CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

1.1 Bijlage 1 Voorstel-nota zienswijzen KNO inclusief bijlagen

Raadsvergadering 13 oktober 2022, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Bestemmingsplannen Klaverblad Noordoost en Deprogrammering IBF en Beeldkwaliteitsplan Klaverblad Noordoost35.677 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Definitie stikstofdepositie: Het neerslaan van stikstof uit de lucht op een oppervlakte; de depositie wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar (mol/ha/jaar). Definitie Natura 2000-gebied: Een natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het Europese netwerk van natuurgebieden ‘Natura 2000’. Hierbij kan worden opgemerkt dat met het opnemen van deze stikstofregeling het plan niet wezenlijk wordt gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Feit blijft dat elke vergunningverlening voor bedrijfsvestiging of uitbreiding moet voldoen aan de Wet natuurbescherming en daarmee verplicht is om aan de hand van een stikstofberekening aan te tonen dat geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden optreden. Door deze wettelijk verplichting ook in het bestemmingsplan op te nemen, wordt dit extra geborgd. Het bestemmingsplan is met deze regel in onze ogen nog steeds uitvoerbaar. Er is veel beleid en wetgeving op het gebied van energiezuinigheid van bedrijfsgebouwen en bedrijfsprocessen en schone industrie, waarmee stikstofdepositie maar ook CO2 uitstoot moet afnemen (zoals in het Klimaatakkoord).

Conclusie Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. Aan de regels van het bestemmingsplan wordt een regel toegevoegd dat voorkomt dat bedrijfsactiviteiten leiden tot stikstofdepositie op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.

46

Zienswijze 19 Indiener onderschrijft de zienswijze die Plaatselijk Belang Oud Aengwirden heeft ingediend en heeft daarbij nog de volgende toevoeging.

1. Indiener maakt zich zorgen over hittestress op het bedrijventerrein als gevolg van uit overmatige hoeveelheid aan verstening door gebouwen en bestratingen en weinig groen. Indiener geeft aan dat deze hittestress zoveel mogelijk beperkt dient te worden. Hierbij noemt indiener dat het hierbij niet alleen gaat om gasloos bouwen en zonnepanelen op de daken van de bedrijfsgebouwen, maar ook om het minimaliseren van de toename van verharding. Indiener geeft aan dat op plaatsen waar dit niet kan, bijvoorbeeld parkeerplaatsen op de bedrijvenkavels, deze overkapt moeten worden met groene daken of daken van zonnepanelen. Op bedrijfsgebouwen waar geen zonnepanelen komen zouden deze vooral uit groene daken moeten bestaan.

Reactie ad. 1 In het Masterplan Klaverblad Noordoost, vastgesteld in september 2019, hebben wij opgenomen voor bedrijven: om hittestress te voorkomen, worden bedrijven aangemoedigd gebruik te maken van groene gevels of groenstructuren om de bebouwing of op het bedrijventerrein. Hier ligt een expliciete link met biodiversiteit in het hele gebied. Voor de bedrijfskavels zelf hebben we in het Beeldkwaliteitsplan een maximaal verhardingspercentage opgenomen van 80%, voor het onbebouwde deel van de kavel. De overige 20% bestaat uit groen of eventueel een half verharding. Met onder meer de handreikingen in het beeldkwaliteitsplan wordt een zo groen en duurzaam mogelijke inpassing van de bedrijfskavels gestimuleerd. Door in een vroeg stadium met potentiële bedrijven in gesprek te gaan kan dit worden meegenomen in het totale ontwerp van de kavels. Daarnaast worden de ‘kamers’ op het bedrijventerrein omringd worden door brede groenstroken en ook het omliggende gebied is vrijwel volledig onverhard. Het voorkomen van hittestress is hiermee naar onze mening voldoende geborgd.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijze 20 - Vogelwacht Tjalleberd Indiener noemt het plangebied een van oudsher een rijk weidevogelgebied, en maakt zich zorgen dat met het voorliggende bestemmingsplan de gemeente definitief een streep zet door de aanwezigheid van weidevogels in het gebied. Ook is indiener van mening dat in de ecologische onderbouwing als onderdeel van de MER, waarin binnen het gebied diverse biotopen worden onderscheiden, de meest voorkomende weidevogelbiotoop als kansloos ter zijde is geschoven.

1. Indiener is van mening dat er onvoldoende op kansen wordt ingegaan t.a.v. het behoud van weidevogelbiotoop. Indiener is van mening dat er een meer weidevogelvriendelijke invulling van het gebied zou moeten komen, en noemt de volgende alternatieven: 

De beplanting die is en wordt aangebracht ter onttrekking van het zicht op bebouwing, zou bijvoorbeeld dichter op betreffende bebouwing kunnen worden aangebracht om de openheid van het gebied te bevorderen.

47

Om het ‘restgebied’, het meest westelijke deel van het plangebied waar nu veel vogels nestelen te vergroten, zou er voor kunnen worden gekozen om de daar voorziene zonnepanelen (25% van het totaal) op de daken van de te realiseren gebouwen te leggen. Aan de totale capaciteit wordt zo niet getornd en betreffende gebouwen maken direct gebruik van de opgewekte energie. De bestemde natuurinclusieve landbouw welke een prominente plaats inneemt in het plan, kan door gerichte aanpassingen juist een versterkende functie hebben op de weidevogelbiotoop.

2. Indiener is van mening dat er geen rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de weidevogels in het gebied ten noorden van KNO. Indiener benoemt dat op instigatie van de vogelwachten daarom in opdracht van de gemeente in de maand mei 2022 een aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek concludeert Onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga (A&W) dat de huidige planvorming tot een grote verstoring van dit gebied zal leiden. En dat de weidevogels uiteindelijk uit het gebied zullen verdwijnen. Om te komen tot behoud van dit gebied voor de weidevogels zouden de volgende alternatieven kunnen worden overwogen: 

In planfase 2 wordt de te bebouwen zone opgeschoven in noordelijke richting tot op de grens van het gebied. Door de noordelijke grens gelijk te trekken met die van fase 1 zal er minder verstoring ontstaan in het noordelijk gelegen gebied. Dit zou kunnen door de nu geprojecteerde bebouwing in oost-west richting te projecteren i.p.v. in noord-zuid richting. Door de in de bufferzone (tussen geprojecteerde bebouwing en Binnendijksche Hoofdvaart) geplande groenstroken in oost-west richting te plaatsen i.p.v. in noord-zuid richting, zal er minder verstoring ontstaan in het noordelijk gelegen gebied. Door de eerder genoemde verplaatsing van bestaande groenstroken grenzend aan het plangebied zou een mooie verbinding gemaakt kunnen worden tussen de twee gebieden. Waardoor de leefbaarheid van het weidevogelgebied behouden blijft.

3. In het aanvullend onderzoek van A&W wordt gesteld dat de nu in het gebied aanwezige weidevogels waarschijnlijk zullen migreren naar nabijgelegen gebieden. Er is tot op heden echter weinig onderzoek gedaan naar dit soort bewegingen. Recent onderzoek door de BFVW toont aan dat bij ingrepen in weidevogelgebied naar verloop van tijd in een grotere omtrek minder weidevogels aanwezig zijn.

4. In het aanvullend onderzoek van A&W wordt naar onze mening ten onrechte uitgegaan van het feit dat het gebied qua vogeldichtheid zich niet kwalificeert als weidevogelkansengebied. De vier hoofdsoorten (kievit, grutto, tureluur en scholekster) zijn nog aanwezig in het gebied en recente tellingen wijzen uit dat aan betreffende aantalscriteria wordt voldaan. Obstakel om door de provincie als officieel weidevogelkansengebied te worden aangemerkt vormt de aan het gebied grenzende A7. Alleen hierdoor komt het gebied niet in aanmerking voor een beschermende status. Terwijl de vogels in de praktijk broeden tot in de nabijheid van deze snelweg.

5. Indien de gemeente niet bereid of in staat is om de negatieve gevolgen voor de weidevogels te beperken gaat indiener ervan uit dat de gemeente bereid is om over te gaan tot compensatie van het verlies aan weidevogelbiotoop. De gemeente zou daarbij in samenspraak met de provincie kunnen overgaan tot het beschikbaar stellen van financiële middelen die het mogelijk moeten maken om de 48

boeren in het gebied ten noorden van het plangebied te compenseren voor door hen te treffen beheermaatregelen ten bate van de weidevogels.

