CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Raadsvergadering 17 april 2025, gemeente HeerenveenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Schoterlandseweg 72 en 74 (ROM)29.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

1,4

1,8

2,2

2,5

Gezondheidscentrum (per behandelkamer)

1,4

1,7

2,0

2,3

Ziekenhuis (per 100 m² bvo)

1,4

1,6

1,7

2,0

Crematorium (per dienst/plechtigheid)

n.v.t.

n.v.t.

27,6

27,6

Begraafplaats (per dienst/plechtigheid)

n.v.t.

n.v.t.

29,1

29,1

Religiegebouw (per zitplaats)

0,1

0,1

0,1

n.v.t.

Verpleeg- en verzorgingstehuis (per wooneenheid)

0,6

0,6

0,6

n.v.t.

Kinderdagverblijf (crèche) (per 100 m² bvo)*2

1,0

1,2

1,4

1,5

Basisonderwijs (per leslokaal)*2

0,6

0,6

0,6

0,6

Middelbare school (per 100 leerlingen)

3,2

4,0

4,4

4,4

ROC (per 100 leerlingen)

4,2

4,9

5,3

5,4

Horeca en (verblijfs)recreatie

Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen

Onderwijs

*1 Norm is inclusief 0,3 pp bezoekersparkeren welke openbaar toegankelijk moeten worden aangelegd. *2 De grootste parkeerdruk bij kinderdagverblijven en scholen ontstaat door het halen en brengen van kinderen. Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen inclusief 'Kiss&Ride' parkeerplaatsen, wordt verwezen naar de rekentool op de website van het CROW.

Ziet u een fout in deze regeling?

Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR654114/1

8/9

24-04-2024 14:27

Beleidskader Nota Parkeernormen Gemeente Heerenveen | Lokale wet- en regelgeving

Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR654114/1

9/9

79

1

Legenda Plangebied

A 2052 Gebiedsaanwijzing W

eg w e ds n a l er t ho c S

A 1595 A 1558

Wonen

WR-A

80

Waarde - Archeologie

Bouwvlak bouwvlak

75

Bouwaanduiding

1557 A 78

69

[bg]

78

bijgebouwen

Maatvoeringaanduidingen

67

maatvoeringsvlak

74 72 60

A 2296

60

A

maximum goothoogte (m)

B

maximum bouwhoogte (m)

C

maximum dakhelling (graden)

E

maximum aantal wooneenheden

8 3,5

7

3

A 1696 WR-A

de

[bg]

rn Ka

Verklaring

W 26

A 2024

A 2295 2

BGT en DKK 11-04-2024

64 Gemeente Heerenveen

A 2069 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

9 7

Verbeelding

5

A 1550

3 1

A 1435 A 2001

A 2000

datum:

16-01-2025

BugelHajema

schaal:

1 : 500 (A3)

Ruimte voor de leefomgeving

status:

ontwerp

projectnr.:

P002613

gezien:

AGR BgelHajema Adviseurs, adviseurs voor leefomgeving en omgevingsrecht

NL.IMRO.0074.TAM22BSchote7274MD-OW01

Vaart NZ 50, 9401 GN Assen W

2

A 2002 A 1999

3 1

T

0592 316 206

www.bugelhajema.nl

E

info@bugelhajema.nl

BNSP

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Inhoudsopgave

Motivering

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Begrenzing besluitgebied 1.3 TAM-omgevingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk 2 Wijziging omgevingsplan 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 9

Hoofdstuk 3 Participatie 3.1 Hoe was de voorbereiding 3.2 Wat vindt de omgeving? 3.3 Wat vinden de andere ketenpartners?

9 9 9 10

Hoofdstuk 4 Toetsing aan regelgeving 4.1 Instructieregels van het Rijk 4.2 Instructieregels van de provincie Fryslân 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid

10 10 10 11 12

Hoofdstuk 5 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving 5.1 Geluid door wegen 5.2 Geluid door activiteiten 5.3 Geur 5.4 Omgevingsveiligheid 5.5 Erfgoed 5.6 Waterparagraaf 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Bodemkwaliteit 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Natuur 5.11 Verkeer en parkeren 5.12 Duurzaamheid en gezondheid 5.13 M.e.r.-verantwoording

14 14 16 18 18 20 20 21 22 23 24 25 25 26

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving 6.1 Wijziging omgevingsplan 6.2 Artikelsgewijze toelichting

27 27 28

Hoofdstuk 7 Financiele haalbaarheid 7.1 Uitvoerbaarheid en kostenverhaal

30 30

Hoofdstuk 8 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties 8.1 Wettelijk kader 8.2 Afweging

30 30 31

Bijlagen bij motivering Bijlage 1 Akoestisch onderzoek geluid van wegen Bijlage 2 Digitale watertoets

32 32 85

3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Bijlage 3 Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek Instemmingsbrief/beschikking sanering

4

91 169

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Motivering Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De protestantse gemeente Katlijk/Mildam is voornemens om de toegelaten functie van de objecten ter plaatse van de Schoterlandseweg 72 en 74 in Mildam te wijzigen naar 'Wonen'. De objecten hebben betrekking op een bestaande pastoriewoning (nr. 72) en een voormalige kerk (nr. 74). Beide percelen zijn op dit moment bestemd als 'Maatschappelijk' in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. De beschreven functiewijziging is op grond van het geldende omgevingsplan niet mogelijk. Om deze functiewijziging mogelijk te maken, moet er afgeweken worden van het planologische regime en moet hiervoor het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Met dit wijzigingsbesluit wordt de beoogde functiewijziging juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. De wijziging heeft betrekking op regels die nodig zijn om het gebruik van de gronden ten behoeve van wonen mogelijk te maken. In deze wijziging worden de huidige maatschappelijke activiteiten gewijzigd naar de activiteit wonen. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in deze wijziging. Deze motivering gaat in op de achtergronden van dit wijzigingsbesluit, en de relatie met het wettelijk kader. Naast de motivering staat de toelichting op het omgevingsplan. De toelichting op het omgevingsplan gaat in op de technische kenmerken van het plan en bevat ook de juridische plantoelichting.

