Bijlage 2 Concept Eindrapportage Zicht op de Lelylijn
Tekst van het document
Figuur 3.6 Rijtijden Afsluitdijkalternatief Tabel 3.3 Rijtijden Afsluitdijkalternatief
29
iii. Kostenramingen Het Afsluitdijk alternatief kost….miljard met een bandbreedte van … tot ……miljard. e. De drie basisalternatieven naast elkaar In tabel 3.x zijn de drie basisalternatieven naast elkaar gezet om deze op een aantal kenmerkende aspecten te kunnen vergelijken. Al is de MIRT onderzoeksfase niet bedoeld om een keuze tussen alternatieven te maken, het is toch interessant om te zien wat de verschillen zijn. Dit is vooral bedoeld om van te leren en aandachtspunten mee te geven voor de volgende fase. Het MIRT onderzoek heeft veel informatie opgeleverd. Als eerste is te zien dat de drie basisalternatieven, waarvan ook nog variaties zijn bekeken (zie hiervoor bijlage xx Eindrapport Onderzoek Lelylijn-alternatieven), gezamenlijk een goed beeld geven van de mogelijkheden om een Lelylijn aan te leggen. Een belangrijke tweede les is dat alle drie de alternatieven te maken krijgen met aandachtspunten qua inpassing, zowel in het landschap en natuur als in stedelijk gebied.
30
Kenmerken Rijtijden Randstad - regio
Rijtijden regio
Bundelingsalternatief -
Groningen-Amsterdam Zuid 70 à 83 min. afhankelijk van variant Heerenveen en aantal stops (winst 36 à 49 min.)
-
Leeuwarden-Amsterdam Zuid 74 à 81 min. afhankelijk van variant Heerenveen en aantal stops (winst 40 à 47 min.)
-
Lelystad - Emmeloord: 13 minuten (nu 38 minuten) Emmeloord - Heerenveen: 14 minuten (nu 49 minuten) Heerenveen - Drachten: 8 minuten (nu 27 minuten) Drachten - Groningen: 13 minuten IC, 18 minuten stoptrein (nu 42 minuten)
-
Zuidelijk alternatief -
-
Afsluitdijkalternatief
Groningen-Amsterdam 87 min. (winst van 32 min.). Rijtijd Leeuwarden-Amsterdam is 80 min. (winst 41 min.)
-
Emmeloord - Assen: 25 minuten (nu 94 minuten) Lelystad - Emmeloord: 13 minuten (nu 38 minuten)
-
-
Groningen-Amsterdam Centraal 107 min. (winst 17 min.) Leeuwarden-Amsterdam Centraal is 78 minuten (winst 47 min.)
Alkmaar - Leeuwarden: 41 minuten (nu 120 minuten)
Optioneel: - Schagen - Leeuwarden: 33 minuten (nu 100 minuten)
Vervoerwaarde
35.000 - 52.000 ritten
28.000 ritten
17.000 ritten
Waarvan nieuwe ritten
19.000 - 26.000 ritten
10.000 ritten
7.000 ritten
Waarvan verplaatsingen van bestaande lijn naar lelylijn
16.000 - 26.000 ritten
18.000 ritten
10.000 ritten
31
Lengte bestaand spoor
Leeuwarden-Heerenveen 29 km
Assen-Groningen 28 km
Leeuwarden-Groningen 54 km
Lengte nieuw spoor
123 km
98 km
84 km
Doorsnijding natuurgebieden
Kosten
-
Natura-2000: 4.1 km NNN: 11.5 km
Gemiddelde met bandbreedte opnemen Meer duiding in rapport Arcadis
idem
Natura-2000: ondergronds NNN: 6.1 km
-
Natura-2000: 33 km NNN: 5 km
idem
32
Over de drie alternatieven kan op basis van bovenstaande tabel het volgende geconcludeerd: -
Het Bundelingsalternatief meenemen naar de volgende fase. Het Bundelingsalternatief trekt de meeste (nieuwe) reizigers aan, laat qua rijtijden een grote verbetering zien, zowel tussen de Randstad en Noordelijk Nederland als binnen Noordelijk Nederland en draagt daarmee veel bij aan de verbetering van de bereikbaarheid binnen de regio. Qua kosten ligt dit alternatief tussen beide andere alternatieven in.
-
Het Zuidelijk alternatief mee laten gaan naar de volgende fase. Dit alternatief trekt minder reizigers dan het Bundelingsalternatief, omdat Drachten en Heerenveen niet langs de lijn liggen, maar is qua rijtijden richting Groningen/ Leeuwarden wel snel en ligt grotendeels op hoge zandgronden wat voor water bodem sturend en qua investeringskosten gunstig is.
-
Het Afsluitdijkalternatief in de Verkenningsfase: beargumenteerd laten afvallen. Dit alternatief kent het minste aantal reizigers, doorsnijdt de meeste natuur als gevolg van de lange passage door het IJsselmeer en kent de hoogste investeringskosten. Bovendien doet dit alternatief niks voor Noord-Flevoland en Zuidwest Fryslân waar de bereikbaarheid per trein suboptimaal is of zelfs ontbreekt.
Spoorinnovaties Bij de uitwerking van een toekomstig ontwerp worden traditionele ontwerpprincipes en de nu bekende - en toegepaste technieken gebruikt. Kansen die in de komende 10 tot 20 jaar ontstaan door innovaties op het spoor worden daardoor mogelijk niet benut. Om deze reden is onderzoek gedaan naar spoorinnovaties die in de komende 10 tot 20 jaar kansrijk zijn voor de Lelylijn. Deze innovaties kunnen een gunstig effect hebben op de bouw en exploitatie. Het onderzoek wijst ook uit waar in de huidige uitwerking rekening mee gehouden moet worden. Verschillende innovaties zijn als positief beoordeeld en worden kansrijk gezien voor de Lelylijn, denk aan het koppelen van treinen als deze rijden. Doordat er geen treindeel meer stil hoeft te staan om te koppelen, scheelt dit tijd en neemt de spoorcapaciteit toe, omdat treinen korter op elkaar kunnen rijden. In bijlage [x] zijn deze te lezen.
Goederenvervoer Het uitgangspunt voor het onderzoek naar de alternatieven is dat de Lelylijn ook voor goederenvervoer gebruikt kan worden. De ontworpen infrastructuur voldoet aan de eisen voor goederenvervoer. Voor deze fase is er echter geen dienstregeling gemaakt waar ook goederenvervoer doorheen rijdt. Om de potentie van de lijn qua gebruik en exploitatie in beeld te brengen is dat in deze fase van een project ook nog niet noodzakelijk. Hoewel er waarschijnlijk extra inhaal- en wachtsporen nodig zijn, zijn deze nu niet meegerekend in de kostenraming. In een mogelijke volgende fase zal verder naar goederenvervoer moeten worden gekeken. Wanneer het spoor niet voor goederenvervoer geschikt hoeft te zijn, is er mogelijk een kleine reductie in het kostenniveau mogelijk omdat bepaalde keer- of wachtsporen niet hoeven te worden aangelegd. Hier is in de kostenraming vooralsnog geen rekening mee gehouden.
33
Onderliggend OV Het onderliggende openbaar vervoer (OV) speelt een belangrijke rol binnen het mobiliteitssysteem van de Lelylijn. Onderliggend OV omvat de OV-verbindingen aansluitend op de basisverbinding, in dit geval de Lelylijn. Denk daarbij aan de busverbindingen en de regionale spoorlijnen, maar ook aan deelmobiliteit. De Lelylijn kan de tweede hoofdas van het mobiliteitssysteem in Noordelijk Nederland vormen, waarbij de stations snel, betrouwbaar en frequent worden bereikt vanuit andere kernen met het onderliggende OV. Een systeem met hubs is daarbij essentieel. Hubs zijn knooppunten waar verschillende vormen van vervoer samenkomen, zoals bus, fiets en deelmobiliteit. De stations op de Lelylijn kunnen worden gezien als hub, maar ook een busknooppunt in andere kernen kan functioneren als hub. Dit concept zorgt voor gemakkelijke overstappen en betrouwbare en efficiënte reizen. Uit onderzoek is bekend dat de overstap binnen een reis de grootste stressfactor is, dus de overstap dient zo betrouwbaar en aantrekkelijk mogelijk te zijn. Dit maakt het OV-netwerk als één geheel werkend, zonder onderscheid tussen hoofd- en onderliggend netwerk. Reizigers uit plaatsen zonder station kunnen, door goed aansluitend openbaar vervoer op de Lelylijn, ook profiteren van snellere en frequente verbindingen.
