Bijlage 1c. ontwerp Ontwikkelvisie vol 3.pdf
Tekst van het document
Plek 1
88
89
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
4.4.2 Plek 2: Door het Open Middengebied ‘t Hooiland’
Aan de zuidkant liggen de heuvels in het gebied waaronder en achter het parkeren van de appartementen is verborgen. Om een mooie overgang te maken zijn de taluds van die heuvels ingeplant, zodat de appartementengebouwen nooit in zijn geheel zichtbaar zijn. Lopende langs die rand is er vrij zicht op het riante Open Middengebied met de nattere natuur van het vochtig hooiland. Dit milieu is vergelijkbaar met het open terrein van Leyduin van Landschap Noord Holland aan de westzijde van de Leidsevaart. Zo wordt de historische samenhang met dit gebied versterkt.
Plek 2
90
91
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
4.4.3 Plek 3: Op ‘t Noordereiland
Deze woningen liggen aan een nieuw water dat een open verbinding heeft met de Leidsevaart, zodat het enerzijds onderdeel is van een robuust watersysteem en anderzijds bewoners een bootje voor de deur kunnen hebben. Achter de watergang ligt eerst een strook met beplanting en, met het oog op privacy voor de bewoners, wat verder weg het voetpad.
Plek 3
1,2m
92
93
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
4.4.4 Plek 4: Tegenover de Rivierenbuurt, de ecologische eilanden
Tussen de nieuwe woningbouwclusters en de Rivierenbuurt liggen stevig beplante eilanden om de privacy tussen beide woongebieden te garanderen. In het verlengde van de vaart is een doorzicht. De eilanden zijn niet toegankelijk. Juist dit zorgt voor een hoge ecologische kwaliteit aangezien de eilanden dan ook niet toegankelijk zijn voor honden of katten. Dit levert een unieke kans voor vogels op om een rustige broedplek te vinden.
Plek 4
1,2m
94
95
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
4.4.5 Plek 5: In ‘t Stinzenbos
Om de landschappelijke overgang naar de Manpadslaan en Huis te Manpad toepasselijk vorm te geven en ook aantrekkelijk te maken voor soorten die zich in die gebieden bevinden, wordt voor de omgeving van de zuidelijke clusters een stinzenbos voorgesteld. Onder de bomen is ruimte voor een rijke kruidenlaag met vooral veel voorjaarsbloeiers als vogelmelk, bosanemoon of vingerhelmbloem. De woningen liggen net iets hoger dan de omgeving, zodat vanaf het terras over het groene openbare gebied uitgekeken wordt. De straatjes aan de andere zijde worden geminimaliseerd qua verharding.
Plek 5
96
97
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
4.4.6 Plek 6: Tegenover de Manpadslaan
In dit gebied is het van belang dat het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de Manpadslaan niet wordt verstoord. Vandaar dat de overgang naar de nieuwe woongebieden gemaakt wordt met stevige beplanting van het stinzenbos. Ook rondom de verbinding met de Manpadslaan wordt deze beplanting toegepast. De woningen aan de Manpadslaan zijn in dit deel, zoals in de huidige situatie, toegankelijk via een achterom.
Plek 6
98
99
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
4.4.7 Plek 7: Aan ‘t Binnenwater
Tussen de zuidelijke woonclusters ligt een stevige waterpartij die deel uit maakt van een openbare zone tussen de woonbuurtjes. In dit buurtparkje kunnen verblijfsplekken gemaakt worden en speelaanleidingen gegeven worden. Ook ligt hier de verbinding met de Manpadslaan voor voetgangers en fietsers, die in geval van een calamiteit ook dienst kan doen als toegang voor de hulpdiensten. Aan de westkant grenzen de tuinen van de bewoners aan het water.
Plek 7
100
101
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
4.4.8 Plek 8: Vanaf ‘t Vaarteiland
Aan de Leidsevaart wordt de beschoeiing gehandhaafd. Dit omdat, vanwege de golfslag, natuurvriendelijke oevers hier kwetsbaar zijn. Aan de binnenkant wordt daarom een parallelle watergang gemaakt waaraan de woningen liggen en die wel een natuurvriendelijke oever heeft. Zo blijft het beeld vanaf de Leidsevaart ook eenheid uitstralen, terwijl de woningen en de ecologie toch kunnen profiteren van hun bijzondere ligging.
Plek 8
102
103
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
Hoofdstuk 5
O N T W I K K E LV I S I E
Een groene ontwikkeling
-
V O LU M E
3
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
“Het groene areaal is zo groot binnen dit plan dat ruim baan kan worden gemaakt voor diverse habitat-typen.”
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
106
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
107
G E B I E D
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
108
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
109
5.1 Omvang en waarde van het groen
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
De ontwikkeling van Gebied Manpad is eerst en vooral een ontwikkeling naar een groene woonomgeving waarin de ecologische potenties maximaal worden benut. Om dit te bereiken hebben we ons op het standpunt gesteld dat het halen van de 5,5 ha. aaneengesloten gebied1 weliswaar een goed principe is, in lijn met de overige kaders van de gemeente, maar dat er meer mogelijkheden liggen. Het uitsluitend halen van de 5,5 ha. is immers minder interessant dan het halen van die doelstelling binnen een ecologisch aantrekkelijk overgangsgebied. Een gebied waarin ook op een aantrekkelijke manier gewoond kan worden. De ecologische betekenis wordt gevormd door de omvang van het gebied, door de context waarin het ligt, de relaties die gelegd kunnen worden en de inrichting die in samenhang met het woongebied mogelijk is. In de komende pagina’s wordt ingegaan op de omvang en de basisprincipes van de inrichting. Aan het eind van dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op de aanbevelingen voor het inrichtingsplan die meegenomen worden in het vervolg. De huidige ecologische waarde van het gebied is beperkt. Op dit moment wordt het grootste deel van het gebied (zo’n 60%) ingenomen door kassen (ca. 2 ha.) en bemest maisveld (ca. 5 ha.) waarvan de ecologische waarde minimaal is en de biodiversiteit laag.
De huidige betekenis zit hem vooral in de randen en de verrommelde stukjes verwaarloosd gebied, waar allerlei organismen voedsel of een schuilplek kunnen vinden. Welk deel van het gebied kan in het plan meedoen om de ecologische potentie van het gebied te verzilveren? Alhoewel ook de woningen en de tuinen mee kunnen doen in dit verhaal (zie ook verder in dit hoofdstuk) beperken we ons in eerste instantie tot het onbebouwde onverharde gebied. Het onbebouwde deel van het plangebied is ca. 10 ha. Als we hiervan ook de verhardingen van de paden, de wegen en de overige verhardingen aftrekken komen we op een oppervlakte voor de inrichting van het groen van ca. 9,5 ha. Dit biedt kansen voor het enerzijds vergroten van de ecologische betekenis van een groter deel dan in de huidige situatie en anderzijds voor het inbedden van de 5,5 ha. aaneengesloten gebied in een waardevol overgangsgebied dat naast de verbinding met de Leidsevaart (aangegeven in de studie van Copijn) ook de verbindingen met het Groenendaalse bos en Huis te Manpad maakt.
In deze motie (dd. 25 april 2024) die door de raad wordt aangenomen, wordt het college verzocht: ‘bij nadere uitwerking en in samenwerking met bewoners en partijen bij mogelijke herpositionering van de woningen als één van de overwegingen te kiezen voor een aaneengesloten stuk volwaardige natuur van minimaal 5,5 ha.’
110
Circa 10 hectare van het plangebied is groen met betekenis en potentie voor ecologie en natuurwaarde
111
5.2
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Variatie in habitattypen Om de betekenis van de 5,5 aaneengesloten gebied te maximaliseren proberen we deze in te bedden in een omgeving die de ecologische kwaliteit ondersteunt. Daartoe maken we overgangen naar de omgeving met toepasselijke habitattypen of doelbiotopen. Het volledige onbebouwde gebied wordt ingedeeld in deze habitattypen om het belang van de ecologie te onderstrepen. Het betekent dat de beleving van het wonen ook hierdoor bepaald gaat worden en dat bijvoorbeeld het spelen en het recreëren leunen op deze doelbiotopen en niet andersom.
