CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke Motivatie Busremise Weinmakker Heerenveen

Raadsvergadering 19 juni 2025, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verzwaard adviesrecht tijdelijke busremise Weinmakker Heerenveen (ROM)23.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke motivering busremise Weinmakker te Heerenveen

datum projectnummer

29 november 2024 241682003

Rapport

Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl

Ruimtelijke motivering busremise Weinmakker te Heerenveen project projectnummer

opdrachtgever postadres

Diverse onderzoeken Weinmakker P-noord te Heerenveen 241682003 KWS Infra B.V. Vestiging Zwolle - Leek (0620) Blankenstein 148 7943 PE Meppel

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en doel Aanleiding Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege Beoordelingskader en belangenafweging Leeswijzer

1 1 1 2 3

2 2.1 2.2 2.3

Gebieds- en projectomschrijving Inleiding Bestaande situatie Toekomstige situatie

4 4 4 5

3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2

Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Nationale omgevingsvisie (NOVI) Instructieregels Rijk (aMvB’s) Provinciaal beleid Provinciale omgevingsvisie ‘De romte diele Fryslân’ Omgevingsverordening Friesland 2022 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Heerenveen 2040 Gebiedsvisie A32

7 7 7 8 8 8 9 9 9 10

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

Aspecten fysieke leefomgeving Inleiding M.e.r.-beoordeling Ladder voor duurzame verstedelijking Verkeersgeneratie- afwikkeling en parkeren Duurzaamheid Gezondheid Natuurwaarden Geluid Bodem Activiteiten en milieuzonering Luchtkwaliteit Archeologie en cultuurhistorie Weging van het waterbelang Omgevingsveiligheid

11 11 11 11 13 15 15 16 18 20 21 22 24 26 26

5 5.1 5.2

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

29 29 29

6

Conclusie

30

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

Terreinverkenning Functionele inrichting plangebied Terreininrichting Quickscan flora & fauna (Ecosprong) Stikstofdepositieonderzoek (Arvitae Consulting) Akoestisch onderzoek (Aveco de Bondt) Verkennend bodemonderzoek (Aveco de Bondt) Luchtkwaliteitsonderzoek (Arvitae Consulting) Participatieverslag Nieuwsbrief Gebiedsvisie

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

1

Aanleiding en doel

1.1 Aanleiding Vanaf half december 2024 neemt Qbuzz het busvervoer in Friesland over. Qbuzz B.V is voornemens om een tijdelijke busremise voor 5 jaar te realiseren op Plein Noord langs de Weinmakker in Heerenveen. De remise betreft een parkeerplek voor de bussen, maar is ook de plek waar ze worden gewassen en getankt. Daarnaast is het een start- en rustpunt voor de buschauffeurs. De permanente locatie voor de busremise wordt in de komende jaren gerealiseerd waarna deze locatie weer vrijkomt. Aanduiding plangebied Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de McDonalds Heerenveen (Stadionweg 11) en bevindt zich tussen de Weinmakker in het oosten en de K R Poststraat in het zuiden. Ten oosten van de Weinmakker ligt de Rijksweg A32. Aan de westzijde van het plangebied bevinden zich agrarische gronden, met verderop woningen gelegen. Het plangebied straat kadastraal bekend als gemeente Tjalleberd, sectie K, perceelnummer 1700 (deels). Het plangebied is weergegeven in figuur 1.

Figuur 1: Situering busremise Weinmakker te Heerenveen 1.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege Op de locatie is het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Heerenveen van toepassing. Op de beoogde locatie is het bestemmingsplan ‘Rijksweg A32’ (1985) vastgesteld, waarbij ‘Agrarische doeleinden klasse A’ de aangewezen bestemming is.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 1/40

Daarnaast is op 28 maart 2024 het bestemmingsplan ‘1e Aanpassing partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan is niet relevant voor deze ontwikkeling, aangezien kamerverhuur niet aan de orde is bij dit plan. Naast bovengenoemde bestemmingsplan kent het plangebied aan de gronden ook het bestemmingsplan ‘Partiële herziening bestemmingsplannen parkeren’, die zorgt voor een herziening van alle bestemmingsplannen gericht op parkeren. Hierin staat vermeld dat bij ‘”Een bouwplan en/of een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van gebruik, dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden, op de bij het bouwplan of de aanvraag behorende gronden”. In paragraaf 4.4 wordt op dit aspect nader ingegaan. Strijdigheden met omgevingsplan Het van rechtswege verkregen omgevingsplan van de gemeente Heerenveen maakt de realisatie van een tijdelijke busremise planologisch niet mogelijk. Aan de gronden is de bestemming ‘Agrarische doeleinden klasse A’ toegekend, daar de gronden enkel zijn bestemd voor cultuurgrond, sloten, bermen en beplanting. Om het gewenste plan mogelijk te maken dient het omgevingsplan te worden gewijzigd of van het omgevingsplan te worden afgeweken.

Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan enerzijds omdat een busremise niet is toegestaan en anderzijds omdat het plan de bouwhoogte (1,75 meter) overschrijdt. Derhalve is gekozen om via een omgevingsvergunning af te wijken van het omgevingsplan. Het betreft de zogenaamde omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). 1.3 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: • (ruimtelijke) regels uit verschillende in artikel 4.6 Invoeringswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; • rijksregels over activiteiten, aangeduid als de bruidsschat. Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt enerzijds dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of een vergunning wordt verleend voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet rekening worden gehouden met deze regels dan wel dienen deze regels betrokken of in acht genomen te worden. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen moeten worden afgewogen. In hoofdstuk 4 wordt hierop nader ingegaan. Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.

Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 2/40

ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. 1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijkfunctionele situatie en de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In het laatste hoofdstuk komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 3/40

2

Gebieds- en projectomschrijving

2.1 Inleiding Voor het opstellen van de motivering is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld wordt gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. 2.2 Bestaande situatie Het plangebied bevindt zich in het oosten van Heerenveen, gelegen aan de westzijde van de Rijksweg A32. De locatie bestaat voor het grootste deel uit een parkeerterrein. Op delen van de verharding komt begroeiing voor. Het plangebied wordt daarnaast ook omringt door begroeiing. In de nabije omgeving bevinden zich diverse activiteiten. Aan de westzijde bevindt zich een woonwijk. Om een globale indruk te geven van het plangebied zijn enkele impressiefoto’s opgenomen in onderstaande figuren. In bijlage 1 is de volledige terreinverkenning bijgevoegd.

Figuur 2: Impressiefoto's bestaande situatie plangebied

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 4/40

2.3 Toekomstige situatie Het voornemen bestaat om middels een tijdelijke busremise parkeergelegenheid voor trolleybussen te realiseren. Op het terrein zijn 28 opstelplaatsen van ieder 13 meter lang voor bussen voorzien. Ook komt er een tankinstallatie waar de bussen worden getankt en een wasinstallatie waar de bussen worden gewassen. Voor het personeel worden parkeervakken voor de personenwagen en een fietsenstalling gerealiseerd. Op het terrein komt daarnaast een kantoorgebouw. Het asfalt bestaat uit vloeistof dichte vloeren, zodat er geen lekken ontstaan. De verdere invulling van de gebouwen en de precieze bouwhoogten worden in een later stadium bepaald. Op figuur 3 (en bijlage 2) is de functionele invulling van het terrein weergegeven, waar te zien is waar welke functies zich bevinden op het terrein. In figuur 4 (en bijlage 3) is de technische inrichting van het terrein bijgevoegd waarin onder andere afmetingen vermeld zijn en aangegeven is hoe afvoer van water is geregeld.

Figuur 3: Functionele invulling terrein busremise

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 5/40

Figuur 4: Terrein inrichting plangebied

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 6/40

3

Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid en rijksregels 3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Beoordeling Het plangebied is niet gelegen binnen een regio waarvoor in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) een gebiedsgerichte aanpak is opgesteld. De NOVI laat zich daarnaast niet specifiek uit over lokale ontwikkelingen. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Wel moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden doorlopen (zie paragraaf 4.3). Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 7/40

3.1.2 Instructieregels Rijk (aMvB’s) Toetsingskader Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een wijziging van het omgevingsplan de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat deze wijziging van het omgevingsplan geweigerd wordt als: A. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; B. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); C. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Beoordeling In hoofdstuk 4 van deze BOPA wordt nader ingegaan op de verschillende milieuplanologische thema’s. Per thema wordt waar nodig ook aangetoond op welke wijze de ontwikkeling passend is binnen instructieregels zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het BKL. De activiteit is passend binnen de doelstelling en het beleid van het Rijk. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de instructieregels van het rijk (AMvB’s).

