CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

35a. 't Groot Clooster - Geschiedenis, Samenhang en Erfgoed

Gemeenteraad 1 oktober 2026, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 10: Lijst ingekomen stukken40.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

69 70 Gipsen model voor het marmeren borstbeeld van Callier, vervaardigd door J.P . Maas en zoon. Collectie auteur. 71 Het H. Hartbeeld in Voorhout. Foto Taskin,gedenkboek 1917. 11.2 De voorgevels van Hageveld met de wapens van Callier, Voorhout en Velsen Ook Stuyt kende Maas al langer, onder meer van de bouw van de Sint-Bavokathedraal. Zo53 - doende was Maas met zijn bedrijf de aangewezen kandidaat om de architect te ondersteu- nen bij het ontwerp en de uitvoering van beeldhouwwerk ter verfraaiing van de voorgevel en kapel van Hageveld. Zijn bijdrage bestond uit beeldhouwwerk aan de voorgevels en uit de kapitelen en pilasters in de kapel. In 1922 kreeg Maas de opdracht om twee timpanen voor het hoofdgebouw te maken met de gemeentewapens van Velsen en Voorhout. In deze ge- meenten waren de eerdere seminaries Hageveld gevestigd. De timpanen kwamen bovenin de in baksteen uitgevoerde dakkapellen van de linker- en rechtervleugel aan de voorzijde. In het beeldhouwwerk ter bekroning van de middelste ramen in de gevel onder die dakkapellen kwamen in Romeinse cijfers de jaartallen te staan waarin die seminaries waren gesticht. Ver- volgens kreeg Maas de opdracht voor de gevel boven de hoofdingang het wapen van Callier en andere decoratief beeldhouwwerk te ontwerpen en te maken.

Op 19 juli 1922 had Veltman een bespreking: “Gelijkertijd den heer Maas beeldhouwer in de teekenkamer met de architekt de bewerking bisschoppelijk wapen boven de hoofdingang be- sproken. Den heer Maas heeft de calque van den architekt hiervoor medegenomen. Zal in gips in helft van ware groote een model hiervoor maken.” Op 3 februari 1923 sprak Veltman in opdracht van architect Jan Stuyt opnieuw met Maas: “Bespreking bewerking ballen voor hoofdmiddenpartij halsgevel. Den heer Maas zal hier een model voor vervaardigen. [Timpa- nen] fronte spiets dakkapel gevel rechter en linkervleugels zal een teekening ter inzage voor architect worden gemaakt. Ook zal bij benadering de kostende prijs voor al het beeldhouw- werk worden opgegeven.” Ook op 21 februari 1923 was Maas aanwezig voor een onderhoud met Stuyt: “[…] Namiddags architekt werk bezocht. Onderhoud met den heer Maas beeld- houwer. De nieuw gemaakte schets teekening afwerking frontspietsen gemetselde dakkapel- len linker met rechter voorvleugel besproken.

Architekt keurde deze goed en droeg den heer Maas op deze in gipsmodel te maken met verzoek bij benadering prijs op te geven van kos- ten beeldhouwerk in zijn geheel voor beide halsgevels en midden hoofdpartij.” Maas leverde onder meer beeldhouwwerken voor de door Cuypers en Stuyt ontworpen St.-Jacobskerk in 53 Den Bosch en voor de door Stuyt ontworpen St.-Nicolaaskerk in Zoetermeer. 72 Gipsen model op halve grootte voor de timpanen met de gemeentewapens voor de linker- en rechtervleugel aan de voorzijde, vervaardigd door J.P . Maas en zoon. Collectie auteur. De offerte van Maas beviel de hoofdopzichter niet. Hij schreef op 13 maart 1923: “Hoofdop- zichter met de heer Maas beeldhouwer bespreking gehouden op grondprijs beeldhouwwer- ken veel te hoog waren. Voor besparing zal een steenhouwer om de ruwe steen bij te hakken door aannemer Jonckbloedt bij worden geleverd. Als proef zal eerst worden begonnen met guirlandes halsgevel middenpartij. Getracht zal worden bezuiniging toe te passen. Hoofdop- zichter zal zorgen voor een afschutting voorzien van lichtramen, na gereed zijn zal onmid- dellijk met hakken worden aangevangen.” Op 21 maart 1923 spraken Stuyt en de hoofdop- zichter elkaar: “Namiddags hoofdopzichter op reis naar Den Haag voor conferentie met ar- chitekt. Hoofdopzichter deelde mede een begin was gemaakt met het behakken van gerlan- den boven bisschoppelijk wapen.

