CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. (Ontwerp)revisievergunning Ecopark de Wierde De Dolten 11 Heerenveen (anoniem)

Raadsvergadering 23 maart 2023, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen De Dolten 11 Heerenveen42.870 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

20.3.24 Nadat storting van het asbest(houdend) afval heeft plaatsgevonden, moet het asbest(houdende) afval direct zodanig worden afgedekt dat geen verspreiding van asbestvezels kan plaatsvinden. 20.3.25 De startactiviteiten van onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen dienen te worden gestopt indien de windsnelheid de waarde van windkracht 5 overschrijdt. Om de windsnelheid te meten en te registreren, dient binnen de inrichting goed functionerende meetapparatuur aanwezig te zijn. Het tijdstip waarop onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen worden gestort, dient geregistreerd te worden. Het registratiesysteem dient steeds ter controle beschikbaar te zijn. 20.3.26 Op de stortlocatie(s) waar asbest(houdend) afval is gestort, mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben, zoals het boren van gaten. 20.4 Stortgas 20.4.1 Het bestaande stortgasonttrekkingssysteem dient continu in gebruik te zijn. 20 4 2 Tijdens het opbouwen van een stortcompartiment moet een gasonttrekkingssysteem worden aangelegd waarmee het vrijkomende stortgas wordt opgevangen en verwerkt. 20 4 3 Het gasonttrekkingssysteem moet uiterlijk een half jaar na ingebruikname van een stortcompartiment in werking worden gebracht, tenzij vergunninghouder kan aantonen dat het afval in het betreffende stortcompartiment zich nog niet in de methanogene fase bevindt.

20.4.4 Het ontgassingssysteem moet bestand zijn tegen verwachte zetting en klink, corrosie en chemische componenten in de gestorte afvalstoffen, het percolaat en het condensaat. Bij het uitvallen van een afzuigsysteem voor de afvoer van de vrijkomende gassen, moet onmiddellijk een alarmsysteem in werking treden dat een duideiijk signaal voor in de inrichting werkzame personen afgeeft. Buiten de werktijden dient het signaal anderszins aan een controlerende persoon of instantie kenbaar te worden gemaakt. -45/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

20.4.5 Om te voorkomen dat condensaat zich ophoopt in hetgasdrainagesysteem, dient het condensaat uit het gasonttrekkingssysteem te worden afgevoerd via het percolaatafvoersysteem, dan wel in het stort te worden teruggevoerd.

20.5 Controle en onderhoud 20.5.1 Ten behoeve van de controle en het onderhoud van het percolaatafvoersysteem

moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: a de drains en de leidingen moeten vanaf het moment dat de stortplaats in bedrijf wordt genomen tot twee jaar na het gereedkomen van de definitieve bovenafdichting, elk jaar worden doorgespoten ten behoeve van het verwijderen en voorkomen van verstoppingen. Twee jaar na het gereedkomen van de definitieve bovenafdichting kan de frequentie, met goedkeuring van het bevoegd gezag, worden verminderd tot eenmaal per twee jaar; j • ^ b. voorafgaande aan de aanleg van (een deel van) de bovenafdichting moeten de in de teen van het stort aanwezige drains en leidingen met behulp van een camera worden geïnspecteerd. De rapportage van de bevindingen moet aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Eenmaal per twee jaar dient in opdracht van de vergunninghouder door een in 20.5.2 overeenstemming met het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige: a te worden nagegaan of wordt voldaan aan het gestelde in voorschrift 20.2.2; b. de voorzieningen die in het belang van de bescherming van de bodem op de stortplaats zijn getroffen, te worden gekeurd, alsmede; c. onderzoek te worden gedaan met betrekking tot de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats. . ^ , 2.

De bedoelde keuringen van de bodembeschermende voorzieningen en onderzoeken naar de technische staat dienen te geschieden overeenkomstig; a hoofdstuk 15 van de Richtlijn dichte eindafwerking voor de bovenafdichting; b. de Richtlijn drainage- en controlesystemen, met uitzondering van de paragrafen 3.11 en 4.3.2, voor het opvang- en afvoersysteem van percolaat, voor de controle van drainagevoorzieningen en voor de bemonsteringsdrainagebuizen, c. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring voor de bemonsteringspeilbuizen met uitzondering van bijlage V; d. de Richtlijn geohydrologische isolatie voorzover geohydrologische isolatie is vereist, e. het bepaalde in voorschrift 17.5.7. 3. Het onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in de verschillende grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting, en van het grondwater in de grondwaterbemonste-ringspeilbuizen. De verkregen monsters moeten worden geanalyseerd op; a. zuurgraad (pH); b. elektrische geleidbaarheid;

c. CZV; d. Kjeldahl-N; .e. EOX; f. minerale olie; g. chloride; h. sulfaat;

-

i.VOX; j. PAK's; k. cyaniden; l. cadmium, chroom, koper, nikkel .lood, zink, kwik en arseen.

-46/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

4. Gedeputeerde Staten kunnen naast de in het derde lid genoemde parameters ook nog andere parameters aanwijzen. 5. Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het derde lid bepalen dat analyse van een of meer van de in het derde lid genoemde parameters achterwege kan blijven, indien op grond van de samenstelling van de gestorte stoffen danwel op de uit het verleden bekende monitoringsgegevens buiten twijfel staat dat deze stoffen niet voor zullen komen in het percolaat van de stortplaats. 20.5.3 Eenmaal per jaar dient de vergunninghouder onderzoek te doen naar de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats. Het onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in alle grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting, alsmede van het grondwater in alle grondwaterbemonsteringspeilbuizen. De verkregen monsters worden geanalyseerd op: a. pH; b elektrische geleidbaarheid; c Kjeldahl-N; d. CZV; e. EOX; f. minerale olie; g. chloride; h. sulfaat; i. VOX; j. BTEX; k. cyaniden; l. cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink, kwik en arseen. 2.

Het bevoegd gezag kan, afhankelijk van de samenstelling van het gestorte afval dan wel op grond van uit het verleden bekende monitoringsgegevens, naast de in het eerste lid genoemde parameters ook nog andere parameters aanwijzen; 3. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste lid, afhankelijk van de samenstelling van het gestorte afval dan wel op grond van uit het verleden bekende monitoringsgegevens. bepalen dat de analysefrequentie moet worden verhoogd dan wel verlaagd; 4. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat analyse van een of meer van de in het eerste lid genoemde parameters achterwege kan blijven, indien op grond van de samenstelling van de gestorte stoffen dan wel op de uit het verleden bekende monitoringsgegevens buiten twijfel staat dat deze stoffen niet voor zullen komen in het percolaat van de stortplaats. 20.5.4 Van het uit de percolaatdrains verzamelde water: a. dient de hoeveelheid maandelijks te worden vastgesteld; b. kan het bevoegd gezag, als de structuur, de opbouw en de samenstelling van het gestorte afval of de evaluatie van de gegevens daartoe aanleiding geeft, bepalen dat de controlefrequentie van de hoeveelheid van het percolaat wordt aangepast; c. dienen de monsters op representatieve plaatsen te worden genomen en representatief te zijn voor de gemiddelde samenstelling; d.

