Bijlage 1. (Ontwerp)revisievergunning Ecopark de Wierde De Dolten 11 Heerenveen (anoniem)
Tekst van het document
Activiteitenby^mL^ hemelwater (niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening); - het in werking hebben van verschiliende stookinstallaties; - het in werking hebben van een natte koeltoren; - het in werking hebben van een tankstation; - wassen van voertuigen op een wasplaats; - opslag van stoffen in bovengrondse en ondergrondse tanks. Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten. Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening -64/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof Paragraaf 3.2.5 In werking hebben van een natte koeltoren Paragraaf 3 3 1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan moto^oertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of Paragraaf 3.4.2 Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerlüe ol^, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank. Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van
kunnen zijn Van belang voor deze vergunning is. of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. vlrh^Sen^op^veiÏÏek van Omrin op 26 augustus 2015 (kenmerk 2015-FUMO-00211369) een maatwerkvoorschrift gesteld. In afwijking van artikel 2.9 van het Activiteitenbes uit kan voor de ^ afvalwaterzuivering in de MBR-installatie met bijbehorende opslag van afvalwater een aanvaardbaar bodemrisico gerealiseerd worden. De bodembeschermende voorzieningen en maatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het bij het maatwerkbesluit behorende plan van aanpak. De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.. Beste beschikbare technieken h°ï/Sng van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het
^
vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgeri ^ "9 voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat met mogehjk is, zoveel mogelijk b j voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat m de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBTconclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Rie. 'BB^.conSes overeen’to^^^^^ artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld na 6
. irrol^sleToTerSorstylSi^^l^^^^ uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF s vastgesteld voor 6 januari 2011. D -65/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
II hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt. Concrete bepaling beste beschikbare technieken Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel devoigende; . , Categorie 5.3: Nuttige toepassing,' of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering van ongevaarlijke afvaistoffen met een capaciteit van meer dan 751 per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen. I. biologische behandeiing; II. voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; III. behandeling van slakken en as; IV. behandeling in shredders van metaalafvai, met inbegrip van afgedankte eiektrische en eiektronische apparatuur. Categorie 5.4: Stortplaatsen als gedefinieerd in artikel 2, onder g) van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, die meer dan 10 ton afvai per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25.000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen. Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBTconclusies.
Op grond van artikei 9.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan reievante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s. Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conciusies: BREF Afvalbehandeiing: BREF Op- en overslag bulkgoederen; BREF Energie efficiëntie. Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012); PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen ( september 2016); PGS 25 Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen (december 2012); PGS 30 Vloeibare brandstoffen - bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties (december
-
2011); PGS 31 Overige gevaariijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties (oktober 2018). Handreiking methaanreductie stortplaatsen.
Verder hebben wij bij het bepalen van de BBT rekening gehouden met de voigende van toepassing zijnde specifieke iiteratuur: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen: -66/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
LAP3.
verwerkt in de Nederlandse regelgeving voor stortplaatsen in onder meer. - het Stortbesluit bodembescherming en de bijbehorende uitvoeringsregeling en - het Besluit stortplaatsen en stortverboden: . . Bij het beoordelen van de aanvraag hebben we rekening gehouden met de eisen die volgens die richtlijn zijn gesteld.
De regels in de Richtlijn Industriële Emissies zijn gericht op het voorkomen
SefaïfdSiStingtnSiïeraSfngvan'stortprJsw het afval dat nu gestort wordt. Vrijkomend stortgas wordt gecontroleerd aan stortvakken onttrokken. D^Stinƒvoldoet - met inachtneming van de bij deze vergunning behorende voorschr^en - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende pa ag Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten ''^®®3nt^waarin beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning. AFVALSTOFFEN
IS-rrSrSSsS-SSSr.
waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De ^. het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen; a. preventie: b. voorbereiding voor hergebruik: c. recycling: d. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning, e. veilige verwijdering. De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimunnstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen, kanvoorde afeonderlijke ^ verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. Sentie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is ®'^9ewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van -67/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Ecopark de Wierde is een inrichting waar de opslag en be- en verwerking van afval centraal staat. Gezien de uitgevoerde activiteiten op Ecopark de Wierde concluderen wij dat preventie met relevant is. Wij verwachten niet dat preventie leidt tot veel minder afval. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen. In bijlage 11 ^^n de Activiteitenregeling zijn verschillende categorieën van gevaarlijke en niet gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden.
Voorde overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen'. Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen mogen op grond van artikel 10.54a van de Wet milieubeheer niet worden gemengd met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen. Hiervan kan alleen worden afgeweken wanneer dat in een omgevingsvergunning is vastgelegd. Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting Met ingang van 1 juli 2019 is artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit mede van toepassing verklaard op type C-inrichtingen. Hierdoor zijn voor dit type inrichtingen de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing op; - het mengen van gevaarlijk afval met andere afvalstoffen (gevaarlijk of ongevaarlijk) of met nietafvalstoffen voorafgaand aan afvalstoffenbeheer; - het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan met andere categorieën van afvalstoffen: - het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen met andere ongevaarlijke afvalstoffen tijdens afvalstoffenbeheer. .. » • Op het mengen van afvalstoffen is ook bijlage 11 van de Activiteitenregeling van toepassing. Op het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en daarbij horende regeling van toepassing.
Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs met gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen BBT-conclusies afvalbehandeling , ^ m Op 10 augustus 2018 is het document met BBT-conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT-conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur), alsmede op geluid en trillingen. .... Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen, wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf. -68/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Bij het bepalen van de BBT specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling. Algemene BBT-conclusies: - BBT 2; - BBT 5. Tabel 1
Installatiespecifieke BBT-conclusies
Installatie
Van toepassing zijnde BBT-conclusies
Verqistinqsinstallatie (monitoring afval)
BBT 38
De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies. Voor de acceptatie van afvalstoffen is een Acceptatie- en verwerkingsbeleid opgesteld en ingevoerd. Ook beschikt Omrin over een milieukwaliteitssysteem waarin de procedures voor de overbrenging van afval zijn vastgelegd. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten Uitsluitend opslaan van afvalstoffen In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten: • Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval; • Dierlijke bijproducten; • Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI (dit is alleen toegestaan binnen de inrichting van de afvalverbrandingsinstallatie of op een stortplaats). Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen, is deze termijn driejaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een venwerker.
Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen: • partijen grond en puin in afwachting van keuring; • afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur (AEEA); • bouw- en sloopafval en grof huishoudelijk afval; • brandbaar afval en kunststoffen; • gft; • papier en karton; • glas; • vlakglas; • gips; • hout; • gemengd tapijt; • autobanden; • snoeiafval; • houtsnippers; • dakleer. . . Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.
-69/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is maximaal drie jaar bij een vorm van nuttige toepassing en één jaar in geval van verwijdering in de aanvraag opgenomen. Binnen de inrichting wordt brandbaar afval opgeslagen dat in afwachting is van afvoer naar een AVI. Dit is toegestaan omdat het hier een stortplaats betreft. Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend, omdat deze afvalstromen verder niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen, n de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar. Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen u Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen mogen op grond van artikel 10.54a van de Wet mi leubeheer niet worden gemengd met elkaar, met andere afvalstoffen of met met afvalstoffen. Hiervan kan alleen worden afgeweken wanneer dat in een omgevingsvergunning is vastgelegd. Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Door gescheiden houden van afvalstoffen kan het afvalbeheer op een veilige manier gebeuren en kan er zoveel mogelijk gerecycled worden.
Ook is het is ongewenst wanneer in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen door mengen in producten terechtkomen, waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties met met elkaar vergelijkbare (verschillende ) afvalstoffen, alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen, wordt mengen genoemd. ^ ^ Mengen is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. In artikel 2 12 derde lid van het Activiteitenbesluit is een mengverbod opgenomen voor van buiten de inrichting afkomstige niet gevaarlijke afvalstoffen, met andere categorieën van afvalstoffen. Met ingang van 1 juli 2019 is artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit mede van toepassing verklaard op type C-inrichtingen.
Hierdoor zijn ook voor deze inrichting de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing op; __ __ - het mengen van gevaarlijk afval met andere afvalstoffen (gevaarlijk of ongevaarlijk) of met nietafvalstoffen voorafgaand aan afvalstoffenbeheer; - het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan met andere categorieën van afvalstoffen; „ , , rr ^ - het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen met andere ongevaarlijke afvalstoffen tijdens afvalstoffenbeheer. Op het mengen van afvalstoffen is ook bijlage 11 van de Activiteitenregeling van toepassing. Afwiiken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor het toetsingskader. In de aanvraag wordt verzocht in afwijking van de algemene regels uit het Activiteitenbesluit de volgende niet gevaarlijke afvalstoffen met elkaar te mengen; • RDF (euralcodes 191212 en 191210); -70/113Kenmerk; 2021-FUIVIO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
'’ri,,
1
• • • •
residu van GHA (euralcode 191212 ); met GHA-residu vergelijkbaar bedrijfsafval (euralcodes 191212 en 200301); digestaat (euralcode 190604) en/of ONF (euralcode 191212).
Genoemde afvalstoffen worden gemengd ten behoeve van afvoer naar een verbrandingsinstallatie. Op basis van het gestelde in de aanvraag hebben wij de doelmatigheid van het mengen van deze niet gevaarlijke afvalstromen als volgt beoordeeld; Bij de beoordeling is het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is als toetsingskader gebruikt. De minimum standaard van de genoemde afvalstoffen betreft verbranden. Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens de minimumstandaard of een techniek die ten minste even hoogwaardig is ais de minimumstandaard. Daarnaast zijn er geen andere redenen zoals milieubescherming of bescherming van de volksgezondheid, zoals arbo of veiligheid, waarom de afvalstoffen niet mogen worden gemengd. De vergunning voor het mengen van de genoemde afvalstoffen kan worden verleend. Gevaarlijke afvalstoffen j De gevaarlijk afvalstoffen die binnen de inrichting worden venwerkt of opgeslagen zijn alleen de afvalstoffen die gevaarlijk zijn op basis van de concentratie asbest of afgedankte elektrische en elektronische apparatuur Verwerking Verwerking; afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing.
Huishoudelijk restafval (inclusief grof) (sectorplan 1); Restafval van bedrijven (sectorplan 2); Procesafhankelijk industrieel afval (sectorplan 3); Gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval (sectorplan 7); Gescheiden ingezameld groenafval (sectorplan 8); Afval van onderhoud van openbare ruimten (sectorplan 9); Waterzuiveringsslib (sectorplan 16); Reststoffen van drinkwaterbereiding (sectorplan 17); AVl-bodemas (sectorplan 20); AVl-vliegas (sectorplan 21); Reststoffen van kolengestookte energiecentrales (sectorplan 23); Reststoffen van energiewinning uit biomassa (sectorplan 24); Actief kool (sectorplan 25); Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties (sectorplan 28); Steenachtig materiaal (sectorplan 29); Gips (sectorplan 31); Cellenbeton (sectorplan 32); Dakafval (sectorplan 33); Straalgrit (sectorplan 35); Hout (sectorplan 36); Asbest en asbesthoudende afvalstoffen (sectorplan 37); Verontreinigde grond (sectorplan 39); Baggerspecie (sectorplan 40); Verpakkingen algemeen (sectorplan 41);
-71/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
it
-
Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (sectorplan 71) Overige monostromen (tapijt) (sectorplan 84).
