CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Glipperweg 55-57 Heemstede.pdf

Gemeenteraad 17 december 2025, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 14: Bindend advies omgevingsvergunning Glipperweg 55-5722.027 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie Uit archeologisch onderzoek blijkt dat nader onderzoek noodzakelijk is. Dit zal geschieden in de vorm van archeologische begeleiding op basis van een goedgekeurd PvE. Op basis van deze begeleiding wordt schadelijke verstoring door de werkzaamheden verwacht. In het kader van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 31

omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De stedelijke ontwikkeling kan wel gekwalificeerd worden als ‘voldoende substantieel’. Hierdoor moet de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen worden. Om te beoordelen of de stedelijke ontwikkeling als ‘voldoende substantieel’ gekwalificeerd kan worden, moet de jurisprudentie geanalyseerd worden. Zie hiervoor de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL: RVS: 2017:1724). Zo ligt bijvoorbeeld bij wonen de grens op het op het toevoegen van 11 woningen of meer. De afwijking van het omgevingsplan kan gezien worden als een stedelijke ontwikkeling, omdat er sprake is van het toevoegen van 18 woningen Naast een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) moet er voldoende behoefte zijn aan de desbetreffende ontwikkeling. Of er sprake is van een etfal, dient te blijken uit deze onderbouwing. Op basis van het beleid uit hoofdstuk 3 en meer specifiek paragraaf 3.4.2. blijkt dat er voldoende behoefte is aan deze ontwikkeling. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing. Op basis van het beleid blijkt dat er behoefte is aan de ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 32

6

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GOFLO) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder geval de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

MILIEUZONERING Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Het zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Milieuzonering is een complex onderwerp en daarom ondersteunt de Vereniging van Nederlandse Gemeente (hierna VNG) sinds 1986 gemeentes en andere partijen met een handreiking. Om aan te sluiten bij de nieuwe Omgevingswetgeving heeft de VNG besloten om een nieuwe handreiking op te stellen: Activiteiten en milieuzonering. De kern van deze handreiking draait om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden en dus niet meer aan de hand van richtafstanden zoals in het verleden is gedaan. De nieuwe handreiking hanteert een systematiek van verschillende zones voor geluid en geur. Daarbij geldt hoe verder van een gevoelige functie (zoals woningen), hoe meer gebruiksruimte een bedrijf ontvangt. Voor geluid geldt een basiszone, een beperkte zone of een verruimde zone. Voor het aspect geur wordt slechts gebruik gemaakt van een basiszone en een verruimde zone. Tabel 1.

Transponering VNG-tabellen (bron: VNG)

Milieucategorie

Richtafstand (in meters) Tabel VNG-2009

Positie

Zones geluid

Tabel VNG-2024

Rustig woongebied

Categorie 1.

0 of 10 m

-

Categorie 2.

10 of 30 m

FM (functiemenging) 1

Gemengd gebied met wonen -

Beperkt

Basis

Categorie 3.1

30 of 50 m

2

Basis

Categorie 3.2

50 of 100 m

3

Beperkt (>50 m) Basis

Categorie 4.1

100 of 200 m

4

Verruimd

Categorie 4.2

300 m of hoger

IT (industrieterrein)

VNG-2009

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Zones geur

Basis (>50 m) Verruimd (>100 m)

Basis (>30 m) Basis (>50 m) Verruimd (>100 m) Maatwerk (>200 m)