dient het bemonsteren en meten van de hoeveelheid en samenstelling afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt plaats te vinden. Rapportage van dit onderzoek dient jaarlijks voor 1 juii te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

-47/113 Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

20.5.5 Twee maal per maand (op de 14e en op de 28e) moet de grondwaterstand in alle grondwaterbemonsteringspeilbuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3 worden gemeten. De bepaling van de grondwaterstanden moet worden gemeten overeenkomstig NEN 5120: 1991 NL en NEN 5120/Al: 1997 NL. 20.5.6 Alvorens tot het storten van afvalstoffen in nieuwe gerealiseerde stortcompartimenten wordt overgegaan, moet de uitgangssituatie van de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater (de nulsituatie) vastgelegd worden door bemonstering en analyse van watermonsters uit de grondwaterbemonsteringspeilbuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3 en uit de grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3. Analyse dient te geschieden op de parameters genoemd in voorschrift 20.5.3. Rapportage van dit onderzoek dient uiterlijk 3 maanden na het onderzoek ter goedkeuring te worden overgelegd aan het bevoegd gezag. 20.5.7 De werkwijze bij de in dit hoofdstuk bedoelde monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater, het percolaat en het oppervlaktewater dient in overeenstemming te zijn met de normen, opgenomen in de bijlage behorende bij artikel 13 van de vigerende Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming.

De analyse van grond- en grondwatermonsters dient plaats te vinden door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingsysteem hanteert, gebaseerd op de Europese Norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. 20.5.8 De resultaten van de keuring en het onderzoek als bedoeld in de voorschriften van paragraaf 20.5 dienen zodanig op schrift te worden gesteld dat: - een duidelijk inzicht wordt gegeven in de beheersbaarheid van de situatie; - de technische staat van de voorzieningen wordt beschreven, waarbij tevens een schatting van de resterende levensduur van de voorziening is opgenomen; Bij het op schrift stellen van de verkregen onderzoeksresultaten moet voorschrift 20.5.9 worden gevolgd. De rapportage dient uiterlijk 3 maanden na het onderzoek te worden overgelegd aan het bevoegd gezag. 20.5.9 Door of vanwege de vergunninghouder dient bij het op schrift stellen van de op grond van de in paragraaf 20.5 verkregen onderzoeksresultaten, een vergelijking te worden gemaakt tussen deze onderzoeksresultaten en de voorafgaande onderzoeksresultaten. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en het water uit de stroomafwaarts gelegen grondwaterbemonsteringsbuizen, moet daarbij worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de stroomopwaarts gelegen grondwaterbemonsteringsbuizen.

20.5.10 Ingeval sprake is van overschrijding van de toetsingswaarde van een (van de) parameter(s), dient door een in overeenstemming met het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige zo spoedig mogelijk nogmaals een bemonstering en analyse van de betreffende stof(fen) te worden uitgevoerd en te worden onderzocht of de overschrijding daadwerkelijk wordt veroorzaakt door de stortplaats. De rapportage van dit onderzoek dient uiterlijk 1 maand na het onderzoek te worden overgelegd aan het bevoegd gezag. 20.5.11 Het In de voorschriften 20.6.1 en 20.6.2 bedoelde interventiepunt wordt bereikt als met inachtneming van voorschrift 20.5.10 gebleken is dat voor één van de desbetreffende stoffen de toetsingswaarde is overschreden.

-48/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

fc-

20.6 Urgentieplan op hoofdlijnen 20.6.1 Het binnen de inrichting aanwezige urgentieplan op hoofdlijnen (20 november 2014, kenmerk 14.03114) dient als uitgangspunt te fungeren voor het bepalen van de vraag welke maatregelen dienen te worden getroffen als een voor de stortplaats vastgesteld interventiepunt wordt bereikt. 20.6.2 Indien een voor de stortplaats vastgesteld interventiepunt wordt bereikt moet vergunninghouder: a. na constatering de overschrijding direct aan het bevoegd gezag melden; b. binnen 1 maand na constatering van de overschrijding als bedoeld in lid a bij het bevoegd gezag een planning/plan van aanpak indienen waaruit moet blijken op welke wijze aan het gestelde in lid c zal worden voldaan; c. op basis van het urgentieplan op hoofdlijnen als bedoeld in voorschrift 20.6.1 in overleg met het bevoegd gezag binnen 1 jaar na de onder a bedoelde melding een uitgewerkt urgentieplan opstellen. 20.7 Dichte eindafwerking 20.7.1 Aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen moet een dichte eindafwerking worden aangebracht zodanig dat infiltratie van water in de gestorte afvalstoffen wordt tegengegaan. De dichte eindafwerking dient ten minste een beschermingsniveau te bieden gelijkwaardig aan het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking.

20.7.2 Het tijdstip van aanbrengen van de dichte eindafwerking dient overeenkomstig het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking te worden bepaald, waarbij zo spoedig als technisch mogelijk, rekening houdend met onder meer de processen gasvorming en klink, maar uiterlijk 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, de dichte eindafwerking wordt aangebracht. 20.7.3 Teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in het voorschrift 20.7.2 moet jaarlijks door meting de hoogteligging van het stort worden bepaald. De wijze van meting is vastgelegd in het meetplan van MUG (21 maart 2013, kenmerk 13.01611 AF/rop/jha). Wijziging van de wijze van meting behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag. 20.7.4 Alvorens de dichte eindafwerking wordt aangelegd, dient door een ter zake kundige de toestand van het gedeelte van de stortplaats waarbij de dichte eindafwerking wordt aangebracht, te worden beoordeeld. Deze beoordeling omvat ten minste: a. het verloop van zetting en klink in de tijd en een op basis van dit verloop gemaakte schatting van de restzettingen, de restklink en de verschilzakkingen; b. het verloop van de processen die in de stort plaatsvinden aan de hand van de samenstelling van het percolaat en de vorming en samenstelling van het gas; c.

het vaststellen of ten gevolge van het aanbrengen van een dichte eindafwerking aanpassing van het gasonttrekkingssysteem voor een optimale afvoer en benutting van gas noodzakelijk is; d. de staat van de aanwezige bodembeschermende voorzieningen. Op basis van deze beoordelingen moet worden bepaald of aanpassing van de aanwezige bodembeschermende voorzieningen noodzakelijk is. De ontwerpvoorwaarden voor de dichte eindafwerking alsook het gasonttrekkingssysteem dienen in relatie daarmee te worden aangegeven. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de beoordeling van de toestand van het gedeelte van de stortplaats waar een dichte eindafwerking wordt aangebracht,, voor zover van belang voor de goede werking en de landschappelijke inpassing van de -49/113Kenmerk: 2021-FUiV!0-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

dichte eindafwerking. De resultaten van deze beoordeling dienen te worden overgelegd aan het bevoegd gezag. 20.7.5 Bij doorvoeringen van het ontgassingssysteem door de dichte eindafwerking dient de gas- en waterdichtheid van de dichte eindafwerking gewaarborgd te blijven. 20.7.6 De dichte eindafwerking dient water- en gasdicht aan te sluiten op de onderafdichting. De water- en gasafdichting dient gewaarborgd te blijven. 20.7.7 Onder de dichte eindafwerking moet een ontgassingsysteem worden aangelegd. Dit systeem moet zodanig zijn ontworpen dat geen ophoping van gas onder de eindafwerking kan plaatsvinden. 20.7.8 De dichte eindafwerking moet worden uitgevoerd conform een door de vergunninghouder op te stellen afdichtingsplan, dat uiterlijk drie maanden voor het aanbrengen van de dichte eindafwerking ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd. Dit plan omvat ten minste de beoordeling van de toestand van het gedeelte waarbij de dichte eindafwerking wordt aangebracht en een uitvoeringsgereed plan (bestek). In het plan dient tevens te zijn beschreven hoe met de dichte eindafwerking een beschermingsniveau wordt gerealiseerd dat ten minste gelijkwaardig is aan de Richtlijn dichte eindafwerking.