Huishoudelijk restafval (fijn en grof) (sectorplan 1) In de aanvraag is voor huishoudelijk afval de volgende verwerkingsmethode beschreven; Het bewerken van huishoudelijk afval (HHA) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie. Het doel van de installatie is de maximale terugwinning van grondstoffen en groengas uit het huishoudelijk afval. De installatie is in een drietal processtappen in te delen, te weten: 1. mechanische scheiding van het afval in een organische natte fractie (ONF), metalen, kunststoffen/drankenkartons en een brandbare restfractie; 2. ONF-voorbehandeling en vergisten van het ONF; 3. omzetting van biogas in groengas. In de aanvraag wordt tevens aangegeven dat het residu grof huishoudelijk afval (GHA) wordt verwerkt. Een deel van het GHA-residu wordt geshredderd en vervolgens afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie. Het beleid voor huishoudelijk restafval is neergelegd in sectorplan 1 en is gericht op recycling van deelstromen. Voor de verwerking van het residu van (grof) huishoudelijk restafval heeft nuttige toepassing de voorkeur. Vanwege de heterogeniteit van huishoudelijk afvai niet zijnde GHA is dat niet altijd mogelijk. Om die reden is de minimumstandaard 'verbranden als vorm van verwijdering'. Bij verbranden van huishoudelijk restafvai in een AVI leidt de rookgasreiniging tot een minimale hoeveelheid reststoffen die wordt gestort.
De overige reststoffen worden nuttig toegepast. Bovendien wordt bij het verbranden energie gewonnen. Voor grof huishoudelijk restafval is het beleid primair gericht op verwerken ten behoeve van nuttige toepassing. Uitgangspunt is wel dat wordt voorkomen dat deelstromen of residuen na het verwerken worden gestort. De terugvaloptie voor deze residuen is verbranden als vorm van verwijdering. Storten wordt niet toegestaan. Dit betekent dit dat de verwerking moet worden ingericht Op het maximaliseren van hergebruik, met als beperking dat het residu ten minste verbrand moet kunnen biijven worden. Fijn huishoudelijk restafval . . De minimumstandaard voor fijn huishoudelijk restafvai is verbranden als vorm van verwijdering. Sorteren, nascheiden of anderzins verwerken gericht op nuttige toepassing van (een deei van) het huishoudelijk afval is toegestaan, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. Voor de verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden of het beleidskader. Het gaat hier om het huishoudelijk restafval en de residuen die ontstaan bij het sorteren of anderszins verwerken van huishoudeiijk restafval. De in de aanvraag voor fijn huishoudelijk restafval beschreven verwerkingsmethode voidoet aan de minimumstandaard.
Grof huishoudelijk restafval (GHA-residu) De minimumstandaard voor grof huishoudelijk restafval (de container 'overig' of rest op de milieustraat) is verbranden als vorm van verwijdering. De in de aanvraag voor grof huishoudelijk restafval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard. Deelstromen van grof huishoudelijk afval De minimumstandaard voor deelstromen van grof huishoudelijk afval is sorteren of anderszins verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recyciing. -72/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
De mate van recycling dient gelijkwaardig te zijn aan de situatie waarin de stromen wel meteen op de milieustraat gescheiden gehouden waren. De venwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostrorfien moet vervolgens voldoen aan de daarvoor geldende minimumstandaarden. De in de aanvraag voor deelstromen van grof huishoudelijk afval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard. Gemengd grof huishoudelijk afval Voor grof huishoudelijk restafval dat gemengd is aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden is gehouden, is de minimumstandaard verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het residu ten minste verbrand moet kunnen worden. Verder moet worden voorkomen dat er afvoer plaatsvindt naar een laagwaardigere verwerking dan recycling, zoals verbranding en storten. Binnen Ecopark De Wierde wordt deze gemengde stroom grof huishoudelijk afval niet verwerkt. Sturingsvoorschrift Wij hebben voor de verwerking van grof huishoudelijk afval een sturingsvoorschrift opgenomen in de vergunning. Het sturingsvoorschrift is opgenomen zodat de verwerking van grof huishoudelijk afval wordt ingericht op het maximaliseren voor hergebruik, met als beperking dat het residu ten minste nog verbrand moet kunnen worden.
Restafval van bedrijven (sectorplan 2) Dit sectorplan heeft betrekking op restafval van bedrijven dat qua aard en samenstelling vergelijkbaar is met fijn huishoudelijk restafval. In de aanvraag is voor het bewerken van handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) de volgende verwerkingsmethode beschreven: Het bewerken van handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie. Het doel van de installatie is de maximale terugwinning van grondstoffen en groengas uit het huishoudelijk afvai. De installatie is in een drietal processtappen in te delen, te weten: 1. mechanische scheiding van het afval in een organische natte fractie (ONF). metalen, kunststoffen/drankenkartons en een brandbare restfractie; 2. ONF-voorbehandeling en vergisten van het ONF; 3. omzetting van biogas in groengas. Het beleid voor restafval van bedrijven is neergelegd in sectorpian 2 en is gericht op nuttige toepassing van de deelstromen. Voor de volgende afvalstoffen vallende onder de reikwijdte van dit sectorplan: fijn restah/al van niet industriële bedrijven; niet procesafhankelijke fijn restafval van industriële bedrijven; niet specifiek ziekenhuisafval; is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering.
