Bijlage 1. (Ontwerp)revisievergunning Ecopark de Wierde De Dolten 11 Heerenveen (anoniem)
Tekst van het document
Z.21.359105 - D.22.1572466
Postadres Postbus 3347 8901DH Leeuwarden
FUM©
Omgevingsdienst Fryslan
Bezoekadres J.W. de VisserweilO 9001 ZE Grou
(0566) 750 300 www.fumo.nl
Gemeente Heerenveen T.a.v. Postbus 15000 8440 GA Heerenveen
Z2 l.ssqios üOT ....
info@fumo.nl
i", r
düi.
Ingckoioen d.d.:
2 9 AU6. 2022 2 6 AUG 2022
afgehancic-Ul ü.m.v.;
Grou, 26 augustus 2022
paraaf;
d.d........
Ons kenmerk Afdeling Behandeld door Uw kenmerk
2021-FUMO-0055029 Front- Midoffice
Betreft
: (Ontwerp)revisievergunning Ecopark de Wierde aan de Dolten 11 te Oudehaske
Geachte Hierbij zenden wij u een exemplaar van onze beschikking van 26 augustus 2022, kenmerk 2021-FUMO0055029, op de aanvraag van Ecopark De Wierde om een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning (revisievergunning) aan De Dolten 11 te Heerenveen. Voorts zenden wij u een exemplaar van de kennisgeving. Voor informatie over de termijn van terinzagelegging en het indienen van een beroepschrift verwijzen wij u naar de inhoud van de kennisgeving.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslan
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Bijlage(n): 6
IBAN: N193 RABO 0135 5152 38 BTW: NL852608263B01 KVK: 57499470
Z.21.359105 - D.22.1572466
Postadres Postbus 3347 8901DH Leeuwarden
FUM m Oiugevingsdienst Fryslan
Bezoekadres J.W.deVisserwei10 SOOIZEGrou
(0566)750 300 www.funia.nl info(a)fumDJil Ecopark De Wierde (Omrin) De Dolten 11 8447 SB HEERENVEEN
2 6 AUG 2022 Grou, 26 augustus 2022 Kenmerk Afdeling Behandeld door Uw kenmerk
; 2021-FUMO-0055029 : Vergunningverlening en Specialistisch Advies ;
Betreft
; (Ontwerp)revisievergunning Ecopark de Wierde aan de Dolten 11 te Oudehaske
{ONTWERP)BESLUiT OWIGEVINGSVERGUNNING Onderwerp I. Op 8 juli 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Omrin. Het betreft een nieuwe, de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning (revisievergunning) voor Ecopark de Wierde aan De Dolten 11 te Heerenveen. De aanvraag heeft betrekking op de gehele inrichting en zal de eerder verleende omgevingsvergunningen voor deze locatie vervangen. De voornaamste wijzigingen ten opzichte van de eerder vergunde situatie betreffen het verhogen van de stortplaats van 24 meter naar 29 meter en een uitbreiding van het terrein aan de oostzijde. De aanvraag heeft betrekking op De Dolten 11 te Heerenveen. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2021-FUMO-0055029 en oio nr. 5225673.
Besluit II. Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Omrin een (omgevings)vergunning: • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met de beheersverordening) te verlenen voor het aan de oostzijde uitbreiden van het terrein van Ecopark De Wierde met circa 4 ha en het verhogen van de stortplaats van 24 naar 29 meter; • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo (gedeeltelijk) te verlenen voor het veranderen en in werking hebben van een inrichting na die verandering (revisievergunning). Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in dit besluit. • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo te weigeren voor zover de vergunning betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval (euralcode 200108), biologisch afbreekbaar afval (euralcode 200201) en spijsolie en -vetten (euralcode 200125) in de scheidings- en vergistingsinstallatie.
!BA;'!: NL93 R.ABQ 01355152 38 NL852608263BQ1 KVX: 57499470
Z.21.359105 - D.22.1572466
Tevens besluiten wij; dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning zoals aangegeven in bijlage 1: toe te staan dat, in afwijking van het gesteide in artikel 2.12, derde lid, van het Activiteitenbesluit, de volgende niet gevaarlijke afvalstoffen met elkaar gemengd mogen worden: o RDF (euralcodes 191212 en 191210); o residu van GHA (euralcode 191.212 ); o met GHA-residu vergelijkbaar bedrijfsafval (euralcodes 191212 en 200301); b digestaat (euralcode 190604) en/of o ONF (euralcode 191212).
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslan,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
l.a.a. Gemeente Heerenveen T.a.v. Postbus 15000 8440 GA Heerenveen Wetterskip Fryslan T.a.v. Postbus 36 8900 AA Leeuwarden Brandweer Fryslan T.a.v. Postbus 612 8901 BK Leeuwarden Inspectie Leefomgeving en Transport T.a.v. Postbus 1691 2500 BD Den Haag
-2/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
..
