrein definitieve situatie
Ontwerp bovengrondse unit
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 32
Zoals reeds beschreven staat rond de locatie van het besluitgebied tot erg diep op het perceel bedrijfsbebouwing. Het gebouw voor mijnwater met afmetingen van 15 x 4,5 x 3 meter past in de schaal van die bedrijfsbebouwing en komt ongeveer op de uiterste bebouwingslijn van het bedrijventerrein te staan. Het gebouw is derhalve inpasbaar.
Parkeren ten behoeve van onderhoud aan de pomp is mogelijk op het bestaande bedrijventerrein. Het besluitgebied kan via de noordoostzijde worden betreden. Voertuigen kunnen eveneens via deze ingang het terrein betreden indien dit noodzakelijk is.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 33
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
5.1.
Bodem
5.1.1 Toetsingskader Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu.
Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 34
Figuur 14 Homogene deelgebiedenkaart
Tabel 1: Bodemwaarden per deelgebied Deelgebied
Bovengrond
Ondergrond
1 Agrarisch en natuur
<AW
<AW
2 Woonwijken
<AW
Industrie
3 Industrie
<AW
<AW
4 Mijnsteengebied Wonen
Wonen
AW = Achtergrondwaarde Wonen = Maximale waarde klasse Wonen Industrie = Maximale waarde klasse Industrie
Het besluitgebied is gelegen in deelgebied 'Woonwijken'.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 35
5.1.2 Toetsing In het kader van de voorliggende ontwikkeling heeft BKK Bodemadvies BV een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek) uitgevoerd in het besluitgebied. De conclusies uit dit onderzoek worden hieronder toegelicht. De volledige rapportage is opgenomen in de separate bijlagen. De aanleiding voor het bodemonderzoek betreft het vaststellen van de nulsituatie in de bodemkwaliteit op de locatie waar in de toekomst een diepe bron (HH3A) wordt aangelegd voor het oppompen van mijnwater en grondwater ten behoeve van een energienetwerk. Voor de onderzoekslocatie is de strategie " heterogeen verdacht" aangehouden en voor asbest "onverdacht". Sulfaat en arseen worden tevens in de nulsituatie opgenomen, omdat deze stoffen in verhoogde concentraties kunnen voorkomen in het op te pompen mijnwater.
Asbest Op het maaiveld van de onderzoekslocatie zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In het opgeboorde materiaal (grond) zijn eveneens geen asbestverdachte (plaat)materialen (in de grove fractie) aangetroffen en ook geen bijmengingen welke de bodem asbestverdacht maken. Analyses op asbest in de bodem zijn derhalve niet uitgevoerd. In de halfverharding bestaande uit puingranulaat is een onderzoek naar asbest in puin uitgevoerd conform de NEN 5897. Daarbij is in de grove fractie geen asbestverdacht materiaal waargenomen en is analytisch een verwaarloosbare concentratie hechtgebonden chrysotiel aangetoond (16 mg/kgds). De hypothese 'asbest onverdacht' wordt voor de gehele onderzoekslocatie aanvaard.
Boven- en ondergrond De bovengrond en ondergrond tot 1 m-mv bestaat uit zwak grindhoudende leem en de bodem daaronder uit klei. Er zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. De onverharde bovengrond is (zeer) licht verontreinigd met de zware metalen kobalt en kwik en met PCB en voldoet daarmee indicatief aan de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. In de grond onder de puingranulaat zijn in de zuidelijke helft geen verhoogde concentraties boven de Achtergrondwaarde aangetroffen en voldoet de bodem indien indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit aan de klasse Achtergrondwaarde. In de grond onder de puingranulaat zijn in de noordelijke licht verhoogde concentraties zink, cadmium en PAK ten opzichte van de Achtergrondwaarde aangetoond en voldoet de bodem indien indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit aan de klasse Wonen. De ondergrond is overwegend licht verontreinigd met kobalt, nikkel en kwik en voldoet indicatief volgens de Regeling bodemkwaliteit aan de klasse Industrie.