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie ‘De romte diele Fryslân’ Toetsingskader De provinciale omgevingsvisie De Romte Diele, is op 23 september 2020 door Provinciale Staten vastgesteld. De omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. Veel provinciaal beleid, programma’s en projecten raken de Friese leefomgeving waarin mensen wonen, werken, zich verplaatsen, elkaar ontmoeten en recreëren. In de omgevingsvisie staat waar de provincie met de leefomgeving van Friesland naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. Het is geen blauwdruk voor hoe Friesland er over 20 à 30 jaar bij ligt. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Samen met verschillende organisaties, inwoners en ondernemers in Friesland geeft de provincie nu invulling aan deze visie. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. Vier opgaven De provinciale omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en het Verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden.

Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven: 1. Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden; 2. Energietransitie met kracht voortzetten; 3. Fryslân klimaatadaptief inrichten; 4. Versterken biodiversiteit. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Friesland in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 8/40

Beoordeling Het initiatief betreft het verkrijgen van een tijdelijke omgevingsvergunning ten behoeve van de tijdelijke busremise voor 5 jaar. De omgevingsvisie Friesland laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De activiteit is passend binnen de doelstellingen van de provincie Friesland. Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend binnen de omgevingsvisie van de provincie Friesland. 3.2.2 Omgevingsverordening Friesland 2022 Toetsingskader In de omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 9 oktober 2024 is de omgevingsverordening Friesland vastgesteld. Deze omgevingsverordening bevat alle regels voor de fysieke leefomgeving. Beoordeling De Omgevingsverordening laat zich niet specifiek uit over dergelijke tijdelijke ontwikkelingen. Het initiatief betreft het verkrijgen van een tijdelijke omgevingsvergunning ten behoeve van een tijdelijke busremise. In hoofdstuk 4 van deze BOPA wordt nader ingegaan op de verschillende milieuplanologische thema’s. Het plangebied is door de Omgevingsverordening aangewezen als een locatie met de gebiedsaanwijzing ‘Overstromingskans grasland’.

Voor deze locatie gelden omgevingswaarden voor de kans op overstroming vanuit regionale wateren. Voor het initiatief geldt dat dit eens in de 10 jaar is, waarbij 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. In de paragraaf ‘weging van het waterbelang ‘ (4.13) wordt het aspect water nader toegelicht. Conclusie De activiteit is passend binnen de Omgevingsverordening van de provincie Friesland. 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Heerenveen 2040 Toetsingskader Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Heerenveen vastgesteld. In de omgevingsvisie omschrijft de gemeente het unieke karakter van Zuidplas en staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040, centraal. De gemeente beschrijft het toekomstbeeld aan de hand van de volgende 4 kernopgaven: 1. Werken aan Heerenveen als (boven)regionaal centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen; 2. Bouwen aan toekomstbestendige woningen; 3. Zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen; 4. Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied Beoordeling Het initiatief betreft het voorzien in een tijdelijke busremise. De beoogde ontwikkeling is van een dusdanig klein schaalniveau dat de Omgevingsvisie Heerenveen niet ingaat op ontwikkelingen zoals de onderhavige.

De busremise komt er maar tijdelijk (5 jaar) en de visie voorziet geen beleidsuitspraken over tijdelijke voorzieningen. In de Omgevingsvisie Heerenveen wordt wel ingegaan op het belang van bereikbaarheid door middel van het OV. Een goed OV is belangrijk om mee te kunnen doen in de samenleving en sociale contacten te onderhouden. Bereikbaarheid van voorzieningen met OV is belangrijk voor leefbaarheid en (ervaren) gezondheid. Herstructurering van het regionale OV (bus) is nodig om dit betaalbaar te houden.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 9/40

Vanaf half december 2024 neemt Qbuzz het busvervoer in Friesland over. Dit betekent voor de gemeente Heerenveen dat er een nieuwe busremise gebouwd moet worden. Het initiatief draagt bij aan deze behoefte. Gebiedsaanduidingen Het plangebied kent door de Omgevingsvisie Heerenveen 2040 verschillende aanduidingen. De navolgende aanduidingen zijn relevant voor het initiatief: • Kaart 1 ‘Kenschets en algemene uitgangspunten Woongebieden’: Deze gebieden zijn vooral ingericht om rustig te wonen, maar er is ook ruimte voor verschillende maatschappelijke en commerciële voorzieningen. • Kaart 3 ‘Integrale gebiedsontwikkeling A32- zone’: Het A32-gebied moet zich niet als concurrent van het centrum ontwikkelen op het gebied van woningbouw en economie, vandaar dat woningbouw in het centrum prioriteit krijgt. Het initiatief is niet in strijd met de gebiedsaanduidingen van de gemeente. Het gebied is aangewezen als woningbouwlocatie, maar de prioriteit ligt om dit eerst in het centrum te realiseren. De tijdelijke busremise sluit de eventuele realisatie van woningbouw in een later stadium niet uit. Conclusie De Omgevingsvisie Heerenveen 2040 stimuleert het herstructureren van het OV en geeft aan dat een goed OV belangrijk is om mee te kunnen doen in de samenleving. Het initiatief draagt bij aan het behoud en herstructurering van het OV in de gemeente Friesland.