Die toelichting is te vinden in het wijzigingsbesluit. Achtergrond: wat is een 'TAM-omgevingsplan'? Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, waarmee de Wet ruimtelijke ordening is komen te vervallen. Vanaf die datum is er geen sprake meer van bestemmingsplannen, maar heeft de gemeente één omgevingsplan. Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan op te stellen of te wijzigen. Bovendien is het zogeheten Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) in de huidige situatie onvoorspelbaar en instabiel. Een TAM-IMRO omgevingsplan is gelet op het voorgaande omstandigheden een bruikbaar instrument. Simpel gezegd houdt een TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder het nieuwe regime van de Omgevingswet. In die zin is er sprake van een nieuw juridisch kader, wat met behulp van oude techniek wordt opgesteld.

1.2

Begrenzing besluitgebied

Het voorliggende wijzigingsbesluit heeft betrekking op de adressen Schoterlandseweg 72 en 74 in Mildam. De Schoterlandseweg is een Provinciale weg die de A32 ter hoogte van Heerenveen verbindt met de N381 ter hoogte van Donkerbroek. De ligging en begrenzing van het besluitgebied blijken uit de geometrie in de vorm van een verbeelding. Op onderstaande figuur is de globale ligging en begrenzing van het besluitgebied weergegeven.

5

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Figuur 1. Globale ligging en begrenzing besluitgebied (bron: Kadastralekaart.nl)

1.3

TAM-omgevingsplan

De regels in het omgevingsplan moeten gezamenlijk bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent in elk geval dat moet worden voldaan aan alle instructieregels van het rijk en van de provincie die hiermee te maken hebben. Die instructieregels worden in hoofdstuk 4 besproken. Als gevolg van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan komt een deel van het ruimtelijke plan (bestemmingsplan) dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gedeeltelijk te vervallen. In dit geval betreft dat een deel van het bestemmingsplan "Mildam 2012" (vastgesteld 6 februari 2012). Hieronder is een uitsnede opgenomen van het vigerende ruimtelijke plan. De exacte grens van het wijzigingsbesluit blijkt uit de bij dit plan behorende besluitgebied.

6

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Figuur 4. Uitsnede "Bestemmingsplan Mildam 2012". Rode contour: globale grens wijzigingsgebied

De gronden in het besluitgebied hebben de bestemming "Maatschappelijk". De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van onderwijsdoeleinden, religieuze doeleinden, sociaal-culturele/maatschappelijke doeleinden en bedrijfswoningen. Binnen deze bestemming is het gebruik van de gronden uitsluitend ten behoeve van een woonfunctie niet mogelijk. Los van het bestemmingsplan Mildam 2012, zijn tevens de regels uit de partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur (2021), de partiële herziening bestemmingsplannen parkeren (2021) en de 1e aanpassing partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur (2023) van toepassing op het planvoornemen. In de toekomstige situatie wordt de functie 'Wonen'. De regels voor die functie worden gebaseerd op de regels uit het bestemmingsplan. Aangezien ze worden omgezet naar een omgevingsplan, zien ze er wel anders uit dan we gewend zijn. Er worden geen extra bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt ten opzichte van de huidige regels.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De toekomstige situatie beschrijft de doelen voor het besluitgebied, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe deze heeft bijgedragen aan het ontwerp. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 het project getoetst aan relevant beleidskader en aan relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de juridische vormgeving van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de haalbaarheid van het plan en vindt in hoofdstuk 8 de algehele eindconclusie plaats of het planvoornemen voldoet aan de criteria van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Hoofdstuk 2 2.1

Wijziging omgevingsplan

Bestaande situatie

In de bestaande situatie bevinden zich twee panden ter plaatse van de Schoterlandseweg. Aan het adres Schoterlandseweg 74 is een kerk gevestigd. Op het adres Schoterlandseweg 72 bevindt zich een pastoriewoning. Beide gebouwen staan al geruime tijd in de verkoop en worden thans dus niet naar hun functie gebruikt.

Figuur 2. Vooraanzicht panden, bezien vanaf de Schoterlandseweg. Links is nr. 74, rechts nr. 72

8

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Figuur 3. Zijaanzicht Schoterlandseweg 74, met daarnaast het pand ter plaatse van Schoterlandseweg 72

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie is de functie van de voormalige kerk en pastoriewoning aan de Schoterlandseweg 72 en 74 gewijzigd van 'maatschappelijk' naar 'wonen'. De kerk wordt inpandig verbouwd tot woning. De functie van de pastoriewoning wordt gewijzigd naar die van een reguliere woning. In de toekomstige situatie is dus sprake van twee woningen. Er vinden aan de buitenzijde van beide gebouwen geen fysieke ingrepen plaats.