Grondwater In juli 2021 zijn de 4 peilbuizen bemonsterd en het grondwater geanalyseerd op het standaard analysepakket en aanvullend op arseen en sulfaat. Met uitzondering van de parameter barium overschrijden geen van de concentraties de streefwaarde.
Resultaten nulsituatie onderzoek In zowel bovengrond en ondergrond (tot 2 m-mv) is de concentratie PCB, PAK, sulfaat en arseen vastgelegd als nulsituatie. Indien bij het in bedrijf zijn van de Nieuwe Bron HH3A lekkages optreden met opgepompt mijnwater kan een bodemonderzoek op de verdachte arseen vergeleken kunnen worden met de aangetoonde concentraties in het voorliggende nulsituatie onderzoek. Dit geldt ook voor de gemeten concentraties in het grondwater.
Toetsing hypothese De hypothese "verdacht" wordt voor de onderzoekslocatie aanvaard. Binnen de onderzoekslocatie zijn in de bodem diffuus verdeelde lichte verontreinigingen met zware omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 36
metalen, PCB en PAK aangetoond. Deze geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek. Voor het grondwater wordt de hypothese verworpen. Er zijn geen parameters, die de streefwaarde overschrijden met uitzondering van barium.
Slotsom Geconcludeerd kan worden dat de aangetoonde lichte verontreinigingen met zware metalen in de grond, kunnen worden beschouwd als een gebiedseigen verontreiniging, die waarschijnlijk gerelateerd zijn aan voormalige activiteiten aan de rand van het mijnbouwterrein Oranje Nassau III. De bodemkwaliteit voldoet indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde, Wonen en Industrie en is daarmee in overstemming met de huidige bestemming van de onderzoekslocatie.
Aanbevelingen Het wordt geadviseerd om bij de eigendomsoverdracht notarieel de bodemkwaliteit vast te leggen. Deze vormt geen belemmering voor de gewenste toekomstige ontwikkeling van het terrein. De in het voorliggende onderzoek vastgelegde concentraties PCB, PAK, sulfaat en arseen dienen als referentie (nulsituatie) bij eventuele toekomstige lekkages met opgepompt mijnwater. Indien grond wordt ontgraven en elders toegepast zijn de regels in de Regeling bodemkwaliteit van toepassing hetgeen doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereist.
5.1.3 Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten vormt de milieuhygienische conditie van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.2.
Geluid
De Wet geluidhinder, als ook een goede ruimtelijke ordening, bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).
5.2.1
Toetsingskader
Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een ruimtelijke ontwikkeling een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In de Wet geluidhinder is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 37
30 km/u voor geldt. Tabel 2: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
Het initiatief ziet niet op de realisatie van een mijnwaterbron. Dit betreft geen geluidsgevoelige functie. De Wgh is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen.
Spoorweglawaai Artikel 4.1 Besluit geluidhinder bepaalt voor spoorweglawaai hetzelfde als artikel 76 Wet geluidhinder voor wegverkeerlawaai. Dit initiatief ziet op de realisatie van een mijnwaterbron. Dit betreft geen geluidsgevoelige functie. Derhalve is de Besluit geluidhinder niet van toepassing op onderhavig planvoornemen.
Industrielawaai In paragraaf 5.4 vindt een afweging plaats ten aanzien van het aspect 'bedrijven en milieuzonering'.
5.2.2 Onderzoek De installatie betreft geen geluidsgevoelig object. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk.
5.2.3 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.3.