3.3.2 Gebiedsvisie A32 Toetsingskader De gemeente Heerenveen is gestart met het maken van een overkoepelende gebiedsvisie voor de gehele A32 zone. Daarin moet duidelijk worden welke kansen en mogelijkheden de ontwikkellocaties bieden en hoe deze onderling afgestemd worden. In de gebiedsvisie voor de A32 zone wordt de visie beschreven voor de ontwikkeling van het gehele gebied voor de komende 15 jaar. Denk daarbij aan woningbouw, nieuwe fietsroutes, verkeer en inrichting van de openbare ruimte. Daarnaast wordt meer richting gegeven aan de invulling van de ontwikkellocaties. Waar kunnen bijvoorbeeld appartementen worden gebouwd en waar juist niet. Het vormt de rode draad bij uitwerking van ruimtelijke plannen. Beoordeling Vanaf half december 2024 neemt Qbuzz het busvervoer in Friesland over. Dit betekent voor de gemeente Heerenveen dat er een op korte termijn een nieuwe busremise gebouwd moet worden. In de komende tijd gaan provincie Friesland en gemeente Heerenveen op zoek naar een geschikte permanente locatie voor de busremise. Zodra de busremise een vaste locatie krijgt, is het plan om op de locatie van de tijdelijke busremise woningen te bouwen. De gemeente werkt momenteel nog aan de gebiedsvisie voor het gebied rondom de A32. In de conceptversie wordt de plek van de tijdelijke busremise beschreven als plek voor woningbouw.

Begin volgend jaar (2025) besluit de gemeenteraad of de visie wordt vastgesteld. Conclusie De realisatie van een tijdelijke busremise op de locatie is niet in strijd met het daadwerkelijk beoogde aangewezen voornemen, namelijk woningen. Zodra er een geschikte permanente locatie gevonden is voor de busremise is het mogelijk om de busremise te verwijderen en woningbouw te realiseren.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 10/40

4

Aspecten fysieke leefomgeving

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving zoals deze relevant zijn voor het initiatief dat voorligt. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen. 4.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Bij het wijzigen van het omgevingsplan kan het plan kaderstellend zijn voor ontwikkelingen die milieueffecten kunnen hebben. Projecten die in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Obl) staan zijn plan-mer-plichtig. Projecten die niet opgenomen zijn in bijlage V Omgevingsbesluit zijn plan-mer-beoordelingsplichtig.

Indien projecten wel voorkomen in bijlage V Obl maar onder de drempelwaarden vallen van kolom 2 uit bijlage V Obl dan is een planmer-beoordeling toelaatbaar indien: 1. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is. 2. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In alle overige gevallen dient een plan-mer procedure gevolgd te worden. Toetsing aan de mer-beoordeling Het initiatief betreft het verkrijgen van een tijdelijke omgevingsvergunning ten behoeve van een tijdelijke busremise. Het beoogde initiatief is qua aard en omvang van een tijdelijke ontwikkeling niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in bijlage V Obl. Toetsing van het initiatief middels een m.e.r.beoordeling is derhalve niet van toepassing. 4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Deze toepassing in de vorm van een onderbouwing behandelt de nut en de noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, rekening houdend met het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) wordt als volgt omschreven: • Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 11/40

•

•

•

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Beoordeling De toets aan de ladder voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is beleidsneutraal vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) omgezet naar de Omgevingswet. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. A. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? B. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? C. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? D. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? E. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? A. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Onderhavig ruimtelijk besluit voorziet ter plaatse van het plangebied in de realisatie van een busremise met een ruimtebeslag van meer dan 500 m². Derhalve is deze ontwikkeling als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. B. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling van het ruimtelijke besluit, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 12/40

Het plangebied kent momenteel een agrarische bestemming. Het onderhavig ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van een busremise niet mogelijk. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologisch beslag op de ruimte plaats. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. C. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Onderhavig plan bestaat uit de realisatie van een busremise. Vanaf half december 2024 neemt Qbuzz het busvervoer in Friesland over. De oude busremise naast het busstation in Heereveen wil Arriva niet verhuren aan Qbuzz. Dit betekent voor Qbuzz dat er een nieuwe busremise gebouwd moet worden. In de komende tijd gaan provincie Friesland en gemeente Heerenveen op zoek naar een geschikte permanente locatie voor de busremise. De gemeente werkt momenteel nog aan de gebiedsvisie voor het gebied rondom de A32.