Denk daarbij aan verder afgelegen regio's, zoals Noordoost Fryslân (via Drachten) en Oost-Groningen (via Groningen) en kernen als Urk (via Emmeloord) en Surhuisterveen (via Drachten). Taak regionale overheden In de voorgestelde structuur fungeert de Lelylijn als hoofdas, waar het onderliggende OV zo goed als mogelijk op aansluit en mensen brengt waar ze moeten zijn. Niet iedere reiziger maakt gebruik van de Lelylijn. De regionale overheden zijn daarbij verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het beheer van dit onderliggende OV-netwerk, wat essentieel is voor het optimaal benutten van de Lelylijn. Deze verantwoordelijkheid biedt kansen om de regionale bereikbaarheid te versterken, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Er zijn gerichte beleidskeuzes nodig om de regionale trein- en busconcessies goed in te richten. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat niet alleen de OVverbindingen met de Lelylijn verbeteren, maar ook bestaande regionale OV-verbindingen profiteren. Er zullen investeringen nodig zijn om de bestaande weg-, fiets- en businfrastructuur te verbeteren, zodat goede aansluitende verbindingen met de Lelylijn tot stand komen. Op parallelle lijnen kan mogelijk worden bezuinigd. Aanbevelingen voor vervolgonderzoek Essentieel is dat in een MIRT-verkenning Lelylijn ook investeringen in onderliggend OV worden meegenomen, in exploitatie en infrastructuur.
Hierdoor kan heel Noordelijk Nederland profiteren van de Lelylijn, waardoor de bijdrage aan de Brede Welvaart alleen maar groter wordt.
34
4. Ontwikkelperspectief NOVEX-Lelylijn Wat is het Ontwikkelperspectief Lelylijn? Het Ontwikkelperspectief Lelylijn is een toekomstschets, die gaat over de ruimte rondom de Lelylijn en welke keuzes daarin kunnen worden gemaakt. Het Ontwikkelperspectief Lelylijn gaat uit van de bundeling van de Lelylijn met de Rijkswegen A6/A7/A32 (het Bundelingsalternatief). Het Ontwikkelperspectief dient als basis voor de beschouwing of de Lelylijn de moeite waard is om te realiseren. In het Ontwikkelperspectief Lelylijn wordt voortgebouwd op de ruimtelijke voorstellen van Fryslân, Groningen en Flevoland en op een aantal deelonderzoeken op specifieke thema’s: -
Economische effecten (Bureau Buiten) Woningmarkteffecten (Companen) Gebiedspaspoorten natuur (RHDHV) Water en bodem sturend (SWECO) Werksessie landbouw (Elzinga & Oterdoom) Internationaal Vergelijkingsonderzoek (RUG)
Deze onderzoeken worden op pagina x kort toegelicht. NOVEX Lelylijn is een verbindende schakel tussen vier andere NOVEX gebieden (Metropoolregio Amsterdam, Regio Zwolle, Groningen-Assen en Groningen). a. Het doel van het Ontwikkelperspectief Het doel van het Ontwikkelperspectief Lelylijn is het laten zien van de kansen en mogelijkheden die de Lelylijn biedt voor ruimtelijke sturing en economische en maatschappelijke ontwikkeling. De kern van het Ontwikkelperspectief is dat de realisatie van de Lelylijn wordt gecombineerd met integrale gebiedsontwikkeling voor wonen, werken en voorzieningen met respect voor de kwaliteiten en identiteit van de regio. b. De kern van het Ontwikkelperspectief Lelylijn De essentie van het Ontwikkelperspectief is: - de verdere doorontwikkeling van het Stedelijk Netwerk in Noordelijk Nederland, - de ontwikkeling van een vitaal en aantrekkelijk platteland, - het versterken van de economische ruggengraat in het gebied met innovatieve economische clusters rondom de huidige en nieuwe stations, - met als uitgangspunt dat bij al deze ontwikkelingen water en bodem leidend zijn voor wat mogelijk is.
Betrokkenheid van omgevingspartijen Het Ontwikkelperspectief Lelylijn is in stappen opgesteld door Studio Bereikbaar. Eerst is een verkenning gedaan naar de mogelijkheden en kansen voor de Lelylijn in het “Inspiratieboek Lelylijn, Verkennende Houtskoolschets voor het integrale Ontwikkelperspectief (juli 2023)”. Dit is
35
gezamenlijk gedaan met de betrokken regionale en landelijke overheden. Ook is nog apart gesproken met groene en blauwe partijen en vertegenwoordigers van landbouworganisaties. Vervolgens zijn de ruimtelijke kaders en de programmatische opgaven geformuleerd en op basis daarvan de “Denkrichtingen voor het Ontwikkelperspectief (maart 2024)”. Met behulp van de Denkrichtingen zijn de mogelijke effecten en consequenties van de verschillende ruimtelijke keuzes doordacht. De Denkrichtingen zijn besproken met de betrokken overheden en de bestuurlijke achterban, de Adviesraad Lelylijn en het Wetenschappelijk Adviesteam. Zij hebben richting gegeven aan het hier beschreven Ontwikkelperspectief. Vanuit deze inbreng en op basis van analyses van de effecten van de Denkrichtingen is het Ontwikkelperspectief voor de Lelylijn 2050 opgesteld.
De Denkrichtingen voor het Ontwikkelperspectief (maart 2024) De vier Denkrichtingen voor het Ontwikkelperspectief vertegenwoordigen de hoeken van het speelveld. Ze dienden om te ontdekken wat kansrijke (combinatie van) bouwstenen zijn voor de toekomst. Deze denkrichtingen zijn een Lelylijn in een: - 30 minuten gemeenschap: overal in 30 minuten reistijd het grootste deel van de dagelijkse voorzieningen nabij. - Vitaal Ecoland: maximaal inzetten op natuur en water & bodem sturend. - Stedelijk Netwerk: inzetten op een samenwerkend netwerk van steden. - Internationale topregio: inzetten op een schaalsprong voor Groningen en Leeuwarden.
Deze essentie is verder uitgewerkt in vier pijlers die elkaar versterken maar wel elk een eigen invalshoek kennen: 36
1. Positionering van Groningen en Leeuwarden als banenmotors in Noordelijk Nederland. 2. Drie zelfstandige Daily Urban Systems, waarbij Lelystad en Heerenveen een schakel vormen tussen Noord-Nederland, Regio Zwolle en de Metropoolregio Amsterdam. 3. Vitale kernen op het platteland, behoud van rust en ruimte met voldoende reuring om voorzieningen en gemeenschappen te behouden/versterken. 4. Een goed functionerend bodem-, water-, en natuursysteem, als basisvoorwaarde voor elke toekomstige ontwikkeling. Hieronder (en in bijlage x) worden deze vier pijlers nader toegelicht. i.
Pijler 1: Positionering van Groningen en Leeuwarden
→ Groningen en Leeuwarden zijn de banenmotors van noordelijk Nederland. Een sterke economie begint hier. We investeren in een schaalsprong in Groningen en Leeuwarden om de economie aan te jagen. Ambities: Doordat bedrijven, huishoudens en instellingen zich bij voorkeur vestigen in de buurt van andere bedrijven, huishoudens en instellingen kunnen ze profiteren van elkaars aanwezigheid. Dit wordt agglomeratiekracht genoemd. Met de Lelylijn kan Noordelijk Nederland profiteren van de nabijheid van andere onderwijshubs en economische powerhouses in bijvoorbeeld Metropoolregio Amsterdam (MRA) en Regio Zwolle. Wat is daarvoor nodig? - Een snelle en comfortabele Lelylijn die de (psychologische) afstand kleiner maakt tussen de Randstad en de noordelijke regio. - Groningen en Leeuwarden maken een verdere doorontwikkeling en groei door. - In Groningen orde van grootte 40.000 – 50.000 woningen en 30.000 – 40.000 banen (t.o.v. heden). In de verstedelijkingsstrategie Regio Groningen-Assen is voor de stad een groei afgesproken van 32.000 nieuwe woningen en 28.000 banen (tot 2040). Het is dus een extra doorontwikkeling met versterking van ruimtelijke kwaliteit en behoud van openheid van het landschap. - In Leeuwarden orde van grootte 15.000 – 30.000 woningen en 15.000 – 20.000 banen (tov heden).
In Leeuwarden is meer stedelijke nabijheid nodig en meer OV- en fietsgericht (her)ontwikkelen in directe nabijheid van het station.
ii.