Het Stinzenbos (open bos met een ondergroei van verwilderende stinzenbeplanting) is een toepasselijke overgang naar het gebied van huis te Manpad. Door deze inrichting te kiezen wordt niet alleen een specifieke biotoop geraliseerd, maar in dit geval vooral een omgeving die mooi past bij de cultuurhistorische omgeving en die ook een mooie context biedt voor het wonen en het spelen. We rekenen ca. 1,5 ha. aan dit habitattype. Voor kruidenrijk grasland wordt ca. 3,5 ha. gereserveerd. Dit type vormt samen met het habitattype vochtig hooiland, waarvoor ook ca 3,5 ha. wordt gereserveerd, de kern van het gebied. Met name dit laatste type is van belang voor de genoemde link met de Leidsevaart, maar ook met de gebieden van Landschap Noord Holland aan de westzijde van de Leidsevaart die op vergelijkbare manier zijn ingericht. Ook hier wordt een dubbelslag gemaakt met zowel ecologische als cultuurhistorische betekenis, door de oude samenhang tussen de oost- en westzijde van de Leidsevaart te herstellen. Als laatste type wordt hier de natuurvriendelijke oevers genoemd, die in totaal zo’n 1,5 ha. beslaan. Met deze habitattypen, of doelbiotopen, worden zowel de overgangen en verbindingen met het natte gebied rondom de Leidsevaart bedient, als wel met de drogere delen op de zandgronden van het Groenendaalse bos.
Stinzebos (1,5 ha), kruidenrijk grasland (3,5 ha), vochtig hooiland (3,5 ha) en water met natuurvreindelijke oevers (1,5 ha)
112
113
5.3
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Ecologische stapsteen: min. 5,5 ha aaneengesloten natuur In het landschaps en stedenbouwkundig plan is een optimale balans gezocht tussen woonclusters en natuur. De ligging van de woonclusters is zo vormgegeven dat er ruimte is voor ruim 6 ha. aaneengesloten natuurgebied die op de meest logische en waardevolle plek ligt. Deze 6 ha. is hiernaast in het kaartbeeld aangegeven. Het bestaat voornamelijk uit een combinatie van bloemrijk grasland, vochtig hooiland en natuurvriendelijke oevers en water. Voor een verdere uitwerking en een natuurversterkingsadvies voor het plan wordt verwezen naar het eind van dit hoofdstuk. Voor het tekenen van de contour van het aaneengesloten gebied is gekeken naar het plangebied voor de ontwikkeling. Direct aangrenzende gebieden die in ecologische zin wel meedoen (de Leidsevaart en het gebied ten westen er van, delen van de volkstuinen, het gebied achter het bedrijfsverzamelgebouw en delen van het Groenendaalse bos) zijn buiten beschouwing gelaten. Wanneer de ruimte tussen twee woonclusters te klein wordt is de contour doorgetrokken en is het afgesneden gebied (dat uiteraard wel ecologische betekenis kan hebben) niet meegerekend.
Na ambtelijke ruggenspraak zijn de eilanden aan de noordkant wel meegenomen, omdat deze een hoge ecologische waarde kunnen hebben voor vogels, doordat ze extra veiligheid bieden tegen marterachtigen, vossen en huiskatten en honden. Het Stinzenbos en het waterrijke buurtparkje in het zuiden liggen grotendeels buiten de 6 ha. Uiteraard verhogen deze gebieden de ecologische betekenis van die 6 ha. wel. De betekenis ervan is immers mede afhankelijk van de kwaliteit van de directe omgeving. Hoe hoger de kwaliteit van die directe omgeving, en hoe toepasselijker de inrichting van die directe omgeving voor de mogelijke verbindingen met de wijdere omgeving, hoe hoger de ecologische betekenis van het gebied zal zijn.
Aaneengesloten natuurgebied binnen de locatie omvat ca. 6 hectare
114
115
5.4
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Ecologische verbinding In het rapport van Copijn uit januari 2024 wordt onderzocht wat de ecologische potentie is van het Gebied Manpad. Op dit moment maakt het gebied Manpadslaan geen deel uit van het NNN, BPL of een ecologische verbindingszone. In het onderzoek wordt ingezet op het verbinden van het Gebied Manpad met nabijgelegen verbindingszones. De Leidsevaart is de verbinding tussen het Gebied Manpad en deze verbindingszones. Op dit moment is het deel van de Leidsevaart in de provincie Noord Holland (dat nodig is om deze verbinding te maken) niet als toekomstige verbindingszone gedefinieerd. Wellicht dat in de toekomst dit deel van de Leidsevaart wel aan het natuurnetwerk toegegvoegd wordt. Het gaat om zo’n 1 tot 2,5 km om de verbinding met Gebied Manpad te maken (de rode stippellijn in het kaartje hieronder). Het Gebied Manpad kan hier wel op voorsorteren. In de studie wordt geconcludeerd: ‘Door het gebied Manpadslaan in te richten als stapsteen voor natte natuur kan de verbindingszone ZNV1 ‘Haarlemmermeer en omgeving’ langs de Leidschevaart in noordelijke richting worden versterkt. Een stapsteen heeft een omvang van 5,5 hectare. De corridor (zone langs de Leidschevaart) heeft een breedte van 25 meter en bestaat uit water en een oeverzone van minimaal 5 meter breed aan weerszijden.
Door wijzigingen aan te brengen in de oeverzone langs de Leidschevaart en binnen het gebied Manpadslaan kan een impuls worden gegeven aan de noodzakelijke leefgebieden voor watergebonden soorten.
Ontbrekend deel natuurverbinding tbv Aansluiting Gebied Manpad (in rood)
natuurverbinding ZNV1 (prov. Noord Holland)
Natuurverbinding A. Haarlemmertrekvaart, Leidsche Trekvaart, Maandaghse Watering (prov. Zuid Holland)
Naast de stapsteen wordt in het gebied Manpadslaan een fijnmazig watergebonden netwerk aangelegd. Het karakter van de waterpartijen is overeenkomstig de corridor. Het netwerk gaat over in haarvaten die ook op het droge een inrichting kunnen hebben. Op deze wijze draagt het hele gebied bij aan de ontwikkeling van natuurwaarden en wordt invulling gegeven aan de ambitie kwalitatief hoogwaardige natuur.’
Naast de stapsteen die een accent dient te hebben voor natte natuur en waarvoor de Leidsevaart de ruggengraat is zegt het rapport verder over de mogelijkheden: ‘Doordat het gebied grenst aan landgoederen en duinen met bosgebieden, kan het gebied ook een beperkte rol spelen voor bos- en parknatuur. De bomen en struwelen die in het gebied gerealiseerd worden kunnen als rust- en foerageergebied voor diverse doelsoorten uit een dergelijk habitat worden gebruikt. Door toevoeging van deze ‘droge’ natuur in het gebied neemt de biodiversiteit van het gehele gebied toe.’
Met andere woorden, door de aanwezigheid van de landgoederen en parken in de omgeving zou het jammer zijn als er naast die natte natuur niet ook aandacht zou zijn voor de verbindingen op meer lokale schaal. Daarbij zouden organismen die gebruik maken van de bosrijke omgeving weer net een stukje extra leefgebied kunnen krijgen en bovendien zou deze inrichting daarmee ook de stapsteen positief kunnen beïnvloeden aangezien deze dan ingebed zou liggen in een gebied met aantrekkelijke overgangen en gradiënten van hoog naar laag en van droog naar nat. In het landschappelijk en stedenbouwkundig plan wordt voorgesteld om zoals geadviseerd alvast voor te sorteren op een mogelijke verbinding van het gebied met natuurverbindingszone ZNV1 (Noord Holland) en met natuurverbindingszone A (Zuid Holland). Als de ontbrekende zone in de toekomst dan wordt aangelegd, dan is het gebied alvast voorbereid. In de tussentijd is de relatie met de directe omgeving ook van belang. Het gebied ten westen van de Leidsevaart is eveneens ingericht volgens de principes die passen bij de stapsteen voor natte natuur. De andere aangrenzende gebieden zijn juist interessanter vanuit de ‘droge’ natuur.
