CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapportage Ontwerp Participatiebedrijf Zuid-Kennemerland.pdf

Commissie Samenleving 12 januari 2021, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 3: Participatiebedrijf Zuid-Kennemerland20.217 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

23

Tabel 4.1

Aantal jongeren met een leerwerkplek bij Perspectief (eerste helft 2020)

Gemeente Haarlem Zandvoort Heemstede Bloemendaal IJmond gemeenten Overige gemeenten Totaal

Aantal leerlingen in leerwerkplekken 29 2 1 3 16 6 57

Bron: Leerwerkbedrijven Kennemerland

4.2 Dienstverlening Het Participatiebedrijf kent voor de uitvoering van haar taken vier hoofdprocessen: • Re-integratie • Matching/werkgeversdienstverlening • Organiseren van werkplekken voor inwoners met een arbeidsbeperking (Wsw en Nieuw-Beschut) • Organiseren van leerwerkplekken voor jongeren Re-integratie De eerste belangrijke hoofdtaak van het Participatiebedrijf is het verzorgen van de re-integratie van inwoners met een overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt naar betaald werk. Daaronder valt ook de toeleiding van inwoners met een arbeidsbeperking naar een garantiebaan bij een reguliere werkgever of een werkplek nieuw-beschut binnen het Participatiebedrijf. Bij de re-integratie wordt gericht op het organiseren van maatwerkwerktrajecten voor werkzoekenden en een divers aanbod aan activiteiten en leerwerkplekken hiervoor. In de onderstaande figuur is de dienstverlening op het terrein van re-integratie (in groen) beknopt weergegeven. Via een intake wordt in beeld gebracht wat de afstand tot de arbeidsmarkt van de kandidaat is en wordt een ontwikkelplan opgesteld met de kandidaat. Wanneer een assessment nodig is, wordt deze ingezet om de diagnose en het ontwikkelplan verder aan te scherpen. Vervolgens volgt de fase waarin de kandidaat werkt aan het ‘werkfit’ worden.

Daarbij wordt gewerkt aan werknemers- en vakvaardigheden, onder ander via de inzet van opleidingen, empowerment en leerwerkstages. Figuur 4.3

De re-integratiedienstverlening in het Participatiebedrijf

24

In de dienstverlening van het Participatiebedrijf zal binnen dit dienstverleningsaanbod in de komende jaren gewerkt worden aan een verschuiving naar het gebruik van partners en sociale ondernemers in de organisatie van de re-integratietrajecten. Daardoor groeit het Participatiebedrijf toe naar een rol als regisseur van een netwerk aan partners die gezamenlijk de re-integratie verzorgt. Matching/Werkgeversdienstverlening Het Participatiebedrijf is één van de partijen die samenwerkt in het regionale Werkgeversservicepunt waarvan de gemeenten mede opdrachtgever zijn. Onder de vlag van het Werkgeversservicepunt werken accountmanagers en jobcoaches van Pasmatch samen in de bemiddeling en plaatsing van kandidaten in regulier werk en ondersteunen zij werkgevers en kandidaten om een goede match te realiseren. In de werkgeversbenadering ligt de focus op de match tussen de vraag van de werkgever en de kwaliteiten van de kandidaat. In het Werkgeversservicepunt werkt het Participatiebedrijf samen met UWV en IJmond Werkt! Organiseren van werkplekken Het Participatiebedrijf organiseert betaalde werkplekken voor de Wsw-doelgroep en de doelgroep Nieuw-Beschut. Daarin wordt werk aangenomen en uitgevoerd, kunnen werknemers met een arbeidsbeperking aangepast werk uitvoeren en kunnen kandidaten vanuit de re-integratiedoelgroep onder begeleiding werkervaring opdoen.

Bij de uitvoering van deze taak ligt de focus vooral op het goed uitvoeren van de aangenomen opdrachten en waar mogelijk de ontwikkeling van medewerkers. Bij de start zal het Participatiebedrijf zelf nog een belangrijk deel van de werkplekken zelf organiseren. Daartoe heeft het Participatiebedrijf een waaier aan type werkplekken beschikbaar: Beschut (verpakken, etiketteren, sorteren), Grafisch, Groen, Post, Schoonmaak, Techniek, Catering, Kleding sorteren, Kringloopwinkel, Fietsendepot en Detacheringen bij werkgevers. Aangezien de doelgroep waarvoor het Participatiebedrijf werkplekken organiseert steeds kleiner wordt, krijgt het Participatiebedrijf de opdracht om een groter deel van de werkplekken bij en in samenwerking met partners en sociale ondernemers te organiseren. De focus verschuift daardoor geleidelijk naar netwerksamenwerking in de organisatie van werkplekken. Organiseren van leerwerkplekken voor jongeren Het Participatiebedrijf biedt leerwerkplekken binnen horeca /restaurants, bouw, metaal, groen en studiowerkzaamheden. Jongeren die zijn uitgevallen in het regulier onderwijs worden binnen het Participatiebedrijf opgeleid op mbo-niveau entree en 2. Wanneer MBO-diplomering niet haalbaar is, hebben de jongeren de mogelijkheid diverse branchecertificaten te behalen.

Via het netwerk van het Participatiebedrijf stromen kandidaten uit, veelal eerst via een stageperiode, om daarna in dienst te komen bij dat bedrijf.

25

5 Besturing 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk werken we uit welk besturingsmodel gezien de activiteiten, uitgangspunten en kaders vanuit de deelnemende gemeenten, het beste past bij het te vormen Participatiebedrijf. Daarnaast werken we uit hoe de governance vorm te geven (op hoofdlijnen). Voor dit hoofdstuk is gebruik gemaakt van de expertise van het team Juridische Zaken van de gemeente Haarlem.

5.2 Kaders De kaders die gehanteerd zijn bij het bepalen van het best passende besturingsmodel zijn hieronder kort weergegeven. Deze kaders zijn opgesteld door de projectgroep en door de stuurgroep geaccordeerd. 1. Het besturingsmodel past binnen de kaders voor verbonden partijen van betrokken gemeenten; 2. Het besturingsmodel past bij een Participatiebedrijf als zelfstandige organisatie en daarbij behorende taken (zie paragraaf 3.2); 3. Invulling van het werkgeverschap voor Sw-, Nieuw Beschut en reguliere medewerkers is mogelijk vanuit het Participatiebedrijf; 4. De organisatie is slagvaardig en vernieuwend en kan adequaat inspelen op ontwikkelingen en kansen; 5. Het Participatiebedrijf heeft de ruimte om, binnen kaders, zelfstandig samenwerkingsverbanden aan te gaan met partners. Het participeren in een juridische entiteit is alleen na goedkeuring van de deelnemende gemeenten mogelijk; 6. De gemeenten kunnen inbesteden en er wordt voorkomen dat BTW of andere fiscale regels de kosten van de dienstverlening verhogen; 7. Het Participatiebedrijf voert gedelegeerde taken uit in opdracht van de gemeenten. 8. De beleidsontwikkeling ten aanzien van de bij het Participatiebedrijf belegde taken ligt bij de gemeenten; 9. Voor een efficiënte uitvoering van taken wordt er gewerkt vanuit afspraken voor de middellange termijn (3 jaar).

De benodigde budgetten zijn gerelateerd aan de gedelegeerde taken. 10. De bedrijfsvoering van het Participatiebedrijf is beleidsarm; 11. Het toezicht op de uitvoering wordt vormgegeven vanuit het gemeentelijk bestuur. 12. De organisatie is transparant; 13. Sturing wordt vormgegeven langs de gedelegeerde taken (opgaven) en daaraan gerelateerde budgetten. De financiële verantwoording loopt mee met de gemeentelijke planning en control cyclus; 14. De samenwerkingsvorm is een lichte besturingsvorm; 15. Zeggenschap en financiering is in te richten naar inbreng en omvang van de taken die voor de deelnemende gemeenten worden uitgevoerd.

5.3 Keuze van de juridische vorm van het Participatiebedrijf In figuur 5.1 zijn de mogelijkheden samengevat voor de keuze van de juridische vorm van het Participatiebedrijf. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat het Participatiebedrijf een eigen juridische entiteit moet hebben aangezien het Participatiebedrijf in staat moet zijn om bedrijfsactiviteiten te organiseren, contracten daarvoor af te sluiten en samenwerking aan te gaan. Binnen deze kaders kan het Participatiebedrijf zowel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtsvorm kiezen. Zie de figuur hieronder.

