CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. (Ontwerp)revisievergunning Ecopark de Wierde De Dolten 11 Heerenveen (anoniem)

Raadsvergadering 23 maart 2023, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen De Dolten 11 Heerenveen42.870 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

6.1.8

Het uitvoeren van periodieke metingen en parallelmetingen geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatieinstantie. Indien de metingen worden verricht door een niet-geaccrediteerde instantie, moet vooraf instemming zijn verkregen van het bevoegd gezag. De kwaliteit moet dan op andere wijze aantoonbaar geborgd zijn. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de periode waarin een periodieke meting of een paralielmeting zal worden uitgevoerd.

Stortgas 6.2.1

Het stortgas moet binnen of buiten de inrichting worden benut of afgefakkeld.

6.2.2

Het zwaveigehalte (H2S + organische zwaveiverbindingen) van in een wkk, stoomketei of fakkel te verbranden biogene gassen mag niet meer dan 0.0050% (50 ppm) bedragen. Indien deze waarde niet haalbaar is, kan worden volstaan met een zwavelverwijderingsrendement van ten minste 98% en een zwaveigehalte van maximaal 250 ppm.

6.2.3

Zo vaak als voor de goede werking van de fakkels en/of de stort- of biogasbenuttingsinstallatie is vereist, maar minimaal één maal per jaar, moet op representatieve wijze in de verzameileiding van het systeem direct voor de fakkel en/of benuttingsinstallatie de samenstelling (met name methaan, koolstofdioxide, zuurstof, zwavel en gehalogeneerde koolwaterstoffen) van het stort- en biogas worden gemeten. De resultaten van de metingen dienen te worden geregistreerd en jaarlijks voor 1 juli te worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

6.2.4

Het bevoegd gezag kan, als de evaluatie van de gegevens daar aanleiding toe geeft, nadere eisen steilen met betrekking tot inhoud, frequentie en plaats van de metingen.

6.2.5

De onttrokken stortgassen en de biogassen afkomstig van de vergistingsinstallatie moeten, voor zover niet nuttig toegepast, worden verbrand in een affakkelinstallatie, die aan de navolgende eisen moet voldoen. Er geldt een uitzondering voor een tijdelijke fakkelinstallatie die uitsluitend in gebruik is tijdens onderhoudsbeurten en storingen: a) de uittreedtemperatuur bedraagt ten minste 900° C; b) de verblijftijd van de verbrandingsgassen in de fakkel bedraagt ten minste 0,3 seconden; c) de fakkel behoort tot het gesloten type.

Gasbehandeling 6.3.1

Bedrijfsgegevens van het gasbehandelingssysteem moeten in dag- en maandrapporten worden vastgelegd en op verzoek aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Deze gegevens dienen een duidelijk beeld te geven van de input (hoeveelheden stortgas en biogas uit de vergister), op welke wijze het gas wordt benut en de output (hoeveelheden elektriciteit, afvalstoffen, etc.) van de installatie, alsmede van het aantal bedrijfsuren, het brandstofverbruik en de verbrandingswaarde van de brandstoffen. -24/113-

Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

6.3.2

6.4

Van het affakkelen moeten ten minste de volgende gegevens worden geregistreerd: o datum, begin- en eindtijd van het affakkelen; o aard en oorzaak van het affakkelen; o gemeten dan wel berekende hoeveelheid afgefakkeld gas. De registratie moet binnen de inrichting aanwezig zijn en moet op verzoek aan het bevoegd gezag worden getoond.

Diffuse stofemissies 6.4.1

Deze paragraaf is van toepassing op diffuse stofemissies van op- en overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van niet-inerte vaste bulkgoederen, alsmede op diffuse stofemissies van de verwerking van inerte vaste bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand.

Algemeen 6 4.2

Activiteiten binnen de inrichting moeten op zodanige wijze plaatsvinden dat als gevolg daarvan op meer dan 2 meter vanaf de bron geen stofvorming visueel waarneembaar is. 6.4.3 Het tegengaan van stofverspreiding van opslagen en activiteiten in de buitenlucht dient plaats te vinden door: - vochtig houden van de stoffen door besproeiing; - bevochtigen van de stoffen bij het opbouwen en afgraven van een menghoop; - het beperken van de storthoogte tot minder dan 1 meter bij het laden en lossen van stuifgevoeiige goederen in de open lucht. In afwijking hiervan mag de afstorthoogte ;:n transportband bij opbouw van een berg maximaal 3 meter bedragen; van een - een inevelgordijn tijdens het laden en lossen van afvalstoffen/goederen uit stuifklasse S2 en S4; - indien voor het besproeien/benevelen van goederen een andere vloeistof wordt gebruikt dan water, mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van een vloeistof die geen stankhinder, luchtvervuiling of bodemverontreiniging veroorzaakt. In dat geval moet er steeds voldoende geschikte vloeistof in de inrichting beschikbaar zijn. Besproeien met een andere vloeistof dan water moet vooraf aan het bevoegd gezag ter goedkeuring worden voorgelegd. 6.4.4 Dagelijks worden er visuele inspecties uitgevoerd om te zien of zich stofemissies voordoen en om te controleren of de preventieve maatregelen goed werken.

Gesloten uitvoering (loods) 6.4.5 Het opslaan en verwerken van afvalstoffen en goederen behorend tot stuifklasse SI en S3 moet in gesloten ruimtes plaatsvinden. Deuren en toegangen van deze gesloten ruimtes mogen slechts kortstondig voor de aan- en afvoer van goederen open staan. Gesloten uitvoering (silo’s/ bunkers/hoppers/ containers) 6.4.6 6.4.7

De opslag van afvalstoffen en goederen behorend tot stuifklasse SI en S3 vindt in silo’s/ bunkers/hoppers/containers plaats. De silo’s/hoppers zijn voorzien van filtrerende afscheiders om stofemissie tijdens het vullen en legen te verminderen. De filters verkeren In goede staat van onderhoud, worden periodiek gecontroleerd en worden zo vaak als voor de goede werking nodig is schoongemaakt en vervangen. -25/113-

Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

staken activiteit 6.4.8

Laden, lossen en transporteren van afvalstoffen en goederen moeten worden gestaakt indien de windsnelheid de bij de onderstaande stuifklasse genoemde waarde overschrijdt; a) stuifklasse S1 en S2 8 m/s; windkracht 4 / matige wind b) stuifklasse S3 14 m/s; windkracht 6 / krachtige wind c) stuifklasse S4 en S5 20 m/s; windkracht 8 / stormachtige wind.

6.4.9

Binnen de inrichting moet een zodanig goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig zijn, dat een representatieve en kwartiergemiddelde windsnelheid kan worden gemeten en afgelezen. De windsnelheid moet continu gemeten en geregistreerd worden. De geregistreerde gegevens moeten ten minste drie achtereenvolgende jaren binnen de inrichting bewaard worden en op verzoek van het bevoegd gezag aan hem worden toegezonden.

Transport 6.4.10 Teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen als gevolg van de transportactiviteiten, moet onmiddellijk kunnen worden voorzien in en - indien noodzakelijk - gebruik worden gemaakt van een veegmachine en/of sproeiwagen die, zo vaak als nodig is, het gedeelte van de inrichting waarop transportverkeer plaatsvindt, schoonveegt en/of besproeit met water. 7

LICHT

7.1

Algemeen 7.1.1

Terreinverlichting moet op een dusdanige wijze zijn uitgevoerd dat er geen direct licht buiten de inrichting terecht komt. Hierbij dient gebruik gemaakt te worden van armaturen die aan de bovenzijde en rondom zijn afgeschermd, aan de onderzijde voorzien zijn van vlakglas en naar beneden zijn gericht.

7.1.2

De fakkelinstallatie moet zijn voorzien van een deugdelijke voorziening, zodanig dat er buiten de inrichting geen sprake is van lichthinder.

