CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

35a. 't Groot Clooster - Geschiedenis, Samenhang en Erfgoed

Gemeenteraad 1 oktober 2026, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 10: Lijst ingekomen stukken40.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Aanvan- kelijk traden zij op als weekendvervangers van beheerder Cor Bast en zijn vrouw Ria, die in het hoofdgebouw woonden. Na het overlijden van Bast in 1998 werd de auteur beheerder. In verband met de ontwikkeling van Hageveld tot appartementen verloor de Directiekeet in 2002 haar status als dienstwoning. Tijdens de ontwikkeling en verbouwing van het hoofdge- bouw bleven de auteur als beheerder en zijn vrouw Ischa van Assema hier wonen op basis van een bruikleenovereenkomst. In 2006 lieten zij de kans de Directiekeet te kopen niet voorbijgaan. 21 De dienstwoning aan de Molenwerfslaan De besluitvorming over de Directiekeet en de woning voor uitvoerder Rooijers is in hoofd- stuk 20 beschreven. Op 14 mei 1921 besloot bisschop Callier naast de ingang van de oprij- laan een duurzame woning te laten bouwen die na afloop van de bouw als dienstwoning kon blijven functioneren. De eerste stenen voor de woning aan de Molenwerfslaan werden op 2 juni 1921 aangevoerd en de grondwerkzaamheden begonnen op 22 juni 1921. De bouwvak- kers metselden op 11 juli 1921 de eerste stenen van de fundering en een dag later plaatsten ze de eerste vloeren. Daarna werd begonnen met het metselen van de muren en het stellen van de kozijnen. Het tienjarige neefje van de secretaris van de bisschop, Leo Westerwoudt, mocht op 13 juli 1921 een gedenksteen plaatsen in de voorgevel.

Het werk aan de kap be- gon op 21 juli 1921 en vanaf 5 augustus werden de eerste kapspanten opgesteld. In de wo- ning werkte men nog steeds aan de kap toen op 5 september 1921 de bouw stilviel door het ontslag van enkele timmerlieden wegens onbekwaamheid. Op 13 september 1921 ging de bouw verder. Die week werd ook begonnen met het maken van de zinken goten. Bouwvakkers voorzagen het dak op 26 september 1921 van panlatten en pannen en begin oktober begon men met het stucwerk aan de buitenzijde. Aan de bin- nenzijde vorderde intussen het timmerwerk. Vanaf 20 oktober 1921 begonnen de bouwvak- kers met het berieten van plafonds en een dag later begon ook daar het stucwerk. Buiten be- gon men die week de bouw van een schuur en een schutting. Na 2 november 1921 werkte men de woning verder af en vonden schilder- en behangwerken plaats. De stukadoor legde op 14 november 1921 de laatste hand aan zijn werk en begon de schilder zijn werkzaamhe- den. In zijn notitie van 13 december 1921 schreef Veltman dat het veel te lang duurde: “Hoofdopzichter met aannemer besproken te trachten dat nu spoedig een eind moet komen aan deze lijdensgeschiedenis.” Pas op 31 december 1921 was het zover. In het dagboek schreef hij die dag: “Woning onderbaas […] werd beschouwd gereed te zijn.

Het opschilde- ren en witten van gevels alsmede het afwerken van tuin en enige hekjes zal tot voorjaar worden uitgesteld.” Veltman schreef op 31 maart 1922 dat hij de aannemer had medege- deeld dat de woning op 2 mei geheel gereed moest zijn. 105 106 De bouwtekening van de dienstwoning aan de Molenwerfslaan. Foto Gemeente Heemstede. De dienstwoning aan de Molenwerfslaan. Foto Noord-Hollands Archief. Door de aanleg van de Cruquiusweg in 1931–1932 raakte de woning los van de oorspronke- lijke oprijlaan en later ingebouwd door bebouwing aan de Cloosterweg en de Cruquiusweg. De roedenverdeling van de ramen verdween, tegen de noordelijke zijgevel kwam een aan- bouw en de metalen plaat boven de centrale schoorsteen werd verwijderd. Hoewel het pand later als portierswoning is omschreven, noemen de oorspronkelijke bouwbronnen het als woning voor de onderbaas en is gebruik als portierswoning voor zover bekend niet aange- toond. 21.1 Bewoners van de dienstwoning aan de Molenwerfslaan Het is onbekend of Rooijers hier daadwerkelijk heeft gewoond en, als dat zo was, wanneer hij het pand verliet. Na hem kregen timmerman Johannes Theodorus van der Prijt (1873– 1942), die vanuit Voorhout naar Hageveld was meegekomen, en zijn vrouw Anna Maria Pijst (1875–1961) dit huis tijdens de bouw van Hageveld ter beschikking.

Na het overlijden 62 63 van Van der Prijt in 1942 bleef de weduwe daar wonen tot haar overlijden. Daarna werd het pand de dienstwoning van een andere timmerman van Hageveld, Jan Apswoude, en diens vrouw, D. Hijlkema. Hij en zijn vrouw kochten het pand in de jaren tachtig van het semina- rie, waarmee het pand de status van dienstwoning verloor. Dit waren de ouders van J.A. van der Prijt die in de Directiekeet zou gaan wonen.62 Volgens mevrouw M.T . Rikkers-Van der Prijt woonden haar grootouders hier vóór het einde van de bouw.63 107 Uitsnede uit een luchtfoto van het Tuinmanshuis, de Bakkerij, de Slachterij, het varkenshok en de ophaalbrug, omstreeks 1930. Op deze foto heeft het dak van het Tuinmanshuis nog de geknotte vorm. Foto Aviodrome Documentatiecentrum. 22 De Bakkerij en de Slachterij, het Tuinmanshuis en het Zomerhuis Met de aankoop van landgoed ’t Groot Clooster in 1920 kreeg het bisdom naast de Villa ’t Clooster ook het Tuinmanshuis en de boerderij in handen. Volgens de omschrijving in de vei- lingcatalogus van ’t Groot Clooster uit 1911 bestond de boerderij toen uit een woonhuis, waarmee vermoedelijk het Tuinmanshuis werd bedoeld, een zomerhuis met stal voor vier paarden, een stal voor veertig koeien met melkkelder, een paardenstal voor twee paarden, een karnhuis met karnmolen en een wagenberging met hooizolder.

Ook een kookhuisje en 64 twee hooibergen waren op foto’s van de familie Aberson te zien. Bij de boerderij hoorde vol- gens een advertentie voor de verkoop in 1911 “uitmuntende weilanden en teelgronden en eenig rietland, groot ± 59 H.A.” De boerderij werd rond 1900 gepacht door landbouwer Ernst van Beusekom (1864–1947). Volgens zijn neef Adrianus van Beusekom (1889–1982) trok deze omstreeks 1901 bij zijn oom in. Adrianus herinnerde zich dat zijn oom op een boerderij aan de Cloosterweg op de gronden van ’t Groot Clooster woonde. Er zijn echter geen aanwijzingen dat Ernst van Beusekom op of bij de boerderij van ’t Groot Clooster woonde. Waarschijnlijk woonde hij op een andere boerderij aan de Cloosterweg, van waaruit hij ook de boerderij van ’t Groot Clooster exploiteerde. Het seminarie liet op eigen kosten een bakkerij en een slachterij bouwen. Veltman schreef op 12 januari 1923 over een bespre- king met de econoom van het seminarie, de heer Brugeman: “Ook sprak z.eerw. over bou- wen bakkerij [bij de] boerderij met tuinierswoning. Hoofdopzichter stelde voor hier nog even mede te wachten. Het bouwwerk seminarie vergt nog te veel tijd en zorg om over an- dere aangelegenheden te kunnen werken en denken.” Op 6 februari 1923 kwam de wens opnieuw ter sprake: “Het bouwen van een bakkerij, stal voor koeien met varkens, slachthuis en tuinderswoning.

De steen waarop de karnmolen draaide was voorzien van een cirkelvormige geul. Deze is nu in gebruik als 64 bestrating bij de toegang tot het Tuinmanshuis. 108 Bouwtekening van de Bakkerij, de Slachterij en het Zomerhuis. Foto Noord-Hollands Archief. Aan hoofdopzichter werd opgedragen deze zaak met den heer Stuyt te bespreken. Hiervoor de noodige plannen in gereedheid te brengen. Hoofdopzichter zal direct den heer Stuyt hiervan mededeelingen doen.” Uit de dagboeken blijkt dat Brugeman de bouw op 5 maart 1923 met bisschop A.J. Callier zou bespreken en dat architect Jan Stuyt van de uitkomst op de hoogte zou worden gesteld. Ook werd er over nagedacht de bakkerij in de kelders van het hoofdgebouw onder te brengen en de schoorsteen ervoor aan te sluiten op die voor de cv. Op 22 maart 1923 was er overleg tussen Brugeman en Westerwoudt: “Hoofdopzichter nam deze gelegenheid ten baat voor bespreking bakkerij volgens opdracht van architekt. Eerw. heer plebaan raadde aan eerst een ovenbouwer te raadplegen, waarna een begrooting te maken voor een bakkerij buitenhuis te bouwen en de kosten indien deze binnen gebouwd zal wor- den. Deze cijfers z.d.l.h. den bisschop voor te leggen en bezwaren van architekt bij te voe- gen.” Op 10 april 1923 was er nog geen beslissing. Veltman schreef: “Regent zal hier spoed mee maken.