Een steenhouwer hij aan het werk heeft gesteld om de groffe steen te bewerken in elk geval geeft dat een geldbesparing hoofdopzichter wil eerst zien wat gerlande met bisschoppelijk wapen aan behakken heeft gekost waarna architekt kan beslissen over het overige werk. Architekt keurde deze behandeling goed.” Het werk vorderde te langzaam. De hoofdopzichter vroeg Maas daarom op 25 april 1923 een extra beeldhouwer te sturen die al de volgende dag aan het werk ging. Op 26 april 1923 kwamen Stuyt en Veltman bij elkaar: “Met architect overeengekomen frontespietsen linker met rech- ter voorvleugel van halsgevelskozijnen te bewerken volgens model in als in kantoor hoofd- opzichter aanwezig is, de hiervoor benodigde gelden kan nog uit post gekleurd glas worden bestreden alhoewel zuinigheid moet worden betracht.” 73 De werkzaamheden aan de voorgevel van het seminarie, omstreeks 1922–1923. Foto Noord-Hollands Archief. Op 23 april 1923 kreeg Maas de opdracht de letters van het bisschoppelijk wapen en de wa- pens van Velsen en Voorhout op papier te brengen ter goedkeuring door de architect. De vol- gende dag ontving Stuyt de tekeningen in het bijzijn van Veltman: “Voorstel van heer Maas letters bisschoppelijk wapen zal architect nader uitwerken.

Wapens van Velsen en Voorhout linker met rechtervleugels moeten worden gebeeldhouwd waarna in kleuren af te werken.” Op 5 juni 1923 was het beeldhouwwerk op de linker- en rechterzijde gereed. Veltman: “Heer Maas beeldhouwer op bouwwerk geweest. Met hoofdopzichter frontespiets rechter voor vleugel boven bibliotheek gekeurd. Goed bevonden.” Op 18 juli 1923 bezocht Stuyt het werk. Veltman: “Bij eerste aankomst bisschoppelijk wapen in hoofdgevel bezichtigd. Heer Maas juist ter plaatse aanwezig. Ook mede afgesproken hoeveelheden benodigde zandsteen voor beeldhouwwerken zal worden uitgetrokken. Heer Maas zal deze opgaaf een dezer da- gen worden toegezonden.” Uit de dagboeken blijkt enige verwarring over de invulling van de kleuren op het wapen van de bisschop. Veltman schreef op 17 augustus 1923: “Van bisdom toegezonden bisschoppelijk wapen in kleur. Met schilder Lubbers bewerking besproken. Daar het gebeeldhouwde in ge- vel eenigzins van vorm niet juist is met het originele werd besloten architect eerst te raad- plegen.” Een dag later schreef hij: “Hoofdopzichter op reis naar Architect (den Haag) voor bespreking afwerking bisschoppelijk wapen hoofdgevel. Gegevens welk hoofdopzichter wa- ren toegezonden waren twijfelachtig, na bespreking gebleken conferentie niet overbodig was.

Mijter, kruis en staf moet natuursteen blijven, gegevens waren dat laatstgenoemde met goud moest bewerkt worden.” Op 30 augustus 1923 volgde nog een aanpassing. Veltman schreef: “Bisschoppelijk wapen niet enkel wapen van monsigneur maar ook wapen van het bisdom in kleur af te werken. Verdeling letters opschrift Porta Coeli volgens plaatsing op ge- velvlak goed bevonden. […] Rekening Maas beeldhouwerken seminarie f 3353,50 door ar- chitect goed bevonden. Hoofdopzichter zal deze rekening bij aannemer voor betaling aan- bieden.” Aan weerszijden van het wapen van Callier liet Stuyt in vergulde letters van gedre- ven zink de tekst Porta Coeli aanbrengen ter herinnering aan het klooster De Hemelpoort. Boven het wapen van Callier liet hij in Romeinse cijfers het jaartal 1923 aanbrengen. Dit was het jaar waarin het hoofdgebouw, nog zonder kapel, werd voltooid. 74 Het wapen van Callier, vervaardigd door J.P . Maas en zoon. Foto Stokman. 11.3 De kapitelen en pilasters van de kapel Voor de kapel ontwierp en vervaardigde Maas twaalf pilasters met kapitelen, voorzien van de namen van de apostelen. Op 29 oktober 1923 schreef Veltman over de kapitelen: “Aan- nemer in tegenwoordigheid van hoofdopzichter heer Maas beeldhouwer levering van [Sa- vonnières] steen voor de benodigde kapitelen kapel opgedragen. Hoofdopzichter tekeningen aan heer Maas ter hand gesteld.