8

BOUW- EN SLOOPAFVAL

8.1

Algemeen

8.2

8.1.1

Het leegstorten van voertuigen moet zodanig geschieden dat de aangevoerde afvalstoffen niet buiten de daarvoor bestemde opslaglocatie kunnen geraken.

8.1.2

Binnen de inrichting moeten dichte containers aanwezig zijn waarin (afvaljstoffen die onverhoopt in de geaccepteerde vrachten zijn aangetroffen, gescheiden kunnen worden opgeslagen.

Acceptatie breken 8.2.1

De steenachtige fractie dient afkomstig te zijn van selectieve sloopactiviteiten van onverdachte sloopobjecten, van gescheiden inzameling op de bouw-/slooplocatie of van erkende sorteerinrichtingen. -26/113-

Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

8.3

9

Breken van bouw- en sloopafval 8.3.1

De breker dient voorzien te zijn van een vaste sproei-installatie. Tijdens het breken dient het bouw- en sloopafval en in samenstelling vergelijkbaar bedrijfsafval zodanig vochtig te zijn of te worden gehouden dat stuiven wordt voorkomen. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen.

8.3.2

Dakgrind mag niet worden bewerkt in de puinbreker.

8.3.3

Teerhoudend asfaltpuin mag niet worden bewerkt binnen de inrichting.

BAGGER IN DEPOT

9.1

9.2

Registratie 9.1.1

Aanvullend aan de gegevens die op basis van de voorschriften onder 2.5 dient in het registratiesysteem van alle aangevoerde afvalstoffen en van alle aangevoerde stoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen worden gebruikt alsmede van alle interne afvalstromen, afgevoerde afvalstoffen en van alle afgevoerde stoffen die bij de be- of verwerking zijn ontstaan, het volgende te worden vermeld: a. de bodemkwaliteitsklasse-indeling van de baggerspecie of grond; b. een uniek kenmerk van de partij; c. kenmerk van het analyserapport (indien van toepassing).

9.1.2

Er dient een registratie (logboek) te worden bijgehouden van de bedrijfsvoering van het samenvoegen/opsplitsen van partijen. In het logboek dient te worden vastgelegd: de datum waarop samengevoegd/opgesplitst is; de hoeveelheden en de kwaliteit en de unieke nummers van de samen te voegen / op te splitsen partijen; een nieuw uniek nummer (dat correspondeert met het bordje op het terrein) voor de samengevoegde/opgesplitste partij; kenmerk van het analyserapport (indien van toepassing) en bodemkwaliteitsklasseindeling van de samengevoegde / opgesplitste partij.

Bedrijfsvoering 9.2.1

Het baggerdepot moet in overeenstemming zijn met de in de aanvraag vermelde gegevens, tenzij in deze voorschriften anders wordt bepaald.

9.2.2

Het baggerdepot, ingericht voor het inbrengen van verontreinigde baggerspecie, moet zijn omringd door een perskade. De perskade dient zodanig te zijn uitgevoerd dat deze in staat is krachten die ontstaan tijdens de opslag en het bewerken van bagger, te allen tijde te weerstaan.

9.2.3

Bij de aan- en afvoer en het laden en lossen van bagger mag het terrein van de inrichting en de directe omgeving daarvan niet worden verontreinigd. De bagger moet in daartoe geschikte transportmiddelen zodanig worden getransporteerd dat verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en/of grondwater niet kan optreden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het terrein van de inrichting of directe omgeving plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

9.2.4

Alvorens de bagger in het depot wordt gebracht of na ontwatering in het depot, moet de bagger zijn ontdaan van andere afvalstoffen zoals hout, plastic en metalen. Deze -27/113-

Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

afvalstoffen dienen te worden opgeslagen in (een) daartoe bestemde container(s) en zo spoedig als mogelijk binnen de inrichting te worden be- of verwerkt of te worden afgevoerd naar een daartoe vergunde be-/verwerker.

9.3

9.4

9.2.5

Bij het depot moet, gedurende de uren dat bagger wordt aan- of afgevoerd, ten minste één door de vergunninghouder aangewezen persoon aanwezig zijn. Voornoemde persoon moet onder andere belast zijn met het toezicht op de stortactiviteiten en op de hoogte zijn van de in deze vergunning vermelde voorschriften.

9.2.6

Te onderscheiden klassen bagger die separaat gebaggerd kunnen worden, dienen ook separaat per klasse opgeslagen te worden. De compartimenten waarin de verschillende klassen opgeslagen liggen, dienen te zijn gemarkeerd.

Afvalwater 9.3.1

De ontwatering dient plaats te vinden door middel van verdamping en drainage zoals is aangegeven in de aanvraag om vergunning.

9.3.2

Het percolatiewater dient naar buiten de inrichting te worden afgevoerd overeenkomstig de vergunning die door de waterkwaliteitsbeheerder op grond van de Waterwet is verleend.

Afvoer bagger 9.4.1

10 10.1

Van de ingedikte baggerspecie die geschikt is voor nuttige toepassing dient de milieuhygiënische kwaliteit in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met een milieuhygiënische verklaring te worden aangetoond.

ASBEST Algemeen 10.1.1 Onverhoopt aangetroffen asbest (of asbesthoudende producten) moet, tenzij dit door vorm of formaat niet mogelijk is, verpakt worden in niet luchtdoorlatende kunststofverpakking en moet in een speciaal voor de opslag van asbest en asbesthoudende producten ingerichte container worden opgeslagen of worden afgevoerd naar de stortplaats. 10.1.2 Als het asbest mogelijk niet hechtgebonden is, moet het asbestverdacht afval worden verwijderd door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. 10.1.3 Als het onverhoopt los aangetroffen asbest uit kleine stukjes bestaat, moeten deze direct bevochtigd worden. 10.1.4 Asbest (of een asbesthoudend product) mag niet verkleind dan wel ver- of bewerkt worden. 10.1.5 Verpakkingsmateriaal voor asbest moet van zodanige dikte en sterkte zijn dat dit niet scheurt. 10.1.6 Transportfaciliteiten en handelingen met verpakt asbest(houdend) afval moeten zodanig zijn dat beschadiging van het verpakkingsmateriaal uitgesloten is. 10.1.7 De asbestcontainer moet, behalve tijdens het inbrengen van asbest en/of asbesthoudend materiaal, zijn afgesloten. De opslagplaats of container waar asbest en asbesthoudend afval is opgeslagen, moet duidelijk als zodanig herkenbaar zijn.

-28/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

11

GROND IN DEPOT

11.1

Registratie 11.1.1

Aanvullend aan de gegevens die op basis van de voorschriften onder 2.5 worden gevraagd, dient in het registratiesysteem van alle aangevoerde en afgêvoerde grond de gegevens te worden vermeld die op basis van de BRL 9335 moeten worden geregistreerd.

11.1.2 Er dient een registratie (logboek) te worden bijgehouden van de bedrijfsvoering van het samenvoegen/opsplitsen van partijen. In het logboek dient te worden vastgelegd: - de datum waarop samengevoegd/opgesplitst is; - de hoeveelheden en de kwaliteit en de unieke nummers van de samen te voegen / op te splitsen partijen; - een nieuw uniek nummer (dat correspondeert met het bordje op het terrein) voor de samengevoegde/opgesplitste partij; - kenmerk van het analyserapport (indien van toepassing) en bodemkwaliteitsklasseindeling van de samengevoegde / opgesplitste partij. 11.2

Kwalificatie grond 11.2.1

11.3

De kwaliteit van elke partij dient in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met een milieuhygiënische verklaring te worden aangetoond.

Samenvoegen grond of baggerspecie 11.3.1

Het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie is uitsluitend toegestaan, indien deze: - in dezelfde bodemkwaliteitsklasse als genoemd in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en - zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning. De milieuhygiënische verklaringen van de oorspronkelijke partijen vervallen na samenvoegen. De vergunninghouder verstrekt een nieuwe milieuhygiënische verklaring. De bodemkwaliteitsklassen dienen gescheiden van elkaar te worden opgeslagen.