6. Indiener geeft aan graag een positief vervolg wil geven aan de samenwerking met de gemeente Heerenveen tot nu toe. Alleen samen kunnen we tot succes komen in ons aller streven naar behoud van ‘onze’ weidevogels en daarmee biodiversiteit. Wij hopen dat de gemeente Heerenveen haar nek wil uitsteken en die uitdaging met ons wil aangaan. En zo samen een voorbeeld wil stellen voor soortgelijke casussen in Friesland en Nederland!

Reactie ad. 1 Wij reageren per alternatief met onze overweging: 

De beplanting die is en wordt aangebracht ter onttrekking van het zicht op bebouwing, zou bijvoorbeeld dichter op betreffende bebouwing kunnen worden aangebracht om de openheid van het gebied te bevorderen. Reactie gemeente: wij begrijpen het punt van de Vogelwacht en zijn hier in het verleden deels in meegegaan. De opgaande groenstroken die onderdeel zijn van het inrichtingsplan, worden zo dicht mogelijk bij de bedrijfsgebouwen geplaatst. Ander groen, zoals rondom het zonnepark en de noord-zuid gelegen groenstrook in het midden van het gebied, zijn plas-dras zones met weinig tot geen opgaande beplanting. In het schetsontwerp was deze zone nog als bosstrook ingetekend, en later in het ontwerp gewijzigd om meer openheid te creëren. De bestaande groenstroken blijven staan omdat deze een aantal jaren geleden zijn aangeplant om het zicht op IBF vanaf De Streek te ontnemen. Het (steeds grotere) effect van afscherming dat deze groenstroken inmiddels hebben bereikt zou weer teniet worden gedaan, wanneer deze nu worden verwijderd. Uitgangspunt voor het plan is steeds geweest om deze groenstroken, die destijds in nauwe samenspraak met De Streek tot stand zijn gekomen, in het plan te handhaven. Ook in de uitkomst van de Sinnetafels was het creëren van een groene buffer aan de noordzijde van het plangebied juist een belangrijk uitgangspunt.

Deze groenstroken dichter naar het IBF terrein verplaatsen, zou betekenen dat deze meer naar het zuiden geplaatst zouden moeten worden. Naast dat dit niet aan zou sluiten bij het landschap, zijn er ook andere bezwaren: ten noorden van het zonnepark is niet mogelijk in verband de hoogspanningslijn, ten zuiden van het zonnepark is niet mogelijk vanwege de reserveringszone voor de Lelylijn en ten zuiden van de A7 is niet mogelijk vanwege de beperkte ruimte en de zichtlocaties van de bedrijven. Daarbij speelt ook mee, dat hoe dichter de groenstrook bij de bedrijfsbebouwing staat, hoe hoger deze moet zijn om het zicht te ontnemen. Juist de bestaande stroken langs de Binnendijkse Hoofdvaart, helpen ook in de afscherming van het nieuwe bedrijventerrein. Om het ‘restgebied’, het meest westelijke deel van het plangebied waar nu veel vogels nestelen te vergroten, zou er voor kunnen worden gekozen om de daar voorziene zonnepanelen (25% van het totaal) op de daken van de te realiseren gebouwen te leggen. Aan de totale capaciteit wordt zo niet getornd en betreffende gebouwen maken direct gebruik van de opgewekte energie. Reactie gemeente: In het MER is, behalve de variant van het zonnepark verdeeld over vier velden, ook een compactere variant van het zonnepark mét zon op dak, onderzocht.

Hoewel deze variant inderdaad voordelen heeft voor behoud van het open landschap, heeft de gemeente ervoor gekozen om toch uit te blijven gaan van het zonnepark zoals nu 49

opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Reden hiervoor is dat, naast dit zonnepark, de mogelijkheid blijft bestaan om aanvullend op het bedrijventerrein energie op te wekken met zon, waardoor de totale opwek binnen KNO nog groter wordt. Daarnaast is het zo dat de aansluiting van het zonnepark op het netwerk is gereserveerd. Wanneer we een deel van het zonnepark niet op land realiseren maar, op langere termijn, op daken, dan is de netcapaciteit niet gegarandeerd. De bestemde natuurinclusieve landbouw welke een prominente plaats inneemt in het plan, kan door gerichte aanpassingen juist een versterkende functie hebben op de weidevogelbiotoop. Reactie gemeente: Hier zijn wij het mee eens. We hebben de pachtvoorwaarden inmiddels verder uitgewerkt (zie onze reactie op zienswijze 8, ad. 1) en hopen hiermee een verdere bijdrage aan de biodiversiteit te bereiken.

Reactie ad. 2 Wij reageren per alternatief met onze overweging: 

In planfase 2 wordt de te bebouwen zone opgeschoven in noordelijke richting tot op de grens van het gebied. Door de noordelijke grens gelijk te trekken met die van fase 1 zal er minder verstoring ontstaan in het noordelijk gelegen gebied. Dit zou kunnen door de nu geprojecteerde bebouwing in oost-west richting te projecteren i.p.v. in noord-zuid richting. Reactie gemeente: Hier is niet voor gekozen omdat het uitgangspunt in het schetsontwerp is geweest om met name aan de westzijde van het gebied de openheid zoveel mogelijk te handhaven. Door het bedrijventerrein aan de noordzijde kleiner te maken, zou het bedrijventerrein aan de westzijde groter moeten worden, wat ten koste gaat van de openheid aan de westzijde. Dit strookt ook niet met de landschappelijke noord-zuid richting die hier kenmerkend is. Een zoveel mogelijk noord-zuid gerichte ontwikkeling is daarom uitgangspunt. Fase 1 loopt aan de noordzijde niet door tot aan de Binnendijksche Hoofdvaart, om voldoende afstand tussen bedrijventerrein en dichtstbij gelegen woningen te houden. Bovendien is hier een deel natuurinclusieve landbouw gesitueerd, dat geschikt is voor pachters aan de oostzijde van het gebied. Het bestemmingsplan regelt primair fase 1 bij recht. Omdat deze omvang in eerste instantie beperkt is tot 10 hectare, is het gegeven dat het terrein hiermee wat meer naar het westen opschuift acceptabel.

Bij een eventuele ontwikkeling van fase 2 is een efficiënt ruimtegebruik gewenst tussen hoogspanningsmasten en de noordrand van het plangebied, om niet onnodig naar het westen op te schuiven. De ruimtelijke opzet van het plan is als geheel zodanig dat dit zoveel mogelijk inspeelt op de verschillende belangen die een rol spelen. Rondom fase 1 en 2 is een balans gecreëerd tussen een compact bedrijventerrein, ruimte voor landbouw, ook aan de oostzijde van het gebied, en afstand tot woningen. Daarbij is met name ingezet op het openhouden van de westzijde van het plangebied. Door de in de bufferzone (tussen geprojecteerde bebouwing en Binnendijksche Hoofdvaart) geplande groenstroken in oost-west richting te plaatsen i.p.v. in noord-zuid richting, zal er minder verstoring ontstaan in het noordelijk gelegen gebied. Reactie gemeente: de noord-zuid richting is kenmerkend voor dit gebied. De groenstroken in deze richting zorgen samen met de andere stroken (de strook direct ten noorden van de bedrijven ligt overigens al in oostwestrichting) voor een samenhangend geheel met onder meer een toegevoegde waarde voor biotopen anders dan die voor de weidevogels. Hier is in het plan bewust voor gekozen. De ruimtelijke opzet van het plan is als geheel zodanig dat dit 50

zoveel mogelijk inspeelt op de verschillende belangen die een rol spelen. Wat biodiversiteit betreft, is zoveel mogelijk ingespeeld op kansen die er in het gebied zijn voor bestaande, kansrijke biotopen. Door de eerder genoemde verplaatsing van bestaande groenstroken grenzend aan het plangebied zou een mooie verbinding gemaakt kunnen worden tussen de twee gebieden. Waardoor de leefbaarheid van het weidevogelgebied behouden blijft. Reactie gemeente: In onze reactie op ad. 1 gaan wij in op de reden dat de bestaande groenstroken zijn geplaatst en waarom op deze locatie. Verplaatsing is wat ons betreft daarom geen optie. Verder blijkt uit het rapport van A&W dat de verstoring in het gebied al behoorlijk is, en dat bijvoorbeeld de aan te leggen wandelroutes en fietspaden in het gebied, dat al verstoord is, ook een verstorende factor zou zijn. Het verplaatsen van de groenstroken zou daarom in onze ogen pas iets bijdragen, wanneer we ook deze activiteiten uit het plan zouden halen. Wij kiezen er in dit geval voor de wens van recreatieve routes én het behoud van de huidige groenstroken om IBF af te schermen, te volgen.