Pijler 2: Drie zelfstandige Daily Urban Systems
→ We onderscheiden een drietal Daily Urban Systems rondom de Lelylijn (Noord-Nederland, Regio Zwolle en de Metropoolregio Amsterdam). Om het stedelijk netwerk in Noord-Nederland goed te kunnen laten functioneren zullen Heerenveen en Drachten hun natuurlijke positie in het netwerk moeten innemen en dus groeien in omvang en stedelijkheid. Daarbij vormt Lelystad de verbinding tussen MRA en Noord-Nederland, om deze rol goed in te vullen zal zij ook moeten groeien in omvang. Emmeloord groeit in haar rol als centrumstad voor de Noordoostpolder en Urk. Ambities: Het gebied waarin de belangrijkste dagelijkse woon-werkverplaatsingen zich afspelen wordt het Daily Urban System genoemd. Om lange afstand pendel tegen te gaan is economische nabijheid binnen dit gebied essentieel. In het NOVEX Lelylijn gebied zijn er drie Daily Urban Systems 37
te onderscheiden: de Metropoolregio Amsterdam, Regio Zwolle en Regio Groningen-Leeuwarden. De stedelijke kernlocaties binnen deze regio’s liggen met een Lelylijn op maximaal ca. 30-45 OV-minuten van elkaar vandaan en kunnen zo profiteren van elkaars nabijheid. Hierdoor kunnen vooral Drachten, Heerenveen en Emmeloord groeien en hun regiofunctie beter vervullen. Wat is daarvoor nodig? - Een Lelylijn die met voldoende frequentie verschillende stedelijke kernen binnen de Daily Urban Systems kan verbinden. - Een sterke corridor heeft altijd meerdere ‘stepping stones’ langs de lijn. Op de A2 tussen Amsterdam en Eindhoven zijn dat bijvoorbeeld Utrecht en ‘s-Hertogenbosch. Langs de Lelylijn gaan Lelystad, Emmeloord, Heerenveen en Drachten die rol vervullen. - Lelystad en Heerenveen moeten zo profiteren van de schakelstadfunctie tussen drie stedelijke regio’s. - Drachten gaat haar rol vervullen als meest centraal gelegen stad in de regio NoordNederland met een sterk innovatiecluster. - Emmeloord versterkt de positie als centrumstad van Noordoostpolder en Urk.
iii.
Pijler 3: Vitale kernen op het platteland
→ Sterke steden en vitaal platteland hebben elkaar nodig. Bovenstaande pijlers zijn noodzakelijk om het platteland vitaal te houden. Met stedelijke voorzieningen dichtbij (stedelijk netwerk) en meer hoogstedelijke voorzieningen op middellange afstanden (Groningen, Leeuwarden en Lelystad) blijven de dorpskernen ook in de toekomst aantrekkelijke vestigingslocaties. De groene steden hebben nabij een robuuste groene omgeving nodig als ‘uitloopgebied’. Dit vraagt een kwaliteitssprong in belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Ambities: In de kernen op het platteland zijn Mienskip en Noaberschap centrale kernwaarden. Mensen kennen elkaar, voelen zich onderling verbonden en zijn trots op de hechte sociale banden, de buurt, de wijk, de cultuur, de taal en het landschap. Kleinschaligheid is de norm. Voor vitale kernen en vitaal platteland is een zekere mate van basis-bereikbaarheid nodig. Het platteland moet verbonden zijn met lokaal gewortelde wereldspelers. Toekomstige stationslocaties vormen belangrijke knooppunten waar alle vervoersmodaliteiten samenkomen. Wat is daarvoor nodig? - Een dekkend OV-systeem.
In aanvulling op de Lelylijn gaat dit over een complementair systeem van hubs voor de station/stad-regio overstap, met overstappunten voor collectief vervoer (HOV, flex- en doelgroepenvervoer, kleinschalig OV), (deel-)auto en fiets (doorfietsroutes en deelfietsen). - Bij de tracékeuze moet voorkomen worden dat dorpskernen geïsoleerd raken tussen de infrabundels. - Woningbouw en bedrijvigheid naar lokale aard, schaal, ondergrond en identiteit en dus geen grootschalige woningbouwontwikkeling in kleinere plaatsen, ook niet in kernen als Lemmer, Joure en Leek. - Behoud van leefbaarheid. Ontwikkelingen met oog voor de herstructurerings- en vernieuwingsopgave waar de kernen voor staan. - Realistisch en duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw.
38
iv.
Pijler 4: Een goed functionerend bodem-, water-, en natuursysteem
→ De ondergrond (het natuurlijk systeem) vormt de basis van ons Ontwikkelperspectief. Bodem, water en natuur zijn sturend in keuzes ten aanzien van toekomstige verstedelijking en ook infrastructuur. Ambities: Om in de toekomst in een veilige omgeving te leven, wonen en werken moeten water en bodem sturend zijn. Hiermee bereiden we ons voor op de gevolgen van klimaatverandering, op perioden met te veel en te weinig water en andere weersextremen. Verder bouwen we voort op het cultuurlandschap en werken aan een toegankelijk landschap van wereldklasse. Daarin worden het UNESCO Werelderfgoed Schokland en de Nationale Wederopbouwgebieden Noordoostpolder en Haskerveenpolder gekoesterd. Wat is daarvoor nodig? - Om water en bodem nu en in de toekomst sturend te laten zijn moet het vergroenen en verblauwen beschouwd worden als een ontwikkeldoel op zichzelf. Dat gaat onder andere over het herstel van cruciale schakels in het grondwater- en oppervlaktewater systeem. Binnen dat zo belangrijke watersysteem moet de Lelylijn zorgvuldig worden ingepast. Cruciale vraagstukken liggen er voor het Leekstermeergebied, Van Oordt’s Mersken en Heerenveen. - Lokaal wordt deze pijler doorvertaald naar gebiedsontwikkeling met zorg voor ruimte, water en landschap.
- Integrale gebiedsopgaven Tsjûkemar en Ketelmeer; - Openhouden van het landschap rondom de stad Groningen; - Behoud van kleinschaligheid in Leek, met zorg voor coulisselandschap van het Zuidelijk Westerkwartier; - Behoud van kleinschaligheid in Joure. Als hier wordt gedacht aan ontwikkelingen (wonen en werken) dan is de zuidelijke ontwikkelrichting de meest wenselijke gedacht vanuit ‘water en bodem sturend’; - Behoud van de karakteristieke landschappelijke structuur (wederopbouwgebied) Noordoostpolder. Als in Emmeloord gedacht wordt aan nieuwe uitleglocaties (wonen en werken) dan gaat vanuit ‘water en bodem sturend’ de voorkeur uit naar de oostkant (i.p.v. de westkant). Hierbij is alsnog extra aandacht nodig voor overstromingsrisico, grondwater, kwel en ruimte voor waterberging.
Niet kiezen is ook een keuze Wanneer niet gekozen wordt voor de Lelylijn, blijft niet alles zoals het vandaag de dag is: - dan is er buiten de steden Leeuwarden, Groningen en Lelystad niet voldoende massa voorhanden om krimp inwonerdichtheid tegen te gaan, - wordt het voor plaatsen als Heerenveen en Drachten moeilijk om werkgelegenheid en voorzieningen te behouden, - met negatieve effecten voor het platteland daaromheen, - blijven talentvolle jongeren wegtrekken door gebrek aan banen en perspectief, - blijft Noordelijk Nederland in hoofdzaak een perifeer gelegen achterland met dito economie en opgave, - en groeit het verschil met de rest van Nederland, qua inkomen, levensverwachting en 39
kansen. Veel kan en moet onafhankelijk van een Lelylijn. Denk aan: - de groeiambities in Groningen (strategie Regio Groningen-Assen) en Lelystad (strategie MRA), - investeren in openbaar vervoer, - en woningbouw gecombineerd met de grote onderhouds- en herstructureringsopgave. Zonder de Lelylijn mist Noordelijk Nederland een vliegwiel om deze opgaven goed aan te kunnen en de verschillen met de rest van Nederland te verkleinen.