Hoofdstuk 3 3.1

Participatie

Hoe was de voorbereiding

Op grond van artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit (hierna Ob), moet bij een wijziging van het omgevingsplan aangegeven worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. Ook dient beschreven te worden wat de gemeente met de resultaten heeft gedaan. Bovendien moet een initiatiefnemer in alle gevallen aangeven of participatie heeft plaatsgevonden.

3.2

Wat vindt de omgeving?

De omwonenden zijn geïnformeerd over het feit dat de gemeente in principe akkoord is met de onderhavige functiewijziging. Daarnaast is een bezoek gebracht aan de eigenaar van de naastgelegen autogarage. Dit is één van de meest nabije belanghebbenden. Het planvoornemen is uitgelegd en doorgesproken met de eigenaar. Uit het voorgaande zijn geen bijzonderheden of aanleidingen gekomen die tot een aanpassing van het plan hebben geleid.

9

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

3.3

Wat vinden de andere ketenpartners?

Het planvoornemen is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Fryslân. De provincie heeft aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen te hebben bij het plan. De provincie kan instemmen met de functiewijziging. Wel verzoekt de provincie om de verwachtingswaarden archeologie te beschermen in de regels. De regels en de verbeelding zijn hierop aangepast.

Hoofdstuk 4 4.1

Toetsing aan regelgeving

Instructieregels van het Rijk

In hoofdstuk 5 van het Bkl is een groot aantal instructieregels opgenomen. Aan deze instructieregels moet worden voldaan. De meest relevante instructieregel betreft de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betreft onder meer: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de waterbelangen; het beschermen van de gezondheid en van het milieu; het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; het behoud van ruimte voor toekomstige functies; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Niet alle instructieregels zijn relevant. In onderstaande tabel zijn de voor dit planvoornemen van toepassing zijnde thema's waarover in het Bkl instructieregels staan opgenomen. In de tabel is per thema aangegeven in welke paragraaf in deze motivering hier nader op in is gegaan. Tabel 1. Voor het planvoornemen relevante Rijksinstructieregels

Thema

Paragraaf Bkl

Verwijzing paragraaf

Veiligheid

5.1.2

5.4

Waterbelangen

5.1.3

5.6

Luchtkwaliteit

5.1.4.1

5.9

Geluid door Activiteiten

5.1.4.2

5.2

Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.1.4.2a

5.1

Bodemkwaliteit

5.1.4.5

5.8

Geur

5.1.4.6

5.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.1.5.4

5.7

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

5.1.5.5

5.5

Daarnaast zijn er instructieregels die van toepassing zijn afhankelijk van het project en/of de locatie. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op onderhavig wijzigingsgebied.

4.2

Instructieregels van de provincie Fryslân

Met een ruimtelijke verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. De provincie kan in de omgevingsverordening instructieregels opnemen. Dat staat in paragraaf 2.5.1 van de Omgevingswet. Het doel van de instructieregel is dat wordt voldaan aan omgevingswaarden of dat andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt (artikel 2.22 Omgevingswet).

10

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Omgevingsverordening Fryslân De omgevingsverordening Fryslân is op 1 januari 2024, tegelijkertijd met de Omgevingswet, in werking getreden. De omgevingsverordening sluit aan op de Omgevingswet en de werkwijze van de Omgevingsvisie: De romte diele. De omgevingsverordening van Fryslân bevat ook (instructie)regels voor het omgevingsplan. Hieronder staan de voor het planvoornemen relevante instructieregels. Tabel 2. Provinciale instructieregels

Thema

Artikel Omgevingsverordening

Omgevingskwaliteiten als basis (archeologie)

2.1 lid 1

Verwijzing paragraaf 5.5

Op grond van artikel 2.1 moet in een omgevingsplan worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische (verwachtings)waarden. Aangezien er bij de voorgenomen functiewijziging uitsluitend sprake is van een functiewijziging van bestaande bebouwing, waarbij geen grondroering plaatsvindt, is er geen sprake van verstoring van archeologische waarden. Het plan is dan ook niet in strijd met artikel 2.1 lid 1. In paragraaf 5.5 is dit nader onderbouwd. Gezond en veilig

2.5

5.12

Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies, dient een onderbouwing te bevatten van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan. In paragraaf '5.4 Omgevingsveiligheid' en '5.12 Duurzaamheid en gezondheid' van deze motivering is een dergelijke onderbouwing opgenomen. Het planvoornemen voldoet hiermee aan artikel 2.5 Programmering woningbouw

2.7

4.3

Een omgevingsplan kan nieuwe woningen bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. In paragraaf 4.3.1 is onderbouwd hoe het aantal woningen dat met dit omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, passend is binnen het regionale woonbeleid. Het plan voldoet aan artikel 2.7. Conclusie De wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de provinciale instructieregels.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1

Regionale woondeal Regio Zuidoost Fryslân 2022-2030

De gemeenten Heerenveen, Opsterland, Ooststellingwerf, Smallingerland en Weststellingwerf werken in regioverband samen, gericht op het versterken van de economie en de aantrekkingskracht voor huishoudens binnen de regio en daarbuiten. De ambities vragen om een integraal programma voor alle functies die ruimte vragen. In de regionale woondeal wordt ingegaan op de ambities op het vlak van wonen die de diverse gemeenten hebben. In de regionale woondeal voor 2022-2030 (vastgesteld 13 oktober 2022) wordt onder meer ingezet op het transformeren van bestaand vastgoed waarmee extra woningen kunnen worden gecreëerd. Daarnaast kan het bijdragen aan de vitaliteit van steden, dorpen en gebieden. Er wordt landelijk gestreefd naar de realisatie van 15.000 woningen door middel van transformatie per jaar. De voorliggende functiewijziging past met een toevoeging van per saldo 1 extra woning binnen deze kwantitatieve doelstelling. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het regionaal beleid.