11.3.2 Het samenvoegen van partijen van verschillende of onbekende bodemkwaliteitsklasse is toegestaan voor partijen die kleiner zijn dan 100 ton, overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500. 11.4

Afvoer grond 11.4.1

11.5

Van de grond die geschikt is voor nuttige toepassing dient de milieuhygiënische kwaliteit in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met een milieuhygiënische verklaring te worden aangetoond.

Algemene bedrijfsvoering 11.5.1

Bij de aan- en afvoer en het laden en lossen van grond mag het terrein van de inrichting en de directe omgeving daarvan niet worden verontreinigd. De grond moet in daartoe geschikte transportmiddelen zodanig worden getransporteerd dat verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en/of grondwater niet kan optreden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het terrein van de inrichting of directe omgeving plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

-29/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

m t:r-

11.5.2 Voor een gescheiden opslag van verschillende partijen verontreinigde grond en voor de verschillende te onderscheiden bodemkwaliteitsklassen aan gekwalificeerde grond, dient vergunninghouder tussen de in opslag genomen partijen een afstand van minstens een meter aan te houden of een fysieke scheidingswand te hebben aangebracht. 11.5.3 Bij ieder opslagvak dient door middel van een bord het unieke nummer van de betreffende opslag te zijn aangegeven. 11.5.4 Vergunninghouder dient er naar te streven voor het hergebruik van partijen die voldoen aan de achtergrondwaarden, het percentage aan bodemvreemd materiaal door zeven binnen de inrichting terug te brengen tot maximaal 20% (gewichtspercentage). 11.5.5 Vergunninghouder dient voor het hergebruik van partijen, anders dan die genoemd in vorig voorschrift, het percentage aan bodemvreemd materiaal, door zeven binnen de inrichting terug te brengen tot maximaal 20% (gewichtspercentage). 11.5.6 De vrijgekomen bodemvreemde materialen of afgezeefde stoffen, zoals bedoeld in de vorige voorschriften, dienen gescheiden te worden opgeslagen in daarvoor bestemde (vloeistofdichte) containers. Volle containers moeten direct en overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen worden afgevoerd, bewerkt of gestort. 12

BEWERKING VEEGVUIL, GRONDACHTIGE STROMEN EN RIOOL-, KOLKEN- EN GEMALENSLIB 12.1.1

Het reinigen dient op zodanige wijze plaats te vinden, dat er zich geen schuim buiten de inrichting verspreid. 12.1.2 De voorschriften van hoofdstuk 14 met betrekking tot grondreiniging zijn ook van toepassing op het reinigen van voornoemde stromen.

13

REGIONAAL SORTEERCENTRUM VOOR AFGEDANKTE ELEKTRISCHE EN ELEKTRONISCHE APPARATUUR (AEEA) 13.1.1

Binnen de inrichting mag geen andere be- en verwerking van AEEA plaatsvinden dan een sortering in deelstromen. 13.1 -2 De opslag van gesorteerde en ongesorteerde AEEA moet binnen of in dichte containers plaatsvinden. De opslag moet zodanig plaatsvinden dat hierbij geen gevaar bestaat voor het vrijkomen van schadelijke gassen en stoffen.

14

GRONDREINIGING 14.1.1 Het opmengen van partijen grond moet plaatsvinden conform BRL 9335 en BRL 7500. 14.1.2 Benzeenhoudende verontreinigde grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen dienen, behoudens aan- en afvoerbewegingen, steeds te zijn afgedekt met folie. Dit geldt niet indien deze afvalstoffen in het biologisch reinigingsbed aanwezig zijn, mits hierbij lucht uit de afvalstoffen wordt afgezogen en wordt afgevoerd via een actief koolfilter. 14.1.3 Benzeenhoudende grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen, mogen niet worden gezeefd, gehydrocycloneerd en gemengd. Dit geldt niet indien deze afvalstoffen biologisch gereinigd zijn, mits hierbij lucht uit de afvalstoffen is afgezogen en is afgevoerd via een actief koolfilter. -30/113-

Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

14.1.4 De voorgaande twee voorschiften zijn niet van toepassing indien door vergunninghouder door middel van een onderzoek is aangetoond dat bij de handelingen waarop deze voorschriften betrekking hebben, geen (of verwaarloosbare) benzeenemissie zal optreden. Indien vergunninghouder een dergelijk onderzoek over wil leggen, dient/dienen: - de onderzoeksopzet ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd; - de resultaten en conclusies van het onderzoek ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. De aangepaste, versoepelde bedrijfsvoering mag pas worden gehanteerd na goedkeuring van het bevoegd gezag. 14.1.5 Er dient regelmatig toezicht te worden gehouden op de toestand van de folie die over de benzeenhoudende verontreinigde grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen is gebracht. Indien de folie beschadigingen vertoont, dient de folie terstond te worden hersteld ofte worden vervangen. Eventueel verwaaid of weggespoeld materiaal dient terstond te worden opgeruimd. 14.1.6 Aan de te reinigen grond mag maximaal 5% nutriënten worden bijgemengd.

14.1.7 Voor ieder afzonderlijk proces moeten bedieningsvoorschriften zijn opgesteld waarin ten minste onderstaande is opgenomen: - de procesvoorbereidende handelingen, het opstarten en uit bedrijf nemen van de voor het proces noodzakelijke stoffen; - de hoeveelheden en wijze en volgorde van doseren van de voor het proces noodzakelijke stoffen; - de procesomstandigheden voor een normaal procesverloop; - de te treffen maatregelen bij abnormale procesomstandigheden die tot een gevaarlijke situatie kunnen leiden en noodstopprocedures; - de te volgen schoonmaakprocedures van de installaties. De bedoelde bedieningsvoorschriften moeten gedurende de procesvoering centraal aanwezig zijn op de plaats waar het proces wordt geregeld en moeten door ter zake kundig personeel worden uitgevoerd. 14.1.8 Voor iedere partij te verwerken afvalstoffen In de extractieve reinigingsinstallatie moet een verwerkingsreceptuur worden opgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze de verwerking moet plaatsvinden en welke voorzieningen en maatregelen daarbij nodig zijn. Deze verwerkingsreceptuur dient te worden voorgelegd ter goedkeuring aan het bevoegd gezag vóór verwerking. 15

AFVALWATERZUIVERING 15.1.1 Aan-en afvoerleidingen moeten zo vaak als noodzakelijk worden gereinigd om ophoping en verstopping met slib te voorkomen. 15.1.2 Bedrijfsstoringen moeten zo snel mogelijk worden opgeheven. Hiertoe moeten kwetsbare onderdelen in reserve aanwezig zijn. 15.1.3 Indien de zuiveringsinstallatie of onderdelen daarvan buiten bedrijf zijn, moeten zodanige maatregelen worden getroffen dat hierdoor geen stankoverlast ontstaat. 15.1.4 De procesparameters moeten zodanig zijn, dat de goede werking van het zuiveringsproces is gewaarborgd. Hiertoe moeten debiet van het inkomend afvalwater en zuurstofgehalte van de beluchtingstank continu worden geregistreerd. 15.1.5 In de beluchtingstank moet steeds zoveel zuurstof worden ingebracht dat in de gehele tank het afvalwater zodanig aëroob is dat geen extra stankstoffen worden geëmitteerd. In het geval denitrificatie plaatsvindt, moet een aantoonbaar nitraatgehalte aanwezig

zijn. -31 /113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

a

15.1.6 Tijdens het lossen, overslaan en behandelen van slib moeten voorzorgmaatregelen worden getroffen om verspreiding van slib op het terrein te voorkomen. Deze terreingedeelten moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte verharding die afwaterend is gelegd op een rioleringsput. 15.1.7 Gemorst slib moet terstond worden weggespoten met ruim water. Dit mengsel moet zo spoedig mogelijk worden verwerkt in de installaties van de inrichting. 16 16.1

