CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke Motivatie Busremise Weinmakker Heerenveen

Raadsvergadering 19 juni 2025, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verzwaard adviesrecht tijdelijke busremise Weinmakker Heerenveen (ROM)23.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• In de fundatielaag bestaande uit volledig puin onder de noordelijk gelegen asfaltverharding is analytisch in het indicatief samengestelde asbestmengmonster geen asbest aangetoond. De volledige puinlaag komt niet in aanmerking voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof op basis van de indicatieve toetsing. Voor sulfaat is de emissiewaarde overschreden. • De volledige slakkenlaag onder de asfaltverharding ter plaatse van boring 16 komt in aanmerking voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof op basis van de indicatieve toetsing. Met het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is de bodemkwaliteit en de kwaliteit van funderingslagen onder de asfaltverharding tot de onderzochte diepte voldoende vastgesteld. De op de locatie aangetroffen maximaal licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding om aanvullend onderzoek uit te voeren. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.10 Activiteiten en milieuzonering Toetsingskader In de Omgevingswet staat het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ centraal (afgekort: ETFAL). Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen.

Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies. Voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten dient te worden voorkomen ten behoeve van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Bij het beoordelen of sprake is van balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. De opvolger ‘VNG handreiking activiteiten en milieuzonering’ is sinds oktober 2024 beschikbaar. Omdat deze opvolger niet ingaat op dergelijke gevallen zoals in het initiatief, wordt bij de beoordeling gebruik gemaakt van de VNGhandreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze handreiking zijn richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen opgesteld welke aanvaardbaar worden geacht ten opzichte van milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals woningen), waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijf)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 21/40

In de handreiking zijn bedrijven ingedeeld in verschillende milieu categorieën, waarbij geldt: hoe hoger de milieucategorie, hoe zwaarder de milieubelasting. De richtafstanden tussen bedrijven en milieuhinder gevoelige bestemmingen nemen dus toe naarmate een bedrijf in een hogere milieucategorie wordt ingedeeld. Uitgangspunt van de systematiek van activiteiten en milieuzonering is dat voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies leidt tot balans tussen deze verschillende functies binnen een gebied. Op deze manier kan gestreefd worden naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Op basis van de VNG uitgave vallen ‘busremises’ in de milieucategorie 3.2. Voor milieucategorie 3.2 activiteiten geldt een richtafstand van 100 meter tot gevoelige functies zoals wonen. In de paragraaf ‘Geluid’ is aangetoond dat alle woningen voldaan aan de geluidgrenswaarden van de gemeente Heerenveen. De richtafstand van 100 meter voor busremises is enkel geldig voor het aspect ‘geluid’. De aspecten geur en stof zijn niet van toepassing in de omgeving van het initiatief en zijn niet relevant voor onderhavig initiatief. Derhalve kan uit worden gegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijf en milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2. Ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de rijksomgevingswaarden ten aanzien van luchtkwaliteit in en nabij aandachtsgebieden. Verder moet de luchtkwaliteit beoordeeld worden in de volgende gevallen: • een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; • bij het toelaten in omgevingsplan: de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij het toelaten in omgevingsplan: de aanleg van een auto(snel)weg. Op locaties die aan één van de volgende criteria voldoen, is geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit nodig: • relatief kort verblijven (blootstellingscriterium); • het gaat om arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl); • mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit: A. locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is B.

de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Verder is het aan de gemeente om beoordelen of er nog extra maatregelen nodig zijn om de luchtkwaliteit op een aanvaardbaar niveau te krijgen. De gemeente kan dit doen door lokale omgevingswaarden te formuleren. De gemeente dient bij nieuwe ontwikkelingen zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 22/40

locaties. Op grond van de algemene zorgplicht voor het woon- en leefmilieu dient de gemeente de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit af te wegen. Beoordeling Er is door Arvitae Consulting in opdracht van Aveco de Bondt een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de te realiseren busremise. Het doel van het onderzoek is het woon- en leefklimaat in de omgeving van de busremise beoordelen. Hiervoor is de NO2- en fijnstofconcentraties (PM10 en PM2,5) op leefniveau, welke veroorzaakt wordt door de verbranding van brandstof door verkeer, getoetst aan de luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in de Omgevingswet. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8. Gemeente Heerenveen behoort niet tot de aandachtsgebieden NO2 en PM10 waarvoor de omgevingswaarden benoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) getoetst moeten worden. Op verzoek van de gemeente is voor dit plan echter wel de luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied in kaart gebracht volgens artikel 2.1 t/m 2.8 van het Bkl. In de directe omgeving van de remise liggen een aantal gevoelige bestemmingen die in het rapport gebruikt zijn als toetsingslocaties. Onderstaande figuur 6 toont de locatie van de remise inclusief de omliggende toetsingspunten.

Figuur 6: Ligging van de busremise inclusief rijroutes en toetsingslocaties Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • De gebiedsontwikkeling draagt Niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Er wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³. Ook de uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³ wordt niet vaker dan 18 keer per jaar overschreden. Tevens wordt voldaan aan de WHO advieswaarde van 10 µg/m³. • De gebiedsontwikkeling draagt Niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de jaargemiddelde concentratie PM10. Er wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³. Ook de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m³ wordt niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden. Tevens wordt voldaan aan de WHOadvieswaarde van 15 µg/m³. • Er wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 25 µg/m³ voor PM 2,5.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 23/40