Pagina | 33

De milieucategorieën uit de VNG-handreiking 2009 zijn omgezet naar posities van 1 t/m 4. Daarnaast bestaan er twee bijzondere posities zoals functiemenging (FM) en industrieterrein (IT). Afhankelijk van de positie-indeling kan worden ingeschat of een activiteit passend is in een basiszone, een beperkte zone of een verruimde zone. In de basis geldt dat binnen een gemengd gebied met wonen geen zones met gebruiksruimte voor geluid en geur worden vastgesteld. De zones gelden in principe alleen voor bedrijventerreinen. De nieuwe handreiking gaat er dan ook vanuit dat in gemengd gebied met wonen zich alleen bedrijven kunnen vestigen, die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen. Bij een goede bouwkundige constructie is het mogelijk de bedrijfsactiviteiten uit te voeren in hetzelfde gebouw als woningen, bijvoorbeeld in de plint. Contactgeluid, geurdoorslag en trillingen worden hierbij in voldoende mate voorkomen. Voor rustige woonwijken geld dat dit gebieden zijn waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden. Relatie tot ontwikkeling In de omgeving zijn overwegend woonfuncties gevestigd, uitgezonderd een enkele gemengde- of bedrijfsfunctie. Om deze reden kan gesteld worden dat sprake is van het omgevingstype rustige woonwijk.

Ter plaatse van het aangrenzende adres Glipperweg 53 is op basis van het omgevingsplan een gemengde functie opgenomen. Echter is het adres in eigendom van de gemeente Heemstede en worden er momenteel statushouders gehuisvest. Om deze reden is de beoogde ontwikkeling inpasbaar naast deze woonfunctie en wordt geen belemmering verwacht. Daarnaast is aan de achterzijde van de beoogde ontwikkeling op circa 7 meter een bedrijfsfunctie aanwezig. Deze bedrijfsfunctie is echter reeds volledig omringd door woonbestemmingen, waardoor het bedrijf in het kader van zonering al rekening moet houden deze woonfuncties. Om deze reden wordt voor de beoogde ontwikkeling geen belemmering verwacht. Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

ASBEST Algemeen Asbest is een verzamelnaam voor zes in de natuur gevormde mineralen met een vezelstructuur, namelijk: actinoliet, amosiet, anthofylliet, chrysotiel, tremoliet en crocidoliet. Asbest is in het verleden veel toegepast in onder andere isolatieplaten, dakbedekking en afvoerbuizen. Als de microscopisch kleine vezels worden ingeademd, kan asbest kanker veroorzaken. Vanaf 1 januari 1994 geldt er een verbod op de toepassing van asbest. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de relevante regels rondom asbest in bouwwerken opgenomen. Voor objecten geldt het Bbl niet. De bepalingen voor objecten (bijvoorbeeld personenauto’s of vaartuigen) zijn terug te vinden in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor bouwwerken die gebouwd zijn voor 1 januari 1994 dient op basis van artikel 7.9 Bbl een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld, zodat bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden dat in het bouwwerk zich asbest of een asbesthoudend product bevindt. Voor het slopen van (een gedeelte van) een bouwwerk waarbij ook asbest wordt verwijderd, is het doen van een sloopmelding noodzakelijk (artikel 7.10 Bbl). De sloopmelding dient tenminste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te worden gedaan. In uitzonderingsgevallen bedraagt deze termijn tenminste een week, zie hiervoor artikel 7.10 lid 2 Bbl.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 34

Relatie tot ontwikkeling Er is een asbestinventarisatierapport opgesteld door Found Advies & Onderzoek, in opdracht van de gemeente Heemstede. De bijbehorende rapportage, gedateerd 17 september 2024, is als bijlage opgenomen bij deze GoFlo. Het doel van het rapport is om voorafgaand aan de geplande sloop van het voormalige buurtcentrumgebouw – dat momenteel wordt gebruikt als opvanglocatie – een gedetailleerde inventarisatie van asbesthoudende materialen uit te voeren. Het gebouw bestaat uit twee delen: één met een begane grond en een verdieping (nr. 55) en één met een begane grond en een kleine kelder (nr. 57). De inventarisatie is uitgevoerd volgens het Certificatieschema voor Procescertificaat Asbestinventarisatie, conform Artikel 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Tijdens de eerste fase van het onderzoek werd asbesthoudend materiaal aangetroffen. Het volledige dakbedekkingspakket, tot aan het dakbeschot, is bemonsterd en geanalyseerd. Twee van de vijf monsters bevatten chrysotielvezels. Hoewel de concentratie asbestvezels laag is en visueel niet herkenbaar, en asbest in bitumen dakbedekking heterogeen kan voorkomen, wordt de gehele dakbedekking als asbesthoudend beschouwd. De asbestbron moet vóór aanvang van de sloopwerkzaamheden worden verwijderd. Voor de sanering van de dakbedekking is risicoklasse 2 vastgesteld.

