1.1 Bijlage 1 Voorstel-nota zienswijzen KNO inclusief bijlagen
Tekst van het document
3. Indiener is van mening dat de gemeente Heerenveen meer waarde hecht aan de uitstraling vanaf de snelweg, dan aan de gezondheid van haar eigen inwoners. Indiener geeft aan dat het ontwerp bestemmingsplan voorbij gaat aan de belangen van haar inwoners.
4. Indiener is van mening dat er kritisch gekeken dient te worden naar de maximaal toegestane milieucategorie op het nieuw te vormen bedrijventerrein.
5. Indiener vindt het wonderlijk dat er is gekozen om het bedrijventerrein zo ver mogelijk bij de snelweg vandaan te houden en - daardoor - veel dichter bij de dorpen te vestigen dan strikt noodzakelijk is. Indiener is van mening dat de zware industrie die toegestaan wordt op het bedrijventerrein zo ver mogelijk van de dorpen en de natuur gevestigd moet worden. Indiener verzoekt om de locatie van de (zware) bedrijven nogmaals kritisch te bekijken.
67
Reactie ad. 1 De duurzaamheidsambities van de gemeente komen op meerdere locaties terug in de stukken die nu voorliggen en waar we nog mee bezig zijn, zie ook onze algemene beantwoording C. Enkele voorbeelden: -
-
Bestemmingsplan: hierin is het zonnepark mogelijk gemaakt, evenals natuurinclusieve landbouw, ook is onder andere vastgelegd dat gebouwen aardgasloos moeten worden uitgevoerd; Masterplan en acquisitieplan: zie onze reactie op zienswijze 17, ad. 9. Pachtovereenkomsten: hierin worden voorwaarden opgenomen waarmee natuurinclusief boeren op deze gronden verplicht wordt; Beplantingsplan: hierin kijken we onder andere naar het stimuleren van biodiversiteit; Beeldkwaliteitsplan: hierin is opgenomen dat duurzaamheid een rol speelt in het beoordelen en voorbereiden van bouwplannen.
Reactie ad. 2 De gemeente betreurt het dat indiener het proces ervaart alsof dit onze valse voorwendselen is opgezet. Dit is nooit de bedoeling geweest, en ook nu zijn wij van mening dat wij in het bestemmingsplan de planologische kaders zoals besproken gedurende het proces, goed hebben vastgelegd. Wat in het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan geborgd kan worden, hebben wij daar zoveel mogelijk in geborgd. Borging van bijvoorbeeld de selectiecriteria van bedrijven en pachtvoorwaarden vinden grotendeels plaats in respectievelijk het acquisitieplan en de pachtovereenkomsten. In het beplantingsplan werken wij de groenstroken en andere groenzones uit.
Reactie ad. 3 Wij zijn het op dit punt niet eens met de indiener. Wij hechten waarde aan de gezondheid en het woon- en leefklimaat van de bewoners in de Streek. In het MER en in het bestemmingsplan hebben wij daarom zo zorgvuldig mogelijk onderzocht en onderbouwd wat de effecten zijn, deze afgewogen en getoetst of voldaan kan worden aan de wet- en regelgeving omtrent milieueffecten.
Reactie ad. 4 Zie onze algemene beantwoording A. Er is geen reden de milieucategorie te verlagen.
Reactie ad. 5 In het plan is de zone tussen snelweg en hoogspanningsleiding bewust vrij gehouden van bedrijfsbebouwing. Deze zone is te smal op een goede wijze een verkaveling te maken voor kavels van minimaal 2 hectare. Er zou een zogenaamde tweezijdige oriëntatie (twee voorkanten) ontstaan waardoor het lastig is een goede beeldkwaliteit te realiseren. Bovendien is bewust gekozen voor een ruime afstand tussen bedrijventerrein en snelweg (groter dan de afstand aan de IBF zijde) om het landschappelijk karakter van dit gebied te blijven onderstrepen. Ook de ligging van de hoogspanningmasten is hierin bepalend geweest. Door de invulling met het zonnepark in genoemde zone, ontstaat een vanzelfsprekende opbouw met bovendien ruimte voor reservering van het eventueel toekomstige spoorlijntrace.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
68
Zienswijze 30 1. Indiener is van mening dat de milieucategorie 4.2 naar beneden moet worden bijgesteld. Reden hiervoor is dat er nogal wat bedrijven op de lijst voorkomen die voor (stank)overlast in De Streek zullen zorgen én is van invloed op de waarde van de woningen in de dorpen.
2. Indiener is van mening dat de bouwhoogte, in combinatie met de hoogte van de huidige groenstrook (ca 3 a 4m hoog), te hoog is. Uitzonderingen moeten zeker worden uitgesloten.
3. Indiener vindt de 32 ha voor zonnepanelen te groot en te beeldbepalend. Bovendien wordt de capaciteit van huidige zonnepanelen velden bij Heerenveen Zuid beide keren niet volledig benut. De 32 ha zonnepark is dus irrelevant en moet naar beneden worden bijgesteld.
4. Indiener is van mening dat de genoemde bosstroken van 20 a 25m breed niet voor de genoemde structuur zorgen die het zicht op de bedrijfsbebouwing vanuit de Streek zal afschermen. Zeker qua hoogte niet.
5. Indiener geeft aan dat er over fase 1 en 2 wordt gesproken in het bestemmingsplan. Het kan dus niet zo zijn dat er in dit bestemmingsplan een fase 3 naar voren zal komen.
Reactie ad. 1 Zie onze algemene beantwoording A. Er is geen reden de milieucategorie te verlagen.
Reactie ad. 2 Zie onze algemene beantwoording D over bouwhoogtes, en onze reactie op zienswijze 17, ad 2 over uitzonderingen.
Reactie ad. 3 De aansluit- en transportcapaciteit voor dit zonnepark is in een vroegtijdig stadium in overleg met netbeheerder Liander zeker gesteld en zal dus volledig benut kunnen worden.
Reactie ad. 4 Wij zijn het niet eens met indiener dat de geplande groenstroken het zicht onvoldoende afschermen. Zie ook onze reactie op zienswijze 17, ad. 3.
Reactie ad. 5 Het klopt dat dit bestemmingsplan alleen gaat over fase 1 en 2. Fase 3 (een derde 10 hectare) is recent opgenomen in de regionale bedrijventerreinen programmering vanwege een toegenomen behoefte. Deze regionale bedrijventerreinen programmering is vastgesteld door de vijf gemeenten en ligt op dit moment voor bij de provincie voor akkoord. Dit bestemmingsplan heeft geen betrekking op fase 3 en voordat fase 3 er kan komen, moet de provincie hier nog mee akkoord gaan en is opnieuw een bestemmingsplanprocedure nodig.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
69
70
6. Ambtshalve wijzigingen Aangepaste bedrijvenlijst Zoals ook onder algemene reactie A is beschreven, is per abuis bij het ontwerpbestemmingsplan een uitgebreidere lijst opgenomen dan bij het voorontwerpbestemmingsplan dat eerder ter inzage heeft gelegen. Terwijl een aantal bedrijven in de lijst bij het voorontwerpbestemmingsplan er bewust van af zijn gehaald, zoals slachterijen, zijn deze er bij het ontwerpbestemmingsplan toch weer op gekomen. Voor het vast te stellen bestemmingsplan is de lijst aangepast naar de lijst van het voorontwerp, minus de ‘grote lawaaimakers’.
