1. De ruimtelijke onderbouwing d.d. 12 april 2023.pdf
Tekst van het document
Op basis van deze berekening volgt dat een berging van 145 m³ voldoet, terwijl op het terrein in de halfverharding een berging aanwezig is die ruim 4x zo groot is dan de maximaal benodigde berging middels een dynamische berekening. Na 24 uur kan een volgende hevige regenreeks derhalve geheel in het systeem geborgen worden. In de toekomstige situatie is de kans op optredende wateroverlast derhalve en gelijk met de huidige situatie, 0. Tijdens de verdere voorbereiding zal een infiltratieonderzoek worden uitgevoerd om de k-waarde van de ondergrond definitief vast te stellen.
Overleg waterbeheerder Op 13 juli 2022 en op 14 september 2022 heeft een vooroverleg plaatsgevonden met onder andere Waterschap Limburg en Provincie Limburg. Het waterschap heeft aangegeven dat op het perceel geen waterstaatswerken meer gepland staan. Ook dient het perceel niet meer als overloopgebied bij hoogwater.
5.9.3 Conclusie Het aspect 'water' vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig voornemen.
5.10.
Archeologie
5.10.1 Toetsingskader Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die vanaf 1 juli 2016 deels is overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in ruimtelijke planen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Monumentenwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder.
Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens. omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 54
Gemeentelijk beleid Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013. Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht.
Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden. Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet vereist. Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder dan 40 cm diep. Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.
Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht.
Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht. In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoekplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".
5.10.2
Onderzoek
Op de meest actuele beleidskaartis valt onderhavig besluitgebied ondercategorie 5 'gebieden met een lage archeologische verwachtings-waarde'. Bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm én een verstoringsoppervlakte van meer dan 10.000 m² is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Voor deze locatie geldt dat een gebied van een kleine 5.000 m² omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 55
zal worden ontgraven tot maximaal ca. 60cm beneden maaiveld. Ter plekke zal een tijdelijke verharding worden aangebracht. Na gereedkomen van de werkzaamheden zal het terrein in de huidige toestand worden teruggebracht. Er is derhalve geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
5.10.3 Conclusie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor onderhavig voornemen.
5.11.
5.11.1
Cultuurhistorie
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
5.11.2 Toetsing Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt het besluitgebied en de directe omgeving niet aangeduid als een cultuurhistorisch element. De dichtbijzijnd gelegen element betreft een cultuurhistorisch vlakelement in de vorm van een oude stads- of dorpskern. Dit vlak is gelegen op een aantal gebouwen aan de Ganzeweide. Onderhavig initiatief heeft echter geen invloed op dit cultuurhistorisch element. Er zijn geen Rijksmonumenten, provinciale of gemeentelijke monumenten aanwezig in het besluitgebied en directe omgeving. Er is geen sprake van een beschermd stads- en dorpsgezicht of van werelderfgoed op het besluitgebied.
5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect 'cultuurhistorie' bestaan er geen belemmeringen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
5.12.
5.12.1
Niet gesprongen explosieven en na-ijleffecten mijnbouw
Toetsing
Niet gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het grondgebied van de gemeente Heerlen heeft in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen. Op basis van de gemeentelijke gegevens blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 56
een verdachte locatie. Er bestaat derhalve geen aanleiding is om aan te nemen dat de gronden ter plaatse van de beoogde mijnwaterbron verdacht zijn op het aantreffen van niet gesprongen explosieven. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Binnen de onverdachte gebieden kunnen werkzaamheden uitgevoerd worden zonder verdere maatregelen met betrekking tot OCE (Opsporing Conventionele Explosieven). Echter kan de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven nooit geheel worden uitgesloten. Daarom geldt in onverdachte gebieden het protocol toevalsvondsten CE.
Kaart explosieven met globale ligging besluitgebied (oranje cirkel)
Na-ijleffecten mijnbouw In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijke risico’s zoals beschreven in het rapport “naijlende gevolgen van de steenkolenwinning in Zuid-Limburg” van 14-12-2016 door het Ministerie van Economische Zaken, met betrekking tot ondiepe winning en/of protectie zone industriële schachten en/of risico`s door mijngas.