Voor het aangetroffen asbesthoudende materiaal geldt dat momenteel geen sprake is van een direct of verhoogd risico op blootstelling aan asbestvezels. Op dit moment geldt geen saneringsverplichting en zijn geen tijdelijke afschermende maatregelen noodzakelijk voor de aangegeven asbestbron (geen blootstellingsrisico aanwezig). De borging van deze controle vindt plaats via een sloopmelding of sloopvergunning. Conclusie In het kader van asbest is sprake van een ETFAL.

BODEM Algemeen De chemische bodemkwaliteit heeft gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Verontreinigingen kunnen het gebruik van een locatie beperken of tot hoge saneringskosten leiden. Het Aanvullingsspoor bodem (bestaande uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem) voegt het thema ‘bodem en ondergrond’ toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Bodemkwaliteit wordt een onderdeel bij een afweging van aspecten van dezoek fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. Relatie tot ontwikkeling Er heeft tevens een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden, uitgevoerd door RSK Netherlands. De rapportage, gedateerd 27 augustus, is opgenomen als bijlage bij deze GoFlo. Het doel van het onderzoek was het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, het in kaart brengen van hergebruiksmogelijkheden van eventueel vrijkomende materialen, en het bepalen van de voorlopige veiligheidsklasse volgens de CROW-publicatie 400. Hieronder worden de belangrijkste resultaten samengevat.

Grond De bodem bestaat tot de maximaal onderzochte diepte van 4,0 meter-mv uit zand. In het profiel tussen 0,05 en 1,5 meter-mv zijn sporen tot matige bijmengingen van baksteen aangetroffen. Uit het onderzoek blijkt dat Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 35

er geen overschrijdingen zijn van de interventiewaarden voor bodemkwaliteit. De grond wordt ingedeeld in kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter. Zowel visueel (fracties > 20 mm) als analytisch (fracties < 20 mm) is er geen asbest aangetroffen in de opgeboorde grond. Grondwater Het grondwater is aangetroffen op een diepte van circa 2,8 meter-mv. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de signaleringswaarden vastgesteld. Veiligheidsklasse De voorlopige veiligheidsklasse conform CROW 400 is vastgesteld op ‘basishygiëne’. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is de grondroerder zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van de definitieve veiligheidsklasse(n). Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grondwater zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen aankoop en uitvoering van werkzaamheden op het perceel. Conclusie In het kader van bodem is sprake van een ETFAL.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Externe veiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het externe veiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.

externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de externe veiligheid zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).  Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 36

gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.

Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen:  afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied  aanvullende risicocommunicatie  beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron  vlucht- en schuilmogelijkheden  omgevingsmaatregelen  aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie) aandachtsgebied als (brand- of explosie) voorschriftengebied aan in het omgevingsplan.

In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 37

gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Relatie tot ontwikkeling De kaartviewer Atlas Leefomgeving is een tool die de risico-objecten van de Risicokaart op een geografische kaart laat zien. Op de Atlas Leefomgeving is te zien dat:  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een activiteit met risico’s;  Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 12. Uitsnede risicokaart, projectlocatie met rode stip aangeduid (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl).

Conclusie In het kader van externe veiligheid is sprake van een ETFAL.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 38

GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten:  Woonfunctie  Onderwijsfunctie  Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang  Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen

Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden

Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

65 Lden

50 Lden 40 Lnight

55 Lden 45 Lnight

Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.