De busremise en bijbehorende beoogde activiteiten voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Omgevingswet. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het initiatief voldoet aan de instructieregels zoals gesteld in de Omgevingswet. Vanuit het aspect kwaliteit van de buitenlucht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.12 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Op grond van deze regels is de gemeente verplicht om bij een nieuwe ontwikkeling rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Hiervoor is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) een bruikbaar instrument. Op deze kaart is voor de hele provincie aangegeven wat de verwachtingswaarde is op het aantreffen van archeologische resten. Hieraan zijn adviezen gekoppeld over hoe om te gaan met deze waarden. Beoordeling Archeologie Advies periode Steentijd-Bronstijd Het grootste deel van het plangebied heeft in de FAMKE de kwalificatie “Steentijd: karterend onderzoek 1”. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden, welke zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 500 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal twaalf boringen per hectare worden gezet, met een minimum van twaalf boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. Tenslotte is er een klein gebied dat is aangemerkt als “Steentijd: karterend onderzoek 2”. Gezien de aard van het initiatief waarbij de bodem niet geroerd gaat worden, is een archeologisch onderzoek echter niet benodigd.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 24/40

Advies IJzertijd-Middeleeuwen Voor de ijzertijd - middeleeuwen heeft de FAMKE het gehele plangebied aangeduid als een gebied waar geen onderzoek noodzakelijk is.

Figuur 7: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) ter plaatse van het plangebied

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 25/40

Cultuurhistorie Het plangebied maakt geen deel uit van een cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook ligt het niet in de invloedsfeer van cultuurhistorisch waardevolle objecten. Conclusie Het initiatief betreft het verkrijgen van een tijdelijke omgevingsvergunning ten behoeve van de tijdelijke busremise. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. 4.13 Weging van het waterbelang Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een BOPA rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het Waterschap Friesland dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.

Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Beoordeling Zoals beschreven in paragraaf 3.2.2 is het plangebied door de Omgevingsverordening Friesland aangewezen als een locatie met de gebiedsaanwijzing ‘Overstromingskans grasland’. Voor het initiatief geldt echter dat er geen toename van verharding plaatsvindt ten opzichte van de huidige situatie. Wat al verhard is (zij het met een puingranulaat) blijft verhard. Er gaat geen braakliggende open bodem naar een verhard oppervlak toe. De realisatie van de bouwwerken en de grondwerkzaamheden worden in een later stadium aangelegd. Deze zorgen echter niet voor een toename van de verharding, waardoor het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterveiligheid en er geen waterbergingsopgave van toepassing is. De gemeente Heerenveen heeft verder aangegeven dat het gebied rondom de busremises zo groen mogelijk wordt ingericht en dat samen met het Waterschap Friesland wordt gekeken naar hoe met water wordt omgegaan in het gebied. Echter vallen deze ontwikkelingen buiten de scope van het plangebied.

Het aspect water voldoet derhalve aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.14 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Het aspect omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 26/40

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een busremise met een bijbehorend kantoorgebouw. Zoals beschreven in het Bkl (bijlage VI) is een kantoorgebouw aan te merken als een ‘kwetsbaar gebouw’. Om na te gaan of er bij het plan sprake is van risico's ten behoeve van omgevingsveiligheid, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied de Rijksweg A32 gelegen is, te zien in onderstaande figuur.

Figuur 8: Ligging risicobronnen ten opzichte van het plangebied Rijksweg A32 Op ongeveer 100 meter ten oosten van het plangebied ligt de basisnetroute rijksweg A32 voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour, deze vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied ligt ook buiten het brandaandachtsgebied, hieruit volgen dus geen aanvullende maatregelen. Het plangebied overlapt met een groot deel van het explosieaandachtsgebied. Bouwen binnen een explosieaandachtsgebied kan aanvullende maatregelen met zich meebrengen om de gevolgen te beperken van een ongeval waarbij een explosie plaatsvindt. Denk hierbij aan het

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 27/40

toepassen van scherfwerend beglazing en/of maatregelen in de inrichting van het gebied. Het plangebied valt geheel binnen het gifwolkaandachtsgebied. Als maatregel daarvoor is mechanisch afsluitbare ventilatie toepasbaar, wat een standaard eis is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 28/40

5

Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid Wanneer er kosten zijn verbonden aan de exploitatie van locaties die door de gemeente moeten worden verhaald, dient er een verantwoording van de wijze waarop de kosten worden verhaald te worden onderbouwd. Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt in het concrete geval niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Ook wel de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld genoemd. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaal plichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Ten behoeve van het initiatief heeft de gemeente Heerenveen een participatieverslag aangeleverd, deze is bijgevoegd in bijlage 9. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten samengevat: De bewoners rondom de locatie en de naastgelegen kantoren zijn geïnformeerd via een nieuwsbrief (zie bijlage 10 over de Gebiedsvisie A32. Daarin is de komst van de busremise aangekondigd. In de nieuwsbrief staat een uitnodiging voor 2 informatiebijeenkomsten in juli 2024. Daar is de mogelijkheid geboden op de plannen in de brede zin te reageren. Ook op de locatie voor de busremise. De reacties geven aan dat men verwacht dat de geplande busremise voor veel verkeersdrukte gaat zorgen op de K.R. Poststraat. Een alternatief voorstel was om de grond van Arriva te kopen en huizen te bouwen op de beoogde locatie van de busremise. Een ander alternatief is om de busremise te verplaatsen naar het IBF-terrein in plaats van de locatie aan de Weinmakker. Daarnaast is er bezorgdheid over het behoud van de bestaande wandelroute en wadi. Men vindt dat deze moet behouden blijven. De busremise wordt eerst tijdelijk geplaatst achter de KR Poststraat. Er wordt samen met provincie Fryslân gezocht naar een permanente locatie. Het aantal extra verkeersbewegingen is in werkelijkheid heel beperkt.