Kader vullen met kort de onderliggende deelrapporten (op 1 pagina!!) Economie (Bureau Buiten) Het onderzoek van Bureau Buiten biedt inzicht in de potentiële effecten van de Lelylijn op de economie en werkgelegenheid. De vraag die centraal staat: “Kan de Lelylijn potentieel bijdragen aan de economie en economische structuurversterking van Noordelijk Nederland en daarbij ook een bijdrage leveren aan het versterken van de nationale economie?” Uit het onderzoek blijkt dat de Lelylijn kan zorgen voor (en zie schematische weergave): -
-
Substantiële werkgelegenheidsgroei, met name in Groningen en Leeuwarden. Het extra aantal banen in Noordelijk Nederland wordt geschat tussen de 17.700 en 25.200 banen. Extra banen als gevolg van extra woningbouw en groei van het aantal inwoners. Extra vraag naar kantoren, bedrijventerreinen en ruimte voor banen in gemengd stedelijk gebied. Ruimtelijke concentratie rond stations, gevolgd door de kern, minder in het gebied daaromheen. Positieve agglomeratie-effecten in steden én tussen steden , maar bescheiden van omvang. Niet alleen de steden Groningen en Leeuwarden profiteren daarvan, ook andere steden in het netwerk profiteren van de nabijheid van andere steden. Talent wordt aangetrokken en behouden door een verbeterde bereikbaarheid van banen. Brede welvaartseffecten: terugdringen van vervoersarmoede, inclusiviteit en de instandhouding van voorzieningen in landelijke gebieden. Kansen voor de vrijetijdseconomie: de recreatieve treinreiziger is veelal een cultuurbezoeker. Er zijn kansen voor deze sector (evenementen, sportwedstrijden, musea, stedelijk aanbod, UNESCO locaties, etc.)
40
De effecten zijn positief en breed, relatief klein, maar niettemin voor Noordelijk Nederland en voor Nederland wel van betekenis. Wonen (Companen) Door Companen is onderzoek gedaan naar de effecten op de woningmarkt van de volgende potentiële stationslocaties: Lelystad, Emmeloord, Lemmer, Joure, Heerenveen, Drachten, Leeuwarden, Leek, Groningen-Suiker en Groningen. De volgende onderzoeksvragen staan centraal: 1) Wat zijn de potentiële effecten van de komst van de Lelylijn op de woningmarkt in Noordelijk Nederland? en 2) Hoeveel extra woningbouw is te verwachten door de komst van de Lelylijn ten opzichte van de situatie zonder Lelylijn voor de periode 2035 tot 2050? Uit het onderzoek komt naar voren dat door de verbeterde bereikbaarheid de woonaantrekkelijkheid toeneemt. Hierdoor lijkt er een positief effect te zijn op het aantrekken van mensen vanuit andere delen van het land. De verwachting is dat dit een gestage ontwikkeling betreft. Daarnaast biedt de Lelylijn kansen om de agglomeratiekracht van steden te vergroten. Hiervoor is het van belang dat de woningbouwproductie wordt vergroot en dat deze wordt geconcentreerd in de stedelijke gebieden en in de nabijheid van stations. Als de aantrekkelijkheid van het stedelijk gebied toeneemt en het aantal inwoners sterker gaat groeien, zal de investeringsbereidheid in de bestaande woningvoorraad toenemen.
Dit heeft een positief effect op bestaande buurten en wijken in de nabijheid van stationslocaties. Het inschatten van de extra woningbehoefte als gevolg van de aanleg van de Lelylijn is afhankelijk van verschillende onzekerheden (migratie, beleidsmatige keuzes, etc.). Op basis van deze onzekerheden is een viertal ontwikkelscenario’s uitgewerkt. In de tabel hieronder is het effect op de woningbehoefte weergegeven.
Gebiedspaspoorten (Royal HaskoningDHV) De mogelijke realisatie van de Lelylijn heeft een grote impact op de mobiliteit en de economie, maar ook op landschap en natuur. Royal HaskoningDHV heeft daarom ingezoomd op vier natuurgebieden langs het Bundelingstracé A6/A7/A32: - Natura 2000-gebied Leekstermeergebied en het gebied Westpoort-Matsloot (Groningen) - Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken en de bossen van Beetsterzwaag (Fryslân) - Tsjûkemar (Fryslân) - Ketelmeer (op de grens van Natura 2000-gebieden IJsselmeer en Ketelmeer/Vossemeer in Flevoland)
41
Voor ieder natuurgebied zijn kansen en bedreigingen in kaart gebracht. Water en bodem sturend (SWECO) Het principe van ‘water en bodem sturend’ (afgekort WABOS) is een van de uitgangspunten voor de ontwikkeling van de Lelylijn. SWECO onderzocht wat dit principe betekent voor de mogelijke aanleg van de Lelylijn, waarbij het gebied van het Bundelingsalternatief A6/A7/A32 is bestudeerd. Uit het onderzoek komt naar voren dat op het grootste deel van het Bundelingsalternatief sprake is van slappe bodems. Daarnaast is op veel locaties sprake van een toenemende kans op hoge waterstanden. De kans daarop wordt groter onder invloed van klimaatverandering. Hier zal bij de ontwikkeling van de Lelylijn rekening mee moeten worden gehouden. Landbouw (Elzinga & Oterdoom) Elzinga & Oterdoom hebben samen met de projectorganisatie Lelylijn een werksessie landbouw georganiseerd. Vanuit de landbouwsector wordt in deze sessie aangegeven dat er geen behoefte is aan een Lelylijn. De sector heeft zorgen over de benodigde grond voor het spoor, de ruimtelijke ontwikkelingen in en om huidige en toekomstige stationsgebieden en dat extra landbouwgrond onttrokken wordt ter compensatie van doorsnijding van natuurgebieden. Tegelijkertijd komt in de werksessie naar voren dat wanneer er wel een Lelylijn wordt aangelegd, agrarische bedrijven levensvatbaar moeten blijven met een gezond toekomstperspectief.
Boeren willen ontzorgd worden. Het gaat dan niet alleen om geld, maar ook om instrumenten als kavelruil, ruilgrond, bedrijfsverplaatsing en stoppersregeling. Voorgesteld wordt om met een “landbouwparagraaf” concreet invulling te geven aan een pakket van instrumenten om de agrarische sector toekomstperspectief te bieden. Een Landbouw Effect Rapportage (LER) is wenselijk om de impact van de Lelylijn in kaart te brengen op de landbouwsector. Internationaal Vergelijkingsonderzoek (RUG) …
42
5. Brede Welvaart De laatste jaren richten Rijk, provincies en gemeenten hun beleid op het bereiken en verbeteren van ‘brede welvaart’. Met ‘brede welvaart’ wordt bedoeld ‘alles wat het leven de moeite waard maakt’. Brede welvaart betekent meer dan geld en materiële goederen en diensten. Het gaat ook om factoren als gezondheid, veiligheid, de kwaliteit van woon- en leefomgeving, kansengelijkheid en beschikbaarheid van maatschappelijke voorzieningen als onderwijs. In dit hoofdstuk wordt gekeken wat de invloed van de Lelylijn is op de brede welvaart van de inwoners van (Noordelijk) Nederland. a. Een bredere benadering voor de Lelylijn Nederland kent aanzienlijke regionale verschillen in brede welvaart, waarbij bepaalde regio's te maken hebben met gestapelde achterstanden op meerdere gebieden zoals gezondheid, inkomen, werkgelegenheid, en toegang tot voorzieningen. Deze verschillen worden mede veroorzaakt en versterkt door overheidsbeleid dat zich voornamelijk richt op economische centrumgebieden zoals de Randstad en de regio Eindhoven (Elke regio telt, 2023). Binnen infrastructuurprojecten wordt traditioneel gekeken naar economische indicatoren zoals het bruto binnenlands product (BBP) en de vermindering van fileknelpunten. Echter, deze benadering valt vaak negatief uit voor regio's met achterstanden, waar positieve BBP-effecten minder snel te verwachten zijn.
Voor projecten komt dit tot uiting in negatieve maatschappelijke kostenbatenanalyses (MKBA's). Daarbij geldt ook dat het traditionele begrip van welvaart, gemeten in termen van inkomen en BBP, onvoldoende is om de kwaliteit van leven volledig weer te geven. Voor het project Lelylijn is nadrukkelijk gekozen voor een bredere benadering, namelijk het inzichtelijk maken van brede welvaartsaspecten. Het principe van brede welvaart kijkt verder dan economische groei, namelijk ook naar welzijn, gezondheid, milieu, sociale cohesie en de kwaliteit van de leefomgeving. Deze benadering kan helpen de sociaal-economische structuur van achtergebleven regio's te versterken en te voorkomen dat investeringen alleen in economisch sterke gebieden terechtkomen.