s
INHOUDSOPGAVE
1 BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING 4 VOORSCHRIFTEN................................. 4 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 1 9 AFVALSTOFFEN........................ 2 16 ENERGIE............... ............. 3 19 GELUID EN TRILLINGEN.. 4 20 GEUR.................................. . 5 23 LUCHT................................. 6 26 LICHT................................... 7 26 BOUW- EN SLOOPAFVAL 8 27 BAGGER IN DEPOT.......... 9 28 ASBEST............................... 10 29 GROND IN DEPOT............. 11 BEWERKING VEEGVUIL, GRONDACHTIGE STROMEN EN RIOOL-, KOLKEN-EN 12 30 GEMALENSLIB............................................................................................ "" REGIONAAL SORTEERCENTRUM VOOR AFGEDANKTE ELEKTRISCHE EN 13 ELEKTRONISCHE APPARATUUR (AEEA)............................................................ 30 GRONDREINIGING............................ ........................ ............................................... 30 14 AFVALWATERZUIVERING................................. ..................................................... 31 15 EXTERNE VEILIGHEID...................................................................................... ........ 32 16 BRANDBESTRIJDING............................................................................................... 33 17 VERGISTINGSINSTALLATIE EN GASBEHANDELING........................................ 34 18
19 20
37
STORTPLAATS VOOR GEVAARLIJK AFVAL EN NIET GEVAARLIJK AFVAL. 41
OVERWEGINGEN VERGUNNING........................................................ PROCEDURELE ASPECTEN................................................ 1. TOETSINGSKADER MILIEU................................................. 2. AFVALSTOFFEN.............................. ........................... EXTERNE VEILIGHEID............................................... BRANDVEILIGHEID..................................................... PGS-RICHTLIJNEN..................................................... ENERGIE...................... ................................................ ONGEWONE VOORVALLEN.................................... OVERIGE ASPECTEN............................... ................ TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN...................... CONCLUSIE................................................................. HANDELEN IN STRIJD MET EEN BESTEMMINGSPLAN 3. Conclusie.....................................................................
53 53 64 67
102 105 106 107 108 109 110 110 111 113
Bi^a1 Documenten aanvraag onderdeel van de revisievergunningaanvraag Ecopark de Wierde 2 Bijlage 2 Luchtmetingen Bijlage 3 Geluidmeetpunten Bijlage 4 WGB gemeente Heerenveen (6 juli 2022)
-3/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
.
Z.21.359105 - D.22.1572466
POT
SS
VOORSCHRIFTEN 1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
1.1
1.2
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid 1.1.1 Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven; • alle gebouwen en de installaties met hun functies; • alle opslagen van stoffen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid. 1.1.2
Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.
1.1.3
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
1.1.4
Dagelijks dient de directe omgeving van de inrichting, de stortbunker, de containeropslagplaats, de rekashal, de KSI en de WVI te worden ontdaan van zwerfafval.
1.1.5
De deuren van de stortbunker dienen na afloop van de dagelijkse aanvoer van afval te worden gesloten. Bij aanvoer van afval buiten de normale aanvoertijden dienen de deuren alleen te worden geopend voor het direct doorlaten van een vracht afval.
1.1.6
De toegang tot de inrichting moet tijdens de openingstijden onder voortdurend toezicht staan van een daartoe door de bedrijfsleiding aangewezen persoon.
1.1.7
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
1.1.8
Het aantrekken van vogels, insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.
Instructies 1.2.1
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
1.2.2
De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.
-4/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029 .
kt»- -
Z.21.359105 - D.22.1572466
1.3
Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder 1.3.1
1.4
Registratie 1.4.1
a. b. c. d. e.
f. g.
1.5
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schrifteiijk worden gemeld aan het het bevoegd gezag.
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen; de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water-, diesel en gasverbruik, een opgave van de datum, de duur, de aard en wijze van beperken of ongedaan maken van de gevolgen van alle storingen en calamiteiten die zich voordoen en milieubelasting veroorzaken; tevens dient hierbij de datum waarop de gevolgen van de storingen en calamiteiten zijn beperkt of ongedaan zijn gemaakt en de naam van de uitvoerende instantie/persoon te worden aangegeven; de registratie van specifieke operationele en controle- en onderhoudswerkzaamheden; de registratie op basis van 4.2.1 van de dagen en tijden waarop de puinbreker en houtshredder in gebruik zijn.
1.4.2
De documenten genoemd in voorschrift 1.4.1 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
1.4.3
Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 3 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het het bevoegd gezag worden gemeld.
1.4.4
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
Inspectie, keuringen en onderhoud 1.5.1
Door middel van regelmatige interne (apparaat-) inspecties en/of testen moet het naar behoren functioneren van alle installaties en voorzieningen worden gecontroleerd, waarbij de bevindingen schriftelijk moeten worden vastgelegd. Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparaties, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. De frequentie van het uitvoeren van (apparaat)inspecties en/of testen moet schriftelijk zijn vastgelegd. De vergunninghouder moet de frequentie van onderhoud/inspectie aanpassen als de bevindingen daartoe aanleiding geven. Deze registratie moet in de inrichting aanwezig zijn.
-5/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
1.6
1.7
1.5.2
De wijze waarop de vergunninghouder het gesteide in voorgaand voorschrift waarborgt, moet hij vastieggen in een daartoe te ontwikkeien organisatorisch systeem met betrekking tot het beheer van de instaiiaties (onderhoudsmanagementsysteem). De beschrijving van het onderhoudsmanagementsysteem (op hoofdiijnen) moet worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Installaties moeten zijn onderverdeeld in objecten en voor elk object moet een uitvoeringsmethode worden öpgesteld m.b.t. onderhoud, inspectie en/of testen. Deze uitvoeringsmethoden moeten mede zijn gebaseerd op analyses van de kans op en de gevolgen van eventueel falen. Verslaglegging (schriftelijk) en terugkoppeling moeten onderdeel zijn van het systeem. Uiterlijk twaalf maanden na het in gebruik nemen van de installaties moet dit systeem volledig operationeel zijn.
1.5.3
Een overzicht van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in het in voorschrift 1.5.2 bedoelde systeem, moet op verzoek kunnen worden getoond aan het bevoegd gezag.
1.5.4
Bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.
1.5.5
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
Bedrijfsbeëindiging 1.6.1
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de - te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het het bevoegd gezag worden verwijderd.
1.6.2
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
Proefnemingen Algemeen 1.7.1
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
1.7.2
Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het het bevoegd gezag worden verstrekt: a. het doel en de noodzaak van de proefneming:
-6/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
i:
I'. b.
een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen; de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu; de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd; een beschrijving van de afwijking van de geldende minimumstandaard en een beschrijving van hoe deze werkwijze leidt tot een gelijkwaardigere of hoogwaardige verwerking van de minimumstandaard. de hoeveelheid in te zetten materiaal; de duur van de proef mag maximaal 9 maanden zijn
c. d. e.
f. g1.7.3
Het het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
1.7.4
De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.