Heer Maas zal deze steen leveren a f 150 per m3 gemeten bruikbaren steen.” Op 3 november 1923 bracht Stuyt een bezoek aan de bouwplaats. Velt- man schreef: “Hoofdopzichter zal heer Maas verzoeken kapiteelingen eerst in kleimodel te vormen. Toch ware grootte, architect zal dan komen voor keuring, waarna gipsmodel kan gevormd worden. Bedoelde kapiteellingen mogen in twee deelen vervaardigd worden.” Op 27 november 1923 bezocht Stuyt het werk. Veltman: “Heer Maas beeldhouwer met archi- tect en hoofdopzichter model kapiteel kapel behandeld voornoemd model ter plaatse, door gebruik van hulp stellage op vereischte hoogte gesteld. Architect kon hierdoor afmeting en ornament beoordelen. Eenige wijziging moet worden aangebracht. Heer Maas zal na gereed zijn architect mededelen waarna opnieuw keuring of herziening door architect zal volgen.” Veltman schreef op 8 december 1923: “Gegevens voor gewijzigd kapiteel liggen gereed. Hoofdopzichter dringt aan voortgang te maken tijd mag niet meer verloren gaan.” Op 11 de- cember 1923 werden de mallen voor de pilasters van de kapel bij Veltman bezorgd. De wij- zigingen werden goedgekeurd en de kapitelen gingen in productie. Op 14 maart 1924 arri- veerden de eerste acht exemplaren en drie dagen later volgden er nog meer.

Op 8 mei 1924 noteerde Veltman: “1ste kapiteel kapel geheeschen en gesteld.” Op 28 februari 1925 be- schreef Veltman zijn zorgen over de kapitelen: “Namiddags hoofdopzichter op reis naar Den Haag voor converentie met architect. […] Zekerheidshalve maakte hoofdopzichter architect attent kappiteelingen pilasters kapel van 13 apostelnamen waren voorzien. Doordat op 1ste kapitteling Petrus en Paulus samen waren gevoegd opmerking onjuist vanwege Petrus en Paulus de hoofdapostelen waren en een onafscheidelijk geheel vormen.” 75 De ontwerpen van de beide kanten van de penning door Stuyt. Foto Het Nieuwe Instituut. 11.4 Gedenkpenning ter gelegenheid van de inwijding van de kapel Ter gelegenheid van de wijding van de kapel in juli 1925 gaf het college van Provisoren van het seminarie Stuyt en Maas de opdracht een gedenkpenning te maken. Stuyt maakte hier- voor twee ontwerpen met de belettering op papier. Deze ondertekende hij in mei 1925. Op de ene zijde schetste hij met enkele lijnen de positie van een naar links gericht borstbeeld in zijprofiel van Callier. Op de andere zijde tekende hij een aangepaste versie van een vroeg ontwerp van Hageveld in vogelvlucht dat hij rond 1920 in aquarelverf had gemaakt. Maas ontwierp vervolgens een portret van Callier dat hij naar rechts liet kijken. Hij bracht de ont- werpen over in reliëf en maakte van beide zijden modellen in gips.