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen 16.1.1

Binnen de inrichting mogen maximaal de volgende hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in onderstaande installaties/insluitsystemen: _______________ Hoeveelheid [kg] Installatie/insluitsysteem Categorie 6029 biogasbuffer P2a

ontvlambare gassen nr. 18 (groen gas, CNG) methanol stofnummer 22

vergistingsreactoren gasopwerking CNG-installatie CNG-leiding groen gas leiding tot invoerpunt | methanoltank

1.010 75 2.174 32 31 33.440

16.1.2 Binnen de inrichting moet een bewakingssysteem in werking zijn waarmee wordt gewaarborgd dat de hoeveelheden als bedoeld in voorschrift 16.1.1 niet kunnen worden overschreden. Hierbij dienen ook de aantekeningen behorende bij bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 in acht worden genomen (sommatieregels, aantekening 4). 16.1.3 Op verzoek van het het bevoegd gezag moet, op basis van het bewakingssysteeem, inzage worden gegeven in de actuele hoeveelheden van stoffen en uitkomst van de sommatieregels, zoals genoemd in voorschrift 16.1.1 en als bedoeld in voorschrift 16.1.2. 16.2 Opslag gevaarlijke stoffen Opslag verpakte gevaarlijke stoffen tot 10.000 kg 16.2.1

De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen die vallen onder de ADR-categorieën zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2016 versie 1.0 (september 2016)), moet voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3 van voornoemde richtlijn.

Gasflessen 16.2.2 De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 6.1,6.2 en 6.3 van de PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2016 versie 1.0 (september 2016)). -32/113Kenmerk: 2021-FUIVIO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

E' 16.3

I

Opslag van methanol in een enkelwandige bovengrondse tank 16.3.1 De opslag van methanol in een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voldoet aan de volgende voorschriften van PGS 31 Overige gevaarlijke vloeistoffen - opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2018 versie 1.0 (april 2018)); a. de voorschriften 2.2.1, 2.2.2, 2.2.4, 2.2.10, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.18, 2.2.21,2.2.22, 2.2.23, 2.2.24, 2.2.26, 2.2.28, 2.2.29, 2.2.34; b. 2.3.10,2.3.11,2.3.12,2.3.14,2.3.15; c. 3.1.1,3.1.2; d. 3.2.1 t/m 3.2.20; e. 5.2.1 t/m 5.2.3; f .5.3.1,5.3.6, 5.3.7; g. 5.5.1 t/m 5.5.3; h. 5.6.1 t/m 5.6.3; i.5.7.1; j.5.8.1; k. 6.2.1,6.2.2, 6.2.3; l.6.3.3; m.6.4.1,6.4.3, 6.4.5, 6.4.6; . n. 6.5.1,6.5.2, 6.5.3, 6.5.6, 6.5.7, 6.5.8; o. 6.6.1; p. 6.7.1,6.7.2, 6.7.3, 6.7.4; q. 6.8.1,6.8.2

16.4 Aflevering van diesel aan interne transportmiddelen 16 4.1 Bij de aflevering van vloeibare brandstoffen zijn de voorschriften 3.4.1 t/m 3.4.6, 3.4.8 en 3.4.9 van de PGS 30:2011 (versie 2011) van toepassing. 16.4.2 De zand/slibvanger en de olie/benzine-afscheider moeten ten minste eenmaal per zes maanden worden gecontroleerd op goede werking en zo vaak als nodig worden leeggemaakt volgens NEN-EN-858-2. Het verwijderde materiaal moet volgens de geldende voorschriften worden afgevoerd. Indien de olie/benzine-afscheider ten behoeve van inspectie wordt geleegd, moet deze nadien worden gevuld met water. 17 17.1

BRANDBESTRIJDING Bereikbaarheid 17.1.1 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandveiligheidssystemen moeten steeds; a. voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; b. goed bereikbaar zijn; c. als zodanig herkenbaar zijn. 17.1.2 Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te alien tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken.

-33/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

18 18.1

VERGISTINGSINSTALLATIE EN GASBEHANDELING Vergistingsreactoren 18.1.1 De vergistingsreactor, het leidingwerk en de overige voorzieningen en behandelingsapparatuur die in aanraking komen met biogas (tezamen het biogas­ systeem), moeten gasdicht zijn uitgevoerd en bestand zijn tegen de optredende omstandigheden (corrosiviteit, vochtgehalte, temperatuur en druk). 18.1.2 Het biogassysteem moet regeimatig, maar ten minste eenmaal per maand, visueel worden gecontroleerd op tekenen van verwering, iekkage, siijtage of beschadigingen en indien nodig direct worden gerepareerd. Deze controle moet worden opgenomen in het registratiesysteem (voorschrift 1.4.1). 18.1.3 De druk in het biogassysteem dient op daarvoor relevante plaatsen permanent te worden gemeten door middel van goed werkende, bij voorkeur elektronische, drukmeters. 18.1.4 Procesonderdeien waar biogas wordt geproduceerd en opgeslagen, moeten zijn voorzien van een automatisch in werking tredende beveiliging tegen te hoge druk. De afvoer van de druk- of niveaubeveiliging van de biogassystemen moet zijn aangesloten op een fakkelinstallatie met automatische ontsteking. 18.1.5 Indien de druk in het biogassysteem een niveau bereikt van 95% van de maximaal ingestelde waarde, dient de overdrukbeveiliging in werking te treden, totdat de normale bedrijfsdruk weer is bereikt.

18.1.6 De overdrukbeveiliging van het biogassysteem moet zijn uitgerust meteen (voor)alarm, zodat tijdig (binnen één uur) een actie kan worden ondernomen met het doel de storing te verhelpen en het weer bereiken van de veilige druk, zodat onbedoeld afblazen van biogas naar de atmosfeer respectievelijk de fakkel wordt voorkomen. 18.1.7 Het biogassysteem (waaronder dié van elke (na)vergister en na-öpslag) moet zijn voorzien van een onafhankelijke overdrukbeveiliging, bijvoorbeeld door toepassing van vloeistofsloten, voor het direct aflaten van biogas bij te hoge druk als gevolg van het falen van de normale (over)drukbeveiliging. Deze overdrukbeveiligingen moeten zodanig zijn uitgevoerd en geplaatst dat bevriezing steeds wordt voorkomen. De uitlaten van deze overdrukbeveiligingen hebben een (bij voorkeur verticale) uitmonding op een veilige hoogte in relatie tot het aansluitende terrein, monden uit op een veilige plaats in de buitenlucht en zijn beschermd tegen inregenen en bevriezen. 18.1.8 Bij het buiten bedrijf stellen van een vergister wordt de inhoud en elk restant daarin verwijderd en wordt het biogas dan wel Bio-LNG, indien mogelijk, nuttig toegepast en, voor zover dat niet mogelijk is, vernietigd via de fakkel. Daarna wordt de betreffende vergister gereinigd en schoon opgeleverd.