Indien de ingevolge voorschrift 20.5.1 uitgevoerde camera-inspectie aanleiding geeft tot herstel en/of vervanging van (een deel van) de geïnspecteerde drains en leidingen, dienen deze werkzaamheden in het bestek te zijn opgenomen. Tevens dient het bestek (als bijlage) de volgende onderdelen te bevatten; -een "kwaliteitsplan directievoering” waarin de te volgen wijze van controle (inclusief stoppunten) van de (in uitvoering zijnde) werkzaamheden zijn beschreven; - de eisen en randvoorwaarden voor de uitvoering van werkzaamheden; __ beschrijving van de wijze waarop tijdens het werk de, ten opzichte van het bestek, - een door te voeren afwijkingen en wijzigingen zullen worden beoordeeld en vastgelegd. 20.7.9 Met de uitvoering van het in 20.7.8 bedoelde bestek mag niet worden begonnen voordat het bevoegd gezag het bestek en alle bijbehorende relevante informatie heeft goedgekeurd. 20.7.10 Na het aanbrengen van drainagebuizen van de bovenafdichting moet direct worden vastgesteld of deze open zijn.

20.7.11 Onmiddellijk nadat een dichte eindafwerking is aangebracht dient in opdracht van de vergunninghouder door een met instemming van het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige, een keuring te worden verricht van de voorzieningen die in het belang van de bescherming van de bodem op de stortplaats zijn getroffen, alsmede onderzoek worden gedaan naar de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats. De keuring van de voorzieningen en het onderzoek naar de hoedanigheid van de bodem dient te geschieden in overeenstemming met het gestelde in voorschrift 20.5.2 van deze vergunning. De vergunninghouder zendt de resultaten van de keuring zo spoedig mogelijk naar het bevoegd gezag. 20.7.12 Na oplevering van de in het in voorschrift 20.7.8 bedoelde bestek beschreven werkzaamheden dient een opleveringsrapportage ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd waarin zijn opgenomen; - alle relevante aspecten betreffende de uitvoering van de werkzaamheden; - de wijze waarop directievoering op de uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden; -50/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

m

iss•it-

- alle verkregen controleresultaten; . , - de tijdens het werk, ten opzichte van het bestek, doorgevoerde afwijkingen en wijzigingen; De (deel)rapportages dienen door de uitvoerende en controlerende instantie(s) te zijn ondertekend. 20 7 13 Op het gedeelte van de inrichting dat overeenkomstig het gestelde in de voorschriften 20 7.1 is afgedicht, moeten zo spoedig mogelijk afdoende maatregelen ter voorkoming van erosie worden genomen door inzaaien met graszaad. Deze handeling moet zonodig meermalen herhaald worden.

1.1

Controle eindafdichting 20 7 14 Eenmaal per twee jaar dient in opdracht van vergunninghouder door een met

technische staat van alle in deze vergunning voorgeschreven bodembeschermende voorzieningen overeenkomstig hoofdstuk 15 van de Richtlijn dichte eindafwerking.

20.7.151.

De resultaten van de keuring en het onderzoek dienen zodanig op schrift te worden

a een duidelijk inzicht wordt gegeven in de beheersbaarheid van de situatie, b. de technische staat van de voorzieningen wordt aangegeven, waarbij tevens een schatting van de resterende levensduur van de voorzieningen is opgenomen, c. de op grond van voorschrift 20.7.14 verkregen onderzoeksresultaten moeten zijn vergeleken met de onderzoeksresultaten verkregen bij het onde^oek ten behoeve van de vergunningaanvraag. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de drainagebuizen en het water uit de stroomafwaarts van de stortplaats gelegen bemonsteringsbuizen, worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de stroomopwaarts gelegen bemonsteringsbuizen. De onderzoeksresultaten moeten bovendien zijn vergeleken met alle voorafgaan e , ZDe^esultaten dienen zo spoedig mogelijk nadat de keuring heeft plaatsgevonden te worden toegezonden aan het bevoegd gezag. 207 16 Controle van de bovenafdichting op zakking moet jaarlijks plaatsvinden door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak. De wijze van rnetmg is vastgelegd in het meetplan van MUG (21 maart 2013, kenmerk 13.01611 AF/rop/jha). Alternatieve meting van de zakking behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.

20 7 17 Elke zes maanden dient controle op de dichtheid van de bovenafdichting door het inspecteren van de taluds op uittredend percolatiewater plaats te vinden. Verder dient onderzocht te worden of er sprake is van lekkage van percolatiewater ter plaatse van de teenconstructie, zijnde de verbindingsconstructie tussen de onder- en de bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud. De controle eji hetonderajek geschieden overeenkomstig de methode aangegeven in hoofdstuk 13 van de Richtlijn dichte eindafwerking. 20 7 18 De stabiliteit van de bovenafdichting en van het stort als geheel, dient halfjaarlijks te worden bepaald. Het bevoegd gezag kan een afwijkende frequentie voorschrijven^Het bevoegd gezag zal dit schriftelijk melden aan de vergunninghouder. De inspectie dient tegelijkertijd met de periodieke controle als bedoeld in voorschrift Fout. Verwijzingsbron niet gevonden, te worden uitgevoerd.

-51/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

20 7 19 Aanvullend op wat is gesteld in de voorschriften 20.7;16 tot en met 20.7.18, moeten ten behoeve van de controle en het onderhoud van de bovenafdichting de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: a. de algehele staat van de bovenafdichting moet jaarlijks visueel geïnspecteerd worden. Bij deze inspectie moet aandacht worden besteed aan de volgende aspecten. 1. storingen in de groei van de vegetatie: , ■i \. 2. kenmerken die kunnen wijzen op slechte ontwatering (bijvoorbeeld drassige plekken), 3. geunwaarnemingen; 4. erosie-kenmerken; , u ^ b indien tijdens de visuele inspectie zoals beschreven onder a onregelmatigheden worden geconstateerd, dan moet op de betreffende plaats de isolerende laag visueel c^wanneeTbt de visuele inspectie zoals beschreven in voorschrift 20.7.19a afwijkingen worden geconstateerd in de groei van de vegetatie, dient ter plaatse een gedetailleerd onderzoek met gasdetectieapparatuur te worden uitgevoerd om de exacte locaties van de lekkage vast te stellen . 20.8

Financiële zekerheid eindafwerking 20.8.1 Voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot de dichte eindafwerking dient vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag financiële zekerheid te stellen, totdat is vastgesteld dat de eindafwerking van de stortplaats is uitgevoerd conform het goedgekeurde opleveringsplan als bedoeld in voorschrift 20.7.12 van de vergunning. Het bedrag waarvoor financiële zekerheid dient te worden verkregen bedraagt 2,27 euro per ton gestorte afvalstoffen.