De opdracht om er pen- ningen van te maken werd gegund aan de Stichtsche Fabriek van Zilverwerken van C.L.J. Begeer in Utrecht. Daar werden één gouden, tien zilveren en vijftig bronzen exemplaren 54 vervaardigd. Over de penning was in de dagboeken van de bouw slechts één notitie te vin- den. Veltman schreef op 12 juni 1925: “Namiddags bezoek architect. […] Hoofdopzichter deelde mede des ’s morgens hoog eerw. heer plebaan te hebben gesproken met verzoek ar- chitect mede te delen […] zaak Maas medailje in orde is.” Een krantenartikel in de Zuid-Hol- lander van 17 juli 1925 beschreef onder meer de uitreiking in de jongensrefter: “Bij het di- ner, dat gistermiddag werd gegeven en waar zeer vele geestelijken aanzaten, was mgr. nog een verrassing bereid. Door den hoogeerw. […] Westerwoudt werd mgr. een gouden ge- denkpenning aangeboden.” Op de kant met Callier staat “AUGUSTINUS•JOSEPHUS•EPUS•HARLEMEN•SEMINARIO•EXSTRUCTO• 54 DEDICAVIT•SACELLUM+”. Deze zijde is gesigneerd “ J.P . Maas”. Op de kant met het ontwerp van Hageveld staat “A •D •VI NON•MAIAS•MDCCCCXXII+ HAGEVELD+A•D•XVII KAL•AUG•MDCCCCXXV+HEEMSTEDE+”. Deze zijde is voorzien van de signatuur van Jan Stuyt en van “ JPM sculp”. Deze zijde is tevens voorzien van de data van de plaatsing van de gedenksteen in de hal en de wijding van de kapel. 76 Gipsen model van de penning met een zilveren penning in de presentatiedoos.

Collectie auteur. 12 Kunstschilder Huib Luns De kunstschilder Huib Luns (1881–1942) kreeg onder meer tekenles van de kunstenaars, de broers Molkenboer. Hij volgde een opleiding aan de Rijksnormaalschool voor Teekenonder- wijs en liep stage bij de Rijksakademie voor de Beeldende Kunsten. Luns was onder meer kunst- en portretschilder en beeldhouwer. Daarnaast gaf hij les en leidde hij diverse kunst- en ambachtsopleidingen. De families van Luns en Stuyt waren bevriend. In 1906 had Luns een portret van Stuyt gemaakt. In 1908 waren hij en zijn broer getuige op de bruiloft van Stuyt met Louise Barozzi (1873–1956). De kapel was de belangrijkste ruimte die Stuyt voor Callier op Hageveld ontwierp. Het was voor Luns een eervolle opdracht om de plafondschil- dering te mogen leveren. Hij schreef hierover: “Het was een vereerende, maar vooral een schoone en mij vervoerende opdracht, toen Z.D.H. de Bisschop van Haarlem mij last gaf den koepel, dien de architect van het nieuwe “Hageveld” zoo statig gewelfd had over de ellipti- sche kapel, te sluiten met eenen geschilderden hemel. Toen Jan Stuyt mij ’t eerst sprak over het groote plafond, leek mij dit aanstonds als een “vervulde droom van lang gevoeden lust”.” 77 Luns in zijn atelier in Delft bij het schilderij voor het priesterkoor van ‘De jonge Maria en haar moeder onder een palmboom’, omstreeks 1931–1932.

Bij zijn knie staat een maquette van het priesterkoor van Hageveld. Foto Noord-Hollands Archief. Op 19 februari 1924 stond over Luns de eerste vermelding van Veltman na een bezoek van Stuyt: “Architect gaf hoofdopzichter opdracht afmeting plafond kapel voorzover voor be- schildering noodig te zenden naar den heer Luns decoratieschilder.” Op 12 juli 1924 kwa- men Stuyt, Veltman en Luns bij elkaar: “Converentie met den heer Huib Luns. Bespreking beschildering plafond kapel. Diverse voorstellen voor bevestiging gedaan. Besloten raam- werk te maken met schroeven of bouten tegen plafond te bevestigen waartegen doek kan worden aangebracht. Hoofdopzichter zal zorgen binnen veertien dagen goede gegevens af- metingen enz. in bezit zijn van heer Luns.” Veltman drong al snel op voortgang aan. Op 28 augustus 1924 schreef hij: “Architect zal schilder Luns schrijven en aandringen ook op ver- zoek van monsigneur voorgang te maken beschildering plafond kapel. Constructie en beves- tiging besproken.” Op 11 december 1924 spoorde hij uitvoerder Rooijers aan om voortgang te maken met raamwerk voor de beschildering. 78 Ontwerp voor de plafondschildering door Luns. Foto Noord- Hollands Archief. Op 17 september 1924 kwamen de heren weer samen: “Den heer Huib Luns raam voorbe- schildering plafond kapel goed gekeurd met verzoek spoedig te laten verzenden. Bezoek ar- chitect.