Sorteren, nascheiden of anderszins verwerken gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het restafval van bedrijven is toegestaan, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. Voor de verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden. Voor de volgende afvalstoffen vallende onder de reikwijdte van dit sectorplan: overblijvend residu van het sorteren of anderszins verwerken van fijn restafval van bedrijven; -73/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
keukenafval en etensresten afkomstig van internationaal opererende vervoersmiddelen; is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering. .
•
De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor restafval van bedrijven voldoet aan de minimumstandaard. Procesafhankeüjk industrieel afval (sectorplan 3) Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen betreft zowel gevaarlijke als met gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen. De afvalstoffen zijn divers van samenstelling en omvang. Het gaat bij dit sectorplan om afvalstoffen die ontstaan in het productie- of verwerkingsproces. Voorbeelden van procesafhankelijk industrieel afval zijn (niet limitatief): afval van voedselproductie, glasafval, katalysatoren, mineraal afval, gebruikte chemicaliën en chemische baden, metaalzouten, residuen en sludges, filtermateriaal, snijafval, productierestanten, filterkoek, etc. Onder’procesafhankelijk industrieel afval vallen ook partijen verpakt productieafval die in het afvalstadium zijn geraakt, mischarges en ‘over-de-datum’ producten die de beoogde afnemer nog met hebben bereikt. Uit de aanvraag blijkt dat binnen Ecopark De Wierde alleen de niet gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen worden verwerkt.
In de aanvraag zijn voor procesafhankelijk industrieel afval de volgende verwerkingsmethodes beschreven; venwerking in de waterzuiveringsinstallatie; verwerking in de scheidings- en vergistingsinstallatie; verwerking houtfractie in de shredder (alleen A-hout); verwerking steenfractie in de puinbreker. Het beleid voor procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is gericht op recycling. De minimumstandaard voor Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is recycling. Niet voor recycling geschikt procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen Dit betreft procesafhankelijk industrieel afval waarvoor recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recydingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener, meer zouden bedragen dan € 205,-/ton. Hiervoor is de minimumstandaard: verbranden als vorm van verwijdering voor afvalstoffen die niet gestort mogen worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, of - storten op een daarvoor geschikte stortplaats voor afvalstoffen die gestort mogen worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden.
‘Hoofdgebruik als brandstof als vorm van nuttige toepassing is alleen toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of daarop gebaseerde vergunningen. Dit betekent dat afzet als en het verwerken tot (onderdeel van) brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen, andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen voor deze afvalstof niet is toegestaan. Om een dergelijke inzet buiten inrichtingen te voorkomen, is in deze vergunning een sturingsvoorschrift opgenomen. De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor procesafhankelijk industrieel afval voldoet aan de minimumstandaard. Gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval (sectorplan 7) In de aanvraag is aangegeven dat biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval -74/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie. Deze afvalstroom valt onder sectorplan 7. De minimumstandaard voor biologisch afbreekbaar keuken en kantineafval is composteren met het oog op recycling, of; vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door narijping (nacompostering of een andere vorm van aerobe droging) met het oog op recycling van het digestaat. De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor biologisch afbreekbaar keuken en kantineafval voldoet niet geheel aan de minimumstandaard. Het digestaat uit de vergistingsinstallatie op Ecopark De Wierde wordt afgevoerd voor verbranding. Volgens de minimumstandaard moet het digestaat gerecycled worden. Wij zullen daarom de vergunning voor het gedeelte dat betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval (euralcode 200108) in de scheidings- en vergistingsinstallatie weigeren. Gescheiden ingezameld groenafval (sectorplan 8); In de aanvraag is aangegeven dat biologisch afbreekbaar afval en spijsolie en -vetten wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie of in de waterzuiveringsinstallatie. Deze afvalstromen vallen onder sectorplan 8.
De minimumstandaard voor biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval is recycling in de vorm van; composteren met het oog op recycling als compost, of; vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door narijping (nacompostering of een andere vorm van aerobe droging) met het oog op recycling van het digestaat. De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor biologisch afbreekbaar afval voldoet niet geheel aan de minimumstandaard. Het digestaat uit de vergistingsinstallatie op Ecopark De Wierde wordt afgevoerd voor verbranding. Volgens de minimumstandaard moet het digestaat gerecycled worden. Wij zullen daarom de vergunning voor het gedeelte dat betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar afval (euralcode 200201) en spijsolie en -vetten (euralcode 200125) in de scheidings- en vergistingsinstallatie weigeren. Afval van onderhoud van openbare ruimten (sectorplan 9) In de aanvraag is aangegeven dat veegvuil en riool-, kolken- en gemalenslib (RKG-slib) wordt venwerkt. Deze afvalstroom valt onder sectorplan 9. Volgens de aanvraag vvordt het materiaal ontwaterd (waarbij ook de eerste afbraak van verontreinigingen plaatsvindt) en gezeefd. De zeefoverloop wordt afgevoerd voor verbranding. De grondachtige partij wordt vervolgens gekeurd volgens het Besluit bodemkwaliteit en in opslag genomen als bouwstof (grond).
Indien het materiaal niet voldoet, vindt er verdere bewerking plaats door middel van omzetten van de partij of de partij wordt afgevoerd naar een derde, zoals een extractieve reiniger. Middels biologische afbraak c.q. wassing (extern) kunnen de gehalten van de verontreinigingen weer voldoen aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Het bewerkte materiaal kan na goedkeuring in zowel werken binnen als buiten Ecopark De Wierde worden hergebruikt.