1.7.5
De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het het bevoegd gezag worden overgelegd.
Proefnemingen met alternatieve afvalstoffen 1.7.6
In afwijking van het gestelde in de aanvraag en de voorschriften, mogen afvalstoffen die niet aan de ingevolge de aanvraag en deze voorschriften geldende acceptatiecriteria voldoen, bij wijze van proef worden be- of verwerkt, mits, voordat deze afvalstoffen worden aangeveerd, hiervoor schriftelijk toestemming is verleend door het bevoegd gezag.
1.7.7
Toestemming wordt slechts verleend indien: a. de proefneming dient om een gelijkwaardige of meer hoogwaardige techniek voor de be- of verwerking van afvalstoffen te ontwikkelen en te implementeren dan de techniek die in het LAP als minimumstandaard is beschreven; b. de proefneming ten hoogste 9 maanden duurt; c. de bij de proefneming te be- of verwerken hoeveelheid afvalstoffen niet meer is dan benodigd is voor de ontwikkeling en de implementatie van de alternatieve techniek; d. aangetoond is dat ten gevolge van de proefneming de ingevolge deze vergunning geldende milieuhygiënische randvoorwaarden niet zullen worden overschreden.
1.7.8
Een verzoek om toestemming dient uiterlijk 6 weken voor de beoogde aanvang van de proefneming aan het bevoegd gezag te zijn overgelegd. Het verzoek dient vergezeld te gaan van de volgende gegevens; ' a. het doel, de functie en een beschrijving van de techniek met vermelding van de b.
denaard, de samenstelling en de hoeveelheid van de te behandelen afvalstoffen;
c.
de wijzigingen in installaties en procesvoeringen die benodigd zijn; -7/113-
Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
d. e. f. g. h. i.
de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies zullen worden geregistreerd en beheerst; de verwachte wijziging in massabalansen, in emissies naar lucht en van geluid, in energiegebruik en in risico’s voor de omgeving; de samenstelling, fysische, chemische en toxicologische eigenschappen van de reststoffen en mogelijkheden voor hergebruik of andere bestemming; de voorgestelde wijzigingen in acceptatiecriteria en acceptatieprocedure; de geschatte hoeveelheid afvalstoffen die, bij het slagen van de proefneming. binnen de inrichting per jaar kan worden be- of verwerkt; de thans toegepaste technieken voor be- of verwerking van de afvalstoffen dan wel de huidige bestemming van deze stoffen.
Proefnemingen met meer hoogwaardige technieken (afvalstoffen) 1.7.9
Vergunninghouder mag bij wijze van proef bij het be- of verwerken van afvalstoffen alternatieve technieken toepassen die niet in de aanvraag zijn beschreven, mits, voordat deze techniek wordt toegepast, hiervoor schriftelijk toestemming is verleend door het bevoegd gezag.
1.7.10 Toestemming wordt slechts verleend indien; a. de proefneming dient om een gelijkwaardige of hoogwaardiger techniek voor de be- of verwerking van afvalstoffen te ontwikkelen en te implementeren dan de techniek die in het LAP als minimumstandaard is beschreven; b. de proefneming ten hoogste 9 maanden duurt; c. de bij de proefneming te be- of verwerken hoeveelheid afvalstof niet meer is dan benodigd is voor de ontwikkeling en de implementatie van de alternatieve techniek; d. aangetoond is dat ten gevolge van de proefneming de ingevolge deze vergunning geldende milieuhygiënische randvoorwaarden niet zullen worden overschreden. 1.7.11
Een verzoek om toestemming dient uiterlijk 6 weken voor de beoogde aanvang van de proefneming aan Het bevoegd gezag te zijn overgelegd. Het verzoek dient vergezeld te gaan van de volgende gegevens: a. het doel, de functie en een beschrijving van de techniek met vermelding van de capaciteit; b. de aard, de samenstelling en de hoeveelheid van de te behandelen afvalstoffen; c. de wijzigingen in installaties en procesvoeringen die benodigd zijn; d. de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies zullen worden geregistreerd en beheerst; e. de verwachte wijziging in massabalansen, in emissies naar lucht en van geluid, in energiegebruik en in risico's voor de omgeving; f. de samenstelling, fysische, chemische en toxicologische eigenschappen van de reststoffen en mogelijkheden voor hergebruik of andere bestemming; g. de voorgestelde wijzigingen in acceptatiecriteria en acceptatieprocedure; h. de geschatte hoeveelheid afvalstoffen die, bij het slagen van de proefneming, binnen de inrichting per jaar kan worden be- of verwerkt; i. de thans toegepaste technieken voor be- of verwerking van de afvalstoffen dan wel de huidige bestemming van deze stoffen.
-8/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
2
AFVALSTOFFEN
2.1
Opslag van afvalstoffen 2 1.1
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. Verder dient vergunninghouder het zwerfvuil van afval bestemd voor Ecopark De Wierde in de directe omgeving van de inrichting regelmatig te verwijderen conform de wijze als beschreven in de vergunningaanvraag.
2.1.2
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wei een verbinding kan vormen: c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
2 13
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken. De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
2.1.4
2.2
Acceptatie van afvalstoffen
2.2.1
In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel. Gebruikelijke benaming
Max. opslag
Max. te accepteren per jaar
afvalstof^___________ n.v.t.
250.000 ton
n.v.t.
25.000 ton
Huishoudelijk afval
3.000 m^
280.000 ton
ONF derden
600
76.000 ton
Organische reststromen (incl.