Met heer Luns een en ander betreffende beschildering plafond besproken. Voor zover hoofdopzichter betreft alles in orde bevonden.” Veltman schreef op 3 december 1924: “Na- middags bezoek architect. […] Architect keurde goed een stel blauwdrukteekeningen te zenden naar den heer H. Luns te Amsterdam Rijksmuseum met betrekking schilderwerken plafond kapel.” De aannemer begon op 22 december 1924 met het aanbrengen van steigers voor het raamwerk en de beschildering. Op 20 januari 1925 noteerde Veltman: “Hoofdop- zichter ’s morgens naar Amsterdam bespreking met Huib Luns Rijksmuseum in zake beschil- dering plafond kapel. Besproken wijze van bevestiging met aanbrengen. Voorstel hoofdop- zichter goed bevonden. Daar het raam in zijn geheel ter plaatse moet gepast worden en te- voren zoodanig in zijn geheel van alle onderdeelen voor aanschroeven gereed moet zijn, zal hoofdopzichter dinsdag 3 februari de bij den heer Luns zijnde ramen laten halen. Vervolgens als bovenstaand bewerken en na een paar dagen het raam over lange as retour zenden voor beschildering 4de tafereel. Tijd van levering afgesproken einde februari begin maart.” Op 27 februari 1925 kwam die levering ter sprake: “Namiddags bezoek heer Huib Luns. 1e: Besproken wijze plaatsen beschildering plafond. 2e: Raamwerken op zangkoor te bespannen met beschilderbare doeken.

3e: Woensdag 4 maart van uit Amsterdam bedoelde beschilde- ring des avonds per auto aan toevoeren. Met aanbrengen donderdag 5 maart een begin te maken.” Op de afgesproken dag, 4 maart 1925, schreef Veltman: “Heer Luns ’s avonds ten 8 ½ uur gearriveerd met beschilderde doeken plafond kapel. Heer Luns deelde mede zater- dagmorgen ten 7 uur met plaatsen een begin te maken. Alhoewel hoofdopzichter hiertegen ageerde tot zaterdag te wachten. Merkte op elke dag voor de bouw schadelijk is door niet voort te kunnen werken vanwege bedoeld plafond. Heer Luns verzekerde het plaatsen met spoed voort te zullen zetten. Op 7 maart 1925 begon Luns met het opspannen van het linnen op het raamwerk en op 9 maart 1925 met het aanbrengen van de beschilderde doeken. Twee dagen later noteerde Veltman: “Namiddags bezoek architect. Allereerst centrale bouwwerk in ’t algemeen was architect zeer te vreden. Vroeg hoofdopzichter te willen zorgen wanneer beschildering plafond gereed is aangebracht alle steigerplanken te ontruimen, bericht te zenden van gereed zijn om dan in overleg met heer Luns bedoelde beschildering te beoor- deelen. […] Betaling a f 2000 aan heer Luns in mindering beschildering plafond keurde ar- chitect goed. Dat op heden samen met overige betalingen een bedrag vormt van f 5000.

Op vraag van de hoofdopzichter verleende hulp aanbrengen beschildering plafond voor reke- ning van schilder of directie is, was antwoord architect benoodigde hulp door aannemer moet worden verstrekt dus schilder Luns alle aanspraken hierop heeft.” Op 25 maart 1925 ging het de aannemer Jonckbloedt niet snel genoeg. Veltman: “Aannemer aan hoofdopzich- ter verzoek gericht de heer Huib Luns op vordering afwerken beschildering plafond aan te dringen. Hoofdopzichter verzekerde hedenavond een dusdanig schrijven te verzenden.” Twee dagen later noteerde Veltman waarom: “Aannemer hoofdopzichter medegedeeld mon- signeur 15 april a.s. te Heemstede zal komen alle mogelijkheid bestaat het bouwwerk zal komen bezichtigen. Verzocht hoofdopzichter mede te willen werken Huib Luns vroegtijdig met zijn werk gereed zal komen voor het verwijderen van de stijger.” 79 Op 4 april 1925 kwam Stuyt op de bouwplaats. Veltman schreef: “Namiddags bezoek archi- tect. Allereerst bezoek bouwwerk kapel in hoofdzaak beschildering plafond. Architect, heer Luns en hoofdopzichter resultaat dezer werken in ogenschouw genomen. Architect meende welslagen is verzekerd. Toch wenste voor en al steigers geheel worden afgebroken vanaf benden den grond bedoelde beschildering beoordelen. Navolgende afgesproken.

