Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Glipperweg 55-57 Heemstede.pdf
Tekst van het document
Relatie tot ontwikkeling Parkeerbehoefte auto Voor de ontwikkeling is het benodigde aantal parkeerplaatsen bepaald op basis van de gemeentelijke parkeernormen, zoals vastgelegd in de Nota Parkeren Heemstede 2024. Het plan betreft de realisatie van woningen voor aandachtsgroepen. Bij het vaststellen van de juiste parkeernorm is aansluiting gezocht bij CROW-publicatie 381 – Toekomstbestendig parkeren. Een eerste stap daarbij is het vaststellen van de stedelijkheidsgraad van Heemstede. Op basis van de adressendichtheid wordt Heemstede geclassificeerd als een sterk stedelijk gebied. De projectlocatie bevindt zich in een gebied met een hoge mate van stedelijkheid. De beoogde realisatie bestaat uit 18 woonunits en een gemeenschappelijke ruimte van 75 m². Figuur 16. Gebiedsindeling voor parkeernormen gemeente Heemstede, projectlocatie blauw omcirkeld (bron: Nota parkeernormen Heemstede 2024)
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 51
De Nota Parkeernormen Heemstede 2024 hanteert specifieke parkeercijfers voor flexwoningen voor aandachtsgroepen, uitgedrukt per unit. De norm bedraagt 0,1 parkeerplaats per unit. Daarnaast geldt een bezoekersnorm van eveneens 0,1 per unit, wat resulteert in een totale parkeernorm van 0,2 per unit bij de berekening. Voor gemeenschappelijke ruimten geldt een parkeernorm van 3,0 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak (bvo). Aanwezigheidspercentages geven inzicht in de momenten waarop gebruikers van een bepaalde functie aanwezig zijn en daarmee een parkeerplaats bezetten. Deze percentages zijn gebaseerd op richtlijnen van het CROW en vormen het uitgangspunt voor het opstellen van de parkeerbalans. In onderstaande tabel zijn de aanwezigheidspercentages numeriek weergegeven. Figuur 17. Parkeernormen en aanwezigheidspercentage flexwonen aandachtsgroepen en gemeenschappelijke ruimte (bron: nota parkeren Heemstede 2024)
Op basis van de parkeernormering ontstaat daarmee de volgende parkeerbehoefte: Tabel 3.
Woonunits
Parkeernormen voor 18 woonunits en gemeenschappelijke ruimte
Kengetal
Werkdag Ochtend
Werkdag Middag
Werkdag Avond
Werkdag Nacht
Koopavond
Zaterdag
Zondag
1
0,2
0,2
0,2
0,1
0,08
0,1
0,16
0,16
18
3,6
3,6
3,6
1,8
1,44
1,8
2,88
2,88
Gemeenschappelijke ruimte
Kengetal
Werkdag Ochtend
Werkdag Middag
Werkdag Avond
Werkdag Nacht
Koopavond
Zaterdag
Zondag
100m2
3,0
0,3
1,2
3,0
1,2
3,0
2,7
2,4
75m2
2,25
0,23
0,9
2,25
0,9
2,25
2,03
1,8
Totaal
Kengetal
Werkdag Ochtend
Werkdag Middag
Werkdag Avond
Werkdag Nacht
Koopavond
Zaterdag Middag
Zondag
5,85
3,83
4,5
4,05
2,34
4,05
4,91
4,68
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 52
Hieruit blijkt dat de woonunits inclusief de gemeenteschappelijke ruimte een parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen genereren. Eerder zijn echter al enkele parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van het voormalige cultuurcentrum, dat inmiddels niet meer in gebruik is. Toen het cultuurcentrum nog in gebruik was, viel het drukste moment samen met een doordeweekse werkdag of koopavond. In de ochtenden en nachten op weekdagen was het daarentegen juist zeer rustig. Tabel 4.