26

Figuur 5.1

Overzicht van mogelijke juridische vormen voor het Participatiebedrijf

Op basis van de kaders zoals weergegeven in paragraaf 5.2 kunnen we concluderen dat het voor de hand ligt het Participatiebedrijf te organiseren in een publieksrechtelijke vorm, een gemeenschappelijke regeling: • Een belangrijk praktisch argument hiervoor is dat het werkgeverschap voor Sw-medewerkers in de Wet Sociale Werkvoorziening voorbehouden aan publiekrechtelijke organisaties. • Doordat rechtsvormen als een BV, NV of stichting niet gebaseerd zijn op het publiekrecht waardoor waarborgen als verantwoordings-en inlichtingenrelaties en openbaarheid afzonderlijk moeten worden geregeld. Een publiekrechtelijke rechtsvorm voor het Participatiebedrijf biedt meer waarborgen voor de inwoners en bedrijven van de deelnemende gemeenten. De publiekrechtelijke rechtsvorm biedt in de basis ook meer controlemogelijkheden voor de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten. • Daarnaast heeft een publiekrechtelijke vorm gezien de aard van de organisatie de voorkeur vanuit de kaders voor verbonden partijen. Gemeenschappelijke regelingen kennen drie vormen (zie figuur 5.1). Van deze drie vormen is het Gemeenschappelijk Orgaan minder passend, aangezien deze geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft om zelfstandig samenwerkingen aan te kunnen gaan.

Er zijn daarmee twee reële mogelijkheden voor de organisatie van het Participatiebedrijf: • Een gemeenschappelijk openbaar lichaam (OL) en; • De bedrijfsvoeringsorganisatie (BVO). In bijlage 1 worden het openbaar lichaam en de bedrijfsvoeringsorganisatie met elkaar vergeleken. Uit deze vergelijking komt naar voren dat er subtiele verschillen zijn tussen deze twee rechtsvormen. De bedrijfsvoeringsorganisatie heeft daarbij de voorkeur. De bedrijfsvoeringsorganisatie volgt het beleid van de deelnemende gemeenten terwijl dit bij een openbaar lichaam nader moet worden uitgewerkt. De bedrijfsvoeringsorganisatie heeft bovendien de voorkeur als gekeken wordt naar een overzichtelijke en beleidsarm besturingsmodel en slagkracht voor de organisatie. De raad kan daarbij via zienswijze op de begroting, bespreking van de jaarrekening en informatieplicht sturen. De ervaringen van de huidige gemeenten binnen de GR Paswerk, wat eveneens een bedrijfsvoeringsorganisatie is, zijn positief met dit bedrijfsmodel.

27

In het land komen beide vormen voor. Een voorbeeld van een bedrijfsvoeringsorganisatie voor uitvoering van taken vanuit de Participatiewet is Lucrato, het Participatiebedrijf van Apeldoorn en omgeving.

5.4 De inrichting van de governance De kern van een bedrijfsvoeringsorganisatie is het delegeren van (beleidsarme) taken. Deze taken zijn gerelateerd aan de drie opgaven die het Participatiebedrijf uitvoert voor de gemeenten: • Opgave 1: De organisatie van werkplekken voor inwoners met een arbeidsbeperking (Wsw, Nieuw Beschut); • Opgave 2: Re-integratie van kandidaten met een overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt • Opgave 3: De organisatie van leerwerkplekken voor jongeren die zijn uitgevallen uit het onderwijs. De beleidskaders vanuit de gemeenten zijn voor het Participatiebedrijf leidend voor de uitvoering deze opgaven. Meerjarig kaderprogramma Voor de uitvoering van de taken worden er structurele kosten gemaakt door het Participatiebedrijf. Door meerjarige afspraken over de uitvoering vastgelegd in een programma (kaderprogramma /beschikking) zijn de taken en budgetten gealloceerd. Belangrijk voordeel van het werken vanuit een kaderprogramma is dat de opgave en budgetten meegenomen worden in de gemeentelijke begroting en onderdeel zijn van de plannings- en control cyclus. Op dit moment komt het voor dat begrotingen van Werkpas Holding en de gemeentelijke budgetten niet op elkaar aansluiten waardoor er spanning ontstaat in de samenwerking.

Vanuit het kaderprogramma worden afspraken gemaakt over de rapportering en inzichten die vanuit de uitvoering aan de opdrachtgever gegeven worden. Voor de uitvoering van de re-integratie taak worden er met de gemeenten, en voor de organisatie van de leerwerkplekken met het Leerplein, afspraken gemaakt. Deze afspraken worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst. Over de uitvoering van deze afspraken is op onderdelen soms bijsturing gewenst op basis van ontwikkelingen bij gemeenten, politiek, doelgroep, arbeidsmarkt of bedrijfsvoering. Hierover vindt overleg plaats tussen uitvoeringsorganisatie en gemeenten/Leerplein.

Het voordeel van deze opzet is dat: • Vanuit een meerjarig kaderprogramma worden de lange termijn kaders aangegeven; • In dienstverleningsovereenkomsten worden specifieke afspraken vastgelegd per deelnemende gemeente en leerplein /Nova-college over re-integratie, respectievelijk leerwerktrajecten; • Vanuit afstemming (afhankelijk van de behoefte) tussen het Participatiebedrijf en gemeenten of Leerplein kan door het Participatiebedrijf op onderdelen van de uitvoering worden bijgestuurd; • Door afstemming tussen Participatiebedrijf en gemeenten of Leerplein worden ervaringen vanuit de uitvoering meegenomen in het tot stand komen van beleid waarmee voorkomen wordt dat de uitvoeringsorganisatie geconfronteerd wordt met kaders die niet aansluiten op de uitvoering en ervaringen. • Het Participatiebedrijf heeft ruimte om te ondernemen vanuit een meerjarig kaderprogramma en heeft aansluiting op ontwikkelingen bij gemeenten en Leerplein. Met deze opzet kunnen de gemeenten sturen op het te voeren beleid. Ook kunnen specifieke afspraken worden gemaakt over de dienstverlening en kan het Participatiebedrijf als onderneming deze taken en afspraken efficiënt organiseren. De eigenaar zal op de uitvoering van het beleid moeten blijven sturen, maar dit loopt deels ook tussen gemeente als opdrachtgever via dienstverleningsopdrachten.

Een belangrijk voordeel ten opzichte van de huidige situatie bij Werkpas Holding is dat in een GR wethouders de bestuurders zijn en dat daardoor bevoegdheden dichter bij de gemeenten georganiseerd blijven. Dit geeft voor de gemeenten als eigenaar meer ruimte om 28

meer vanuit de combinatie van opgave (maatschappelijke bijdrage) en inzet van middelen (budgetten) te sturen. Sturing vanuit colleges en raden Het bestuur wordt gevormd door afgevaardigden van de colleges. De gemeenteraden kunnen de colleges om uitleg vragen op het gevoerde beleid. De bedrijfsvoeringsorganisatie als gemeentelijke regeling moet daarnaast bepalingen bevatten over hoe gemeenteraden van de deelnemende gemeenten de leden van het bestuur tot verantwoording kunnen roepen en hoe het bestuur de raden informatie verstrekt. Insteek is dat de huidige lijn die voor Paswerk wordt gevolgd ook voor het Participatiebedrijf op dit punt gehandhaafd blijft. Bij het goedkeuren van de kadernota, de jaarrekening/-verslag en begroting wordt gebruik gemaakt van de zienswijzeprocedure. Zeggenschap en verdeling bevoegdheden Bij de inrichting van de gemeenschappelijke regeling is het mogelijk om afspraken te maken over de samenwerking, zeggenschap en bevoegdheden van de bestuurders en directeur. In bijlage 2 (Inrichten Participatiebedrijf) is kort weergegeven welke keuzes daarbij in het algemeen te maken zijn. Voor de zeggenschap zal een balans gevonden moeten worden tussen de inbreng van elke gemeente en het door elke gemeente kunnen uitoefen van invloed op het te voeren beleid.