Reactie ad. 3 Het klopt dat er weinig onderzoek beschikbaar is over migratie door in het gebied aanwezige soorten. Op basis van het aanvullend onderzoek van A&W gaan wij er vanuit dat de nu in het gebied aanwezige weidevogels waarschijnlijk zullen migreren naar nabijgelegen gebieden (zie ook onze reactie op zienswijze 6, ad. 1). We zijn ons ervan bewust dat er gevolgen zullen zijn voor de weidevogels maar zijn ook van mening dat het plan op andere punten juist bijdraagt aan de biodiversiteit in het gebied. Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om, na afweging van alle betrokken belangen, een standpunt in te nemen over de aanvaardbaarheid van deze ruimtelijke ontwikkeling in het gebied.

Reactie ad. 4 De gemeente Heerenveen gaat niet over de aanwijzing of kwalificering van weidevogelkansengebied en dit is ook geen onderdeel van het ontwerp bestemmingsplan.

Reactie ad. 5 Wij gaan graag in overleg om de mogelijkheden te onderzoeken.

Reactie ad. 6 Wij onderschrijven deze conclusie van harte en waarderen het meedenken en het samenwerken met de Vogelwacht in deze gebiedsontwikkeling.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijze 21 en 22 (inhoud zienswijze identiek) 1. Het uiteindelijk te realiseren plan moet zowel het economische klimaat en de ambities van de gemeente alsook het woon- en werkgenot van de bewoners van de dorpen rondom KNO versterken. Om bovengenoemde uitgangspunten te kunnen realiseren moet volgens indiener in het plan geborgd zijn dat ruimte wordt geboden aan bedrijven die zowel het economische klimaat versterken én circulaire bedrijfsvoering bedrijven én niet tot overlast zijn van de omwonenden én maatschappelijk bij de dorpen betrokken zijn. 51

2. Indiener geeft aan dat er moet worden voorkomen dat er uitzonderingen worden gemaakt om de maximale bouwhoogtes te overschrijden, en is van mening dat er in het plan een bepaling moet worden opgenomen dat de maximale bouwhoogte nimmer mag worden overschreden.

3. In het plan zijn handreikingen met accent op duurzaamheid gedaan aan de toekomstige bedrijven. Indiener is van mening dat om te borgen dat er wordt voldaan aan de ambitie van de gemeente om te streven naar een volledige circulaire economie, deze vrijblijvende handreikingen moeten worden omschreven naar verplichte criteria in het plan.

4. Volgens indiener is met de beoogde milieucategorie 4.2 er een zeer reële kans op overlast m.b.t. geur, geluid en (fijn)stof ongeacht de gestelde richtafstand van 300m. Volgens indiener zijn enkele bedrijfstypes opgenomen in de Bedrijvenlijst Klaverblad Noordoost die in staat zijn om dergelijke overlast te creëren door processen waarbij geur, stof en geluid vrijkomt. Indiener is van mening dat in het plan onvoldoende borging is opgenomen om te voorkomen dat dit type bedrijven zich vestigen en/of maatregelen kunnen worden opgelegd om overlast te voorkomen. Als alternatief noemt indiener een lagere milieucategorie met aanvullende specifieke criteria (opgesteld door een gebiedscommissie) waaraan het bedrijf moet voldoen. Volgens indiener dienen bedrijven waarvan duidelijk is dat deze grote uitstoters zijn van geur, geluid en (fijn)stof bij voorbaat te worden uitgesloten. Volgens indiener moet voor het KNO gebied, haar activiteiten en toezicht op onderhoud een gebalanceerde gebiedscommissie worden samengesteld dat meebeslist in besluiten en uitgifte over het gebied.

5. Volgens indiener kan de maatschappelijke betrokkenheid van de te vestigen bedrijven worden gewaarborgd door vast te leggen dat deze jaarlijks een financiële bijdrage moeten leveren in een gebiedsfonds welke ten goede komt voor maatschappelijke doeleinden in de aangrenzende dorpen.

Reactie ad. 1 Wij zijn het eens met de meeste punten die indiener hier aandient. In het bestemmingsplan worden zoveel mogelijk keuzes die ruimtelijk relevant zijn, vastgelegd, met name in de bedrijvenlijst. De uitwerking van het vestigingsbeleid vindt plaats in het op te stellen acquisitieplan. Hierin staat waar de gemeente op focust bij bedrijven en welke selectiecriteria bij de uitgifte van kavels van belang zijn. De criteria gaan onder andere in op duurzaamheid en circulariteit.

Reactie ad. 2 Zie onze reactie op zienswijze 17, ad. 2.

Reactie ad. 3 In het bestemmingsplan is vastgelegd welk type bedrijven zich mogen vestigen en dat de bedrijfsgebouwen gasloos moeten zijn. Andere duurzaamheidseisen zijn opgenomen in het Masterplan Klaverblad Noordoost en worden straks verder uitgewerkt in het acquisitieplan. Zie ook onze reactie op zienswijze 17, ad. 9.

Reactie ad. 4 Zie onze algemene beantwoording over categorisering van bedrijven, A. In onze beantwoording op zienswijze 17, ad. 2, gaan we in op de gebiedscommissie die indiener voorstelt.

52

Reactie ad. 5 Zie onze reactie op zienswijze 11 en 12, ad. 1.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijze 23 1. Indiener noemt het misleidend dat in het voortraject altijd over bedrijven werd gesproken, terwijl uiteindelijk ook industrie tot een milieucategorie 4.2 wordt toegelaten.

2. Indiener is van mening dat de gemeente misleidende informatie voorspiegeld met betrekking op de hoogte van de bomen. In de sfeerimpressie werd gesproken over een eindbeeld dat over 5 a 6 jaar de bomen ca 6 meter hoog zouden zijn. Indiener merkt op dat de in 2013 aangeplante bomen deze hoogte nog steeds niet hebben bereikt.

3. Indiener maakt zich zorgen dat er van de maximale bouwhoogte zal worden afgeweken zolang deze maximale bouwhoogte niet expliciet en onomwonden wordt vastgelegd.

4. Indiener is van mening dat milieucategorie 4.2 te zwaar is voor deze locatie, en maakt zich zorgen over ongewenste effecten m.b.t geur, geluid en fijnstof. Ook stoten volgens indiener bedrijven met milieucategorie 4.2 teveel stikstof en CO2 uit, dit is volgens indiener niet passend, zo dicht bij een natuurinclusieve omgeving. Volgens indiener zouden bedrijven met milieucategorie 3.2 het maximum moeten zijn.

5. Indiener is van mening dat de omschrijving en formuleringen van bedrijven in het KNO_conceptontwerpboek te vaag zijn. Indiener is van mening dat eenduidig moet worden vastgelegd welke activiteiten in het gebied wel en niet conflicterend met bestaande activiteiten in de directe omgeving, en vindt dat de huidige beschrijving te veel ruimte over laat voor zware omgeving belastende bedrijven.

6. Indiener is van mening dat de afstand van de bedrijven tot de dorpen te klein is, en vindt ook de buffer met groen te iel.

7. In het KNO_concept ontwerpboek wordt gesproken over robuuste inrichting. Indiener vindt dit een kreet waarmee alle kanten nog opgegaan kunnen worden. Indiener is van mening dat dit een vage omschrijving is en beter gedefinieerd dient te worden.

8. Indiener is van mening dat het uitzicht radicaal wordt vernield en geeft aan dat dit niet met boomstroken/groenstroken is te verdoezelen.