De noordelijke grens van het gebied is tevens de grens van de mogelijkheden voor het maken van ecologisch interessante relaties, aangezien die nu geblokkeerd worden door de Rivierenbuurt en het overige stedelijke gebied. Mogelijke verbeteringen in ecologische betekenis zullen hier eerst in de Rivierenbuurt zelf plaats moeten vinden. In het natuurversterkingsplan dat opgesteld is in juni 2025, is nadrukkelijk rekening gehouden met deze balans tussen droge en natte natuur en de aanbevelingen strekken zich dan ook uit naar beide kanten. Voor de amfibieën, vissen en libellen bijvoorbeeld wordt een spectrum aan concrete aanbevelingen gedaan, maar eveneens voor bijvoorbeeld vogels en kleine zoogdieren die meer van de bosrijke omgeving houden. In hoofdstuk 9 wordt verder ingegaan op de concrete maatregelen die in het plan voorgesteld worden en die in het inrichtingsplan (Volume 4) verder uitgewerkt zullen worden.
Genoemde ecologische verbindingen met aansluitpotentie voor Gebied Manpad (naar: rapport Copijn dd jan 2024)
116
117
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
De lokale relaties zijn echter in eerste instantie afhankelijk van de structuur die in het landschappelijk en stedenbouwkundig plan is gekozen. In het hiernaast getoonde schema wordt aangegeven hoe in de hoofdopzet van het LSP rekening is gehouden met zowel de ‘stapsteen’ als met de mogelijke directe verbinding in de toekomst via de Leidsevaart met verbindingszone ZNV1 en verder, als met de lokale, ‘droge’ verbindingen die gezocht kunnen worden met park Groenendaal en Huis te Manpad. De natte verbindingen worden hier weergegeven in de turqoise kleur en de verbindingen met de drogere omgeving in de donkerder groene kleur. Uiteraard is het juist interessant als deze overgang niet abrupt is, maar geleidelijk, als een gradiënt wordt vormgegeven. Nog een schaalniveau lager kunnen ecologische relaties ook verstoord worden door bijvoorbeeld infrastructuur, of een duiker, of bebouwing. De zwarte pijltjes laten op dit gebiedsniveau de locaties zien waar extra aandacht voor de ecologische verbindingen nodig is, om te voorkomen dat deze op de hogere schaalniveaus minder betekenis hebben. Aan de Leidsevaart kan hierbij gedacht worden aan ingrepen in de betonnen beschoeiing om de overgang van land naar water eenvoudiger te maken. Bij de duikers kan een droogloop door de duiker meegestort worden, zodat kleine amfibieën hier gebruik van kunnen maken.
Bij de wegen in het gebied is er voor gekozen om deze net wat hoger dan de omgeving aan te leggen, zodat eenvoudig faunatunnels meegenomen kunnen worden en bij de aanpassing van het kruispunt met de Herenweg kan op dezelfde manier aandacht gegeven worden aan de verbindingen voor toepasselijke organismen.
Ecologische verbindingen van, naar en in het plangebied
118
119
5.5
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Doelsoorten Met doelsoorten worden soorten bedoeld waarop het beleid of het ontwerp van een ontwikkeling gericht is. Het kunnen soorten zijn die er al zijn, maar waarvoor de leefomstandigheden beter gemaakt worden, of soorten waarvan de kans aanwezig wordt geacht dat bij verbeterde omstandigheden vestiging van de soort een optie is. In deze paragraaf wordt ingegaan op de selectie van de soorten en hierna wordt ingegaan op de aanbevelingen die gelden voor het maken van het inrichtingsplan, zodat de kans op een goede leefomgeving voor deze doelsoorten zo groot mogelijk wordt. Bovendien zijn het ook soorten die een indicatie geven van een gezond ecosysteem.
Het zijn ook soorten die een indicatie geven van een gezond ecosysteem. Daarnaast zijn het aansprekende soorten die soms bedreigd of beschermd worden in Nederland of die maar beperkte mogelijkheid hebben om leefgebied te vinden. Er staan dus ook redelijk ‘gewone’ soorten op de lijst als koolmees en pimpelmees, die nu ook al worden waargenomen in en direct om het plangebied en dat geldt voor nog meer soorten, maar de lijst bevat ook zeldzamere soorten. Zoals de Oeverzwaluw of de Blauwborst die minder vaak worden gezien. En ook rode lijst soorten als de Rugstreeppad, Hermelijn of Argusvlinder, waarvan het spectaculair zou zijn als ze hier een plek zouden vinden.
5.5.1 Doelsoortenlijst Gebied Manpad
Door het betrokken ecologisch adviesbureau Van der Goes en Groot zijn de oude doelsoortenlijsten (uit de studie van Copijn en uit de quickscan) specifiek gemaakt voor het Gebied Manpad. Soorten die bijvoorbeeld alleen in de Veluwe voorkomen en weinig migreren zijn van de lijst afgehaald, terwijl er toevoegingen zijn gemaakt van soorten die wel kansrijk zijn. De geselecteerde soorten zijn soorten waarvoor een reëel perspectief aanwezig is voor vestiging of het betreft soorten die reeds (kunnen) voorkomen en waarvoor permanente vestigingsmogelijkheden of leefgebied kunnen blijven bestaan: Vogels
Grondgebonden zoogdieren Dagvlinders
Bijen en hommels
Libellen Amfibieën Vissen Vleermuizen
Huismus, Gierzwaluw, Pimpelmees, Koolmees, IJsvogel, Oeverzwaluw, Huiszwaluw, Rietzanger, Rietgors, Blauwborst, Boomkruiper, Spreeuw, Spotvogel, Ransuil, Sperwer, Kerkuil, Torenvalk Boommarter, Bosmuis, Dwergmuis, Eekhoorn, Egel, Veldmuis, Vos, Wezel, Bunzing, Hermelijn, Dwergmuis Icarusblauwtje, Hooibeestje, Gehakkelde aurelia, Grote vos, Kleine vos, Bruin blauwtje, Kleine vuurvlinder, Bruin zandoogje, Argusvlinder Andoornbij, Ereprijszandbij, Fluitenkruidbij, Gehoornde metselbij, Rosse metselbij, Slobkousbij, Tronkenbij, Tuinbladsnijder, Tweekleurige zandbij, Vosje, Akkerhommel, Weidehommel, Steenhommel, Tuinhommel Grote keizerlibel, Glassnijder, Vroege glazenmaker, Vuurlibel Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker (Bastaard- of Meerkikker), Kleine watersalamander, Rugstreeppad Kleine modderkruiper, Bittervoorn, Vetje, Snoek Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis
(tabel 4-2 uit natuurversterkingsadvies Van der Goes en Groot) Veel mogelijke soorten flora en fauna zijn te verwachten binnen de groene ontwikkeling Gebied Manpad
120
121
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Het is niet alleen de bedoeling deze soorten te helpen om zich in het gebied te vestigen, het zijn dus ook soorten die een indicatie geven van een gezond ecosysteem. Naast de benoemde doelsoorten, zal de voorgestelde inrichting ook bijdragen aan de bevordering van leefgebied voor andere soorten en in algemene zin bijdragen aan biodiversiteit en een prettige leefomgeving. Het is namelijk van belang voor de doelsoorten specifieke biotopen en vestigingsmogelijkheden te creëren die door een geheel ecosysteem wordt benut. De geselecteerde soorten zijn daarin de ‘trekkers’ die kwaliteit van de te realiseren leefgebieden indiceren.
Enkele vogels, zoogdieren en vlinders uit de doelsoortenlijst voor Gebied Manpad.