De stemverhouding en zeggenschap dienen in een vervolgfase nader te worden uitgewerkt en vertaald naar het regelement voor de gemeenschappelijke regeling. In de tekst van de GR en onderliggende documenten kan verder worden afgesproken welk mandaat de directeur heeft met betrekking tot de bedrijfsvoering. Dit mandaat moet voldoende ruim zijn om op dagelijkse basis het Participatiebedrijf te runnen. Overigens is de insteek om risico’s gerelateerd aan de uitvoering van afzonderlijke opdrachten primair te regelen vanuit de afspraken met opdrachtgevers. Voor nieuwe opdrachten die niet vallen binnen bestaande taken geldt ook dat zij aan moeten sluiten op de activiteiten van het Participatiebedrijf. Grote besluiten over nieuwe activiteiten kunnen worden voorbehouden aan het bestuur. Het bestuur kan daarbij per geval voorwaarden stellen zoals het beleggen van de risico’s in de contracten met de opdrachtgever.

29

6 Integratie van de leerwerkactiviteiten voor jongeren in het Participatiebedrijf 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is aangegeven dat het organiseren van leerwerkplekken voor jongeren die zijn uitgevallen uit het onderwijs een van de drie taken/opgaven is die door het Participatiebedrijf worden georganiseerd. In de praktijk betekent dit dat de activiteiten van Leerwerkbedrijven Kennemerland/Perspectief (hierna aangeduid als ‘Perspectief’) worden geïntegreerd in het Participatiebedrijf. Daarbij is een complicerende factor dat het hierbij gaat om een activiteit die valt buiten de verantwoordelijkheid van Werk & Inkomen/Wsw. Het gaat namelijk om leerwerktrajecten die voortkomen en gefinancierd worden vanuit de onderwijskolom (GR Leerplein en beroepsonderwijs). Daarbij komt dat de activiteit wordt uitgevoerd voor een bredere regio dan alleen de vier gemeenten die deelnemen in het Participatiebedrijf (met name de IJmond regio, zie hoofdstuk 4). Het is om deze reden van belang om uitgebreider stil te staan bij hoe het opdrachtgeverschap met betrekking tot deze activiteit er uit zou kunnen zien en hoe vanuit de uitvoeringsopzet en financiering de risico’s tussen Participatiebedrijf en de opdrachtgevers van deze activiteit evenwichtig verdeeld zijn. Als achtergrondinformatie zijn in bijlage 3 de kenmerken van Perspectief verder uitgewerkt.

6.2 Helder opdrachtgeverschap Bij het vormgeven van de opleidingstaak is het van belang dat er helderheid is over de uit te voeren opdracht en de schaal daarvan. Het Participatiebedrijf werkt daarbij vanuit een eenduidige opdracht. In onderstaande figuur is weergegeven wat daarbij de gewenste situatie is. Figuur 6.1: Opzet Uitvoeringsstructuur

Het Leerplein is, namens gemeenten die kandidaten bij Perspectief plaatsen, opdrachtgever. Het NOVA-college is opdrachtgever vanuit het onderwijs. Het Leerplein coördineert de afstemming met het onderwijs. Door deze coördinerende rol van het Leerplein ontstaat er eenheid in het opdrachtgeverschap. Het Participatiebedrijf heeft daarmee voor de uitvoering van deze activiteiten

30

één gesprekspartner. Het bestuur van het Participatiebedrijf bepaalt daarbij de kaders vanuit bedrijfsvoering. Deze situatie is in onderstaande figuur uitgewerkt. Via de Raad van Advies, adviseren betrokken stakeholders over de uitvoering aan het Leerplein. De adviezen worden door het Leerplein meegenomen in de afspraken over de uitvoering.

6.3 Uitvoeringsopzet en financiering De uitvoering van de leerwerktrajecten vindt plaats binnen de bedrijfsactiviteiten van het Participatiebedrijf. Met de vorming van het Participatiebedrijf ontstaan er meer mogelijkheden om de leerwerkplekken onderdeel te laten worden van de brede infrastructuur die in het Participatiebedrijf aanwezig is. Dit biedt synergievoordelen en een breder werkaanbod. Randvoorwaarde is dat het specifieke kenmerk van de leerwerktrajecten, het werkend leren, behouden blijft. Vanuit de ‘Stip op de Horizon’ zal ook bij de organisatie van de Leerwerktrajecten gekeken worden of een meer flexibel uitvoeringsmodel mogelijk is in samenwerking met lokale partners. Voor een kostendekkende exploitatie met de bestaande leerwerkactiviteiten is een minimaal aantal van 50 kandidaten per jaar nodig, Voor het Participatiebedrijf is dus een belangrijke voorwaarde dat de opdrachtevers minimaal dit aantal kandidaten toeleiden naar de leerwerkactiviteiten. Dit is de verantwoordelijkheid van het Leerplein. Het Leerplein is namens de gemeenten verantwoordelijk voor het laten instromen van deze kandidaten. Daarnaast is een belangrijke voorwaarde voor het Participatiebedrijf dat het voor een sluitende exploitatie niet afhankelijk is niet-structurele geldstromen. In het verleden is er sprake geweest van ESF-subsidiering van leerwerktrajecten.

Het is onzeker of ook in de toekomst ESF gelden beschikbaar zullen zijn. De vergoeding die het Participatiebedrijf ontvangt van haar opdrachtgevers moet dus in principe dekkend zijn zonder ESF.3 Dit wordt verwerkt in de vergoeding die de gemeenten betalen per kandidaat. Die vergoeding ligt dus duidelijk hoger dan in het verleden. Indien ESF-subsidiering in de toekomst toch beschikbaar komt, zal deze als ‘tijdelijke’ korting in mindering worden gebracht op de vergoeding vanuit de gemeenten. Uitgaande van dit principe komen de vergoedingen die gemiddeld dienen te worden betaald bij 50 kandidaten vanuit de opdrachtgevers uit op: • Vergoeding vanuit het onderwijs (Onderwijssubsidie en Diplomavergoeding totaal € 414.000) • Vergoeding vanuit de gemeenten (Gemeentelijke subsidie totaal € 375.000) Bij deze vergoedingen is uiteraard rekening gehouden met de omzet die het Participatiebedrijf aan de bedrijfsmatige kant genereert met de leerwerkactiviteiten (restaurantomzet en productie). Deze uitvoerings- en financieringsopzet in combinatie met de invulling van het opdrachtgeverschap via het Leerplein is de basis om vanuit het Participatiebedrijf de continuïteit en de kwaliteit te kunnen waarborgen.

3

In november 2020 kan een nieuwe ESF-aanvraag voor de periode 2021-2027 worden gedaan. De verwachting is dat er in de periode 2021 t/m 2027 wederom ESF-subsidie voor de leerwerkactiviteiten beschikbaar zal zijn.

31

7 Toekomstscenario Werkdag en het Buurtbedrijf 7.1 Inleiding In 2019 hebben 325 inwoners gebruik gemaakt van de activiteiten van Werkdag BV4. Van deze inwoners werken de meesten op eigen activiteiten van Werkdag BV veelal georganiseerd in de locatie van Paswerk. Daarnaast zijn er inwoners werkzaam op andere activiteiten binnen de Werkpas Holding: • 57 inwoners werken bij de Snuffelmug; • 5 inwoners werken bij het Buurtbedrijf Haarlem; • 1 inwoner werkt bij het Fietsendepot; • 40 inwoners werken bij De Verbeelding Bij het buurtbedrijf zijn er medio 2020 de volgende doelgroepen actief: • 5 Sw-medewerkers • 15 kandidaten vanuit re-integratie • 8 kandidaten vanuit dagbesteding • 13 vrijwilligers (vanuit de wijk) • 3 overige (GGZ en De Berijder) In hoofdstuk 2 is aangegeven dat het de ambitie is om de activiteiten van het Participatiebedrijf te richten op het organiseren van de (toeleiding naar) betaald werk. Het organiseren van dagbestedingsactiviteiten voor doelgroepen die (nog) niet in staat zijn om in een betaalde baan aan het werk te gaan behoort daardoor niet tot de taken van het Participatiebedrijf. Vanuit deze situatie geredeneerd betekent dit, dat voor de activiteiten die in de Werkpas Holding worden georganiseerd via Werkdag (met daarbinnen ook de activiteiten van De Verbeelding) en Buurtbedrijf Haarlem moet worden gezocht naar een alternatief scenario.