Hoofdopzichter wees dat de tijd zulks vorderde dat beslissing nu toch wel noodzakelijk was.” 109 Verbouwtekening van het Tuinmanshuis uit 1924. Foto Gemeente Heemstede. Over de slachterij schreef Veltman op 7 mei 1923: “Daar in de gemeente Heemstede in de bewoonde kom het slachten van vee verboden is wenschte econoom gaarne te weten of zulks hier op het terrein wordt toegestaan. Hoofdopzichter moet een dezer dagen bij bouw en woningtoezicht zijn. Zal tegelijkertijd hierover inlichtingen vragen. Voor slagerij en wo- ning tuinman zal voorlopig oude bestaande woningen worden gebruikt waaraan enige her- stellingen zal moeten geschieden. Econoom verzocht of dat van wege bouwdirectie kan ge- schieden. Hoofdopzichter vond het de aangewezen weg, later zal hier nog op terug worden gekomen.” Op 9 mei 1923 bleek dat toestemming aangevraagd moest worden bij B en W en dat er een hinderwetvergunning nodig was. Op 22 mei 1923 bespraken Veltman en Bruge- man een voorstel van Stuyt om: “bakkerij en slagerij en slachthuis aan bestaand huis tegen- over oude woning tuinbaas aan te bouwen. Z.e.w. zal deze zaak met regent bespreken, even- zoo beslissing aankoop oven. Beslissing zal hoofdopzichter spoedig vernemen.” Kennelijk kreeg dit plan groen licht, aangezien Veltman met de tekening ervan naar de afdeling bouw- toezicht van de gemeente ging.

Op 25 juni 1923 kreeg Veltman te horen dat Callier zijn goedkeuring had gegeven en dat bij de uitvoering de “meest mogelijke spoed” moest worden betracht. Op 3 juli gaf regent Ebbinkhuysen zijn goedkeuring voor de kosten van f 7.000 en een dag later begonnen de eerste graafwerkzaamheden. Op 10 juli 1923 was er een bespre- king met Brugeman en Van Beusekom: “Beide heren deden het verzoek gelegenheid te ma- ken achter de oude stal voor opslag van een hooiberg. Onderling werd deze plaats bepaald.” Nadat de schoonheidscommissie van de gemeente goedkeuring had gegeven, begon op 23 juli 1923 het werk aan de fundering voor de bakkerij en slachterij. 110 Het Tuinmanshuis, omstreeks 1950–1960. Foto Noord-Hollands Archief. Het Tuinmanshuis kwam voor het eerst ter sprake op 31 juli 1923 tijdens een bijeenkomst tussen Veltman, Ebbinkhuysen en Brugeman: “Alleen vroeg eerw heeren hoofdopzichter zorg wilde dragen om oude tuinmanswoning Vink van binnen en buiten op te knappen. Daar bouwen nieuwe woning voor tuinman buiten bereik van seminarie is. Bedoelde woning van binnen en buiten bezichtigd. Hoofdopzichter werd vrijgelaten datgene te doen wat hij in deze noodig achtte om deze woning in eenigszins bewoonbare toestand te brengen. Billijk- heid moet in deze betracht worden. Wat hoofdopzichter op zich heeft genomen.” Op 13 augustus 1923 begon de renovatie van het pand.

Tijdens een bijeenkomst op 27 au- gustus 1923 werd de voortgang besproken: “Met regent en subregent overleg gepleegd her- stellingen oude tuinmanswoning. Binnen in wordt alles naar behoren hersteld. Dak zeer slecht regent van alle kanten door. Herstellingen zijn hier onvermijdelijk.” Op 1 september 1923 begon de behanger zijn werkzaamheden in het pand, terwijl er ook nog timmerwerken plaatsvonden. Op 10 september 1923 vonden de eerste herstellingen aan het dak plaats en in oktober begon het schilderwerk aan de binnen- en buitenkant. Ondertussen ging het werk aan de bakkerij en slachterij door. Op 6 augustus 1923 werden de eerste kozijnen gesteld. Vanaf 13 augustus 1923 metselden de bouwvakkers de buiten- en binnenmuren. Daarna werkten zij aan de balklaag en kap. Op 31 augustus 1923 begon het stucwerk aan de buitenzijde. Terwijl de kap nog werd afgewerkt en er lood- en zinkwerken plaatsvonden, was men op 3 september 1923 binnen begonnen met het metselen van de oven en het betengelen van het plafond. De eerste betonvloeren werden op 17 september 1923 gestort. Op 22 september 1923 schreef Veltman over een plan in het Zomerhuis: “Hoofdopzichter bij econoom Brugeman mededeling gedaan stalhuis grenzende aan slacht- huis noodzakelijk enige herstellingen moet plaats vinden waarna een rookgelegenheid voor slager kan gemaakt worden.

Econoom zal deze zaak met regent bespreken.” 111 De oostgevels van de Bakkerij, de Slachterij en het Zomerhuis in 2011. Foto auteur. Veltman had in oktober 1923 meerdere besprekingen met econoom Brugeman over het Zo- merhuis en de nabijgelegen varkenshokken. Op 4 oktober noteerde hij: “Econoom hoofdop- zichter opdracht gegeven varkens hokken grenzende aan bakkerij met slachthuis zoodanig fatsoenlijk te herstellen deze voor gebruik dienstig zijn.” Op 23 oktober 1923 hadden Velt- man en Ebbinkhuysen een bespreking hierover: “Nadat hoofdopzichter zijn mening te ken- nen had gegeven z.e.w. heeft gewezen op de [financiële] voordelen welke hieraan verbon- den stemde z.e.w. erin toe en droeg hoofdopzichter op volgens zijn beste weten de navol- gende werken uit te voeren. 1ste Oude paardenstal […] geheel te slopen. 2de Van de afko- mende materialen eenige varkenshokken te bouwen bezijden de hooischelp, onmiddellijk in nabijheid van de thans [herstelde]. 3de De thans bestaande varkenshokken […] als koestal in te richten [en] in het voorgedeelte een gelegenheid te maken voor het rooken van vleesch volgens aanwijzing slager. 4de De oude loods met karnmolen bezijden woning tuinbaas ge- heel te slopen. 5de Werkhok met privaat gelegen tusschen bakkerij en woning tuinbaas ge- heel te slopen.

6de Van de afkomende materialen een nieuwe schuur te bouwen aansluiten- de aan tuinmanswoning waarin te maken 2 stuk w.c., een voor woning tuinbaas en een voor het dienstdoende personeel. Verder deze schuur van het hoognodige te voorzien. 7de Het buiten terrein van behoorlijke rioleringen te voorzien in hoofdzaak [voor] afvoer koestal met varkenshokken […] Hoofdopzichter zal meest mogelijke zuinigheid voor deze werken in achtnemen. Prijsopgave is in deze niet doenlijk.” Veltman schreef op 30 oktober 1923 over de varkenshokken die al in uitvoering waren: “Hoofdopzichter aannemer zijn misnoegen te kennen [gegeven] dat bouwen varkenshokken zeer slecht vordert [en] eischte meerder voortgang zo niet zal andere maatregelen worden getroffen. Op deze wijze mag hoofdop- zichter niet voortgaan.” 112 De zuidgevels van de Bakkerij, de Slachterij en het Zomerhuis in 2011. Foto auteur. Op 2 november 1923 bleek bij een bespreking met Brugeman en Van Beusekom dat de tijd begon te dringen: “Hoofdopzichter verzocht zoo spoedig mogelijk voortgang te maken met bouwen varkenshokken en repareren koestal. Het jaargetijde vraagt het vee naar stal te ha- len. Hoofdopzichter zegt toe zijn medewerking en zal aannemer opnieuw aandringen met alle macht voort te gaan.