122
123
5.6 Waarden van water en groen Gebied Manpad wordt in de huidige situatie vooral gekenmerkt door de maisgebieden en de kassen die het overgrote deel van het gebied innemen. Uiteraard hebben deze gebieden een zeer beperkte ecologische waarde en lage biodiversiteit. Dat betekent echter niet dat het gebied zonder ecologische waarde is en zeker niet dat er geen ecologische potentie voor het gebied is, in samenhang met de nieuwe ontwikkeling, integendeel. De potenties die op dit moment niet benut worden zijn bijvoorbeeld de mogelijkheid om een veel rijkere biodiversiteit te maken door de aanleg van verschillende habitattypen die samenhangen met de zanderige bodem. Daarnaast zijn er mogelijkheden om het gebied met relatief kleine interventies veel beter te verankeren in de ecologische context.
De geplande groen- en waterstructuren vormen de basis van de ecologische kwaliteit en zijn daarmee meer dan alleen functionele of esthetische elementen. Door gerichte inrichting, met inheemse soorten, natuurlijke oevers en met passende beheermaatregelen, krijgt het Gebied Manpad een belangrijke plek in de lokale biodiversiteit. Water en groen zijn sleutelcomponenten in een duurzaam, natuurinclusief woongebied.
9.2.1 Water
In het plan worden meerdere watergangen en poelen aangelegd. Vergeleken met de huidige situatie met het grote verharde gebied (kassen tellen ook als verhard gebied) zal het gebied vanuit het perspectief van water, zowel qua klimaatadaptatie (het gebied als spons) als qua ecologische ruggengraat een flinke stap vooruit maken. De watergangen zijn uiteraard ook functioneel voor waterafvoer, maar worden zo bewust ingezet als ecologische verbindingen en broed-/voedselgebieden. De nieuwe watergangen worden natuurvriendelijk ingericht met glooiende oevers, variatie in waterdiepte en ontwikkeling van oeveren onderwatervegetatie. Deze water- en moerasachtige zones ondersteunen amfibieën (Rugstreeppad, Kleine watersalamander, Bruine kikker), vissen (Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Vetje), libellen en waterinsecten (Vuurlibel en Glassnijder), rietvogels (Rietzanger, Rietgors, Blauwborst) en vleermuizen (Watervleermuis jaagt langs open water).Voorwaarde is het vermijden van vispredatie in poelen en het voorkomen van lichtvervuiling. Isolatie van sommige poelen (zonder visverbinding) wordt nadrukkelijk aanbevolen voor optimale voortplantingsbiotopen. De watergangen zijn ook onderdeel van een grotere ecologische infrastructuur, bijvoorbeeld in de zin dat ze vliegroutes vormen voor vleermuizen en het gebied verbinden met Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid.
124
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
9.2.2 Groen
Het gebied krijgt een robuuste en diversere groenstructuur dan in de huidige situatie. Van buiten naar binnen worden: bomenrijen en heggen ingezet om de bebouwing visueel te verzachten en om de overgang naar Groenendaal en Manpadslaan te maken; Open gebieden aan de binnenranden van de woongebieden gemaakt met kruidenrijk grasland; Natte graslanden gemaakt in het centrale open gebied. Deze ingrepen zorgen voor een gebied met hoge belevingswaarde én functionele waarde als migratieroute en foerageergebied. Voor de opgaande beplanting worden inheemse soorten gebruikt. Deze soorten trekken de meeste inheemse dieren aan (bijvoorbeeld als waardplant of voor voedsel). Gedacht kan worden aan soorten als Zwarte els, Gladde iep, Zomereik, Ratelpopulier, Schietwilkg of Zoete kers, die voedsel (bessen, nectar, zaden) leveren aan vogels zoals Merel, Roodborst en Gierzwaluw, aan insecten zoals wilde bijen en vlinders en aan kleine zoogdieren zoals Egel en Veldmuis. Zoomvegetaties (geleidelijke overgangen van gras naar struiken naar bomen) worden bewust nagestreefd. Deze structuurrijke begroeiing biedt dekking, nestgelegenheid en continuïteit in het leefgebied. Ook hier worden inheemse soorten gebruikt als Meidoorn, Gelderse roos of Sleedoorn. In het kruidenrijk grasland bieden inheemse grassen en kruiden voedsel en leefgebied voor veel soorten insecten.
De graslandkwaliteit neemt sterk toe als minder voedselrijke bodems worden afgewisseld met rijkere bodems. In het plan wordt onderzocht of het mogelijk is om de voedselrijke toplaag boven de leidingenstrook (deels) af te graven om sneller bij de minerale zandlaag te komen en zo een makkelijker te verschralen graslandtype te krijgen. In het ecologisch raport van Van der Goes en Groot worden verschillende inzaailijsten gegeven die bij de aanleg van het plan gehanteerd zullen worden. De vegetatie (en dan met name bomen van de eerste orde grootte) draagt naast de directe ecologische betekenis bij aan hittestressreductie door schaduw en verdamping en aan luchtkwaliteit en geluidsbuffering.
9.2.3 Synergie
De kracht van het plan ligt in de verweving van groen en water: • Kruidenrijke graslanden sluiten aan op natte zones, • Oeverzones fungeren als broedgelegenheid én voedselbron, • De kwaliteit van de bodem wordt benut door passende milieus te maken, die het water minder vervuilen dan het huidige agrarische milieu. Een rijke beplanting kan zich hier vervolgens vestigen waarna ook organismen (insecten en daarna vogels en zoogdieren) van het gebied gebruik kunnen gaan maken. Deze integrale benadering zorgt voor robuuste, aaneengesloten biotopen die geschikt zijn voor meerdere soortgroepen tegelijk. Dit verhoogt de veerkracht van het ecosysteem en maakt het plan toekomstbestendig. 125
5.7
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Mitigerende maatregelen Deze maatregelen zijn bedoeld om eventuele negatieve effecten van bebouwing, infrastructuur en menselijke aanwezigheid op flora en fauna zoveel mogelijk te verzachten, te voorkomen of te beperken. In het kort zijn er maatregelen die gericht zijn op de aanlegfase van de ontwikkeling en maatregelen die gericht zijn op de lange termijn.
Voor wat betreft de eerste categorie kan gedacht worden aan bijvoorbeeld gefaseerd slopen (zodat organismen de kans krijgen zich te verplaatsen) het werken richting te behouden leefgebied (zodat dieren niet ingesloten raken) en het werken buiten voortplantings- en winterrustperioden van dieren. De verwachte negatieve effecten voor soorten die in het gebied voorkomen en de daarbij behorende maatregelen worden beschreven in de quick scan van Van der Goes en Groot (dd. Sept. 2025). De algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht (voor soorten én habitats van die soorten die onder de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn vallen of die op een andere manier beschermd zijn) vormen het kader voor deze maatregelen. Uiteraard moet het plan voldoen aan de wet en zullen deze maatregelen dus in acht genomen worden. De maatregelen hebben door dit wettelijke kader een meer generiek karakter. Vanwege deze achtergrond wordt hier volstaan met het verwijzen naar het genoemde document van Van der Goes en Groot.
126
127
5.8 Aanbevelingen bij uitwerking in inrichtingsplan Omdat het plan strategisch ligt, er hoge verwachtingen zijn met betrekking tot de ecologische potentie van het gebied en er bij de ontwikkeling van het woongebied een uiterst lage dichtheid van bebouwing gehanteerd wordt, is het interessant om te kijken wat er bovenop de wettelijke maatregelen extra gedaan kan worden om de ecologische betekenis te optimaliseren.