53

9. Indiener is van mening dat er meer aandacht voor lichtvervuiling moet zijn. Indiener maakt zich zorgen over mogelijke lichtvervuiling en vindt dat licht ‘s avonds getemperd moet worden.

Reactie ad. 1 De gemeente betreurt het dat indiener zich misleidt voelt. Onder bedrijven verstaan wij inderdaad ook productiebedrijven zoals bijvoorbeeld ook op IBF gevestigd zijn. In onze algemene beantwoording A. gaan wij in op de categorisering van bedrijven. Er is geen reden de milieucategorie te verlagen.

Reactie ad. 2 Zie onze beantwoording op zienswijze 17, ad. 3.

Reactie ad. 3 De maximale bouwhoogte van bebouwing is vastgelegd in het bestemmingsplan. In onze reactie op zienswijze 17, ad. 2 gaan wij in op uitzonderingen.

Reactie ad. 4 Zie onze algemene beantwoording A en onze beantwoording op zienswijze 18, ad. 9 ten aanzien van stikstofdepositie.

Reactie ad. 5 Zie onze algemene beantwoording A. Met het vastleggen van de bedrijvenlijst en de maximaal toegestane categorie hebben wij naar onze mening voldoende vastgelegd welke bedrijven op het bedrijventerrein KNO mogen vestigen. De komende maanden wordt dit aangevuld met een acquisitieplan waarin wordt uitgewerkt wat de precieze voorwaarden voor bedrijven zijn die zich willen vestigen.

Reactie ad. 6 Zie onze algemene beantwoording A ten aanzien van afstand tot omliggende gevoelige bebouwing (irt milieuhinder). Wat betreft afscherming door groenstroken, zie onze beantwoording van zienswijze 10, ad. 8.

Reactie ad. 7 De betreffende zinsnede is een citaat uit het vastgestelde masterplan en richt zich met name op de manier waarop circulariteit een plek in het plan heeft; met robuust wordt hier gedoeld op het maken van een toekomstbestendige inrichting, zo mogelijk hergebruik van materialen. De uitwerking van deze term wordt naarmate de ontwikkeling concreter wordt, ook steeds concreter wat we hieronder verstaan. Voor de werving stellen we een acquisitieplan op waarin deze term weer verder is uitgewerkt.

Reactie ad. 8 Zie onze beantwoording van zienswijze 10, ad. 8.

Reactie ad. 9 Zie onze beantwoording van zienswijze 6, ad. 3.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

54

Zienswijze 24 1. Indiener is van mening dat milieucategorie van 4.2 een te groot risico voor de toekomst vormt. Indiener zou deze categorie graag lager zien.

2. Indiener maakt zich zorgen om mogelijke lichtvervuiling.

3. Indiener ziet graag groene aanplanting voor alle jaargetijden om het plattelands gevoel te behouden. Indiener wil wel een verbod op eiken i.v.m de eikenprocessierups.

4. Indiener maakt zich zorgen om een mogelijke uitbreiding van het plan in de toekomst.

5. Indiener ziet de groenstrook als een kans om gezondheid te stimuleren. Indiener stipt de mogelijkheid aan om deze groenstrook te gebruiken als onderdeel van de mountainbike route die in Oranjewoud staat gepland. Ook ziet indiener de groenstrook als mogelijke recreatiezone voor lopen en fietsen.

6. Indiener is van mening dat de pacht van landerijen naar 10 jaar moet gaan.

7. Indiener is van mening dat er moet worden vastgelegd dat de huidige maximale bouwhoogte nooit overschreden zal mogen worden.

Reactie ad. 1 Zie onze algemene beantwoording A. Er is geen reden de milieucategorie te verlagen.

Reactie ad. 2 Zie onze beantwoording van zienswijze 6, ad. 3.

Reactie ad. 3 Op dit moment zijn wij bezig met het uitwerken van een beplantingsplan voor het gebied. Uitgangspunt van het beplantingsplan is dat we inheemse, gebiedseigen soorten toepassen. Dit zijn soorten die goed ‘aanslaan’ in dit gebied en die passen bij het gebied. Dit zijn alle bladverliezende soorten, geen wintergroen. Vanwege de breedte van de groenstroken (30-40 meter breed) verwachten wij dat hiermee het groen voldoende afscherming biedt. Eiken worden op gepaste afstand van de paden gepland zodat eventuele overlast door de eiken processierups wordt geminimaliseerd. Tevens biedt bij een gevarieerde beplanting dit ook een leefomgeving voor de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups (sluipwespen, sprinkhanen, vogels, vleermuizen).

Reactie ad. 4 Dit bestemmingsplan heeft enkel betrekking op fase 1 en 2 van het bedrijventerrein. Wel is het zo dat fase 3 (een derde 10 hectare) recent is opgenomen in de regionale bedrijventerreinen programmering vanwege een toegenomen behoefte. Deze regionale bedrijventerreinen programmering is vastgesteld door de vijf gemeenten en ligt op dit moment voor bij de provincie 55

voor akkoord. Dit bestemmingsplan heeft geen betrekking op fase 3 en voordat fase 3 er kan komen, moet de provincie hier nog mee akkoord gaan en is opnieuw een bestemmingsplanprocedure nodig.

Reactie ad. 5 In het plan is voorzien in een wandelroute door de verschillende aan te leggen groenstroken, zodat er een ‘ommetje’ ontstaat voor inwoners van De Streek. De optie van een ATB-route brengen wij onder de aandacht bij de initiatiefnemers van de ATB-route in en rondom Oranjewoud.

Reactie ad. 6 Zie onze beantwoording op zienswijze 10, ad. 6.

Reactie ad. 7 Zie onze beantwoording op zienswijze 17, ad. 2.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijze 25 1. Indiener is van mening dat tijdens het vaststellen van het masterplan de zorgvuldigheid voor dit deel van het proces onvoldoende is gewaarborgd. Het was midden in corona tijd en streekbewoners hadden daarom geen of moeizaam mogelijkheid tot gezamenlijke bijeenkomsten. De uitgangspunten van dat masterplan zijn destijds onvoldoende doorgedrongen bij de streekbewoners volgens indiener. Indiener vraagt zich af of er voldoende participatie in het ontwikkel proces is geborgd.

2. Indiener vreest allerhande industriële mogelijkheden voor bedrijven waar bewoners niet op zitten te wachten en maakt zich zorgen over het uitgroeien tot een KNO profiel wat ver af staat van wat met het Sinnetafel proces is voorgesteld. Van een circulair bescheiden bedrijvenpark tot een industrieel ingericht gebied zoals IBF met grootschalige industriële of logistieke functies.

3. Indiener geeft aan dat de visualisaties van een beperkte kwaliteit gebleken zijn (onnauwkeurig). Slechts een paar dagen voor de inlevering van de officiële zienswijze (14/7) zijn er verduidelijkende visualisaties gedeeld over de impact van hoogbouw in het gebied. Volgens indiener is dit te laat voor het inmiddels gestarte proces op de streek om mensen mee te nemen in de plannen en het verkrijgen van inhoudelijke feedback daarop. Indiener geeft aan dat het veel vraagt van verbeeldingskracht om ‘technische’ tekeningen te vertalen naar ruimtelijke impact. Indiener noemt het een gemiste kans dat er geen 3D visualisaties zijn gebruikt om bewoners echt een indruk te geven van hoe het gebied kan worden ervaren. Indiener noemt dit juist van essentieel belang voor het ontwikkelen van draagvlak.

4. Indiener vraagt zich af hoe stevig de bestuurlijke principes zijn om binnen de kaders van de plannen te blijven acteren. Indiener is van mening dat de borging van de overkoepelende kwaliteit van de gebiedsontwikkeling zo georganiseerd moet worden dat er veel sterkere betrokkenheid vanuit de bewoners georganiseerd moet worden die, ook voorbij politieke periodes, koers kunnen houden op de gewenste en afgesproken ontwikkeling. Indiener stelt een KNO-gebiedscommissie voor die als adviesorgaan voor de raad wijzigingen of ontwikkelingen binnen het KNO-gebied van advies voorziet. 56

Er kunnen geen bestuurlijke besluiten genomen worden zonder dat dit adviesorgaan geraadpleegd is. Volgens indiener worden hiermee hazenpaadjes en verassingen in de planontwikkeling en uitvoer vermeden.