De verkeersbewegingen zijn vooral buiten de spitstijden en levert daardoor geen extra belasting op de KR Poststraat. Het gebied rondom de busremise wordt zo groen mogelijk ingericht. Een wandelroute richting Hepkema's park past goed in de plannen. Samen met het Wetterskip Fryslân wordt gekeken naar hoe met water moet worden omgegaan in dit gebied. Wadi’s worden meegenomen als een van de oplossingsmogelijkheden. Er wordt nader onderzoek gedaan naar de permanente locatie voor de busremise. Voor de busvervoerder is het van belang dat deze binnen een redelijke afstand van het busstation is. Er zijn naar aanleiding van de inloopbijeenkomsten geen aanpassingen gedaan aan het plan. Weliswaar is er gekozen om de busremise tijdelijk te plaatsen aan de Weinmakker. Het gebied wordt in de permanente situatie gezien als woningbouw ontwikkelgebied.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 29/40

6

Conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 3, 4 en 5).

Gelet op de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken met betrekking tot het beleidskader, de effecten op de fysieke leefomgeving en de betrokken belangen wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 30/40

Bijlage 1 Terreinverkenning

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 31/40

Bijlage 2 Functionele inrichting plangebied

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 32/40

Bijlage 3 Terreininrichting

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 33/40

bus 15m 6 7035 fiets

er

makk Wein

lling

ta ens

bus 15m

6000

0

ik ebru

ko

r toe

o el vo

ig g mst

e eind Terr

BOUWKUNDIG TEKENBURO SNEEK B.V.

FACILITAIR TEKENBURO

VOORLOPIG

Bijlage 4 Quickscan flora & fauna (Ecosprong)

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 34/40

Quickscan flora en fauna Weinmakker te Heerenveen Definitief

Opdrachtgever Aveco de Bondt Burgemeester van der Borchstraat 2 7451 CH H Holten Opdrachtnemer Ecosprong B.V. Vogelsberg 18B 6026ED Maarheeze T +31 (0)85 004 33 02 E info@ecosprong.nl I www.ecosprong.nl Projectgegevens Projectnummer Rapportnummer Versie Datum Opgesteld door Collegiale toetsing

24074 QS_24074 1 16 augustus 2024

Inhoudsopgave Samenvatting ................................................................................................................................................... 6 1

Inleiding .................................................................................................................................................. 8

2

Wettelijk kader: Omgevingswet ............................................................................................................ 10

3

Beschrijving plangebied en te toetsen ontwikkeling ............................................................................. 14

4

Onderzoeksmethode............................................................................................................................. 16

5

Soortenbescherming ............................................................................................................................. 17

6

5.1

Broedvogels ........................................................................................................................................ 17

5.2

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................................... 21

5.3

Vleermuizen ....................................................................................................................................... 26

5.4

Amfibieën ........................................................................................................................................... 27

5.5

Reptielen ............................................................................................................................................ 29

5.6

Vissen ................................................................................................................................................. 30

5.7

Ongewervelden .................................................................................................................................. 31

5.8

Vaatplanten ....................................................................................................................................... 32

Gebiedsbescherming ............................................................................................................................. 33 6.1

Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................................. 33

6.2

Natura 2000-gebied ........................................................................................................................... 33

7

Houtopstanden ..................................................................................................................................... 35

8

Zorgplicht .............................................................................................................................................. 36

9

8.1

Algemeen zorgplicht .......................................................................................................................... 36

8.2

Specifieke zorgplicht flora en fauna ................................................................................................... 36

Conclusie ............................................................................................................................................... 38

Geraadpleegde bronnen & literatuur ............................................................................................................. 40 Bijlage I: Vrijstellingslijst per Provincie ........................................................................................................... 41

5

Samenvatting In opdracht van Aveco de Bondt heeft Ecosprong een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de voorgenomen werkzaamheden om een parkeergelegenheid te realiseren voor trolleybussen (gemeente Heerenveen, provincie Friesland). Er is geen sprake van sloopwerkzaamheden aan bebouwing of kap van bomen. Om vast te stellen of met de ontwikkeling leefgebieden van beschermde soorten of beschermde gebieden (Omgevingswet en Natuurnetwerk Nederland) worden aangetast, is als eerste stap een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten van de quickscan samengevat.

Soortbescherming Tabel 0.1: Samenvatting quickscan flora en fauna onderdeel soortbescherming. Bal staat voor besluit activiteiten leefomgeving. Soort(groep)

Broedvogels

Waargenomen / te verwachten soorten Categorie 1 t/m 4 Categorie 5 Overige soorten

Grondgebonden zoogdieren

-

Bal

Vervolgstappen/Maatregelen

Nestplaatsen in struweel

-

-

Mogelijk

Artikel 11.37

Werkzaamheden (starten) buiten het broedseizoen

-

-

-

Mogelijk

Artikel 11.46

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Diverse soorten Diverse soorten

Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders en libellen Overige soorten Vaatplanten

Overtreding

Verblijfplaats in de omgeving Foerageergebied in de omgeving Vliegroute in de omgeving -

Diverse soorten Vleermuizen

Functie

Uitstraling van verlichting naar de omgeving van het plangebied voorkomen

Naar aanleiding van deze quickscan flora en fauna is gebleken dat er geen vervolgstappen aan de orde zijn.

Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is gekeken of de toekomstige ontwikkelingen leiden tot negatieve effecten op natuurgebieden beschermd middels het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Omgevingswet (Ow). Tabel 0.2: Samenvatting quickscan flora en fauna onderdeel gebiedsbescherming. Beschermd gebied Natura 2000gebied

Gebied Deelen

Afstand tot plangebied 5,4 km

Mogelijk effect

Maatregelen/ vervolgstappen

-

-

6

NNN

-

2,5 km

-

-

Op basis van de afstand, de ligging in een bebouwde omgeving en de afwezigheid van een directe relatie / verbinding met een Natura 2000-gebied of NNN, zijn geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. De plannen leiden niet tot (significante) aantasting van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden of van kernkwaliteiten van de NNN. Een omgevingsvergunning is dan ook niet nodig. Een ‘nee-tenzij’ toets in het kader van de NNN is niet nodig.

Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Aanwezige bomen in de directe omgeving van het plangebied worden niet aangetast. Nadere toetsing is hierdoor niet nodig.