De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 39

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling heeft primair behoefte op de huisvesting van verschillende hulpbehoevende groepen, waaronder statushouders. Onder de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt deze functie op zichzelf niet direct aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw of ruimte in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aangezien de geplande flexwoningen echter ook geschikt zijn voor andere doelgroepen – zoals ouderen, studenten of personen die begeleid wonen – wordt de ontwikkeling wél aangemerkt als het realiseren van een geluidgevoelig gebouw. Dit brengt met zich mee dat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek verplicht is. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te verkrijgen in de maatregelen die nodig zijn om binnen de beoogde bebouwing te voldoen aan de geldende geluidsnormen. Hiertoe heeft onderzoeksbureau M+P raadgevende ingenieurs BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in het rapport van 20 mei 2025, dat als bijlage is opgenomen. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen samengevat. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze GoFlo. In het onderzoek is het verkeersgeluid van gemeentelijke wegen in de directe omgeving beoordeeld. De omgeving bestaat voornamelijk uit woningen en kleinschalige bedrijvigheid.

Laatstgenoemde is buiten beschouwing gelaten vanwege de aanwezige tussenliggende woonbebouwing. Gemeentewegen Het plangebied ligt binnen het aandachtsgebied voor geluid van gemeentelijke wegen. Er zijn twee verkeersscenario’s beoordeeld: een maximumsnelheid van 50 km/u en van 30 km/u. Voor nieuw te realiseren woningen geldt een standaardwaarde voor verkeerslawaai van 53 dB Lden. De maximaal toelaatbare grenswaarde bedraagt 70 dB Lden. Uit de berekeningen blijkt dat het geluid van gemeentelijke wegen met een maximumsnelheid van 50 km/u maximaal 66 dB Lden bedraagt. Dit betekent een overschrijding van de standaardwaarde met 13 dB. Met name de gevels aan de Prinsenlaan en Glipperweg overschrijden de standaardwaarde op beide bouwlagen. Aan de zijde van de binnentuin is sprake van een geluidsluwe gevel. Ook in het scenario waarbij de snelheid op de Glipperweg (tussen De Nachtegaal en Patrijzenlaan) wordt verlaagd naar 30 km/u, blijft sprake van een overschrijding van de standaardwaarde – in dit geval met 7 dB. De gevelbelasting bedraagt dan maximaal 60 dB Lden. De gemeenteraad van Heemstede heeft op 2 oktober 2025 besloten om vanaf 2026 op de Glipperweg de snelheid te verlagen naar 30 km/u. Gezien de standaardwaarde wordt overschreden dienen maatregelen afgewogen te worden.

Bronmaatregelen Het plaatsen van een stiller wegdektype op de omliggende wegen is gezien de kleine omvang van het bouwplan niet erg kosteneffectief om een dergelijk wegdek alleen voor dit bouwplan te realiseren. Daarnaast wordt de rijsnelheid van de Glipperweg per 2026 verlaagd naar 30 km/u. Met de verlaging wordt echter niet de noodzakelijke reductie tot de standaardwaarde bereikt en vindt nog steeds een overschrijding plaats. Overdrachtsmaatregelen Het nemen van overdrachtsmaatregelen is vanwege de ligging in het stedelijke gebied en de korte afstand tot de weg niet mogelijk.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 40

Gevelmaatregelen Het nemen van gevelmaatregelen is mogelijk, waarbij een goed binnenklimaat bereikt wordt van 33 dB. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt een notitie geluidwering gevoegd, waarin de aangetoond wordt dat aan de geldende binnenwaarde wordt voldaan. Indien de meest oostelijke ruimten worden ingericht als woningen in plaats van kantoren, zal het noodzakelijk zijn om geluidsisolerend glas of panelen toe te passen om het binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Voor de woningen aan de Glipperweg kan vanaf 2026 met lichtere gevelmaatregelen volstaan worden, omdat de snelheidsverlaging naar 30 km/u wordt doorgevoerd. Figuur 13. Benodigde gevelwering (bron: M+P Adviseurs)