Borging minimaal 50% lokaal eigenaarschap zonnepark In het bestemmingsplan nemen we een voorwaardelijke bepaling op dat het zonnepark voor minimaal 50% in lokaal eigenaarschap moet zijn.
Borging gasloos bouwen Voor het bedrijventerrein Klaverblad Noordoost wordt uitgegaan van een bedrijventerrein dat niet op aardgas is aangesloten. Dit is zo beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan en als uitgangspunt genomen in de stikstofberekening die als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd. Om dit uitgangspunt voldoende te borgen, wordt aan artikel 5.2.1 van het bestemmingsplan een lid toegevoegd (lid h): bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd zonder (aard)gasaansluiting.
Tekstuele wijzigingen
Op pagina 38 van de toelichting wordt ‘110 kV’ opgenomen ipv ‘100 kV’; Op pagina 44 van de toelichting wordt ‘110 kV’ opgenomen ipv ’50 kV’;
7. Bijlagen 1. 3D visualisaties 2. Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen, Altenburg & Wymenga 3. Ecologische onderbouwing aanpak biodiversiteit inrichting KNO, Altenburg & Wymenga
71
Klaverblad Noordoost Vogelvlucht
Hoogte bomen eindbeeld (+ 15m) Maximale bouwhoogte 12 - 20 - 25m
© Sfeerimpressie gebaseerd op DO V2.1 Er kunnen geen rechten worden ontleend aan deze sfeerimpressie.
Klaverblad Noordoost Beeld vanaf A7
Hoogte bomen eindbeeld (+ 15m) Maximale bouwhoogte 12 - 20 - 25m
© Sfeerimpressie gebaseerd op DO V2.1 Er kunnen geen rechten worden ontleend aan deze sfeerimpressie.
Klaverblad Noordoost Rotonde Pastoriesingel
Hoogte bomen eindbeeld (+ 15m) Maximale bouwhoogte 12 - 20 - 25m
© Sfeerimpressie gebaseerd op DO V2.1 Er kunnen geen rechten worden ontleend aan deze sfeerimpressie.
Klaverblad Noordoost Nabij Aengwirderweg 142 Hoogte bomen eindbeeld (+ 15m) Maximale bouwhoogte 12 - 20 - 25m
© Sfeerimpressie gebaseerd op DO V2.1 Er kunnen geen rechten worden ontleend aan deze sfeerimpressie.
Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
<<Voeg hier een afbeelding in>>
A&W-notitie: 21-450
opdrachtgever projectcode Auteur(s)
Gemeente Heerenveen 21-450 M. Koopmans & E. van der Heijden
status
Definitief
datum
15 augustus 2022
autorisatie kwaliteitscontrole uitvoerder
M. Koopmans E. van der Heijden Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2, 9269 TZ Feanwâlden Matrix II k1.08/1.09, 1098 XH Amsterdam Tel. 0511 474764, info@altwym.nl, www.altwym.nl
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
Inhoud 1 2
3
4
Inleiding 1.1 Aanleiding en vraagstelling Weidevogels KNO 2.1 Effecten van de inrichting op weidevogels in noordelijk deel 2.2 Alternatieve leefgebieden in omgeving 2.3 Kansen voor weidevogels herinrichting plangebied KNO en het noordelijk deel Natuurwetgeving KNO 3.1 Weidevogelkansgebieden 3.2 Zorgplicht in kader van Wet natuurbescherming 3.3 Weidevogels en jaarrond beschermde nestplaatsen Conclusies
1 1 2 2 5 5 6 6 6 8 10
Bijlage 1
12
Gegevens weidevogels 2021
Referentie Koopmans, M. & E. van der Heijden 2022. Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen. A&W-notitie 21-450. Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek, Feanwâlden. © Overname van gegevens uit deze notitie is toegestaan met bronvermelding.
A&W-A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
Figuur 1.1. Overzicht van toekomstige inrichting van het plangebied.
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
1
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en vraagstelling
De gemeente Heerenveen is voornemens om het gebied Klaverblad Noordoost in Heerenveen opnieuw in te richten met een zonnepark, een bedrijventerrein en percelen ten behoeve van natuur inclusieve landbouw. Bovendien is in het zuidelijk deel van het plangebied voorzien in een aantal percelen met water en moeras. Ook zal het gebied worden voorzien van een aantal extra landschapselementen met bosschages. Het voornemen is in februari 2022 getoetst aan de Wet natuurbescherming (Kroezen 2022)1. Daarnaast is in 2020 door Strijkstra (2020) 2 op een rij gezet op welke manier de inrichting van het gebied op een zo natuurvriendelijke manier kan plaatsvinden, zodat er zo min mogelijk aantasting plaatsvindt van de biodiversiteit. Ook kansen voor versterking van de biodiversiteit in het plangebied worden in dit rapport behandeld. Recent zijn door de lokale Vogelwacht vragen gesteld over de inrichtingsplannen van het plangebied en de effecten hiervan op de weidevogelwaarden in het gebied ten noorden hiervan. Daarnaast zijn vragen gesteld over of de gemeente ten aanzien van weidevogels in dit gebied wel in voldoende mate rekening houdt met de Zorgplicht, zoals deze in de Wet natuurbescherming is vastgelegd.
In verband hiermee heeft de gemeente Heerenveen aan Altenburg & Wymenga gevraagd om een ecologisch advies op te stellen waarmee de gemeente op afdoende wijze de vragen van de Vogelwacht kan beantwoorden. Het gaat hierbij om de volgende vragen: Ten aanzien van de ecologie van weidevogels 1. Wat is de invloed van de nieuwe inrichting van KNO (opgaande beplantingen, bebouwing, natuur inclusieve landbouw (figuur 1.1) op de aanwezigheid van de doelsoorten Gele kwikstaart, Kievit, Scholekster, Grutto en Tureluur in het gebied ten noorden van KNO (zie voor kaart met territoria bijlage 1). 2. Wat is de verwachting van A&W waar de doelsoorten naar uitwijken mocht het gebied ten noorden van het plangebied ongeschikt worden voor weidevogels. Met andere woorden: is er alternatief broedgebied voor deze soorten in de omgeving aanwezig? 3. Welke (andere) kansen bieden de ontwikkelingen in het plangebied KNO en het noordelijk deel voor de benoemde doelsoorten? Ten aanzien van de natuurwetgeving 4. Waar dient de gemeente rekening mee te houden ten aanzien van de natuurwetgeving in relatief tot weidevogels ten noorden van het plangebied. 5. In relatie met bovenstaande vraag: in hoeverre en op welke manier moet de gemeente rekening houden met de Zorgplicht ten aanzien van het verlies van weidevogelwaarden ten noorden van het plangebied.