9.000 m=
Diverse stromen te storten niet gevaarlijk afval Te storten stromen gevaarlijk afval
iizerslibj Veegvuil, RKG-slib en
25.000 ton
grondachtige stromen
20.000 m3
Baggerslib
10.000 ton 8.333 m3 -9/113-
Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
25.000 ton 10.000 ton
Z.21.359105 - D.22.1572466
Te reinigen gronden en
50.000 ton
inerte stromen (inciusief
33.333 m3
50.000 ton
asbesthoudend materiaai) AEEA
Aanvoer 26 containers;
20.000 ton
afvoer 10 containers Afvaistromen t.b.v.
25.333 m3
38.000 ton
immobilisatie 77.900 ton
Afvalstromen t.b.v. recyclingactiviteiten: GFT
250 ton
15.000 ton
250 m3 Papier
500 ton
15.000 ton
1000m3 Glas
200 ton
15.000 ton
200 m3 Vlakglas
50 ton
500 ton
40 m3 Gips
25 ton
1.500 ton
40m3 B-hout
200 ton
20.000 ton
800 m3 C-hout
50 ton
4.000 ton
200 m3 Gemengd tapijt
50 ton
Autobanden
50 ton
1.000 ton
100 m3 400 ton
100 m3 Snoeialval
250 ton
1.000 ton
1000 m3 Houtsnippers
1.100 ton
3.000 ton
2750 m3 Dakleer
25 ton
1.500 ton
40 m 500 m3
10.000 ton
Bedrijfsafval
500 m3
20.000 ton
Residu grofhuishoudelijk
500 m3
10.000 ton
Bewerking van bouw- en sioopafvai
afvai (GHA) 20.000 m3
Afvaiwater derden Brongescheiden kunststoffen
6.000 ton
-10/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
42.000 ton
Z.21.359105 - D.22.1572466
fcr JL
2.400 nn3 58.000 ton 1.000 ton Nagescheiden kunststoffen I inclusief intern t.b.v. KSI 6.000 m3 --------------- -------------------------------------De bijbehorende euralcodes 'zijn te vinden in de bijlage Afvalstoffenregister van 25-07-2022 behorend bij deze aanvraag
2.2.2
Van het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid moet voor alle euralcodes in het Afvalstoffenregister de samenhang tussen de verschilende onderdelen van het A&Vbeleid (Afvalregister, beslisboom, Acceptatie-en Verwerkingsbeleid en de Niet Technische Samenvatting) worden nagegaan. Gecontroleerd moet worden of de onderdelen voor alle euralcodes een sluitend geheel vormen. Zonodig moet het A&Vbeleid worden aangevuld of gewijzigd.
2.2.3
Het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid moet met de volgende onderdelen worden a.
A&V-beleid; de aanvulling van de beschrijving onder 3.13 (Organische reststromen) zodanig dat duidelijk is dat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de vergistingsinstallatie alleen mag plaatvinden als de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton; b. A&V-beleid: de bepaling dat van AVl-bodemas alleen het residu van het ‘opwerkingsproces’ conform de bepalingen van de Green Deal mag worden gestort. Deze aanvulling en de in voorschrift 2.2.2 bedoelde aanvulling of wijziging moeten binnen een maand na inwerkingtreding van deze vergunning ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn voorgelegd;
2.2.4
Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen, moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.
2.2.5
Het A&V-beleid en de AO/IC en de doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het het bevoegd gezag ter inzage liggen.
2.2.6
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle en wijzigingen in het afvalstoffenregistermoeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden: a. de reden tot wijziging; b. de aard van de wijziging; c. de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het A&V-beleid en de AO/IC; d. de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren. Pas na beoordeling/goedkeuring van het bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd, worden.
2.3
Bedrijfsvoering 2.3.1
Binnen de inrichting mogen per kalenderjaar niet meer dan de hieronder aangegeven hoeveelheden afvalstoffen worden verwerkt. -11/113-
Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
I
Z.21.359105 - D.22.1572466
Verwerking
Maximale hoeveelheid (ton/jaar)
Afvalberqing_______ Deponie voor gevaarlijk afval Strategische aanvoer/afvoer huishoudelijk afval Afvalbunker huishoudelijk ■ afval ONF derden Organische reststromen (incl. 7.500 ton ijzerslib)________ Veegvuil, RKG-slib en grondachtige stromen Baggerslibbewerking Grondreiniging (inclusief inert) Sorteren AEEA Immobilisatie Recyclingactiviteiten_____ Bewerking bouw- en sloop afval (B&S) Bedrijfsafval Residu grof huishoudelijk afval (GHA) Afvalwater derden Kunststoffen extern t.b.v. KSI Kunststoffen Intern t.b.v. KSI
250.000 25.000 ton 10.000 ton 280.000 ton 76.000 ton 110.000 ton 25.000 ton 10.000 ton 50.000 ton 20.000 ton 38.000 ton 77.900 ton 10.000 ton 20.000 ton 10.000 ton 20.000 m^ 72.000 ton 28.000 ton
2.3.2
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkornen.
2.3.3
De opslaghoogte van het brandbaar afval en de kunststoffen in balen mag maximaal 5 meter bedragen.
2.3.4
De oppervlakte van een vak voor de opslag van brandbaar afval en kunststoffen mag niet meer dan 2500 m2 bedragen.
2.3.5
De afstand tussen de verschillende opslagvakken met brandbaar afval en kunststoffen moet minimaal 10 meter bedragen.
2.3.6
Op het terrein van de inrichting moeten opslagvoorzieningen worden aangebracht, waarin afvalstoffen tijdelijk kunnen worden opgeslagen indien nader onderzoek noodzakelijk is, alvorens overgegaan kan worden tot verwerking van deze afvalstoffen. De voorziening waarin afvalstoffen worden opgeslagen, dient te worden afgezeild of op een andere wijze doeltreffend te worden afgesloten.
2.3.7
Brandende of smeulende stoffen mogen niet tot de inrichting worden toegelaten.