18.2 Gasbuffer 18.2.1 De druk in een gasbuffer moet permanent worden gemeten door middel van een geijkte drukmeter. 18.2.2 Een gashouder moet zijn uitgerust met een alarm om een waarschuwing te geven indien de maximale druk wordt bereikt. Dit alarm dient te worden verzonden naar een tracer, pieper, mobiele telefoon of gelijkwaardig ontvangstapparaat van de persoon die op dat moment verantwoordelijk is voor de werking en aansturing van de gehele vergistingsinstallatie. -34/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

18.2.3 Een gashouder moet zijn voorzien van een noodafbiaasvoorziening in de vorm van een fakkelinstallatie en een waterslot of een gelijkwaardige voorziening, zodat in geval van storing van de gasopwerking of WKK-installatie en een (gelijktijdige) storing van de fakkelinstallatie geen overdruk ontstaat in de gasbuffer. In de directe omgeving van een afblaaspunt mogen geen ontstekingsbronnnen aanwezig zijn. 18.2.4 De ten aanzien van de overdrukbeveiliging toegepaste watersloten moeten zodanig zijn geplaatst dat bevriezing steeds wordt voorkomen. 18.2.5 De gasopvang dient zodanig te zijn geconstrueerd dat deze bestand is tegen de maximale gasdruk die binnen het systeem kan optreden. 18.3 Biogasleidingen/groengasleidingen/aardgasleidingen 18.3.1 Aan biogasvoerende leidingen waarvan terugstroming mogelijk en onwenselijk is. moeten voorzieningen zijn getroffen om dit te voorkomen. 18.3.2 Bovengrondse biogasleidingen zijn beveiligd (beschermd) tegen aanrijden en tegen het bevriezen van vocht in de leidingen. 18.3.3 Zichtbare biogasleidingen zijn herkenbaar als zodanig gekenmerkt. De leidingen zijn bestand tegen de in de leidingen aanwezige stoffen en (atmosferische) omstandigheden. 18.3.4 Biogasleidingen, de daarin geplaatste afsluiters en eventuele regel- en beveiligings­ apparatuur worden gekeurd en onderhouden door een ter zake kundig bedrijf.

Van de keuring is een verklaring binnen de inrichting aanwezigdie wordt bewaard in het registratiesysteem (voorschrift 1.4.1). 18.3.5 In de persleiding van biogascompressoren is na elke compressor een terugslaginrichting geplaatst. 18.3.6 Bij graafwerkzaamheden binnen de inrichting moet een lint met de tekst ‘gas’ of 'biogas’ circa 10 cm boven de ondergrondse leiding zijn aangebracht. 18.4 Ontluchtingsleidingen 18.4.1 Aan ontluchtingsleidingen en de uitlaat van veiligheden die zijn geplaatst op tanks en procesapparatuur en tankwagens waarin explosieve damp-luchtmengsels kunnen voorkomen, moet een vlamkering of een gelijkwaardige voorziening zijn aangebracht. De ontluchtingsleidingen moeten op een veilige plaats ten opzichte van ontstekingsbronnen in de buitenlucht en mogelijke verblijfplaatsen voor personen uitmonden. 18.5 Gashoudende ruimten, installaties 18.5.1 Elke ruimte waarin zich mogelijk biogas, stortgas, groengas of aardgas kan verzamelen, wordt doelmatig geventileerd, waaronder wordt verstaan een ventilatievoud van ten minste lx per uur. 18.5.2 De emissies van veiligheden monden altijd uit op een veilige plaats in de buitenlucht. 18.5.3 Zodra (een onderdeel van) de installatie niet meer gasdicht is, wordt deze zo snel mogelijk van de rest van de installatie afgesloten en ontgast. 18.6 Gasopwerking 18.6.1

De afblaas van veiligheidsvoorzieningen van de gasopwerkingsinstallatie mondt recht­ streeks uit in de buitenlucht. Elke afblaas(leiding) heeft voorzieningen om de goede en veilige werking bij het afblazen te garanderen en om inregenen te voorkomen. In de -35/113-

Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

omgeving van elk afblaaspunt (minimaal 5 m rondom) mogen geen (potentiële) ontstekingsbronnen aanwezig zijn. 18.6.2 Het gasdetectiesysteem in de ruimten waarin de gasopwerking is gepiaatst, moet: a zijn aangesloten op een noodstroomvoorziening; b. op strategische en tactische plaatsen te bemonsteren zijn of zijn voorzien van op deze plaatsen opgestelde detectorkoppen; c. zijn voorzien van één alarmeenheid per monster- of detectorkop of per groep van monster- of detectorkoppen, waarbij een indicatie aanwezig is om de alarmerende monster- of detectorkop aan te geven; d. zo zijn ingericht dat het alarmsignaal optisch en akoestisch waarneembaar is en binnenkomt op een continu bezette post; 18.6.3 Elke alarmeenheid, zoals bedoeld in het voorgaande voorschrift, moet zijn uitgerust met ten minste één alarmniveau dat is ingesteld op ten hoogste 10% LEL (explosiegevaar, methaan). 18.6.4 Het gasdetectiesysteem dient jaariijks op deugdelijkheid te worden gecontroleerd door een daartoe deskundige onafhankelijke instantie, zoals de leverancier of diens vertegenwoordiger, en ais zodanig te worden gewaarmerkt. 18.6.5

Het groengas/aardgas ten behoeve van invoeren op het openbare gasnet en aflevering aan het CNG-tankstation, moet worden geodoriseerd met tetrahydrothiofeen (of een vergelijkbare stof).

18.7

Fakkelinstallatie . 18.7.1

Als het geproduceerde biogas tijdens normaal bedrijf of bij geplande onderhoudswerk­ zaamheden niet voldoende kan worden opgevangen of verwerkt in de gasnabehandeling, dan moet bij overschrijding (gesignaleerd door een overschrijding van de biogasdruk) automatisch de fakkelinstallatie inschakelen om het teveel aan het geproduceerde biogas te verbranden. 18.7.2 Indien bij onderhoud of een calamiteit biogas vrijkomt of dreigt vrij te komen, dan moet de fakkelinstallatie inschakelen om een drukoverschrijding te voorkomen en het teveel aan biogas te verbranden. De fakkel is ontworpen en wordt bedreven zodanig dat deze ten minste de maxirnale 18.7.3 biogasproductie kan verwerken en dat de uittreedtemperatuur ten minste 900 C is. Deze temperatuur moet bij het in werking zijn continu worden gemeten en geregistreerd, evenals het debiet van de toegevoerde hoeveelheid biogas en de datum en tijden van het in werking zijn van de fakkel. 18.7.4 De fakkel moet zijn voorzien van een vlamterugslagvoorziening. 18.7.5 De fakkel is steeds voor onmiddellijk gebruik gereed en wordt ten minste eenmaal per jaar gekeurd door een ter zake kundig bedrijf. Van deze keuring wordt aantekening gemaakt in het registratiesysteem (zie voorschrift 1.4.1). 18.7.6

De fakkel moet ten minste vier keer per jaar op de goede werking worden gecontroleerd en zodanig worden geïnspecteerd, getest en onderhouden, dat te allen tijde ontsteking van de aan de fakkel toegevoerde brandbare dampen/gassen is verzekerd. Van de resultaten van deze controle wordt aantekening gemaakt in het registratiesysteem (zie

voorschrift 1.4.1). 18 7 7 Bij een defect in het fakkelsysteem moet het fakkelsysteem onmiddellijk en op een veilige wijze buiten bedrijf worden gesteld en gerepareerd. De installaties die op het defecte fakkelsysteem zijn aangesloten, moeten daarbij zo spoedig mogelijk buiten

-36/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

bedrijf worden gesteld, tenzij de functie van het fakkelsysteem tijdelijk door een ander (nood)fakkelsysteem is overgenomen. 18.7.8 De bedrijfsvoering van de fakkel wordt zodanig uitgevoerd, dat er bij de verbranding in de fakkelinstallatie geen roet- of.geurvorming optreedt. 18.8 Bliksembeveiliging 18.8.1 De vergistingsinstallatie, gasopwerkingsinstallatie en gebouwen moeten ter beveiliging tegen blikseminslag zijn voorzien van een doelmatige aarding. Gebouwen en procesinstallaties met ontploffings- en brandgevaar moeten tegen blikseminslag en elektrostatische oplading zijn beveiligd met een bliksemafleider- en aardinginstallatie. 18.8.2 Het ontwerpen, vervangen en installeren van de bliksembeveiliging moet plaatsvinden door een deskundige die een verklaring afgeeft waaruit blijkt dat de installatie voldoet aan NEN-EN-IEC 62305 en NPR 1014. 18.8.3 Vergunninghouder mag afwijken van het gestelde in voorschrift 18.8.1 mits is aangetoond dat er geen noodzaak tot bliksembeveiliging bestaat. 18.8.4 De uitvoering, de inspectie en het onderhoud van de bliksemafleider- en van de aardingsinstallaties moeten geschieden overeenkomstig NEN-EN-IEC 62305-reeks (2006). 19 19.1

INSTALLATIES Risicorelevante apparatuur 19.1.1 Risicorelevante procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen die zich aan een terreingedeelte bevinden waar gemotoriseerd verkeer kan plaatsvinden, moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie. 19.1.2 Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.