Zorgplicht Iedereen dient voldoende rekening te houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In het kader van de zorgplicht dienen ten behoeve van onderhavig project, de volgende maatregelen te worden uitgevoerd; • Werkzaamheden waarbij vegetatie verwijderd rustig en vanuit één zijde aanvangen. • De werkzaamheden altijd naar een open einde uitvoeren, zodat dieren kunnen vluchten. Bij maaien in grotere gebieden geldt van binnen naar buiten werken. • Voorkom het doden van aanwezige dieren door deze een kans te geven om het werkgebied zelfstandig te verlaten. Indien deze niet zelfstandig het werkgebied (kunnen) verlaten, mogen deze opgepakt en verplaatst worden. • Bij werkzaamheden in het donker (tussen zonsondergang tot zonsopkomst) zo min mogelijk verlichting gebruiken en deze zo min als mogelijk laten uitstralen. Licht dus richten op het werkgebied, niet daarbuiten. • Voorkom uitstraling van verlichting in de periode van half maart t/m oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst naar de omgeving. • Indien het gebruik van verlichting in deze periode niet te voorkomen is, dient vleermuisvriendelijke verlichting (roodkleurig) gebruikt te worden of dient gebruik gemaakt te worden van armaturen die uitstraling naar buiten het werkterrein voorkomen.

De voorgenomen plannen leiden tot een verlies van geschikt habitat, namelijk ruige grassen met wildbloemen. Dit kan mogelijk nadelige gevolgen hebben voor Rode Lijst soortgroep vogels. Deze gevolgen dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen, beperkt of hersteld. Gezien de aard van de werkzaamheden wordt vooral aanbevolen buiten de broedperiode te werken.

7

1 Inleiding 1.1 Aanleiding In opdracht van Aveco de Bondt heeft Ecosprong een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Weinmakker te Heerenveen (gemeente Heerenveen, provincie Friesland). In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Voorafgaand aan realisatie van een beoogde ontwikkeling, bestemmingsplanwijziging of activiteit dient te worden nagegaan of binnen en in de nabijheid van het plangebied streng beschermde planten diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. De eerste stap om de aanwezigheid te bepalen is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna. Voorliggende quickscan flora en fauna beschrijft in het kader van de Omgevingswet (Ow) en het Natuurnetwerk Nederland, de raakvlakken en mogelijke effecten van de voorgenomen ingreep op soortenbescherming, gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op houtopstanden. Uit deze quickscan blijkt of de plannen (mogelijk) leiden tot aantasting van beschermde soorten, houtopstanden en/of natuurgebieden en of vervolgstappen noodzakelijk zijn, zoals nader onderzoek en/of een omgevingsvergunning.

Afbeelding 1.1: Topografische ligging van het plangebied.

8

1.2 Doel van dit rapport De quickscan flora en fauna heeft meerdere doelen: • vaststellen van beschermde gebieden, houtopstanden en (mogelijk aanwezige) flora en fauna in (de omgeving van) het plangebied; • bepalen wat de effecten van de voorgenomen plannen zijn op beschermde natuurgebieden, houtopstanden en flora en fauna in (de omgeving van) het plangebied; • indien negatieve effecten op beschermde flora en fauna, beschermde gebieden en/of houtopstanden als gevolg van de voorgenomen plannen te verwachten zijn, wordt bepaald of nader onderzoek, aanvullende maatregelen en/of een omgevingsvergunning nodig is/zijn. Houdbaarheid De quickscan flora en fauna onderzoekt of beschermde soorten in het plangebied voor kunnen komen op basis van habitat en verspreidingsgegevens. Echter verandert de omgeving en de verspreiding van soorten continu. Om die reden wordt de houdbaarheid van een quickscan flora en fauna gesteld op 3 jaar na het veldbezoek, mits er in de directe omgeving geen ingrijpende ingrepen plaatsvinden. Ingrijpende veranderingen in of rond het plangebied kunnen immers het voorkomen van soorten binnen het plangebied beïnvloeden. Het voor dit onderzoek uitgevoerde eenmalige veldbezoek heeft plaatsgevonden op 24 juli 2024.

1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een beknopt overzicht van het wettelijk kader. Hoofdstuk 3 geeft de aard van het plan en de ligging van het plangebied weer. De gehanteerde onderzoeksmethode wordt besproken in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de resultaten en de effectenbeoordeling ten aanzien van beschermde soorten besproken. Hoofdstuk 6 gaat in op beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Hoofdstuk 7 behandelt het onderdeel houtopstanden. De resultaten en maatregelen ten aanzien van de algemene en specifieke zorgplicht worden in hoofdstuk 8 beschreven. Hoofdstuk 9 geeft de conclusie weer.

9

2 Wettelijk kader: Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) beoogt de bescherming van in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving waarbij onderscheid wordt gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. In onderstaande paragrafen wordt een globale toelichting gegeven met betrekking tot de achtergrond van deze nationale wetgeving waaraan voorgenomen ruimtelijke plannen en ingrepen worden getoetst.

2.1 Soortbescherming Op grond van de Omgevingswet is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te beschadigen of te plukken. Beschermde inheemse dieren mogen niet worden gedood, verstoord, verwond, gevangen en bemachtigd. De Omgevingswet kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. In het besluit activiteiten leefomgeving is de vergunningsplicht opgenomen voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor soorten vallende onder de verschillende beschermingsregimes (zie box 2.2). Voor de nationaal beschermde soorten heeft elke provincie een lijst opgesteld met soorten die in desbetreffende provincie zijn vrijgesteld. In deze quickscan worden enkel soorten behandeld die niet op deze vrijstellingslijst staan. De vrijgestelde soorten zijn opgenomen in bijlage 1. Box 2.2 Verbodsbepalingen Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn art lid 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de 11.37 wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te Bal verrichten, geldt voor: a het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 3 Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn art lid 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de 11.46 wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te Bal verrichten, geldt voor: a het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;

10

c

het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Beschermingsregime andere soorten art lid 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de 11.54 wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te Bal verrichten, geldt voor: a het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.