In deze notitie worden de antwoorden op deze vragen uitgewerkt.
1
E. Kroezen 2022. Ecologische quickscan Klaverblad Noordoost, Heerenveen. A&W notitie 21-458. Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek, Feanwâlden. 2 R. J. Strijkstra 2020. Ecologische onderbouwing aanpak biodiversiteit inrichting Klaverblad Noordoost te Heerenveen. A&W notitie 20-364#1v2. Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek, Feanwâlden.
2
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
2 Weidevogels KNO 2.1
Effecten van de inrichting op weidevogels in noordelijk deel
Aanwezigheid weidevogels noordelijk deel plangebied KNO Op basis van de gegevens van de vogelwacht zijn er in 2021 17 nesten van de vier weidevogelsoorten aangetroffen in het noordelijk deel. Het gaat hierbij om Grutto (3 nesten), Scholekster (3 nesten), Tureluur (2 nesten) en Kievit (9 nesten). Gezien de oppervlakte van het onderzocht gebied (ongeveer 50 ha) varieert de dichtheid per soort tussen de 4 tot 18 nesten per 100 ha. Het gebied kan worden gekwalificeerd als een middelmatig weidevogelgebied. Deze dichtheden liggen lager dan de grens voor de weidevogelkansgebieden, waarbij wordt uitgegaan van een minimale dichtheid van minimaal 10 broedparen Grutto per 100 ha of van minimaal 50 broedparen Grutto, Tureluur, Scholekster en of Kievit per 100 ha. Effecten De nieuwe inrichting van het plangebied KNO (opgaande beplantingen, bebouwing, natuur inclusieve landbouw) heeft mogelijk een uitstralend effect op de aanwezigheid van de doelsoorten Gele kwikstaart, Kievit, Scholekster, Grutto en Tureluur in het gebied ten noorden van KNO. Er is hierbij mogelijk sprake van een indirect verstorend effect waarbij een onderscheid kan worden gemaakt naar verschillende typen verstorings(bronnen): ● ●
● ●
Zichthinder: verlies van uitzicht voor broedvogels en pleisterende vogels door realisatie van opgaande structuren, zoals boomsingels en bebouwing; Visuele verstoring: verstoring van broedvogels en pleisterende vogels – maar ook bijvoorbeeld grotere zoogdieren - door zichtbare menselijke activiteiten, zoals wandelen, fietsen en andere recreatieve activiteiten; Geluidshinder: verstoring van broedvogels en pleisterende vogels door geluidsbelasting van verkeer; Lichtverstoring: verstoring door uitstraling van licht op broedplaatsen.
Zichthinder Vogels die in een open landschap broeden, zoals weidevogels, hebben een voorkeur voor openheid in de directe omgeving. Dit hangt samen met de noodzaak om vroegtijdig grondpredatoren te kunnen signaleren. Het aanplanten van boomsingels en bosschages of het realiseren van bebouwing resulteert in opgaande structuren, die het uitzicht beperken en daarom als zichthinder worden benoemd, hebben een negatieve invloed op de weidevogelstand. Visuele verstoring De verstoringsgevoeligheid van vogels voor zichtbare menselijke activiteiten verschilt sterk per vogelsoort. Opvliegafstanden van vogels bij nadering door recreanten in graslandgebieden varieert van 10 tot 30 m bij Graspieper en Gele kwikstaart, 10 tot 200 m bij weidevogels en van 50 tot 200 m bij watervogels. Deze gevoeligheid hangt samen met grootte van de vogel, het gedrag en het landschapstype. Daarnaast hangt de verstorende werking samen met de aard van de activiteit en de frequentie.
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
3
Geluidshinder en lichtverstoring De effecten van verkeerslawaai langs wegen en spoorlijnen op broedende vogels zijn uitvoerig onderzocht. Hieruit is gebleken dat er minder vogels voorkomen nabij drukke verkeerswegen. Dit wordt veroorzaakt door de volgende (combinatie van) effecten waaronder verstoring door geluid; visuele verstoring en lichtverstoring. Nachtelijke verlichting kan een verstorende invloed hebben op weidevogels. Uit een experimenteel onderzoek is gebleken dat wegverlichting de habitatkwaliteit voor de Grutto kan te verlagen tot een afstand van 100-200 m. Samenvatting verstoringsafstanden In de praktijk zijn de verschillende verstoringsaspecten moeilijk te onderscheiden. In de beoordeling van effecten volgen wij de door Provincie Fryslân aangehouden effectafstanden voor de benoemde verstoringsbronnen, en houden wij waar mogelijk rekening met broedvogelsoorten en lokale factoren. In tabel 2.1 zijn verstoringsafstanden van verschillende (landschappelijke) elementen op weidevogels in het onderzoeksgebied samengevat. Tabel 2.1. Verstoringsafstanden (in m) van verschillende landschapselementen in het onderzoeksgebied op weidevogels (bron: weidevogelnota Fryslân 2021 -2030 (Provincie Fryslân 2021)). Voor voetpaden zijn geen verstoringsafstanden vastgesteld, in dit advies gaan we uit van een vergelijkbare verstoring als een fietspad – 50 m.
Bron
Verstoringsafstand
Bron
Verstoringsafstand
spoor met bovenleiding
150
bos groot > 0,5ha
250
hoogspanningsleiding
100
bos klein < 0,5ha
200
bomenrij
200
bebouwd
300
heg haag
200
gebouwen
200
boom
200
autosnelwegen
150
hoogspanningsmast
100
provinciale wegen
100
zendmast
200
gemeentelijke wegen
50
gemaal
200
fietspaden
50
tankstation
200
voetpaden*
50
Effecten ten noorden van het plangebied KNO In figuur 2.1 zijn de verschillende aspecten van de verstoring ruimtelijk weergegeven. Voor een groot deel is het plangebied KNO en het noordelijk deel in de huidige situatie verstoord door de aanwezige bebouwing, bossen, wegen en overige opgaande begroeiing en hiermee minder aantrekkelijk voor kritische weidevogels, zoals de Grutto. Wel is het zo dat deze situatie al vele jaren bestaat, zodat er sprake kan zijn van zekere gewenning door de aanwezige weidevogels aan deze omgeving of bepaalde storingsbronnen. Dit is mogelijk het geval ten noordoosten van het plangebied waar, op relatief korte afstand van enkele bosschages, meerdere nesten van de Kievit zijn aangetroffen. Dit betekent dat de extra verstoring die door de herinrichting wordt veroorzaakt waarschijnlijk als een nieuwe verstoringsbron wordt ervaren en het gebied minder aantrekkelijk wordt voor deze soort.
4
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
Figuur 2.1 a t/m d. a - Nesten van weidevogels in en in de directe omgeving van het plangebied KNO in 2021 in huidige verstoorde omgeving; b- Overzicht nieuwe situatie plangebied KNO; c en d Verstoring van de herinrichting fase 1 en 2 in het plangebied KNO en directe omgeving.