19.2 Procesvoering 19.2.1 Aan biogasvoerende leidingen waarvan terugstroming mogelijk en onwenselijk is. moeten voorzieningen zijn getroffen om dit te voorkomen. 19.2.2 Bij stroomstoring en/of storing in de toevoer van instrumentenlucht moeten de voor de procesbeveiliging van belang zijnde kleppen en/of afsluiters in de veilige stand komen. 19.2.3 Om een veilige, verantwoorde bedrijfsvoering te waarborgen, in- en uitbedrijfname inbegrepen, moet voor de hieronder genoemde installatieonderdelen die als kritisch ■ voor de bedrijfsvoering kunnen worden aangemerkt, een noodstroomvoorziening met voldoende capaciteit aanwezig zijn: noodverlichting; a; gasdetectiesysteem; b; fakkelinstallatie; c; instrumentenlucht; d; alarmeringen en instrumentele beveiligingen met meldsysteem en bestunng. e;

-37/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

19.2.4 Van het gestelde in voorschrift 19.2.3 mag worden afgeweken mits het het bevoegd gezag toestemming heeft verleend en waarbij door vergunninghouder is aangetoond dat de installatie(s) bij stroomuitval veilig uit bedrijf kunnen worden genomen respectievelijk dat alarmen en procesbesturing gedurende 60 minuten in werking blijven. 19.2.5 Bij storingen in het procesbesturingssysteem moeten te allen tijde de voor het veiligstellen noodzakelijke beveiligingen operationeel blijven. 19.2.6 De instrumentele beveiligingen van een installatie die van belang zijn voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor veiligheid en/of milieu, moeten worden getest op de goede werking. De testfrequentie moet zijn vastgesteld op basis van een risicoinventarisatie of gegevens van de desbetreffende leverancier. 19.2.7 Beveiligingen mogen niet overbrugd zijn, tenzij dit door een procedure tijdelijk wordt gedaan en de risico’s zijn beoordeeld en aanvaardgbaar worden geacht. Hiervoor moet een protocol/procedure voorhanden zijn waarin het volgende geborgd wordt: a. de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij het overbruggen van beveiligingen: b. de registratie; c. de herkenbaarheid van overbruggingen voor operationele medewerkers.

19.2.8 De instrumentele beveiligingen van een installatie die van belang zijn voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor veiligheid en/of milieu, moeten worden getest op de goede werking. De testfrequentie moet zijn vastgesteld op basis van een risicoinventarisatie of gegevens van de desbtreffende leverancier. 19.2.9 De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen. 19.2.10 In de inrichting moet aanwezig zijn ; 1. een registratiesysteem 2. een archiefsysteem; In het registratiesysteem moeten zijn opgenomen: a. alle procesvaten, opslagtanks, ketels, leidingsystemen, pompen, compressoren, gasdetectiesystemen, olieafscheiders, fakkelsystemen inclusief toebehoren; b. de geplande vaste data waarop controle en/of onderhoud moet plaatsvinden; c. de data waarop controle en/of onderhoud is uitgevoerd; In het archiefsysteem moeten zijn opgenomen: a. de meetresultaten, omschrijvingen en installatietekeningen (eventueel aangepast), reparaties, beproevingen en de beoordelingen. 19.3

Inspectie en onderhoud 19.3.1 Vergunninghouder moet bevindingen van het functioneren van alle installaties en voorzieningen die gevolgen voor het milieu kunnen hebben, vastleggen in een organisatorisch systeem met betrekking tot beheer van de installaties (onderhoudsmanagementsysteem). Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparatie, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. Installaties moeten zijn onderverdeeld in objecten en voor elk object móet een uitvoeringsmethode worden opgesteld m.b.t. onderhoud, inspectie en/oftesten. Deze uitvoeringsmethoden moeten mede zijn gebaseerd op analyses van de kans op en de gevolgen van* eventueel falen. Verslaglegging (schriftelijk) en terugkoppeling moeten onderdeel zijn van het systeem. 19.3.2 Aan biogasvoerende leidingen waarvan terugstroming mogelijk en onwenselijk is, moeten voorzieningen zijn getroffen om dit te voorkomen. -38/113-

Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

19.4

Keuringen/inspectie 19.4.1

,

19.5

Procesapparatuur, leidingen en opslagtanks moeten periodiek aan de hand van een keuringsplan worden gekeurd en/of worden geïnspecteerd. In het keuringsplan (inspectieplan) dient het keuringsregime (inspectieregime) en de termijn van periodiek onderzoek te zijn opgenomen. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plannen.

Bediening en monitoring installaties 19.5.1

Het personeel belast met dagelijks toezicht op de installatie is duidelijk geïnstrueerd over constructie, toezicht, bediening en onderhoud van de installatie, de na te leven veiligheidsinstructies, handelswijze bij procesafwijkingen, onregelmatigheden en/of storingen, de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen en de eigenschappen van de aanwezige gevaarlijke stoffen.

19.5.2 Een installatie voor het vergisten van organische afvalstoffen, het opslaan van vergistingsgas en het transporteren en bewerken van vergistingsgas, is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem dat de goede werking van de installatie controleert en de vergunninghouder waarschuwt bij incidenten die kunnen leiden tot onveilige situaties of de emissie van vergistingsgas meldt. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat binnen een uur na de waarschuwing actie wordt ondernomen om incidenten die zijn gemeld door het systeem te verhelpen. 19.5.3 Indien een installatie voor het vergisten van organische afvalstoffen of een voorziening voor het opslaan of bewerken van vergistingsgas buiten gebruik wordt gesteld, wordt eerst het restant vergistingsgas uit de installatie verwijderd. Het vergistingsgas wordt indien mogelijk nuttig toegepast en voor zover dat niet mogelijk is, vernietigd of ariders afgevoerd met zo min mogelijk gevaar voor mens en milieu. Zodra de installatie niet meer gasdicht is, wordt het overgebleven restproduct zo snel mogelijk uit de installatie verwijderd en gestabiliseerd. 19.5.4 Voor het bedienen van de installaties (bedrijfsvoering) moeten bedieningsvoorschriften of -procedures zijn opgesteld waarin ten minste het onderstaande is opgenomen: a. de (proces) voorbereidende handelingen, het opstarten, het volgen en het stoppen; b.

de uit te voeren handelingen ingeval van storing, uitval van de elektriciteits­ voorziening en tijdens herstelwerkzaamheden; c. los- en laadinstructies met betrekking tot de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van producten; d. de hoeveelheden, de vvijze en de volgorde van doseren van de noodzakelijke stoffen; e. de omstandigheden en grenzen voor een normaal verloop van het proces per Installatie of systeem inclusief de vermelding van de grenzen voor een veilige bedrijfsvoering; f. de te treffen maatregelen bij niet normale omstandigheden en die mogelijk kunnen leiden tot gevaarlijke situaties en (extra) belasting van de leefomgeving; g. de te volgen procedure om de installaties productvrij respectievelijk gasvrij te maken. 19.5.5 Door middel van een actuele procedure dient geborgd te zijn dat voornoemde onderdelen, procesbeschrijvingen en equipmentlijsten van procesinstallaties actueel zijn. Deze actuele documenten moeten steeds (digitaal) beschikbaar zijn in de controle­ kamer. 19.5.6 Voor de Installaties moet een noodprocedure zijn opgesteld waarin ten minste is opgenomen: -39/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

:

een beschrijving van de handelingen die moeten worden verricht bij ten minste de volgende incidenten: ■ - stroomuitval; - brand of rook; - overige afwijkingen van de normale bedrijfssituatie; -gasvoorraad: - temperatuur; , - gasdruk: - concentratie zwavelwaterstof; - methaangehalte; - gasdebieten intrede en uittrede: - schuimvorming: - afgaan van een overdrukbeveiliging; - uitval elektriciteit; - vorst; b. een duidelijke piattegrond met de plaatsen van de: - opgeslagen (gevaarlijke) stoffen; - emissiepunten van de overdrukbeveiligingen; - noodknoppen, -schakelaars, -afsluiters en brandblusvoorzieningen.

a.