43
b. Definitie Brede Welvaart Brede welvaart wordt gemeten aan de hand van verschillende dimensies en indicatoren. In Nederland wordt dit vaak gedaan door de Monitor Brede Welvaart van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Brede welvaart omvat de kwaliteit van leven in het hier en nu, de effecten op toekomstige generaties en de invloed op mensen op andere plekken. Deze drie dimensies omvatten thema's, zoals welzijn, materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, wonen, samenleving, veiligheid en milieu om de brede welvaart te evalueren (thema’s kort toelichten, zinnetje per thema). Voor het onderzoek naar de Lelylijn zijn ook deze dimensies en thema's gebruikt.
c. Onderzoeksaanpak Er is gebruik gemaakt van een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve methoden om de brede welvaartseffecten van de Lelylijn in kaart te brengen. i. Kwantitatief onderzoek en kwalitatief onderzoek (splitsen in 2 subkopjes) Naast de burgerraadpleging zijn er voor een deel kwantitatieve analyses gedaan naar de Brede Welvaartseffecten naar de Lelylijn. TNO en VU hebben een kwantitatief onderzoek gedaan middels ruimtelijke modellen. Dit geeft waardevolle inzichten, zoals de impact van de Lelylijn op de woningmarkt, de verwachte banengroei en verandering in gebruik van auto, fiets en OV. Echter, deze gegevens geven slechts een deel van het volledige plaatje weer, omdat brede welvaart ook immateriële aspecten zoals welzijn, gezondheid, sociale cohesie en milieu omvat. Daarom is er ook een verdiepend kwalitatief onderzoek, middels workshops, toegepast. Op deze wijze is geprobeerd om een volledig beeld van brede welvaart te verkrijgen, inclusief subjectieve percepties en zorgen van de inwoners. CMO-STAMM en het Fries Planbureau hebben het verdiepende kwalitatief onderzoek uitgevoerd. De workshops hebben plaatsgevonden in Leeuwarden, Groningen, Heerenveen, Drachten, Leek/Tolbert en Emmeloord. In totaal namen 141 deelnemers deel, variërend van scholieren en studenten tot werkenden en gepensioneerden.
Het doel daarbij was om op tafel te krijgen wat de Lelylijn nog meer gaat betekenen voor mensen in Noordelijk Nederland. Gaan ze hun leven anders inrichten, welke positieve en negatieve effecten heeft deze lijn op hun dagelijks leven? Gaan ze andere keuzes maken, gaan ze anders wonen, werken, studeren. En welk effect heeft dat op hun ervaren brede welvaart. Het gaat daarbij om de percepties van inwoners. Aanvullend is er binnen de NOVEX werklijn nog verdiepend kwalitatief onderzoek gedaan naar de effecten op de woningmarkt en de economie. Deze resultaten worden ook deels in dit hoofdstuk weergegeven. 44
d. Resultaten De gepresenteerde resultaten geven inzicht in de mogelijke brede welvaartseffecten. Dit is gedaan op basis van bovengenoemde onderzoeken en wordt per thema inzichtelijk gemaakt. Het gaat daarbij over te verwachten effecten. i. Welzijn Inzichten kwantitatieve methode:
Verandering ervaren nut (tijd, wonen, materieel)
Kortere reistijden naar voorzieningen
Inzichten kwalitatieve methode Mogelijke positieve verwachtingen: - De Lelylijn geeft de mogelijkheid tot meer keuzevrijheid in opleidingen en banen, betere toegang tot voorzieningen. - Verbeterde verbindingen tussen steden en dorpen kunnen sociale cohesie vergroten en zorgen voor een sterker gevoel van verbondenheid met de rest van Nederland. Hierdoor kan de kwaliteit van leven voor bewoners verbeteren. Mogelijke negatieve verwachtingen: - Er is een risico dat de lokale identiteit en saamhorigheid onder druk komen te staan door de instroom van nieuwe bewoners en toegenomen drukte. - Mogelijke aantasting van rust en ruimte. ii.
Materiële welvaart
Inzichten kwantitatieve methode: Nader in te vullen
45
Regionale inkomens (inclusief effect relocatie)(concept) Inzichten kwalitatieve methode: Mogelijke positieve verwachtingen: - De verwachting op basis van de gedane onderzoeken is dat de Lelylijn de werkgelegenheid en het inkomenspotentieel in de regio zal vergroten doordat inwoners toegang krijgen tot een bredere arbeidsmarkt. - Nieuwe bedrijven zullen mogelijk in de regio vestigen. Dit kan de economische structuur verbeteren en kansengelijkheid bevorderen. Mogelijke negatieve verwachtingen: - Een keerzijde is de mogelijke stijging van huizenprijzen, wat de betaalbaarheid van woningen voor lokale bewoners kan verminderen. - Lokale bedrijven kunnen ook te maken krijgen met verhoogde concurrentie van nieuwe bedrijven.
Verwachte aantal banen - In de toekomstscenario WLO Hoog gaat in de periode 2022-2050 wordt er een totale groei (zonder Lelylijn) van 62.000 banen verwacht (de eerste 34.000 voorzien in de periode tot 2035). - De extra banengroei als gevolg van de Lelylijn is tussen de 18.000 banen (laag scenario) en 32.000 banen (hoog scenario).
iii.
Gezondheid
Inzichten kwantitatieve methode: Nader in te vullen Inzichten kwalitatieve methode: Mogelijke positieve verwachtingen: - Betere toegang met de Lelylijn tot zorgvoorzieningen, zoals specialistische ziekenhuizen, kan bijdragen aan een betere gezondheid. 46
-
De Lelylijn kan ook bijdragen aan meer beweging doordat meer mensen gebruik gaan maken van het OV. Daarbij voor het voor- en natransport de fiets gaan gebruiken.
Mogelijke negatieve verwachtingen: - De aanleg van de spoorweg kan tijdelijke negatieve effecten hebben op de lokale gezondheid door geluidsoverlast en vervuiling tijdens de bouw. iv.
Arbeid en vrije tijd
Inzichten kwantitatieve methode: Nader in te vullen
Verandering aantal banen
(concept)
Verandering Arbeidsuren aangeboden (concept)
Inzichten kwalitatieve methode: Mogelijke positieve verwachtingen: - Kortere reistijden kunnen de werk-privébalans verbeteren en meer mogelijkheden bieden voor recreatie. Dit kan de levenskwaliteit en arbeidsparticipatie verhogen. - Mogelijk kan ook het talent in de regio worden behouden. Mogelijke negatieve verwachtingen: - Potentiële druk op lokale recreatieve voorzieningen door een toename van bezoekers van buiten de regio kan leiden tot overbelasting en vermindering van de kwaliteit van deze voorzieningen. - Het is mogelijk dat er meer lange-afstandspendel ontstaat. v.
Wonen
Inzichten kwantitatieve methode: Nader in te vullen Uit de kwantitatieve studie van TNO en VU blijkt dat er mogelijk verdringing van lager opgeleiden ontstaat op de huizenmarkt in de Noordoostpolder en een deel van Fryslân en Groningen
47
Verandering gevestigde huishoudens
Inzichten kwalitatieve methode: Mogelijke positieve verwachtingen: - De Lelylijn geeft mogelijkheden tot gebiedsontwikkeling voor wonen en werken bij de halteplaatsen aan de Lelylijn, maar ook in verder gelegen kleinere kernen. Dit geeft meer keuzevrijheid bij het zoeken naar een woning. In het hoofdstuk NOVEX ontwikkelperspectief is dit verder uiteengezet. Mogelijke negatieve verwachtingen: - Verwachte stijging van huizenprijzen door verhoogde vraag kan leiden tot verminderde betaalbaarheid voor lokale inwoners. Mogelijke verdringing van huidige bewoners door nieuwe bewoners met hogere inkomens.
Aantal woningen - Groeiverwachting zonder Lelylijn: 66.000 extra woningen (+18%) ten opzichte van huidige situatie. Uitgaande van de provinciale en gemeentelijke prognoses inclusief de afspraken uit de woondeal. - Groeiverwachting als gevolg van de komst van de Lelylijn (zonder verdere beleidsmatige ingrepen): bandbreedte 85.000 (+23%) tot 100.000 (+27%) extra woningen ten opzichte van huidige situatie.
vi.
Samenleving
Inzichten kwantitatieve methode: Nader in te vullen Inzichten kwalitatieve methode: Mogelijke positieve verwachtingen: - Toename in diversiteit van de bevolking kan leiden tot een inclusievere samenleving. - Behoud van vitaliteit in de kernen. 48
Mogelijke negatieve verwachtingen: - Vermindering van lokale cohesie en dorpsgevoel door instroom van nieuwe bewoners en vertrek van lokale bewoners vii.