5. Indiener valt het op dat in de toelichting van het KNO bestemmingsplan sterk geredeneerd wordt vanuit het oogpunt van de A7 zijde van het gebied. Indiener vindt het opmerkelijk dat er weinig geschreven wordt over de inpassing vanuit het perspectief van de streekbewoner.

6. Indiener maakt zich zorgen of de te ontwikkelen bedrijvigheid wel aansluit bij lokale behoeftes voor economie en werkgelegenheid. Indiener is van mening dat de circulaire ambitie van de gemeente Heerenveen moet worden waargemaakt met de KNO ontwikkeling.

7. Indiener adviseert om terug te gaan naar de tekentafel en zowel qua milieuklasse en inpasbaarheid tot een verbeterd en beter afgestemd plan te komen waarbij, ook toekomstige, ontwikkelingen van het gebied in een juist en gedragen kader geplaatst kunnen worden. Volgens indiener is er nu te grote zorg over mogelijke ‘uitwassen’ die tot ongewenste bedrijfsinvulling gaan leiden in het gebied.

8. Indiener is van mening dat het circulaire ambitieniveau in het gebied omhoog zal moeten door scherpe criteria te stellen aan bedrijven, landbouw en de inpassing van het energiepark. Indiener roept de gemeente Heerenveen op om echt Circular Valley te zijn in dit gebied. Indiener geeft het advies om voorafgaand aan afspraken met mogelijke bedrijven / pachters heldere criteria op te stellen waaruit de circulaire belofte van een bedrijf blijkt.

9. Indiener vindt dat de gebiedsontwikkeling meer gericht moet zijn op plaatsing in de bredere gebieds context. Als voorbeeld noemt indiener het verlies van biotoop voor de weidevogels. Er dient gekeken te worden naar de biodiversiteitskansen en maatregelen voor het gehele KNO gebied in de context van het omliggende gebied.

10. Volgens indiener dient er nadrukkelijker gekeken te worden naar de biodiversiteitskansen die passen bij de nu voorgestelde inrichting van het gebied. Indiener adviseert om biodiversiteitscriteria op te stellen.

11. De besluitvorming voor fase 2 van het bedrijventerrein kan plaatsvinden via een ‘wijzigingsbevoegdheid (pagina 42)’. Indiener is van mening dat dat moment gebruikt moet worden om te evalueren of de KNO planvorming ‘op het goede spoor’ zit. Indiener vindt dus dat zo een moment gebruikt moet worden om verbeteringen te introduceren.

Reactie ad. 1 In onze algemene beantwoording C. gaan wij in op het processtappen die zijn doorlopen. Ten aanzien van het Masterplan is opgenomen dat dit een vervolg was op het ontwerp proces. Medio 2020 is via een informatiefilm het schetsontwerp toegelicht. Daarnaast is een brochure opgesteld waarin een nadere toelichting op het ontwerp is gegeven.

57

Medio 2020 konden omwonenden en belanghebbenden op basis van het filmpje en de brochure een vragenlijst invullen en zo richting meegeven in de volgende ontwerpfase. In totaal hebben 79 personen de vragenlijst ingevuld. Met alle verkregen input vanuit de vragenlijst is het schetsontwerp verder verfijnd tot een voorlopig ontwerp. Het voorlopig ontwerp heeft de basis gevormd voor het Masterplan. Medio 2021 is een ieder in de omgeving Tjalleberd-Luinjeberd huis-aan-huis en digitaal uitgenodigd om te reageren op het concept-Masterplan. Op woensdag 23 juni 2021 hebben we een fysieke inloopbijeenkomst georganiseerd in de buitenlucht, middenin Tjalleberd. Hiermee konden wij de toen geldende coronamaatregelen in acht nemen maar hadden inwoners wel de gelegenheid in gesprek te gaan, vragen te stellen en eventueel een reactie achter te laten. Op de verkregen input is gereageerd, het Masterplan is afgerond en ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeenteraad. Wij hebben naar onze mening ons uiterste best gedaan om betrokkenen te informeren en te betrekken en hiermee voldoende participatie in het proces geborgd.

Reactie ad. 2 Wij zijn van mening dat in het plan voldoende geborgd is dat KNO een onderscheidend profiel kent ten opzichte van bijvoorbeeld IBF. Dit wordt geborgd door de opzet van het plan (veel groen, ruimte voor natuurinclusieve landbouw en verbinding met de omgeving). In onze algemene beantwoording A. gaan wij in op de toegestane milieucategorie op het terrein. In het Masterplan hebben wij al een aanzet gedaan voor voorwaarden voor bedrijven die zich willen vestigen (o.a. duurzaam en circulair), in het acquisitieplan zullen wij dit nog verder gaan uitwerken.

Reactie ad. 3 Zie onze algemene beantwoording B. In bijlage 1 van deze Nota zijn nieuwe visualisaties toegevoegd.

Reactie ad. 4 Zie onze beantwoording van zienswijze 17, ad. 2.

Reactie ad. 5 In het ontwerpproces voor het gebied is geredeneerd vanuit de Streek én vanuit de A7 zijde. Dit is bijvoorbeeld te zien in de zonering in het Beeldkwaliteitsplan (de representatieve en de landschappelijke zone). Het is niet de bedoeling geweest om in de toelichting van het plan enkel vanuit de A7 zijde te redeneren en dit is naar onze mening ook niet gebeurt in de totstandkoming van het plan. Het resultaat, de indeling van het gebied en de regels die zijn vastgelegd in het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan, houdt rekening met beide zijden.

Reactie ad. 6 In het Masterplan en het bestemmingsplan staan de kaders over de vestigen bedrijven. In het acquisitieplan zoomen we verder in en bespreken we naar welke type bedrijven we op zoek zijn en op basis waarvan bedrijven geselecteerd worden. Als grondlegger wordt hiervoor het gemeentelijk economisch beleidsplan gebruikt, waarin ook in wordt gegaan op werkgelegenheid. In onze reactie op zienswijze 17, ad. 9 gaan wij op de voorwaarden die in het Masterplan zijn opgenomen ten aanzien van bedrijven en duurzaamheid.

Reactie ad. 7 Wij zijn van mening dat er op dit moment een plan ligt dat aansluit bij de behoefte aan bedrijvigheid én anderzijds aansluit bij de wensen uit De Streek. Wij begrijpen de zorgen, qua milieuklasse en 58

inpasbaarheid maar zijn van mening dat het plan op verschillende manieren voldoende bescherming biedt voor het woon- en leefklimaat in De Streek. Ten aanzien van mogelijke uitwassen, hier reageren wij op in onze beantwoording op zienswijze 17, ad. 2.

Reactie ad. 8 Deze suggestie nemen wij ter harte en werken wij, zoals gezegd, uit in de pachtovereenkomsten en het acquisitieplan.

Reactie ad. 9 De gebiedsontwikkeling heeft allerlei raakvlakken met gemeente brede opgaven, in het kader van duurzame energieopwek, ambities ten aanzien van biodiversiteit, behoefte aan bedrijventerreinen en toevoegen van fietsroutes. In het gebied KNO worden meerdere gemeente brede opgaven gecombineerd, waarmee in onze ogen dit plan een integrale context heeft. In het beplantingsplan en in het Beeldkwaliteitsplan wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met soorten die in en in de omgeving van het gebied voorkomen. Ten aanzien van het verlies van biotoop voor de weidevogels hebben wij, nadat de Vogelwacht hierom heeft verzocht, een extra onderzoek laten doen naar het effect van het plan op het biotoop voor weidevogels.

Reactie ad. 10 Het groenbeheerplan en het beplantingsplan die op dit moment worden opgesteld, bevatten een duidelijke visie op het gebied. Middels het groenbeheerplan willen we de biodiversiteit verhogen en ook waarborgen de komende 20 jaar. In onze beantwoording op zienswijze 13, ad. 1 gaan wij onder andere in op de kansen die in het gebied zijn om de biodiversiteit te verbeteren. In onze beantwoording op zienswijze 17, ad. 31 is opgenomen hoe deze kansen door middel van maatregelen en voorwaarden zijn geborgd in de plannen. Hiermee is naar onze mening biodiversiteit behouden en verbeteren in het gebied voldoende geborgd.