2.3.8
De ten behoeve van de acceptatieprocedure te nemen monsters dienen gedurende ten minste 1 maand te worden bewaard. -12/113-
Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
2.3.9
2.4
In geval van noodsituaties of calamiteiten kan het bevoegd gezag in het belang van een milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van afvalstoffen een aanwijzing geven op grond waarvan vergunninghouder tijdelijk de in de aanwijzing aangeduide afvalstoffen moet accepteren en verwerken. De aanwijzing zal zich daarbij maximaal uitstrekken tot de afvalstoffen die ingevolge deze vergunning geaccepteerd mogen worden.
Sturing 2.4.1
Het verwerken van niet voor recycling geschikt procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen tot brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen, andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen, is niet toegestaan.
2.4.2
Gemengd bouw- en sloopafval moet ten minste in de volgende fracties (voor zover aanwezig) gescheiden worden: a. als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen in de afvalstoffenlijst bedoeld behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit lid zijn opgenomen; b. teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; c. teerhoudend asfalt; d. bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; e. niet-teerhoudend asfalt; f. vlakglas, al dan niet met kozijn; g. gipsblokken en gipsplaatmateriaal; h. dakgrind; i. armaturen; j. gasontladingslampen; k. steenachtig materiaal; l. hout, inclusief verpakkingshout (gescheiden in a-/b-hout, c-hout); m. kunststof; n. metaal; o. zeefzand.
2.4.3
Indien vergunninghouder niet alle fracties zoals genoemd in vorig voorschrift kan uitsorteren, moet de overgebleven afvalstroom afgevoerd worden naar een inrichting waar de nog niet verwijderde fracties alsnog uitgesorteerd worden. Dit moet blijken uit een schriftelijke overeenkomst met de betreffende vergunninghouder.
2.4.4
Het uitsorteren van gemengd bouw- en sloopafval moet plaatsvinden tot het moment dat verdere verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet meer mogelijk is, of de kosten voor verdere sortering hoger zijn dan in sectorplan 28 opgenomen.
2.4.5
Het resulterende sorteerresidu van bouw- en sloopafval moet nog minimaal verbrand kunnen worden in een AVI.
2 4.6
De verwerking van gemengd grof huishoudelijk afval moet worden ingericht op het zoveel mogelijk afscheiden van van monostromen die geschikt zijn voor recycling. Afvoer van deze gemengde stroom naar een laagwaardigere verwerking dan recycling zoals verbranding en stort is niet toegestaan.
-13/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
/.
2.5
Registratie 2.5.1
In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangevoerde hoeveelheid (kg); c. de naam en adres van de locatie van herkomst; d. de naam en adres van de ontdoener; e. de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen; f. de euralcode; g. het afvalstroomnummer (indien van toepassing). Ad c; Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties". Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling, moet de locatie van herkomst worden aangegeven zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief. Ad d: Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.
2.5.2
In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de venwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende worden geregistreerd; a. benaming hulpstof; b. de datum van aanvoer; c. de aangevoerde hoeveelheid; d. de naam en adres van de leverancier.
2.5.3
In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan, het volgende moet worden vermeld: a. de datum van afvoer; b. de afgevoerde hoeveelheid (kg); c. de afvoerbestemming; d. de naam en adres van de afnemer; e. de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen; f. de euralcode (indien van toepassing); g. het afvalstroomnummer (indien van toepassing).
2.5.4
In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle interne (afval)stromen binnen de inrichting het volgende moet worden vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangevoerde hoeveelheid (kg); c. de locatie van herkomst; d. de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen; e. de euralcode (indien van toepassing f. het afvalstroomnummer (indien van toepassing) g. de bestemming van de (afval)stof binnen de inrichting;
-14/113Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
2.5.5
Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd, moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangeboden hoeveelheid (kg); c. de naam en adres van plaats herkomst; d. de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd; e. de euralcode; f. het afvalstroomnummer (indien Van toepassing); g. de datum van afvoer; h. de naam en adres van plaats afvoer.
2.5.6
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt, moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
2.5.7
Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.
2.5.8
Binnen één maand na ieder kalenderjaar moet ter afsluiting van dit kalenderjaar een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het jaar aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag, in de rapportage moet het volgende worden geregistreerd: a. een omschrijving van de aard, de samenstelling en euralcode van de opgeslagen (afval)stoffen; b. de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof; c. de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd. Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) moeten in deze rapportage worden verklaard.
2.5.9
Uiterlijk 1 juli van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten: a. de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar; b. de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar; c. de verwerkte hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar; d. de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming); e. een verklaring van de verschillen in de massabalans.
2.5.10 Van afvalstoffen die binnen de stortplaats nuttig worden toegepast (waaronder materiaal voor tussenafdichting, storttaluds en steunlaag bovenafdichting) moet worden geregistreerd: - de oorsprong; - de hoeveelheid (in tonnen); -15/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
- een omschrijving van de aard en samenstelling; - de wijze waarop deze nuttig worden toegepast; - de afvalstofcode (overeenkomstig de Eural). Vergunninghouder dient uiterlijk 1 juli een rapportage over het voorgaande kalenderjaar aan het bevoegd gezag hierover te verstrekken. 2.5.11 Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijfjaar in de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven. 2.6
Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) 2.6.1
Binnen 3 maanden na inwerkingtreding van deze vergunning moet voor wat betreft de in de inrichting te accepteren categorieën afvalstoffen een plan van aanpak zijn opgesteld en ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het plan van aanpak moet door vergunninghouder zijn uitgewerkt hoe op continue basis wordt gestreefd naar het zo goed mogelijk in beeld brengen en houden van (veranderingen in) de ZZS-samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen. In het plan van aanpak moeten minimaal de volgende onderzoeksvragen per relevante (mogelijk ZZShoudende) afvalstroom per Euralcode worden beantwoord en gemotiveerd: a. Welke informatie wordt waar en met welke frequentie opgevraagd? b. Worden analyses uitgevoerd en zo ja welke, door wie en overeenkomstig welke c. Worden analyses uitgevoerd en zo ja welke, door wie en overeenkomstig welke normering? d. Hoe en hoe vaak wordt gecontroleerd of de informatie nog actueel is? e. Welke informatie kan niet in beeld worden gebracht, wat zijn daar de oorzaken van en welke actie onderneemt vergunninghouder daarop? Het door het bevoegd gezag goedgekeurde plan van aanpak moet worden uitgevoerd.