Uitgangspunt daarbij is dat de activiteiten van Werkdag en het Buurtbedrijf voor de inwoners die daar hun dagbesteding vinden van grote waarde is. Er is daarom gekeken naar alternatieve mogelijkheden om deze activiteiten te behouden. Hieronder gaan we vooral in op het voorgestelde scenario voor de toekomst van Werkdag en Buurtbedrijf Haarlem. Voordat we hierop ingaan staan we eerst stil bij de beleidsontwikkeling binnen de gemeente Haarlem en Zandvoort (als huidige eigenaren en belangrijkste opdrachtgevers van Werkdag en Buurtbedrijf). Voor verdiepende informatie over de activiteiten en organisatie van Werkdag en Buurtbedrijf Haarlem verwijzen wij naar Bijlage 4.

7.2 Beleidsontwikkeling Een belangrijke context voor het onderzoek naar het toekomstscenario voor Werkdag BV en Buurtbedrijf Haarlem is de ontwikkeling van de sociale basis waar de gemeente Haarlem en Zandvoort de laatste jaren naar toe werken. Insteek is het aanbod te laten aansluiten op de behoefte binnen de verschillende wijken in Haarlem en binnen Zandvoort. Belangrijke effecten die de gemeenten daarbij willen realiseren in de arbeidsmatige dagbesteding: • Activiteiten en werk worden meer in de wijk georganiseerd. Er wordt vanuit gegaan dat inwoners naar een (werk)plek gaan en niet dat de activiteiten of het werk op een centrale locatie georganiseerd wordt; 4 Dit betreft vooral inwoners vanuit de gemeenten Haarlem en Zandvoort, vanuit Heemstede en Bloemendaal hebben 7

respectievelijk 4 inwoners gebruik gemaakt van deze voorziening.

32

• • •

Samenwerking met andere partijen in de wijk om tot een gezamenlijk beeld te komen over wat de behoefte is van inwoners; Verbinding met sociale ondernemers, of dat (sociale)ondernemers gesubsidieerd worden om iets extra’s te betekenen voor inwoners die op die plekken anders niet terecht zouden kunnen; In afstemming met de andere aanbieders van arbeidsmatige dagbesteding wordt invulling gegeven aan de verbinding met re-integratie naar werk (geen schotten) en opvang van Swmedewerkers die tijdelijk terugvallen.

Binnen de gemeente Haarlem wordt de uitvraag voor de subsidiering in het kader van de sociale basis voorbereid. Dit gaat leiden tot een subsidietoekenningstraject (april 2021-oktober 2021) waarin ook de subsidie voor Waardevol Werk voor de periode 2022-2025 wordt vastgesteld. De gemeente Zandvoort is zich aan het oriënteren hoe de lokale dienstverlening in het kader van Waardevol Werk het beste kan worden gecontinueerd in samenhang met de “Circulaire Hotspot”. Voor het realiseren van het toekomstscenario van Werkdag en het Buurtbedrijf is het van belang om te onderkennen dat er mogelijke samenloop zal treden tussen de gewenste overdracht van activiteiten van Werkdag en Buurtbedrijf Haarlem, het subsidietraject van de sociale basis 2022-2025 en de ontwikkelingen in Zandvoort. Beide processen dienen daarom op elkaar afgestemd te worden.

7.3 Toekomstscenario Aangezien de dagbestedingsactiviteiten geen onderdeel uit zullen maken van het Participatiebedrijf en de activiteiten voor inwoners die er gebruik van maken van grote waarde zijn is het voorstel om de activiteiten van Werkdag inclusief De Verbeelding en het Buurtbedrijf Haarlem over te dragen aan een derde partij. Daarvoor zien wij de volgende opties: 1) Overname van de activiteiten door 1 partij (Werkdag en Buurtbedrijf samen); 2) Voor Werkdag is het gezien de omvang van de activiteiten ook denkbaar dat de overname door meerdere partijen plaatsvindt; 3) Voor het Buurtbedrijf en haar relatie met woningbouwcoöperaties heeft het de voorkeur om te komen tot overname door één partij; 4) Voor zowel Werkdag als Buurtbedrijf is er daarnaast nog de optie voor verzelfstandiging. Er zijn meer dan 15 partijen in de regio al actief met het organiseren van arbeidsmatige dagbesteding. Deze activiteiten zijn gericht op doelgroepen zoals mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, mensen met GGZ-problematiek, psychisch kwetsbare mensen, mensen met een verstandelijke beperking, en dak- en thuisloze verslaafde mensen. De financiering van deze activiteiten door gemeenten gebeurt in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). In totaal is het subsidiebedrag voor arbeidsmatige dagbesteding meer dan 2 miljoeneuro per jaar.

Er zijn in het kader van dit onderzoek met meerdere externe partijen oriënterende gesprekken gevoerd om de interesse in de overname van de activiteiten vast te kunnen stellen. Daarbij hebben twee partijen aangegeven geïnteresseerd te zijn om mogelijkheden en voorwaarden voor de overname in een eventueel vervolgtraject verder te willen onderzoeken. De activiteiten van Werkdag/Buurtbedrijf sluiten aan bij de doelgroepen die zij bedienen. Het vergroten en verbreden van het aanbod in deze dienstverlening past binnen de strategie van deze organisaties. Ook de interesse in mogelijke verzelfstandiging onderzocht met een belangstellende en mits er wordt voldaan aan enkele belangrijke voorwaarden is ook dit een optie die in een vervolgtraject nader kan worden onderzocht. 33

Voor zowel de overname of verzelfstandiging van Werkdag als van het Buurtbedrijf Haarlem heeft het de voorkeur om dit te realiseren via een naadloze overname. Bij een naadloze overname gaan regulier personeel, gedetacheerde Sw-medewerkers, bedrijfsmiddelen en contracten geheel over. Voor het Buurtbedrijf Haarlem is de optie van een naadloze overname reëel. Belangrijk kansen daarbij zijn de sluitende exploitatie en de maatschappelijke behoeften die worden ingevuld. Voor Werkdag BV ligt hier een grotere uitdaging aangezien de activiteiten op onderdelen mogelijk onvoldoende aansluiten op de uitgangspunten van de sociale basis. In deze uitgangspunten wordt meer ingezet op wijkgericht werken, werken bij organisaties en bedrijven en minder het werk zelf op een centraal punt organiseren en aansluiting van het werk op de behoefte van deelnemers. Om ook voor Werkdag BV een naadloze overname te kunnen realiseren is een nauwe samenwerking tussen Werkpas Holding, Werk & Inkomen Haarlem/Zandvoort en Maatschappelijke Ondersteuning Haarlem/Zandvoort nodig. Daarbij zal enerzijds gekeken moeten worden naar de kaders die vanuit de uitvraag rondom de sociale basis worden gesteld en anderzijds naar de stappen die gezet worden in kader van de overdracht van Werkdag BV.

7.4 Vervolgstappen Voor een naadloze overname is het van belang om een verder verdiepend onderzoek uit te voeren waarin Werkpas Holding, Werk & Inkomen Haarlem/Zandvoort en Maatschappelijke Ondersteuning Haarlem/Zandvoort samen optrekken. Naast verdere oriënterende gesprekken met potentiële overname partijen voor Werkdag BV en Buurtbedrijf Haarlem is het van belang een gezamenlijk plan van aanpak op te stellen voor het vervreemdingstraject in combinatie met de subsidieverstrekking. De belangrijkste opgave voor het onderzoek is het bepalen van de gewenste aanpak om: • Te komen tot een ‘gelijk speelveld’ waarin de gemeente zelf geen aanbieder meer is, maar het aanbod volledig door private partijen wordt vormgegeven; • Aan te sluiten op de beleidsmatige kaders vanuit de sociale basis (w.o. wijkgericht werken); • Schotten in de re-integratie van kandidaten te voorkomen en het mogelijk maken van simpel switchen waarbij Sw-medewerkers die uitvallen worden opgevangen in de dagbesteding en dat doorstroom vanuit de dagbesteding naar werk op elkaar aansluit; • Waardevolle werk voor de doelgroep te borgen; • Te komen tot een zorgvuldige overgang van de doelgroep; • Frictiekosten te voorkomen en werkgelegenheid voor reguliere medewerkers te behouden.