Naar verwachting zal deze soort na realisering van de herinrichting hier niet meer terugkomen. Uit figuur 2.1a blijkt verder dat een klein deel ten noorden van het plangebied nog onverstoord is. Hier is een cluster met weidevogels aanwezig waaronder enkele nesten van de Grutto. Op
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
5
basis van de verstoringsafstanden in tabel 2.1 wordt in figuur 2.1c en 2.1 d duidelijk tot hoever de verstorende invloed vanuit de herinrichting in het noordelijk deel doorwerkt. Naar verwachting zal dit deel van het gebied minder aantrekkelijk worden voor de kritische weidevogels zoals de Grutto, waardoor deze het gebied op termijn zullen verlaten. 2.2
Alternatieve leefgebieden in omgeving
Om beter te begrijpen hoe weidevogels reageren op het verlies aan broedgebied en of het mogelijk is om ze alternatief broedgebied aan te bieden, is het onderzoeksprogramma ‘Adres Onbekend Grutto’s’ door Altenburg & Wymenga en de RUG in opdracht van de provincie Fryslân en gemeente Leeuwarden uitgevoerd. Hierbij zijn gedurende de periode 2007-2015 individuele Grutto’s gevolgd die oorspronkelijk een nest hadden op grasland dat verloren is gegaan door grootschalige ingrepen ten zuidwesten van Leeuwarden. Bijna honderd grutto’s zijn voorzien van een unieke kleurringcode en samen met vogelwachters is over de jaren 2007 tot en met 2015 over deze dieren informatie verzameld. Een deel van de Grutto’s, waarvan het oude broedgebied ongeschikt werd, was in staat een nieuwe broedplaats te vinden en vervolgens met succes een nest te laten uitkomen. Hervestiging vond merendeels plaats op korte afstand en in ongeveer 13% van de gevallen werd een verplaatsing over meer dan twee kilometer waargenomen, met uitschieters tot 15 kilometer. Deze exemplaren toonden een voorkeur voor gebieden waar al andere Grutto’s broedden (Bos et al .2017).3 Als we uitgaan van de twee kilometer rond het noordelijk deel van het plangebied zijn, op basis van gegevens van de NDFF in de afgelopen drie jaren, geen clusters met grutto’s meer aanwezig.
Ook door de vogelwacht is aangegeven dat in een groot deel van het agrarisch gebied in de omgeving van het plangebied geen of nauwelijks grutto’s meer voorkomen. De dichtstbijzijnde locaties met meerdere broedparen liggen rond de Deelen en in de omgeving van Tijnje, op 4 tot 7 km vanaf het plangebied. Naar verwachting zullen de broedparen grutto’s, als gevolg van de herinrichting van het plangebied KNO naar deze locaties verhuizen. Er is verder maar weinig informatie beschikbaar over verhuizingen door de doelsoorten Gele kwikstaart, Kievit, Scholekster en Tureluur als gevolg van habitatverlies door verstoring of herinrichting. Mogelijk dat de broedparen van de Kievit en Scholekster uit het noordelijk deel een plek op akkers in het westelijk deel of in de directe omgeving van het plangebied kunnen vinden. Deze exemplaren zullen dan ook de concurrentie aan moeten gaan met de al aanwezige broedparen en de broedparen die ook door herinrichting uit het plangebied zelf verdwijnen. 2.3
Kansen voor weidevogels herinrichting plangebied KNO en het noordelijk deel
Zoals blijkt uit de figuren 2.1c en 2.1d is er na herinrichting van het plangebied KNO geen onverstoord oppervlakte meer aanwezig binnen het plangebied en het gebied ten noorden hiervan. Een klein deel binnen het plangebied (10 - 15 ha, afhankelijk van de fase) zal niet extra worden verstoord door de herinrichting (figuur 2.1 c/d), maar dit deel is aan alle kanten omgeven met storingsbronnen waardoor het naar verwachting onaantrekkelijk zal zijn voor kritische weidevogels, zoals Grutto en Tureluur en deze zich hier niet zullen vestigen. Door het herinrichtingsplan zijn de kansen voor de andere doelsoorten Scholekster en Kievit in dit gebied zeer beperkt en zijn er lage dichtheden aan deze soorten te verwachten. Dit geldt ook voor de Gele kwikstaart.
3 Bos, D. R. Kentie, G. Hoekstra Y. van der Heide E. Wymenga F. Hoekema, J. Hooijmeijer & T. Piersma De populaties van
weidevogels in Nederland staan onder grote druk. De Levende Natuur - jaargang 118 - nummer 2 blz 40 -46.
6
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
3 Natuurwetgeving KNO 3.1
Weidevogelkansgebieden
Binnen de Provincie Fryslân liggen gebieden die door Gedeputeerde Staten van Fryslân zijn aangewezen als weidevogelkansgebied. Het gaat om gebieden die vanwege de aanwezigheid van grote aantallen weidevogels bescherming verdienen of waar er in de toekomst potenties liggen om weidevogelwaarden te ontwikkelen. Het beschermingsregime van deze weidevogelgebieden is wettelijk vastgelegd in de Verordening Romte 2014. Deze stelt dat: “Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan”. Dit betekent dat in principe er geen ontwikkelingen zijn toegestaan in een gebied dat is aangewezen als weidevogelkansgebied. Hiervan kan worden afgeweken mits de natuurwaarden goed zijn afgewogen tegen de ruimtelijke ingreep, er mitigerende maatregelen worden genomen en er compensatie plaatsvindt door een storting van een bedrag in het weidevogelfonds. Het gebied ten noorden van het plangebied is geen onderdeel van een door de Provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied.
Dit betekent dat er vanuit de Verordening Romte er geen knelpunten zijn wanneer er ten noorden van het plangebied weidevogelwaarden verloren gaan als gevolg van het voornemen.
3.2
Zorgplicht in kader van Wet natuurbescherming
Theoretisch kader In de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt voorzien in een Zorgplicht. Deze luidt als volgt: Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
7
Hoewel op het eerste gezicht lijkt dat dit artikel een grote reikwijdte heeft, valt dit in de praktijk mee. Het artikel moet namelijk worden gezien als ‘vangnetfunctie’. Dit betekent dat het dient als ‘vangnet’ voor soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifieke bescherming geldt. In een memorie van toelichting wordt de toegevoegde waarde van de Zorgplicht als volgt omschreven (www.stibelog.nl): • “voor Natura 2000-gebieden heeft de voorgestelde Zorgplicht een beperkte zelfstandige betekenis, omdat hoofdstuk 2 van de wet al voldoende andere instrumenten bevat. De Zorgplicht heeft daarom primair het karakter van het vastleggen van een algemeen beginsel ten aanzien van de eigen verantwoordelijkheid van eenieder voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. • voor soorten die beschermd worden op grond van hoofdstuk 3 van de wet wordt gesteld dat het in principe voldoende is dat wordt voldaan aan de vereisten van dat specifieke beschermingsregime. De toegevoegde waarde van de Zorgplicht is er (aldus de memorie van toelichting) voor de bescherming van deze soorten in de eerste plaats in gelegen ook bij de voorbereiding van handelingen al de nodige zorgvuldigheid in acht moeten worden genomen; en ook bij de daadwerkelijke verrichting van de handeling steeds alertheid is geboden om nadelige effecten te zoveel mogelijk te voorkomen.
• voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de Zorgplicht wel zelfstandig betekenis. Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen”. In de volgende paragraaf wordt ten aangegeven hoe in de praktijk ten aanzien van weidevogels met de Zorgplicht wordt omgegaan. De Zorgplicht in de praktijk In de praktijk gaan alle ecologische adviesbureaus op een ongeveer identieke manier om met de Zorgplicht. Dit betekent dat dit artikel alleen wordt toegepast op soorten die niet direct vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit zijn dan soorten die geen wettelijke bescherming genieten, maar die wel als kwetsbare en/of gevoelige soort zijn opgenomen in de Rode lijst. Ook beschermde soorten die vanuit de Provincie een vrijstelling hebben voor het overtreden van verbodsbepalingen, worden door adviesbureaus vaak meegenomen in de Zorgplicht. Bij deze categorie moet worden gedacht aan bijvoorbeeld (zeer) algemene soorten amfibieën, vissen en zoogdieren.
In de praktijk spitst de Zorgplicht zich vooral toe op het voorkomen van grote schade aan een populatie niet beschermde of vrijgestelde soorten door het nemen van verschillende maatregelen. Het gaat hierbij om de uitvoering van de werkzaamheden en betreft niet de planvorming. Praktijkvoorbeelden zijn: -
het buiten de voortplantingsperiode van amfibieën en vissen dempen van waterlopen, het vooraf leegvissen van sloten bij dempingswerkzaamheden, het verplaatsen van planten van de Rode lijst bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden, etc.
Deze maatregelen zijn relatief makkelijk toepasbaar en kunnen daarom als redelijk worden beschouwd. Ze worden daarom ook vaak geëist door het bevoegd gezag (de Provincies of RVO).
8
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
Ook wordt hier op gehandhaafd. In hoeverre de Zorgplicht ook geldt voor de weidevogels ten noorden van het KNO-gebied wordt hieronder verder toegelicht. De Zorgplicht en weidevogels Het gebied ten noorden van het KNO-gebied is niet aangewezen als weidevogelkansgebied en heeft geen overige beschermde status. Wel genieten (bebroede) nesten van weidevogels een bescherming op grond van Hoofdstuk 3 van de Wnb, dwz vanuit de soortenberscherming. Deze bescherming geldt alleen in de periode tijdens het broedseizoen. Verstoring van actieve nesten is niet toegestaan volgens de Wet natuurbescherming. Indien de werkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen of door te verzekeren dat geen broedende vogels in en rond het plangebied aanwezig zijn, kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Vanuit de provincie Fryslân is aangegeven dat de zorgplicht wordt ingezet om de nodige zorgvuldigheid te borgen, zowel bij de voorbereiding van de plannen (het laten doen van onderzoek, het bepalen van mitigerende maatregelen) en bij de uitvoer. Vanuit dit oogpunt vallen de broedvogels (weidevogels) niet onder de zorgplicht, maar worden deze vanuit de soortenbescherming beschermd.
3.3
Weidevogels en jaarrond beschermde nestplaatsen
Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming, maar een aantal vogelsoorten maakt gedurende het gehele jaar gebruik van de nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan worden daarom het gehele jaar beschermd. Indien bij een ruimtelijke ingreep een jaarrond beschermd nest verloren gaat, is er sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. In dat geval dient een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie Fryslân). Een dergelijke ontheffing wordt alleen verkregen als de ruimtelijke ingreep kan worden beschouwd als zijnde van wettelijk, belang, als er sprake is van mitigatie en de verloren nestplaats wordt gecompenseerd. In augustus 2009 is onder de Flora- en faunawet een indicatieve lijst opgesteld van soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen. Deze lijst is per 1 januari 2017 onveranderd overgenomen in de Wnb. De lijst bestaat uit vijf categorieën vogels. Hieronder wordt daar in relatie tot weidevogels iets dieper op ingegaan. Categorie 1 t/m 4 Bij de categorieën 1 t/m 4 gaat het om soorten zeer plaatsgetrouwe vogels die ieder jaar gedurende de broedperiode terugkeren naar een specifieke nest, jaarrond gebruikte nesten of koloniebroeders.
Soorten die hiertoe gerekend worden zijn bijvoorbeeld Buizerd, Sperwer, Slechtvalk, Wespendief, Huismus, Gierzwaluw, etc. Categorie 5 Categorie 5 omvat een groep vogels waarvan de nesten alleen jaarrond beschermd zijn als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Door de Provincie Fryslân zijn de Grutto en Scholekster opgenomen in de lijst van categorie 5 van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen, dit beschermingsregime zal van 1 juli 2022 van kracht zijn. Het beschermingsregime waaronder deze categorie valt luidt voor de Provincie Fryslân als volgt:
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
9
“Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen”. Zijn de nestplaatsen van weidevogels in gebied ten noorden van KNO jaarrond beschermd? Door de provincie Fryslân is aangegeven dat een jaarrond beschermde status categorie 5 betekent dat de soort locatietrouw is maar voldoende flexibel is om zich elders in de omgeving te vestigen. Echter de nestplek is jaarrond beschermd als het verdwijnen ervan invloed kan hebben op de staat van instandhouding van de soort. De nestplaatsen zijn dus jaarrond beschermd indien een activiteit significant nadelige gevolgen zou hebben voor de lokale subpopulatie van deze soort. Door toekomstige verstoring vanuit het KNO naar het noordelijk deel worden 3 nesten van de Grutto en 2 nesten van de Scholekster verstoord. De dichtstbijzijnde locaties met meerdere broedparen Grutto’s liggen rond de Deelen en in de omgeving van Tijnje, op 4 tot 7 km vanaf het plangebied. Naar verwachting zullen de broedparen grutto’s, als gevolg van de herinrichting van het plangebied KNO naar deze locaties verhuizen.
Ook zijn er in de omgeving voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig van gelijke kwaliteit voor Scholekster. Dit betekent dat de nestplaatsen van Scholekster en Grutto in het gebied ten noorden van KNO niet worden beschouwd als jaarrond beschermd.
10
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
4 Conclusies In de onderstaande tekst worden de antwoorden op de vragen samengevat Ten aanzien van de ecologie van weidevogels •
Wat is de invloed van de nieuwe inrichting van KNO (opgaande beplantingen, bebouwing, natuur inclusieve landbouw op de aanwezigheid van de doelsoorten Gele kwikstaart, Kievit, Scholekster, Grutto en Tureluur in het gebied ten noorden van KNO.
De herinrichting van het plangebied KNO zal tot gevolg hebben dat de akkers en graslanden in het noordelijk deel door de verstoring voor weidevogels minder aantrekkelijk wordt. Hierdoor zal naar verwachting het aantal weidevogels afnemen of verdwijnen. •
Wat is de verwachting van A&W waar de doelsoorten naar uitwijken mocht het gebied ten noorden van het plangebied ongeschikt worden voor weidevogels. Met andere woorden: is er alternatief broedgebied voor deze soorten in de omgeving aanwezig?