11

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

Met de omgevingsvisie werkt de gemeente Heerenveen aan het realiseren van de Global Goals. Deze zijn gebruikt bij het formuleren van de strategische doelstellingen van de gemeente. Er zijn kernkwaliteiten benoemd die relevant zijn voor het planvoornemen. Zo kent Heerenveen een uitstekende (boven)regionale bereikbaarheid (via snelweg, spoor en water) en daarbij behorend vestigingsklimaat en werkgelegenheid; en zijn de verschillende landschapstypen rond Heerenveen zeer herkenbaar, met name de (veen)ontginningen. De gemeente hanteert de volgende doelstelling: ‘In 2040 is Heerenveen een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente waar het prettig wonen, werken en recreëren is.’ De gemeente wil tot 2050 een CO2 reductie van 95%. Een deel van de energie-opgave die wordt uitgewerkt in de Regionale Energiestrategie zal terecht komen in het landelijk gebied. Daarnaast speelt het landelijk gebied een rol bij de opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en biodiversiteit. De gemeente geeft in haar omgevingsvisie aan koploper te zijn van circulaire economie in Noord-Nederland en is onder de noemer ‘Circular Valley’ bezig om dit thema onder de aandacht van ondernemers te brengen. De gemeente Heerenveen heeft de ambities voor 2040 vertaald naar strategische doelen voor 2030. Vaak spelen meerdere opgaven in hetzelfde gebied en liggen er kansen om deze in samenhang aan te pakken.

Heerenveen kiest voor het aanpakken van vier kernopgaven, waarin meerdere opgaven met elkaar samenhangen. We zetten in op de volgende vier kernopgaven: 1. 2. 3. 4.

Werken aan Heerenveen als (boven)regionaal centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen. Bouwen aan toekomstbestendige woningen. Zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen. Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied.

Het voorliggende wijzigingsbesluit sluit aan op de kernopgave 'zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen'. In de Omgevingsvisie worden diverse uitgangspunten gesteld met betrekking tot lintbebouwing en het behouden en versterken van de lintstructuur. De bebouwingslinten langs de Schoterlandse weg vormt één van de oorspronkelijke levensaders van de gemeente. Vanuit deze lange lijnen is het gebied ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw (woud- en veenontginning). Een belangrijk deel van de bebouwing in de gemeente staat langs de structuren. In de 19e eeuw zijn Rijksstraatwegen aangelegd om grotere plaatsen met elkaar te verbinden. De bebouwingskenmerken en het functieprofiel verschillen per lint en ook binnen een lint. Van origine komen er veel verschillende functies voor. Zo zijn er delen gelegen binnen de bebouwde kom waar de woonfunctie vaak dominant is. Mildam is hier een voorbeeld van. Met de voorliggende functiewijziging wordt de lintstructuur van de Schoterlandseweg niet aangetast. De functie van de twee gebouwen in het plangebied wijzigt naar wonen. Er is verder geen sprake van fysieke ingrepen. Het toevoegen van een nieuwe woonfunctie past binnen het karakter van bebouwd Mildam, waar de woonfunctie dominant is.

Met de functiewijziging wordt bovendien het behoud van karakteristieke beeldbepalende gebouwen veiliggesteld, aangezien de kerk een Rijksmonument is. Conclusie De voorliggende functiewijziging sluit aan op de Omgevingsvisie Heerenveen 2040.

12

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

4.4.2

Woonvisie Heerenveen 2023-2028

De gemeenteraad van Heerenveen heeft op 19 oktober 2023 een nieuwe woonvisie vastgesteld. In deze woonvisie wordt gesteld dat het gaat om een thuis voor mensen op een fijne en veilige plek in de wijken en dorpen van de gemeente Heerenveen. Brede welvaart is hierbij een belangrijk uitgangspunt: we willen dat het goed gaat met mensen nu, maar ook later. De kwaliteit van leven van mensen in het hier en nu mag niet ten koste gaan van die van latere generaties of die van mensen elders in de wereld. In de woonvisie zijn vijf prioriteiten opgenomen die richting geven en de kern vormen van de woonvisie. Eén van die prioriteiten is 'Heerenveen groeit: we groeien met minimaal 2000 woningen tot 2030'. Heerenveen denkt daarbij niet alleen maar aan bouwen, maar kijkt ook naar bestaande gebouwen die nu leegstaan (of vrijkomen), om die geschikt te maken voor een woonfunctie. Met dit wijzigingsbesluit wordt de functie van twee bestaande gebouwen gewijzigd naar wonen. Dit sluit aan op de eerdergenoemde prioriteit uit de woonvisie. Uitwerking vijf prioriteiten Bij de uitwerking van de vijf prioriteiten hanteert de gemeente een hiërarchie van de kernen. Hieruit blijkt dat Mildam een kleine kern is. Kleine kernen vragen om lokaal maatwerk.