3
2.6.2
Op basis van de inzichten die (zijn) ontstaan door uitvoering te geven aan voorschrift 2 6.1, moet vergunninghouder op basis van zijn A&V-AO/IC komen tot een jaarlijkse toetsing van zijn A&V-beleid en moet hij zich er daarbij van vergewissen dat dit niet strijdig is met: - geldende wet-en regelgeving; - de minimumstandaerd als verwoord in de toepasselijke sectorplannen van het LAP3.
2.6.3
Indien het technisch en economisch mogelijk is (al dan niet door derden) om de in een geaccepteerde partij afvalstoffen aanwezige ZZS hieruit te vernietigen of af te scheiden en de afvalstof dan zonder ZZS of met een heel laag gehalte ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten, is het mengen van deze ZZS-houdende partij afvalstoffen zonder deze reinigingsstap (al dan niet door derden) niet toegestaan.
ENERGIE 3.1.1
Vergunninghouder dient uiterlijk 31 december 2024 en ven/olgens elke vier jaar vóór 31 december de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten: -16/113-
Kenmerk: 2021-FUMO-0055029 .
Z.21.359105 - D.22.1572466
wlS;
a.
een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (per bedrijfsonderdeel): b. een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van de totale inrichting, met daarin: 1. het energieverbruik van de hele inrichting, waarvan ten minste 90% is toebedeeld aan individuele installaties en {deelprocessen: 2. de uitgaande energiestromen, waarbij ten minste 90% van de uitgaande hoeveelheid energie wordt benoemd. Per energiestroom wordt het vermogen, temperatuurniveau en het medium aangegeven: 3. een overzicht van intern hergebruikte energiestromen, waarbij ten miste 90% van de hergebruikte energie wordt benoemd: c. voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deeljprocessen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd. Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling , milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk Is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen.
Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is: d.
e.
f.
een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing: een energie-uitvoeringsplan waarin het volgende is opgenomen: 1. een omschrijving van de maatregel, waaruit blijkt wat de maatregel inhoudt en in welk deel van de inrichting deze wordt toegepast: 2. voor alle rendabele maatregelen en mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud), wanneer die zullen worden getroffen: 3. als er rendabele maatregelen niet worden uitgevoerd, een motivering waarom dit niet gebeurt: de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden. Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.
Toelichting bij het energieonderzoek: Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de EED en/of andere energie-rapportages. Met uw deelname of betrokkenheid bij dergelijke initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid, kan vergunninghouder mogelijk deels invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek. 3.1.2
De vergunninghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 3.1.1. genoemde vierjaarlijkse datum bij het bevoegde gezag indienen.
3.1.3
Als de installaties niet zijn gewijzigd, kan voor de actualisatie van het energieonderzoek volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c. tot en met f. uit het -17/113-
Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
energieonderzoek als bedoeld in voorschrift 3.1.1. 3.1.4
Indien uit het energieonderzoek blijkt dat er geen rendabele maatregelen zijn te treffen, dan vervalt de verplichting voor het aanwezig hebben van een energie-uitvoeringsplan voor de betreffende vierjaarlijkse onderzoeksperiode van het energieonderzoek.
3.1.5
Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door alle rendabele maatregelen en organisatorische en good housekeeping maatregelen die leiden tot energiebesparing uit het energie-uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het plan is aangegeven.
3.1.6
Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.
3.1.7
Binnen de inrichting moet het energieonderzoek met het energie-uitvoeringsplan aanwezig zijn voor het uitvoeren van de in de bovenstaande voorschriften genoemde energiemaatregelen.
3.1.8
Vergunninghouder registreert de voortgang van de uitvoering van de maatregelen uit het energie-uitvoeringsplan. Deze registratie is op verzoek beschikbaar voor het het bevoegd gezag.
3.1.9
Vergunninghouder moet met ingang van 2023 jaarlijks, voor 1 februari, aan het bevoegd gezag rapporteren over ontwikkelingen op energiegebied binnen de inrichting. Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten: a. een energiebalans van de inrichting van het voorgaande kalenderjaar, met daarin zowel de ingekochte hoeveelheden energie per energiedrager, de hergebruikte hoeveelheden energie als de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus; b. energiemaatregelen die in het kader van het energie-uitvoeringsplan zijn genomen, c. (indien van toepassing) wijzigingen in de tijdsplanning van de activiteiten uit het energie-uitvoeringsplan. vergezeld van motivering: d. (indien van toepassing) vervanging van maatregelen door een gelijkwaardige energiebesparende maatregel, vergezeld van motivering: e. (indien van toepassing) de energierelevante investeringsbeslissingen zoals bedoeld in voorschrift 3.1.10, vergezeld van motivering.
3.1.10 Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 3.1.9.