Reactie ad. 11 Van de wijzigingsbevoegdheid mag gebruik worden gemaakt wanneer aan de eisen wordt voldaan zoals die nu zijn opgenomen in de regeling van het bestemmingsplan. Dit zijn onder andere:   

Dezelfde regels als voor fase 1 gaan gelden, zoals toegestane bedrijven en kavelgrootte; Aangetoond moet worden dat er behoefte is aan fase 2; Aangetoond moet worden dat het plan uitvoerbaar is, eventueel moeten uitgevoerde onderzoeken worden geactualiseerd.

Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan het college besluiten van de wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken. De kaders die ook voor fase 1 gelden, gelden straks bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid ook voor fase 2. De gemeente (organisatie en raad) staat altijd open voor gevraagd en ongevraagd advies of reactie wanneer hier naar door invulling van fase 1, aanleiding voor is.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

59

Zienswijze 26 1. Indiener geeft aan dat bosstroken de ruimtelijke kaders van het plan vormen. Indiener geeft aan dat in de bestemming ‘groen’ ook fietspaden, parkeervakken en ontsluitingswegen zijn opgenomen. Indiener is van mening dat hiermee de suggestie wordt gedaan alsof er meer oppervlakte aan groen gerealiseerd wordt dan in de praktijk zal blijken.

2. Indiener is van mening dat groenstroken zo spoedig mogelijk, na goedkeuring van het bestemmingsplan, aangelegd moeten worden. Alleen bomen zijn in staat om de massa van de hoge bedrijfsgebouwen te verzachten. Indiener geeft aan dat het 25 jaar kan duren voordat de bomen de hoge gebouwen camoufleren. Ook geeft indiener aan dat deze groenstroken nooit gekapt mogen worden voor bedrijven.

3. Indiener vraagt zich af hoe de watertoets heeft plaatsgevonden. Indiener wil weten of de zonnepanelen zijn meegenomen in het verharde oppervlak, en of de verhardingen in de bestemming groen zijn meegenomen in de watertoets.

4. Indiener vraagt zich af met het handhaven van de waterpeilen voldaan kan worden aan de doelstelling “natuur inclusieve landbouw”, en of door verhoging van de waterstand niet meer gedaan kan worden voor de weidevogels en het bufferen van water in de bodem, vanwege extremere droogteperioden?

5. Indiener vraagt zich af waarom het geen harde eis is dat bedrijven zo veel mogelijk zelf energie opwekken middels zonnepanelen, geo-of aquathermie?

6. Indiener vraagt zich af waarom de zonnepanelen niet direct worden meegenomen in de maximale bouwhoogte van de gebouwen?

7. Indiener geeft aan dat er sprake is van een utilitair fietspad langs de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein tussen de Pastoriesingel en Mercurius. Indiener vraagt zich af of het fietspad niet verlegd kan worden naar de Binnendijkse Hoofdvaart en dan aansluiten op de Haudmare, omdat dit mooier fietst dan langs een ontsluitingsweg van een bedrijventerrein.

8. Indiener geeft aan dat binnen de milieucategorie 4.1 en 4.2 de volgende bedrijven worden toegestaan: bewerkingsfabriek vleesafval, visverwerkingsbedrijf, groenten en fruitconserveringsfabriek, melkproductenfabriek, zetmeelfabriek, mengvoeder, vervaardiging azijn en kruiden, bierbrouwerij, tabaksverwerkingsindustrie, lederfabriek, vervaardiging pulp, smeerolie fabriek, verf- en lakfabriek, farmaceutische grondstoffenfabriek, betonfabriek, gipsfabriek. Indiener geeft aan dat er geen akoestisch onderzoek nodig is volgens het ontwerp bestemmingsplan. Echter vraagt indiener zich af hoe dat zit met mogelijke stankoverlast.

60

9. Indiener is van mening dat er een vergoeding gegeven dient te worden aan de boeren, omdat zij nu strengere eisen voor hun (pacht)grond krijgen opgelegd.

10. Indiener vraagt zich af wat de noodzaak van de ontwikkeling van het terrein is. Indiener geeft aan dat in de gemeente Heerenveen nog een aanbod is van 64,7 ha bedrijventerrein (exclusief het nu in behandeling zijnde ontwerp bestemmingsplan). Indiener is van mening dat onderbouwing van noodzaak en een tijdsplanning van gewenste realisatie mist in de toelichting.

Reactie ad. 1 In het ontwerp van het gebied zijn inderdaad wandelroutes opgenomen in de verschillende groenstroken. Omdat enige flexibiliteit gewenst is, vallen deze routes onder de bestemming Groen, zoals gebruikelijk is in bestemmingsplannen. Het is niet de bedoeling om in de groenstroken volledige ontsluitingswegen te realiseren. Ontsluitingswegen worden aangelegd binnen de bestemming Bedrijventerrein, hooguit kruist een uitrit van een bedrijfsperceel de groenstrook die aan de zuidzijde ligt. Van de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein is de ligging bekend en deze ligt dan ook vast in het bestemmingsplan met de bestemming Verkeer. Ten aanzien van de 10 parkeerplaatsen, deze worden ook aan de ontsluitingsweg gerealiseerd en dus niet in de groenstroken die zijn bedoeld als afscherming van de bedrijven.

Reactie ad. 2 In onze beantwoording op zienswijze 10, ad. 8, gaan wij in op wanneer de groenstroken worden aangeplant. In onze beantwoording op zienswijze 17, ad 3 gaan wij in op de groei van de groenstroken. Binnen de bestemming groen is het kappen en verwijderen van beplanting en bebossing niet toegestaan. Dit is opgenomen in artikel 6.6.1, lid a van de regels van het bestemmingsplan. Enige uitzondering is het normale onderhoud ten behoeve van duurzaam behoud en beheer.

Reactie ad. 3 Voor het bedrijventerrein is per fase een verhard oppervlak aangehouden van 9,4 ha van 10 ha netto uitgeefbaar terrein. Dit is een worst-case aanname waarbij 70% bebouwd is en 30% voor 80% verhard. Voor de wegen binnen het plangebied is 4,1 ha aangehouden. Dit is op basis van een worstcase inschatting waarin ook verharding van 10 parkeerplaatsen en een verhard wandel- en/of fietspad, past. Zonnepanelen zijn niet meegenomen als verhard oppervlak, omdat het hemelwater via de zonnepanelen verspreid op de bodem terecht komt en daar vertraagd kan worden afgevoerd. Hier is geen compensatie voor nodig. Uit de berekening blijkt dat er 2,3 ha gecompenseerd moet worden in oppervlaktewater. Het plan voorziet in 2,7 ha aan nieuw oppervlaktewater. Er wordt voldoende gecompenseerd voor de geplande toename van verharding.

Reactie ad. 4 Eén van de onderzochte varianten in het MER was de variant ‘Ander peilregime’ voor natuurinclusieve landbouw. Uit het MER kwam dat deze variant, ten opzichte van de variant waarin het huidige waterpeil behouden blijft (basisalternatief), beter scoort op de criteria waterkwaliteit, beschermde soorten en biodiversiteit. Andere voordelen ten opzichte van de basisalternatief werden

61

niet gevonden, ook ten opzichte van klimaatadaptatie scoorde deze variant gelijk met het basisalternatief. De gemeente heeft, net als voor de andere onderzochte varianten, een afweging gemaakt om te kiezen voor het basisalternatief of voor een variant. In dit geval is gekozen voor het basisalternatief waarmee de huidige waterpeilen gehandhaafd worden. Reden hiervoor is dat deze variant leidt tot beperkingen voor de landbouwactiviteiten doordat de drooglegging minimaal wordt. Dus ondanks dat we inderdaad voordelen zien, zijn er ook nadelen aan verhogen van het waterpeil verbonden en kiezen we nu om de huidige waterpeilen te behouden.

Reactie ad. 5 In het acquisitieplan zullen we onder andere hierop gaan sturen, zie ook onze reactie op zienswijze 17, ad. 9.