De basis hiervoor vormen de rapporten van Copijn over de ecologische potentie (dd. Januari 2024) en het specifiekere rapport met natuurversterkingsadvies van Van der Goes en Groot (dd. Sept 2025). Dit laatste rapport bouwt voort op het eerste en neemt de specifieke mogelijkheden binnen het plan en binnen de specifieke context van het gebied mee. Nadrukkelijk gaat het er hierbij dus niet meer alleen om te zorgen voor de bestaande natuurwaarden (zoals wettelijk vereist), maar veelmeer gaat het om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden die het gebied, de context en de ontwikkeling bieden voor ecologie, teneinde de ecologische betekenis van het gebied in de toekomst zo hoog mogelijk te maken. Belangrijk is het daarbij op te merken dat het hierbij niet gaat om het inrichten van een natuurgebied. Uitgangspunt is een optimale samensmelting van ecologische potenties en een woongebied voor 149 woningen. Dat levert uiteraard andere perspectieven op. Het is echter ook niet zo dat deze twee kernfuncties in het gebied altijd op gespannen voet staan met elkaar. Door slim om te gaan met het bebouwde gebied kan juist ook dit deel bijdragen aan de ecologische betekenis. Denk bijvoorbeeld aan gebouwbewonende soorten als gierzwaluw of vleermuizen; of aan soorten die gebaat zijn bij landschapselementen als hagen, lanen of boomgaarden.
5.8.1 Gebouwbewonende soorten
Spouwopeningen, neststenen en speciale kasten worden meegenomen in de architectuur van de woningen. Hiermee wordt niet alleen het verlies van verblijfplaatsen gecompenseerd, maar worden de mogelijkheden voor soorten als Gierzwaluw, Huismus, Laatvlieger en Gewone dwergvleermuis, verspreid over het gebied vergroot. Er wordt gebruik gemaakt van overstekken bij de daken, wat de mogelijkheden voor soorten om zelf nesten te maken, vergroot. Gevels worden op toepasselijke plekken (bijvoorbeeld in de buurt van nestkasten) voorzien van klimhulpen met geschikte soorten (Klimop, Kamperfoelie). Eenvoudige maatregelen als het toepassen van insectenstenen en insectenhotels verhogen de mogelijkheden voor een rijke insectendiversiteit.
128
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
5.8.2 Oevers en water
Bij herinrichting van watergangen worden steile oevers vervangen door flauwe, vegetatierijke oevers. Dit is essentieel voor het behoud van amfibieën, vissen en insecten. Daarnaast wordt het areaal water stevig uitgebreid met ca. 1,7 ha. nieuw water. Naast de verbonden watergangen worden voor amfibieën wordt visvrije poelen aangelegd. Dit voorkomt predatie van larven en biedt een volwaardig voortplantingsbiotoop. Voor IJsvogel en Oeverzwaluw worden gaten in de bestaande betonnen kade geboord. Hiermee wordt voor deze soorten die al in het gebied waargenomen worden ook nestmogelijkheid gerealiseerd. Naast de ontwikkeling van de betonnen wand kunnen enkele oevers steil afgegraven worden voor IJsvogels. Er kunnen gaten met een doorsnede van 6 cm voorgeboord worden op minimaal 30 cm boven het waterniveau. Bij voorkeur worden de wanden op rustige plaatsen aangelegd of worden er takkenrillen of Rozenstruiken gebruikt om rust te waarborgen. Dit wordt in het inrichtingsplan uitgewerkt. In het waternetwerk worden ecologisch ingerichte eilanden aangelegd die niet toegankelijk zijn voor mensen of huisdieren. Deze bieden veilige rust- en broedplekken voor vogels. Dit levert een uitdaging op voor het beheer van deze gebieden. De ecologische winst van het realiseren van niet verbonden eilanden is echter zo groot dat dit vanuit de doelstellingen van het gebied goed te verdedigen is.
In het inrichtingsplan wordt ruimte gemaakt voor het maken van tijdelijke toegangen voor het beheer.
5.8.3 Verlichting
Om vleermuizen en nachtactieve insecten niet te verstoren, wordt gekozen voor laag-intensieve, amberkleurige verlichting, gericht op de weg en niet op het omringende groen. Dit wordt verder uitgewerkt in het inrichtingsplan.
5.8.4 Schuil- en nestplekken en voortplanting
Takkenrillen, marterhopen en rommelhoekjes bieden leefgebied aan kleine marterachtigen, egels en knaagdieren. Specifieke maatregelen zoals egelverblijven en zandbulten worden voorgesteld om meer overwinteringsmogelijkheden te realizeren. De takkenrillen en stekelige struiken kunnen ook worden ingezet om gevoelige delen af te schermen van recreatie, huisdieren en verkeer. Om verblijfplaatsen te bieden voor kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel kunnen marterhopen worden aangelegd. Van belang is dat rondom deze marterhopen verruigde vegetatie aanwezig is. Voor de kerkuil en Torenvalk worden mogelijkheden gezien om zich in het gebied te vestigen. Hiertoe kunnen een kerkuilentil en torenvalkkasten geplaatst worden. Als de bomen hoog genoeg zijn, kan het gebied ook geschikt worden voor Ransuil of Sperwer. Eventueel kunnen ransuilmanden, bekleed met nestmateriaal zoals coniferentakken, worden geplaatst in de bomen. 129
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
De mogelijkheid voor vlinders om zich voort te planten is afhankelijk van de aanwezigheid van waardplanten. Vlinders zetten hun eitjes af op deze waardplanten die worden gegeten door de rupsen. Bomen en struiken, zoals populieren, wilgen, iepen, Vuilboom, Klimop en Sleedoorn kunnen worden aangeplant als waardplant. Deze kunnen tegelijkertijd ook als verblijfplaats dienen voor verschillende vlinders. Ook de takkenrillen bieden een geschikte verblijf- en/of overwinteringsplek voor enkele vlindersoorten. In het natuurversterkingsadvies is een tabel opgenomen met waardplanten voor de genoemde doelsoorten. In het inrichtingsplan (VOIP Volume 3) en in het beheerplan zal hier rekening mee worden gehouden. Van belang voor de verschillende libellensoorten is een rijke water- en oevervegetatie met verschillende dieptes. De oevervegetatie kan bestaan uit soorten zoals riet, zegge of biezen. De onderwatervegetatie ontstaat vaak vanzelf, het is wel belangrijk te volgen in hoeverre invasieve soorten kreeften invloed hebben op ontwikkeling van de submerse vegetaties. Ook voor libellen kan een aantal visloze poelen een belangrijke impuls zijn.
5.8.5 Voedselvoorzieningen
Door het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland komt nectar beschikbaar voor vlinders en insecten. Door het aanleggen van houtstapels, takkenrillen en rommelhoekjes en het aanplanten van inheemse (bessen)struiken zoals Eenstijlige meidoorn, Rode kornoelje, Kardinaalsmuts of Sleedoorn en door het aanplanten van fruitbomen worden kleine knaagdieren en insecten aangetrokken en wordt het plangebied voorzien van bessen en afgevallen fruit. In het plan is hiertoe een boomgaard opgenomen. De omzoming en uitwerking van de boomgaard, evenals de locatie van de inheemse (bessen)struiken is onderdeel van het inrichtingsplan.
5.8.6 Verbinding met omgeving
Omdat het plangebied deels omsloten is door watergangen en wegen, worden voorzieningen aanbevolen zoals plankjes, kabels of tunnels, om migratie van kleine dieren mogelijk te houden. Ook struweelzones en watergangen dragen bij aan de verbindingen van het gebied met de omgeving. Vooral de verbinding over de Herenweg en mogelijkheden bij de Leise Vaart vergen hierbij aandacht. Dit zal in het inrichtingsplan verder worden uitgewerkt.
5.8.7 Beheer en gebruik
Graslanden worden 2 x per jaar (juni en september) gefaseerd gemaaid (niet alles tegelijk, zodat insecten en andere organismen altijd een uitwijkmogelijkheid hebben), riet wordt deels overjarig gelaten en snoeiwerk gebeurt buiten het broedseizoen (1 maart – 1 september). Een belangrijke maatregel is dat er niet of zeer licht bemest wordt, er gesneden wordt (niet geklepeld) wordt en dat het maaisel volledig afgevoerd wordt. Aangeraden wordt om sinusbeheer toe te passen en zeer slordig en ‘random’ te werken. Er moeten altijd graslanddelen (indicatief 40%) ongemaaid blijven! Maaisel op mooi ontwikkelde graslanddelen kan eventueel tijdelijk elders worden uitgelegd om de zaadbank te verbeteren op minder goed ontwikkelde delen.