-52/113Kenmerk: 2021-FU//10-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

Ki:

OVERWEGINGEN VERGUNNING 1. PROCEDURELE ASPECTEN Gegevens aanvrager , Op 8 juli 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Omrin voor de locatie Ecopark de Wierde aan De Dolten 11 te Heerenveen. Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd, is als volgt te omschrijven: er wordt een revisievergunning aangevraagd vooralle activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd . Het betreft hier een afvalverwerkende inrichting waar de volgende werkzaamheden plaatsvinden: • een afvalberging voor niet gevaarlijke afvalstoffen; • een afvalberging voor gevaarlijke afvalstoffen; • een scheidings- en vergistingsinstallatie voor huishoudelijk afval en handel-, diensten- en overheidsafval (HDO-afval); . een gasopwerkingsinstallatie voor onttrokken stortgas en het in de vergisting geproduceerde biogas; • het bewerken van veegvuil, grondachtige stromen en riool-, kolken- en gemalenslib • • • • •

(RKG-slib); het bewerken van baggerslib; het reinigen van verontreinigde grond en verwerking inerte stromen; de op- en overslag en het shredderen van afvalstoffen; het sorteren van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, het bewerken van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en het residu grof huishoudelijk

• • • •

afval; de Regionale inzameldienst Omrin/Fryslan Miljeu Zuidoost N.V. met een kantoor, werkplaats voertuigen, romneyloods voor opslag van onderdelen, stalling en uitrukpunt voor het inzamelmaterieel en de buitenopslag van lege containers, milieuboxen (KCA/KGA emballage depot); werkplaatsen en opslagruimten; een afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZl); een tankstation; de opslag van brandbaar afval en kunststoffen in balen;

• •

een laad- en loskade; een kunststofsorteerinstallatie.

•

De voornaamste wijzigingen betreffen een uitbreiding van de inrichting aan de oostzijde van het terrein van Ecopark De Wierde met circa 4 ha, het verhogen van de stortplaats van 24 naar 29 meter en een uitbreiding van de doorzet van huishoudelijk afval van 230.000 naar 280.000 ton. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: , ,o ^ • het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met de beheersverordening (artikel 2.1 eerste lid, onder c); . het veranderen en in werking hebben van een inrichting na die verandering (revisievergunning) (artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6).

-53/113Kenmerk; 2021-FUIV10-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

VocK de inrichting'zij^ eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: DATUM SOORT VERGUNNING revisievergunning 16 juli 2012 21 januari 2013 verandering

KENMERK lONDERWERP

24 juni 2013 wijzigen voorschrift______ 16 juli 2013 miiieuneutrale wijziging inclusief melding Activiteitenbesluit

1064432

998449 1037148

1060445

miiieuneutrale wijziging

27 augustus 2013 1070835

miiieuneutrale wijziging

21 januari 2014

miiieuneutrale wijziging

23 januari 2014

miiieuneutrale wijziging

5 juni 2014

2013FUMO0000070

2013FUMO0000037 2014FUMO-

0000816

20143 juli 2014 miiieuneutrale FUMOwijziging en 0001646 melding Activiteitenbesluit 13 augustus 2014 2014meiding FUMOActiviteitenbesluit

0002096 miiieuneutrale wijziging

2 december 2014

miiieuneutrale wijziging

10 december 2014

miiieuneutrale wijziging

28 april 2015

miiieuneutrale wijziging

11 mei 2015

2014FUMO0003072 2014FUMO0002914 2015FUMO0004361 2015FUMO0004686

Afvalven/verkende inrichfing.________________ Tankstation, containerwisselplaats, opslag- en opstelplaatsen voor containers, laad- en loskade, gasopwerkingsinstallatie, wijzigen infrastructuur en het mengen van afvalstoffen. Wijzigen voorschrift 17.1.3 in verband met wijziging Bssa._________________________^— 'Realisatie bunker voor de opslag van groente-, fruit- en tuinafval en het vervangen van twee gasmotoren door één gasmotor voor stortgas.

Mengen van digestaat, rdf en residu gha met een doseerhopper en het verplaatsen van de kunststofscheiding van de rekashal naar de scheidingshal. _______________________ Het gelijktijdig in werking hebben van de scheidingsinstallatie in de rekashal en de kunststofscheidingsinstallatie in de scheidingshal._______ ^__________ _________ Het ontvangen en vergisten van melk met resten antibiotica (zijnde categorie 2-materiaal). Het aanpassen van het acceptatie- en verwerkingsbeleid met o.a. het toevoegen van een aantal euralcodes._________________ Het wijzigen van de indeling van het tankstation.

Wijziging tankstation nl. plaatsen van schakelkasten in een technische ruimte. Plaatsen van een transportband aan de buitenkant van de scheidingshal. Weegbrug voor het wegen van interne transporten. Tijdelijke opslag van brandbaar afval bovenop en naast de stortplaats. Tegelijkertijd in werking hebben van de scheidingsinstallatie en het mengen van digestaat met refuse derive fuel (RDF) en grof hiiishnudeliik afval (GHA) in de recyclinghal.

-54/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

milieuneutrale wijziging milieuneutrale wijziging milieuneutrale wijziging milieuneutrale wijziging

10 november 2015

2015FUMO0011552 26 januari 2016 2015FUMO_______________ 0013015 11 februari 2016 2015FUMO0013449 20158 maart 2016 FUMO0013266 2016FUMO0016216 2016FUMO0012682

milieuneutrale wijziging

20 juni 2016

verandering

30 juni 2016

milieuneutrale wijziging

10 oktober 2016 2016FUMO0016988 12 oktober 2016 2016FUMO0016890 201625 april 2017 FUMO0018404

milieuneutrale wijziging verandering

milieuneutrale wijziging milieuneutrale wijziging

8 augustus 2017 2017FUMO0023194 201814 juni 2018 FUMO0027195

verandering

17 september 2019

2018FUMO0028828

milieuneutrale wijziging

2 april 2020

milieuneutrale wijziging

13 juli 2020

milieuneutrale wijziging

25 november 2020

2020FUMO0038317 2020FUMO0041027 2020FUMO0044738

Wijzigen gasopwerkingsinstallatie. Ingebruikname van de droge scheidingsinstallatie met de x-tract. Het verwijderen van bodemvreemd materiaal (waaronder munitie) uit niet-reinigbare grond en niet-reinigbare baggerspecie op de stortplaats. Het vergroten van de gasopslag voor geproduceerd biogas van 70 m^ naar 4.900 m^ Wijzigen van het acceptatie- en verwerkingsbeleid en de acceptatie van nieuwe afvalstoffen.__________________________ Realiseren van een zogenaamde Spirofloor (transportvloer) en een gesloten transportband naast de scheidingshal. Uitbreiding van de werkplaats. Uitbreiding bedrijfsgebouw. Het realiseren van een kunststofsorteerinstallatie met bijbehorend terrein en de wijziging van de entreesituatie met een portiersloge, twee nieuwe weegbruggen en een containeropstelplaats. Het wijzigen van de portiersloge, de weegbruggen en de terreininfrastructuur. Het inrichten van het KSI-terrein als opstelplaats voor lege en volle containers, het verplaatsen van de parkeerplaats en het plaatsen van 8 vlaggenmasten.____________ De intensivering van de nascheiding van het huishoudelijk afval door uitbreiding van de scheidings- en bewerkingsinstallatie met een nieuwe hal met Dano-trommels en vlakzeef. Verplaatsen van de activiteiten containeropslag en -wisselplaats.