In de conceptversie wordt de plek van de tijdelijke busremise beschreven als plek voor woningbouw. Begin volgend jaar (2025) besluit de gemeenteraad of de visie wordt vastgesteld. D. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat indien de ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ buiten ‘bestaand stedelijk gebied’ is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het begrip ‘stedelijk gebied’ is opgenomen in het Bkl, bijlage I: stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

Bij de beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt dient te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan nog niet was gerealiseerd. Het plangebied is volgens de Omgevingsverordening Friesland 2022 gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied gelegen. Gelet daarop is het onderhavige plangebied gelegen binnen het ‘bestaand stedelijk gebied’ van Heerenveen en hoeft de ladder niet verder doorlopen te worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is aan te merken als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ voorziet in een behoefte en is gelegen binnen ‘bestaand stedelijk gebied’. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.4 Verkeersgeneratie- afwikkeling en parkeren Toetsingskader De verkeersgeneratie van functies, het afwikkelen van het verkeer door de gemeente en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij functies zijn van belang bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Verkeers-

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 13/40

en parkeeroverlast moet voorkomen worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze onderwerpen op hun gevolgen voor de leefomgeving beoordeelt te worden. Beoordeling Parkeren Door de gemeente Heerenveen zijn in de ‘Nota Parkeernormen Gemeente Heerenveen 2020’ parkeernormen gesteld waarbij zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de parkeernormen zoals die zijn gesteld in de destijds geldende publicatie van het CROW. De kadernota en de CROW-publicaties gaan echter niet op normen met betrekking tot busremises, vandaar dat naar de beoogde feitelijke situatie is gekeken om het aantal parkeerplaatsen te berekenen. De beoogde busremise betreft naar verwachting plaats voor 28 bussen. Het aantal buschauffeurs die gebruik dienen te maken van de parkeerplaatsen is daarmee gelijk. Verder dienen er 4 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden voor het buspersoneel en 3 plaatsen voor het kantoorpersoneel dat ook gebruik zal maken van de parkeerplaatsen op het terrein. In totaal gaat het hier om 35 benodigde parkeerplaatsen. Verkeersgeneratie Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat er vanuit het verkeersaspect wordt gestreefd naar een kwalitatieve ruimtelijke ordening. In het plan dient nauwlettend rekening te worden gehouden met een doeltreffende en verkeersveilige afwikkeling van het verkeer.

De tijdelijke busremise zal bereikbaar zijn via de Weinmakker, waardoor de bussen niet door de wijk hoeven te rijden. In de ochtend rijden de bussen naar het busstation en in de avond gaan ze terug naar de busremise. Overdag zijn er beperkt vervoersbewegingen van en naar de busremise. Gelet op de huidige verkeersintensiteiten van de Weinmakker en de grootte van het initiatief zal de verkeersgeneratie niet significant toenemen op deze weg. De Weinmakker is een 50 km/u weg en kan de verkeersgeneratie van het initiatief aan.

Figuur 5: Verkeersafwikkeling toekomstige situatie plangebied Conclusie Het aspect Verkeersgeneratie- afwikkeling en parkeren vormt geen belemmering voor het initiatief.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 14/40

4.5 Duurzaamheid Toetsingskader De duurzame ontwikkeling is in de Ow verder geborgd via artikel 1.3 en 2.1. In artikel 1.3 van de Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet als volgt verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft vervolgens aan dat bestuursorganen van een gemeente, provincie, het Rijk of een Waterschap hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met het oog op de doelen van deze wet, zoals dus ook de belangrijke doelen neergelegd in artikel 1.3 Ow. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving. Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling geborgd voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Het vergt een in de wet voorziene samenhangende benadering vanaf het begin van de besluitvorming van alle relevante belangen: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