Mocht eventueel het weer van dien aard worden het vee niet lan- ger op de weide kan blijven is van Beusekom genegen tijdelijk de koe beesten ten zijne plaatsen te stallen waarvan gretig gebruik wordt gemaakt.” Op 19 november 1923 was het werk in uitvoering: “Oude varkensstal omwerken in koestal. Oude straat en diverse afbre- ken, maken van drinkbakken en diverse werken. […] Brugeman vroeg aan hoofdopzichter meest mogelijke voortgang met koestal te maken, koe beesten moeten hoognodig op stal ge- bracht worden. Hoofdopzichter verzekerde met dubbele kracht te werken.” Op 29 november 1923 werd de stal in gebruik genomen. Op 22 januari 1924 waren de tekeningen voor de aanbouw van het Tuinmanshuis gereed: “Namiddags architect werk bezocht. […] In teekenkamer teekeningen nagezien en gewaar- merkt waaronder bouwaanvraag bij te bouwen keuken met w.c. aan tuinderswoning.” De kosten hiervoor kwamen uit op f 5.874. Met de werkzaamheden werd in maart begonnen. Op 7 april 1924 werd het metselwerk voltooid en de kap opgesteld. Op 22 april 1924 waren de bouw en het grootste deel van de afwerking gereed. Gezien de tekening van Stuyt is het afgeknotte schilddak aangepast tot een normaal schilddak.

Veltman had vanaf 15 april 1924 meerdere besprekingen met Brugeman over noodzakelijke voorzieningen voor het conserve- ren van het vlees van de slachterij: “Besproken rookgelegenheid voor slager in het oude huis gelegen naast slachthuis. Z.e.w. keurde voorstellen hoofdopzichter goed. Ook werd bespro- ken verandering j.l. verbouwde koestal. Hoofdopzichter betreurde deze stal ternauwernood gereed nu al is gebleken aan de gestelde eisen niet voldoen, destijds door hoofdopzichter en werklieden gewezen dat indeling verkeerd was. Toch voorstel knecht boer moest gehand- haafd worden. Z.e.w. erkende alles ten volle. Toch wenste deze zomer bedoelde verandering zal worden aangebracht.” De aanpassingen aan het Zomerhuis, waaronder het maken van een “kookfornuis en rookhuis”, bleken niet eenvoudig. Veltman schreef op 20 mei 1924 over een bespreking met Brugeman: “Z.e.w. in kennis ge- steld in orde brengen voorgedeelte koestal ombouw in kook- en rookhuis. Deze werken vie- len tegen. Het huis zeer oud is waardoor onvoorziene werken ontstaan. Dat het oude kook- huisje of bergplaatsje dan pas gesloopt kan worden wanneer het nieuwe voor gebruik gereed is. Op heden is het oude huisje voor de slager onmisbaar. Z.e.w.

keurde het alle goed.” Velt- man kreeg op 5 juni 1924 ook opdracht om in de kelder van het hoofdgebouw, die als opslag voor het vlees diende, op aanwijzing van de slager een pekelbak te laten maken. De werk- zaamheden waren kennelijk te weinig opgeschoten toen Veltman op 10 september 1924 schreef: “Ook eischt hoofdopzichter diverse werken zoo als stal met kookhok nu gereed zal komen.” In oktober werden de laatste schilderwerken aan de binnen- en buitenzijde van het Tuinmanshuis, de bakkerij en het slachthuis met koestal voltooid. 113 De bakkerij was al vóór 1939 gesloten. De regent schreef over de mobilisatie: “Inkwartiering gelukkig niet, wel 68 soldaten in de kost, ondergebracht in oude bakkerij.” De stal deed la- ter, tot eind jaren zeventig, dienst als stalling voor de paarden en de koets van het seminarie. Bij de verbouwing tot woonhuis bleven verschillende gebruikssporen behouden, waaronder de hijsbalk voor meelzakken, ophangmogelijkheden voor te verwerken en verwerkt vlees en het putje voor het bloed dat bij het slachten en verwerken vrijkwam. 22.1 Bewoners Het Tuinmanshuis werd in 1921 bewoond door tuinman Vink. Vermoedelijk was hij de laat- ste tuinman van ’t Groot Clooster.

Kort na de renovatie van de woning en de voltooiing van de aanbouw betrokken de uit Voorhout met het seminarie meegekomen tuinman Nicolaas Petrus van der Burg (1886–1966) en zijn vrouw Maria Johanna van der Zijden (1892–1981) de woning. Na zijn overlijden bleven zijn weduwe en haar zuster tot 1976 in dit huis wonen. Zij ruilden woningen met Harry van Assema (1943–2020) en zijn vrouw Charlotte Bühler, die in het hoofdgebouw woonden. Hij was internaatbegeleider voor het seminarie en later decaan van de zelfstandige onderwijsstichting College Hageveld. In de loop der jaren kregen Van Assema en zijn vrouw ook delen van de Bakkerij en de Slachterij in gebruik. De overige gedeelten waren in gebruik als garages voor het seminarie. Hiertoe waren de stallen en de brood- en rookoven met hun schoorstenen verwijderd en veel gevels voorzien van garage- deuren. In verband met de ontwikkeling van Hageveld tot appartementen verloren het Tuinmanshuis, het Zomerhuis, de Bakkerij en de Slachterij in 2002 hun functie als dienstwo- ning en dienstgebouwen. In 2006 verkocht de vastgoedontwikkelaar het Tuinmanshuis aan Van Assema en zijn vrouw, en het Zomerhuis, de Bakkerij en de Slachterij aan hun zoon en schoondochter. Dit gebouwencomplex werd daarna tot woonhuis verbouwd. 114 Het Tuinmanshuis in 2011. Foto auteur.

23 Villa ’t Clooster tijdens de bouw en daarna Op Hageveld namen de zusters franciscanessen de keukenwerkzaamheden en de huishou- ding op zich. Hun pas opgerichte Nederlandse provincie was nog op zoek naar een geschikte locatie om hun provinciaal moederhuis te vestigen. Het bisdom verkocht de zusters hiervoor de Villa ’t Clooster. In juni 1921 werden hun nieuwe huis en de kapel in de serre ingewijd. Door de talrijke intredes was de huisvesting al snel ontoereikend. Op verzoek van de zusters franciscanessen ontwierp architect Jan Stuyt in 1922 een klooster waarin de villa werd op- genomen. Tot de bouw ervan kwam het echter niet. Op 16 december 1922 kochten de zus- ters franciscanessen als nieuw moederhuis het landgoed Boekenroode in Aerdenhout. Daar vestigden zij klooster Alverna. Op 1 mei 1923 verhuisden alle zusters daarheen. De villa werd daarna gebruikt als tijdelijke woonruimte voor de zusters die in het zusterhuis in het hoofdgebouw zouden gaan wonen. Veltman schreef op 7 augustus 1923: “Namiddags hoog eerw. heer sub regent gearriveerd. Intrek en bezit van het seminarie genomen in opdracht z.d.l.h. den bisschop. Vanwege de […] afbouwdrukte van het huis zijn intrek genomen in de villa van de eerw. zusters.

Knechten konden hun intrek op hun kamers of afdeelingen ne- men, waren voldoende gereed voor bewoning.” 115 Ontwerp van Stuyt uit 1922 voor een klooster waarin Villa ’t Clooster werd opgenomen. Foto Het Nieuwe Instituut. De zusters franciscanessen namen de villa in december 1925 in gebruik voor zusters die op de pas opgerichte St. Augustinusschool in Heemstede werkten. De villa kreeg van hen de naam St. Augustinusklooster. Na de vordering van het hoofdgebouw namen vanaf 29 mei 1942 enkele priesters hun intrek in de villa. In juni 1944 vorderden de Duitsers echter ook de villa. Na herstelwerkzaamheden konden de zusters op 1 augustus 1945 weer terugkeren en eind november werden de villa en de kapel opnieuw gewijd. In 1960 werd de villa aan het seminarie terugverkocht, aangezien de ruimte nodig was voor extra slaapplaatsen. Na de overdracht in 1961 was de uitbreiding alweer overbodig. Het seminarie verhuurde de villa vervolgens tot 1986 aan emeritipriesters. In dat jaar ver- kocht het seminarie Villa ’t Clooster aan de Kruisvaarders van St. Jan. Deze lieten een klein bijgebouw van de zusters aan de noordkant vervangen door een nieuw gebouwtje. In 1998 verlieten de laatste Kruisvaarders van St. Jan het pand en verkochten zij het terug aan het seminarie. Bij de verkoop van Hageveld in 2002 aan de vastgoedontwikkelaar Hopman In- terheem Groep werd de villa meeverkocht.