-18/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
i
4
GELUID EN TRILLINGEN
4.1
Representatieve bedrijfssituatie 4.1.1
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, LAr,LT, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Beoordelingspunt en omschrijving
Rijksdriehoekscoördinaten x;y
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr.LT
in dB(A) Nacht Avond Dag 23.00 -07.00 19.00 07.00 uur 23.00 uur 19.00 uur 35 37 48 187199,77; 554752,79 VP1 De Dolten 8 28 29 46 187356,07; 554115,99 VP2 De Dolten 9 32 33 43 VP3 Welleweg 14 188012,57; 555325,29 27 27 46 VP5 laad- en loskade 188587,97; 554661,89 29 --------------30 iVP6 kanaal NO | 188513,17; 555386,59 39 De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten . De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter. 4.1.2
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Maximale geluidsniveau La max in dB(A) Nacht Avond Dag 23.00 -07.00 19.0007.00 uur 23.00 uur 19.00 uur 51 53 56 187199,77; 554752,79 VPI De Dolten 8 42 42 49 187356,07; 554115,99 VP2 De Dolten 9______ _______ _____________________ VP3 Welleweg 14 | 188012,57; 555325,29 49 41 | 41 _ De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten . De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter. Beoordelingspunt en omschrijving
4.2
Rijksdriehoekscoördinaten x;y
Diversen geluid 4.2.1
De puinbreker en de houtshredder mogen niet tegelijkertijd in werking zijn. De dagen en tijden dat de puinbreker en de houtshredder in werking zijn, moeten worden geregistreerd.
4.2.2
Bij het achteruitrijden van vrachtwagens en shovels op het terrein tussen 22.00 uur en 6.00 uur wordt niet met piepjes gewerkt, maar met flikkerlichten.
423
Bij het overslaan/verplaatsen van glas, grind en/of granulaat in de open lucht mag de hoogte van de vrije val van het materiaal maximaal 1 meter bedragen. -19/113-
Kenmerk; 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
4.2.4
5
Er moet een werkinstructie aanwezig zijn binnen de inrichting om de piekgeluiden (lAmax) in de avond en nacht onder controle te houden. Deze werkinstructie moet eenmaal in de twee maanden onder de aandacht worden gebracht bij personeel/chauffeurs van de vergunninghouder middels een briefing (mondeling).
GEUR
5.1
Algemeen 5.1.1
Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking onder optimale condities in bedrijf worden gehouden. De voorzieningen moeten ten minste jaarlijks of. zo vaak als nodig is, volgens een geurbeheerplan worden onderhouden en geïnspecteerd. Het geurfilter of geurfiltermateriaal in de voorziening moet zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd.
5.1.2
Voor borging van de goede werking van de toegepaste geurreducerende voorzieningen zijn instructies en procedures beschikbaar, die de uitvoering van inspectie en onderhoud van deze installaties beschrijven. Deze instructies en procedures dienen aan te geven; hoe het onderhoud wordt uitgevoerd (manier en frequentie) en hoe controle, onderhoud en vervanging wordt geborgd; hoe het onderhoud wordt geregistreerd (o.a. standtijd, storingen); hoe hiermee preventief onderhoud wordt bevorderd; op welke wijze de emissie zo laag mogelijk wordt gehouden in gevallen dat de nageschakelde emissiebeperkende technieken worden gerepareerd, onderhouden of vervangen; hoe de periodieke monitoring van de werking van bedoelde voorzieningen wordt uitgevoerd en geregistreerd; welke meetfrequentie en meettechniek worden toegepast (monitoring) om de werking van desbetreffende voorzieningen te controleren.
5.1.3
De vergunninghouder dient te handelen in overeenstemming met de in voorschrift 5.1.2 bedoelde instructies en procedures.
5.1.4
Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor de toezichthouder ter inzage beschikbaar moet zijn.
5.1.5
Vergunninghouder moet uiterlijk binnen 12 maanden na het in werking treden van deze vergunning een geurbeheersplan ter goedkeuring indienen bij het bevoegd gezag. In het geurbeheersplan dient te zijn opgenomen; een protocol met acties en termijnen voor onderhoud en inspectie van de geurreducerende voorzieningen; een protocol voor de monitoring van geur. De monitoringsfrequentie voor geleide emissies naar lucht is daarbij gebaseerd op BBT-conclusie 8 van de BREF afvalbehandeling. Dit kan worden aangevuld met de meting/schatting van de blootstelling aan geur of de schatting van de geuroverlast; een protocol voor de reactie op geconstateerde geurincidenten, bijv. klachten; een programma ter voorkoming en beperking van geuren, ontworpen om; o de bronnen te bepalen; o om de blootstelling aan de geur te meten/schatten; o om de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en o om preventieve en/of beperkende maatregelen uit te voeren.
-20/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
i
5.2
5.1.6
Relevante wijzigingen in het geurbeheersplan moeten schriftelijk ter goedkeuring aan het het bevoegd gezag worden voorgelegd.
5.1.7
Tot het moment dat vergunninghouder beschikt over een goedgekeurd geurbeheersplan dient er op de volgende manier gehandeld te worden: Bij aanhoudende geurhinder en/of het slecht functioneren van installaties die gevolgen hebben op de geuremissie, moet onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid tot het treffen van (aanvullende) maatregelen. Voor zover relevant; moet inspectie en onderhoud aan de installaties worden uitgevoerd; moeten maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van diffuse emissies; moeten incidentele geurpieken worden beperkt (bijvoorbeeld tot bepaalde tijdstippen) en; moeten aanvullende geurmetingen worden uitgevoerd om de situatie in kaart te brengen en het effect van aanvullende maatregelen inzichtelijk te maken.
5.1.8
Ter voorkoming van diffuse emissie dienen de deuren van de scheidingshal, DANO-hal de rekashal, de ONF-opslag, de VWl-hal en de KSI-hal voortdurend gesloten te zijn. behalve in geval van het doorlaten van personen of goederen. De werking van dit deurenregime dient zo vaak als nodig en ten minste dagelijks te worden gecontroleerd.
5.1.9
Balen met brandbaar afval (RDF) en kunststoffen zijn luchtdicht in plastic verpakt.