Hierbij is het belangrijk dat de woonvraag aantoonbaar is en dat het initiatef leidt tot een hogere omgevingskwaliteit en het collectieve welzijn van de inwoners. Voorliggend wijzigingsbesluit leidt tot een hogere omgevingskwaliteit omdat een woonfunctie wordt toegekend aan gebouwen die momenteel niet in gebruik zijn. Er is sprake van transformatie van bestaand maatschappelijk vastgoed. De bestaande bebouwing krijgt nieuw leven in de vorm van een woonfunctie. De transformatie is qua aard en schaal passend bij de kern Mildam. Conclusie Het voorliggende wijzigingsbesluit sluit aan op de woonvisie Heerenveen 2023-2028. 4.4.3

Welstandsnota 2016

De ‘Welstandsnota 2016’ is vastgesteld door de gemeenteraad van Heerenveen op 21 december 2015. De welstandsnota bevat een gebiedsindeling, die wordt bepaald door het onderscheid in type gebieden met verschillende kwaliteiten. In het ene gebied ligt de nadruk meer op bescherming van bestaande waarden, in het andere meer op het faciliteren van ontwikkelingen/wijzigingen. Het plangebied ligt in gebied 3 'Stedenbouwkundige hoofdlijnen; oude kernen en linten'. Hier vormt het onregelmatige karakter van de bebouwingsstructuur in relatie met het open landschap een specifieke waarde.Het beleid van de linten is in het algemeen gericht op het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. De aanwezige bebouwingskenmerken karakteristieke elementen, de overwegend traditionele vormgeving en materialisering moet worden gerespecteerd. Dit beleid wordt nagestreefd. De aanwezige bebouwingskenmerken, vormgeving en materialisering blijven met de functiewijziging gehandhaafd. De cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit blijft behouden.

13

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Hoofdstuk 5

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

5.1

Geluid door wegen

5.1.1

Wettelijk kader

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over geluid van wegen (paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van wegen op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Bij het toelaten van nieuwe gemeentelijke wegen en bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen, moet worden voldaan aan specifieke waarden voor geluid. In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen speci-fieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere ge-bouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Geluidaandachtsgebied Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht.

Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. De-ze zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden, zoals bedoeld in navolgende tabel. Tabel 3. Standaardwaarden geluid

Geluidssoort

Standaard waarde

Provinciale en rijkswegen

50 Lden

Gemeentewegen en Waterschapswegen

53 Lden

Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

55 Lden

Industrieterreinen

50 Lden en 40 Lnight

De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbe-treffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling. De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluid-aandachtsgebied van: a. b. c.

wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersinten-siteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde (overigens wordt deze norm naar alle waarschijnlijkheid opgerekt naar 2.500 mvt).

14

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

5.1.2

Onderzoek

Door Antea Group is op 25 september 2024 akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Het plangebied bevindt zich binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere nabijgelegen wegen: de provincialeweg, de Schoterlandse weg en de gemeentewegen de Karn, Aylvalaan en de Molenlaan. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven. Resultaten Provinciale wegen Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de provinciale weg op het pand ten hoogste 60 dB bedraagt. Dit is een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB), maar niet van de grenswaarde (63 dB). De hoogste geluidbelasting is berekend op de Schoterlandseweg 74 aan de gevel aan de noordkant op 2 m hoogte. Gemeente wegen De geluidbelasting als gevolg van de wegen van Aylvalaan, de Karn, en de Molenlaan is respectievelijk ten hoogste 43 dB, 36 dB, en <20 dB. Al met al is het geluidsniveau ten hoogste 43 dB. Hiermee zijn er geen overschrijdingen van de standaardwaarde van 53 dB Lden voor wat betreft de gemeentewegen. Gezamenlijk geluid De hoogste gezamenlijke geluidbelasting betreft 60 dB voor de Schoterlandseweg 72 aan de gevel aan de noordkant op 2 m hoogte. Maatregelen In artikel 5.78u van het Bkl wordt aangegeven onder welke voorwaarden overschrijdingen van de standaardwaarden kunnen worden toegestaan.

Dat kan uitsluitend indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege een weg, onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. De standaardwaarde wordt overschreden vanwege het geluid van de Schoterlandseweg. Om de geluidbelasting vanwege een weg te beperken, kunnen de volgende maatregelen worden getroffen: Maatregelen aan de bron door middel van het toepassen van geluidreductie aan de weg; Maatregelen in het overdrachtsgebied door middel van het toepassen van een geluidscherm/grondwal; Maatregelen aan de ontvanger door middel van het toepassen van schermen aan of nabij de gevel, het toepassen van 'dove' gevels, en dergelijke. In het onderzoek is vastgesteld dat op een groot deel van de panden de standaardwaarde van 50 dB wordt overschreden vanwege wegverkeerslawaai van de Schoterlandseweg. Onderstaand is onderzocht in hoeverre door het treffen van maatregelen de geluidbelasting gereduceerd kan worden. Het streven is daarbij om de geluidbelasting terug te brengen tot de standaardwaarde. Bronmaatregelen Het toepassen van een geluidreducerend wegdek zoals SMA 0/5 verlaagd het geluidniveau met 3 dB op de gevel van het pand.

Dit leidt tot een geluidbelasting van ten hoogste 57 dB ten gevolge van de provinciale weg op het pand. De standaardwaarde wordt nog steeds overschreden met de toepassing van deze maatregel. Overdrachtsmaatregelen Schermen zijn effectief waar een hoge geluidreductie gehaald moet worden. Echter lijkt het plaatsen van een scherm, gezien de geringe afstand tussen de Schoterlandseweg en het pand, niet realistisch.