De vastgoedontwikkelaar verkocht het pand dat- zelfde jaar aan particuliere eigenaren, die het als woonhuis in gebruik namen. De villa is in- middels weer in andere handen gekomen en rond 2020 grondig gerenoveerd en gerestau- reerd. Op de locatie van het bijgebouw van de Kruisvaarders kwam een op een koetshuis ge- ïnspireerd gebouw dat verbonden is met de villa en aansluit bij de stijl. Daarnaast is een kleiner bijgebouw verrezen dat een eigen moderne stijl heeft. 116 De Villa ’t Clooster, omstreeks 1990. Foto Stokman. 24 De brug en de vijver met fontein Stuyt ontwierp niet alleen het hoofdgebouw, maar ook de directe omgeving ervan. Voor het hoofdgebouw werden een vijver en een monumentale brug aangelegd. Hij werkte daarbij niet op een leeg terrein. De 18de-eeuwse oprijlaan bepaalde de aankomstroute en het be- staande Tuinmanshuis bleef gehandhaafd en werd in de nieuwe ruimtelijke compositie op- genomen. De vijver vormde het middelpunt van een ensemble met de brug, het Tuinmans- huis, de Directiekeet en het hoofdgebouw. Daarmee verbond Stuyt nieuwe architectuur met oudere en nieuwe landschappelijke en gebouwde elementen. Veltman noteerde op 14 augustus 1924 hierover: “Bezoek architect. [Hij zal] van voorterrein een volledig plan uitwerken waar in het midden voor hoofdingang seminarie een vijver met fontijn ontwerpen. Ook hier hechtte z.e.w.

[heer regent] zijn goedkeuring aan.” Op 25 fe- bruari 1925 had Veltman overleg over de te bouwen brug: “Namiddags op reis naar Utrecht voor converentie met ingeneur Drie in opdracht van architect overleg te plegen bouw brug voorplein in hoofdzaak versterking aan te brengen overwelving brug met vleugels. Heer Drie keurde voorstel architect goed door gewelf met contraforten te steunen en aanbrengen van ankers zijvleugels. Raadde hoofdopzichter aan voeting brug aanleg metselwerk eenige mate te verzwaren, ankers met warme koolteer te bestrijken. Voorstel hoofdopzichter afdekking brug van een klinkerlaag op zijn kant in P .L.-specie keurde heer Drie eveneens goed.” 117 De brug en de vijver, omstreeks 1925. Foto Noord-Hollands Archief. De afwerking van het terrein voor het hoofdgebouw begon in het voorjaar van 1925. Op 11 maart 1925 werd het “plan vijver voor hoofdingang seminarie volgens ingezonden teekening van leverancier” goedgekeurd. Op 16 maart 1925 was de bouw van de brug in uitvoering en die van de vijver in voorbereiding. Veltman: “Bouw brug met diverse werken. Metselwerken van boog en zijhoofden voor toegang brug seminarie met aanverwandte grondwerken. […] Maken van mallen met stellen voor te bouwen fontijn voor hoofdingang seminarie.” Op 30 maart 1925 was ook het werk aan de vijver bezig: “Bouw brug voor ingang seminarie en di- verse grondwerken.

Brug metselen van leuning. […] Vijver voor hoofdingang vlechten van ijzer netwerk met storten van beton.” Veltman noteerde op 15 april 1925: “Hoofdopzichter met z.e.w. heer regent besproken oude brug buiten dienst te stellen. […] Tijdelijke toegang naar seminarie door Kippenlaan. In hoofdlaan een aanwijzingbord te plaatsen. Des ’s avonds te verlichten. Idem oude brug af te baken enzoo ’s avonds waarschuwing lantaarn aan afba- king te bevestigen. Z.e.w. heer regent legt uitdrukkelijk de nadruk toegang nieuwe brug za- terdag 25 dezer gereed moet zijn met oog einde vacantie, vooral met aanvoer koffers auto- mobielen enz.” Op 27 april 1925 noteerde Veltman: “Slopen van oude brug [en] maken van rijweg voorplein seminarie met bijbehorende werken. Fontijn opmetselen van geprofileerde opstand vanaf bodem bak.” Op 11 mei 1925 was de vijver bijna klaar: “Fontijn voor hoofdin- gang gebouw. Afwerken van geprofileerde rand met bodem in p.c. specie.” Met het aanbren- gen van de ankers in de vorm van rozetten was de bouw van de brug voltooid en op 20 mei 1925 was de fontein zover gereed dat de watertoevoer werd aangesloten. 65 De ankers waren geleverd door N.V . IJzerhandel v/h J.W .A. de Wild uit Rotterdam.65 118 Luchtfoto van Hageveld uit 1983. Foto Aviodrome Documentatiecentrum.

25 De industriële schoorsteen De hoge industriële schoorsteen van Hageveld maakte vanaf het begin deel uit van de tech- nische opzet van het nieuwe seminarie. Op 5 juli 1922 noteerde hoofdopzichter C.J. Veltman na een bezoek van architect Jan Stuyt: “Bepaalde nieuw schoorsteen verwarming dertig me- ter 30 m hoog moet gebouwd worden.” De schoorsteen zou niet rechtstreeks tegen het hoofdgebouw worden geplaatst, maar op enige afstand daarvan verrijzen en door middel van een rookkanaal met de verwarmingskelder worden verbonden. Voor het ontwerp en de uitvoering werd contact opgenomen met de firma Conaij Herfkens te Venlo, die gespeciali- seerd was in de bouw van industriële schoorstenen. Op 1 september 1922 kwam directeur ’s Mulders naar het bouwterrein om de plannen met de hoofdopzichter en de aannemer te be- spreken. Hij zou “zoo spoedig mogelijk een uitgewerkte teekening volgens gedane bespre- king laten maken”. Een week later hechtte Stuyt zijn goedkeuring aan zowel het ontwerp als de geraamde kosten. 119 De industriële schoorsteen, omstreeks 1980. Foto Noord-Hollands Archief. De aansluiting tussen de verwarmingskelder en de vrijstaande schoorsteen vergde nader technisch overleg.

Tijdens een conferentie op 3 november 1922 met ingenieur Engeler, ’s Mulders, Jonckbloed en Veltman werd besloten dat “van af den kelder tot schoorsteenpijp […] het toevoerkanaal in de grond” zou worden gebouwd. Het gemetselde rookkanaal moest worden voorzien van een isolerende wand, waarbij de tussenruimte met sintels zou worden gevuld. Veltman bracht de constructie zekerheidshalve zelf op tekening, waarna in- genieur Engeler het ontwerp goedkeurde. Ook over de precieze plaats van de schoorsteen werd uitvoerig gesproken. ’s Mulders stelde voor deze op tien meter van de zijgevel te bou- wen, terwijl Stuyt aanvankelijk een afstand van twaalf en een halve meter had toegestaan. Op 8 maart 1923 stemde de architect in met de kortere afstand: de “buitenschoorsteen ver- warming” zou op tien meter van de zijgevel van de linkerachtervleugel worden gebouwd. Voor het grondwerk, de fundering en het aansluitende rookkanaal berekende de aannemer een bedrag van 720 gulden. Hoewel Stuyt de prijs hoog vond, werd deze op 21 maart goed- gekeurd. Op 1 mei 1923 kon Veltman noteren: “Begin gemaakt bouwen schoorsteen verwarming.” De werkzaamheden verliepen vervolgens betrekkelijk snel. Op 22 juni was de schoorsteen ge- reed en ruim een maand later kon de installatie voor het eerst worden beproefd. Op 28 juli 1923 werden enkele verwarmingsketels opgestookt.

Veltman legde het resultaat in enkele woorden vast: “Proef genomen buiten schoorsteen. Eenige ketels voorzien van vuur. Resulta- ten gunstig.” Daarmee was een belangrijke technische voorziening van het nieuwe seminarie gereed voor gebruik. 120 De noordgevel met de Zusterkapel, de schoorsteen en het eerste toiletblok, omstreeks 1925. Foto Noord- Hollands Archief. DEEL IV — Gebruik, verandering en monumentengeschiedenis Inleiding Sinds de ingebruikname van Hageveld hebben zich aan zowel het hoofdgebouw als het om- liggende terrein ingrijpende veranderingen voorgedaan. Deze werden veroorzaakt door uit- eenlopende factoren, waaronder achterstallig onderhoud, de kosten van herstel en vervan- ging, veranderende functionele eisen en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Vooral de veranderende positie van de kerk in de samenleving en daarmee de terugloop van het aantal priesterstudenten en religieuzen en later de groei van het atheneum hebben geleid tot sloop, herbestemming, verbouwingen en nieuwbouw. Uiteindelijk vormde de afname van het aan- tal religieuzen tevens een belangrijke aanleiding voor de verkoop van Hageveld. De verande- ringen die Hageveld heeft ondergaan, hebben niet alleen tot verlies geleid, maar maken ook zichtbaar hoeveel verschillende perioden in het huidige Hageveld herkenbaar zijn.