Aanbeveling om bij het inrichtingsplan bovengenoemde prioriteiten in de deelgebieden te leggen
130
131
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Sinusbeheer is een vorm van gefaseerd maaien zodat niet alle vegetatie in een keerverwijderd wordt, maar er lagen ontstaan met verschillend ontwikkelings- en hoogteniveau. Door deze manier van maaien krijgen insecten de tijd om zich te verplaatsen en kan een deel van de vegetatie tot zaadzetting komen. Door niet alle vegetatie in één keer te maaien is er ten alle tijden voedselaanbod (zowel nectar als waardplanten) en dekking voor insecten (en larven, poppen en eitjes) aanwezig. Ook ontstaat er schaduwwerking en verschillende temperaturen en microklimaten. Insecten kunnen de optimale leefomstandigheden opzoeken. Na een jaar zullen verschillende delen van het kruidenrijk grasland twee keer gemaaid zijn, andere één keer en andere delen niet gemaaid zijn. De niet gemaaide delen kunnen gebruikt worden door overwinterende rupsen en kleine zoogdieren zoals muizen en kleine marterachtigen. Op sommige plekken is spontane vestiging van vegetatie gunstiger dan aanplant. Inrichtingsplan en beheer laten ruimte voor natuurlijke dynamiek. Voor groenstructuren geldt dat deze buiten het broedseizoen, dat grofweg van 1 maart tot 1 september loopt, gesnoeid moeten worden, indien nodig. In een zoomvegetatie worden struiken aan de rand van grasland sterker gesnoeid dan struiken dichter bij bos zodat een oplopende vegetatie (zoom) ontstaat.
Wilgen kunnen maximaal éénmaal per 2-4 jaar, in de wintermaanden, geknot worden zodat deze niet uitgroeien tot hoge bomen. Een zoom van struweel kan bij nabeheer worden behouden met verwijderen van alleen de jonge bomen tussen struikvegetaties. In het beheerplan wordt rekening gehouden met het laten verruigen van de vegetatie rondom marterhopen. Het gefaseerde maaibeheer maakt ook verblijfs- en voortplantingsplaatsen mogelijk van dwergmuizen.
5.8.8 Uitwerking in het inrichtingsplan
In het Landschaps- en stedenbouwkundig plan worden de voorwaarden voor een hoge ecologische betekenis vastgelegd door het integreren van habitattypen, groengebieden, zoneringen en landschapselementen. In het voorlopig ontwerp inrichtingsplan (VOIP volume 4) worden al deze elementen verder uitgewerkt zodat het plan coherent is op de verschillende schaalniveaus en de ecologische betekenis ook in de uitwerking gemaximaliseerd kan worden. Bij deze uitwerking wordt, zoals aangegeven, zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de advieen uit het natuurversterkingsadvies van Van der Goes en Groot. Uiteraard moet ook hier weer de balans gezocht worden met de andere functies die in de openbare ruimte van een woonontwikkeling een plek moeten krijgen, zoals cultuurhistorie, woonkwaliteit recreatie, spel, beleving en beweging. Waarschijnlijk niet alle zaken uit het natuurversterkingsplan zullen dus overgenomen kunnen worden. De meeste zaken zijn echter eenvoudig in te passen. Alleen daar waar een conflict ontstaat tussen gebruik van de openbare ruimte en de ecologische mogelijkheden zal, onder andere op basis van de positie in het plan, een keuze gemaakt moeten worden.
Voorstel uit het natuurversterkingsadvies van Van der Goes en Groot (dd. juli 2025) voor elementen die in het
132
inrichtingsplan uitgewerkt worden
133
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
Hoofdstuk 6
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Thema: Beplanting
“De kaders voor de opgave zijn gedurende een “Hetgevormd groen voert de lange periode vanplan.” debat over boventoon in het de mogelijke ontwikkeling van Gebied Manpad en onder welke voorwaarden.”
6.1
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Bomen Zowel voor het ondersteunen van de natte als de droge natuur in het gebied, zijn bomen belangrijk. Inheemse bomen zijn daarvoor belangrijk, omdat die hier een thuis bieden aan veel meer insectensoorten dan geïntroduceerde soorten. Zo komen er op een zomereik of wilg wel 400 tot 450 verschillende soorten voor terwijl dat bijvoorbeeld voor een Amerikaanse eik niet verder oploopt dan ca. 15. Ruimtelijk kunnen verschillende bomen ook verschillende sferen ondersteunen. Onder een beuk groeit uiteindelijk niets dus er ontstaat een mooi open bos, terwijl wilgenbossen vaak een meer gesloten karakter hebben.
6.1.2 Indicatie van ruimtelijke kenmerken Aan de zuidkant van het plan wordt gewerkt met het type stinzenbos, dat gekarakteriseerd wordt door een relatief open opbouw met bloeiende bolgewassen onder de boomlaag. Aan de noordkant bij de overgang naar de rivierenbuurt wordt op de eilanden juist een relatief dicht type gebruikt met een ondergroei van heesters. Aan de oostkant wordt het karakter van de toegepaste boombeplanting gevormd door een boomgaard.
6.1.1 Categorisering qua orde grootte bomen
In Nederland wordt gewerkt met drie ordes van grootte voor bomen. Bomen van de 1e orde worden groter dan 15 meter (een gebouw met 5 lagen); bomen van de 2e orde worden tussen de 8 en de 15 meter hoog en bomen van de 3e orde worden niet groter dan 8 meter. Uiteraard is het van belang om de toepassing van de verschillende groottes af te stemmen op de beschikbare ruimte in het plan. Daar waar de ruimte beperkt is worden bomen van de derde orde gebruikt, zoals meidoorn, krentenboompje of hazelaar. Daar waar de ruimte het toelaat worden bomen van de 1e orde gebruikt, als zomereik of beuk, en bomen van de tweede orde, als veldesdoorn of lijsterbes. Ook wordt de grootte ingezet om de ruimtelijke opbouw van het plan te ondersteunen. De grootste bomen worden aan de randen gesitueerd, om de overgang naar de bossen en stedelijke gebieden te maken en de kleinste bomen aan de rand van het open gebied, om de ervaring van ruimte zo groot mogelijk te houden.
Referentiebeelden bomen van drie orde van grootte categorieën (krentenboom, lijsterbes, zomereik)
140
Aanbeveling om bij het inrichtingsplan bovengenoemde prioriteiten in de deelgebieden te leggen
141
6.2
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Overige beplanting Het plan kent relatief kleine tuinen, omdat de totale hoeveelheid uitgeefbaar gebied binnen de 20.000m2 moet blijven. Dat brengt een uitdaging met betrekking tot de privacy met zich mee. Daar waar de ruimte om de woning minstens aan één kant voldoende is om een goede privé-buitenruimte te maken, is het toepassen van extra beplanting flexibel en kan deze verder worden uitgewerkt in het inrichtingsplan (Volume 4). Op sommige plekken is het toevoegen van extra beplanting voor de privacy echter noodzaak en daarom wordt deze aangegeven en vastgelegd in dit landschappelijk en stedenbouwkundig plan.
Het leeuwendeel van de woningen heeft op zijn minst één zijde die zo ruim in het plan ligt dat het niet erg is dat de tuin wat kleiner is. Hier zijn de afstanden tot eventuele paden of andere bebouwing zo groot dat de buitenruimte genoeg privacy heeft. Op sommige plekken is de ruimte wat meer beperkt, of loopt er een relatief belangrijke ontsluiting langs de woning. In combinatie met de kleine tuin is het dan van belang dat er extra beplanting toegevoegd wordt in het openbaar gebied die er voor kan zorgen dat er genoeg privacy in de buitenruimte van de woning ontstaat. Deze plekken zijn hiernaast op de kaart met een groene cirkel aangegeven. De overgang van openbaar gebied naar de tuin wordt hier gemaakt met een mix van heesters waarvan in ieder geval een deel (half) wintergroen is, zoals bijvoorbeeld liguster. Het toevoegen van deze beplanting vermindert de noodzaak voor bewoners om hun privacy af te dwingen met bijvoorbeeld schuttingen, waardoor het risico hierop lager is. Eventuele schuttingen die op termijn onverhoopt toch gerealiseerd worden hebben bovendien veel minder impact op het openbaar gebied. Naast deze beplanting die specifiek is gericht op het bieden van privacy wordt in het inrichtingsplan verder gewerkt aan het uitwerken van de beplanting volgens de sfeerbeelden die op de volgende pagina te zien zijn.