Reactie ad. 6 De maximale bouwhoogte die is opgenomen geldt voor gebouwen. Zonnepanelen vallen hier niet onder dus het plaatsen hiervan wordt niet beperkt door de opgenomen maximale bouwhoogte.

Reactie ad. 7 Zie onze beantwoording op zienswijze 17, ad. 26.

Reactie ad. 8 Zowel een akoestisch onderzoek als een geuronderzoek is in het kader van het bestemmingsplan niet nodig, omdat voldaan wordt aan de richtafstand van maximaal 300 meter die bij deze bedrijven is opgenomen. Wanneer een geurrelevant bedrijf zich vestigt, dan is in het kader van vergunningverlening een geuronderzoek wel nodig. Van de door indiener genoemd bedrijven gaan er nog twee bedrijven van de lijst af (zie ook onze algemene beantwoording A. over de bedrijvenlijst). Het gaat om bewerkingsfabriek vleesafval en visverwerkingsbedrijf.

Reactie ad. 9 Zie onze beantwoording op zienswijze 17, ad. 21.

Reactie ad. 10 Aan het bestemmingsplan ligt een ladderonderbouwing ten grondslag, deze is bij het bestemmingsplan gevoegd als bijlage 1. In de ladderonderbouwing wordt ingegaan op de vraag en het aanbod van bedrijventerreinen en specifiek grote kavels (>2 ha) in Heerenveen en in regio Zuidoost Fryslân. Hieruit blijkt dat er binnen bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn om te faciliteren in de vraag die er zal zijn de komende jaren. Het gaat dan met name om de kwalitatieve vraag naar grote kavels. De conclusie is dat er voldoende actuele regionale behoefte is om het bedrijventerrein Klaverblad Noordoost te ontwikkelen, met name binnen het beoogde segment grootschalige industrie en logistiek. Deze conclusies zijn gebaseerd op de cijfers die bij het opstellen van de ladderonderbouwing beschikbaar waren. Inmiddels zijn er nieuwe regionale afspraken vastgesteld welke in het najaar van 2022 voorliggen voor akkoord bij de provincie Fryslân. Als we kijken naar de nieuwe cijfers, zien we het volgende. In 2021 was er nog een aanbod van 64,7 ha bedrijventerrein. Inmiddels is dit gereduceerd naar 3,3 ha op De Kavels, 10,3 ha op Haskerveen en 62

31,2 op IBF (exclusief te deprogrammeren deel van het bedrijventerrein waar ook een bestemmingsplanprocedure voor loopt), dus een aanbod van in totaal 44,8 ha per 1 januari 2022. Al deze gronden zijn gereserveerd / in optie, waarmee er geen aanbod meer is dat direct uitgeefbaar is (bron: Programmering bedrijventerreinen Zuidoost-Friesland, regionale afspraken 2022-2035). De totale behoefte in Heerenveen van 2022 tot en met 2035 is geschat op 69,0 ha. Behalve de gronden die in optie zijn, ontstaat daarmee en tekort van (69,0 ha – 44,8 ha) = 24,2 ha. Regionaal gezien wordt ook geconcludeerd dat er onvoldoende ruimte is om in de vraag te kunnen voorzien. Voorgesteld wordt daarom op de bestaande afspraken te continueren, aanvullend 16 ha adaptieve afspraken direct te bestemmen en bijna 110 ha voor adaptieve uitbreidingsmogelijkheden op te nemen, waarvan een deel van deze adaptieve hectares ook al in de huidige afspraken zijn opgenomen (waaronder fase 2 van KNO dat al was opgenomen en fase 3 van KNO dat is toegevoegd, ook 10 ha). Wij zijn van mening dat in het bestemmingsplan en bijgevoegde ladder voldoende is onderbouwd waarom er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en behoefte aan het bedrijventerrein. De meest recente cijfers onderstrepen en versterken deze conclusie.

Voor de adaptieve 2e fase op KNO geldt dat een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waarvan pas gebruik gemaakt kan worden (en de gronden daadwerkelijk in gebruik mogen worden genomen als bedrijventerrein) wanneer de behoefte voldoende is onderbouwd.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijze 27 1. Indiener geeft aan dat het onduidelijk is welk effect de veranderende grondwaterstand tijdens en na de ontwikkeling van het gebied heeft op de grond en waterstanden rondom de woningen aan de Streek. Indiener is van mening dat een onderzoek moet worden uitgevoerd waarin wordt uitgesloten dat de voorliggende plannen negatieve gevolgen hebben voor de fundamenten aan de woningen.

2. Indiener is kritisch over de gedane stikstof/aerius berekening. Indiener vindt de geschatte verkeersgeneratie voor vrachtwagens extreem laag en geeft aan dat de emissiebronnen van de bedrijfspercelen niet zijn meegenomen in de berekeningen. Indiener vraagt zich af hoe realistisch dat is en is van mening dat er geen reëel beeld van de werkelijkheid wordt gegeven. Indiener is van mening dat er een nieuwe stikstof/aerius berekening moet worden uitgevoerd.

3. Indiener werd verrast door het masterplan waarin wordt aangegeven dat er in het gebied hoogbouw tot 25 meter hoogte mogelijk wordt. Indiener is van mening dat er aansluiting moet worden gezocht bij de eerdere plannen en terug geschaald moet worden naar laagbouw tot maximaal 12 meter hoogte.

4. Indiener is van mening dat de groene en duurzame ambities van de provincie Friesland en de gemeente Heerenveen moeten worden waargemaakt. Indiener wenst onderscheidende, duurzame en circulaire gebouwen die een essentiële toegevoegde waarde leveren aan het welzijn van de mensen in de directe omgeving. 63

5. Indiener vraagt zich af hoe de gemeente Heerenveen met de ontwikkeling van een industrieterrein van 40 ha denkt in te spelen op de uitdagingen van de komende jaren: krapte op de arbeidsmarkt, krapte in woningaanbod, krapte van personeel in basisvoorzieningen.

6. Indiener ziet in de voorliggende plannen geen voordelen voor de omliggende dorpen. Indiener wenst duidelijke en harde garanties voor maatschappelijke doelen. Indiener geeft de suggestie om een fonds op te richten waar bedrijven jaarlijks per m2 bebouwing een bedrag moeten storten voor maatschappelijke doelen gerelateerd aan De Streek.

7. Indiener maakt zich zorgen over mogelijke geluidshinder en geeft aan dat de richtafstand geen garantie geeft dat er geen geluidshinder zal plaatsvinden. Indiener pleit voor een geluidswal van 10 meter hoog aan de volledige noordzijde van het plangebied, inclusief zonnepanelen.

8. Indiener is van mening dat de verwachtingen en afspraken tussen bewoners en gemeente aan de voorzijde goed met elkaar moeten worden afgestemd. De input van bewoners moet ook direct terug te zien zijn in het uiteindelijke plan. Er moet een totaalplan worden vastgesteld waarin het welzijn van de bewoners centraal staat.

9. Indiener is van mening dat harde afspraken gemaakt moeten worden om te waarborgen dat minimaal de aankomende 50 jaar niet op het gebied van Natuurinclusief gebouwd mag worden.

Reactie ad. 1 De waterstand in de sloten van het plangebied wordt gehandhaafd, verder wijzigt het peil niet (met uitzondering van een peilwijziging in een klein deel van het gebied). De grondwaterstand zal daardoor ook niet wijzigen. De afstand tot de dichtstbij gelegen woning is zodanig groot dat er geen effect te verwachten is op funderingen van woningen in de omgeving.