Juist daardoor wordt duidelijk dat Hageveld niet alleen een 20ste-eeuws seminariecomplex is, maar de jongste fase in de veel langere geschiedenis van ’t Groot Clooster. In dit deel worden de belangrijkste veranderingen aan het hoofdgebouw, de kapel en het landgoed zoveel mogelijk chronologisch beschreven. Daarbij ligt de nadruk op de onderde- len van de voormalige buitenplaats Het Clooster en het landgoed ’t Groot Clooster die door de bouw van Hageveld verloren gingen, evenals op de latere wijzigingen aan het ontwerp van Jan Stuyt. Vanwege de omvang van het onderwerp is ervoor gekozen de beschrijving te beperken tot de meest ingrijpende veranderingen. Hoewel is gestreefd naar een zo volledig mogelijke reconstructie, kan niet worden uitgesloten dat bepaalde wijzigingen onopgemerkt zijn gebleven. De veranderingen aan leslokalen en personeelsruimten na 1962 blijven gro- tendeels buiten beschouwing, omdat zij te talrijk zijn om daarvan binnen het bestek van deze publicatie een goed en volledig overzicht te geven. Een meer uitgebreide beelddocu- mentatie is opgenomen in mijn publicatie over Hageveld uit 2011. 26 Hageveld als monument: verandering, verlies en herbestemming Over Hageveld is veel geschreven. Daarbij gaat de aandacht doorgaans vooral uit naar de geschiedenis van het seminarie en de architectuur van het hoofdgebouw.

De betekenis van Hageveld binnen het oudere landgoed ’t Groot Clooster en de samenhang met de andere his- torische onderdelen van het gebied hebben daarentegen tot nu toe nauwelijks aandacht ge- kregen. In 1998 werden het hoofdgebouw en de brug aangewezen als rijksmonument. Over de precieze afwegingen die tot deze beperkte aanwijzing hebben geleid, geven de beschikba- re bronnen geen uitsluitsel. In 2007 werden Villa ’t Clooster, het Tuinmanshuis en het Zo- merhuis met de Bakkerij en de Slachterij aangewezen als gemeentelijk monument. Ook de Directiekeet werd aanvankelijk als gemeentelijk monument aangewezen, maar het daarte- gen ingediende bezwaar werd door de gemeente gehonoreerd. 121 26.1 Hageveld onder het Bisschoppelijk Seminarie Hageveld 1921–1945 Bij de aanvang van de bouw van Hageveld werden in 1921 het Koetshuis, het Karnhuis, de oude brug en het Jagershuis halverwege de oprijlaan naast de moestuin gesloopt. Ook het 66 terrein werd in die jaren opnieuw aangelegd. Veel sloten en de meanderende watergang met de vijver en de eilanden van de landschappelijke tuin van buitenplaats Het Clooster werden gedempt met grond die vrijkwam bij het uitgraven van de kelders en funderingen. In de loop van de tijd verdwenen ook het botenhuis, de druivenmuur naast de moestuin en het gebouw ten oosten van die muur.

Na de voltooiing van Hageveld maakten veranderingen binnen de kerk en het onderwijs geregeld aanpassingen aan het gebouw noodzakelijk. Ook nadat het atheneum in 1966 zelfstandig was geworden, bleef het Bisschoppelijk Seminarie Hageveld als eigenaar van de grond en opstallen daarvoor eindverantwoordelijk en trad het vaak ge- heel of gedeeltelijk als financier op. Archis-meldingen 5992279001, 5990764001, 5992068001 en 5992310001.66 122 Het uitzicht vanaf de watertoren met onder meer de moestuin, de druivenmuur en een schuur, omstreeks 1930–1940. Het gebouw op het sportveld is het Hartenhuisje. De rieten kap is verwijderd en er is een plat dak aangebracht. Foto Noord-Hollands Archief. Vanaf de ingebruikname bleken de pilaren in de studiezaal in het gebruik bijzonder onprak- tisch. Veltman noteerde op 7 februari 1924 “Plan vervangen kolommen studiezaal i.v.m. klachten. Architect verwierp dit.” Ondanks de tegenstand van Stuyt werden de pilaren in 1928 gesloopt en vervangen door grote stalen binten. Ebbinkhuysen schreef: “De studiezaal won daarmee in praktische bruikbaarheid, maar verloor daardoor de weinige schoonheid waarop zij bogen kon.” Tussen 1926 en 1927 leverde Henricus Alphonsus (Han) Bijvoet een altaar voor de crypte. In 1929 liet de regent de kapel opnieuw inrichten om de zichtbaar67 - heid voor de studenten te verbeteren.

Hij liet het tabernakel verplaatsen naar het hoofdal- taar. Hij stootte het kruis en de kandelaars van smeedwerk af en gaf de firma Brom de op- dracht om een nieuw altaarstel te maken. Brom maakte een kruisbeeld, een expositietroon en zes kandelaars van geelkoper. In 1930 werd het gebouw uitgebreid met een door Stuyt ontworpen gymzaal met een verbindingsgang naar de Grote Kant. In het atheneum hangt het natuurstenen frontpaneel van een altaar met in reliëf links aartsengel Michaël, 67 die de draak verslaat, en rechts de heilige pastoor van Ars. Beide symboliseren de strijd tegen de duivel en daarmee de overwinning van het goede op het kwade. Het reliëf was afkomstig uit de crypte waar elf altaren stonden opgesteld. Toen de crypte buiten gebruik werd gesteld is de steen opgeslagen en in 2002 overgedragen aan het atheneum. Het paneel is in de gang bij de hoofdingang opgehangen. Vooralsnog lijkt een toeschrijving aan Han Bijvoet het meest aannemelijk. De vormgeving van het reliëf sluit goed aan bij zijn werk uit deze periode. Hij leverde in 1934 ook een gebrandschilderd rond raam voor de zusterkapel. 123 Uitzicht vanaf de watertoren met onder meer Het Heemsteeds Kanaal, omstreeks 1930–1940. Foto Noord- Hollands Archief. Vanaf 1928 stonden er gymnastieklessen op het studieprogramma. Deze werden eerst gege- ven in de aula, maar dat bleek op bezwaren te stuiten.

De regent noteerde: “Op de eerste plaats leent de aula er zich niet toe daar hangende en zwevende instrumenten aan te bren- gen. Dan leed de zaal veel door een gebruik, waartoe zij niet bestemd was. En ten slotte hadden de Heeren, die in de nabijheid van de aula woonden, zeer veel hinder van het on- vermijdelijk geraas. Daarom werd besloten een nieuw gymnastieklokaal te bouwen. Na veel wikken en wegen werd vastgesteld, dat de nieuwbouw aan de rechterkant van het hoofdge- bouw zou verrijzen, dat het één geheel zou uitmaken met het reeds bestaande, en dat er re- kening gehouden zou worden met de mogelijkheid, dat er een tweede verdieping op zou ge- trokken kunnen worden, bestemd b.v. voor slaapzaal. Aan Jan Stuyt werd opgedragen als architekt op te treden. De katholieke aannemer kregen gelegenheid op de bouw in te schrij- ven: Aan den laagsten inschrijving [ca. f 35.000], mijnheer A.J.W . van Sambeek, werd de bouw gegund en door hem in algemeene tevredenheid voltrokken.” Bisschop Aengenant wijdde de gymnastiekzaal in het najaar van 1930 in. In 1931 werd het priesterkoor heringericht. De bisschop had hiervoor f 10.000 beschikbaar gesteld. Architect Jan Stuyt kreeg opdracht een ontwerp te maken voor “een marmerbekle- ding rond heel het presbyterium” tot een hoogte van twee meter.

In 1931 werden in op- dracht van Stuyt en de regent en in overleg met Jan-Eloy Brom de vazen van het ciborium verwijderd. Stuyt ontwierp een bekleding van groen marmer afgezet met zwarte banen voor de muren en een versiering van goudkleurige sterren op een blauwe achtergrond voor het plafond. Datzelfde jaar bracht de N.V . kunstwerkplaatsen Cuypers & Co uit Roermond de marmeren wandbedekking aan. Kunstschilder Huib Luns kreeg de opdracht de daarvoor ge- reserveerde ruimten te voorzien van twee schilderingen. Die werden in 1932 en 1933 ge- plaatst. De regent schreef hierover: “Voor de groote vakantie van 1932 werd het eerste schil- derstuk van Huib Luns geplaatst. [...] Dit stuk voldeed ten zeerste aan aller verwachting.” Over het tweede schilderij schreef hij: “Ook dit kleurig en fleurig tafereel oogstte veel bijval.” Door de aanleg van de Cruquiusweg in 1931 en 1932 werd de oprijlaan doorsneden. De re- gent: “In de loop van dit jaar had er een belangrijke transactie van gronden plaats tusschen het Seminarie eenerzijds en de Gemeente Haarlem met de Provincie Noord-Holland ander- zijds. Deze koop, verkoop en ruil van gronden was voor een deel gedwongen, wijl er een provinciale verkeersweg ontworpen is tusschen Haarlem en Utrecht, welke weg dwars door de oprijlaan van het Seminarie is geprojecteerd.