2 a het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden;

Vogels Alle broedvogels in Nederland zijn gedurende het broedseizoen beschermd (art 11.37 Bal) en in sommige gevallen ook buiten deze periode. Hierbij wordt door het bevoegd gezag onderscheid gemaakt tussen verschillende beschermingscategorieën: Beschermingscategorie 1 t/m 4: jaarrond beschermde nesten; categorie 5: niet-jaarrond beschermde vogelnesten, tenzij er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (verblijfplaatsen van vogels die regelmatig naar hun verblijf terugkeren en over voldoende flexibiliteit beschikken); en ‘overige soorten’ (vogels die jaarlijks een nieuw nest maken dat alleen in het broedseizoen beschermd is). Naar gelang de beschermingsstatus van het nest dienen maatregelen te worden getroffen om de functie van de nestlocatie te behouden. Hierbij geldt een afwijkend beleid in de provincie Flevoland, Limburg, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen; waardoor andere soorten onder de verschillende beschermingsregimes vallen. Gedragscode Binnen de Ow bestaat de mogelijkheid om na gelang de voorgenomen activiteit en de ter plaatse aanwezige soorten, door middel van een goedgekeurde gedragscode een vrijstelling te verkrijgen van de verbodsbepalingen uit art 11.37, art 11,46 en art 11.54 Bal. Een omgevingsvergunning of melding is dan niet noodzakelijk.

Wel dient aantoonbaar te worden gewerkt conform de betreffende gedragscode en blijft te allen tijde de (specifieke) zorgplicht van kracht.

11

2.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). In het besluit actviteiten leefomgeving is de vergunningsplicht opgenomen voor Natura 2000-activiteiten. Op grond van het Bal is een omgevingsvergunning nodig voor Natura 2000-activiteiten. Dit zijn handelingen waarbij, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (afdeling 7.8 Besluit kwaliteit Leefomgeving (Bkl)). De omgevingsverordening verplicht de provincies tot het aanwijzen van NNN-gebieden (art. 7.6 Bkl), het vastleggen van de wezelijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden (art. 7.7 Bkl) en het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van deze kenmerken en waarden (art. 7.8 Bkl, eerste lid). De omgevingsverordening verzekerd in ieder geval dat (art.

7.8 Bkl, tweede lid) de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruit gaat, de samenhang tussen de gebieden behouden blijft en voorziet in de tijdige compensatie van een bepaalde activiteit. Voor ruimtelijke ingrepen in of nabij het NNN geldt hiermee dus het ‘’nee, tenzij’’ principe. Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant worden aangetast, in principe niet zijn toegestaan, tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten het gebied dat deel uitmaakt van de NNN. Als de ingreep wordt toegestaan is natuurcompensatie verplicht. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is onderdeel van de Omgevingswet. Voor activiteiten die invloed hebben op houtopstanden gelden rijksregels. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Deze gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Onder houtopstanden vallen: • alleen bossen die buiten de bebouwingscontour houtkap liggen, maar die niet op erven of in tuinen staan; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat, uitgezonderd populieren en wilgen. In artikel 11.111 Bal staan in meer detail de uitzonderingen op de herplantplicht.

Voordat een perceel bos, dat onder de houtopstanden valt, wordt gekapt, dient een melding te worden gedaan. Een melding moet minstens één maand voor de kap worden gedaan. Binnen één jaar na melding moet de kap worden uitgevoerd. Per provincie zijn er ook verschillende beleidsregels ten aanzien van houtopstanden vastgelegd in onder andere provinciale verordeningen en andere beleidsplannen. Deze maken niet direct deel uit van de Omgevingswet en worden dan ook niet getoetst. In sommige gemeenten volstaat een melding niet altijd en is een omgevingsvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven.

12

Gemeenten leggen in de bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning mogen worden gekapt en voor welke bomen een meldings- of vergunningsplicht geldt.

2.3 Specifiek zorgplicht In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is opgenomen dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun direct leefomgeving (artikel 11.6, 11.27 en 11.116 Bal). Deze plicht omvat onder meer het onderzoek naar aanwijzingen van aanwezige soorten en hun belangrijke leefgebieden. Dit omvat onder andere inheemse vogelsoorten, bepaalde diersoorten genoemd in de habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en soorten vermeld in de rode lijsten. Indien aanwijzingen worden gevonden, moet worden beoordeeld of nadelige gevolgen voor deze soorten en hun habitats kunnen worden uitgesloten. Zo niet, dan moeten passende preventieve of herstelmaatregelen worden genomen, met monitoring van de effecten tijdens en na de activiteit. Deze zorgplicht is van toepassing op alle in het wild levende soorten, ongeacht eventuele vrijstellingen of vergunningen, en omvat ook de bescherming van de leefomgeving van deze soorten, waaronder foerageergebieden en rustplaatsen.

13

3 Beschrijving plangebied en te toetsen ontwikkeling Het plangebied ligt aan de Weinmakker te Heerenveen (gemeente Heerenveen, provincie Friesland). Afbeelding 3.1 geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 3.1: Luchtfoto met globale begrenzing plangebied.

3.1 Beschrijving terrein Het plangebied bestaat uit verharding. Er groeien grassen en wildbloemen op delen van de verharding. Enkele planten die binnen het plangebied groeien zijn: wilde cichorei, gewoon biggenkruid, peen, akkerdistel, Jakobskruid, harig wilgenroosje en riet. Het plangebied wordt omringt door begroeiing. Ten noorden van het plangebied ligt een golfbaan en mountainbikebaan. Ten oosten van het plangebied groeien bramenstruiken met daarachter wilgenbomen. Daarachter bevindt zich een watergang en ligt de Weinmakker. Ten zuidoosten ligt een carpool en een foodcourt. Ten zuiden, direct aan het plangebied, ligt een parkeerplaats. Ten westen van het plangebied ligt een parkje met wilgenbomen en begroeiing. Dit parkje wordt afgescheiden van het plangebied door een watergang met waterplanten en begroeiing. Om een globale indruk te geven van het plangebied zijn enkele impressiefoto’s opgenomen in afbeelding 3.2.