Luchtkwaliteit
5.3.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 38
De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO 2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO 2. Als de 3% grens voor PM10 of NO 2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: Tabel 4: Getalsmatige grenzen NIBM
Besluit gevoelige bestemmingen Door middel van het Besluit gevoelige bestemmingen (in werking getreden op 16 januari 2009) wordt de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Onder gevoelige bestemmingen worden o.a. scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen verstaan. Het besluit richt zich op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO 2), vooral kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo'n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO 2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo'n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
5.3.2
Toetsing
Regeling NIBM Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de realisatie van een warmtebron. Tijdens de aanleg van de locatie worden diverse mobiele werktuigen ingezet zoals graafmachines, tractors, vrachtwagens en een asfalteermachine. Indien de locatie aangelegd zal worden voor een grote toren zal voor de aanleg circa 120 zware omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 39
vrachtvoertuigbewegingen plaats en circa 200 verkeersbewegingen met personenauto’s voor het vervoer van personeel. Bij selectie van een kleinere toren zal het aantal verkeersbeweging kleiner zijn. Voor transport naar locatie van de boortoren en benodigd materieel vinden circa 50 vrachttransporten (100 voertuigbewegingen) plaats. Na afloop van de boring zijn wederom circa 50 transporten benodigd om de boortoren en aanverwant materieel van locatie te voeren. De boortoren en aanverwante voorzieningen maken primair gebruik van diesel generatoren voor de energievoorziening. Tijdens de boorwerkzaamheden is wel sprake van uitstoot door transportmiddelen als een heftruck en mobiele kraan, en er zijn circa 5 vrachten per dag benodigd voor afvoer van boorgruis en aanvoer van materiaal. Gezien het tijdelijke karakter van de werkzaamheden en daarmee van de emissies, worden de effecten op de luchtkwaliteit niet relevant geacht.
Tijdens de definitieve fase worden de pompen elektrisch aangedreven. Eens in de maand vindt er onderhoud plaats. Dit komt dus neer op een hele lage verkeersaantrekkende werking. Hierdoor is dit initiatief te kenmerken als ‘NIBM’. Het uitvoeren van een nader onderzoek wordt daarom ook niet noodzakelijk geacht.
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland bedroeg de concentratie PM10 ter plaatse in 2022 tussen de 14 en 16 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen de 6 en 8 µg/m³ en de concentratie NO 2 tussen 10 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO 2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen.
5.3.3 Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer en het Besluit gevoelige bestemmingen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarnaast niet in een noemenswaardige extra verkeersaantrekkende werking, gezien het gaat om de bouw en exploitatie van een warmtebron ten behoeve van een energienetwerk.
5.4.
Bedrijfshinder
5.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' ('Bedrijven en Milieuzonering', Uitgave VNG, Den Haag, 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 40
functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
5.4.2
Toetsing
Externe werking Tijdens de realisatiefase wordt er circa 3 weken geboord. Dit betreft echter een tijdelijke situatie en is derhalve niet relevant in het kader van een goed woon- en leefklimaat. De realisatiefase valt onder Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Barmm). De boorinstallatie zal aan de regels uit het Barmm moeten voldoen. De gegevens van de boorinstallatie dienen uiterlijk 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
Het gebruik van een mijnwaterbron is niet opgenomen in de VNG publicatie. Het gebruik komt het meest overeen met een pompinstallatie (SBI-2008 495). Hiervoor geldt een minimale richtafstand van 30 meter. Aangezien in de omgeving verschillende bedrijven en woningen gelegen zijn, kan gesteld worden dat er sprake is van een gemengd gebied. Hierdoor kan de richtafstand met één afstandsstap verlaagd worden. Er geldt derhalve een minimale richtafstand van 10 meter. De dichtsbijzijnde gelegen woningen liggen op een afstand van circa 90 meter. Daarnaast worden de pompen elektrisch aangedreven en vindt slechts een keer per maand onderhoud plaats. Het gebruik van de mijnwaterbron vormt derhalve geen belemmering voor omliggende gevoelige objecten.
Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeert dat de externe werking van het initiatief geen belemmering vormt voor de omliggende woningen.
Interne werking Het initiatief zelf betreft geen gevoelig object en de omliggende bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
5.4.3 Conclusie Aangezien er in de definitieve fase gebruik wordt gemaakt van elektrisch aangedreven pompen en slechts een keer per maand onderhoud plaats vindt, kan worden gesteld dat een goed woon- en leefklimaat geborgd is. Het aspect 'bedrijfshinder' vormt geen belemmering voor het beoogd initiatief.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 41
5.5.