15

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

Daarnaast stuit het plaatsen van een scherm op deze locatie direct aan de weg op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Ontvangersmaatregelen Het binnenniveau is, bij toepassing van een geluidwering van ten minste 27 dB, in lijn met de gestelde eisen met betrekking tot het binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Geadviseerd wordt om de gevelwering met een hogere geluidreductie uit te voeren om de toekomstige gebruikers te beschermen voor het geluid van buitenaf. Het uiteindelijke oordeel met betrekking tot de aanvaardbaarheid van geluid is aan de gemeente. Hogere grenswaarden Maatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van Schoterlandseweg 74 terug te brengen zijn niet mogelijk of lijken niet doelmatig. Het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen kan daarom de hogere waarde vaststellen zoals in onderstaande tabel is weergegeven. Tabel 4. Hogere waarde

5.1.3

Conclusie

Met het vaststellen van een hogere waarde en het toepassen van een geluidwerking van ten minste 27 dB is het plan wat betreft geluid door wegen niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. Omdat er in dit planvoornemen sprake is van een overschrijding van de streefwaarde maar niet van de grenswaarde moet het gezamenlijk geluid op de gevel worden vastgelegd in het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.78u in combinatie met artikel 5.78ad van het Bkl. In de regels is hierin voorzien.

5.2

Geluid door activiteiten

5.2.1

Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen en woonschepen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om ‘gewoon’ geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. 5.2.2

Onderzoek

Inwaartse werking Functies uit de omgeving kunnen invloed hebben op de nieuwe ontwikkeling in het plangebied. Voor de te realiseren woonfuncties is gekeken naar (bedrijfs)activiteiten in de omgeving die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. In dit kader is een nabijgelegen tankstation (milieubelastende activiteit) relevant. Voor deze milieubelastende activiteit is beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar effect van geluid (Bijlage 1). Hierbij is aangesloten bij de VNG-publicatie ‘Servicedocument Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’ uit 2022. In deze publicatie worden drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zone voor geluid/ of akoestisch onderzoek nodig is: 1. 2.

Optie 1 is een inschatting aan de hand van concrete criteria voor geluid; Optie 2 is het aanvullend op optie 1 verkrijgen van een indicatie aan de hand van de getransponeerde VNG tabel 2009;

16

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

3.

Optie 3 is het verkrijgen van duidelijkheid door het zo nodig uitvoeren van gericht onderzoek.

Het omgevingstype van Mildam is te karakteriseren als ‘woongebied’. In de nabijheid van de planlocatie is het tankstation Argos (Schoterlandseweg 78) gelegen. In de VNG-publicatie ‘Servicedocument Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’ uit 2022 worden voor geluid vier zones met oplopende geluidruimte onderscheiden: Tabel 5. Geluidruimte zones conform VNG-publicatie (bron: Akoestisch onderzoek Schoterlandseweg Mildam, Antea Group, 22 maart 2024)

Voor het tankstation geldt dat deze activiteit een milieugebruiksruimte heeft behorende bij geluid zone 1. Het verwachtte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op 30 meter bedraagt derhalve 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Op 15 meter bedraagt het 48 dB(A), 43 dB(A) en 38 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor een periodeverdeling die geldt bij tankstations is het verwachtte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) 48 dB(A) tussen 07.00 – 21.00 uur en 40 dB(A) tussen 21.00 – 07.00 uur. Het verwachtte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), op basis van optie 2, voldoet daarmee aan de regels voor geluid op een geluidgevoelig gebouw uit het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. Het is daarnaast aannemelijk dat in deze situatie sprake is van een aanvaardbaar effect van geluid op de beoogde woningen conform de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, aangezien de verwachte geluidbelasting lager is dan de standaardwaarde (voor de periode 07.00 – 21.00 uur). Motivering VNG-brochure 2009 Volledigheidshalve wordt ook getoetst aan de VNG-brochure uit 2009. Op basis hiervan heeft het tankstation een richtafstand van 30 meter op basis van geluid. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan.

Echter bevinden zich grenzend aan het tankstation in de bestaande situatie al woningen. Deze woningen zijn maatgevend in de zin van de geluidhinder die het tankstation maximaal mag veroorzaken. De geluidhinder mag dus nu al niet zodanig zijn dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de bestaande woning. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2013:2412) blijkt dat de Afdeling een dergelijke motivering niet onredelijk acht. Conform de VNG-brochure levert het geluid van het tankstation geen beperkingen op voor het planvoornemen. Uitwaartse werking Uitwaartse werking gaat over of een ontwikkeling leidt tot een situatie die in strijd kan worden geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is het geval wanneer het plan hinder veroorzaakt voor functies uit de omgeving of wanneer bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Met dit plan is sprake van een functiewijziging van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen'. Er wordt dus geen nieuwe hinderveroorzakende functie of milieubelastende activiteit mogelijk gemaakt. 5.2.3

Conclusie

Het plan is wat betreft geluid door (bedrijfsmatige)activiteiten niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

17

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

5.3

Geur

5.3.1

Wettelijk kader

Er gelden instructieregels van het Rijk over geur met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze zijn terug te vinden in het Bkl. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de Bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf; geur door het houden van fokteven van nertsen; geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Voor andere activiteiten moet een ruimtelijk besluit ervoor zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld. 5.3.2