Op basis van het onderzoek wordt de verdere aanpak bepaald die de meeste mogelijkheden biedt om de doelstelling in het overdragen van Werkdag en Buurtbedrijf Haarlem te realiseren. De verwachting is dat het vervolgproces in de 1e helft van 2021 kan worden gestart. Het is aan de Werkpas Holding, als eigenaar van Werkdag en Buurtbedrijf om deze opgave op te pakken.

34

8 Verwachte financiële exploitatie en maatschappelijke effecten 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk is de verwachte financiële exploitatie en de verwachte maatschappelijke effecten van de vorming van het Participatiebedrijf uitgewerkt. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de effecten van Corona aangezien deze op het moment van opstellen van deze rapportage nog lastig te kwantificeren waren. Wel wordt hier in kwalitatieve zin op ingegaan.

8.2 Opgaven en budgetten Het Participatiebedrijf richt zich bij de uitvoering op drie opgaven: 1. Het organiseren van Werkplekken voor Wsw en Nieuw Beschut medewerkers; 2. De organisatie van re-integratietrajecten voor kandidaten met een grote maar overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt (inclusief deelname in het Werkgeversservicepunt/dienstverlening werkgevers); 3. Het organiseren van leerwerktrajecten voor leerlingen die zijn uitgevallen in het regulier onderwijs (in opdracht van de GR Leerplein en het NOVA-college). De beschikbare budgetten voor de uitvoering van deze opgaven zijn hieronder weergegeven. In bijlage 5 is de verdeling van deze budgetten per gemeente uitgewerkt. Tabel 8.1 Opgave Werk Werk Re-integratie

Overzicht begrote gemeentelijke bijdrage per opgave (bedragen x € 1000) Beschrijving Uitvoering Wsw Uitvoering Nieuw Beschut Re-integratie kandidaten met afstand tot de arbeidsmarkt

Totaal

2021 17.629 1.860 2.810

2022 17.155 2.076 2.494

2023 16.737 2.297 2.495

22.299

21.725

21.529

De kosten van de uitvoering van Nieuw Beschut zijn hoger dan de rijksbijdrage voor deze doelgroep. De gemeentelijke bijdrage voor 2022 en 2023 is daarom nog niet definitief. Met Werkpas Holding is besproken dat de komende twee, maximaal drie jaar wordt toegewerkt naar een sluitende businesscase. Voor 2021 zal met Werkpas Holding een afspraak ten aanzien van de ontwikkelopdracht gemaakt worden. In Bijlage 5 is hier nadere informatie over opgenomen. De bijdragen vanuit de GR Leerplein en het onderwijs voor de Leerwerktrajecten zijn apart in de begroting opgenomen. Bij de inschatting van het beschikbare budget voor de Leerwerktrajecten is uitgegaan van de uitgangspunten zoals weergegeven in hoofdstuk 6 (minimaal 50 leerlingen op jaarbasis).

8.3 Exploitatie van het Participatiebedrijf In tabel 8.2 is een inschatting weergegeven van de exploitatie van het Participatiebedrijf. De huidige exploitaties van de activiteiten die mee overgaan zijn daarvoor de basis. Aan de opbrengstenkant is daarin naast de in paragraaf 8.2 weergegeven bijdragen van de gemeenten, de omzet van de werkbedrijven een belangrijke component. Het gaat dan om de omzet vanuit de volgende bedrijfsactiviteiten: Detacheringen, Diensten (Groen en Schoonmaak), Techniek, Grafisch, Beschut werk, Post, Kringloop, Fietsenstalling en de bedrijfsmatige omzet van Perspectief. In de exploitatie is rekening gehouden met een afbouw van de werkorganisatie met 2-3% per jaar door het saldo van de ontwikkeling van het aantal medewerkers vanuit Sw (afname) en Nieuw Beschut (toename). De per saldo afname het aantal medewerkers maakt dat de omzet vanuit

35

werkactiviteiten jaarlijks afneemt. Ook is rekening gehouden met een prijsindexatie van 1,5% per jaar. Uitgangspunt in de exploitatie is dat de afzonderlijke bedrijfsactiviteiten gerelateerd aan de opgaven een sluitende begroting hebben. Voor Pasmatch is er op dit moment sprake van een tekort van € 158.000 in 2021. Voorzien is dat het tekort voor 1 januari 2022 zal worden opgelost. Deze opgave ligt bij het management van Werkpas Holding. Uitgangspunt voor het Participatiebedrijf is dus dat er per 1 januari 2022 sprake is van een sluitende exploitatie van de re-integratie activiteiten. Tabel 8.2

Indicatieve exploitatie van het Participatiebedrijf op hooflijnen (bedragen x € 1000)

Begroting 2021 – 2023

2021

2022

2023

Opbrengsten vanuit werkactiviteiten (netto omzet)

11.401

11.018

10.759

Gemeentelijke bijdragen i.r.t. opgaven

22.299

21.725

21.9529

789

801

813

34.489

33.544

33.101

Personeelskosten doelgroep medewerkers

21.162

20.651

20.314

Personeelskosten reguliere medewerkers

9.274

8.818

8.688

Overige bedrijfskosten (incl. financiële baten en lasten)

4.251

4.273

4.298

Doorbelasting aan Werkdag/Buurtbedrijf

-199

-199

Bijdrage Leerwerktrajecten (Leerplein /NOVA-college) Totaal Opbrengsten Kosten bedrijfsvoering

Te realiseren besparingen vanaf 2023 Totaal kosten Exploitatieresultaat

-199 34.489

33.544

33.101

0

0

0

Om tot bovenstaande inschatting van de exploitatie te komen is in de projectgroep onderzoek gedaan naar mogelijke positieve en negatieve financiële effecten van de vorming van het Participatiebedrijf. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in tabel 8.2 en worden hieronder samengevat: • De organisaties van Paswerk en Werkpas Holding zijn ook nu al in sterke mate geïntegreerd. Directie en ondersteunende diensten zijn ook nu al centraal georganiseerd. Uit de samenvoeging van beide organisaties is dan ook geen direct financieel synergie-effecten te verwachten; • Het samenvoegen van bedrijfsonderdelen tot één bedrijf heeft mogelijk een klein positief effect op de kosten van directie en management. Op het grote geheel betreft dit echter een marginale besparing en valt binnen de onzekerheidsmarge. Een aanpassing van de besturing en managementstructuur kan mogelijk tot een meer substantiële besparing leiden, maar is pas in het vervolgtraject (bij de uitwerking van deze structuur) te bepalen; • Gezien de blijvende opdracht om de Wsw gerelateerde werkbedrijven langzaam af te bouwen met 2-3%, is er geen extra besparing voorzien vanuit efficiëntere begeleiding van medewerkers; • Doordat in de nieuwe situatie alle reguliere medewerkers in dienst zijn bij één organisatie is het gemakkelijker om deze flexibel in te zetten binnen de verschillende activiteiten.

Dit verhoogt de efficiency. Dit mogelijke effect is niet gekwantificeerd; • Voor het onderdeel re-integratie ligt er de opgave om te komen tot een flexibele schil van 5% om toekomstige fluctuaties in aantallen kandidaten mee op te vangen; • Er is geen rekening gehouden met eventuele toekenning van mogelijke ESF of andere subsidies. Het beschikbaar komen van subsidies i.r.t. de activiteiten van het Participatiebedrijf zou leiden tot een lagere minimum vergoeding voor de gemeenten van het Leerplein voor de leerwerktrajecten voor jongeren.

36

•

•

Met het afstoten van Werkdag BV en het Buurtbedrijf Haarlem vallen ook bijdragen voor de huur en ondersteunende diensten weg. Het uitgangspunt in bovenstaande exploitatie is dat het management van het Participatiebedrijf komt tot afbouw van de kosten voor ondersteunende diensten en tot nieuwe huuropbrengsten. De managementopgave bedraagt daarmee € 199.000. De verwachting is dat deze besparing binnen een jaar gerealiseerd kan worden. Voor de begeleiding van medewerkers binnen de werkactiviteiten en jongeren binnen de leerwerkactiviteiten gaan de huidige reguliere medewerkers die dit werk uitvoeren mee over naar het nieuwe Participatiebedrijf. Van het personeel dat wordt ingezet op re-integratie en ondersteunende diensten gaat het vaste personeel mee over naar het Participatiebedrijf. De realisatie van de besparingsopdracht op re-integratie en ondersteunde diensten heeft mogelijk effect op de flexibele schil binnen deze activiteiten.