M.e.r.-plicht
5.5.1
Toetsingskader
Beoordeling directe m.e.r.-plicht Diepboringen (boringen dieper dan 500m) zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage, onderdeel D (categorie 17.2) en zijn daarmee m.e.r. beoordelingsplichtig. Er dient te worden bepaald of de voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Als er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten, is een m.e.r. procedure niet nodig en hoeft geen Milieueffectrapport (MER) te worden opgesteld. De boring moet wel worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Door Mijnwater is een MER aanmeldnotitie opgesteld (Bijlage 5). De aanmeldnotitie is als als separate bijlage toegevoegd. Naar aanleiding van de MER aanmeldnotitie heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat besloten (Bijlage 6) dat geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld. De exploitatie van de mijnwaterbron is geen activiteit die is opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft voor deze activiteit geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
5.6.
Externe veiligheid
5.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 42
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen. Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet.
In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld. Externe veiligheid inrichtingen Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen. Externe veiligheid buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revb). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen. Externe veiligheid transport Het beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, via het spoor en via het water staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Hierin is het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' verankerd. Het primaire doel van dit Basisnet is het creëren van een plafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Aan de hand van deze maximale vervoerstromen gevaarlijke stoffen kunnen de externe veiligheidsrisico's worden bepaald. Gemeentelijk beleidskader In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 43
Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden. In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren. De invloedsgebieden van de risicobronnen zijn op kaarten weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van deze paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek.
5.6.2
Toetsing
Door Antea Group is een kwalitatieve risicoanalyse uitgevoerd (Bijlage 7). Het volledige onderzoek is als separate bijlage aan onderhavige onderbouwing toegevoegd. Hierna wordt de samenvatting van het onderzoek weergegeven.
Ondanks dat er met grote waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat er geen aardgas zal worden aangeboord tijdens de boring, is er voor de volledigheid toch een QRA uitgevoerd zoals die ook uitgevoerd wordt voor boringen naar aardgas. De op deze wijze uitgevoerde QRA heeft de volgende resultaten opgeleverd:
Plaatsgebonden risico contour De risicoanalyse heeft aangetoond dat: De risicocontour (10-6/jaar) geen kwetsbare objecten omvat; Hiermee wordt voldaan aan de normwaarde uit het Barmm.
Groepsrisico Binnen het invloedsgebied bevinden zich geen objecten met mensen. Daarom is er geen sprake van een groepsrisico: binnen het invloedsgebied bevinden zich geen mensen: de groepsrisico grafiek blijft leeg. Overigens stelt het Barmm geen eisen aan het groepsrisico. Invloedsgebied Het invloedsgebied, gedefinieerd als het gebied waar nog net 1% van de mensen om het leven kan komen, bedraagt maximaal 28 m gerekend vanaf de boorlocatie.
5.6.3 Conclusie Vanuit het aspect 'externe veiligheid' bestaan er geen belemmeringen voor het beoogde initiatief.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 44
5.7.
Ecologie
5.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 45
zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
5.7.2
Toetsing
Gebiedsbescherming Onderzoek stikstofdepositie Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 2,0 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen en betreft “Brunssummerheide”. Brunssummerheide is een heideen bosgebied in het oosten van Limburg. Gelet op de afstand tot de het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied is voor de realisatiefase een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De berekening is opgenomen in Bijlage 8 bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Als gevolg van de aanleg van een bron en backbone leiding is er sprake van een tijdelijke toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. De depositietoename zorgt voor een kleine toename van stikstofdepositie wat mogelijk zorgt voor een aantasting van natuurlijke kenmerken van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden rondom de projectlocatie. Ondanks deze kleine toename van stikstofdepositie kunnen met zekerheid (significant) negatieve effecten ten gevolge van de deposities worden uitgesloten voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden en de voor deze gebieden gestelde instandhoudingsdoelstellingen.