Zoo het Seminarie zich daar tegen verzet had, zou de grond toch ter algemeene nutte onteigend zijn. Daarbij kwam het verlangen van het Seminarie om eigenaar te zijn van het land, dat aan de Gemeente toebehoorde en inge- sloten wordt door het Heemsteedsch kanaal en het Spaarne. Dit terrein hoort natuurlijker- wijze bij de gronden van het Seminarie en de mogelijkheid bestond dat het op den duur voor industrieele doeleinden gebruikt zou worden. Dit zou voor de vrijheid en de rust van het Seminarie zeer nadeelig kunnen zijn.” Het seminarie ontving als vergoeding naast de grond ruim 20.000 gulden. De dienstwoning aan de Molenwerfslaan kwam hierdoor geïsoleerd te liggen. In 1933 maakte Stuyt meerdere ontwerpen voor een nieuwe toegang in combinatie met een nieuwe dienstwoning. De toegang werd uiteindelijk veel soberder en zonder dienstwoning uitgevoerd. 124 In het studiejaar 1933–1934 werd de oprijlaan geasfalteerd. Dat jaar schreef de regent over de pogingen een boerderij te bouwen: “Intusschen waren besprekingen begonnen van een boerderij op het zgn. ‘bullenwetje’ bij de Kwakel door Jan Stuyt. Teekeningen gemaakt: be- grooting samengesteld: alles was te duur: nieuwe veranderingen aangebracht: doch de prijs was van dien aard dat tot uitvoering niet kon worden overgegaan.

Regent Wijtenburg heeft daarover zeer veel zorg gehad en naar zijn eigen zeggen zijn de beslommeringen over de te bouwen boerderij de aanleiding geworden tot zijn ziekte.” Het overlijden van Stuyt op 11 juli 1934, op 65-jarige leeftijd, betekende het einde van zijn sterke invloed op Hageveld. Tot die tijd werden alle aanpassingen door hem ontworpen of ter goedkeuring aan hem voorge- legd. In de tweede helft van 1934 ontwierp architect N.J. Nijman uit Heemstede een boerderij voor Hageveld. Dit plan bestond uit een woonhuis met losstaande koeienstal, varkensstal en bergloods. Deze boerderij kwam tussen het Heemsteeds Kanaal en de zusterkapel te liggen. De bouw ervan was in 1935 afgerond. In december 1934 plaatste glasatelier Le Nobel in de zusterkapel een door Henricus Alphonsus (Han) Bijvoet (1897–1975) gebrandschilderd raam met daarop de patroonheilige van de zusters. Vóór 1935 werden de spitse bekroning en het uurwerk met de vier wijzerplaten van de dakruiter boven de hoofdingang verwijderd. De spitse bekroning werd vervangen door een dakvorm die aansloot bij die van de kapel. In de kerstvakantie van 1936 werden de vertrekken van de regent uitgebreid. De slaapkamer werd kantoor en een vak van de bibliotheek werd tot slaapkamer verbouwd. In 1938 werd er een perceel naast de dienstwoning aan de Molenwerfslaan verkocht voor f 15.000 ten be- hoeve van de bouw van een school.

In 1938 plaatste orgelbouwer Adema het orgel dat Pet- rus Josephus Adema (1828–1919) in 1877 gemaakt had voor de kapel van het seminarie in Voorhout en dat na de verhuizing was opgeslagen. De regent: “De fraaie lijnen van de front- bouw vinden algemene bewondering. De registers vormen een mooie combinatie van oud en nieuw.” 125 Het vooraanzicht van het seminarie, omstreeks 1950–1960. Foto Noord-Hollands Archief. Vanaf 1940 werd het gebouw meerdere malen voor Duitse militairen gevorderd. Volgens een verslag over de oorlogsschade legde de bezetter hier verdedigingswerken aan: 760 meter versperringen, 1500 meter loopgraven, 225 eenmansgaten, 3 bunkers en diverse schiet- en splinterbanen om met wapens en handgranaten te oefenen. In 1944 brachten de Duitsers op de gevels en daken van het seminarie geschilderde patronen en elementen zoals bomen aan om het gebouw te camoufleren. Ook de brug ontkwam er niet aan. De regent kreeg nog voor het einde van de oorlog bezoek: “Aan het Seminarie presenteert zich ook de schilder Schelle- kens, die het seminarie zo afschuwelijk beklad heeft. Hij biedt zich aan om de gevel van de verf te ontdoen en beweert dat het mogelijk is met een soda-oplossing. Later is hij niet meer zo zeker daarvan en spreekt van de zandstraal.

Op zijn voorstel wordt niet ingegaan.” Daar- na vorderden de Duitsers Hageveld ten behoeve van het gebruik als militair ziekenhuis. Daarvoor schilderden de Duitsers in april 1945 ook nog grote rode kruizen binnen een rond wit vlak op het dak. 1945–2002 Afgezien van de op de daken en gevels aangebrachte verf viel de schade aan het hoofdge- bouw en de kapel erg mee. Na de bevrijding werd alle schade zo snel mogelijk hersteld. Tus- sen 1948 en 1949 werd alle verf van de gevels verwijderd door het gebouw te zandstralen. De met verf besmeurde leien op de daken werden omgedraaid. In juli 1946 werd een kerk- hof aan de westkant van de Lindenlaan aangelegd. Hierbij werd in 1947 een kruisbeeld van de beeldhouwer Pieter Biesiot (1890–1980) geplaatst. In 1955 bouwden studenten een Ma- riakapelletje in het herenbos. Dit bouwwerkje was uitgevoerd in metselwerk en voorzien van een dak met leien. Tussen 1958 en 1971 verkocht het seminarie onder meer de moestuinen ten zuiden van de oprijlaan, percelen ten oosten van de Cruquiusweg en percelen tussen de Nijverheidsweg en het Heemsteeds Kanaal. De bouw van de wasserij Newasco en de brand- weerkazerne maakten het verlies van de moestuin definitief. Met de bouw verdween ook het laatste stuk van het fundament van de druivenmuur. 68 Tot 1960 was Hageveld een bloeiend seminarie, daarna nam het aantal nieuwe studenten snel af.

Vanaf die tijd veranderde het seminarie geleidelijk in een atheneum en een internaat. In 1962 bouwde men een nieuw gebouwtje met daarin een toiletblok aan de noordkant. Ook werd de studiezaal aan de zuidkant tot recreatieruimte verbouwd. Tussen 1962 en 1967 werd de kapel gemoderniseerd en werden de theaterzaal en refter verbouwd. In verband met achterstallig onderhoud en de kosten van vervanging werd de door Stuyt ontworpen dakruiter van het dak boven de hoofdingang toen verwijderd en het dak aangeheeld. In 1966 richtte het atheneum een zelfstandige onderwijsstichting op onder de naam Bisschop- pelijk College Hageveld, tegenwoordig Atheneum College Hageveld, die de benodigde ruim- ten van het seminarie huurde. Het internaatgedeelte bleef tot de sluiting onder het semina- rie vallen. In 1966 liet men het Heilig Hartbeeld en het hekwerk tussen de cour en de kapel verwijderen. Op deze locatie werd, deels voor de kopse kanten van de Grote en Kleine Kant, een langwerpig houten noodgebouw voorzien van lokalen opgetrokken. Dit gebouw werd in 1988 vervangen door een solidere variant. De laatste gymnasiasten metselden in 1973 een bakstenen gedenkzuil tussen het sportveld en de Lindenlaan. Het seminarie verkocht de boerderij in 1976 aan de familie Van der Hulst, die de boerderij bewoonde.