De dichtstbijzijnde alternatieve locaties voor de Grutto liggen rond de Deelen en in de omgeving van Tijnje, op 4 tot 7 km vanaf het plangebied. Naar verwachting zullen de broedparen Grutto’s, als gevolg van de herinrichting van het plangebied KNO naar deze locaties verhuizen. Mogelijk dat de broedparen van de Kievit en Scholekster uit het noordelijk deel een plek op de akkers in het westelijk deel of in de directe omgeving van het plangebied kunnen vinden. Deze exemplaren zullen dan ook de concurrentie aan moeten gaan met de al aanwezige broedparen en de broedparen die ook door herinrichting uit het plangebied zelf verdwijnen. •
Welke (andere) kansen bieden de ontwikkelingen in het plangebied KNO en het noordelijk deel voor de benoemde doelsoorten?
Door de aanwezigheid van verschillende verstoringsbronnen in de huidige en toekomstige situatie zal het plangebied KNO en het noordelijk deel hiervan onaantrekkelijk worden voor (kritische) weidevogels. Hierdoor zal naar verwachting het aantal weidevogels door de herinrichting van het plangebied KNO afnemen of verdwijnen. Door de herinrichting zijn de kansen voor de doelsoorten zeer beperkt. Ten aanzien van de natuurwetgeving •
Waar dient de gemeente rekening mee te houden ten aanzien van de natuurwetgeving in relatief tot weidevogels ten noorden van het plangebied.
Weidevogelkansgebieden Het deel ten noorden van het plangebied ligt niet in een gebied dat door de Provincie Fryslân is aangemerkt als weidevogelkansgebied. Het voornemen leidt daarom niet tot een knelpunt met het beschermingsregime van weidevogelkansgebieden zoals vastgelegd in de Verordening Romte. Jaarrond beschermde nestplaatsen broedvogels Door de provincie Fryslân is aangegeven dat een jaarrond beschermde status categorie 5 betekent dat de soort locatietrouw is maar voldoende flexibel is om zich elders in de omgeving te vestigen. Door de Provincie Fryslân zijn de Grutto en Scholekster opgenomen in de lijst van
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
11
categorie 5 van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen, dit beschermingsregime zal van 1 juli 2022 van kracht zijn. Naar verwachting zullen de broedparen Grutto’s (3) en Scholeksters (2) in de omgeving van het plangebied een andere broedplaats kunnen vinden. Dit betekent dat de nestplaatsen van Scholekster en Grutto in het gebied ten noorden van KNO niet worden beschouwd als jaarrond beschermd. •
In relatie met bovenstaande vraag: in hoeverre en op welke manier moet de gemeente rekening houden met de Zorgplicht ten aanzien van het verlies van weidevogelwaarden ten noorden van het plangebied.
Vanuit de provincie Fryslân is aangegeven dat de zorgplicht wordt ingezet om de nodige zorgvuldigheid te borgen, zowel bij de voorbereiding van de plannen (het laten doen van onderzoek, het bepalen van mitigerende maatregelen) en bij de uitvoer. Vanuit dit oogpunt vallen de broedvogels (weidevogels) niet onder de zorgplicht, maar worden deze vanuit de soortenbescherming beschermd.
12
Bijlage 1
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
Gegevens weidevogels 2021
A&W-notitie 21-450 - Aanvullende notitie weidevogels Klaverblad Noordoost Heerenveen
13
1
Ecologische onderbouwing aanpak biodiversiteit Inrichting Klaverblad Noordoost te Heerenveen
Opdrachtgever Referentie
Gemeente Heerenveen Strijkstra, R.J. 2020. Ecologische onderbouwing aanpak biodiversiteit inrichting Klaverblad Noordoost te Heerenveen. A&W notitie 20-364#1v2. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.
Projectcode Status Datum
20-364#1v2 concept 16 september 2021
Autorisatie
E. van der Heijden
1. Inleiding 2. Gekozen invalshoek voor stimulering van biodiversiteit 3. Omschrijving van het plangebied 4. Natuurwaarden in het gebied 5. Behoud en stimulering biodiversiteit 6. Stabiliteit van de biotopen
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden tel. 0511 – 474764 email: info@altwym.nl website: www.altwym.nl
2 3 4 5 6 10
2
1. Inleiding De gebiedsontwikkeling ‘Klaverblad Noordoost’, ten noordoosten van Heerenveen tussen de A7 en Luinjeberd is naast de ontwikkeling van een zonnepark en een bedrijventerrein gericht op het behoud en ontwikkelen van natuurwaarden in het kader van biodiversiteitverhoging. Er ligt wat betreft de natuurwaarden een vrij hoog ambitieniveau. Om optimaal rekening te houden met de natuurwaarden in het gebied moet een aantal overwegingen gemaakt worden ten aanzien van: • • •
Keuze voor bepaalde doelstellingen ten aanzien van bestaande natuurwaarden Keuze ten aanzien van mogelijk te ontwikkelen natuurwaarden Daarop volgende keuzes voor bepaalde typen inrichting
Deze notitie is opgesteld om deze keuzes te ondersteunen. De notitie is de weerslag van een beknopte bureaustudie, en een tweetal gesprekken die met vertegenwoordigers van de Gemeente Heerenveen zijn gevoerd. Bij het opstellen van deze notitie zijn documenten geraadpleegd die ons door de Gemeente Heerenveen zijn aangeleverd. Het gaat hierbij onder meer om een planbeschrijving en gegevens over vogelinventarisatie van de Vogelwacht Heerenveen. Daarnaast is het onderzoek dat A&W heeft gedaan in het kader van de ecologische toetsing als basis gebruikt. Er zal in deze notitie worden ingegaan op de uitgangspunten voor stimulering van biodiversiteit en behoud van waarden. Daarnaast zal concreet worden ingegaan op verschillende groepen organismen en hoe deze in een inrichtingsplan kunnen worden gestimuleerd. Hierbij zal zoveel mogelijk geprobeerd worden om tot concrete adviezen te komen waarbij de exacte locatie veelal nog nader te bepalen zal zijn. Deze locaties zijn in de gesprekken al aan de orde geweest. Tenslotte is tijdens de gesprekken ook gesproken over de haalbaarheid van bepaalde maatregelen. De voorgestelde maatregelen passen in principe binnen de mogelijkheden die voortvloeien uit beoogde inrichting en gebruiksfuncties.