Parkeernorm cultuurcentrum
Cultuur
Kengetal
Werkdag Ochtend
Werkdag Middag
Werkdag Avond
Werkdag Nacht
Koopavond
Zaterdag
Zondag
100m2
3,0
0,3
1,2
3,0
0
3,0
2,7
0,75
300m2
9,0
0,9
3,6
9,0
0
9,0
8,1
2,25
center
Om te bepalen of de nieuwe situatie inderdaad tot een drukkere periode leidt, zetten we de tabellen van de nieuwe en oude situatie onder elkaar ter vergelijking. Tabel 5.
Oude situatie en nieuwe situatie parkeren Glipperweg 55-57
Kengetal
Werkdag Ochtend
Werkdag Middag
Werkdag Avond
Werkdag Nacht
Koopavond
Zaterdag
Zondag
Oude situatie
9,0
0,9
3,6
9,0
0
9,0
8,1
2,25
Nieuw
5,85
3,83
4,5
4,05
2,34
4,05
4,91
4,68
-3,15
2,93
0,9
-4,95
2,34
-4,95
-3,19
2,43
situatie Balans
Er ontstaat in de nieuwe situatie dus daadwerkelijk een toename in parkeerdruk. Op de werkdagochtend zijn er afgerond drie extra parkeerplaatsen nodig. De parkeerdrukmetingen laten zien dat de directe omgeving binnen een straal van 200 meter voldoende capaciteit heeft om deze extra parkeerbehoefte op te vangen. Figuur 18. Parkeerdrukmeeting binnen een straal van 200 meter
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 53
Parkeerbehoefte fiets Fietsparkeerplaatsen bij de ontwikkeling De gemeente Heemstede heeft, voor zover publiek beschikbaar, geen specifieke fietsparkeernormen opgenomen in de Nota Parkeren 2024 of andere formele beleidsdocumenten. Om deze reden is aangesloten bij de CROW publicatie ‘Fietsparkeerkencijfers 2025’ voor het bepalen van de fietsparkeerbehoefte. Er is voor de beoogde functie geen norm opgenomen. Om deze reden wordt aangesloten bij de categorie Huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 b.v.o., sterk stedelijk, schil centrum. Bij de fietsparkeernorm is uitgegaan van de minimale norm. De norm is 2,5 fietsparkeerplaats per woning. Op basis hiervan is een minimale fietsparkeerbehoefte van 2,5 x 18 = 45 fietsparkeerplaatsen. Er is voorzien in een inpandige fietsenberging, en aanvullend zijn aan de voorzijde van het gebouw 13 extra fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Aangezien dit de norm betreft een sociale huurwoning en niet een wooneenheid voor kwetsbare doelgroepen, zoals statushouders en economische daklozen, is in de beoogde ontwikkeling een lager aantal fietsparkeerplaatsen gerealiseerd dan op basis van de CROW-norm is voorgeschreven. Verkeersgeneratie Voor de beoogde ontwikkeling zijn geen concrete normen bepaald die aansluiten bij de doelgroep om de verkeersgeneratie te berekenen.
De parkeernormen opgenomen in de Parkeernormen Heemstede 2024 zijn gebaseerd op basis van de CROW-publicatie 381. Om deze reden wordt voor het bepalen van de verkeersgeneratie ook nog aangesloten bij deze publicatie. Er wordt aangesloten bij de verkeersgeneratienormen voor sociale huur. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:
Huurhuis, sociale huur Sterk stedelijk Schil centrum
Dit leidt tot een maximum inschatting van 3,6 x 18 = 65 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Op een gemiddelde werkdag is dat 65 x 1,11 = 72 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Verkeersafwikkeling De verkeersontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Glipperweg, die aansluit op zowel de Glipperdreef als de Binnenweg. De Glipperdreef vormt een directe verbinding met de N201, terwijl de Binnenweg overgaat in de Bennebroekerlaan, die op haar beurt toegang biedt tot de N208. Daarnaast is er een tweede ontsluitingsmogelijkheid via de Prinsenlaan, die eveneens direct aansluit op de N208. Op basis van de huidige verkeersstructuur wordt verwacht dat het verkeer op een adequate wijze kan worden afgewikkeld via zowel de Glipperweg als de Prinsenlaan. Een aanvullend verkeersonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren levert geen randvoorwaarden of belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 54
NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.
Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -
Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 55
Relatie tot ontwikkeling Er is door Equipe Adviseurs een quickscan flora en fauna uitgevoerd op 20 augustus 2024. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen behorende bij deze GoFlo. Hieronder zijn de resultaten kort weergegeven. Bescherming gebieden Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar de gebiedsbescherming, blijkt dat de projectlocatie op circa 700 meter afstand van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het Natura 2000-gebied kan het niet uitgesloten worden dat de werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op het Natura 2000-gebied. Er wordt daarom een AERIUS-berekening gedaan door Equipe adviseurs. Figuur 19. Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: Quickscan flora en fauna Equipe Adviseurs)
Het projectgebied ligt op 180 meter van het dichtstbijzijnde NNN gebied. Gezien de afstand tot het bijzondere nationale natuurgebied/NNN worden er geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 56
Figuur 20. Ligging projectgebied ten opzichte van NNN-gebied (bron: Quickscan flora en fauna Equipe Adviseurs)
Stikstofonderzoek Er is door Equipe Adviseurs een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de effecten van het project. Dit onderzoek is als bijlage bij de GoFlo opgenomen. De berekening met de AERIUS calculator laat zien dat in gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Ook voor de sloop-en bouwfase is er geen depositie berekend, mits er gebruik wordt gemaakt van elektrische machines. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j. Bescherming soorten In de onderstaande tabel staan de effecten en conclusies met betrekking tot nader onderzoek opgenomen per soortgroep.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 57
Figuur 21. Beschrijving van de effecten (bron: Equipe Adviseurs)
Nader ecologisch onderzoek Sweco Op 17 september 2025 is door Sweco nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen bij deze GoFlo. Kraam- en zomerverblijfonderzoek Tijdens de veldbezoeken in de zomer- en kraamperiode, op 22 mei, 23 en 27 juni 2025, zijn geen invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen op de onderzoekslocatie. Er zijn geen zomer- en kraamverblijfplaatsen aangetroffen op of rondom de onderzoekslocatie. Er zijn enkele overvliegende gewone dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers waargenomen. Het kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten dat er een zomer- en/of kraamverblijfplaats van een vleermuissoort aanwezig is op de onderzoekslocatie. Onderzoek paarverblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken in de paarperiode, op 19 augustus en 8 september 2025, zijn geen invliegende, uitvliegende of baltsende vleermuizen waargenomen op de onderzoekslocatie. Er zijn tijdens deze rondes geen paarroepjes van vleermuizen gehoord in de omgeving van de onderzoekslocatie. Er zijn tijdens deze rondes enkele overvliegende gewone dwergvleermuizen en één overvliegende laatvlieger waargenomen. Het kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten dat er een paarverblijfplaats van een vleermuissoort aanwezig is op de onderzoekslocatie.
Vliegroute en foerageergebied De overvliegende vleermuizen, die zijn waargenomen tijdens de veldbezoeken, vlogen niet één richting op en vlogen niet langs een lijnvormig element op de onderzoekslocatie, waardoor redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat er essentiële vliegroutes aanwezig zijn.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 58
Tijdens alle veldbezoeken in de zomer- en kraamperiode en tijdens de eerste avondronde in de paarperiode zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen boven het water in de omgeving van de onderzoekslocatie (zie onderstaand figuur). Figuur 22. De aangetroffen foerageergebieden van de gewone dwergvleermuis (bron: Nader onderzoek vleermuizen Sweco)
De vleermuizen kwamen gedurende de gehele ronde voor korte periodes boven het water om te foerageren. Het foerageergebied wordt niet als een essentieel onderdeel geacht van de lokale populatie gewone dwergvleermuizen. In de directe omgeving zijn soortgelijke alternatieve foerageergebieden aanwezig die groter zijn en van dezelfde of betere kwaliteit zijn als het vastgestelde foerageergebied. Het betreft kanalen, akkerland en bosrijke gebieden in de omgeving van de onderzoekslocatie. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Tijdens de veldbezoeken in de zomer-, kraam en paarperiode zijn buiten de onderzoekslocatie geen aantikkende of in- en uitvliegende vleermuizen waargenomen. De onderzoeksinspanning heeft zich niet geconcentreerd op alle bebouwing in de omgeving van de onderzoekslocatie. Vanwege de afstand, tezamen met de aard van de ingreep op de onderzoekslocatie, zullen eventuele verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie naar verwachting echter geen negatieve gevolgen ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. Op basis van nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat de onderzoekslocatie geen beschermde functie heeft voor vleermuizen. Verstoring of beschadiging van individuen of hun verblijfplaatsen is niet aan de orde, waardoor overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen niet plaatsvindt.