Het belangrijkste instrument voor duurzame ontwikkelingen is de omgevingsvisie van de gemeente. In deze visie worden de duurzaamheidsdoelen benoemt. Deze doelen spelen een belangrijke rol voor het afwegen van nieuwe ontwikkelingen. Ook is het mogelijk om in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen met betrekking tot energieprestatie en milieuprestatie bij nieuwbouw van gebouwen en daarbij strengere grenswaarden op te nemen dan de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geformuleerde landelijke normen. Beoordeling Het belangrijkste instrument ten aanzien van duurzaamheid is de Omgevingsvisie Heerenveen 2040 waarin de duurzaamheidsdoelstellingen worden benoemd. Voor het plangebied en onderhavige ontwikkeling zijn geen specifieke duurzaamheidsambities vanuit de gemeente Heerenveen van toepassing. Het betreft een tijdelijke busremise waarbij geen duurzaamheidsaspecten van toepassing zijn. Conclusie Met onderhavig initiatief wordt invulling gegeven aan een duurzame leefomgeving. 4.6 Gezondheid Toetsingskader De Omgevingswet bevat instrumenten die overheden kansen bieden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen.

De Omgevingswet bevat de volgende artikelen die ingaan op het thema gezondheid: • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. • In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 15/40

•

Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zien op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk en milieubelastende activiteiten.

De leefomgeving is gezonder als de invloed van belastende milieuaspecten (zoals lucht, geluid, geur, straling, etc.) op de gezondheid van bewoners zo klein mogelijk is. Een omgeving die voldoet aan de wettelijke normen is het startpunt, maar juist onder de normen is nog veel gezondheidswinst te behalen. Een omgeving die uitnodigt tot gezond gedrag die als veilig en prettig ervaren en stimuleert tot sociaal contact is een gezonde omgeving. Beoordeling Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige- en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. De aspecten geur en trillingen zijn niet van toepassing voor het initiatief.

In paragrafen 4.8 4.9 en 4.11 worden de aspecten geluid, bodem en luchtkwaliteit behandeld, waaruit blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Conclusie Alle milieuthema’s zijn afzonderlijk behandeld in onderhavige ruimtelijke motivering. In hoofdstuk 6 wordt voor alle aspecten geconcludeerd of het aspect gezondheid in voldoende mate is afgewogen. 4.7 Natuurwaarden Toetsingskader gebieds- en soortenbescherming Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 16/40

Toetsingskader stikstof Met de invoering van de Omgevingswet is de Wet natuurbescherming komen te vervallen. Dit houdt in dat het beschermen van natuurwaarden nu onder andere terechtkomt in het omgevingsplan. Bij een wijziging van een omgevingsplan moet een afweging gemaakt worden over een Natura 2000-activiteit. Hieronder wordt het volgende verstaan: “activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.”. Middels een AERIUS-berekening dient aangetoond te worden dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen stikstofdepositie (mol/ha/j) is op omliggende Natura 2000-gebieden. Beoordeling gebieds- en soortenbescherming In opdracht van Aveco de Bondt heeft Ecosprong een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de voorgenomen werkzaamheden om een parkeergelegenheid te realiseren voor trolleybussen. Om vast te stellen of met de ontwikkeling leefgebieden van beschermde soorten of beschermde gebieden (Omgevingswet en Natuurnetwerk Nederland) worden aangetast, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten van de quickscan samengevat. De volledige quickscan is bijgevoegd als bijlage 4.

Soortenbescherming Door de aanwezigheid van struweel binnen en in de omgeving van het plangebied, zijn er broedmogelijkheden voor ‘algemene’ soorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Voor deze soorten geldt dat werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot verstoring. Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden of te starten buiten het broedseizoen. Indien dit niet mogelijk is, dient een broedvogel controle uiterlijk 5 dagen voor de werkzaamheden uitgevoerd te worden. Als tijdens de vrijgave nesten van vogels worden aangetroffen dienen de werkzaamheden nabij deze nesten uitgesteld te worden totdat de jongen het nest op eigen kracht hebben verlaten. Gebiedsbescherming Op basis van de afstand, de ligging in een bebouwde omgeving en de afwezigheid van een directe relatie/ verbinding met een Natura 2000-gebied of NNN, zijn geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. De plannen leiden niet tot (significante) aantasting van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden of van kernkwaliteiten van de NNN. Een omgevingsvergunning is dan ook niet nodig. Een ‘nee-tenzij’ toets in het kader van de NNN is niet nodig. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Aanwezige bomen in de directe omgeving van het plangebied worden niet aangetast. Nadere toetsing is hierdoor niet nodig.