3
2. Gekozen invalshoek voor stimulering van biodiversiteit Biodiversiteit kan eenvoudig worden uitgedrukt door het aantal soorten in een bepaald gebied. Biodiversiteit is daarbij afhankelijk van een tijdscomponent (heeft het de kans te ontwikkelen en kan het voortbestaan) en een ruimtelijke component (wat zijn de mogelijkheden ruimtelijk en hoe sluit het aan bij de omgeving) . Dat heeft de volgende consequenties voor het realiseren van biodiversiteit: Bij het realiseren van een grotere biodiversiteit rekening moet worden gehouden met: • Diversiteit aan biotopen op verschillende ruimtelijke schaalniveaus (lokaal, regionaal, globaal) • Het type biotopen (kies je voor nieuwe biotopen, of voor behoud van bestaande biotopen) • Stabiliteit van biotopen (kunnen ze ontwikkelen, hoe lang kunnen ze blijven bestaan) • Historie (sluit aan bij wat er ooit was) Op deze punten zal in deze notitie worden ingegaan. De mogelijkheden voor KNO De mogelijkheden voor het ontwikkelen van natuurwaarden zijn in het beschouwde gebied niet heel uitgebreid. Dit hangt samen met de gebruiksfuncties die zijn beoogd, zoals het gebruik als bedrijventerrein en zonnepark en (extensieve) landbouw. Natuurontwikkeling op grote schaal is daardoor niet mogelijk.
Op basis hiervan wordt in het geval van een plangebeid als KNO geconcludeerd dat de biodiversiteit het best gestimuleerd wordt door in samenhang met deze functies een zo groot mogelijke verscheidenheid aan biotopen of biotooponderdelen te behouden en te realiseren. Daarbij is het het beste als voornamelijk wordt uitgegaan van gebiedseigen biotopen, met de bijbehorende soorten. Daarnaast kan ook worden toegewerkt naar het realiseren van enig niet gebiedseigen biotoop met een waarde die de begrenzing van het gebied overstijgt. Historische context niet relevant Het gebied is een oude veenpolder. In het verre verleden bestond het gebied uit veenmoeras. Door vervening is dit verdwenen, waarna het gebied landbouwkundig in gebruik is genomen, waarvan de laatste periode intensief. Er zijn irreversibele veranderingen opgetreden ten opzichte van oorspronkelijke waterstand, waterkwaliteit en bodemtype. De natuurwaarden die samenhangen met de oorsprong van het gebied zijn daarom niet meer terug te brengen binnen redelijke termen. Aansluiting bij de ecologische historie van het gebied voor de ontginning is daarmee niet meer mogelijk.
4
3. Omschrijving van het plangebied Het gebied Klaverblad Noordoost bevindt zich ten noordoosten van Heerenveen. Het plangebied (ongeveer 120 ha) wordt aan de zuidzijde begrensd door de rijksweg A7. Aan de noord- en westzijde is de Binnendykse Haadfeart gelegen. Langs deze brede vaart is een groenstructuur aanwezig. Aan de oostzijde is het plangebied begrensd door de Pastoriesingel. Het plangebied bestaat uit een intensief- en extensief beheerd grasland en akkerland (maïs). Circa 40% van het plangebied was in 2019 in gebruik voor maïsteelt. De oevers langs de watergangen zijn grotendeels flauw en begroeid met rietvegetatie en ruigtesoorten. Voor wat betreft de plannen voor de inrichting verwijs ik naar de desbetreffende documenten van de Gemeente Heerenveen. De inrichting bestaat grofweg uit een bedrijventerrein aan de oostzijde, een zonnepark aan de zuidzijde langs de A7 en een gebied met extensieve landbouw aan de westzijde, ten noorden van het zonnepark.
5
4. Natuurwaarden in het gebied In het gebied en in de omgeving ervan is een groot aantal natuurwaarden aanwezig. Beschermde soorten Deze zijn uitgebreid beschreven in het ecologisch onderzoek dat door A&W is uitgevoerd in het kader van een ecologische toetsing van de plannen. Daarnaast zijn er gegevens aangeleverd door de Vogelwacht Heerenveen. Soorten die relevant zijn voor deze advisering zijn: Soorten in of nabij het gebied die worden beschermd volgens artikel 3.1 Wet natuurbescherming (Wnb) • Broedvogels van oevers en bosschages • Weidevogels Soorten in of nabij het gebied die worden beschermd volgens artikel 3.5 Wnb • Groene Glazenmaker, deze bevindt zich in het gebied • Gestreepte waterroofkever deze bevindt zich aan de rand van het gebied • Beperkt gebruik van het gebied door vleermuizen Soorten in of nabij het gebied die worden beschermd volgens artikel 3.10 Wnb en op de vrijstellingslijst staan voor ruimtelijke ingrepen • Allerhande soorten kleinere en grotere zoogdieren: muizen, spitsmuizen, kleine marterachtigen, Haas, Mol, Ree, Egel komen (waarschijnlijk) in het gebied voor. • Een aantal soorten amfibieën komt (waarschijnlijk) in het gebied voor: Gewone pad, Bastaardkikker, Kleine watersalamander. Soorten buiten het gebied in de directe omgeving die worden beschermd volgens artikel 3.10 Wnb en niet op de vrijstellingslijst staan.
• Waterspitsmuis Andere relevante natuurwaarden Naast deze aanwezige beschermde soorten in het gebied is en aantal natuurwaarden van belang voor de advisering rond biodiversiteit, te weten In het gebied • Het optreden van kwel in de sloten • De aanwezigheid van bosjes en singels • De aanwezigheid van verschillende vissoorten in de wateren Buiten het gebied in de directe omgeving • De goed ontwikkelde waterplantenvegetatie en insectenfauna in de binnendijkse hoofdvaart • Het voorkomen van floristisch diverse wegbermen langs de rijkswegen A7 en A32 en de kwadranten in het knooppunt Heerenveen Buiten het gebied in de verdere omgeving • Veengebied de Deelen • Het bosgebied rondom Oranjewoud
6
5 Behoud en stimulering biodiversiteit Wettelijke verplichtingen Ten aanzien van de beschermde soorten in het gebied is een wettelijke verplichting ten aanzien van biotoopbehoud of compensatie, in ieder geval voor de Groene glazenmaker, die in het gebed voorkomt. Deze wettelijke verplichting kan goed deel uitmaken van het stimuleren van biodiversiteit in het algemeen, en wordt hier niet afzonderlijk behandeld. De omvang van de verplichtingen hangen namelijk ook af van de uiteindelijke vorm van de plannen en de inrichting. Bij de inrichting met als doel het stimuleren van de biodiversiteit moet uiteraard ook met deze wettelijke verplichtingen worden rekening gehouden Diversiteit aan biotopen Uitgaande van de huidige natuurwaarden in het terrein en de omgeving kan worden aangegeven welke kansen er liggen om deze te stimuleren. Verschillende soortgroepen hebben daarbij verschillende eisen. Grofweg kunnen deze groepen worden ingedeeld in sets, gebonden aan de volgende diversiteit aan de volgende diversiteit aan biotopen: 1. 2. 3. 4. 5.
Wateren/Watergangen met kwel en/of goed ontwikkelde oeverzone Open terrein/akker/grasland Besloten terrein Gebouwen Nutriëntarme bodem: wegbermen, extensief beheerd/verschraald grasland, groene daken
De betrokken soorten en kansen binnen het gebied voor deze biotopen worden hieronder besproken.