Reactie ad. 2 Als input voor de AERIUS berekening is gebruik gemaakt van een verkeersmodel, uitgevoerd door RHDHV. Als input voor het verkeersmodel zijn de verkeersgeneratiecijfers bepaald, gebaseerd op de verkeersgeneratie zoals IBF en omgerekend naar het oppervlakte bedrijventerrein dat op KNO mogelijk wordt gemaakt. De input voor de berekeningen en de uitkomsten hiervan zijn getoetst door de gemeente Heerenveen en Rijkswaterstaat. In een zogenaamde plausibiliteitssessie eind 2020 zijn de input en de resultaten plausibel verklaard voor verdere toepassing in milieustudies. Om rekening te houden met een eventuele extra hoeveelheid verkeer is een robuustheidstoets uitgevoerd met een extra groei van 10%. De AERIUS berekening is uitgevoerd, met als input het verkeersmodel + de 10% robuustheid. Het klopt dat emissiebronnen op bedrijfspercelen niet zijn meegenomen in de berekeningen. Dit komt omdat de bedrijfsgebouwen aardgasloos worden uitgevoerd. Om te voorkomen dat een bedrijf op een andere manier, bijvoorbeeld door productieprocessen, toch stikstofdepositie veroorzaakt, hebben we aan het bestemmingsplan een extra regel toegevoegd, zie ook onze beantwoording op zienswijze 18, ad. 9. 64

Reactie ad. 3 In onze algemene reactie D. gaan wij in op de verdeling van de bouwhoogtes in het gebied en waarom voor deze hoogtes is gekozen. Vanwege efficiënt ruimtegebruik en ook om in te kunnen spelen op de zichtzone aan de zijde van de A7 (die vanuit de Streek gezien het meest ver ligt), is daar gekozen voor een grotere bouwhoogte.

Reactie ad. 4 In het Masterplan is opgenomen: “De bedrijfspanden voldoen aan het BREAAM-NL Nieuwbouw certificaat met beoordeling Very Good, Excellent of Outstanding. Via de BREEAM-methodiek wordt duurzaamheid in negen categorieën geborgd: management, gezondheid, energie, transport, water, materialen, afval, landgebruik en ecologie en vervuiling. Daarnaast zijn de beeldkwaliteitseisen gericht op het realiseren van een onderscheidend beeld met een eigen identiteit, bijvoorbeeld door het kleurgebruik te beperken en af te stemmen op de landschappelijke omgeving.

Reactie ad. 5 De realisatie van het bedrijventerrein is een schakel in het speelveld van diverse macro-economische ontwikkelingen. Het bedrijventerrein levert extra arbeidsplaatsen en ook kan de vraag naar woonruimte in de nabije omgeving toenemen. Zowel op lokaal, maar ook op provinciaal en Rijksniveau wordt gewerkt aan een stabiele arbeidsmarkt en voldoende woningaanbod om aan de vraag te kunnen voldoen. De druk op de lokale arbeids- en woningmarkt kan hierdoor toenemen. Vanwege de beperkte omvang van het bedrijventerrein met vooralsnog maximaal 10 bedrijven (min. Oppervlakte van 2ha per bedrijf) zal dit beperkt zijn. Tegelijkertijd spelen er ook andere macro-economische ontwikkelingen, zoals de innovatie van productieprocessen, technologische ontwikkelingen en de verduurzaming (circulariteit etc.). Met het realiseren van Klaverblad Noordoost wordt bedrijven letterlijk ruimte geboden om een positieve bijdragen hieraan te leveren.

Reactie ad. 6 Zie onze reactie op zienswijze 11 en 12, ad. 1.

Reactie ad. 7 Voor het bestemmingsplan is het voldoende om te toetsen aan de richtafstanden uit de VNG-uitgave. Bij vergunningverlening, dus wanneer precies duidelijk is welk bedrijf en welke bedrijfsprocessen worden aangevraagd, wordt altijd getoetst wat het effect op de omgeving is voor de relevante milieuaspecten (oa geur, geluid, stof, veiligheid). Indien nodig wordt dan een akoestisch onderzoek aangeleverd waaruit blijkt dat het bedrijf kan voldoen aan de geluidsnormen, zie ook onze beantwoording van zienswijze 1, ad. 2. Een geluidswal van 10 meter hoog aan de volledige noordzijde van het plangebied, inclusief zonnepanelen, zien wij niet als een gewenste oplossing vanwege het grote effect op het landschap en is vanwege de afstand tot de Streek ook niet nodig om een goed woon- en leefklimaat in de Streek te behouden.

Reactie ad. 8 In onze algemene beantwoording C beschrijven wij het proces dat is doorlopen om te komen tot de gebiedsontwikkeling. Onze indruk is dat de Streek altijd goed betrokken is geweest en dat het uiteindelijke plan ook meerdere keren is voorgelegd aan de Streek om te reageren. Suggesties en opmerkingen van betrokkenen zijn voor een groot deel meegenomen in het plan dat nu voorligt.

65

Reactie ad. 9 Het bestemmingsplan legt vast hoe wij het gebruik van de gronden de komende periode voor ons zien. Op de gronden voor natuurinclusieve landbouw is bebouwing niet toegestaan. Wij kunnen niet op voorhand garanderen dat de komende 50 jaar geen ontwikkelingen plaatsvinden op de gronden die nu zijn voorzien voor natuurinclusieve landbouw. Dit gaat ook verder dan wat we nu kunnen vastleggen in het bestemmingsplan.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijze 28 1. Indiener verzoekt om in te zetten op een bedrijventerrein met ten hoogste categorie 3.1. Op deze manier wordt eventuele overlast van bedrijfsprocessen, geur, geluid en licht gereduceerd.

2. Indiener geeft aan dat bedrijven die vallen in de milieucategorie 4.2 kunnen zorgen voor een daling in het grondwaterpeil door het oppompen van grondwater. Indiener vreest dat een eventuele daling van het grondwaterpeil een negatieve invloed kan hebben op de huizen in de omgeving. Indiener verzoekt dit argument mee nemen in het verlagen van de milieucategorie.

3. Indiener zou graag vastgelegd zien dat de maximale hoogte van 12 meter in alle bedrijvenzones van het KNO wordt gehanteerd, en dat uitzonderingen niet mogelijk zijn.

4. Indiener verzoekt om te wachten met het ontwikkelen van het bedrijventerrein KNO, totdat het IBF is volgebouwd.

5. Indiener geeft aan dat geplante boompjes en struiken jaren nodig hebben om als volwaardige groenafscheiding te fungeren. Indiener verzoekt om met deze aanplant zo spoedig mogelijk te beginnen.

6. Indiener maakt zich zorgen over de gevaren en milieugevolgen die zich voordoen bij een (grote) brand op het zonnepark. Indiener verzoekt om hier goede richtlijnen en regels over op te stellen, met betrekking tot de eventuele overlast of gevolgen voor de omwonenden

Reactie ad. 1 Zie onze algemene beantwoording A. Er is geen reden de milieucategorie te verlagen.

Reactie ad. 2 Voor het onttrekken van grondwater is een melding/vergunning nodig van het Wetterskip. Dit is niet zonder meer mogelijk. Dit argument is voor ons geen aanleiding voor het verlagen van de milieucategorie, omdat de meerderheid van de bedrijven die in categorie 4.2 vallen, in elk geval geen grondwater onttrekken.

66

Reactie ad. 3 Zie onze algemene beantwoording D. waarin we ingaan op onze afweging over bouwhoogtes. In onze reactie op zienswijze 17, ad. 2 gaan wij in op uitzonderingen.

Reactie ad. 4 Het IBF is vrijwel volledig uitgegeven. Er is nog 31,2 ha gereserveerd/in optie op IBF. Bedrijven die geen optie hebben, kunnen op dit moment niet terecht op één van de bedrijventerreinen in de gemeente Heerenveen, zie ook onze reactie op zienswijze 26, ad. 10.

Reactie ad. 5 Zie onze reactie op zienswijze 10, ad. 8.

Reactie ad. 6 Zie onze reactie op zienswijze 17, ad. 13.

Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijze 29 1. Indiener geeft aan dat in het proces van meet af aan veel aandacht was voor de duurzaamheidsambities. Indiener ziet dit echter niet terug in het ontwerp bestemmingsplan. Indiener maakt zich zorgen dat bedrijven van maximaal een milieucategorie 4.2 te veel overlast en vervuiling (uitstoot) veroorzaken. Indiener geeft aan dat de voordelen die een bedrijf mogelijk behaalt met circulair bouwen, niet opwegen tegen de schadelijke uitstoot die deze bedrijven vervolgens jarenlang zullen hebben.

2. Indiener geeft aan dat het in strijd is met het vertrouwensbeginsel, om op basis van het met valse voorwendselen gecreëerde draagvlak een bestemmingsplan te presenteren, waarin de steeds genoemde uitgangspunten blijken te zijn losgelaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=ed273c12-7dc6-4222-b56c-2b2b3445e471