________________ Het veranderen van de locatie van de (nog niet gebouwde) Dano-hal Het plaatsen van een bouwwerk met een extra compressor bij het tankstation. Het plaatsen van nieuwe stof- en geurfilterinstallaties bij de scheidingshal en de danohal en het vervangen van de stoomketel.

-55/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

De hierboven genoemde vergunningen zulien vervallen zodra deze revisievergunning onherroepelijk wordt.

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing: ---- -----------Categorie

Omschrijving

28.4 onder a

Inrichtingen voor het opslaan van de volgende afvalstoffen: • r.van buiten de inrichting afkomstige ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 35

28.4, onder b

28.4, onder c

28.4, onder f

m3 of meer; • 3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.000 m3 of meer; • 5°. van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen; • 6°. andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer. _______________ _____________________ Inrichtingen voor het overslaan van buiten de inrichting afkomstige: • r. huishoudelijke afvalstoffen of van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen met een opslagcapaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer.__________ _____________ ___________ Inrichtingen voor het: • 1°. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer; e 2°.

het verwerken of vernietigen - anders dan verbranden - van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen._________^_____________ Inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen om deze stoffen

daar te laten._____ _______________ _________________________ Inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen. De 28.10 inrichting valt niet onder de uitzonderingen. 'op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit! Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3.b en 5.4 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

-56/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

ï-

vi'?'^ï

■

Het bevoegd gezag Wij zijn het bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor. Coördinatie met de Waterwet De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Watenwet vereist is. Op Ecopark de Wierde wordt afvalwater via een persleiding op de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Heerenveen geloosd. Wetterskip Fryslan is hiervoor de bevoegde instantie. Op 11 augustus 2021 heeft Wetterskip Fryslan van Omrin een aanvraag ontvangen voor een nieuwe watervergunning (OLO nr. 6226749). Bestemmingsplan Het project ligt in een gebied waar de beheersverordeningen “Joure, Langweer, Nijehaske, Oudehaske en het Buitengebied” en “Kanaal West” geldt. Conform deze beheersverordeningen blijven de bepalingen van de voorheen geldende bestemmingsplannen van kracht. Het project is in strijd met artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan. Wij gaan hier verder op in bij de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling”.

Beoordeling van de aanvraag Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager per brief op 10 december 2021 en op 27 juni 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens respectievelijk ontvangen op 22 februari 2022 en op 11 juli 2022 . Daarnaast hebben wij van Omrin na overleg ook nog kleine aanvullingen ontvangen op 25 augustus 2021 (overzicht over koelsystemen, compressoren, fakkelinstallaties, machines, toestellen, werkplaatsen, opslag van vloeistoffen in tanks en stookinstallaties), op 26 april 2022 (aangevuld BBT-document BREF afvalbehandeling), op 25 juli 2022 (laatste aanpassingen n.a.v. kort overleg over aanvullingen van 11 juli 2022) en op 23 mei 2022 (toelichtende brief bij aanvulling van 22 februari 2022). Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met alle aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. Procedure Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo.

Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven via digitale publicatie op internet, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag op internet. Adviezen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden; - Gemeente Heerenveen -57/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

- Wetterskip Fryslan - Brandweer Fryslan - Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) - Provincie Fryslan (afdeling Romte). Wij behandelen hieronder de uitgebrachte adviezen: Advies Wetterskip Fryslan ^ ■ u uu Op 15 november 2021 hebben wij een advies van Wetterskip Fryslan ontvangen. Dit advies hebben wij verwerkt in deze vergunning onder de paragraaf Coördinatie met de Waterwet en onder de inhoudelijke overwegingen over afvalwater. Verder geeft Wetterskip Fryslan aan geen op- en/of aanmerkingen over de aanvraag te hebben. Advies Brandweer Fryslan Van Brandweer Fryslan hebben wij tweemaal advies ontvangen over de aanvraag en de aanvullingen Het advies is gericht op het brandveiligheidsaspect. Eerste advies van 15 oktober 2021 van Brandweer Fryslan, samengevat; Maatregelen ter beperking van vogeloverlast Ter beperking van vogeloverlast wordt een valkenier ingezet voor de verjaging van voornamelijk meeuwen. Tevens worden hiervoor vuurpijlen toegepast door de valkenier. Opmerking; de toepassing van vuurpijlen geeft risico op brand, zo is in het verleden gebleken. Wij adviseren deze toepassing niet uit te voeren of een alternatieve methode toe te passen. Maatregelen bij calamiteiten De maatregelen bij calamiteiten staan beschreven in het bedrijfsnoodplan. Met de plaatselijke brandweer is een aanvalsplan besproken.

Op de locatie is tijdens de bedrijfsuren een BHV’er aanwezig. ^ ^ ,, .■ ^ Brandweer Fryslan geeft aan dat deze generieke beschrijving niet voldoende dekkend is voor de specifieke risico’s die per activiteit of per gebouw bestaan. Aanwezige brandveiligheidsvoorzieningen, zoals een sprinklerinstallatie in een gebouw, zijn bedoeld om een bepaald risico te verkleinen. Te nemen maatregelen moeten gericht zijn op het risico. Het verwijzen naar het bedrijfsnoodplan is onvoldoende, omdat het bedrijfsnoodplan niet voldoende gericht is op deze maatregelen en risico’s. Kunststofsorteerinstallatie (KSI), opslag buitenterrein KSI Aviv heeft onderzocht hoe balen met gesorteerde kunststoffen op een brandveilige manier op het KSI-terrein kunnen worden opgeslagen (bijlage 15), aangezien dit nog niet is vergund. Brandweer Fryslan geeft aan dat op basis van dit onderzoek de uitkomsten nog niet vertaald zijn in definitieve maatregelen. Aviv geeft slechts advies. De definitieve maatregelen (bijv. hoogtes keerwanden) ziet Brandweer Fryslan graag vastgelegd op een tekening. Daarnaast ontbreken de achterliggende berekeningen voor het bepalen van de juiste afstanden ^ ^ jtot gebouw en perceelgrens. Deze berekeningen, met toepassing hogere bronstraling, dienen te worden aangeleverd.