-75/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Het beleid voor veegvuil en RKG-slib is neergelegd in sectorplan 9 (Afval van openbare ruimten) en is gericht op nuttige toepassing als grond van de inerte fractie. Nuttige toepassing van de restfractie verdient de voorkeur, maar is vanwege de heterogeniteit van deze stroom niet altijd mogelijk. Om die reden is de minimumstandaard 'verbranden als vorm van verwijdering'. Bij verbranden van de restfractie in een AVI leidt de rookgasreiniging tot een minimale hoeveelheid reststoffen die wordt gestort. De overige reststoffen van verbranding worden nuttig toegepast. Bovendien wordt bij het verbranden energie gewonnen. -
De minimumstandaard voor veegvuil (dat voldoet aan de maximale waarden voor kwaliteitsklasse industrie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit) is afscheiden van de inerte fractie en vervolgens: o verwerking conform de minimumstandaard van sectorpian 39 “grond”; o de restfractie die overbiijft na afscheiden van de inerte fractie moet worden verwijderd door verbranden. Verwerkingsvormen waarbij deelstromen of residuen worden gestort, zijn niet toegestaan.
-
De minimumstandaard voor het overige veegvuil van machinaal vegen van overige openbare ruimten en RKG-slib is verwerking conform de minimumstandaard van sectorplan 39 “grond”.
De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor veegvuii en RKG-slib voldoet aan de minimumstandaard. Waterzuiveringsslib (sectorplan 16) In de aanvraag is aangegeven dat waterzuiveringsslib wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie. Het beleid voor waterzuiveringsslib is neergelegd in sectorplan 16. Waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie Voor waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie, zijn de volgende verwerkingsmethoden toegestaan: Thermisch verwerken, al dan niet na voordrogen, leidend tot oxidatie van het organisch materiaal. Voorbeelden hiervan zijn: - verbranding in verschillende typen installaties (slibverbrandingsinstallatie (SVI), cementoven, energiecentrale of AVI), al dan niet in combinatie met biologische dan wel thermische voordroging; - vergassen gevolgd door nuttige toepassing van het verkregen gas. Inzet als hulpstof in Hydrostab voor toepassing op een stortplaats. - Terugwinnen van stoffen uit het slib (bijv. fosfaat, bioplastic, alginaat, etc.) met de kanttekening dat het residu dat overblijft na terugwinning niet mag worden gestort.
De volgende verwerkingsvormen zijn nadrukkelijk niet toegestaan: Natte oxidatie en pyrometallurgisch smelten; Drogen of anderszins verwerken voorafgaand aan storten. De in de aanvraag beschreven verwerking van waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie, in de vergistingsinstallatie voldoet aan de minimumstandaard. Slib van de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie
-76/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Voor slibben afkomstig van de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie is de minimumstandaard recycling (bijvoorbeeid toepassing ais meststof al dan niet na bioiogisch drogen [composteren of vergisten]). Inzet als hulpstof in Hydrostab voor toepassing op een stortplaats is eveneens toegestaan. Voor slibben waarvoor recycling technisch niet mogelijk is of waarvoor de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton, is de minimumstandaard ‘verbranden als vorm van verwijdering’. Bij de vergisting binnen Ecopark De Wierde wordt het digestaat afgevoerd voor verbranding. Om slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie te mogen verwerken in de vergistingsinstallatie, moet de ontdoener aantonen dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton. In het bij de aanvraag gevoegde Acceptatie- en Verwerkingsbeieid is niet specifiek ingegaan op dit acceptatiecriterium. Wij hebben hiervoor een voorschrift opgenomen in de vergunning.
Het voorschrift is opgenomen zodat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de vergistingsinstailatie aileen mag plaatvinden ais de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton. Reststoffen van drinkwaterbereiding (sectorplan 17) . ... -x in de aanvraag is aangegeven dat waterzuiveringsslib (waterzuiveringsslib, onthardingsslib en met elders genoemd afval, zijnde organische reststromen) wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie. Het beleid voor reststoffen van drinkwaterbereiding is neergelegd in sectorplan 17. a.
Reststoffen van drinkwaterbereiding De minimumstandaard voor reststoffen van drinkwaterbereiding is recycling; Gebruik ais hulpstof bij de productie van meststoffen (bijvoorbeeld om het gehalte aan zwavelwaterstof beneden schadelijke niveaus te houden), of in een rioolwaterzuivering (voor bijvoorbeeld fosfaatbinding of zwavelbinding [stankbestrijding]), in beide gevallen voor zover de arseenconcentratie kleiner of gelijk is aan 150 mg/kg droge stof en de van toepassing zijnde wet en regeigeving dit toestaat; Recycling tot een bouwstof voor zover dit is toegestaan binnen de randvoorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en met inachtneming van het algemene beleid voor het vergunnen van menghandeiingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader); Andere vormen van recyciing, voor zover de arseenconcentratie kleiner of geiijk is aan 500 mg/kg droge stof en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dit toestaat. De genoemde grens van 500 mg/kg droge stof mag niet door mengen van partijen worden bereikt. b Reststoffen van drinkwaterbereiding die niet geschikt zijn voor verwerking volgens a De minimum standaard voor deze reststoffen is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
De verwerking van de reststoffen van drinkwaterbereiding als hulpstof in de vergistingsinstallatie voldoet aan de minimum standaard voor verwerking. De reststoffen die niet geschikt zijn voor verwerking mogen worden gestort op de stortplaats. AVl-bodemas (sectorplan 20) ^ ^ In de aanvraag is beschreven dat AVl-bodemas binnen de inrichting kan worden gestort. -77/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
is
Het beleid voor AVI-bodemas is neergelegd in sectorplan 20. De minimumstandaard voor AVI-bodemas is recycling door opwerken van AVI-bodemas conform de bepalingen van de Green Deal AVI-bodemas en waarbij aan de volgende voorwaarden (cumulatief) is voldaan; 1. Maximale afscheiding van ferro- en non-ferro metalen t.b.v. recycling; 2. Maximaal 15% (gewichtspercentage droge stof) van de bij een AVI vrijkomende bodemas (incl. metalen) mag als residu van het opwerkingsproces worden gestort, zie daarvoor b; 3. Minimaal 50% van de bij de AVI vrijkomende bodemas (betrokken op de hoeveelheid na afscheiding van metalen) wordt nuttig toegepast buiten IBC-toepassingen. Ook is recycling toegestaan, waarbij in ieder geval ook maximale afscheiding van ferro- en non-ferro metalen plaatsvind ten behoeve van recycling. De minimumstandaard voor het residu van het ‘opwerkingsproces’ conform de bepalingen van de Green Deal, is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttige toepassing is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Het in de aanvraag beschreven storten van AVi-bodemas is alleen toegestaan voor het residu van het verwerkingsproces. Het AV-beleid moet op dit punt worden aangevuld. Hiervoor hebben we een voorschrift opgenomen. Binnen de stortplaats kan AVi-bodemas na afscheiding van metalen nuttig worden toegepast.