Momenteel bestaat er geen vastgesteld beleid ten aanzien van stikstofdeposities als gevolg van tijdelijke aanlegwerkzaamheden, waarbij sprake is van een tijdelijke toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen. De noodzaak voor het verkrijgen van een vergunning is ter beoordeling van het bevoegd gezag, de provincie Limburg
De pompen worden elektrisch aangedreven. Een stikstofonderzoek ten aanzien van de gebruiksfase is derhalve niet noodzakelijk.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 46
Soortbescherming Quickscan flora en fauna In het kader van voorgenomen ontwikkelin gis een quickscan flora en fauna uitgevoerd. voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 9. Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN (Goudgroene natuurzone). De provincie Limburg hanteert geen externe werking als het gaat om NNN. Wel ligt het plangebied binnen de Bronsgroene natuurzone. Gezien het plangebied bestaat uit een grotendeels braakliggend terrein met een kleine bosschage en leegstaand noodgebouw zijn de kernkwaliteiten behorende tot de bronsgroene natuurzone (groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorischerfgoed en het reliëf) niet aan de orde. Er wordt derhalve geen negatief effect verwacht op de bronsgroene natuurzone. De versterking van waarde in het braakliggend gebied is niet aan de orde aangezien de definitieve fase enkel betrekking heeft op de bouwwerken.
Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen.
Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.
Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren.
Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van de graslanden en bossen van de Koumenberg ten zuiden en westen van het plangebied. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen.
Amfibieën, reptielen en vissen
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 47
Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.
Ongewervelden / overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Bij het inrichten van het terrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad.
Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
Houtopstanden In relatie tot onderhavige ontwikkeling worden geen houtopstanden geveld. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
5.7.3 Conclusie Gebiedsbescherming In de realisatiefase is er sprake van een kleine toename van stikstofdepositie. Ondanks deze kleine toename kunnen met zekerheid (significant) negatieve effecten ten gevolge van de deposities worden uitgesloten voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden en de voor deze gebieden gestelde instandhoudingsdoelstellingen. De noodzaak voor het verkrijgen van een vergunning is ter beoordeling van de provincie Limburg Voor de gebruiksfase kan op voorhand een toename van stikstofdepositie worden uitgesloten, aangezien de pompen elektrisch worden aangedreven. Een stikstofonderzoek ten aanzien van de gebruiksfase is derhalve niet noodzakelijk. Soortenbescherming In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 48
om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen maatregelen te worden genomen om vertrooiing van licht tegen te gaan (bijvoorbeeld door verlichting laag te plaatsen of het licht af te kappen van de omgeving met kappen); nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft;
5.8.
Verkeer en parkeren
5.8.1
Verkeersgeneratie
Tijdens de aanleg van de locatie worden diverse mobiele werktuigen ingezet zoals graafmachines, tractors, vrachtwagens en een asfalteermachine. Indien de locatie aangelegd zal worden voor een grote toren zal voor de aanleg circa 120 zware vrachtvoertuigbewegingen plaats en circa 200 verkeersbewegingen met personenauto’s voor het vervoer van personeel. Bij selectie van een kleinere toren zal het aantal verkeersbeweging kleiner zijn. Voor transport naar locatie van de boortoren en benodigd materieel vinden circa 50 vrachttransporten (100 voertuigbewegingen) plaats. Na afloop van de boring zijn wederom circa 50 transporten benodigd om de boortoren en aanverwant materieel van locatie te voeren. Daarnaast zijn circa 5 vrachten per dag benodigd voor afvoer van boorgruis en aanvoer van materiaal.
Tijdens de gebruiksfase zal circa 1 keer per maand onderhoud plaatsvinden en er kan derhalve gesteld worden dat het initiatief niet permanent van een toename van de verkeersgeneratie zorgt. De planlocatie is gelegen op een bedrijventerrein naast een doorgaande weg. Gelet op de beperkte tijdelijke toename van het verkeer kan gesteld worden dat het initiatief geen verkeershinder zal opleveren.