Op de voorgestelde locatie van de kunststof balen liggen tevens twee bluswatervoorzieningen die nu niet meer bereikbaar zijn. Deze zijn van belang voor de KSI. Argïmeen°herplan bevat, zoals eerder gesteld, bij maatregelen bij calamiteiten onvoldoende informatie over de specifieke risico’s die per activiteit of gebouw kunnen optreden. Daarbij ontbreekt hoofdstuk 7 Risicoscenario’s van het bedrijfsnoodplan. Op basis van optredende

-58/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

risico’s kunnen maatregelen genomen worden of aanwezig zijn die het risico verlagen. Brandweer Fryslan verzoekt om het bedrijfsnoodplan aan te laten vullen. Tekeningen terreinindeling ... u * Op diverse delen staat aangegeven: “waterinlaatplaats”. Dit suggereert een inlaat voor het waterpeil maar dit zijn opstel plaatsen voor bluswatervoorziening voor de brandweer. Daarnaast zijn er bij de KSI en het naastliggende opslagterrein aan de Nieuwe Haskersioot opstel plaatsen bluswatervoorziening aanwezig die niet zijn weergegeven. Dit is eerder besproken en afgestemd met Omrin. De aangegeven containerplaatsen op het terrein KSI belemmeren de bereikbaarheid van een brandweervoertuig voor voldoende bluswater (zie ook opmerking kunststof balen). Beperken en bestrijden van brand Op basis van artikel 3 Wet veiligheidsregio’s (Wvr) behoort tot de brandweerzorg het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt. Op grond van artikel 10, lid c en artikel 25, lid 1 onder e van de Wvr kan Brandweer Fryslan adviseren over vSfdToogpunt'^constateert Brandweer Fryslan dat het risico op brand op Ecopark de Wierde mogelijk is, waarbij bouw- en milieuregelgeving de mogelijke effecten van brand niet afdoende afdekt.

Dat betekent dat een grote brand kan ontstaan die langdurig kan branden met mc^elijke overlast voor de omgeving. Brandweer Fryslan adviseert maatregelen te nemen waarbij Ecopark de Wierde langdurige brandweerzorg kan overnemen, bijvoorbeeld door de inzet van particuliere brandbestrijdingsbedrijven. Tweede advies van Brandweer Fryslan van 2 mei 2022, naar aanleiding van aanvullingen van 22 februari 2022. Brandweer Fryslan is akkoord met de ingediende stralingsberekeningen van Aviv. Verder geeft Brandweer Fryslan aan dat de volgende onderdelen nog ontbreken: - Tekening/ opstelling definitieve kunststofbalenopslag - Aangepast NTS - Aangepast bedrijfsnoodplan. Na dit tweede advies heeft er overleg plaatsgevonden tussen Omrin en Brandweer Fryslan over bovenstaande punten. Tijdens dit overleg zijn ook afspraken gemaakt voor een regulier overleg tussen Brandweer en Omrin. Vervolgens is de aanvraag op 11 juli 2022 aangevuld met een aangepast bedrijfsnoodplan, een scenarioboek en een bereikbaarheidskaart Brandweer. Brandweer Fryjan heeft op 18 juli 2022 aangegeven dat zij akkoord is met de aanpassingen van en aanvullingen op de aanvraag van 11 juli 2022. Wij hebben van ILT advies ontvangen naar aanleiding van de aanvraag en de ingediende aanvullingen. Wij hebben met ILT en met Omrin meerdere overleggen gehad over de ingediende adviezen en mogelijkheden tot verbetering.

In het eerste advies van 9 september 2021 heeft ILT het volgende aangegeven: “De aanvraag is onvolledig of onduidelijk en er zijn aanvullingen/ophelderingen nodig: 1. Het is niet mogelijk de verwerking van de afvalstoffen tegen de van toepassing zijnde minimumstandaard te toetsen omdat de informatie in de aanvraag onvoldoende specifiek is. -59/113Kenmerk; 2021-FUiV!0-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

ra. Het afvalstoffenregister bevat een opsomming van de 403 euralcodes waaronder de afvalstoffen vallen die Omrin aanvraagt. Per euralcode heeft Omrin het sectorplan (in sommige gevallen meerdere) vermeldt dat van toepassing zou zijn en de bijbehorende minimumstandaard(en). Per euralcode vermeldt Omrin de methoden waarmee de afvalstof verwerkt kan worden. i. In onderdeel IV van ieder sectorplan staat een indicatieve opsomming van euralcodes waarop het sectorplan van toepassing kan zijn. In een redelijk aantal gevallen veronderstelt Omrin de toepassing van een sectorplan op een euralcode terwijl die niet in onderdeel IV van dat sectorplan staat opgenomen. Ter illustratie; van de 170 euralcodes waarop volgens Omrin alleen sectorplan 3 van toepassing is, komen 54 niet voor in onderdeel IV van sectorplan 3. Hoewel een sectorplan wel degelijk van toepassing kan zijn op een eural code die niet voorkomt in onderdeel IV dient Omrin dit wel te onderbouwen. ii. De minimumstandaard die Omrin in verbinding brengt met een eural code betreffen vaak alle verschillende minimumstandaarden uit het desbetreffende sectorplan. Bovendien acht Omrin voor 72 eural codes meerdere sectorplannen van toepassing waardoor het palet aan mogelijke toepasselijke minimumstandaarden nog breder wordt. Op een afvalstof kan slechts één minimumstandaard van toepassing zijn.

Indien een eural code te breed is gedefinieerd om toe te kennen aan een enkele minimumstandaard dient Omrin de afvalstoffen die onder dezelfde eural code vallen te differentiëren naar een niveau waarop dat wel kan. iii. De verwerking op de inrichting wordt inzichtelijk gemaakt door per Eural code de mogelijke verwerkingsactiviteiten te benoemen. Ook hiervoor geldt dat Omrin de afvalstoffen op een detailniveau moet omschrijven waarop ze kan aangeven wat de verwerking zal zijn en niet wat de verschillende opties zijn. b. De ‘niet technische samenvatting’ bevat in hoofdstuk 2 een omschrijving van de verschillende verwerkingsactiviteiten die op de inrichting plaatsvinden. Per activiteit worden de afvalstoffen kort omschreven die verwerkt worden. De omschrijving is echter te generiek om te bepalen welke eural codes daar bij horen. Hoewel de koppeling tussen omschrijving van afvalstof en eural code wel expliciet wordt gemaakt op p.18-20 geldt dat maar voor 2025% van de eural codes. Voor de overige wordt verwezen naar het afvalstoffenregister. Zie in dat kader ook het voorgaande punt. 2. De acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC zijn onvoldoende uitgewerkt. a. In samenhang met punt 1 is het niet duidelijk voor welke eural codes de criteria gelden. b.