Referentiebeelden heesters
142
Aanbeveling om bij het inrichtingsplan bovengenoemde prioriteiten in de deelgebieden te leggen
143
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Stinzenbos Kruidenrijk grasland Vochtig hooiland
Palet aan sferen De kleur van de cirkels verwijst naar de diverse habitat-typen in het plan
144
Natuurvriendelijke oevers
145
6.3
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Open gebied Centraal in het gebied ligt de grote, open ruimte tussen de Herenweg en de Leidsevaart en tussen de woonclusters ten noorden en ten zuiden ervan. Hier is het zicht over de strandvlakte mogelijk. Deze ruimte bevat daarmee definitief het laatst mogelijke zicht over de totale breedte van het landschap tussen oude duinen (Groenendaal) en nieuwe duinen (Leyduin) dat in Heemstede nog te maken is. Op dit moment is het onzichtbaar, maar met relatief beperkte ingrepen in de opgeschoten beplanting is de open ruimte zoals hiernaast aangegeven, beleefbaar te maken. Om te zorgen dat deze ruimte open blijft en een toepasselijke ecologische en cultuurhistorische betekenis krijgt, is beplantingstype en beheer cruciaal. Nadat het voorlopig inrichtingsplan is afgerond (Volume 4) is het nodig om een beheerplan te maken.
6.3.2 Kruidenrijk grasland Het kruidenrijk grasland is minder nat, en is wat minder schraal dan het vochtig hooiland. Variatie in structuur is belangrijk voor faunasoorten die in dit grasland voorkomen. Zo zorgt een afwisseling tussen korte en hoge vegetatie met plaatselijk ruigte en struweel voor verschil in microklimaat, hetgeen van belang is voor dagvlinders, andere insecten, reptielen, vogels en kleine zoogdieren.
6.3.1 Vochtig hooiland
De graslanden in het open deel zijn onder te verdelen in vochtig hooiland en kruidenrijk grasland. Het belangrijkste verschil is de drooglegging en daarmee de basis die gelegd wordt voor het type planten dat zich hier thuis voelt. Vochtige hooilanden zijn doorgaans soortenrijke vegetaties, met veel kruiden. De hooilanden bestaan voor een belangrijk deel uit soorten die vroeger algemeen voorkwamen, maar steeds meer beperkt zijn tot natuurgebieden. Daarnaast komen er ook verscheidene bijzonderheden voor. Het zijn vegetaties van natte en niet te voedselrijke omstandigheden. De grondwaterstanden staan ’s winters tot aan of boven het maaiveld en zakken ’s zomers maar weinig weg. De vegetatiesamenstelling kan variëren, afhankelijk van onder andere bodem, hoogteligging, samenstelling van het water (mineralenhoudend, zuur, voedselarm of voedselrijker), schommelingen in de waterstand en eventuele overstromingsduur. Kleine hoogteverschillen zijn al snel zichtbaar in de samenstelling. Vaak zijn er ook overgangen aanwezig naar hogere gronden, wat zorgt voor een afwisseling aan biotopen.
Referentiebeelden vochtig hooiland en kruidenrijk grasland
146
Globale begrenzing Open Middengebied binnen het plangebied.
147
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
Hoofdstuk 7
O N T W I K K E LV I S I E
Thema Water
-
V O LU M E
3
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
“De kaders voor de opgave zijn gevormd gedurende een lange periode van debat over de mogelijke ontwikkeling van Gebied Manpad en onder welke voorwaarden.”
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
150
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
151
G E B I E D
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
152
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Ondertitel voor afbeeldingen, diagrammen en tabellen
153
7.1
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Nieuw water Zoals geadviseerd in het ecologisch onderzoek en in het natuurversterkingsplan (hoofdstuk 5) vormt water de ruggengraat van het ontwerp. Niet alleen in ecologische zin is water interessant, maar het vormt ook een aantrekkelijke basis voor een woonomgeving en het draagt bij aan de sponswerking van het gebied, waardoor dit klimaatrobuuster wordt. Strikt gezien wordt er meer water gemaakt dan noodzakelijk. Het verhard oppervlak neemt, door het verwijderen van de kassen niet toe, dus hoeft er in die zin ook niet gecompenseerd te worden.
de diepte worden afgestemd op het beheer en verder uitgewerkt in het inrichtingsplan (volume 4). In het algemeen gelden de regels van onderhoud. Bij onderhoud vanaf één zijde van de oever wordt een maximale breedte van 6 meter aangehouden. Qua diepte wordt, in verband met de extensieve recreatie, uitgegaan van minimaal één meter. De aanleghoogte van de bodem wordt op advies van het hoogheemraadschap op 1,20 onder waterpeil aangelegd, zodat over 20 jaar de waterdiepte nog steeds op die meter ligt.
7.1.1 In vergelijk met bestaande situatie De belangrijkste watergang is de Leidsevaart. Het water in het Gebied Manpad en van de Leidsse Vaart liggen op hetzelfde waterpeil en in de toekomst zal dat ook zo blijven (-0.61 NAP zomerpeil en -0.64 NAP winterpeil). Dat levert de meest eenvoudige verbindingen op voor zowel ecologie als voor extensieve vormen van waterrecreatie. De zuidkant van het gebied heeft een smalle sloot langs de Manpadslaan. In het noorden ligt een vaart die breed genoeg is om bootjes aan te leggen en aan de oostkant loopt een sloot dood tegen de Herenweg. De kwaliteit van deze laatste sloot is om die reden niet groot en naar verluidt stinkt hij ook. De grenzen van de volkstuinencomplexen bestaan ook uit sloten en in het midden van het gebied ligt een soort knooppunt van sloten dat door de wat bredere maat en de verschillende richtingen van het water één van de meest aantrekkelijke plekken in het huidige gebied is. In het Landschappelijk en Stedebouwkundig plan is in alledrie de plandelen water toegevoegd. Aan de oostkant wordt de doodlopende sloot iets verlegd naar het zuiden, zodat hij verder van de bestaande woning ligt, en wordt hij rondom de kavel getrokken, zodat er doorspoeling is.
Aan de noordkant ligt het water rondom de woonclusters, zodat er een directe verbinding is met de bredere sloot van de rivierenbuurt, de woningen een bootje kunnen hebben en er tegelijkertijd een natuurlijke afstandhouder tussen de relatief kleine kavels en het centrale open gebied ligt. Het water houdt het zicht tussen de watergang in de rivierenbuurt en het middengebied open. Aan de zuidkant ligt de waterpartij centraal tussen de clusters en vormt zo tegelijkertijd de basis voor een klein buurtparkje en het zicht vanaf de Manpadslaan het gebied in. 7.1.2 Omvang, breedte en dieptes In het LSP wordt ca. 1,7 ha. water toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. De breedte en Bestaand oppervlakte water
154
Waterkaart met het gehandhaafde bestaande water en het nieuw gemaakte oppervlakte water.
155
7.2
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Oevertype In een waterrijk gebied is het type oever bepalend voor het gebruik en voor het onderhoud. Het LSP gebruikt drie typen oever: Zachte oevers, beschoeide oevers en natuurvriendelijke oevers. De bestaande beschoeiing langs de oever van de Leidsevaart wordt in het plan ook aangepast.
interessant is voor oeverzwaluwen en ijsvogels om hun nest te maken. De overige, nieuwe beschoeide oevers worden gemaakt bij de woningen, daar waar het aantrekkelijk is om een klein bootje te hebben om daar mee de Leidsevaart op te kunnen en verder het uitgestrekte waternetwerk in.