Met de bovengenoemde aanvulling voldoet de in de aanvraag beschreven bewerking van AVIbodemas aan de minimumstandaard. AVI-vliegas (sectorplan 21) . . In de aanvraag is beschreven dat AVI-vliegas binnen de inrichting kan worden gestort. De minimumstandaard voor verwerking van AVI-vliegas is storten, al dan niet na koude-immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats. De in de aanvraag beschreven bewerking van AVI-vliegas voldoet aan de minimumstandaard. Reststoffen van kolengestookte energiecentrales (sectorplan 23) In de aanvraag is beschreven dat reststoffen van kolengestookte energiecentrales binnen de inrichting worden verwerkt binnen de stortplaats.. De minimumstandaard voor verwerking van de reststoffen van kolengestookte energiecentrales is recycling, met inachtneming van: r. .. u , x het algemene beleid yoor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader) en/of de voorwaarden voor gebruik in 'noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader). Om te voldoen aan de minimumstandaard mogen de reststoffen alleen binnen de stortplaats nuttig worden toegepast.
Reststoffen van energiewinning uit biomassa (sectorplan 24) In de aanvraag is beschreven dat reststoffen van energiewinning uit biomassa binnen de inrichting kunnen worden gestort. De minimumstandaard voor verwerking van reststoffen van energiewinning uit biomassa is storten, al dan niet na koude-immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortpiaats. -78/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
iS
Wanneer recycling als meststof mogelijk is volgens het Uitvoeringsbesluit Mestetoffenwet of wanneer (eerst) het fosfaat kan worden teruggewonnen, dan hebben dergelijke verwerkingsvormen de voorkeur. De in de aanvraag beschreven bewerking van reststoffen van energiewinning uit biomassa voldoet aan de minimumstandaard. Actief kool (sectorplan 25); ^ ^ In de aanvraag is beschreven dat Actief kool binnen de inrichting kan worden gestort. In sectorplan 25 Is het beleid voor actief kool beschreven. Alleen voor actief kool met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot belasting van nieuw actief kool, is de minimumstandaard voor verwerking storten. Voor actief kool met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot belasting van nieuw actief kool, voldoet de beschrijving in de aanvraag aan de minimumstandaard. Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties (sectorplan 28) Gemengd bouw- en sloopafval: dit betreft gemengd bouw- en sloopafval aangeboden door bedrijven uit de bouw- en sloopsector, in samenstelling daarmee vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval (zijnde huishoudelijk restafval zoals dat ongescheiden vrijkomt bij bouwen, slopen of verbouwen door particuliere huishoudens).
Gemengde fracties: dit betreffen fracties die overblijven na sorteren of anderszins verwerken van bouw- en sloopafval, daarmee in samenstelling vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval en mengsels van componenten als genoemd in artikel 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012 die van de bouw- of slooplocatie als mengsel zijn afgevoerd met het oog op nascheiding. Bouw- en sloopafval mag volgens de aanvraag alleen geaccepteerd worden voor verdere bewerking wanneer het gaat om een niet-verdachte locatie of om de niet-verontreinigde fractie van een verdachte locatie (bij selectieve sloop). In de aanvraag is beschreven dat de steen- en houtfractie (A-hout) uit bouw- en sloopafval wordt gebroken dan wel geshredderd. De restfractie van bouw- en sloopafval wordt afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie. Er vindt geen bewerking van gemengd bouw- en sloopafval plaats. De uit bouw- en sloopafval geproduceerde monostromen moeten worden verwerkt conform de daarvoor gelende minimumstandaarden. Na het breken van de steenfractie worden eventuele verontreinigen verwijderd, zoals papier, glas en De houtfractie wordt zo mogelijk eerst verkleind met een knipschaar en vervolgens geshredderd. Verontreinigingen van metalen kunnen door sortering of magneten worden afgescheiden. Het beleid voor bouw- en sloopafval is neergelegd in séctorplan 28.