Een acceptatiecriterium is een parameter met een grenswaarde waarboven of waaronder een afvalstof niet wordt geaccepteerd. De parameters die in hoofdstuk 3 worden genoemd zijn niet altijd gekoppeld aan een grenswaarde. Zie bijvoorbeeld §3.2. c. De samenhang tussen de ZZS die in de ZZS inventarisatie zijn geïdentificeerd en de acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC wordt niet toegelicht. Aangezien die ook niet zondermeer is af te leiden, dient toegelicht te worden op welke basis wordt bepaald om een acceptatiecriterium te formuleren voor een ZZS. 3. De menghandelingen zijn onduidelijk en onvoldoende onderbouwd. In §2.4.2 van de ‘niet technische samenvatting’ en §6.5 van het AV en AO/IC staat informatie over menghandelingen. Wederom zijn de euralcodes niet vermeld van de afvalstoffen die worden gemengd. Dit is ook niet eenduidig af te leiden uit de omschrijving. De onderbouwing die wordt gegeven op p.39 van de ‘niet technische samenvatting’ beslaat twee zinnen en is te summier om te voldoen aan de onderbouwing die is vereist vanuit hoofdstuk D4 van LAP-3. 4. In de risico analyse in bijlage D van het AV en AO/IC, is het risico op een onjuiste toekenning van een eural code niet expliciteit herkend en de borging is onvoldoende risicogestuurd. De eural code is bepalend voor de wijze waarop de afvalstof wordt verwerkt.

Een onjuiste toekenning leidt tot een onjuiste verwerking die niet conform de minimum standaard is. Daarom is dit risico van belang. Vanwege de aanzienlijke hoeveelheid euralcodes die Omrin aanvraagt -60/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

waarvan 30-40% euralcodes die tot een categorie overig behoren (niet elders genoemd, niet onder die en die eural code vallend) is het risico aanwezig. Vanwege het belang en de aanwezigheid van dit risico dient het daarom expliciet geanalyseerd te worden. Hierbij moet ook bepaald worden voor welke groepen eural codes dit risico meer speelt dan voor andere. De borging dient daar op afgestemd te zijn. 5. De informatie over de stookinstallaties (ketel, WKKs, fakkel) is onvolledig of onduidelijk. a. De verbrandingsefficiëntie van de fakkel ontbreekt. b. De S02 emissies van de installaties die op vergistingsgas worden gestookt, ontbreekt. c. De specifieke wettelijke basis van de vermelde emlssiegrenswaarde voor de NOx emissie van de WKKs (luchtkwaliteitsonderzoek) is niet duidelijk. d. De NOx emissie van de ketel ontbreekt. e. De status (afval of niet afval) van het biogas dat niet wordt opgewerkt tot biomethaan maar wordt verstookt in de stookinstallaties is niet duidelijk. 6. Op basis van een berekening door Antea Groep (d.d. 18 juni 2015, 404016 - 150387 - HH06) welke niet is toegevoegd aan de aanvraag, is bepaald dat de drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen zoals genoemd in de BRZO niet worden overschreden. Uit de QRA is op te maken dat geen enkele afvalstof als relevant wordt beschouwd voor de QRA. De onderbouwing daarvan ontbreekt Die is wei nodig.

Er worden immers brandbare afvalstoffen ingenomen, en de stelling die in §1.2.3.2 van het AV en AO/IC wordt gedaan dat giftige stoffen niet worden ingenomen, is niet onderbouwd.” Het tweede advies van 22 april 2022 van ILT luidt: “Ik heb de aanvullingen getoetst tegen de punten die ik in mijn eerdere advies van 9 september 2021 over de aanvraag had gemaakt. Ik constateer dat aan vrijwel al mijn punten geen of onvoldoende invulling is gegeven. Daarmee voldoet de voorliggende aanvraag nog steeds met aan de indieningsvereisten en adviseer ik de aanvraag weer te laten aanvullen. Dit op onderstaande punten (1 t/m 5). 1. Toets tegen minimum standaard niet mogelijk In de nieuwe versie van het afvalstoffenregister wordt nu maximaal één sectorplan gekoppeld aan een euralcode. Dat is een verbetering. Tegelijkertijd wordt nog steeds geen informatie verstrekt waaruit de van toepassing zijnde minimumstandaard valt af te leiden. Voor bijvoorbeeld afval-coatingpoeder (080201), waarop sectorplan 3 van toepassing wordt geacht, geeft Omrin aan dat het op de volgende manier verwerkt wordt; afvalberging, scheiden, vergisten, recycling en op- en overslag. Dit lijkt nog steeds een algemeen keuzemenu en geeft geen duidelijkheid over hoe een specifieke afvalstof concreet wordt verwerkt en waarom dat volgens de van toepassing zijnde minimumstandaard is.

Omdat het hoofdstuk over de verwerkingsactiviteiten in de nieuwe versie van de ‘niet technische samenvatting’ ook nog steeds geen specifieke omschrijving van de afvalstoffen bevat en eural codes ontbreken, is er ook vanuit dat document geen zicht op te krijgen. 2 Uitwerking acceptatiecriteria onvoldoende Er is geen invulling gegeven aan mijn punten over de acceptatiecriteria uit mijn vorige advies. Daarom neem ik ze in dit advies ongewijzigd over. “De acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC zijn onvoldoende uitgewerkt, a In samenhang met punt 1 is het niet duidelijk voor welke eural codes de criteria gelden, a. Een acceptatiecriterium is een parameter met een grenswaarde waarboven of waaronder een afvalstof niet wordt geaccepteerd. De parameters die in hoofdstuk 3 worden genoemd zijn niet altijd gekoppeld aan een grenswaarde. Zie bijvoorbeeld §3.2. b De samenhang tussen de ZZS die in de ZZS inventarisatie zijn geïdentificeerd en de acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC wordt niet toegelicht. Aangezien die ook niet zondermeer is af te leiden, dient toegelicht te worden op welke basis wordt bepaald om een acceptatiecriterium te formuleren voor een ZZS. 3. Risico toekenning onjuiste euralcode -61/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

m

Er is geen invulling gegeven aan mijn punt over het toekennen van euralcodes. Daaromneem ik dat in dit advies ongewijzigd over. . . , , , “In de risico analyse in bijlage D van het AV en AO/IC, is het risico op een onjuiste toekenning van een eural code niet expliciteit herkend en de borging is onvoldoende nsico-gestuurd. De eural code is bepalend voor de wijze waarop de afvalstof wordt verwerkt. Een onjuiste toekenning leidt tot een onjuiste verwerking die niet conform de minimum standaard is. Daarom T: is dit risico van belang. Vanwege de aanzienlijke hoeveelheid euralcodes die Omrin aanvraagt waarvan 30-40% euralcodes die tot een categorie overig behoren (niet elders genoemd, niet onder die en die eural code vallend) is het risico aanwezig. 4. S02 emissies bij stook op biogas u-. * i In §3.4 van de nieuwe versie van de luchtkwaliteitstoets staat vermeld dat er bij stook op biogas (WKKs) geen sprake is van S02-emissies omdat het biogas is opgewerkt tot aardgas kwaliteit. Tegelijkertijd valt er uit §2.4.1 en §2.5.1 van de niet technische samenvatting af te leiden dat biogas het vergistingsgas betreft dat niet is opgewerkt tot groen gas en daarmee met dezelfde kwaliteit als aardgas heeft. Daardoor is opgave van de S02-emissies nog steeds relevant. Er is geen invulling gegeven aan mijn punt over de BRZO toets.