Veiligheid
Inzichten kwantitatieve methode: - Nader in te vullen Inzichten kwalitatieve methode: Mogelijke positieve verwachtingen: - De perceptie van deelnemers aan het kwalitatieve onderzoek is dat er minder wegverkeer zal zijn met de komst van de Lelylijn en daarmee minder verkeersslachtoffers. Echter, de inschatting is dat de Lelylijn zal leiden juist tot meer wegverkeer. Mogelijke negatieve verwachtingen: - De toename van het aantal reizigers en de mogelijke drukte rondom stations kunnen leiden tot veiligheidsrisico's zoals diefstal, vandalisme en ongevallen. - De aanleg van de spoorlijn kan tijdelijke veiligheidsrisico's met zich meebrengen. viii.
Milieu
Inzichten kwantitatieve methode: Nader in te vullen
Figuur 1 Toe- of afname OV (aandeel)
Auto Fiets OV
Referentie (geen Lelylijn) 51,3% 29,1% 19.6%
(met Lelylijn) 50,6% 29,4% 20,0%
Inzichten kwalitatieve methode: Mogelijke positieve verwachtingen: - De Lelylijn draagt bij aan bevordering van duurzame vervoersopties. Inwoners krijgen namelijk meer keuze tot collectief vervoer. 49
Mogelijke negatieve verwachtingen: - De aanleg van spoorwegen kan negatieve effecten hebben op natuurgebieden en biodiversiteit, zoals versnippering van leefgebieden en verstoring van lokale ecosystemen. - Er is een risico op milieuvervuiling tijdens de bouwfase. e. Doelgroepen De klankbordgroep Brede Welvaart heeft de aanbeveling gedaan om de brede welvaartseffecten voor verschillende doelgroepen in kaart te brengen. De ervaren brede welvaart verschilt namelijk per persoon en per levensfase. Voor het kwalitatieve onderzoek, middels workshops, naar de brede welvaartseffecten van de Lelylijn zijn daarbij de volgende doelgroepen geïdentificeerd: Scholieren en Studenten: Scholieren en studenten maken veel gebruik van het openbaar vervoer voor hun dagelijkse reis naar onderwijsinstellingen. Ze vormen een belangrijke groep omdat zij de toekomstige beroepsbevolking vertegenwoordigen en hun mobiliteit en toegang tot onderwijs directe invloed heeft op hun welzijn en toekomstige kansen. Uitkomsten: Scholieren en studenten verwachten over het algemeen veel positieve brede welvaartseffecten van de Lelylijn. Vooral op het gebied van arbeid en vrije tijd, materiële welvaart, en welzijn zijn ze positief. Wonen en veiligheid worden het meest negatief beoordeeld.
Voor scholieren en studenten, de doelgroep waar velen nu nog geen eigen huis hebben, maar die dit in de toekomst wel willen kopen, zal dit dus een sterk negatief effect hebben op de brede welvaart.
Werkenden / Forensen: Werkenden, die dagelijks pendelen tussen hun woonplaats en werkplek, vormen een cruciale doelgroep. De Lelylijn kan hun reistijd verkorten en de bereikbaarheid van werkgelegenheid vergroten, wat kan leiden tot een betere balans tussen werk en privé en verhoogde arbeidsparticipatie. Uitkomsten: 50
Werkenden / forensen hebben voor alle aspecten van brede welvaart een positieve, dan wel neutrale verwachting van de Lelylijn. Opvallend is dat effecten op wonen door forensen meer positief dan negatief wordt verwacht, in tegenstelling tot scholieren en studenten. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat forensen al een huis hebben gekocht, of in een huis wonen waar ze willen blijven wonen in de toekomst, waardoor de verwachte stijging van de huizenprijzen minder van invloed is op hun brede welvaart. De stijging van de huizenprijzen zal juist voor deze groep een positieve invloed hebben op de brede welvaart, omdat mensen hun eigen huis in waarde zien stijgen.
Gepensioneerden: Gepensioneerden hebben specifieke behoeften aan mobiliteit, vooral voor sociale contacten, toegang tot zorg en recreatie. Voor deze groep kan de Lelylijn bijdragen aan een betere toegang tot voorzieningen en sociale netwerken, wat hun algemene welzijn en kwaliteit van leven kan verbeteren. Uitkomsten: Gepensioneerden laten een iets kritischere houding zien. Deze doelgroep verwacht de meest positieve effecten op het gebied van arbeid en vrije tijd en de samenleving, en is vooral negatief over de effecten op wonen en het milieu. Planbureau Fryslân (2022) concludeerde in eerder panelonderzoek dat jongvolwassenen vaker positief zijn over de Lelylijn dan pensioengerechtigde inwoners. De verklaring daarvoor is dat voor hen de te verwachten voordelen op het gebied van werk zwaarder wegen. Voor pensioengerechtigde leeftijdsgroepen wegen juist de te verwachten nadelen op het gebied van natuur en gemeenschapszin zwaarder.
51
Uitkomsten per regio:
52
Figuur 2 Per aspect van brede welvaart het meest genoemde voor- en nadeel per ratio
53
6. Lelylijn Internationaal Een van de doelstellingen van de gezamenlijke overheden is om, na het verbeteren van de verbindingen binnen Nederland en binnen de regio, ook de verbinding met Duitsland te verbeteren. Op dit moment werkt het project Wunderline aan een eerste stap, het herstellen van de verbinding Groningen - Leer. In het onderzoek “Lelylijn Internationaal”, is onderzocht wat de volgende stappen kunnen zijn voor het verbeteren van de internationale verbindingen naar onder andere Duitsland, wat dit oplevert en wat daarvoor nodig is. De Wunderline als internationale schakel tussen Lelylijn/Noord-Nederland en Bremen De Wunderline, de spoorlijn Groningen - Winschoten - Leer - Bremen, vormt de internationale schakel tussen de Lelylijn, Noord-Nederland en Duitsland/Bremen. In verschillende bouwstappen is voorzien om de reistijd op het traject te verkorten (Wunderline, 2023). Belangrijke randvoorwaarde hierin is het herstel van de Friesenbrücke tussen Weener en Leer om treinverkeer vanuit Nederland rechtstreeks naar Leer weer mogelijk te maken, dit is voorzien voor 2025. In ‘Bouwstap 1’, ook voorzien voor eind 2025, wordt de treindienst versneld, door verhoging van de maximale snelheid op een aantal trajecten naar 120 km/h of 130 km/h. Dit verkort de reistijd tussen Groningen en Bremen van 2u 43 min naar 2u 26 min. Deze stap loopt en is bekostigd.
Voor ‘Bouwstap 2’ is nog geen volledige bekostiging en onzeker is wanneer deze kan worden uitgevoerd. Hiermee zou de reistijd verder worden verkort naar 2u 11 min. Ook wordt gestreefd naar een rechtstreekse treindienst Groningen - Bremen zodat de overstap in Leer vervalt. a. De grensregio’s in beeld Als eerste stap is het gebied rondom het internationale deel van de Lelylijn in kaart gebracht. Qua bevolkingsdichtheid zijn de regio’s aan beide zijden van de grens relatief dunbevolkte, perifere gebieden, die tegen dezelfde problemen aanlopen: jongeren trekken weg, er is sprake van vergrijzing, er zijn weinig kansen voor ontplooiing via werk of opleiding en er is weinig vernieuwing en innovatie. Dit beperkt de mogelijkheden voor huidige en toekomstige economische groei. Het bedrijfsleven geeft aan dat werknemers lastig te vinden zijn en dat opleidingsplaatsen niet kunnen worden gevuld. Het beperkte aanbod aan openbaar vervoer in de regio is hiervoor een belangrijke oorzaak.
54
Figuur 5.1 Bevolkingsdichtheid grensregio’s Nederland en Noord-Duitsland
Vanuit Nederland en Duitsland bezien liggen Groningen en Leer-Oldenburg vrij perifeer. Vanuit de internationale kaart (zie figuur 5.2) zijn er wellicht kansen voor een internationale treinverbinding op de as van Amsterdam – Groningen – Bremen – Hamburg -Scandinavië, waardoor de grensregio’s door kunnen ontwikkelen tot een regio met een sterker economisch profiel.
Figuur 5.2 Noord-West Europese spoorkaart
b. Opbouw van het onderzoek
55
Het onderzoek Lelylijn Internationaal is in zes verschillende scenario’s uitgewerkt. Hierbij is gekeken naar de vervoerwaarden, dienstregeling, infrastructuur en kosten, effecten op goederenvervoer en brede welvaartseffecten. De zes scenario’s zijn verdeeld in twee groepen.