Vervolgstappen ten aanzien van de Omgevingswet zijn niet nodig. Voor vleermuizen wordt geadviseerd om, tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie, in de schemer en nacht, tijdens het actieve seizoen (april t/m oktober), vleermuisvriendelijk licht te gebruiken. Hierdoor worden foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen in de omgeving van de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 59
Er wordt tot slot te allen tijde rekening gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van in het wild levende dieren en planten. Conclusie Op basis van nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat de onderzoekslocatie geen beschermde functie heeft voor vleermuizen. Om deze reden ontstaat er geen overtreding van de natuurbepalingen en vormt het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Relatie tot ontwikkeling Binnen de gemeente Heemstede is nog geen vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. In het omgevingsplan “Omgevingsplan gemeente Heemstede” zijn ook geen bepalingen inzake dit onderwerp opgenomen.
Daarnaast zijn op de BEO-Bomruimingskaart in de nabijheid van de locatie geen eerdere ruimingen of soortgelijke activiteiten geregistreerd. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van ontplofbare oorlogsresten is sprake van een ETFAL.
TRILLINGEN Algemeen Onder de Omgevingswet worden trillinggevoelige gebouwen – zoals gebouwen voor woongebruik, onderwijs of kinderopvang – beschermd tegen trillingen veroorzaakt door activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hiervoor in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels opgenomen. Instructieregels zijn bindende regels voor bestuursorganen. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn van toepassing op het toelaten van: a. een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz plaatsvinden die veroorzaakt worden door een activiteit, anders dan het wonen, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 60
De paragraaf is in beginsel niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder; b. met uitzondering van artikel 5.82 en 5.83, op een trillinggevoelig gebouw dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Trillinggevoelige gebouwen en ruimten Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Bovenstaande geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat. Ook zijn woonwagens en drijvende woonfuncties geen trillinggevoelige gebouwen. Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de functies die in sub a t/m d zijn beschreven. Aanvaardbaarheid Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw.
Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Beoordeling trillingshinder De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingen. De SBR-richtlijn heet voluit: Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006'. Deze richtlijn is ook het uitgangspunt voor de Beleidsregel trillinghinder spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Het beoordelingskader voor trillinghinder door activiteiten is overgenomen uit deze richtlijn. Dit beoordelingskader staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een trillinggevoelig gebouw en/of een trillinggevoelige ruimte als bedoeld in het Bkl, omdat de ontwikkeling van een gebouw met een woonfunctie is beoogd. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn diverse activiteiten die trillingen veroorzaken niet aanwezig.
De projectlocatie is niet gelegen binnen 200 meter van een spoorlijn, waardoor trillingshinder niet te verwachten is. Het uitvoeren van een onderzoek naar trillingshinder is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van trillingen is sprake van een ETFAL.
WATERBELANG Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 61
watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. Het hoogheemraadschap heeft vier leggers vastgesteld, namelijk de legger regionale waterkeringen, de legger primaire waterkeringen, de legger oppervlakte wateren en de legger ondersteunende kunstwerken. Uitsneden van deze leggerkaarten zijn hieronder toegevoegd. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap Rijnland op 1 mei 2025 de Waterschapsverordening ‘de Rijnlandse Keur’ vastgelegd. Effect op waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden er geen uitloogbare materialen zoals lood, koper en zink toegepast.