19.6

Meet-, regel-en beveiligingsapparatuur 19.6.1

Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies en die niet of slecht funtioneert, moet direct worden gerepareerd of vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen, moeten de activiteiten worden stilgelegd tenzij vergunninghouder kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.

19.6.2 De zogenaamde kritische alarmeringen (alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies) moeten visueel en akoestisch worden aangegeven en moeten gehandhaafd blijven totdat deze door een ter zake kundige worden geaccepteerd en zo snei mogeiijk worden opgeheven. 19.7

Gasdetectiesysteem 19.7.1 Op plaatsen waar biogas, groen gas of aardgas vrij kan komen, moet een continu werkend gasdetectiesysteem aanwezig zijn dat alarmeert bij gaslekkage uit het betreffende systeem, zodanig dat onmiddellijk bij het aanspreken van het alarm de juiste veiligheidshandelingen kunnen worden verricht.

19.8

Veiligheidstoestellen 19 8 1

Bij veiligheidstoestellen die rechtstreeks naar de atmosfeer afblazen, moeten voorzieningen zijn aangebracht om een goede veilige werking bij het afblazen te garanderen, zoals vlamterugslagbeveiliging, aarding, verwarming of voorzieningen om lucht bij te mengen in de uitlaat. Veiligheidstoestellen moeten zo zijn geplaatst en beschermd dat hun werking geborgd 19.8.2 is door een onderhoud- en inspectiesysteem, waaardoor afzettingen van producten uit de systemen worden beperkt.

-40/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

il

MÊÊm

20

STORTPLAATS VOOR GEVAARLIJK AFVAL EN NIET GEVAARLIJK AFVAL

20.1

Acceptatie 20 1 1 a. Binnen de inrichting mogen geen afvalstoffen worden gestort waarvoor op grond van artikel 1, eerste lid van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa) een stortverbod geldt. b. In afwijking van het gestelde onder a. mogen afvalstoffen die zijn aangewezen krachtens artikel 5, dan wel indien daarvoor een verklaring geldt als bedoeld in artikel 6 van dit besluit, binnen de inrichting worden gestort. c. Bij de toepassing van het gestelde onder b mag geen strijd ontstaan met het ingevolge artikel 11 f van het Bssa bepaalde. d. Het gestelde onder b. is niet van toepassing op de categorieën van afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 1 t/m 14 van het Bssa. 20.1.2 In geval van noodsituaties of calamiteiten kan het bevoegd gezag in het belang van een milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van afvalstoffen een aanwijzing geven op grond waarvan vergunninghouder tijdelijk de in de aanwijzing aangeduide afvalstoffen moet accepteren en verwerken.

20.2 Onderafdichting, controlesysteem en percolaatopvang- en - afvoersysteem 20.2.1 Aan de onderkant van de gestorte afvalstoffen moet een dubbele onderafdichting aanwezig zijn. Deze onderafdichting dient ten minste een beschermingsniveau te bieden gelijkwaardig aan het gestelde in de Richtlijn onderafdichtingen. 20.2.2 De stortplaats moet zodanig zijn ingericht dat de afstand van de onderkant van het afval, na zetting van de bodem, niet minder bedraagt dan 0,70 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand. 20.2.3 Er moet een deugdelijk controlesysteem aanwezig zijn waarmee de hoedanigheden van de bodem en het grondwater kunnen worden onderzocht, bestaande uit: - onder de onderafdichting beneden de laagste grondwaterstand gelegen, horizontaal aangebrachte grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen; - zowel bovenstrooms als benedenstrooms van de stortplaats in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringspeilbuizen. De bemonstering en vaststelling van de hoedanigheden van de bodem moet voor elke grondwaterbemonsteringsdrainagebuis of grondwaterbemonsteringspeilbuis afzonderlijk kunnen geschieden. 20.2.4 De drainage- en controlesystemen dienen ten minste een beschermingsniveau te bieden dat gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met het gestelde in het Stortbesluit en de bijbehorende Richtlijn drainage- en controlesystemen.

20 2 5 In geval van lekkage van de onderafdichting moet de controledrainage als beheersbemaling functioneren. De controledrainage moet op deze functie zijn berekend qua dimensionering, materiaalkeuze en ligging ten opzichte van de grondwaterstand en grondwaterstroming. 20.2.6 Boven de onderafdichting moeten voorzieningen worden aangebracht om het percolatiewater af te voeren. De wijze van opvangen, verzamelen en zuiveren of afvoeren dient op een zodanige wijze te geschieden dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem. De afvoer van het percolatiewater moet gescheiden van andere waterstromen plaatsvinden. De percolaatafvoerende voorzieningen moeten -41/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

waar niogelijk gebruik maken van natuurlijk verhang. Het natuurlijk verhang moet ook na zettingen zijn gewaarborgd. 20.2.7 De percolaatopvang en het -afvoersysteem dient te voldoen aan de Richtlijn drainageen controlesystemen. 20 2 8 Na het aanbrengen van de drainage- en controlesystemen onder nieuw aan te leggen compartimenten, dient direct vastgesteld te worden of deze open zijn Eventuele defecten aan deze stelsels moeten onmiddellijk worden hersteld. p het functioneren van het drainagesysteem voor percolatiewater vari de °"derafdich mg en van het controlesysteem in het grondwater ten aanzien van de drains en leidingen, dient plaats te vinden in de daartoe aangebrachte schachten c.q. inspectieputten of verzamelleiding overeenkomstig de methode aangegeven in de Richtlijn drainage- en controlesystemen. 20.2.9

Het surplus aan water uit de ringsloot en uit de percolaatdrains moet via gescheiden

systemen worden opgevangen en verzameld. de aanleg van (delen van) de voorzieningen 20 2 10 Twee maanden voor de aanbesteding van als bedoeld in voorschrift 20.2.1 t/m 20.2.9, dient vergunninghouder een uitvoeringsgereed plan (bestek) aan het bevoegd gezag voor te leggen. Het bestek dient (als bijlage) de volgende onderdelen te bevatten; - een “kwaliteitsplan directievoering” waarin de te volgen wijze van controle (inclusief - een -een ^beschrijving van de wijze waarop tijdens het werk de, ten opzichte van het bestek, door te voeren afwijkingen en wijzigingen zullen worden beoordeeld en vastgelegd. De in dit voorschrift bedoelde eisen en randvoorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden dienen door de aannemer te worden uitgewerkt tot een uitvoeringsplan. Dit uitvoeringsplan dient door of namens de een deskundige met aantoonbare expertise te worden beoordeeld. Deze beoordeling

voordat het bevoegd gezag het bestek, het “kwaliteitsplan directievoering en het uitvoeringsplan heeft goedgekeurd.

overgelegd, waarin zijn opgenomen; __ - alle relevante aspecten betreffende de uitvoering van de werkzaamheden - de wijze waarop directievoering op de uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden: - alle verkregen controleresultaten; - de tijdens het werk, ten opzichte van het bestek, doorgevoerde afwijkingen en wijzigingen; De^eeo'rapportag^es dienen door de uitvoerende en controlerende instantie(s) te zijn ondertekend.