Op basis van de gemeentelijke gegeven is het besluitgebied niet gelegen binnen een risicogebied. Dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 57
Figuur 18 Kaart met verdachte locaties niet gesprongen explosieven
5.12.2 Conclusie Vanuit het aspect 'niet gesprongen explosieven en na-ijleffecten mijnbouw' bestaan er geen belemmeringen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 58
Hoofdstuk 6
Afweging belangen
De gewenste ontwikkeling de warmtebron is strijdig met het geldende bestemmingsplan 'Heerlerheide-West', zoals dit op 4 september 2009 door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld. De beoogde ontwikkeling is op basis van het vigerend bestemmingsplan niet mogelijk. De activiteiten passen qua gebruik niet binnen de bestemmingen. Het gebouw is eveneens strijdig met de bouwhoogte van bouwwerken. In het bestemmingsplan zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Het planvoornemen is derhalve niet rechtstreeks toegestaan ingevolge het thans vigerende bestemmingsplan. De realisatie en exploitatie van de warmtebron ten behoeve van een energienetwerk binnen het besluitgebied kan echter mogelijk worden gemaakt door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°). Een voorwaarde daarbij is dat middels een goede ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat het initiatief van een goede ruimtelijke ordening getuigt. In dat kader is onderhavige ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. Het initiatief past op de locatie betreffende een bedrijventerrein.
Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn rondom en binnen het besluitgebied aanwezig. Vooralsnog zal middels de beoogde ontwikkeling geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 59
Hoofdstuk 7
7.1.
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen als een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f.
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Hoewel er sprake is van een bouwplan op grond van artikel 6.12 lid 1 onder b is er geen sprake van exploitatiekosten. Het is derhalve niet noodzakelijk een anterieure overeenkomst af te sluiten.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 60
Hoofdstuk 8
8.1.
Procedure en overleg
Procedurestappen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan dient de uitgebreide procedure, zoals beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd. Hiertoe is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. Dit zijn onder andere: Aanvraag, ontwerpbesluit en/ of het definitieve besluit moeten op grond van zowel de Wabo als het Besluit omgevingsrecht (Bor) in bepaalde specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties worden toegestuurd. Te denken valt aan het orgaan dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft, de Inspectie, een ander bestuursorgaan dan het aangewezen bevoegd gezag, etc. Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen rechtstreeks in beroep gaan bij de Rechtbank, mits aan de eisen van artikel 6:13 Awb is voldaan. De beslistermijn van zes maanden begint te lopen op de dag ná de dag van ontvangst van een ontvankelijke aanvraag (art. 3.12 lid 7 Wabo). De beslistermijn van zes maanden mag éénmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12 lid 8 Wabo).
Bij een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo (de toestemming uit de Wabo die in de plaats komt van het projectbesluit) wordt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant geplaatst. De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor).
8.2.
Vooroverleg
In artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht is artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing verklaard. Voor deze procedure dient dan ook vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moet, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg worden gepleegd met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten.
Op 13 juli 2022 en op 14 september 2022 heeft een vooroverleg plaatsgevonden met onder andere Waterschap Limburg en Provincie Limburg. Het waterschap heeft aangegeven dat op het perceel geen waterstaatswerken meer gepland staan. Ook dient het perceel niet meer als overloopgebied bij hoogwater.
8.3.
Zienswijzen procedure omgevingsvergunning
Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken heeft vanaf … gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode was het mogelijk om een zienswijze in te dienen. In totaal zijn … zienswijzen ontvangen op de ontwerp omgevingsvergunning.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 61
8.4.
Beroep en hoger beroep
het verlenen van de vergunning kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank tegen de verleende vergunning. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
omgevingsvergunning Mijnwaterbron Ganzeweide Heerlen 62