Betrokkenheid van omgevingspartijen In het kader van het onderzoek naar de effecten van een internationale verbinding op de brede welvaart is gesproken met Groningen, Nedersaksen, Bremen, Cross-Border institute RUG en het Duitse ministerie van Infrastructuur [PM gesprek]. AANVULLEN
Belangrijke begrippen dit hoofdstuk -
-
Vervoerwaarde: het dagelijks gebruik van de internationale spoorlijn. Dit getal laat het mogelijke aantal ritten in een etmaal zien op de internationale spoorlijn. Dit kunnen ritten zijn van een paar kilometer of het hele tracé. Bijvoorbeeld: Amsterdam - Kopenhagen is één rit, maar Groningen - Bremen ook. Deutschlandtakt: dit is de Duitse landelijk geïntegreerde dienstregeling met regelmatige tussenpozen. Duitsland pakt hiermee de infrastructuurplanning aan en kiest om eerst de dienstregeling te ontwikkelen en daarna de infrastructuur. Geïntegreerde treinen: dit zijn treinen in de dienstregeling die gebruikmaken van (een deel van) de reeds geplande trein(paden) in de dienstregeling. Hiermee gaan er geen extra treinen rijden, enkel met andere doorkoppelingen of (enigszins) sneller. On-top treinen: dit zijn treinen in de dienstregeling die geen gebruik maken van (een deel van) de reeds geplande trein(paden) in de dienstregeling maar juist erbij of boven op de geplande dienstregeling komen in een nieuw eigen pad. Knopen: dit zijn op een bepaald station (knooppunt) de tijdstippen waarvoor treinen in het station aankomen en waarna treinen het station verlaten om zo een goede en korte overstap tussen treinen te garanderen.
i.
Scenario’s A t/m C: situatie zonder Lelylijn
Eerst zijn drie scenario’s bekeken zonder toevoeging van de Lelylijn. Deze scenario’s zijn gebaseerd op de stappen van de Wunderline en dienstregelingsinpassing op basis van Deutschlandtakt. De internationale lange afstandstreinverbinding (Amsterdam - Bremen) verschilt per scenario in overstappen en direct aanbod: A. Dit is de huidige situatie mét herstel van de Friesenbrücke bij Weener. Er is dan geen rechtstreekse verbinding Amsterdam - Bremen - Hamburg (Wunderline). B. Een rechtstreekse intercity Amsterdam - Bremen - Hamburg, via Osnabrück (grensovergang Bad Bentheim) en een regionale verbinding Groningen - Oldenburg. Vanuit Groningen (grensovergang Bad Nieuweschans) dient één keer te worden overgestapt om Bremen of Hamburg te bereiken. C. Rechtstreekse verbinding Groningen - Bremen. Vanuit de Randstad moet zowel via Osnabrück (grensovergang Bad Bentheim) als via Groningen - Leer (grensovergang Bad Nieuweschans) één keer worden overgestapt. 56
Deze drie scenario’s zijn naast elkaar gezet om een goed beeld te geven van de (on)mogelijkheden voor verbetering van de verbindingen met Duitsland (Bremen - Hamburg) zonder een Lelylijn. Hiermee wordt niet voldaan aan de TEN-T vereisten. ii.
Scenario’s D t/m F: situatie met Lelylijn
De volgende drie scenario’s zijn gericht op snelle, doorgaande internationale treinverbindingen (doorgekoppeld vanuit de Lelylijn) en de daarbij ondersteunende infrastructuur. Hierbij wordt altijd aan de TEN-T eisen voldaan (160km/u en geëlektrificeerd). De internationale lange afstandsverbinding (Amsterdam - Bremen) is in ieder scenario een directe lijn maar verschilt qua snelheid: D. Een rechtstreekse verbinding IC Amsterdam - Groningen - Bremen en minimale TEN-Tinfrastructuur, 160 km/u; E. Een rechtstreekse verbinding ICE Amsterdam - Groningen - Bremen - Hamburg, 200 km/u; F. Een rechtstreekse verbinding ICE Amsterdam - Groningen - Bremen - Hamburg - Scandinavië, 300 km/u HSL. Deze drie scenario’s laten stapsgewijs de verbetering zien die dankzij een Lelylijn met internationale verbinding tot stand komt.
c. Resultaten i.
Vervoerwaarden
De scenario’s A t/m C, zonder Lelylijn, realiseren een zeer beperkte verbetering voor de doorgaande lange afstandreizigers via de internationale Lelylijn-corridor (Amsterdam - Groningen - Bremen Hamburg e.v.). Jaarlijks gaat het om ongeveer 250.000 lange afstandreizigers (750 per dag). Door verbeteringen in Deutschlandtakt worden de routes via Bad Bentheim (Berlijn corridor) en Emmerich juist sneller en aantrekkelijker. Ook in Nederland wordt gestudeerd naar verbeteringen op deze corridors.
57
Bij scenario D wordt de internationale Lelylijn-corridor belangrijker voor de internationale lange afstandreizigers. In scenario D (160 km/u) gaat het om zo’n 1 miljoen jaarlijkse reizigers (ca 3.000 per dag). Hierbij zit de grootste winst in het verbeteren van de internationale bereikbaarheid van Groningen naar Duitsland (b.v. Groningen – Hamburg) en van Bremen vanuit Nederland (Amsterdam – Bremen). In scenario E (200 km/u) neemt dankzij de hogere snelheid het aantal reizigers verder toe en gaat het om zo’n 2,5 miljoen jaarlijkse reizigers (ca 7.500 per dag). Hierbij zit de grootste winst in het verbeteren van de verbinding tussen de Randstad en Noord-Duitsland. Tevens wordt de internationale Lelylijn-corridor interessanter voor reizigers tussen de Vlaamse Ruit en NoordDuitsland (Bremen en Hamburg). In scenario F (300 km/u) gaat het om zo’n 3,5 miljoen jaarlijkse reizigers (ca 10.000 per dag). Dit is vergelijkbaar met de grensovergang Emmerich. De veronderstelling is dan wel dat in Emmerich en het Duitse/Belgisch HSL-netwerk geen aanvullende investeringen gedaan worden. In dit scenario zit de grootste extra reizigerswinst in het verbeteren van de verbinding tussen Parijs en Londen naar Noord-Duitsland. De verbinding Amsterdam - Groningen - Bremen - Hamburg wordt daarmee een volwaardig onderdeel van het internationale HSL-netwerk. ii.
Dienstregeling
De scenario’s A t/m C sluiten aan of zijn geïntegreerd met de dienstregeling van de beoogde stappen van de Wunderline en Deutschlandtakt. De lange afstandsverbindingen Amsterdam - Bremen/ Hamburg e.v. zijn in deze scenario’s sneller via de Berlijn-Corridor (via Bad Bentheim) met overstap in of rechtstreekse trein naar Osnabrück. Dit komt ook door de snelheidsverbeteringen op deze route die zijn opgenomen in de Deutschlandtakt. In de scenario’s D t/m F zijn, boven op de Lelylijn aan Nederlandse zijde, verdere aanbodontwikkelingen in Duitsland als gevolg van Deutschlandtakt opgenomen. Het regionale aanbod blijft in stand of wordt versneld en er komen extra snelle, doorgaande internationale treinverbindingen bij. In scenario D (160 km/u) zijn voor de extra IC meer delen dubbelsporig nodig en verhoging van de maximale snelheid. Bovendien worden de aanpassingen van Wunderline bouwstap 2 als gerealiseerd verondersteld. Over deze aanpassingen worden nog gesprekken gevoerd tussen de verschillende Nederlandse en Duitse partijen. Voor de aansluiting in de knopen en daarmee de overstap en netwerkaansluitingen is het integraal uitvoeren van 160 km/u niet noodzakelijk. Dit geeft de mogelijkheid om met minder ingrepen, binnen de TEN-T voorwaarden (±75% van de infrastructuur op 160 km/u) toch de gewenste/benodigde versnelling te realiseren.
Belangrijkste uitgangspunt is dat de Lelylijn uit de Randstad voor het hele uur aankomt in Groningen. In Scenario D kan Leer bediend blijven door de internationale langeafstandsverbinding tussen Amsterdam en Bremen. Hiermee blijft het een regionale knoop met netwerkaansluitingen. Deze stop en (regionale) aansluitingen vervallen in de scenario’s E en F. Tevens zijn de keermogelijkheden in Bremen een aandachtspunt vanwege de (autonome) ontwikkelingen van de S-Bahn rondom Bremen. Scenario E & F vragen om substantieel nieuwe infrastructuur voor een respectievelijke ontwerpsnelheid van 200 of 300 km/u en inpassing in de dienstregeling. 58
iii.