14

Afbeelding 3.2: Impressiefoto’s plangebied (Ecosprong, 2024).

3.2 Voorgenomen ingreep De voorgenomen ingreep is het realiseren van parkeergelegenheid voor trolleybussen van een Nederlandse vervoersmaatschappij.

15

4 Onderzoeksmethode Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de methoden gebruikt bij de quickscan flora en fauna voor het plangebied. Literatuurstudie Bij het opstellen van de quickscan flora en fauna is gebruik gemaakt van de meest recente landelijke en provinciale archief- en verspreidingsgegevens. Geraadpleegde bronnen zijn opgenomen in het hoofdstuk ‘ Geraadpleegde bronnen & literatuur’. Door middel van een literatuuronderzoek is bepaald welke beschermde gebieden en soorten er in de omgeving van het plangebied voorkomen en welke flora en fauna mogelijk in het plangebied aanwezig is. Tijdens de literatuurstudie is onder andere gebruikgemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) om een indruk te krijgen van mogelijk aanwezige flora en fauna soorten in de omgeving. Uitgangspunten bij het onttrekken van de data uit de NDFF zijn als volgt: (1) alle waarnemingen van onder de Omgevingswet beschermde soorten binnen en buiten het stedelijk gebied van Broek in Waterland en (2) de waarnemingen van de afgelopen 5 jaar, waarbij op basis van habitatkenmerken uiteindelijk bepaald wordt welke soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied. Veldbezoek Aanvullend op de literatuurstudie is een eenmalig veldbezoek op locatie uitgevoerd. Op 24 juli 2024 heeft A.R.J. Noteboom, ecoloog van Ecosprong, het plangebied en de directe omgeving verkend.

Het doel van deze veldverkenning is om een indruk te krijgen van het aanwezige habitat en de geschiktheid ervan te beoordelen voor mogelijk voorkomende beschermde soorten. Bij aanwezigheid van specifieke habitatkenmerken die belangrijk zijn voor specifieke soortgroepen is hier extra aandacht aan besteed tijdens het veldbezoek. Een quickscan flora en fauna betreft een potentie-inschatting van mogelijk aanwezige beschermde soorten en betreft geen volledig onderzoek naar het exacte gebruik van het plangebied door deze soorten. De quickscan geeft aan of nader onderzoek naar beschermde soorten noodzakelijk is naar aanleiding van de voorgenomen plannen. Niet alle soortgroepen zijn gedurende het hele jaar actief of aanwezig. Bovendien zijn voor soortspecifiek onderzoek van verschillende soortgroepen, zoals jaarrond beschermde broedvogels, vleermuizen en reptielen, meerdere veldbezoeken noodzakelijk.

16

5 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft de resultaten van het onderdeel soortbescherming van de quickscan flora en fauna. Uit dit hoofdstuk blijkt welke potenties het plangebied heeft als leefgebied voor strikt beschermde soorten. Daarnaast wordt bepaald of de plannen mogelijk leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van het Bal zoals genoemd in hoofdstuk 2. Hierbij worden de resultaten van de soortenbescherming getoetst aan de ingrepen die gepland zijn. Hieruit volgt de conclusie of er al dan niet vervolgstappen nodig zijn. Denk daarbij aan een nader onderzoek om de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten aan te tonen of het aanvragen van een omgevingsvergunning.

5.1 Broedvogels Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd op grond van artikel 11.37 Bal. Daarnaast zijn alle broedvogelnesten in Nederland gedurende het broedseizoen beschermd en in sommige gevallen ook buiten deze periode.

5.1.1 Resultaten Tijdens het veldbezoek zijn tjiftjaf, koolmees, grasmus, roodborstje, pimpelmees en zomertortel aangetroffen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende beschermingscategorieën: jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4, jaarrond beschermde nesten categorie 5 en niet-jaarrond beschermde nesten. Op basis van habitat en verspreiding wordt beoordeeld of het plangebied geschikt is voor broedvogelsoorten.

Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4)

In bebouwd gebied

Broedt in bomen

Broedt in/aan gebouwen

Habitat nestlocatie

Verspreiding

Habitat

Verspreiding

Tabel 5.1. Jaarrond beschermde nesten (cat. 1-4) en een beschrijving van de habitat. Daarnaast wordt aangegeven of het plangebied over geschikt(+) of ongeschikt(-) habitat beschikt en binnen (+) of buiten (-) het verspreidingsgebied valt van de betreffende soort. In de tabel wordt geconcludeerd of het plangebied geschikt of ongeschikt is.

2

-

+

-

Broedt in kolonies nabij grote wateren en veelal in bomen of op de grond of in riet.

-

+

Nee

Blauwe reiger Boomvalk

2

+

+

-

Broedt in slordige kolonies in de kroon van een boom met ondiep water nabij.

Voornamelijk midden en West-Nederland Landelijk

-

+

Nee

4

-

+

-

Landelijk

-

+

Nee

Bosuil

3

-

+

+

Landelijk

-

+

Nee

Buizerd

4

-

+

-

Landelijk

-

+

Nee

Draaihals

4

-

+

-

Broedt in oud kraaien- of eksternest in allerlei typen bos. Broedt in boomholtes, nestkasten of ruimten in gebouwen in divers leefgebied met oude bomen. Broedt in bosschages in kruinen van hoge bomen, vaak tegen de rand van het bos. Broedt in holen in oude, deels verrotte loofbomen, in open loofbos op zandgrond.