7.2.1 Zachte oever (onbeschoeid) Zachte oevers hebben geen beschoeiing en zijn begroeid met grassen en ander planten. Er wordt onderscheid gemaakt met natuurvriendelijke oevers, die een veel flauwer talud hebben waardoor de nat-droog gradiënt over een grotere afstand wordt uitgerekt. De zachte oevers in het gebied worden gesitueerd daar waar sprake is van een noordoever, of waar te weinig ruimte is voor een natuurvriendelijke oever. Zachte oevers hebben een helling van 1:3. 7.2.2 Natuurvriendelijke oever De zuidgerichte oevers in het gebied worden zo veel mogelijk ingericht als natuurvriendelijke oever. Door de oevers geleidelijk af te laten lopen krijgen oeverplanten de kans zich te vestigen waarbij verder van het water de condities steeds droger worden en een nat-droog gradiënt ontstaat waar veel (planten) soorten hun plek kunnen vinden. De zuidexpositie bevordert de groei van zonminnende oeverplanten, die vaak belangrijk zijn voor biodiversiteit. Bovendien trekken warme, zonnige oevers meer insecten enz. Voor de oevers wordt gemikt op een zo flauw mogelijk talud, idealiter met een profiel van 1:10 tot 1:20. Dit wordt in het inrichtingsplan (volume 4) verder uitgewerkt. 7.2.3 Beschoeide oever Langs de Leidsevaart ligt een betonnen beschoeiing. Vanwege de golfslag in de Leidsevaart die natuurvriendelijke oevers weg zou spoelen, wordt deze zo veel mogelijk gehandhaafd.
Wel worden er onderbrekingen gemaakt waar het water het gebied in kan komen. Ook wordt aan de zuidkant een watergang parallel gelegd, zodat aan de binnenkant wel een natuurvriendelijke oever gemaakt kan worden. Tot slot worden in de betonnen beschoeiing gaten geboord en een milieu aangelegd dat
Referentiebeelden natuurvriendelijke en zachte oevers
156
Vier oevertypologieën worden in het plan onderscheiden.
157
7.3
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Aanlegplekken privé In het Landschappelijk en Stedenbouwkundig plan wordt de nadruk gelegd op de ecologische betekenis van het gebied, maar tegelijkertijd wordt gezocht naar mogelijkheden om dat zo te combineren met recreatieve mogelijkheden dat er een aantrekkelijk woongebied ontstaat. Door te zorgen dat de nieuwe bewoners op een extensieve manier van het water gebruik kunnen maken, wordt de woonkwaliteit verhoogd en is te verwachten dat de betrokkenheid van de bewoners bij het gebied groter zal zijn. Er worden geen aanlegplekken in het openbaar gebied gemaakt.
De woningen in de westelijke clusters, dicht bij de Leidsevaart krijgen waar toepasselijk een aanlegplek. Deze wordt op eigen terrein aangelegd, in samenhang met een vlonder en de nodige beschoeiing. Het waterpeil in het gebied ligt op -0.61NAP in de zomer en -0,64NAP in de winter. Om er voor te zorgen dat de beschoeiingen niet te hoog worden en het hoogteverschil tussen vlonder en water te groot, worden de aanlegsteigers op -0,16NAP voorzien. Er is dan sprake van een beperkt hoogteverschil van 45 cm. Hierdoor kan een optimale relatie van water, tuin en woning worden gemaakt. In de tuin zal een stap van nog eens 45 cm gemaakt worden naar het niveau van +0,30NAP waarop het vloerpeil van de woningen die aan het water liggen komt. Alle vlonders en aanlegsteigers worden in het ontwerp meegenomen zodat er een hoge mate van samenhang in het plan ontstaat. Ook als een hoogteverschil in de tuin nodig is, wordt dat meeontworpen.
Referentiebeelden steigers
158
Aanlegplaatsen zijn altijd privé en alleen vanaf de eigen kavel bereikbaar.
159
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
Hoofdstuk 8
O N T W I K K E LV I S I E
-
Thema: Wonen
V O LU M E
3
“Elke woning ligt op een prachtige plek.”
8.1
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
Woningbouwprogramma
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Sociale huurappartementen Rug-aan-rug woningen (betaalbare koop)
In gebied Manpad staan de woningen in kleine clusters te midden van veel en robuust groen en soms aan het water. Wonen is hier heel ontspannen, en de kwaliteit van de groene omgeving en de vele onbebouwde ruimte om de woningen heen voert de boventoon.
Koopappartementen (betaalbare koop en duurdere koop) Rijwoningen Twee-onder-één-kap woningen Vrijstaande woningen
8.1.1 Programma
Het plan heeft een heel divers woningbouwprogramma van 149 woningen, waarvan 30% sociale huur, 36% betaalbare koop en 34% in de duurdere typologieën. Het programma is nauwkeurig afgestemd met de woonvisie van de gemeente en de gemeenteraad heeft voorafgaand aan het ontwerpproces voor Gebied Manpad het programma van 149 woningen in de aangegeven verdeling vastgesteld. Het programma is in het stedenbouwkundig ontwerp in clusters vormgegeven. Daarbij is steeds voor een genuanceerde menging van types gekozen en op posities die het meest recht doen aan het landschappelijk ontwerp en de kansen om vanuit elke woning in Gebied Manpad beleving van de grote groene ruimtes te hebben. De sociale huur wordt in één complex gerealiseerd van twee appartementengebouwen van vier lagen. Dat geldt ook voor het gebouw met koopappartementen, met de duurdere appartementen op de begane grond aan het water en de betaalbare koopappartementen daarboven.
In het oostelijk cluster, nabij de Herenweg, zijn 2 twee-onder-één-kap woningen, 5 rijwoningen en 8 rug-aan-rug woningen in een lijn gezet. In het noordoostelijke cluster zijn twee complexen met in totaal 20 rug-aan-rug woningen, 5 rijwoningen en 2 twee-onder-één-kap woningen opgenomen. Op het noordwestelijke eiland bestaat het programma uit 6 twee-onder-één-kap woningen en 3 vrijstaande woningen. In het zuidwestelijk deelgebied bestaat het noordelijk deel uit de twee appartementencomplexen. Bij het cluster van de sociale huurappartementen is een rij met 4 rijwoningen toegevoegd. Er zijn twee woningclusters ten zuiden daarvan. 8 twee-onder-één-kap woningen en 2 vrijstaande woningen in het oostelijke stinzenbos en 6 twee-onder-één-kap woningen en 4 vrijstaande woningen op het eiland aan de Leidsevaart. Dat maakt het woningprogramma in totaal 149 woningen: » 44 sociale huurappartementen (woningtype A) » 26 betaalbare koopappartementen (woningtype B) » 28 rug-aan-rug woningen (woningtype C) » 4 dure koopappartementen (woningtype D) » 14 rijwoningen (woningtype E) » 24 twee-onder-één-kap woningen (woningtype F) » 9 vrijstaande woningen (woningtype G) Alle typen staan verder toegelicht onder 8.3 Gebouwenveloppen. Positionering woningbouw in diverse typologieën
166
167
8.2
G E B I E D
M A N PA D
O N T W E R P
O N T W I K K E LV I S I E
-
V O LU M E
3
Kavels/tuinen De verkaveling is gebaseerd op het principe van clusteren van woningen in een genuanceerde mix van woningtypen. De woningen hebben een relatief kleine eigen privébuitenruimte. Deze draagt bij aan een unieke manier van wonen en alle kavels zijn zodanig georiënteerd dat optimaal van het ruime, groene openbare gebied geprofiteerd kan worden terwijl toch privacy voor de bewoners geboden wordt. Tegelijkertijd wordt met de relatief kleine kavels ook invulling gegeven aan het gemeentelijk kader over de maximale omvang van woningkavels en parkeren.