Infrastructuur en kosten
Voor de scenario’s A t/m C zijn de ontwikkelingen van de Wunderline van toepassing. Deze kosten zijn nog niet volledig gedekt aan zowel de Nederlandse als de Duitse zijde van de grens. In scenario D is uitgegaan van een Lelylijn met 160 km/u. De infrastructuur Groningen – Bremen wordt (vanaf Wunderline bouwstap 2) grotendeels geüpgraded naar 160 km/u. De huidige spoorlijn voldoet niet aan de TEN-T-eisen, terwijl het wel een TEN-T-corridor is. Het kost naar verwachting zo’n € 3,5 miljard extra om Groningen-Bremen aan alle eisen te laten voldoen (waarvan circa de helft in Nederland). Daarbij is ook een buitendienststelling van circa 4 jaar nodig en zal de snelheidsverhoging een (grote) impact hebben op de huizen nabij de lijn vanwege trillingen en geluid. Daarmee lijkt het niet direct een kansrijke optie. Scenario E, met een (grotendeels) nieuwe spoorlijn tussen Zuidbroek en Oldenburg en een upgrade van het overige spoor geschikt voor treinen tot 200 km/u (circa 1/3e in Nederland), kost volgens de eerste inschattingen € 9 miljard. De Lelylijn met een snelheid van 200 km/u is randvoorwaardelijk voor dit scenario, de uitvoering van Wunderline bouwstap 2 is dat niet. Scenario F, waarin alleen nieuw spoor wordt aangelegd geschikt voor 300 km/u, kost volgens de eerste schattingen zo’n €17 - 18 miljard. Daarvan zijn de kosten voor ongeveer 1/3e voor Nederland en 2/3e voor Duitsland.
De Lelylijn met een snelheid van 300 km/u is randvoorwaardelijk voor dit scenario, deze kosten zijn nu niet meegenomen in de raming van de Lelylijn, maar komen daar nog boven op. De uitvoering van Wunderline bouwstap 2 is geen randvoorwaarde. iv.
Effecten op goederenvervoer
De internationale Lelylijn-corridor biedt geen oplossing voor het spoorgoederenvervoer. Dit komt doordat het autonome gebruik van de goederenlijnen in Noord-Nederland heel laag is en er weinig groei wordt voorzien. Capaciteitsknelpunten zullen niet tot zeer beperkt worden verminderd. Daarnaast kan door een herindeling van passagiersverbindingen tussen Noordelijk Nederland en Zwolle (ofwel via de Lelylijn of via bestaand spoor) capaciteit vrijgemaakt worden voor goederenvervoer. Dit is onafhankelijk van de verdere internationale uitvoering van de Wunderline. v.
Brede Welvaartseffecten bij verbetering internationale verbinding
Om te achterhalen wat het verbeteren van de internationale verbinding voor invloed heeft op de brede welvaart in de grensregio’s, is door Studio Bereikbaar een quickscan gedaan. Er is op twee schaalniveaus gekeken, op (inter)regionaal niveau en naar een breder internationaal perspectief, vergelijkbaar met de indeling van het internationale potentie-onderzoek. Op basis van gesprekken met een aantal experts, een locatiebezoek en data-onderzoek is gekeken naar de invloed van de internationale verbinding op het menselijk kapitaal, economisch kapitaal, natuurlijk kapitaal en sociaal kapitaal. Door de lage dichtheid en de grote afstanden tot voorzieningen, opleiding en/of werk is de mogelijkheid tot ontwikkeling en zelfontplooiing in beide grensregio’s minder groot dan in de meer centraal gelegen stedelijke gebieden. Jongeren trekken weg en er komen relatief weinig nieuwe
59
gezinnen wonen. Een verbeterde regionale OV-bereikbaarheid kan bijdragen aan een kentering, en meer toekomstperspectief bieden voor beide regio's.
De treinverbinding zou in eerste instantie gericht moeten zijn op ‘blijverschap’ voor met name jongeren en starters op de arbeidsmarkt. Door het bieden van een betere nabijheid met meer keuzemogelijkheden wordt meer knoop- en plaatswaarde gecreëerd, waardoor mensen zich kunnen ontplooien. Deze knoopfunctie wordt belangrijker met een accent op de noord-zuid verbindingen. In tweede instantie zou de treinverbinding moeten gaan over het versterken van de (nieuwe) economieën. Met name de knoop Emden (energiecluster en waterstofeconomie) – Leer (digitalisering en verduurzaming maritieme sector) – Papenburg (scheepswerf van de toekomst en internationaal gezondheidscluster) zal hierin positieve effecten ondervinden. De effecten voor de omliggende regio zullen afhankelijk zijn van de kwaliteit van die knoopfunctie en de hierop aangesloten ketenmobiliteit. Tot slot zou de treinverbinding in derde instantie gericht moeten zijn op het aantrekken van mensen van buitenaf om hier te recreëren, zich hier te vestigen, stage te lopen en te werken. De ‘plus’ van een internationale verbinding kan door middel van de schaalvoordelen van Groningen en Bremen het positieve effect in de regio nog verder versterken.
Al met al heeft een betere verbinding per spoor, zeker bij een hogere (regionale) frequentie een positief effect van de brede welvaart in de grens(nabije) regio door de versterking van de knopen en de achterliggende gebieden. Hierbij horen meer investeringen, zoals een goed onderliggen OV-systeem en regie op voorzieningen en verstedelijking. Zowel de regionale als de internationale verbinding leveren hierin een (kleine) bijdrage aan het creëren van een sterkere grensregio (zonder grenzen).
60
d. Conclusies Internationale potentie zonder Lelylijn - Voor de route Amsterdam - Hamburg is het in scenario’s A t/m C (zonder Lelylijn) sneller om via Bad Bentheim in plaats van via Groningen de grens te passeren. - Tussen Groningen en Bremen is sprake van potentie voor een interregionale verbinding. Hiervoor zal verder geïnvesteerd moeten worden in de Wunderline, de Wunderline is ook een TEN-T verbinding richting Duitsland. Internationale potentie met Lelylijn - Voor de route Amsterdam - Hamburg in scenario’s D t/m F speelt de Lelylijn een belangrijke rol. Hier is het sneller om via Groningen de grens te passeren in plaats van via Bad Bentheim. - De snelheidsverhogingen in scenario’s E en F (verhoging naar 200 km/u en 300 km/u) vragen om verruiming van boogstralen, ondergrond verbetering en veiligheidsmaatregelen. Deze maatregelen hebben een grote impact hebben op de omgeving. Bovendien zijn deze scenario's zeer kostbaar. Het vraagt om circa €10 miljard aan investeringen aan Nederlandse zijde en €5 miljard in Duitsland. Daarbovenop komen nog de kosten die nodig zijn op de Wunderline en om de Lelylijn tussen Lelystad en Groningen geschikt te maken voor 300 km/u. Dit kan aanvullend nog tot €7 miljard oplopen. Op korte termijn lijken deze scenario’s niet realistisch.
- Het lijkt daarmee logischer om een corridorstudie Amsterdam - (Zwolle/Hengelo?) Osnabrück - Hamburg - Scandinavië te starten. Investeringen in deze corridor hebben daarnaast ook effect op de treindienst naar Hannover en Berlijn. - Tegelijkertijd lijken er wel kansen te liggen vanuit Groningen richting Brussel en Parijs. De vervoerwaarde lijkt op dat traject interessant en hier zal in de vervolgfase aandacht aan besteed moeten worden.
61
7. Omgevingsmanagement en participatie: Dialoog met de omgeving Tijdens het onderzoek naar de Lelylijn is er veel interactie geweest met de omgeving. Ondanks dat er nog geen sprake is van het daadwerkelijk ontwerpen of aanleggen van de Lelylijn, is dit onderzoek wel een eerste stap op weg daarnaar toe en zal het aanleggen van de Lelylijn, met bijbehorende woningbouw en economische ontwikkeling, een grootschalige aanpassing zijn in de ruimtelijke omgeving. Daarom zijn in deze vroege fase zo veel mogelijk betrokkenen geraadpleegd, inwoners, (potentiële) reizigers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en (regionale) overheden. ‘Deel openlijk je zoektocht’ was hierbij het motto. a. Wat hebben we gedaan?