Landelijk

-

-

Nee

Soort Aalscholver

Cat.

Geschikt

17

Dwergstern

2

-

-

-

Broedt in kolonies op schaars begroeide eilandjes en stranden nabij visrijke wateren.

Gierzwaluw

2

+

-

+

Grote gele kwikstaart

3

+

-

+

Grote Stern

2

-

-

-

Grote Zilverreiger

2

-

+

-

Havik

4

-

+

-

Huismus

2

+

-

+

Huiszwaluw

2

+

-

+

Ijsvogel

3

-

-

-

Kerkuil

3

+

-

+

Lepelaar

2

-

+

-

Noordse Stern

2

-

-

-

Oehoe

3

-

-

-

Ooievaar

3

+

+

+

Purperreige r

2

-

+

-

Raaf

3

-

+

-

Ransuil

4

-

+

-

Ringmus

2

+

+

+

Roek

2

+

+

-

Broedt in gebouwen onder dakpannen en gaten in de muur. Broedt in een nis in de muur, onder een brug of boomwortets aan de oevers van beken en rivieren. Broedt in kolonies in kwelders, groene stranden en schaars begroeide eilanden nabij de kust. Broedt in kolonies in rietmoerassen, oeverzones van meren en plassen, bossen langs rivieren en kusten bij de mondingen van rivieren. Broedt hoog in de kroon in naald- en loofbossen. Broedt in gebouwen onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Broedt in gemetseld nest van klei en zand tegen gevels in open gebied met gebouwen en bruggen. Broeden in tunnels in oevers, wanden of tussen wortels van bomen nabij wateren. Broedt in ruimtes in gebouwen en nestkasten in halfopen tot open cultuurlandschappen. Broedt in gemengde kolonies in moerassige gebieden, dichte rietkragen, moeilijk bereikbare bomen en op kwelders. Broedt in kolonies op zandige eilanden en schelpenbanken op kleine eilanden of schiereilanden. Broedt op richels van bergen of steengroeves, soms oud nest van bijv. roofvogel, incidenteel op de grond in uiteenlopende leefgebieden. Broedt in kunstmatige nestgelegenheden of zelfgemaakte nesten in bomen in extensief beheerde weilanden en uiterwaarden. Broedt in kolonies in laagveengebieden in overjarig rietland door riet omgeven struweel.

Broedt in een nest in de kruin van de boom in gebieden waarin bossen en heide elkaar afwisselen en bosjes in cultuurland Broedt in oude kraaien- of eksternesten, variërend van agrarische gebieden tot open bos. Broedt in natuurlijke holtes, in schuren en onder dakpannen in kleinschalig cultuurlandschap en in dorpen. Broedt in vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen, kanalen of in dorpen in de buurt van graslanden.

Slechtvalk

3

+

+

+

Broedt op in nissen en op richels, oude nesten van roofvogels en kraaien,

De Delta, Waddengebied en enkele paren in het Ijselmeergebied Landelijk

-

-

Nee

-

+

Nee

Oostelijk Nederland

-

-

Nee

De Delta en Waddengebied

-

-

Nee

Midden- en West-Nederland

-

-

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Kust- en riviergebieden

-

-

Nee

De Delta en Waddengebied

-

-

Nee

Zuidoosten van Nederland

-

-

Nee

MiddenNederland

-

+

Nee

MiddenNederland

-

-

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk, m.u.v. de kustgebieden en Flevoland Landelijk

-

+

Nee

-

-

Nee

18

Sperwer

4

-

+

-

Steenuil

1

+

+

+

Stormmeeu w

2

+

+

+

Torenvalk

3

+

+

+

Wespendief

4

-

+

-

Zeearend

4

-

+

-

Zwarte Specht

3

-

+

-

Zwarte Stern

2

+

-

-

Zwarte wouw

4

-

+

-

Zwartkopm eeuw

2

+

-

-

nestkasten, kantoorgebouwen, torens, op hoogspanningsmasten en soms op de grond. Broedt in een nest dicht bij de stam in bossen, open boerenland, tuinen, parken en erven. Broedt in holtes van bomen en nissen van gebouwen of schuren in kleinschalige cultuurlandschappen met variatie.

Broedt in kleine kolonies in weilanden, open duinen, strandvlakten, kwelders en op gebouwen. Broedt in oud kraaiennest of nissen van gebouwen in open en halfopen land. Broedt in nesten in de kruin van hoge bomen in loofbossen en gemengde bossen, met open plekken, heide, hoogvenen en graslandjes. Broedt jarenlang in groot nest in kruin van de bomen op rustige plaatsen met vis- en waterrijke wetlands. Broedt in oud kraaiennest of nissen van gebouwen in open en halfopen land. Broedt in zelfgehakte holte in een dikke loofboom (beuk) in uitgestrekte naaldbossen met beukenlanen en percelen. Broedt in kleine kolonies op drijvende zoetwatervegetatie in ondiepe moerassen en agrarische gebieden met veel sloten en modderbanken. Broedt in nest in de kruin van een boom in laagland, van halfopen, bos- en waterrijke gebieden. Broedt in kolonies in kustlagunes, moerassen en open laagland met enige vegetatie.

Landelijk

-

+

Nee

Landelijk, m.u.v. de kustgebieden, Flevoland, Friesland en Groningen. De kust- en rivierengebiede n Landelijk

-

-

Nee

-

-

Nee

-

+

Nee

Voornamelijk Midden-, Oosten ZuidNederland Landelijk

-

+

Nee

-

-

Nee

Landelijk

-

+

Nee

MiddenNederland

-

-

Nee

Enkele locaties in Nederland

-

-

Nee

De Delta en Ijsselmeergebie d

-

-

Nee

Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) door het ontbreken van geschikt habitat en/of de ligging buiten het verspreidingsgebied.