5.8.2
Ontsluiting
Het besluitgebied zal worden ontsloten door de Ganzeweide. Er zal gebruik worden gemaakt van de inrichting en de bestaande wegen van het particuliere terrein, hierover zijn afspraken gemaakt met de eigenaar. Op onderstaande afbeelding is de beoogde ontsluiting weergegeven.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 49
Beoogde ontsluiting besluitgebied
5.8.3 Parkeren Ten tijde van de realisatiefase is op het bestaande terrein voldoende plaats om aan de tijdelijke parkeerbehoefte te voorzien. Het beoogde bestemmingsverkeer zoals weergegeven in paragraaf 5.8.1 zal niet allemaal tegelijkertijd op het terrein moeten parkeren en een aantal van de voertuigen zal ook slechts geringe tijd op het terrein aanwezig zijn. Tijdens de gebruiksfase vindt slechts eens per maand onderhoud plaats. Hiervoor is eveneens voldoende ruimte aanwezig om te parkeren.
5.8.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van 'verkeer en parkeren' bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 50
5.9.
Water
5.9.1 Toetsingskader Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk kunnen verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. In het kader van deze toets moet elk ruimtelijk plan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het besluitgebied, is eerst het relevant beleid samengevat en worden vervolgens de beleidsregels (eisen) aangehaald waarmee in de watertoets gerekend moet worden. Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken.
Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.
In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 51
te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.
Regionaal en gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid en is een uitwerking van het POL2014. Waterbeheersplan 2016-2021 Waterschap Limburg Het Waterbeheersplan 2016-2021 is het centrale beleidsplan van het waterschap. Het bevat de beleidsvoornemens voor de periode 2016-2021. Daarnaast wordt een globale doorkijk geboden naar de verdere toekomst. Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. Het beschrijft: hoe ze het watersysteem en waterkeringen op orde willen brengen; voor welke thema's ze aan de lat staan en hun strategie hiervoor; welke maatregelen ze gaan uitvoeren, wie de partners daarin zijn en hoe ze dit monitoren en bijsturen. Ook staat beschreven welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het optimaliseren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden.
De Keur is een document met regels die het waterschap hanteert om beken, dijken, waterwerken en grondwater in Limburg te beschermen. Het is een belangrijk document voor iedereen die bij, of met water, activiteiten onderneemt. In de keur zijn o.a. de normen opgenomen waaraan de verwerking van (hemel)water aan dient te voldoen. Deze normen heeft de gemeente Heerlen overgenomen en verwerkt in het Watertakenplan Heerlen 2020-2024. Watertakenplan Heerlen 2020-2024 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast en droogte in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Het Watertakenplan 2020-2024 omvat de volgende items: evaluatie verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020; omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 52
invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater; beleid, speerpunten en maatregelen; samenwerking Parkstad; personele en financiële middelen. Bij ontwikkelingsplannen die aansluiten op het gemeentelijk stelsel dient minimaal 35 mm waterberging ingepast te worden. Waterschap Limburg hanteert als uitgangspunt dat toekomstige hemelwatervoorzieningen vereist zijn bij een verhardingstoename groter dan 2.000 m2 en gedimensioneerd dienen te zijn op een bui van 80 mm met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur. Open bergingsvoorzieningen dienen een waakhoogte te hebben van 25 cm (bij voorkeur 50 cm) en voorzien te zijn van een duurzame (en bij voorkeur van een vaste regelbare) leegloopvoorziening van maximaal 2 l/sec/ha. Voorts dient een hemelwatervoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) aangelegd te worden. Aan de bovenkant van de voorgeschreven dynamische berging dient een calamiteitenleegloop aangelegd te worden met een maximale leegloop van 10l/s/ha.