Toetsing

Bij dit plan is geen sprake van activiteiten waarvoor vanuit het Bkl of de Bruidsschat specifieke (instructie)regels gelden. Wel bevindt zich ten oosten van het plangebied een tankstation en wordt met deze functiewijziging een nieuw geurgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie moet daarom aandacht worden besteed aan de potentiële geurhinder van het tankstation. In dit verband kan worden aangesloten bij de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Een tankstation zonder LPG vulpunt heeft op grond van deze publicatie een richtafstand van 30 meter op basis van geur (SBI code: 473). De afstand tussen de tankzuil van het tankstation en de dichtstbijzijnde gevel bedraagt 30 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Aanvullend kan worden geredeneerd dat zich op nog kortere afstand van de zuil (circa 20 meter) in de huidige situatie al woningen bevinden en dat niet is gebleken dat die afstand bezwaarlijk wordt geacht. Er zijn namelijk geen bezwaren uit de omgeving bekend met betrekking op de geurhinder van dit tankstation. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2013:2412) blijkt dat de Afdeling een dergelijke motivering niet onredelijk acht. De mate van hinder kan daardoor nooit dermate hoog zijn dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Met oog op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er wat geur betreft geen beperkingen zijn voor het planvoornemen. Het plan is wat betreft geur niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.4

Omgevingsveiligheid

5.4.1

Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties besproken. Plaatsgebonden risico Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in

18

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Naast vorengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn de volgende aspecten van belang: beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten; veiligheid rond luchthavens. 5.4.2

Toetsing

Om na te gaan of er risicobronnen aanwezig zijn in de direct nabije omgeving van het plangebied, is de EV-signaleringskaart geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat er in de ruime omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plan bevindt zich buiten risicocontouren en leidt derhalve niet tot extra risico's op het vlak van omgevingsveiligheid. Bovendien voorziet dit wijzigingsbesluit niet in een nieuwe risicobron. Het naast het plangebied gelegen tankstation hoeft in het kader van omgevingsveiligheid niet beschouwd te worden omdat de aanwezigheid van LPG als risicobron ontbreekt. LPG brengt specifieke veiligheidsrisico's met zich mee, zoals explosie- en brandgevaar, die grote invloed kunnen hebben op de omgeving. Tankstations zonder LPG dragen deze specifieke risico’s niet en hebben hierdoor een veel kleiner effectgebied bij incidenten en worden daarom ook niet weergegeven op de EV-signaleringskaart. Voor het tanken van benzine en diesel zijn de externe veiligheidsrisico's zo klein, dat hiervoor vanuit omgevingsveiligheid (externe veiligheid) geen regels gelden. Als ook nog gekeken wordt naar de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 geldt voor het aspect gevaar een richtastand van 10 meter voor tankstation zonder LPG.

De afstand van de afleverzuil tot de gevel van Schoterlandseweg 74 bedraagt 30 meter en de afstand van het vulpunt tot de gevel bedraagt 48 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. 5.4.3

Conclusie

Het plan is wat betreft omgevingsveiligheid niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

19

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

5.5

Erfgoed

5.5.1

Wettelijk kader

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Naast wetgeving op rijksniveau is ook in de Omgevingsverordening Fryslân (artikel 2.1.1) vastgelegd dat in een ruimtelijk plan moeten aangeven op welke wijze het plan rekening houdt met archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden. Tenslotte heeft de Gemeente Heerenveen een erfgoedverordening waarin de bescherming van het gemeentelijke erfgoed wordt geborgd. 5.5.2

Toetsing

De in het plangebied aanwezige kerk (Tsjongertsjerke) is aangewezen als gemeentelijk monument. Het wijzigen naar de functie wonen kan een positieve bijdrage leveren aan het behoud van cultuurhistorisch erfgoed. Hierbij is belangrijk dat alleen de functie van het monument wijzigt. Aan de fysieke uitstraling verandert niets. De bescherming van het monument is al geregeld in de Erfgoedverordening. Met dit wijzigingsbesluit worden daarom geen extra beschermingsregels voor het monument opgenomen. Wat archeologie betreft kan onderzoek achterwege blijven. Er vinden geen fysieke ingrepen in het plangebied plaats. Alleen de functie van het plangebied wijzigt van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen'. 5.5.3

Conclusie

Het plan is wat betreft erfgoed niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.6

Waterparagraaf

5.6.1

Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. 2. 3.

het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer

20

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. 5.6.2

Onderzoek

Op 17 april 2024 is de digitale watertoets uitgevoerd (Bijlage 2). Uit de watertoets blijkt dat er geen waterschapsbelang is bij de ruimtelijke activiteit. Het plan heeft geen invloed op het water of de wateraspecten (zoals gemalen, stuwen of persleidingen) in de omgeving. Er is uitsluitend sprake van een functiewijziging van bestaande bebouwing, zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte. 5.6.3

Conclusie

Het plan is wat betreft water niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.7.1

Wettelijk kader

Als een wijziging van een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (artikel 5.219g Bkl). Dit wordt de ‘Laddertoets’ genoemd. Voor het toetsen aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

5.7.2

Onderzoek

In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij dit plan wordt per saldo één woning toegevoegd, aangezien een bedrijfswoning al mogelijk was in het plangebied. Dit is minder dan 11 woningen waardoor de laddertoets niet van toepassing is. De treden van de Ladder hoeven dan ook niet verder te worden doorlopen. 5.7.3

Conclusie

De wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee niet aan de orde. Het plan is niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