Op basis van het bovenstaande concluderen wij dat met de huidige budgetten een sluitende exploitatie van het Participatiebedrijf mogelijk is. Wel heeft WPH voorafgaand aan de overdracht aan het Participatiebedrijf een managementopgave gerelateerd om de exploitatie op het terrein van de re-integratieopdracht. De afbouw van de ondersteunende diensten vanuit de GR Paswerk aan Werkdag is beschouwd als een managementopgave voor het Participatiebedrijf. De verwachte overdracht van de activiteiten van Werkdag en Buurtbedrijf aan een derde partij leidt mogelijk ook tot aanvullende frictiekosten. In hoofdstuk 9 wordt hier nader op ingegaan.

8.4 Exploitatie per opgave, werk, re-integratie en leerwerktrajecten In de exploitatie van het Participatiebedrijf is de insteek dat de beschikbare budgetten dekkend zijn voor de uitvoering van afzonderlijke opgaven. Dit is per opgave voor 2021 in onderstaand overzicht uitgewerkt. Tabel 8.3

Overzicht exploitatie per opgave (bedragen x € 1.000)

Begroting 2021

Werk

Re-integratie

Opbrengsten uit werkactiviteiten (netto omzet)

10.837

Gemeentelijke bijdragen i.r.t. opgaven

19.489

30.326

Totaal

564 2.810

Bijdrage opgave Leerwerktrajecten Totaal opbrengsten

Leerwerktrajecten

2.810

11.401 22.299

789

789

1.353

34.489

Kosten bedrijfsvoering Personeelskosten doelgroep medewerkers

21.162

Personeelskosten reguliere medewerkers

6.055

2.232

986

9.274

Overige bedrijfskosten (incl. fin. baten en lasten)

3.307

577

367

4.251

Gerealiseerde besparing /bijdrage vanuit frictiekosten

-199

0

0

-199

30.326

2.810

1.353

34.489

0

0

0

0

Totaal kosten Exploitatieresultaat

21.162

Zoals uit het overzicht blijkt is het onderdeel werk in financieel opzicht het grootste onderdeel binnen het Participatiebedrijf, zowel bezien vanuit de opbrengsten uit werkactiviteiten als bijdragen vanuit de gemeenten. Het onderdeel werk heeft de uitdaging om te gaan met een krimpend bestand van medewerkers. Het Participatiebedrijf realiseert sluitende exploitaties voor de drie opgaven. Het sturen op opgaven en beschikbare budgetten die ook voor meerdere jaren opgenomen worden in de gemeentelijke

37

begrotingen draagt bij aan financiële duidelijkheid en effectieve inrichting van de organisatie. De exploitaties in de jaren 2022 en 2023 laten een vergelijkbaar beeld zien.

8.5 Stip op de horizon: meer samenwerking met lokale partners In hoofdstuk 3 is aangegeven dat het de ambitie is om het Participatiebedrijf op langere termijn door te ontwikkelen naar een uitvoeringsorganisatie die in toenemende mate samenwerkt met en gebruik maakt van de kennis, expertise en infrastructuur van lokale partners. Hieronder beschrijven we in kwalitatieve zin de mogelijke maatschappelijke en financiële effecten hiervan. Effect van de samenwerking op re-integratie Vanuit samenwerking met partners voor de uitvoering van re-integratie activiteiten wordt een positief effect verwacht op de effectiviteit door meer flexibiliteit in de aanpak voor specifieke doelgroepen. Door daarnaast samen te werken met werkgevers bij het ontwikkelen van kandidaten verwachten we dat daarnaast de effectiviteit toeneemt. Samen leidt dit tot een positief maatschappelijk effect: meer succesvol afgeronde trajecten. Echter door de bezuinigingsopgave om op re-integratie te komen tot een sluitende exploitatie zal dit effect beperkt worden. Per saldo verwachten wij dat op termijn het maatschappelijk resultaat licht stijgt. Effect van samenwerking in werk De samenwerking in werk is te realiseren voor onderdelen in de dienstverlening, zoals groenvoorziening, schoonmaak, postbezorging en grafische werkzaamheden.

Ook zijn op andere plaatsen in het land succesvolle samenwerkingen gerealiseerd in productieafdelingen met een onderscheidend ‘eigen’ product. Samenwerking bij eenvoudige assemblage of productieactiviteiten, die veel voorkomen bij beschut werk, zijn lastiger te privatiseren of in samenwerking te organiseren omdat een sluitende businesscase vaak ontbreekt. Wel is het mogelijk om beschutte werkplekken op de locatie van werkgevers te creëren of om bepaalde productieactiviteiten door sociale ondernemers te laten organiseren die gericht zijn op deze beschutte doelgroep met specifieke proposities. Een andere mogelijkheid is er om bedrijven in de eigen locatie te integreren en deze daar delen van de productie over te laten nemen of activiteiten voor deze doelgroep te laten ontwikkelen. Door de afname van het aantal Sw-medewerkers komt er ook een moment waarop bepaalde activiteiten niet meer zelf zijn uit te voeren. Dit zal als eerste gelden voor de dienstverleningsactiviteiten. Om werkgelegenheid te behouden is het beter om tijdig voor deze activiteiten samen te werken met een derde partijen waarbij ook andere doelgroep kandidaten op dit werk ingezet kunnen worden. Samenwerking is in dit opzicht noodzakelijk omdat anders een aantal van deze activiteiten voor deze doelgroep wegvallen en werkgelegenheid voor deze doelgroep verdwijnt.

De financiële voordelen van deze samenwerking voor het Participatiebedrijf zijn veelal beperkt. Effecten zijn vooral gerelateerd aan: • Het beperken van het bedrijfsrisico, afbouw van kosten en realiseren van meer beleidsruimte; • ‘Inclusiviteit’, door ondernemerschap te beleggen bij het bedrijfsleven en mensen uit de doelgroep daar te plaatsen; • Het focussen op de kerntaak, het zoeken van passend werk en daarop medewerkers ontwikkelen, plaatsen en begeleiden. • Het (langer) kunnen continueren van activiteiten voor een bredere doelgroep vanuit de baanafspraak. Door de doorontwikkeling van het Participatiebedrijf en de samenwerking op re-integratie wordt een duurzame uitvoeringsstructuur ontwikkeld met meer beleidsruimte en flexibiliteit in de uitvoering.

38

Met het overdragen van Werkdag BV en samenwerking met lokale partners vermindert de behoefte aan een grote eigen werklocatie. Ook met de afname van het aantal Sw-medewerkers neemt de huisvestingsbehoefte af. Ook nu al nu worden delen van de locatie Cruquius verhuurd aan derden. De invulling van de huisvesting is daarmee een belangrijk onderdeel van de realisatie van deze ‘Stip op de Horizon’. In dit onderzoek zijn de mogelijke effecten niet nader onderzocht.

8.6 Inschatting maatschappelijke effecten In grote lijnen is de verandering die het Participatiebedrijf met zich meebrengt als volgt samen te vatten: • Versterking van de samenwerking tussen de gemeenten Haarlem, Zandvoort, Heemstede en Bloemendaal op het terrein van de organisatie van en toeleiding naar betaald werk voor de doelgroepen van het Participatiebedrijf • Meer focus op 1 doel: de organisatie van en toeleiding naar betaald werk • (Verdere) integratie van de kennis, expertise en netwerken van Paswerk en WPH • Stip op de horizon: meer samenwerking met partners en werkgevers in de stad en de dorpen op het terrein van re-integratie en het organiseren van werk voor de doelgroep met een arbeidsbeperking (Wsw, nieuw-beschut, banenafspraak) Potentiële effecten Door de projectgroep is in het onderzoek een analyse uitgevoerd wat deze verandering in potentie ten opzichte van de huidige situatie kan opleveren voor de doelgroepen die bediend worden door het Participatiebedrijf en voor werkgevers/partners. In onderstaande tabel zijn de verwachte kwalitatieve effecten samengevat: Tabel 8.4: Potentiële effecten van de vorming van het Participatiebedrijf en de Stip op de Horizon voor doelgroepen en voor werkgevers/partners Stakeholder Doelgroepen: Wsw, nieuwbeschut, baanafspraak, reintegratie, jongeren