Gecumuleerde en gezamenlijk geluid Het gecumuleerde en het gezamenlijke geluid is in deze situatie gelijk aan het berekende geluid vanwege wegverkeer. Het gecumuleerde geluid is 66 dB en in het scenario met 30 km/u 60 dB. Met realiseren van voldoende gevelmaatregelen wordt geborgd dat het binnenniveau acceptabel is. De woningen beschikken daarnaast aan de zijde van het binnenterrein allemaal over een geluidluwe gevel. Ten slotte overschrijdt het gecumuleerde en gezamenlijk geluid niet de hoogste grenswaarde van 70 dB, waardoor het gecumuleerd en gezamenlijk geluid toelaatbaar is. Temeer er een hoge nood voor woningen voor kwetsbare doelgroepen in de gemeente is. Conclusie het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 41

GEZONDHEID Algemeen De Regionale Nota Gezondheidsbeleid 2021-2028 voor de regio Kennemerland, getiteld "Samen Gezond in Kennemerland," biedt een kader voor het bevorderen van gezondheid en welzijn binnen gemeenten als Haarlem, Heemskerk, en Bloemendaal. Dit regionale beleid is afgestemd op de landelijke gezondheidsdoelen en richt zich op het aanpakken van gezondheidsproblemen vanuit een breder sociaal en fysiek perspectief. Het beleid richt zich op vijf hoofdthema's: 1. Verbetering van de fysieke en sociale leefomgeving - Door een omgeving te creëren die inwoners stimuleert tot beweging en gezonde keuzes, zoals gezondere stadsinrichting. 2. Vermindering van gezondheidsverschillen - Gericht op mensen met een lagere sociaaleconomische status (SES), die vaak te maken hebben met slechtere gezondheidsuitkomsten. 3. Mentale veerkracht van jongeren - Met specifieke aandacht voor de toenemende prestatiedruk en sociale media-invloeden. 4. Gezond ouder worden - Dit richt zich op het bevorderen van vitale en zelfstandige leefomstandigheden voor ouderen. 5. Leefstijlverbetering - Door preventie van roken, alcoholmisbruik en overgewicht aan te moedigen.

Deze thema’s worden lokaal verder uitgewerkt en uitgevoerd in samenwerking met onder andere gezondheids- en welzijnspartners, scholen en sociale teams, waarbij preventie en integrale samenwerking centraal staan De Rijksoverheid, gemeenten en zorgverzekeraars hebben gezamenlijke afspraken gemaakt om het preventief gezondheidsbeleid te versterken. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). In lijn met dit landelijke akkoord heeft de gemeente Heemstede een eigen GALA-plan voor de periode 2023– 2026 opgesteld, onder de titel: ‘Samen werken aan een gezond en actief Heemstede’. Met dit plan worden gemeenten gestimuleerd om een integrale, lokale aanpak te ontwikkelen op het gebied van gezondheid, sport en bewegen en de sociale basis. De gemeente Heemstede heeft binnen dit kader gekozen om zich te richten op de volgende drie opgaven: 1. Vitaal oud worden 2. Actief verenigingsleven 3. Gezond opgroeien -> kansrijke start Relatie tot ontwikkeling De realisatie van woningen draagt bij aan het verminderen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen (SEGV). Deze verschillen zijn systematische ongelijkheden in gezondheid en levensverwachting die samenhangen met iemands positie in de samenleving, vaak uitgedrukt in termen van sociaaleconomische status (SES).