Hierdoor is er geen sprake van een negatief effect op schoon hemelwater, de grondwaterkwaliteit op de projectlocatie wordt niet negatief beïnvloedt. Figuur 23. Legger primaire wateren, projectlocatie rood omlijnd (bron: Hoogheemraadschap Rijnland)
Effect op waterkwantiteit Uit de leggerkaarten valt op te maken dat er geen oppervlakte wateren aanwezig zijn op de projectlocatie. Daarnaast hanteert het Hoogheemraadschap van Rijnland een stapeling in de bergingseisen, afhankelijk van de grootte van de toename aan hard oppervlak: 1. Bij meer dan 500 m2 toename hard oppervlak moet er waterberging worden aangelegd, ter grootte van 15% van de toename verhard oppervlak.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 62
2. Bij meer dan 5.000 m2 toename hard oppervlak moet de 90 mm neerslag in 24 uur geborgen kunnen worden, waarvan 20 mm in de bodem als dat kan. Berging mag op alle manieren worden gerealiseerd, zowel boven als ondergronds. 3. Bij meer dan 50.000 m2 toename hard oppervlak moet de 90 mm in 24 uur geborgen kunnen worden, waarvan 20 mm in de bodem als dat kan. Bij zo'n grote ontwikkeling moet 80% van de resterende opgave in oppervlaktewater worden gerealiseerd en tot 20% in andere vormen van berging. Met de beoogde ontwikkeling vindt geen nieuwe verhardingsopgave plaats die groter is dan 500 m 2. Het terrein is momenteel volledig verhard. Binnen dezelfde contouren worden de flexwoningen gerealiseerd. Daarnaast wordt in de binnentuin een wadi aangelegd. Er is geen compensatie op basis van de Waterschapsverordening noodzakelijk. Effect op beperkingengebieden De projectlocatie is niet gelegen in of nabij beschermingszones of beperkingengebieden van kunstwerken. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Ook is er geen sprake van randvoorwaarden of belemmeringen. Figuur 24. Legger regionale waterkeringen, projectlocatie rood omlijnd (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 29 september 2025)
Effect op grondwater Het grondwater is waargenomen op een diepte van circa 2,8 meter beneden maaiveld. Om regenwater op te vangen wordt een wadi onder het binnenterrein aangelegd. Gezien de diepte van het grondwater is het mogelijk om deze wadi te realiseren en is er geen negatief effect op het grondwater. Hemelwaterverordening Heemstede 2023 Conform artikel 3 van de Hemelwaterverordening geldt een verplichting tot hemelwaterberging. De berging moet conform artikel 4 voldoen aan de onderstaande regels: 1. Een hemelwaterberging zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid dient aan de volgende eisen te voldoen: a. De hemelwaterberging heeft een minimale capaciteit van 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak, waarvan het water wordt geloosd op het riool op de openbare ruimte; en
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 63
b. c. d.
De hemelwaterberging loost maximaal 3 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak per uur per perceel op een openbaar riool of op de openbare ruimte met een maximum van 3 m3 per uur per perceel; en De hemelwaterberging is na 60 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer leeg zodat een capaciteit van ten minste 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar is; en De hemelwaterberging volgt de verwerkingsvolgorde voor het lozen van het hemelwater zoals bedoeld in het vierde lid.
Voor de verwerking, ook wel de lozing, van het geborgen hemelwater geldt een minimaal te behalen niveau dat is aangegeven in de onderstaande figuur. De volgorde van de niveaus voor verwerking van het geborgen hemelwater is hieronder weergegeven. Het is niet toegestaan om een lager niveau toe te passen dan het minimum niveau, wel een hoger niveau. I. II. III. IV.
afvoeren op vuilwater- of gemengd riool; afvoeren op hemelwaterafvoer of oppervlaktewater; infiltreren in de bodem; hergebruik.