Het uitgangspunt van het beleid is dat het gemengd bouw- en sloopafval gesorteerd wordt of anderszins verwerkt om zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling. De minimumstandaard noemt de stromen die minimaal moeten worden afgescheiden. Verwerking van deze stromen moet vervolgens gebeuren volgens de minimumstandaarden die horen bij deze monostromen. -79/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Voor de steenfractie is dat sectorplan 29. Voor de houtfractie is dat sectorplan 36. De minimumstandaard voor het sorteerresidu van gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties, is verbranden als vorm van verwijdering. Dit geldt ook voor de gemengde fracties die niet geschikt zijn om te sorteren dan wel anderszins zijn te werken. Dit betreft gemengde fracties waarvoor sortering of verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet mogelijk is, of waarvoor verwerking zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton. (Overig)Steenachtig materiaal (Sectorplan 29) Onder dit sectorplan vallen de volgende afvalstoffen; steenachtig materiaal: hieronder valt in hoofdzaak beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, niet met teer of bitumen verkleefd dakgrind, stenen, steengruis, etc. wat ontstaat bij het bouwen, renoveren en slopen van gebouwen, bouwwerken en wegen (met uitzondering van asfalt).
Ook vallen vormgegeven bouwstoffen/immobilisaten hieronder waarin in het verleden specifieke zeer zorgwekkende stoffen zijn verwerkt die op basis van huidige internationale wetgeving of de in het LAP opgenomen beleidslijn ZZS niet nuttig mogen worden toegepast (zie beleidskader hoofdstuk B.14 Zeer zorgwekkende stoffen); steenachtige fracties: ontstaan bij scheidings- en sorteringsactiviteiten van gemengde afvalstoffen: ballastgrind; gebruikt tussen spoorrails om de dwarsliggers op hun plek te houden; steenachtig productieafval: bijvoorbeeld uit de betonproductie en de keramische industrie. Binnen de inrichting word alleen PAK-arm steenachtig materiaal voor verwerking (breken) geaccepteerd. In de aanvraag is beschreven dat bij acceptatie van schoon puin minimaal een PAKanalyse is vereist. De minimumstandaard voor PAK-arm steenachtig materiaal (gehalte aan PAK10 < 50 mg/kg droge stof) is recycling, met inachtneming van: het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader). de voorwaarden voor gebruik in 'noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader). De grenswaarde voor PAK10 mag niet door mengen van partijen worden bereikt.
De in de aanvraag beschreven bewerking van PAK-arm steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard. Binnen de inrichting worden ook steenachtige afvalstoffen geaccepteerd voor verwerking op de stortplaats. Het gaat om: met asbest verontreinigd steenachtig materiaal; residu van extractief reinigen. De minimumstandaard voor residu van extractief reinigen is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttig toepassen van het residu zonder voorafgaande reiniging is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld. Verder worden steenachtige materialen toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats. -80/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
1!
De voorwaarden voor dat gebruik staan in hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 van het beleidskader. Het materiaal moet in dit geval voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Dit betekent onder meer dat het materiaal moet zijn voorzien van een geldige milieuhygiënische verklaring. Zonder een dergelijke verklaring is geen sprake van nuttige toepassing maar van storten. De in de aanvraag beschreven bewerking van steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard. Hout (sectorplan 36) De minimumstandaard voor het be- en verwerken van A- en B-hout is nuttige toepassing. Binnen de inrichting wordt alleen A-hout geshredderd. De in de aanvraag beschreven bewerking van A-hout staat verdere verwerking volgens de minimumstandaard niet in de weg. Verontreinigde houtstromen (met asbest verontreinigd) worden binnen de inrichting gestort. Dit is alleen toegestaan als er geen andere vorm van nuttige toepassing mogeiijk is. Gips, cellenbeton, dakafval, straalgrit (sectorplannen 31, 32, 33, en 35) In de aanvraag is beschreven dat gips, cellenbeton, dakafval en straalgrit binnen de inrichting kan worden gestort.
gips In sectorplan 31 is voor niet voor recycling geschikt gips (dit betreft gips waan/oor de recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton) de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats. cellenbeton In sectorplan 31 is voor cellenbeton de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats. dakafval In sectorplan 33 is aangegeven dat, in afwijking van de aangegeven minimumstandaard, storten alleen kan worden toegestaan voor een gemengde stroom ‘dakbedekking vreemd materiaal’ dat te veel voor AVI’s ongewenste componenten bevat. Voorwaarde is wel dat is aangetoond dat - rekening houdend met wat als best mogelijke technieken kan worden beschouwd en met bijbehorende kosten het niet reëel is dat door verder sorteren het ontstaan van een te storten residu wordt voorkomen of significant verder wordt gereduceerd. straalgrit In sectorplan 35 is aangegeven dat uitsluitend straalgrit dat voldoet aan de bepalingen van de Regeling niet reinigbaar straalgrit, in afwijking van de minimumstandaard, mag worden gestort.
Het bovenstaande in acht genomen voldoet het storten van; - niet voor recycling geschikt gips; - cellenbeton; - gemengde stroom ‘dakbedekking vreemd materiaal’ van dakafval en - niet reinigbaar straalgrit aan de minimumstandaard voor ven/verking.
-81/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Asbest en asbesthoudende afvalstoffen (sectorplan 37) Binnen de inrichting wordt asbesthoudend afval gestort. De minimumstandaard voor asbest en asbesthoudend afval is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Eveneens toegestaan is; het vernietigen van asbestvezels door thermische of chemische technieken (het resterende materiaal valt vervolgens niet meer onder dit sectorplan); het verwijderen van de asbestvezels uit asbesthoudend steenachtig materiaal tot beneden de restconcentratienorm (d.w.z. een concentratie van serpentijnasbest vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, van minder dan 100 milligram per kilogram droge stof); - het verwijderde asbesthoudend materiaal moet verder verwerkt worden volgens de minimumstandaard: - het overblijvende (niet meer asbesthoudend) materiaal valt niet meer onder dit sectorplan; andere vormen van verwerking waarbij tijdens de verwerking alle asbestvezels worden vernietigd onder gelijktijdige nuttige toepassing van het resterende materiaal. Als gevolg van bovenstaande is (andere) nuttige toepassing vanwege de aard en gevaareigenschappen niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Het storten van asbest voldoet aan de minimumstandaard voor verwerking.