Daarom neem ik dat in dit “Op basis^van een berekening door Antea Groep (d.d. 18 juni 2015, 404016 - 150387 -HH06) welke niet is toegevoegd aan de aanvraag, is bepaald dat de drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen zoals genoemd in de BRZO niet worden overschreden. Uit de QRA is op te maken dat geen enkele afvalstof als relevant wordt beschouwd voor de QRA. De onderbouwing daarvan ontbreekt. Die is wel nodig. Er worden immers brand-bare afvalstoffen ingenomen, en de ■ stelling die in §1.2.3.2 van het AV en AO/IC wordt gedaan dat giftige stoffen niet worden ingenomen, is niet onderbouwd.” Overige opmerkingen: ^ • “Menghandelingen: In de nieuwe versie van het AV en AO/IC worden in §6.5 de eural codes opgegeven van de afvalstoffen die worden gemengd. Deze eural codes komen voor in de tabel op p.19-p.22 van de nieuwe versie van de niet technische samenvatting. Deze tabel is verder aangevuld met de bestemming van de betreffende afvalstoffen. Hieruit valt af te leiden dat de afvalstoffen, die worden gemengd brandbare restfracties betreffen die worden afgevoerd naar erkende afvalverbrandingsinstallaties. Dat lijkt de bewering van Omrin (die in §6.5 van het AV en AO/IC overigens zonder onderbouwing wordt gedaan) dat de gemengde afvalstoffen conform minimum standaard worden verwerkt en niet leiden tot onaanvaardbare blootstelling in ieder geval niet tegen te spreken . •

“Fakkel- De noodfakkel voor de verwerking van stortgas en biogas is een activiteit die niet is opgenomen in het activiteitenbesluit. Het is daarom logisch om terug te grijpen op de bepalingen in de bijzondere regeling G1 ("Verwerking van gassen van stortplaatsen, afvalvergisting en anaërobe afvalwaterzuiverings installaties") van de Nederlandse Emissie Richtlin (NeR) ondanks dat deze is vervallen. De G1 bepaalt dat de fakkels van een gesloten type’ zijn de verblijftijd van de verbrandingsgassen in de fakkels minimaal 0,3 seconden is en uittreedtémperatuur tenminste 900 °C. Dit laatste is hoger dan de verbrandingstemperatuur (800° C) die Omrin in §3.4 van de nieuwe versie van de luchtkwaliteitstoets opgeeft voor haar fakkel.”

Naar aanleiding van de aanvulling van de aanvraag op 11 juli 2022 heeft de ILT een mail gestuurd op 14 juli 2022 en 1 augustus 2022. Samengevat luidt het advies in de mails van de ILT; De structuur en samenhang lijkt er door de aanvullingen nu wel te zijn. De beslisboom biedt wel de helicopter view die tot dusver ontbrak. -62/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

Mis (nog steeds) wel de uitwerking/concretisering op somnnige punten zodat er goed op gehandhaafd kan worden. Gezien de tijdsdruk zou dat geregeld kunnen worden door die uitwerking als een voorschrift op te nemen. Voor de twee euralcodes (010504 en 080201) die ik vaker heb gebruikt om de samenhang, duidelijkheid en volledigheid van alle AV-gerelateerde documenten te toetsen is ook op basis van de beslisboom voor mij niet helemaal duidelijk wat nu de venverking is. Voor 010504 kom ik overigens wel iets verder dan voor 080201 maar het blijft gissen. De opmerkingen die ik t.a.v. die euralcodes maakte in mijn toelichting van 2 juni 2022 zijn daarom nog steeds met voldoende ?k vra^irme af of dit op meer euralcodes van toepassing zijn (dat heb ik niet getoetst). Ook vraag ik me af of alle keuzemomenten die in de beslisboom staan terug te vinden zijn in H3 van het AV en AO/IC. Wü zijn met de ILT van mening dat vanwege de grote hoeveelheid aan euralcodes de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het AV-beleid (Afvalregister, beslisboom, Acceptatie-en verwerkingsbeleid en de Niet Technische Samenvatting) naar onze mening met voor alle euralcodes helemaal sluitend is. Hierdoor is niet altijd duidelijk op welke manier de afvalstoffen worden verwerkt. Onder het hoofdstuk A&V-beleid en AO/IC gaan wij hier verder op in.

Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 2.27 Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dat nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Omdat het hier een geval betreft als vermeld in artikel 6.5 van het Bor (afwijken van de beheersverordemng), wordt de omgevingsvergunning niet eerder verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente Heerenveen heeft verklaard dat daartegen geen bedenkingen zijn. In dit kader hebben wij na ontvangst van de aanvraag een exemplaar daarvan gezonden aan de gemeente Heerenveen. Op 7 juli 2022 hebben wij van de gemeenteraad van Heerenveen een ontwerpverklaring ontvangen waaruit blijkt dat er, gelet op het belang van een goede ruimtelijke ordening, geen bedenkingen ajn het verlenen van de gevraagde vergunning. Deze verklaring bestaat uit een raadsbesluit. Er zijn tegen geen voorschriften gegeven. h dl wTn'^^tuurbesd^erming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer,

1. 2

een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of; een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

Voor Ecopark De Wierde is op 10 februari 2017 een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming verleend (kenmerk 01389216). Voor de nu aangevraagde activiteiten heeft Omrin op 2 juli 2020 een Wnb-vergunning aangevraagd Dit betekent dat de Wnb in principe niet aanhaakt in deze Wabo-procedure. Vermeld kan worden dat er OP 1 april 2021 een positieve weigering is afgegeven door de provincie Fryslan, Tearn Groene Regelgeving, omdat er geen vergunning nodig is. Voor de Wnb-aarivraag is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bij de aanvraag gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de

-63/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

doorgevoerde wijzigingen in de revisievergunningaanvraag geen verhoogde stikstofdepositie veroorzaken. Voor het voorgenomen project is op 8 april 2020 een ontheffing Wnb aangevraagd voorde buizerd en gewone dwergvleermuis.. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure. Op 10 juli 2020 heeft de provincie Fryslan, Team Groene Regelgeving, de gevraagd ontheffing verleend. M.e.r.-beoordelingsbesluit De voorgenomen activiteit valt onder categorie 18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Het bevoegd gezag moet bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. OP grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 11 mei 2021 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldnotitie (Wm. artikel 7.16). Daarop hebben wij op 29 juni 2021 het bejuit kenmerk 20201 -FUMO-0041141, genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport. , opgesteld hoeft te worden. Dit besluit hebben wij op 3 juli 2021 bekend gemaakt. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd. 2.

TOETSINGSKADER MILIEU

De^aa'nvraag heeft betrekking op een revisievergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, aanhef en onder e juncto artikel 2.6 van de Wabo. By onze^beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo; . de bestaande toestand van het milieu betrokken; • met het milieubeleidsplan rekening gehouden; • de beste beschikbare technieken in acht genomen. . . , In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. In*het ActMteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor ZSSllrdfn

plaats die vanen onder de werkingssfeer van de,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=38ebff89-c93c-4a8f-ac4d-89ccc2e6e146