Werkgevers /partners

Potentiële effecten • Betere kwaliteit van de dienstverlening voor de gehele doelgroep van het Participatiebedrijf, door het centreren van specifieke en specialistische kennis over de doelgroep; • De doelgroepen hebben de beschikking over een grote diversiteit aan werk- en ontwikkelplekken voor een optimale passende werkomgeving vanuit een breed netwerk bij werkgevers en eigen werkactiviteiten; • De inzet van kennis, faciliteiten en ontwikkeling gericht op empowerment, persoonlijke kwaliteiten en werkvaardigheden, versterkt de persoonlijke ontwikkeling en draagt bij aan de arbeidsproductiviteit, vitaliteit en het zo regulier mogelijk werken bij een zo regulier mogelijke werkgever; • Behoud van arbeidsritme door het gemakkelijk kunnen sturen op in- door- uit- en terugstroom van medewerkers, waar nodig op eigen werkactiviteiten; • Door centrale regie op de re-integratie van kandidaten de inzet van benodigde dienstverlening, het inschakelen van specialistische partners en bewaking van de voortgang is er voor elke kandidaat een sluitende en effectieve aanpak afgestemd op de behoefte van de kandidaat; • Partners worden actief ingezet vanuit specialistische en specifieke kennis en onderscheidende werkwijzen; • Het Participatiebedrijf werkt nauw samen met maatschappelijke organisaties, onderwijs- en re-integratie organisaties in de regio gericht op het versterken van de

re-integratieactiviteiten voor de doelgroep. • Vanuit deze samenwerking is er een uitgebreide ‘menu’-kaart qua trajecten, begeleiding, ontwikkel en uitstroom mogelijkheden; • Werkgevers kunnen gebruik maken van één loket voor de re-integratie van kandidaten, dienstenverlening door groepen medewerkers via het Werken op Locatie of groepsdetacheringen en voor de productiewerkzaamheden vanuit beschutte werk- en ontwikkelplekken; • Werkgevers en branches hebben één partner voor de toestroom van re-integratie kandidaten om invulling te geven aan de huidige en toekomstige personeelsbehoefte.

39

Verwachte prestaties per doelgroep In onderstaande tabel vertalen we deze kwalitatieve effecten naar een maatschappelijke doelstelling/ambitie per doelgroep. Tabel 8.5: Verwachte prestaties van het Participatiebedrijf per doelgroep Doelgroep Wsw medewerkers Nieuw Beschut Re-integratie overbrugbaar

Banenafspraak

Verbreding doelgroep

Jongeren

Werkgevers

Prestaties Participatiebedrijf Behoud van duurzaam passend werk voor alle Wsw-medewerkers. Op termijn is hiervoor in toenemende mate samenwerking met werkgevers/partners voor nodig. Organiseren van duurzaam passend werk voor de doelgroep Nieuw-Beschut conform de taakstelling van het Rijk (zie hoofdstuk 4). Wij achten het haalbaar om, ondanks de initiële financiële opgave op re-integratie, met dezelfde middelen dezelfde prestatie te blijven leveren in de re-integratie: Doelstelling daarbij is 300 mensen per jaar al dan niet parttime aan het werk te helpen na een traject. Op termijn zien we daarbij ruimte (bij gelijkblijvende budgetten) voor een verbetering van 5%. Ook op dit gebied achten wij het haalbaar om, ondanks de initiële financiële opgave, hetzelfde aantal plaatsingen te realiseren voor inwoners met indicatie banenafspraak in betaald werk bij een reguliere werkgever. Deze maken onderdeel uit van de 300 plaatsingen uit de regel hierboven. Met het Participatiebedrijf kan een bredere doelgroep worden geholpen dan nu bediend wordt door Pasmatch. We schatten in dat voor 10% van de doelgroep die nu als ‘niet overbrugbaar’ wordt gekwalificeerd, de afstand naar werk door inzet van het Participatiebedrijf wel te overbruggen is. Kansen liggen vooral in de groep met een arbeidsbeperking.

In het Participatiebedrijf worden 50-70 leerwerkplekken georganiseerd voorjongeren die zijn uitgevallen uit het onderwijs. Ongeveer 70% van deze jongeren behalen via deze leerwerkplekken alsnog een MBO 1 of 2 diploma. Het Participatiebedrijf levert haar bijdrage aan de realisatie van de regionale doelstellingen van het Werkgeversservicepunt.

8.7 Conclusie Het directe financiële effect van de ontwikkeling van het Participatiebedrijf is beperkt. De vorming van het Participatiebedrijf vergroot wel de flexibiliteit waardoor er beter ingespeeld kan worden op toekomstige ontwikkelingen wat de continuïteit versterkt. Daarnaast zien we dat het bijdraagt aan de effectiviteit van de organisatie doordat deze volledig geïntegreerd is. Ondanks de besparing op reintegratie is er daardoor op termijn sprake van een klein positief effect op het maatschappelijke resultaat. Daarbij biedt de ontwikkeling van het Participatiebedrijf de mogelijkheid om tot een betere sturing te komen vanuit opgaven gericht op de gewenste bijdrage aan maatschappelijke doelen en daaraan gerelateerde financiële kosten. De organisatie wordt meer wendbaar.

40

9 Stappenplan naar de nieuwe situatie 9.1 Inleiding Na besluitvorming in de colleges en de gemeenteraden zal een implementatiefase starten waarin de in de voorgaande hoofdstukken gepresenteerde voorstellen verder worden uitgewerkt en worden geïmplementeerd. Hieronder blikken we vooruit op de stappen die in de implementatiefase gezet gaan worden en de verwachte doorlooptijd van dit proces. Ook geven we een inschatting van de te verwachten project- en frictiekosten en gaan we kort in op mogelijke risico’s in het implementatieproces en beheersmaatregelen.

9.2 Vorming van het Participatiebedrijf Om het Participatiebedrijf tot stand te laten komen zal een traject doorlopen moeten worden waarin verschillende partijen een rol hebben. Het doel daarbij is om tot een Gemeenschappelijke Regeling Participatiebedrijf te komen waarin het volgende is georganiseerd: • De activiteiten van de GR Paswerk, inclusief de personeels-BV • De activiteiten van Pasmatch • De activiteiten van Werkpas BV • De activiteiten van Leerwerkbedrijven Kennemerland BV • De activiteiten van Werkbedrijf Haarlem BV, exclusief het Buurtbedrijf Na het te doorlopen proces, zullen ook de activiteiten van Werkdag BV en van het Buurtbedrijf ontvlecht zijn en ondergebracht bij een nader te bepalen partij (zie hoofdstuk 7). Hieronder zijn de stappen uitgewerkt die in de implementatiefase gezet dienen te worden om het Participatiebedrijf te vormen. Stap 1: Uitwerking inrichtingsplan Eerste stap na besluitvorming is de verdere uitwerking van de gemaakte keuzes over het Participatiebedrijf in een inrichtingsplan. In het inrichtingsplan wordt verder uitgewerkt hoe de organisatie van het Participatiebedrijf wordt ingericht, wordt de governance en besturing verder uitgewerkt en wordt de eerste concrete begroting opgesteld. Ook worden in het inrichtingsplan keuzes gemaakt over de naam van het Participatiebedrijf en de profilering naar binnen en buiten toe.

Stap 2: Aanpassing GR Paswerk naar GR Participatiebedrijf Aangezien de deelnemende gemeenten aan het Participatiebedrijf gelijk zijn aan de gemeenten die deelnemen aan de gemeenschappelijke regeling Paswerk is de meest praktische route om bestaande regeling Paswerk uit te breiden met de nieuwe activiteiten. De GR Paswerk wordt daarbij omgevormd en aangepast naar een GR Participatiebedrijf. De inhoudelijke voorbereiding van deze stap ligt in het inrichtingsplan. In deze stap wordt de juridische vertaling en vastlegging daarvan geregeld. De uitwerking is de toekomstige basis voor de samenwerking in het Participatiebedrijf. Daarin moeten onder andere afspraken gemaakt worden over bevoegdheden, de inrichting van de governance, de stemverhoudingen en de verhoudingen waarin financiële risico’s worden verevend tussen de gemeenten. De formele aanpassing van de GR is een proces waarin zowel het bestuur van Paswerk als de colleges en gemeenteraden van de vier gemeenten een rol hebben. De aanpassing van de GR kan geïnitieerd worden door een of meerdere colleges of door het bestuur. De kortste procedure wordt doorlopen wanneer het voorstel tot wijziging uitgaat van het bestuur van de GR Paswerk. In de huidige GR-tekst van Paswerk staat aangegeven dat na een verzoek tot aanpassing colleges 2 maanden de tijd hebben om hier een besluit over te nemen.