21

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

5.8

Bodemkwaliteit

5.8.1

Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.8.2

Verkennend bodemonderzoek

Om de bodemkwaliteit vast te kunnen leggen, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 3 te raadplegen. Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: In de bovengrond zijn sporen baksteen aanwezig. Er zijn verder geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Er zijn aan het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond aan lood en PCB’s. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De grondverontreiniging met lood op naastgelegen perceel Schoterlandseweg 72 is in juni/juli 2023 gesaneerd. Deze sanering is uitgevoerd na uitvoering van onderhavig bodemonderzoek. Op verzoek van de gemeente zijn de gegevens van deze sanering bijgevoegd bij het onderzoek in Bijlage 3, in verband met de enkelvoudige bestemmingswijziging voor beide percelen. Op de westelijke perceelsgrens is niet voldaan aan de saneringsdoelstelling, echter was verder graven buiten de perceelsgrenzen hier niet mogelijk (openbare weg). Op het perceel Schoterlandseweg 72 is de loodverontreiniging voldoende gesaneerd. In oostelijke richting is het kerkgebouw met kruipruimte aanwezig tot 0,8 m-mv. (tot ruim onder de verontreinigingslaag; zie paragraaf 4.3 van Bijlage 3.

De evaluatiemelding is bijgevoegd in bijlage 2 van Bijlage 3. De FUMO heeft op 27 september 2023 ingestemd met de uitgevoerde sanering. De instemmingsbrief/beschikking van de FUMO is als Bijlage 4 bijgevoegd. Er zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Er zijn geen verhoogde gehalten van betekenis aangetoond. Er is geen noodzaak tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of sanerende maatregelen. 5.8.3

Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen verwacht worden ten aanzien van de voorgenomen functiewijziging. Het plan is wat betreft bodem niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

22

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1

Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, dan moeten de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat de omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ug/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.

Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. 5.9.2

Onderzoek

Een project moet in beginsel worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een plan binnen de NIBM-grens blijft: 1.

2.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool.

Voor dit wijzigingsbesluit kan mogelijkheid 1 worden gebruikt. Op grond van artikel 5.54, sub b Bkl leidt het toelaten van activiteiten in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Het wijzigingsbesluit blijft met de per saldo toevoeging van één woning ruim binnen de NIBM-grens. De voorgenomen ontwikkeling kan daarom als NIBM worden beschouwd. 5.9.3

Conclusie

Het project is niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit en daarmee niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

23

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

5.10 Natuur 5.10.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.10.2

Onderzoek

Aangezien er sprake is van een functiewijziging zonder bouw- of sloopwerkzaamheden, verandert er niks aan de feitelijke (ruimtelijke) situatie. Een ecologisch onderzoek is dan ook niet nodig. Stikstof Aangezien het slechts om een functiewijziging gaat is alleen relevant of in de gebruiksfase een toename aan verkeersbewegingen optreedt. De functie wonen levert een afname van de verkeersbewegingen op ten opzichte van de voorheen aanwezige kerk. Voor de pastoriewoning blijft het aantal verkeersbewegingen gelijk. In totaliteit is sprake van een afname van verkeersbewegingen. Om dit inzichtelijk te maken is onderstaand weergegeven wat de verkeersaantrekkende werking van beide functies is op basis van kencijfers uit de CROW-publicatie 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (2018). Verkeersaantrekkende werking bestaande kerk Voor de kerk is de functie 'reiligiegebouw' uit de publicatie van toepassing. In de publicatie zijn echter geen kencijfers gegeven voor de verkeersgeneratie van een religiegebouw. De verkeersgeneratie is dan ook berekend aan de hand van het aantal parkeerplaatsen en kerkdiensten. Voor de zondag wordt uitgegaan van twee diensten per dag. Uitgaande van een maximale bezetting van het aantal parkeerplaatsen (7) bedraagt de verkeersgeneratie (7 parkeerplaatsen * 2 diensten * 2 (heen en terug)) 28 motorvoertuigen per weekdagetmaal.

Verkeersaantrekkende werking toekomstige woning Voor de functiewijziging van de kerk naar een enkele woning wordt uitgegaan van de functie 'Koop, huis, vrijstaand'. Het aantal verkeersbewegingen dat daarbij hoort is 8,6 (motorvoertuigen per weekdaggemiddelde). Afweging Het aantal verkeersbewegingen dat conform de huidige planologische capaciteit mogelijk is, is hoger dan het aantal verkeersbewegingen dat zometeen aan de orde is na de functiewijziging naar wonen. Er is sprake van een afname aan verkeersbewegingen. Op basis hiervan wordt aangenomen dat het planvoornemen zal leiden tot een vermindering van de stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening is niet vereist. 5.10.3

Conclusie

Het plan is wat betreft natuur niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Schoterlandseweg 72 en 74 te Mildam

5.11 Verkeer en parkeren 5.11.1

Wettelijk kader

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). De Ow en het Bkl stellen geen specifieke regels op dit gebied. 5.11.2

Toetsing verkeer

In paragraaf 5.10 is onder 'stikstof' aangetoond dat de onderhavige functiewijziging in een afname van de verkeersintensiteit resulteert. Een woonfunctie leidt tot minder verkeersbewegingen dan een maatschappelijke functie met maximale invulling. De maatschappelijke functie met de bijbehorende verkeersbewegingen wordt met deze functiewijziging stopgezet. In de toekomstige situatie is dan ook sprake van een lagere verkeersintensiteit. De bestaande ontsluiting van de Schoterlandseweg is goed in staat om de verkeersbewegingen van de twee woningen op te vangen. Conclusie Wat betreft het onderdeel verkeer is het voornemen niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. 5.11.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=7149d382-344b-451d-a236-fd2ad7c07cde