Figuur 25. Uitsnede bijlage bij de Hemelwaterverordening Heemstede, projectlocatie rood omlijnd
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 64
Ter plaatse van de projectlocatie moet minimaal het niveau ‘infiltreren in de bodem’ gehanteerd worden. Het bouwen van een nieuw gebouw valt binnen het toepassingsbereik van de verordening, dus er mag geen hemelwater direct worden geloosd op de riolering of de openbare ruimte. Aangezien het grondwaterpeil hier ver onder maaiveld staat, is er veel mogelijkheid tot direct infiltreren in de bodem. In het projectgebied is gekozen voor twee manieren van opvang van regenwater: -
Het water dat geloosd wordt aan de kant van de binnentuin wordt geloosd in de wadi. Het water dat geloosd wordt aan de straatzijde wordt geloosd in de geveltuintjes.
De regenwaterberging voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in de Hemelwaterverordening. Hiervoor is een berekening opgesteld. Deze berekening is als bijlage bij deze GoFlo gevoegd. Conclusie In het kader van water is sprake van een ETFAL.
WINDHINDER Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 2.1 Omgevingswet. Hiermee is windhinder ook een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De gemeente heeft hier wel een ruime mate van beleidsvrijheid in, nu voor het aspect windhinder instructieregels van het Rijk ontbreken. Beoordelingskader NEN-norm voor windhinder De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is De NEN 8100 is vanuit de wet niet verplicht, maar wordt wel algemeen gebruikt om te beoordelen of de ontwikkeling in overeenstemming is met een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (voorheen: een goede ruimtelijke ordening).
Borging windhinder in het omgevingsplan In het omgevingsplan kan de gemeente regels opstellen over de wijze waarop windhinder in de planvorming betrokken dient te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het opnemen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan, door het opnemen van maatregelen in het omgevingsplan (wanneer de maatregelen voor het beperken van windhinder reeds bekend zijn) of door het vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. In onderstaand kader is een voorbeeld van een omgevingsvergunningplicht opgenomen. Voorbeeld omgevingsvergunningplicht De gemeente neemt een vergunningplicht op voor bebouwing hoger dan 30 meter. Hieraan koppelt de gemeente een beoordelingsregel. De beoordelingsregel stelt als voorwaarde dat de initiatiefnemer aantoont dat er een aanvaardbaar windklimaat ontstaat. Eventueel kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat de initiatiefnemer dit aantoont met een windonderzoek dat voldoet aan de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 65
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing van maximaal 10,5 meter hoogte. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in bebouwing hoger dan 30 meter. Conform het beslismodel van de NEN 8100 is windonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van windhinder is sprake van een ETFAL.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 66
7
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. De gemeente is eigenaar van de gronden en is initiatiefnemer van de ontwikkeling.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Er heeft op 10 december 2024 en op 25 februari 2025 een informatieavond plaatsgevonden voor omwonenden om de plannen te presenteren. Daarnaast is met een deel van de omwonenden een klankbordgroep opgericht, waar op regelmatige basis afstemming heeft plaatsgevonden. Ten slotte zijn omwonenden met een nieuwsbrief op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen in het proces. De verslagen zijn als bijlage bij deze onderbouwing opgenomen.
Planologische procedure De Algemene wet bestuursrecht kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de korte voorbereidingsprocedure doorlopen. Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit, tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Dan volgt voor eenieder de mogelijkheid om eventuele bezwaren tegen het besluit bekend te maken. Een bezwaarmaker moet het bezwaar binnen 6 weken indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 67
8
CONCLUSIE ETFAL De initiatiefnemer heeft als doel om 18 woonunits te realiseren voor verschillende doelgroepen met een gemeenschappelijke ruimte. Het geldende omgevingsplan staat de beoogde ontwikkeling niet toe. Voor deze ontwikkeling dient dan ook een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor de ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA). In dit kader is voorliggende ‘goede onderbouwing van (de effecten op) de fysieke leefomgeving’ (GOFLO) opgesteld. Middels voorliggende GOFLO is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. De uitvoerbaarheid van het initiatief is getoetst aan de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 24267.GOFLO
Pagina | 68