Jaarrond beschermde nesten (categorie 5)

Broedt in bomen

Broedt in/aan gebouwen

Bergeend

5

-

-

-

Blauwe kiekendief

5

-

-

-

Soort

Cat.

Habitat nestlocatie Broedt in holtes en konijnenholen in de duinen, kwelders en in veenweilanden langs de rivieren. Broedt op de grond in hoge heide, rietland, tussen wilgen en in graanvelden.

Habitat

In bebouwd gebied

Tabel 5.2. Jaarrond beschermde nesten (cat. 5) en een beschrijving van de habitat. Vanwege de meer algemene verspreiding van deze soorten, is de verspreiding niet opgenomen in de tabel. Daarnaast wordt aangegeven of het plangebied over geschikt(+) of ongeschikt(-) habitat beschikt van de betreffende soort. In de tabel wordt geconcludeerd of het plangebied geschikt of ongeschikt is.

Geschikt

-

Nee

-

Nee

19

Boerenzwaluw

5

+

-

+

Bontbekplevier

5

-

-

-

Eider

5

-

-

-

Gekraagde roodstaart

5

+

+

-

Glanskop

5

+

+

-

Grote Mantelmeeuw

5

-

-

-

Grutto

5

-

-

-

Kleine bonte specht

5

-

+

-

Kleine Mantelmeeuw

5

+

+

-

Kokmeeuw

5

+

-

-

Kraanvogel

5

-

-

-

Middelste Bonte Specht

5

-

+

-

Oeverzwaluw

5

+

-

-

Paapje

5

-

-

-

Ruigpootuil Scholekster

5 5

+

+ -

+

Spreeuw

5

+

+

+

Strandplevier

5

+

-

-

Visdief

5

+

+

-

Zilvermeeuw

5

+

+

-

Maakt een nest van klei en leem in open schuren, brede dak overstekken en bruggen. Broedt in kleine half-kolonies op de grond in kustgebieden, past aangelegde eilanden, rustige stranden en akkers met veel kale grond. Broedt in losse kolonies op de grond in de duinen op het Waddengebied en steeds vaker aan de mondingen van de Delta. Broedt in holen en nissen in gevarieerde oude gemengde bossen met open plekken. Broedt in holten van rottend hout in ouder loofbos van minimaal 4 hectares. Broedt op de grond in het Wadden- en Deltagebied en enkele gevallen aan het IJsselmeer gebied. Broedt op de grond in een onopvallend grasnest in vochtige, kruidenrijke graslanden. Broedt in zelfgemaakte holtes in dode delen van loofbomen in gebieden met (zachte) bomen. Broedt op de grond in een gebied met dichte vegetatie langs de kustgebieden maar ook steeds vaker in graslanden met veel water of op gebouwen. Broedt in kolonies op de grond vooral in het binnenland aan zoet water maar ook wel aan de kust en in steden. Broedt op de grond in uitgestrekte moerasbossen en hoogvenen. Broedt in holtes in hardhouten of zachthouten loofbomen met voorkeur voor oud loofbos met bomen met ruwe bast. Broedt in zelf gegraven gangen in steile wanden in gebieden met grote open wateren en rivieren. Broedt op de grond in kruidenrijk open grasland maar ook op heidevelden en in hoogvenen en duinvalleien.

Broedt in boomholten in dichte wouden. Broedt op de grond of op grinddaken en paaltjes in natuurgebieden, boerenland en bebouwing. Broedt in een holte in een boom of kieren en gaten van gebouwen in dorpen, steden en grasvelden. Broedt op de grond in open kustgebieden met weinig vegetatie en veel dynamiek, vaak op nieuw aangelegde eilandjes, soms op bouwterreinen. Broedt in kolonies op de grond bij de kust en visrijke wateren op een kale tot grazige bodem, soms ook op daken. Broedt in kolonies in duingebieden maar ook steeds vaker op daken in steden.

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

-

Nee

Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) door het ontbreken van geschikt habitat en/of de ligging buiten het verspreidingsgebied.

Niet-jaarrond beschermde nesten Algemeen voorkomende broedvogels kunnen overal tot broeden komen, van een open akker (kievit), naar een slootkant (meerkoet), in een klein struikje (winterkoninkje), tot bomen (houtduif) en

20

gebouwen (spreeuw). Deze soorten zijn alleen beschermd op het moment waarop ze een nest hebben met eieren en jongen. Door de aanwezigheid van opgaande begroeiing in de directe omgeving zijn er broedmogelijkheden in de omgeving van het plangebied voor ‘algemene’ soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is.

5.1.2 Effectenbeoordeling Binnen het plangebied zijn geen nestmogelijkheden voor broedvogels. Bij de voorgenomen werkzaamheden is daarom geen sprake van verstoring, vernietiging en/of doden van broedvogels (met jaarrond beschermde nesten). Algemene broedvogels Door de aanwezigheid van struweel binnen en in de omgeving van het plangebied, zijn er broedmogelijkheden voor ‘algemene’ soorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Voor deze soorten geldt, evenals voor alle andere soorten, dat werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot verstoring. Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden of te starten buiten het broedseizoen. Indien dit niet mogelijk is, dient een broedvogel controle uiterlijk 5 dagen voor de werkzaamheden uitgevoerd te worden. Als tijdens de vrijgave nesten van vogels worden aangetroffen dienen de werkzaamheden nabij deze nesten uitgesteld te worden totdat de jongen het nest op eigen kracht hebben verlaten. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd; ongeacht het seizoen mogen nesten van vogels die actief in gebruik zijn, niet worden aangetast of verstoord. Het broedseizoen loopt van globaal medio maart – eind juli, maar is afhankelijk van de betreffende soort en buitentemperatuur. Voor advies over de periode van het broedseizoen kan desgewenst een deskundige (ecoloog) worden geraadpleegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=305bc262-835a-42ed-aa70-f2965300b69a