De door hen ge- pachte weilanden bleven buiten de verkoop Archis-melding 6004962001.68 126 127 De voorgevel met de geschilderde camouflagepatronen, omstreeks 1948. Foto Noord-Hollands Archief. Ook de grond ten westen van de boerderij werd in deze periode grotendeels verkocht, aan twee leden van de familie Beliën, die daar grond huurden voor hun tuinbouwbedrijf, en aan de zeeverkennersgroep St.-Jozef. De jongensrefter werd in 1979 omgebouwd tot een gym- zaal voor het atheneum. Doordat het atheneum veel minder ruimte nodig had dan het seminarie en het internaat in 1981 werd gesloten, verloren veel ruimten hun oorspronkelijke functie en kwamen zij leeg te staan. Om het gebouw betaalbaar te houden zocht het bestuur naar een nieuwe invulling van de ongebruikte ruimten. Het liet de leeggekomen kamers van inwonende docenten ver- bouwen tot kleine wooneenheden en verhuurde deze aan emeritipriesters. De leegstaande ruimten van onder meer de slaapzalen, de aula en de bibliotheek werden tussen 1977 en 1983 verbouwd tot woon-, verblijfs- en kantoorruimten. In de gevels van de slaapzalen kwamen grotere vensters op lagere hoogte.

De verbouwde ruimten verhuurde het seminarie onder meer aan de zusters franciscanessen van Alverna, de zusters van de Voorzienigheid, de zusters augustinessen, het missiesecretariaat van het bisdom Haarlem, de stichting Katholie- ke Scholen, de stichting Scholenbureau Haarlem, de Noord-Hollandse Bestuursacademie en een financieel adviesbureau. 128 Luchtfoto van Hageveld uit 1983. Foto Aviodrome Documentatiecentrum. Doordat de kapel niet erg praktisch was voor het gebruik door het atheneum en de verwar- ming en het onderhoud bijzonder kostbaar waren, liet het seminarie deze ruimte tussen 1981 en 1986 verbouwen. Door de kapel met een nieuwe tussenvloer in tweeën te delen en het priesterkoor af te sluiten, ontstond op de begane grond een nieuwe aula voor het athe- neum. Het bestuur wilde in de ruimte erboven appartementen realiseren. Dit plan ging ech- ter niet door. In de jaren tachtig werd de bouwvallig geworden klokkenstoel met klok op het dak boven de ingang van de kapel verwijderd. Ook de bovenste ring van ramen in het dak van de kapel was in slechte staat en werd verwijderd. Tussen 1981 en 1984 werden het zusterhuis en de woonruimten van de inwonende personeelsleden gemoderniseerd. De cellen en de refter 69 van de zusters maakten plaats voor kamers. Ook de zusterkapel, waarvan het koor in 1960 was vergroot, werd gemoderniseerd.

Voor het Rode Kruis werd er in de kelder in de jaren tachtig een zendruimte voor communicatie in tijden van nood gemaakt. Daardoor stond ja- renlang een ontsierende hoge antenne in de zuidelijke binnentuin. Na het vertrek van het Rode Kruis omstreeks 1995 is ook de antenne weer verwijderd. Van de industriële schoor- steen werd de bouwvallig geworden top verwijderd. De op de gevel bij de voordeur en op de brug aangebrachte buitenlampen van Stuyt zijn in de jaren tachtig vervangen door andere. 70 De wegen van grind zijn langzamerhand vervangen door asfalt en het grind op de cour maakte plaats voor gras. Voor het toenemende aantal auto’s van bewoners en andere gebrui- kers werden op diverse plaatsen parkeerplaatsen aangelegd. Aan de zuidkant werden een fietsenstalling en twee stalen garagegebouwen gebouwd. In verband met eisen voor de brandwerendheid werden in veel van de lange gangen extra portalen met deuren geplaatst. De brandwerendheid verbeterde, maar het effect van de lange gangen werd daarmee aange- tast. In 1991 liet het bestuur van het seminarie de bouwgroep Groot Kennemer, een samenwer- kingsverband van de firma’s Nelis Project Maatschappij uit Haarlem en Thunnissen uit Heemstede, de stedenbouwkundige mogelijkheden van de weilanden ten oosten en ten noorden van Hageveld onderzoeken.

In december 1991 bood de bouwgroep dit plan, in de vorm van een locatiestudie, aan de gemeente aan. De gemeente wees dit plan af. Door de afname van het aantal bewoners en het ontbreken van aanvaardbare alternatieven voor een andere invulling besloot het bestuur van het Bisschoppelijk Seminarie Hageveld in samen- spraak met het bisdom het gebouw te verkopen. Het atheneum kreeg de gelegenheid te on- derzoeken hoe het hoofdgebouw en de kapel konden blijven worden gebruikt en met welke partner dat kon worden gerealiseerd. Doordat het gebouw te groot was voor het atheneum alleen, moest een nieuwe gebruiker worden gezocht voor het voorhuis. Hierbij zocht het atheneum samenwerking met de Hopman Interheem Groep, een vastgoedontwikkelaar uit Gouda. Na onderzoek van meerdere mogelijkheden besloot de ontwikkelaar het voorhuis Ter ondersteuning van de inwoners van Hageveld waren er knechten en “meisjes” in dienst. Deze bewoners 69 waren veelal licht verstandelijk beperkt. De “meisjes” werden zo genoemd sinds ze hier op jonge leeftijd onder leiding van de zusters begonnen te werken in de huishouding en de keuken. Deze vrouwen werden door sommigen, vanuit hedendaags perspectief denigrerend, “nimfen” genoemd. De knechten en de “meisjes” werkten tegen kost, inwoning en zakgeld. Ze woonden aanvankelijk onder zeer sobere omstandigheden op de zolders.

In latere jaren ontvingen zij loon en werden hun woonomstandigheden verbeterd. Stuyt besprak deze buitenlampen op 19 januari 1923 met Veltman: “Buitenverlichting buitendeuren moeten 70 gemaakt worden in den geest als raadhuis Heemstede”. 129 zelf te kopen en te ontwikkelen tot een woongebouw. Met toestemming van de paus werd Hageveld in 2002 aan beide partijen verkocht. 26.2 Hageveld onder het Atheneum College Hageveld In 2002 kocht de Stichting Hageveld Beheer, ten behoeve van het Atheneum College Hage- veld en met financiële steun van de gemeente, het achtergedeelte van het hoofdgebouw met de kapel. Het atheneum kreeg als nieuwe eigenaar na de splitsing te maken met minder ruimte in het gebouw, andere verkeersstromen, een niet meer op de oude manier toeganke- lijke aula in de voormalige kapel en het verlies van een gymzaal. Voor het atheneum bete- kende dit het begin van een periode van grootschalige verbouwingen. Voor de verbouwingen werd het Amsterdamse bureau HM Architecten ingeschakeld. In 2002 kwam aan de noord- kant een nieuwe hoofdingang voor het atheneum. De slaapzaal van de Kleine Kant werd verbouwd tot lokalen en verblijfsruimten. Het gebouw aan de westkant van de kapel, op de plaats van het noodgebouw uit 1966, werd afgebroken. De beide gevels aan de kant van de cour werden hersteld, om te gaan dienen als ingangen voor de leerlingen.

Tussen de vleugels werd een nieuw gedeelte gebouwd met grotendeels glazen gevels. Dit gebouw diende onder meer als nieuwe verbindingsgang. Het atheneum kocht in 2003 van het bisdom tevens een strook van een weilandje in het verlengde van de Nijverheidsweg en ten noorden van het hoofdgebouw. Deze strook werd voorzien van twee bruggen en een fietspad met aan weers- zijden parkeergelegenheid voor auto’s. 130 Hageveld, omstreeks 2008. Foto M. van Ulden. In 2004 werden het voor- en het achterhuis definitief van elkaar gescheiden door het dicht- maken van de laatste open verbindingen. Het toiletblok uit de jaren zestig maakte in 2004 plaats voor een nieuwe vleugel met een gymzaal van 400 m², een muzieklokaal, een lokaal voor het vak drama en een verblijfsruimte voor de docenten. Ook de cour werd aangepakt. Tussen de uitgangen voor de leerlingen kwam een verhoogd terras dat overliep in een met gras begroeid talud. Het talud sloot de cour evenwijdig aan de breviergangen af. De ruimten tussen het talud en de breviergangen boden plaats aan de fietsenstallingen. De aanpassing van de kapel was een van de grotere verbouwprojecten voor het atheneum. Door de nieuwe scheiding binnen het hoofdgebouw moest de kapel zijn oorspronkelijke ingang missen. De inrichting van de zaal werd daarom omgedraaid. De sacristie en het priesterkoor kregen een nieuwe functie als foyer.