5.9.2
Toetsing
Kenmerken van het watersysteem Grondwater Uit het sonderingsonderzoekonderzoek (Bijlage 10) blijkt de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de meetpunten varieert ten tijde van het onderzoek van ca. 76,6 tot 76,8 m + NAP. Op 30 juni 2021 is tot een diepte van ca. 75 m NAP geen grondwater aangetroffen. Tijdens het sondeerwerk op 2 september stond het grondwaterniveau op ca. 74,6 m NAP. Ook tijdens het boorwerk op 20-09-2022 is het grondwaterniveau gepeild. Er werd een waterstand gemeten van ca. 75,4 m NAP. Oppervlaktewater Direct ten westen van het besluitgebied is op grond van de leggerkaart van Waterschap Limburg primaire watergang 'Nieuwe Caumerbeek' gelegen. Het besluitgebied ligt buiten de primaire watergang. Op basis van de huidige bestemming is een deel van het besluitgebied bestemd als waterstaatsvoorziening (bufferbassin) en is een onderdeel van de watergang die grenst aan deze locatie. Het Waterschap Limburg heeft in overleggen reeds aangegeven dat deze bestemming voor hun niet meer relevant is. Hemel- en afvalwater Huidige situatie In de huidige situatie is het gehele terrein met een oppervlakte van ca. 2.500 m² voorzien van een halfverharding van puingranulaat met een dikte van 0,5 meter. Het terrein is licht aflopend naar het aangrenzende perceel van de Caumerbeek. Regenwater dat op het terrein valt, zal ter plekke infiltreren in de ondergrond van puinverharding.
Met een Holle ruimte percentage van 30% bedraagt de berging in het puingranulaat 1,0 x 0,5 x 30% = 0,15 m oftewel 150 mm. Zodoende kan een regenreeks van 80 mm geheel in de halfverharding geborgen worden. Mocht de ondergrond bij zeer hevige of langdurige neerslag onverhoopt verzadigd zijn, dan stroomt het regenwater in het uiterste geval af naar deze beek. Tijdelijke situatie (gedurende de boorfase) Voor de tijdelijke situatie is een regenwaterbuffer voorzien met een inhoud van 200 m³ (2.500 m² x 80 mm). Conform de eisen die gesteld worden aan boorlocaties dient dit afstromend regenwater te worden opgevangen in een vloeistofdichte voorziening. Deze buffer wordt derhalve vloeistofdicht uitgevoerd. Bij neerslag zal regenwater oppervlakkig naar de buffer afstromen en hier worden geborgen. Na bemonstering en analyse van het opgevangen regenwater wordt dit afhankelijk van de analyse resultaten en na overleg met het bevoegd gezag per tankwagen afgevoerd of geloosd op het gemeentelijk riool of in de Caumerbeek. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie blijft deze bestaande halfverharding gehandhaafd. Op deze halfverharding wordt een unit geplaatst met de afmetingen van 15 x 4,5 meter. Daarnaast zal rondom de boring een betonplaat worden aangelegd met de afmetingen van 8,0 x 8,0 meter.
Het regenwater van deze bouwwerken zal afstromen naar de bestaande halfverharding en zal, gelijk de huidige situatie, ter plekke infiltreren in de puinverharding. Ter plekke van de bouwwerken zal de halfverharding geen regenwater meer kunnen bergen. Het verhard omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 53
oppervlak neemt derhalve af met 8 x 8 + 15 x 4,5 = 132 m². De berging neemt derhalve af met 132 / 2.500 = 5%. Per vierkante meter kan dan nog 150 – 5% = 142 mm regenwater geborgen worden. Er is derhalve meer dan voldoende ruimte om een regenbui van 80 mm te bergen. Momenteel is geen infiltratieonderzoek beschikbaar. Op basis van de diverse grondonderzoeken die op het terrein hebben plaatsgevonden volgt dat de ondergrond bestaat uit een toplaag van 0,5 meter bestaande uit een halfverharding. Daaronder bevindt zich een leemlaag. Een halfverharding is over het algemeen zeer goed doorlatend, uit de literatuur volgen gemiddelden van 5.0 m/dag en meer. Leem daarentegen staat bekend om zijn zeer matige k-waarde. Uit de literatuur volgen gemiddelden van 0,3 m/dag. Regenwater zal derhalve direct wegzakken in de halfverharding en van daaruit moeten infiltreren in de leemlaag. Bij het bepalen van de leeglooptijd is derhalve gerekend met een zeer slechte k-waarde van 0,1 m/dag. Deze k-waarde zijn, tezamen met de overige gegevens, ingevuld in een spreadsheet. Deze spreadsheet is als Bijlage 11 aan onderhavige ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Hieruit volgt een leeglooptijd van de voorziening van 25 uur. Hiermee voldoet het systeem nagenoeg aan de gestelde leeglooptijd van 24 uur.