Zorgplicht De voorgenomen plannen leiden tot een verlies van geschikt habitat, namelijk ruige grassen met wildbloemen. Dit kan mogelijk nadelige gevolgen hebben voor Rode Lijst soortgroep vogels. Deze gevolgen dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen, beperkt of hersteld. Gezien de aard van de werkzaamheden wordt vooral aanbevolen buiten de broedperiode te werken. Beoordeling stikstof Arvitae Consulting heeft in opdracht van Aveco de Bondt een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de te realiseren busremise. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van het in kaart brengen van mogelijke stikstofdepositie op nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Hiervoor zijn berekeningen uitgevoerd met behulp van

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 17/40

de AERIUS Calculator. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld. Het gehele onderzoek is bijgevoegd in bijlage 5. Uit de berekening blijkt dat zowel de beoogde situatie als de bouwfase bij Qbuzz B.V. niet leiden tot stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Uit de berekeningen blijkt dat de berekende stikstofdepositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j. Hierdoor zijn er geen significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura-2000 gebieden te verwachten. Er is derhalve geen sprake van een Natura-2000 activiteit en bijbehorende vergunningplicht. Conclusie Het aspect natuurbescherming vormt geen directe belemmering voor het initiatief. Aanbevolen wordt om buiten de broedperiode te werken zodat broedvogels niet verstoord worden. 4.8 Geluid Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl).

De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Toetsingskader wegverkeerslawaai De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door het wegverkeer. Deze instructieregel richt zich daarbij op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal.

De instructieregel stelt beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel. Dit aandachtsgebied is het gebied langs het wegennetwerk waarbinnen (zonder rekening te houden met afschermende objecten) de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB voor het L den. Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. In de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de geluidbelasting door het verkeer op de gemeentewegen ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen voor het eerst wordt toegestaan) moet dit worden beschreven. Daarnaast moet in het

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 18/40

omgevingsplan de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van deze geluidgevoelige gebouwen worden vastgesteld. Dit is de gesommeerde geluidbelasting door alle geluidbronnen (wegverkeer, industrie en railverkeer). Naast het vaststellen van het gezamenlijke geluid moet in de motivering ook worden aangegeven in hoeverre het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Dit gecumuleerde geluid is niet hetzelfde als het gezamenlijke geluid. Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid wordt ook de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai gesommeerd, maar deze deelbijdragen worden dan éérst gecorrigeerd voor de verschillende mate van hinderbeleving tussen deze verschillende geluidsoorten. Tot slot moeten ook de akoestische gevolgen door het veranderen van de verkeersintensiteit of de geluidoverdracht binnen het aandachtsgebied door het bouwen of slopen van gebouwen of bouwwerken bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan worden gemotiveerd. Toetsingskader industrielawaai De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door de industrie.

Deze instructieregel richt zich daarbij op geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en die geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied liggen (artikel 3.18 Bkl). Geluidgevoelige gebouwen welke op een industrieterrein liggen of niet-geluidgevoelige gevels zijn hierbij niet van toepassing. Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door industrieterreinen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 50 Lden en 40 Lnight en een grenswaarde van 60 Lden en 50 Lnight. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. In de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de geluidbelasting door industrieterreinen ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen voor het eerst wordt toegestaan) moet dit worden beschreven. Daarnaast moet in het omgevingsplan de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van deze geluidgevoelige gebouwen worden vastgesteld. Dit is de gesommeerde geluidbelasting door alle geluidbronnen (wegverkeer, industrie en railverkeer).

Naast het vaststellen van het gezamenlijke geluid moet in de motivering ook worden aangegeven in hoeverre het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Dit gecumuleerde geluid is niet hetzelfde als het gezamenlijke geluid. Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid wordt ook de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai gesommeerd, maar deze deelbijdragen worden dan éérst gecorrigeerd voor de verschillende mate van hinderbeleving tussen deze verschillende geluidsoorten. Tot slot moeten de akoestische gevolgen door het veranderen van de verkeersintensiteit of de geluidoverdracht binnen het aandachtsgebied door het bouwen of slopen van gebouwen of bouwwerken bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan worden gemotiveerd. Beoordeling Door Aveco de Bondt is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het aspect geluid ten behoeve van het realiseren van een nieuwe busremise ten noorden van de Weinmakker P-noord in Heerenveen. Het doel van het akoestisch onderzoek is het inzichtelijk maken van de optredende geluidniveaus van de busremise op de gevels van de omliggende bestaande geluidgevoelige gebouwen. Onderstaand zijn de resultaten van het akoestisch onderzoek samengevat. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 6.