In die tijd moeten ook de gemeenteraden hiervoor toestemming

41

aan de colleges gegeven hebben. Het besluit is definitief als ten minste 2/3 van de colleges de wijziging heeft geaccordeerd – dus minimaal 3 van de 4 colleges. Stap 3: Inrichting van het nieuwe participatiebedrijf Voorafgaand aan de integratie van onderdelen uit de WPH moeten er een aantal formele stappen gezet worden. Het gaat dan in ieder geval om: • Inrichting van de organisatiestructuur • Aanpassing van het functiegebouw Er van uitgaand dat ervoor gekozen wordt om dat activiteiten vanuit Werkpas Holding5 een op een worden overgenomen is dit inhoudelijk geen grote stap. Wel is al snel het adviesrecht van de OR aan de orde. Dat is bijvoorbeeld het geval bij wijziging in de verdeling van bevoegdheden. Wanneer er ook personele regelingen worden gewijzigd, of bijvoorbeeld functiewaarderingen, dan zijn dat punten waar het instemmingsrecht van de OR op van toepassing is. Het gesprek met de OR wordt gevoerd door de directeur van de GR en van WPH in hun rol als WOR-bestuurder van de ontvangende en de latende organisaties. Stap 4: Integratie van activiteiten van WPH in de GR Na deze stappen is de weg vrij om activiteiten vanuit WPH6 over te gaan brengen naar de GR Participatiebedrijf. Dit start met een formeel besluit om de onderhandelingen te starten voor overname van de betreffende onderdelen in het bestuur van de GR en in de AVA van WPH.

Deze stap bestaat vervolgens in ieder geval uit de volgende deelstappen: • Benoemen onderhandelaars namens de GR en WPH. • Aandelentransactie Werkpas BV: bepalen van de waarde van de aandelenoverdracht van Werkpas BV aan de GR en vervolgens de effectuering van deze overdracht • Onderhandelingen over de overname van activa en passiva van Pasmatch BV, LWBK BV en Werkbedrijven Haarlem BV (exclusief Buurtbedrijf); • Proces met de OR en vakbonden/GO over de overdracht van activiteiten en van personeel van WPH naar de GR. • Afspraken maken met contractpartners over overgang contracten van WPH naar de GR. Het bovenstaande betekent dat er aan de ene kant een opbouwproces is van de GR Participatiebedrijf en aan de andere kant een liquidatieproces van de Werkpas Holding, waarbij afspraken gemaakt moeten worden tussen de nieuwe GR en de Werkpas Holding in liquidatie. Daarbij is het verstandig om beide rollen goed te scheiden. Voor de nieuwe GR Participatiebedrijf zal een kwartiermaker benoemd worden, voor de WPH een liquidatiemanager. Hoe omvangrijk dit proces is, is afhankelijk van de keuzes over overname van personeel en activa van de WPH door het Participatiebedrijf. Bij de start van het implementatieproces is het belangrijk om over een aantal formele aspecten van dit proces specialistisch advies in te winnen.

Zo kan het al snel aan de orde zijn dat er een sociaal plan opgesteld dient te worden, ook wanneer er geen personeel boventallig wordt. Ook is het mogelijk dat er bij de vorming van het Participatiebedrijf sprake kan zijn van ‘overname van onderneming’. Ook hierover dient juridisch advies ingewonnen te worden. Met de afronding van stap 4 is het proces van de vorming van het Participatiebedrijf afgerond. Het Participatiebedrijf kan vervolgens meerjaren samenwerkingsafspraken/dienstverlenings5 6

Met uitzondering van Werkdag en Buurtbedrijf Idem.

42

overeenkomsten maken met de gemeenten over partnerschap en de uit te voeren opdracht. Ook kunnen de afspraken geformaliseerd worden over het veranderplan van het Participatiebedrijf (realisatie van de stip op de horizon). Stap 5: Overdracht van de activiteiten van Werkdag en Buurtbedrijf aan een derde partij Parallel aan de bovenstaande stappen dient ook een proces doorlopen te worden waarin de activiteiten van Werkdag en Buurtbedrijf Haarlem worden ondergebracht bij een derde partij. Dit proces is al beschreven in hoofdstuk 7. Stap 6: Liquidatie van Werkpas Holding en de onderliggende bv’s Het hele proces wordt afgesloten met de formele liquidatie van Werkpas Holding en de onderliggende bv’s. Doorlooptijd van het implementatieproces Na de Go/No-Go beslissing in de gemeenteraden dient rekening gehouden te worden met een doorlooptijd van 6 tot 9 maanden om stap 1 tot en met 4 (de vorming van het Participatiebedrijf) te doorlopen. Bij een Go/No-Go beslissing in de gemeenteraden in januari 2021 zal het proces van vorming van het Participatiebedrijf dus afgerond worden in de loop van 2021. Stap 5 kan parallel aan de vorming van het Participatiebedrijf worden doorlopen. De doorlooptijd van dit proces is afhankelijk van hoeveel moeite het kost om een overnamepartij te vinden en om tot overeenstemming te komen met de betreffende partij.

Stap 6 (de formele liquidatie van WPH) kan vervolgens worden afgerond. Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met een aantal afwikkelpunten (jaarrekening, fiscale afrekening) die doorlopen in 2022.

9.3 Verwachte project- en frictiekosten Hieronder wordt ingegaan op de te verwachten project- en frictiekosten. Deze zijn nog niet verwerkt in de huidige begrotingen van Paswerk en Werkpas Holding. Projectkosten Het implementatieproces is een omvangrijk project dat na de go-no-go beslissing 6 tot 9 maanden in beslag gaat nemen. Het gaat zowel om het opbouwproces als om een liquidatieproces van de WPH. Het gaat dan onder andere om: • De inhuur van ondersteuning bij de vorming van het Participatiebedrijf (projectleiding/kwartiermaker); • De inhuur van een liquidatiemanager voor WPH; • Inhuur van specifieke expertise: communicatie, juridisch, financieel, belastingtechnisch; • Inhuur extra ondersteuning voor de ondernemingsraad; • Ambtelijke uren vanuit de gemeenten en Paswerk/WPH (projectgroep(en); • Onvoorziene posten. Voor de inzet van de kwartiermaker en liquidatiemanager is het uiteraard ook mogelijk om deze vanuit de interne organisatie in te vullen. De kosten voor de uitvoering van het implementatie- en liquidatieproces schatten wij op dit moment in op € 300.000 tot € 400.000 totaal, exclusief de uren vanuit de gemeenten en Paswerk/WPH. De hoogte van deze projectkosten zijn met name afhankelijk van de mate waarin rollen in het veranderproces intern kunnen worden ingevuld of dat sprake is van externe inhuur.

43

Frictiekosten De frictiekosten die optreden bij de vorming van het Participatiebedrijf zijn gerelateerd aan de overdracht van Werkdag en het Buurtbedrijf aan een derde partij. Na overname zal er naar verwachting geen gebruik meer worden gemaakt door Werkdag BV van de huidige locatie van Paswerk aan de Cruquius. De verwachting is dat dit tot leegstand leidt van maximaal een jaar waarna naar verwachting een nieuwe huurder gevonden is. Daarnaast is te verwachten dat Werkdag BV en het Buurtbedrijf Haarlem na overname geen gebruik meer zullen maken van de ondersteunende diensten die nu door de stafafdelingen van Paswerk worden geleverd. Voor de afbouw van de capaciteit van deze ondersteunende diensten en daaraan gerelateerde kosten zal naar verwachting een jaar nodig zijn. In totaal levert dit een bedrag aan frictiekosten op van 199.000 euro in 2022 (zie hoofdstuk 8). Deze dienen gedragen te worden door de gemeenten Haarlem en Zandvoort. In hoofdstuk 7 is uitgewerkt dat het de voorkeur heeft dat de overname van de activiteiten van Werkdag BV en Buurtbedrijf Haarlem door een derde partij naadloos gebeurt. De frictiekosten buiten het wegvallen van de dekking voor de locatie van Paswerk en de ondersteunende diensten zijn in dat geval nihil.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/1077/documents/10665