Gezondheid wordt niet alleen bepaald door persoonlijke factoren, maar ook sterk beïnvloed door de omstandigheden waarin mensen worden geboren, opgroeien, wonen en werken. Deze zogeheten sociale kenmerken van gezondheid omvatten onder andere woonsituatie, onderwijs, armoede, werk en sociale participatie. Veel van deze kenmerken hangen nauw samen met sociaaleconomische status en bevinden zich buiten het traditionele zorgdomein. Door woningen voor kwetsbare groepen in woonwijken te plaatsen, wordt bijgedragen aan hun integratie in de samenleving. Een deel van de doelgroep heeft huis en haard moeten verlaten vanwege oorlog en proberen in Nederland tijdelijk een nieuw bestaan op te bouwen. Ze beginnen vaak met een achterstand: ze spreken de taal niet en bevinden zich in een voor hen onbekende samenleving.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 42

De beschikbaarheid van veilige, tijdelijke huisvesting gecombineerd met begeleiding en ondersteuning voorkomt dat hun fysieke en mentale gezondheid verslechtert, zoals vaak gebeurt bij langdurige onzekerheid of onveilige leefomstandigheden. Bovendien bevordert deze integrale aanpak de sociale cohesie: vluchtelingen komen sneller in contact met buurtbewoners, lokale voorzieningen en maatschappelijke ondersteuning, wat hun gezondheid én participatie ten goede komt. Daarnaast biedt deze vorm van huisvesting voor kwetsbare doelgroepen de mogelijkheid om veilig, gezond en kansrijk te leven en op te groeien. Binnen het programma Kansrijke Start ondersteunt de gemeente ook (aanstaande) ouders in een kwetsbare positie, waaronder Oekraïense gezinnen en statushouders. Het doel is dat elk kind, ongeacht achtergrond of omstandigheden, gezond kan opgroeien en gelijke kansen krijgt. Conclusie In het kader van gezondheid is sprake van een ETFAL.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico’s van deze kabels en leidingen. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gasen telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen.

Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken.

Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken: Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 43

  

soort stof (bij buisleidingen) maximale druk (bij gas in buisleidingen) maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen)

Hoogspanningsverbindingen en magneetveldzones Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit:  bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen;  afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen. Door de minister voor Klimaat en Energie (KE) en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is, in afstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), besloten om voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen geen afstanden ten opzichte van gevoelige bestemmingen te adviseren. Dat betekent dat er ook geen magneetveldzone bij deze netcomponenten bepaald wordt.

Het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening heeft de mogelijkheid om de magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn vast te leggen in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, omgevingsplan of projectbesluit). Door het verbinden van planregels aan de magneetveldzone kan voorkomen worden dat er nieuwe gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone gerealiseerd kunnen worden. Relatie tot ontwikkeling In het omgevingsplan “Gemeente Heemstede” zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. De projectlocatie is niet gelegen nabij kabels of leidingen. Nader onderzoek naar de buisleiding / hoogspanningsleiding is gelet op voorgaande niet noodzakelijk. Figuur 14. Hoogspanningsnet netkaart (bron: https://www.hoogspanningsnet.com/netkaarten/webkaart/)

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 44

Conclusie In het kader van kabels en leidingen is sprake van een ETFAL.

LICHT Bezonning Algemeen Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan.

Daarnaast kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd TNO-norm Voor het beoordelen of sprake is van voldoende zonlicht op de gevels van omliggende woningen, hanteren veel gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen de (niet wettelijk verplichte) TNO-norm. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:  de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;  de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. In sommige gevallen kan het echter wenselijk zijn om ook de bezonningssituatie voor deze woningen inzichtelijk te maken. Doorgaans wordt een bezonningsstudie aanbevolen bij een bouwhoogte van meer dan 25 meter. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling kent een bouwhoogte van 6,3 tot 6,5 meter nabij de bestaande woningen aan de Prinsenlaan en de Glipperweg. Deze woningen zijn lager in bouwhoogte dan de naastgelegen gebouwen.

De hoogste woning kent een nokhoogte van 10,5 meter op de kopgevel en is ruim onder de 25 meter. Conform de TNO-norm is bezonningsonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

Lichthinder Algemeen Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten: 1. Hinder voor de mens 2. Hinder langs wegen

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 45

3. Verstoring van de natuur 4. Horizonvervuiling Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt Lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes. Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden.

Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het slopen van het huidige gebouw, waarna er 18 flexwoningen worden teruggebouwd. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen activiteit die lichthinder kan veroorzaken. Daarnaast zijn er geen ontwikkelingen in de omgeving, waarvan lichthinder te verwachten is. Conclusie In het kader van licht is sprake van een ETFAL.

LUCHT Algemeen Volgens artikel 1.3 van de Omgevingswet valt lucht onder de fysieke leefomgeving. Het gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen zoals luchtverontreiniging. Een goede luchtkwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van mensen en voor het milieu. Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of ‘significant’ is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) toetsen. Dit uitgangspunt heet ook wel het blootstellingscriterium. Luchtkwaliteitstoets De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de volgende activiteiten (artikel 5.51 lid 1 van het Bkl):  activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of;  activiteiten waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. In artikel 5.50 lid 1 van het Bkl worden enkele activiteiten aangewezen waarvoor te allen tijde een luchtkwaliteitstoets moet worden uitgevoerd door de gemeente. Dit geldt ook indien er geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is.

Het gaat om de volgende activiteiten:  de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter;  een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt;  de aanleg van een auto(snel)weg.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 46

Enkel op locaties waar mensen aanwezig zijn, vindt er een beoordeling van de luchtkwaliteit plaats door de overheid. Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd:  relatief korte verblijven (blootstellingscriterium);  arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl);  als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oegstgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3.

Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4. Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder:  Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen;  Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen;  Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties. Omgevingswaarden De nadruk ligt op verbetering van de luchtkwaliteit via lokale maatregelen. Daarvoor kunnen gemeenten en provincies lokale omgevingswaarden opstellen, bijvoorbeeld een aanvullende omgevingswaarde voor roet. Decentrale overheden kunnen ook strengere omgevingswaarden stellen. Ze moeten lokale omgevingswaarden zelf monitoren en een programma opstellen bij dreigende overschrijding.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 47

Relatie tot ontwikkeling Op basis van voornoemde voorbeelden kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving. Het projectgebied maakt echter wel onderdeel uit van een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof (agglomeratie Amsterdam/Haarlem, gemeente Heemstede). Artikel 5.51 van het Bkl is van toepassing op het toelaten van de volgende activiteiten:  de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen;  activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of  milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging in de lucht. De beoogde ontwikkeling behelst niet de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen of spoorwegen. In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving is volledigheidshalve in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel.

De grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof worden niet overschreden. Daarnaast zal de bijdrage van het verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden. Tabel 2.

Totale concentraties NO2, PM10, PM2,5 (bron: CIMLK)

NO2 (µg/m³) 12,5

PM10 (µg/m³) 15,2

PM2,5 (µg/m³) 7,4

Monitoringsronde 2024 Monitoringsjaar 2030

11,3

13,9

6,5

Grenswaarde

40

40

25

Monitoringsronde 2024 Monitoringsjaar 2023

Receptor wegverkeer 34381346_134839 Receptor wegverkeer 34381346_134839

Conclusie In het kader van lucht is sprake van een ETFAL.

LUCHTHAVENINDELINGSBESLUIT Algemeen Wet luchtvaart De Wet luchtvaart betreft luchtverkeer, luchtvaartuigen en luchthavens. De wet is zowel verkeersrechtelijk als omgevingsrechtelijk van aard. De hoofdstukken 8, 8A en 10 van de Wet luchtvaart bevatten (voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) omgevingsrechtelijke aspecten, namelijk regels over (externe) veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging. De hoofdstukken bevatten op elkaar afgestemde regels voor het luchtverkeer (gebruik van het luchtruim, luchtverkeerswegen, luchthavens) en regels voor de ruimtelijke beperkingen op de grond (vooral bouwbeperkingen). Samenhang Omgevingswet De fysieke leefomgeving staat centraal in de Omgevingswet. De regels uit de Wet luchtvaart die leiden tot beperkingen ten aanzien van de aan gronden toe te kennen functie en het toegestane gebruik van gronden worden daarom overgebracht naar de instructieregels. Het gaat daarbij in ieder geval om regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid rond luchthavens, het behoeden van de staat en werking van luchthavens en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de directe omgeving daarvan.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 48