Verontreinigde grond (sectorplan 39) In de aanvraag Is voor verontreinigde grond de volgende verwerkingsmethode beschreven: binnen de inrichting vindt biologische grondreiniging plaats. Als voorbehandeling van het reinigen is het soms noodzakelijk de grond te zeven dan wel grove materialen te verwijderen. Biologische reiniging mag alleen plaatsvinden onder de BRL 7500. Het biologisch reinigen kan in de vorm van landfarming plaatsvinden en door het toevoegen van speciale entmaterialen aan de grond om zodoende een versnelling van het reinigingsproces te verkrijgen en/of een afbraak van moeilijker afbreekbare verontreinigingen. Verder wordt grond ook toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats. Het beleid voor verontreinigde grond is neergelegd in sectorplan 39. grond algemeen De algemene minimumstandaard voor het be- en verwerken van grond is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd in het Bbk voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van: het algemene beleid voor menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (§ D.4.4.6 beleidskader); de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12. § B.12.9.2 beleidskader).
Reiniging of immobilisatie voorafgaand aan nuttige toepassing is toegestaan, met als restrictie dat geen grond mag worden gemengd ten behoeve van immobilisatie dan wel direct mag worden geïmmobiliseerd wanneer die één van de in bijlage B, tabel 1 van de Regeling bodemkwaliteit genoemde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde industrie. Indien met een verklaring van niet-reinigbaarheid is aangetoond dat de grond niet tot minimaal de bodemkwaliteitsklasse industrie gereinigd kan worden en daarmee niet nuttig toepasbaar is, of door immobilisatie geschikt kan worden gemaakt voor nuttige toepassing, mag de grond worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats. -82/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
asbesthoudende grond De minimumstandaard voor het be- en verwerken van asbesthoudende grond is het vernietigen van de asbestvezels dan wel het verwijderen van de asbestvezels tot beneden de restconcentratienorm van 100 milligram per kilogram droge stof voor serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest. Hierna moet de grond nuttig worden toegepast volgens de normen die zijn vastgelegd voor het toepassingsgebied. Indien met een verklaring van niet-reinigbaarheid is aangetoond dat de grond ten minste voor asbest niet tot minimaal de bodemkwaliteitsklasse industrie gereinigd kan worden, mag de grond worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats grondreinigingsresidu De minimumstandaard voor grondreinigingsresidu is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Het nuttig toepassen van het residu zonder voorafgaande reiniging is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld over een substantieel groter volume. Indien het residu uitsluitend voor wat betreft de brandbare verontreinigingen niet toepasbaar is als bedoeld in het Bbk, is thermisch reinigen ten behoeve van nuttige toepassing toegestaan.
Voor zover in een van de voorgaande gevallen sprake is van nuttige toepassing van gereinigde of geïmmobiliseerde grond in een noodzakelijke voorziening op een stortplaats, is hoofdstuk B.12, § B. 12.9.2 van het beleidskader van het LAP van toepassing. De in de vergunningaanvraag voor verontreinigde grond beschreven be- /verwerkingsmethoden, inclusief het storten van niet-reinigbare grond en grondreinigingsresidu, voldoen aan de minimumstandaard. Baggerspecie (sectorplan 40) In de aanvraag is beschreven dat er binnen de inrichting baggerspecie kan worden opgeslagen en ontwaterd. Eventuele verontreinigingen (stoorstoffen) kunnen worden verwijderd uit de baggerspecie. Niet reinigbare baggerspecie en bagger verontreinigd met asbest wordt binnen de inrichting gestort. Verder wordt baggerspecie toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats. Het beleid voor baggerspecie, al dan niet verontreinigd met diverse stoffen, is neergelegd in sectorplan 40.
Toepasbare baggerspecie De minimumstandaard voor baggerspecie die direct kan worden toegepast conform het Besluit bodem kwaliteit (Bbk), is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied volgens het Bbk en met inachtneming van: het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (§ D.4.4.6 beleidskader); de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (§ hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader). In afwijking van het voorgaande mag zoute baggerspecie worden gestort in een daarvoor geschikt baggerspeciedepot of op een daarvoor geschikte stortplaats, indien verspreiden in zout water conform het Bbk niet mogelijk is. Niet toepasbare baggerspecie De minimumstandaard voor baggerspecie die niet direct kan worden toegepast conform het -83/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
Bbk, is storten in een daarvoor geschikt baggerspeciedepot of op een daarvoor geschikte stortplaats. Reiniging en/of bewerking gericht op nuttige toepassing is alieen toegestaan wanneer de baggerspecie na verwerking voldoet aan de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van; het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (§ D.4.4.6 beleidskader), de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortpiaatsen’ (hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader). Reinigingsresidu vrijkomend bij reiniging van baggerspecie De minimumstandaard voor reinigingsresidu vrijkomend bij reiniging van niet direct toepasbare baggerspecie, is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttig toepassen van het residu door middel van immobilisatie is niet toegestaan. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metaien plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld over een substantieel groter volume. Indien het residu uitsluitend voor wat betreft de brandbare verontreinigingen niet toepasbaar is ais bedoeld in het Bbk, is thermisch reinigen ten behoeve van nuttige toepassing toegestaan.