De twee voorste nissen werden voorzien van een doorgang naar de gang naar het priesterkoor. Het priesterkoor werd dichtgemaakt en kreeg een toegang tot de zaal. Hierin kwamen de oude toegangsdeuren van de kapel. Vanuit de gang naar het pries- terkoor werden bovendien de crypte en de als mediatheek ingerichte bovenruimte in de ka- pel via nieuwe trappen bereikbaar gemaakt. In 2006 werd een collegezaal tussen de oude gymzaal en de achterkant van de breviergang gebouwd. Ook werd de oude gymzaal gereno- veerd. Vanaf 2008 werden de oude slaapzalen gerenoveerd en opnieuw ingericht. Na 2010 vonden nog enkele veranderingen plaats. In 2011 legde de gemeente het Jan Stuytpad aan door het ‘6de klas bos’ en langs voetbalclub HBC. Dit pad sloot aan op de Cru- quiusweg. Mede vanwege de eisen aan de luchtkwaliteit tijdens de coronapandemie werden luchtverversingsinstallaties met aan- en afvoerkanalen aangebracht. Voor de centrale ver- warming kwam naast de nieuwe gymzaal een klein, gedeeltelijk ondergronds gebouw met een afzonderlijke rookafvoer. Onder de overdekte breviergangen aan de noordzijde werden kamers voor medewerkers gemaakt. 26.3 Hageveld onder Hopman Interheem In 2002 kocht de vastgoedontwikkelaar Hopman Interheem Groep uit Gouda het voorge- deelte van het terrein met het hoofdgebouw en de noordelijke en zuidelijke zijvleugels.

Bij de koop hoorden ook Villa ’t Clooster en de dienstwoningen en -gebouwen. Uiteindelijk be- sloot de ontwikkelaar appartementen te maken in het door hem verworven gedeelte van het hoofdgebouw. Villa ’t Clooster, het Tuinmanshuis, het gebouwencomplex van het Zomerhuis, de Bakkerij en de Slachterij en de Directiekeet werden afzonderlijk verkocht. De herontwikkeling van het voorhuis werd uitgevoerd door de MYJ-ontwerpgroep met Braaksma & Roos Architecten uit Den Haag. Zij werden hierbij ondersteund door 3TO uit dezelfde stad. In het hoofdgebouw ontwierpen zij 52 nieuwe woningen met bergingen in de kelders. Onder het voorplein kwam een parkeergarage van circa 2.800 m² die plaats bood aan 104 auto’s. Bouwbedrijf M.J. de Nijs en Zonen uit Warmenhuizen nam dit project aan. Aan de buitengevels werden metalen balkons op de eerste verdieping en houten zitjes met traptreden op de begane grond aangebracht, elk voorzien van een nieuwe toegang. De jon- gensrefter en de aula werden gesloopt. De nieuwe gevels rond de binnentuinen kregen een modern uiterlijk. De gang van de hal naar de kapel bleef gespaard. Op de daken kwamen extra dakkapellen, die het door Stuyt bedachte ritme tenietdeden. Daar kwamen ook inpandige balkons. Het profiel van de ventilatieschoorstenen op de daken van de zijvleugels aan de voorzijde wordt verstoord door daar bovenop aangelegde kachel- 131 uitlaten.

Ook het profiel van het dak ten noorden van de middenpartij wordt verstoord door dergelijke toevoegingen. De zusterkapel werd omgebouwd tot woonhuis. Hiervoor werden extra ramen en een toegang in de gevels en het dak gemaakt. Bij de verbouwing tot wonin- gen ging de oorspronkelijke opzet van veel vertrekken deels of geheel verloren. Hiertoe be- hoorden onder meer de bisschopskamer, de Paarse Zaal, de herenrefter, de herenkamers, het zusterhuis, de woonruimte van de regent, de woonruimte van de econoom, werk-, verblijfs- en opslagruimten in de kelders, de bibliotheek, de dienstkeukens, de keuken en de zolder. De meeste ruimten zijn niet volledig verdwenen. Onderdelen van de inrichting zijn behou- den, maar de ruimten zijn nu in gewijzigde vorm als woonruimte in gebruik. Doordat een groot gedeelte van de gangen bij de appartementen werd getrokken, zijn meerdere van de kenmerkende gangen verloren gegaan en een gedeelte van de oude routes door het pand niet meer begaanbaar. Door een fout veroorzaakte de verbinding tussen de garage en de hal schade aan de gevel, de hal, de bisschopskamer en het bordes. De hal is voorzien van nieuwe toegangen naar onder meer een lift en de parkeerkelder. De brug was bouwvallig geworden. De wat scheefgezakte pijlers en borstweringen zijn in die positie gefixeerd en boven het oude wegdek is een laag gewapend beton ter versterking aan- gebracht.

Het metselwerk is opnieuw gevoegd. De oorspronkelijke snijvoeg is daarbij ver- vangen door een licht verdiepte, geborstelde voeg. Bureau Alle Hosper uit Haarlem maakte een stedenbouwkundig en een landschappelijk plan. 132 Hageveld, omstreeks 2008. Foto M. van Ulden. Het bureau ontwierp ook de vijver op het voorplein, de toegang tot de ondergrondse par- keergarage en de bijbehorende nooduitgangen. Deze werden “vormgegeven met schubben van cortenstaal, als gordeldiertjes”. Voor de bouw zijn de door Stuyt ontworpen betonnen vijver en de omringende tuin verwijderd. Het bureau ontwierp ook een nieuwe toegang aan de Nijverheidsweg. Deze gaf toegang tot de in de richting van de Cruquiusweg afgesloten oprijlaan van Hageveld. De gekleurde glazen panelen die vanuit de vijver de parkeergarage verlichten, waren gemaakt door de glaskunstenares Hermine van der Does uit Amsterdam. In november 2007 volgde de oplevering aan de nieuwe eigenaren die verenigd waren in een vereniging van eigenaren. 133 Luchtfoto van Hageveld uit 2002. Anonieme fotograaf. DEEL V — Cultuurhistorische waardering Inleiding In de voorgaande delen zijn de ontstaansgeschiedenis, het gebruik en de latere veranderin- gen van de gebouwen, bouwwerken en het landschap beschreven. In dit deel wordt de cul- tuurhistorische betekenis daarvan bijeengebracht. Eerst wordt per onderdeel alleen de kern van de betekenis aangegeven.

Daarna worden de onderlinge samenhang, de bestaande mo- numentenbescherming en de bescherming van het geheel besproken. Het doel is niet de eer- dere beschrijvingen te herhalen, maar zichtbaar te maken waarom juist de combinatie van verschillende perioden en onderdelen van betekenis is. 27 De afzonderlijke onderdelen als cultureel erfgoed 27.1 Het hoofdgebouw en de kapel Het hoofdgebouw en de kapel vormen de architectonische, functionele en religieus-histori- sche kern van Hageveld. Door de uitzonderlijke schaal, de samenhangende opzet en de cen- trale plaats van de kapel laat het complex nog duidelijk zien hoe het kleinseminarie als be- sloten leef- en vormingsgemeenschap was georganiseerd. De betekenis wordt versterkt door het samenhangende kunst- en ambachtsprogramma en door de uitzonderlijk goed gedocu- menteerde bouwgeschiedenis. Latere verbouwingen en verliezen hebben delen van het oor- spronkelijke ontwerp en gebruik aangetast. De hoofdstructuur, de kapel, belangrijke gangen en hallen en delen van de oorspronkelijke inrichting zijn echter voldoende bewaard gebleven om de vroegere organisatie en religieuze gerichtheid van het seminarie nog goed te herken- nen. Het hoofdgebouw en de kapel vormen daarmee een belangrijke 20ste-eeuwse fase in de geschiedenis van ’t Groot Clooster.

27.2 De Directiekeet De Directiekeet is bijzonder als bewaard gebleven gebouw van de bouworganisatie van Ha- geveld. Jan Stuyt combineerde de functies van directiekantoor, tekenkamer en licht- drukruimte vanaf het begin met een volwaardige woning voor hoofdopzichter C.J. Veltman, zodat het gebouw na voltooiing van het seminarie als dienstwoning kon blijven bestaan. On- danks latere wijzigingen zijn de oorspronkelijke hoofdvorm, de combinatie van wonen en werken en verschillende gebruikssporen nog herkenbaar. Het zeldzame gebouwtype, de nauwkeurig gedocumenteerde functie en de directe band met de bouw van Hageveld geven de Directiekeet een grote cultuurhistorische betekenis, ook als onderdeel van het geheel. 27.3 De dienstwoning aan de Molenwerfslaan De door Jan Stuyt ontworpen dienstwoning behoort tot de oorspronkelijke bebouwing van Hageveld en werd gebouwd als woning voor de onderbaas van de bouw. De architectonische verwantschap met het hoofdgebouw en vooral de oorspronkelijke ligging bij het begin van de oprijlaan verbonden het kleine gebouw duidelijk met het seminariecomplex. Door de aan- leg van de Cruquiusweg en latere bebouwing is deze samenhang sterk verzwakt, maar de vroegere ligging bij de toegang is nog herkenbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/3260/documents/47180