-42/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

20.3

Uitvoering van de stortwerkzaamheden 20.3.1

Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar dient vergunninghouder een stortplan in te dienen bij het bevoegd gezag. In het stortplan dient ten minste te zijn aangegeven: a. een prognose van de te storten afvalstoffen en secundaire bouwstoffen gedurende het jaar. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de volgende aspecten: - de hoeveelheid te storten afvalstoffen; - de hoeveelheid secundaire bouwstoffen die nuttig worden toegepast; - de aard van de te storten afvalstoffen, waarbij een onderverdeling wordt gemaakt naar de stortplaats voor gevaarlijk afval en niet-gevaarlijk afval en naar afvalstoffen waar geen stortverbod voor geldt en waar een ontheffing voor is/wordt verleend; - de aard van de nuttig toe te passen secundaire bouwstoffen waarbij wordt aangegeven waar de secundaire bouwstoffen voor worden gebruikt; b. de hoeveelheid die het afgelopen jaar is gestort vergeleken met de prognose voor het afgelopen jaar en in het geval er verschil is, een verklaring geven voor het verschil tussen prognose en werkelijkheid; c. per compartiment aangeven de stand van zaken (hoeveelheid, hoogte, stortruimte, bovenafdichting) en hierbij ook de bijzonderheden aangeven van het afgelopen jaar en de verwachting voor het betreffende jaar; d.

de inhoud van de stort met inhoudsberekeningen (onderverdeeld naar de stortplaats voor gevaarlijk afval en niet gevaarlijk afval, naar fasen en hoogten van 29 en 24 meter) aan het begin van het afgelopen jaar, de hoeveelheid die gedurende het afgelopen jaar is gestort (afvalstoffen en secundaire bouwstoffen) en de restcapaciteit aan het eind van het afgelopen jaar; e. een overzichtstekening van de indeling van de compartimenten van de stortplaats; f. de opbouw van de hellingen van de stortplaats. Het stortplan behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.

20.3.2 Bij de uitvoering van de stortwerkzaamheden moet het plan als vermeld in voorschrift 20.3.1 worden gevolgd. 20.3.3 Wijzigingen van het stortplan dienen alvorens zij worden toegepast ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. 20.3.4 De wijze van storten en de opbouw van het stort moet zodanig geschieden dat emissies zo beperkt en beheersbaar mogelijk zijn en blijven, de stabiliteit van het stortlichaam gewaarborgd is en de restklink zoveel als mogelijk wordt beperkt. 20.3.5 De buitenzijde, wielen en onderkant van de vrachtwagens die afval hebben gestort en de afvalberging willen verlaten, dienen op een binnen de inrichting ingerichte wasplaats te worden ontdaan van restanten (asbesthoudend) materiaal. Niet gevaarlijke afvalstoffen 20 3 6 De niet gevaarlijke afvalstoffen moeten direct na aflevering op het stortfront in de inrichting worden geëgaliseerd en aangedrukt tot lagen van maximaal 0,30 meter. De lagen moeten van bulten naar het midden aflopen, om zijdelings uitstromend percolatiewater te voorkomen. 20.3.7 Het stortfront moet zo klein mogelijk worden gehouden en zijn afgestemd op het dagelijkse afvalaanbod. Een stortfront mag niet breder zijn dan 30 meter en de totale omvang van de in exploitatie zijnde stortfronten mag niet meer bedragen dan 1000 m .

-43/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

20.3.8 Op het stortfront moet, zodra op dat front afvalstoffen ter verwerking worden aangevoerd, ten minste één machine de aangevoerde afvalstoffen verwerken. 20.3.9 Het op het stortfront aangevoerde afval moet zodanig verdicht worden dat een maximaie verdichtingsgraad wordt bereikt en een stabiel en beheersbaar stortiichaam ontstaat. 20.3.10 De gedurende de werkdag geaccepteerde afvalstoffen moeten uiterlijk aan het eind van de werkdag verwerkt en verdicht zijn. 20.3.11 Aan het einde van eike werkdag moet eik stortfront zodanig worden afgedekt dat het ontstaan van zwerfvuii en stankverspreiding afdoende wordt voorkomen. Het dagelijks afdekken dient te geschieden met grond dan wei met een ander daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt materiaal met een minimale dikte van 0,05 tot 0,10 meter. 20.3.12 De storttaluds mogen niet steiler afgewerkt worden dan onder een helling van 1:3. 20.3.13 Indien ianger dan een maand geen nieuw afval wordt gestort op een verdichte iaag afvai, moet het afval afgedekt worden met een ten minste 0,20 meter dikke iaag grond of een ander, daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag, geschikt materiaai. 20.3.14 De samenstelling en het aanbrengen van de afvaiiagen direct gelegen boven de onderafdichting en onder de bovenafdichting, dient in overeenstemming te zijn met het gesteide in de Richtiijn dichte eindafwerking.

20.3.15 Het aanbrengen van afvaiiagen op de afvaiberging voor gevaariijk afval en niet­ gevaarlijk afvai dient zodanig te geschieden dat - rekening houdend met het optreden van zetting en klink - de maximale eindhoogte van 24 meter boven N.A.P. niet wordt overschreden. Gevaarlijke afvalstoffen 20.3.16 De gedurende de werkdag geaccepteerde gevaarlijke afvalstoffen moeten uiterlijk aan het eind van de werkdag zijn verwerkt. Asbest(houdend afval) 20.3.17 Asbestfhoudend afval) moet op de stortplaats voor niet-gevaarlijk afval in een afgescheiden (deel van een) stortcompartiment, zogenaamde cel, worden verwerkt. De afscheiding dient ten minste als volgt te geschieden; a. onderzijde met een laag van grond(achtig) materiaal van ten minste 20 cm of een andere hiertoe geëigende constructie; b. zijkanten middels een wal van grond(achtig) materiaal of een andere hiertoe geëigende constructie; c. bovenzijde middels steunlaag of een laag van grond(achtig) materiaal van ten minste 20 cm dan wel een andere hiertoe geëigende constructie. 20.3.18 Indien voor de in voorschrift 20.3.17 bedoelde fysieke afscheiding van de cellen van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt om een andere hiertoe geëigende constructie toe te passen, dient vergunninghouder die aan het bevoegd gezag voor te leggen en pas na zijn goedkeuring door te voeren. -44/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029

Z.21.359105 - D.22.1572466

20.3.19 Binnen de inrichting dient een plattegrond aanwezig te zijn waarop aile in het stortlichaam aangebrachte cellen als bedoeld in voorschrift 20.3.17 zijn vastgelegd. Dit dient te geschieden door op de plattegrond de aanduiding van de op iedere cel van toepassing zijnde x-, y- en z-coördinaten (zijnde bepalend voor de lengte, breedte en hoogte van de cel) weer te geven. 20.3.20 In de cellen die zijn bestemd voor asbest(houdend afval) mogen geen andere afvalstoffen worden gestort dan dit asbest(houdend afval) of materiaal dat wordt gebruikt om de afvalstoffen af te dekken. 20.3.21 Bij het verwerken van asbesthoudend afvai) dienen zodanige voorzieningen getroffen te worden dat asbesthoudende afvalstoffen niet met andere afvalstoffen vermengd kunnen raken. 20.3.22 Het los te storten asbesthoudend bulkmateriaal mag uitsluitend worden aangevoerd in vrachtwagens voorzien van een lekdichte laadruimte met een stofdicht afsiuitsysteeni. 20.3.23 Indien tijdens het storten van onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen verstuiving of stofvorming optreedt dan wel indien verpakking van het asbestafval tijdens het storten onverhoopt wordt beschadigd, dient het materiaal tijdens het storten onmiddellijk door besproeiing/vemeveling te worden bevochtigd. Daartoe dienen nabij de in voorschrift 20.3.17 bedoelde stortlocatie(s) alle benodigde voorzieningen aanwezig te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=38ebff89-c93c-4a8f-ac4d-89ccc2e6e146