Uitwerking soorten en biotopen 1) Soorten die gebonden zijn aan het biotoop watergangen met kwel en/of een goed ontwikkelde oeverzone • • • • • • • • •
Moeras- en oeverplanten Groene glazenmaker Gestreepte waterroofkever Een grote hoeveelheid algemene en minder algemene insecten Vissoorten Amfibieën Broedvogels van oevers Waterspitsmuis Broedvogels van oevers
Kansen Kansen liggen er voor deze soortengroep in het aanleggen van wateren (zonder singel) in het westelijk- en middengedeelte van het plangebied, in de beoogde moeraszone ten zuiden van het zonnepark en bij de aanleg/herprofilering van wateren op het bedrijventerrein. Aansluiting Deze kansen sluiten aan bij de natuurwaarden in het gebied, in de directe en in de wijdere omgeving. Toelichting Vergroten van het aantal smalle wateren en watergangen met flauwe taluds en het aanbrengen van flauwe taluds bij de bestaande watergangen. Hierbij is het onderhoud op langere termijn. Daarnaast zou een verhoging van het waterpeil goed, zijn, mits dit door kwel
7
kan worden gedreven. Van groot belang is het behoud van de Binnendykster Haadfeart en het behouden blijven van bestaande krabbenscheervegetaties in verband met het voortbestaan van de Groene glazenmaker. Deze goed ontwikkelde wateren kunnen dan als uitvalsbasis dienen van soorten naar nieuwe of geherprofileerde wateren. Het gezond houden van de nieuwe situatie is overigens afhankelijk van het beheer van de gronden waarin ze liggen. Een positieve relatie met verminderd mestgebruik en aangepast natuurvriendelijk maai- en begrazingsbeheer direct grenzend aan de wateren is duidelijk aanwezig.
2) Soorten die gebonden zijn aan het biotoop open terrein: weidevogels • • • •
Kievit Tureluur Scholekster Gele kwikstaart
Deze vogelsoorten komen over het gehele terrein voor, op basis van de BMP tellingen van A&W in lage (oostelijk deel) tot middelmatige dichtheid (westelijk deel). Het broedsucces van deze populaties is niet bekend. Kansen Kansen liggen er voor deze groep soorten in het westen van het plangebied. Hier bevindt zich op dit moment ook de grootste dichtheid aan deze soorten. Aansluiting Deze kansen sluiten aan bij de natuurwaarden in het gebied, in de directe en in de wijdere omgeving. Toelichting Het behouden van de weidevogels in het gebied zal bij de huidige inrichtingsplannen erg lastig zijn. De aanleg van een bedrijventerrein en het zonnepark, met omringende begroeiing zal de aantrekkelijkheid van het gebied verlagen in verband met visuele verstoring, vergroting van menselijke aanwezigheid in het gebied en de mogelijke vestiging van predatoren. De kieviten broeden vooral op de maïsakkers en foerageren in de randen ervan. Een plan tot extensivering zal mogelijk voor maïsakkers geen ruimte meer bieden en het oppervlak zal daardoor sterk verkleinen. De omzetting naar grasland geeft niet a priori een geschikt biotoop voor weidevogels. Dit vergt beheermaatregelen als verhoging van de waterstand, aangepast maaibeheer en beweidingsregime om de juiste vegetatiestructuur te bewerkstelligen.
Om de huidige aantallen te waarborgen zijn zeker ook aanvullende verbetermaatregelen zoals het aanleggen van diverse lage groenstroken met geschikte structuur (geen bosschages of singels) of extensieve akkers noodzakelijk voor verhoging van het voedselaanbod, zoals onder meer aangegeven door de Vogelwacht Heerenveen. Bij de uitvoering van de huidige plannen is het risico volgens ons reëel dat het investeren in maatregelen voor weidevogels in het gebied tot teleurstellende resultaten zal leiden, alleen al vanwege het verkleinen van het oppervlak en de vergroting van de visuele verstoring in een toch al door bomenrijen afgebakend en doorsneden terrein. Mogelijk is het beter om in dit geval te investeren in de kwaliteit van weidevogelkansgebieden, zoals die in de wijdere omgeving liggen.
3) Soorten die gebonden zijn aan het biotoop (randen van) beslotener terrein • • • • •
Bos- en parkvogels Roofvogels Kleine zoogdieren Vleermuizen Een grote hoeveelheid algemene en minder algemene insecten
8
Kansen Voor deze soorten liggen er kansen door het gehele plangebied Aansluiting Deze kansen sluiten aan bij de natuurwaarden in het gebied, in de directe en in de wijdere omgeving. Toelichting Om te investeren in deze soorten is het juist van belang meer beslotenheid en broedgelegenheid in het terrein te creëren. Dit kan met de aanplant van op elkaar aansluitende singels of bosschages, die mogelijk ook grotere stukken grasland insluiten. Zeker op het bedrijventerrein en in de directe omgeving daarvan kunnen hiervoor kansen worden benut. Wanneer gekozen wordt niet in het behoud van weidevogels te investeren kan ook in meer westelijke richting deze kans worden benut door de aanleg van meer singels en bosjes in het gebied dan nu al aanwezig zijn. Deze landschapsstructuur is natuurlijk nieuw voor het gebied, maar sluit wel aan bij de wijdere omgeving.
4) Soorten (deels) gebonden aan gebouwen • • • •
(Gier)zwaluwen Huismus Overige vogelsoorten Verschillende vleermuissoorten
Kansen Voor deze soorten liggen op het bedrijventerrein Aansluiting Deze kansen sluiten aan bij de natuurwaarden in de directe en in de wijdere omgeving. Toelichting Voor deze soorten liggen kansen op het bedrijventerrein door in of aan de gebouwen voorzieningen te treffen als nestkasten, richels, vleermuiskasten, groene wanden, toegankelijke gevelbeplating e.d. In combinatie met beslotenheid rondom de gebouwen en mogelijk verderop in en rond het gebied het gebied is dit zeker voor vleermuizen een mogelijkheid.
5) Soorten van matig nutriëntarme of nutriëntarme omstandigheden Het gebied bestaat uit zandige en venige grond, en is in intensief landbouwkundig gebruik. Daarmee bestaat er door de lange bemesting een beperking voor aan armere grond gebonden flora en fauna. Pas na vele jaren van verschralingsbeheer, uitmijning door akkerbouw of na grootschalige maatregelen als afgraving kunnen in een dergelijk gebied deze omstandigheden op grotere schaal gecreëerd worden. Dit legt beperkingen op aan de ontwikkeling van bloemrijk schraal grasland, dat vanwege de lage nutriëntenrijkdom een grote bijdrage kan leveren aan de biodiversiteit aan planten en dieren in een overig overwegend nutriëntenrijk landschap. Een gevarieerdere vegetatie is wel te ontwikkelen op nutriëntenrijke bodem, maar dat zal qua soortensamenstelling alleen bijdragen aan een lokale vergroting van de biodiversiteit van algemene soorten, wat op zich overigens uiteraard al een doel is dat het nastreven waard is. Deze grotere lokale variatie is te bereiken onder een paraplu van natuurinclusief boeren. Er zijn echter kansen om kleine stukken armere vegetatie in te richten.