Luchthaven(indelings)besluit Schiphol Luchthavenbesluiten vormen het kerninstrument voor de regulering van luchthavens. Luchthavenbesluiten bevatten aan de ene kant regels over het luchthavenverkeer en aan de andere kant regels over de ruimtelijke indeling in de nabijheid van de luchthaven. Omdat de Omgevingswet alle regels over de fysieke leefomgeving bundelt, vallen deze laatste regels onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Het luchthavenbesluit bevat uitsluitend regels over het luchthavenverkeer en een aanwijzing van de beperkingengebieden. Dit kunnen beperkingengebieden zijn in verband met de (vlieg)veiligheid, geluidhinder, externe veiligheid, laserstraalvrije gebieden of vogelbeperkingsgebieden. De ruimtelijke beperkingen die in de verschillende beperkingengebieden gelden, zijn opgenomen als instructieregels voor omgevingsplannen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee ligt de doorwerking van de ruimtelijke beperkingen naar omgevingsplannen vast. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen buiten de beperkingengebied bebouwing van het LIB, zoals ook te zien in onderstaande figuur. Wel is de locatie gelegen binnen het beperkingengebied voor het aantrekken van vogels, maatgevende toetshoogtes en de toetszone windturbines en laser. Figuur 15. Uitsnede kaartmateriaal LIB (bron: lib-schiphol.nl)

Beperkingsgebied voor het aantrekken van vogels Binnen dit beperkingengebied mogen geen nieuwe functies met vogelaantrekkende werking worden gerealiseerd, deze categorieën zijn opgesomd in artikel 2.2.3 van het LIB. De beoogde ontwikkeling ziet op de herontwikkeling van het winkelcentrum Spaarneboog. De beoogde ontwikkeling behoort niet tot een van de categorieën die een vogelaantrekkende werking heeft. Hierdoor zijn er geen beperkingen in het kader van het aantrekken van vogels van toepassing op de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 49

Het gebied voor maatgevende toetshoogtes Voor de projectlocatie geldt een maatgevende toetshoogte van 71 meter NAP. De maximale bouwhoogte van de ontwikkeling valt onder de 71 meter. De ligging in dit gebied vormt geen randvoorwaarde of belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Toetszone windturbines en lasers Deze toetszone betreft het gebied waarin het niet is toegestaan om windturbines van een bepaalde hoogte en/of (vaste) laserinstallaties te plaatsen. De beoogde ontwikkeling ziet niet op het realiseren van windturbines of laserinstallaties, daardoor is toetsing niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van het Luchthavenindelingsbesluit is sprake van een ETFAL.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art.

11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject. In de huidige situatie is reeds een bestaand gebouw gevestigd met een maatschappelijke- en woonfunctie.

Er wordt grotendeels binnen de bestaande contouren van het bestaande gebouw, nieuwbouw gerealiseerd waardoor het ruimtebeslag beperkt blijft. Om deze reden is er qua aard en omvang geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject en is het doorlopen van de m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO

Pagina | 50

Conclusie Omdat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dient geen m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden.

MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Nota parkeren Heemstede 2024 Het beleid ten aanzien van parkeren is door de gemeente vastgelegd in de Nota Parkeren Heemstede 2024. Bij het toelaten van een buitenplanse omgevingsvergunning dient het effect op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling te worden aangetoond. Daarnaast dient in beeld gebracht te worden wat de parkeerbehoeftes zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/2765/documents/42967