Omdat de gemeente Heerenveen nog geen nieuwe regels betreffende het geluid door activiteiten in het omgevingsplan heeft opgenomen, is het beoordelingskader de bruidsschat. Deze regels komen in grote lijnen overeen met het voorheen geldende Activiteitenbesluit milieubeheer.

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 19/40

Uit het onderzoek blijkt dat: • het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op de beoordelingspunten bij de bestaande geluidgevoelige gebouwen in de representatieve bedrijfssituatie in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste respectievelijk 22 dB(A), 30 dB(A) en 30 dB(A) bedraagt; en • het maximale geluidniveau (LAmax) op de beoordelingspunten bij de geluidgevoelige gebouwen in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste 46 dB(A) bedraagt. Hiermee is bij alle woningen voldaan aan de geluidgrenswaarden uit de bruidsschat van de gemeente Heerenveen. Conclusie Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. 4.9 Bodem Toetsingskader Het beschermingsniveau voor de bodem blijft hetzelfde onder de Omgevingswet. De zorgplicht verplicht iedereen bij (dreigende) bodemverontreiniging of aantasting tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd. Dit gaat zowel om het voorkomen als het ongedaan maken van verontreinigingen en aantastingen. Met de komst van de Omgevingswet verandert dit niet. Onder de Omgevingswet zijn de milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn aangewezen bepalend voor de zorgplicht. Hiervoor geldt de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Deze zorgplicht geldt voor iedereen die een aangewezen milieubelastende activiteit uitvoert.

In hoofdstuk 19 van de Omgevingswet worden regels gegeven waarmee de overheid snel kan handelen bij verontreinigingen of aantasting van de bodem door een ongewoon voorval. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een ongeluk waarbij verontreinigde stoffen vrijkomen. Met de regels over de specifieke zorgplicht van het Bal zijn de meeste aanleidingen voor het ontstaan van bodemverontreiniging gereguleerd. Als er geen sprake is van een aangewezen milieubelastende activiteit of ongewoon voorval, dan gelden er andere regels. Welke regels gelden, hangt af van de situatie. Voor activiteiten waar geen andere zorgplichtbepalingen voor gelden, kan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet van toepassing zijn. Deze staat in artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet en geldt voor iedereen. Deze zorgplicht heeft daarmee een vangnetfunctie. Deze zorgplicht is niet strafrechtelijk handhaafbaar. In de Omgevingswet is verder een algemene verbodsbepaling opgenomen. Deze verbodsbepaling is breed gedefinieerd. Het is namelijk voor iedereen verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. De bodem is als onderdeel van de fysieke leefomgeving daarmee ook beschermd.

Decentrale overheden kunnen specifieke zorgplichten opnemen in het omgevingsplan, die zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhaafbaar zijn. Deze zorgplichten kunnen een rol spelen voor activiteiten die niet of gedeeltelijk onder het Bal gereguleerd zijn. Beoordeling Door Aveco de Bondt is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de beoogde remise nabij de Weinmakker te Heerenveen. Voor de realisatie van het initiatief dienen er (graaf)werkzaamheden uitgevoerd te worden ten behoeve van het realiseren van nutsvoorzieningen (water, elektra, riolering, data e.d.) en het aanbrengen van een OBAS (oliebenzine afscheider). Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen van de

datum referentie

29 november 2024 241682003_AdB_RAP_0001_v1.0

P 20/40

milieuhygiënische kwaliteit van de bodem om te beoordelen of er beperkingen zijn voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor bouwen. Onderstaand zijn de resultaten van het onderzoek samengevat. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 7. De terreinsituatie en het gebruik van de locatie is gelijk aan hoe het was in 2016 (ten tijde van het verkennend bodemonderzoek). Er zijn geen aanwijzingen van bodembedreigende activiteiten en/of grondroerende activiteiten. Er is geen aanleiding dat de kwaliteit het asfalt, de open halfverharding en de grondwaterkwaliteit in de tussentijds is veranderd en/of is verslechterd. • De aanwezige open halfverharding is enkel tijdelijk uitgeplaatst, er is visueel niet bestudeerd of asbest aanwezig is in dit materiaal. • In de opgeboorde grond en materialen zijn geen afwijkende geuren, olie-waterreacties, asbestverdachte materialen waargenomen. • In de zandige boven- en ondergrond onder de bekende open halfverharding of de asfaltverharding en onderliggende fundatielagen zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De zandige boven- en ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘landbouw/ natuur’ (indicatieve toetsing). • In de venige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen aangetoond. De venige ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘industrie’ (indicatieve toetsing).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=305bc262-835a-42ed-aa70-f2965300b69a