Geuremissienormen 5.2.1
De geuremissies in Europese geureenheden (oue) uit de volgende bronnen mogen per bron de waarden uit onderstaande tabel niet overschrijden: Nr. (geurbron)
Geurbron
Geuremissie tin MouE/h)
Oppervlaktebronnen 13
stortfront - stortfront afgedekt
4
werken in stort
2
188
veegvuil/kolkenslib_________
1
3,2
stortplaats voor gevaarlijk afval
3
2,0
diffuse emissie KSI (west)
5
2,8
diffuse emissie KSi (oost)
6
2.8
nieuwe locatie veegvuil/kolkenslib
7
3.2
oude awzi
1
nieuwe awzi storten baggerslib
2
1.2 0,4
3
7
stortbunker halafeuiging 1 bestaande scheidingshal
4
92
5
7,5
bestaande scheidingshal diffuus
6
17
recyclinghal
7
36,8
ONF-buffer/hal
8
20
biofilter diqestaatbewerkingszeef
9 10
53
Puntbronnen
-21/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
2,8
Z.21.359105 - D.22.1572466
■m
»■
W\
13 14 15 16 17 18 19
8
20
2,3
21
2,3
DANO-scheidingshal ongereinigd diffuus via
22
2,3
deuren (oost) DANO-scheidingshal gereinigd via afvoer 2
23
2,3
halafzuiging 2 bestaande scheidingshal (rekas)
24
7,5
WVI hal deuren inpandig lossen van ONF derden laden gft lossen gft shredderen grof huishoudelijk afval spirofloor halafeuiging KSI_______________ • DANO-scheidingshal gereinigd via afvoer 1 DANO-scheidingshal ongereinigd diffuus via
15,8 22 22 27,5 30 2,8
deuren (west)_______ __ _____________
5.3
Metingen en rapportage
5.3.1
Eenmaal per drie jaar moet vergunninghouder, door middel van geurmetingen, controleren dat de geuremmissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden.
5.3.2
Voor het uitvoeren van deze metingen moet een meetprogramma worden opgesteld. Het meetprogramma moet ten minste bevatten: - de uit te voeren metingen: de geplande meetperiode; - de monsternametechniek(en); - het aantal metingen en de meetplaatsen; - de bedrijfsomstandigheden waarbij wordt gemeten. Het meetprogramma moet voorafgaand aan de uitvoering de goedkeuring van het bevoegd gezag hebben. Op grond van een bijgeleverde motivering kan het bevoegd gezag besluiten tot een vermindering van het aantal bronnen dat wordt gemeten.
5.3.3
Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065 en de geldende norm (NEN-EN 13725). De resultaten van de metingen (en berekeningen) moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065 in Europese geureenheden (oue). . Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het het bevoegd gezag. Het het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.
5.3.4
De in voorschrift 0 bedoelde emissiepunten moeten goed en veilig bereikbbaar zijn. Zonodig moeten permanent aangebrachte voorzieningen zoals trappen, kooiladders en bordessen zijn aangebracht die het verrichten van metingen en het nemen van monsters mogelijk maken.
5.3.5
Meetpunten moeten uitgevoerd zijn overeenkomstig NEN-EN 15259.
-22/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
6
LUCHT
6.1
Emissies van stoffen uit puntbronnen 6.1.1
De emissies uit de volgende bronnen mogen per puntbron de waarden uit onderstaande tabel niet overschrijden: Emissieconcentratie
Bron
Stof
Windshifter met luchtfilter
Stof (PMio)
5
Luchtfilter SBI
stof (PMio)
5
Luchtfilter Dano-hal
stof (PM 1 o)
5
(mq/Nm^)_________
6.1.2
De concentratie van de componenten genoemd in het voorgaande voorschrift moet éénmaal per 6 maanden of volgens de in het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde controleplan vastgestelde meetfrequentie worden vastgesteld. Uiterlijk drie maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen en de emissierelevante parameters (ERP’s) van de puntbronnen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag. De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage 2 “Luchtmetingen”.
6.1.3
De stofreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en ten minste eens per half jaar of zo vaak als nodig is volgens het controleplan worden onderhouden en geïnspecteerd. Het filter of filtermateriaal in de voorziening moet zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd.
6.1.4
Voor borging van de goede werking van de toegepaste stofreducerende voorzieningen zijn instructies en procedures beschikbaar, die de uitvoering van inspectie en onderhoud van deze installaties beschrijven. Deze instructies en procedures zijn vastgelegd in het controleplan. Vergunninghouder moet binnen 6 maanden na het in werking treden van deze vergunning het controleplan ter goedkeuring indienen bij het bevoegd gezag. Het controleplan moet ten minste aangeven: o hoe het onderhoud wordt uitgevoerd (manier en frequentie) en hoe de controle (Emissie-relevante parameters (ERP’s) in relatie tot standtijd), het onderhoud en de vervanging worden geborgd; o hoe het onderhoud wordt geregistreerd (o.a.
standtijd, ERP’s, storingen); o de actie bij het over- en onderschrijden van de vastgestelde grenswaarde voor de ERP; o hoe hiermee preventief onderhoud wordt bevorderd; ■ o op welke wijze de emissie zo laag mogelijk wordt gehouden in gevallen dat de nageschakelde emissiebeperkende technieken worden gerepareerd, onderhouden of vervangen; o hoe de periodieke monitoring van de werking van bedoelde voorzieningen wordt uitgevoerd en geregistreerd (over- en onderschrijden van de vastgestelde grenswaarde voor de ERP’s); o welke meetfrequentie en meettechniek wordt toegepast (monitoring, zie BBTconclusie 8 van de BREF Afvalbehandeling) om de werking van desbetreffende voorzieningen te controleren.
-23/113Kenmerk: 2021-FUMO-0055029
Z.21.359105 - D.22.1572466
6.2
6.3
6.1.5
Relevante wijzigingen in het controleplan moeten schriftelijk ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.
6.1.6
De vergunninghouder dient te handelen in overeenstemming met de op basis van.de instructies en procedures uit het controleplan waarvoor het bevoegd gezag schriftelijk goedkeuring heeft verleend.
6.1.7
Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor het bevoegd gezag ter inzage beschikbaar moet zijn.