Heer Luns zal dinsdag 7 dezer naar Monsigneur den Bisschop gaan te trachten opschrift lijst te laten vervallen vanwege minder gewenscht voor het geheel van het plafond wat architect volko- men eens was. Namiddags zal heer Luns op het bouwwerk komen hoofdopzichter resultaat mededeelen waarna wel of niet gedeeltelijk stijger kan worden afgebroken. Architect zal in de eerste dagen na Pasen komen om te beoordelen volgens als voorgaand vermeld.” Op 7 april 1925 was de beslissing genomen: “Heer Huib Luns mededeeling gedaan monsigneur den bisschop heeft afgezien van letters of opschrift lijst beschildering plafond. Redenen met afbreken van bovensteiger begin kan gemaakt worden, waardoor uitvoerder direct gevolg van is gegeven.” Op 15 april 1925 inspecteerde Stuyt de schildering vanaf de grond. Velt- man: “Allereerst inspectie beschildering plafond koepel. Architect hechte zijn goedkeuring hieraan. Redenen afbreken van steigers vervolgd kan worden.” Luns schreef later over zijn werkzaamheden: “De voldoening van den kunstenaar zit in het werk zelf en die was voor mij héél groot, zoowel boven op de ladder in mijn atelier, als op den steiger in Hageveld.” 80 Plafondschildering van de kapel door Luns in 2011. Foto auteur. 13 De Edelsmidse Brom De firma Brom was een in katholieke kringen geliefd familiebedrijf uit Utrecht dat veelal kerkelijke edel- en siersmeedkunst maakte.

Het bedrijf was actief tussen 1856 en 1961. 55 Voor de kapel van Hageveld kreeg de firma de opdracht om een ciborium voor het hoogal- taar en de kolommen waarop dit rustte, te leveren. Veltman noteerde op 10 februari 1925 dat hij de maten voor hoofdkolommen aan de firma Brom zou versturen en op 11 maart 1925: “Namiddags bezoek architect. Daar tombe hoogaltaar nu in bewerking is en hier geen veranderingen kunnen voordoen, droeg architect hoofdopzichter op teekening te zenden naar firma Brom te Utrecht die met de uitvoering van baldekijn is belast.” Op 17 februari 56 1925 ontving Veltman de heer Brom: “Voornoemde heer kennis met hoofdopzichter ge- maakt. Kapel en gebouw bezichtigd, waarna kennismaking met hoogeerwaarde heer regent. Besprekingen voor levering hoog altaar kwamen niet voor waarmede deze converentie of kennismaking spoedig was afgelopen.” Deze firma maakte onder meer rond 1898 een koorhek, een tabernakel en een communiebank voor de St.-55 Bavokathedraal, rond 1915 de fontein bij de pandhof van de Dom van Utrecht en rond 1931 een hoofdaltaar met ciborie, Maria-altaar, doopvont en kruis voor de St.-Agneskerk in Amsterdam. Veltman noemde het ciborium voor het altaar consequent een baldakijn.56 81 De kapel met het altaar, omstreeks 1925. Foto Noord-Hollands Archief. Op 29 juli 1925 waren de kolommen klaar. Veltman: “Kolommen hoogaltaar van firma Brom heden aangevoerd.

Voorlopig op lossteiger kanaal opgeslagen.” Het contact met de firma liep blijkbaar niet soepel. Veltman schreef op 10 augustus 1925: “’s Morgens bezoek […] heer secretaris v/d Tuijn. Z.e.w. deed hoofdopzichter mededeling monsigneur den bisschop met Brom te Utrecht is overeengekomen baldakijn hoogaltaar kapel voor overeengekomen som ter plaatse klaar zal leveren, dus opgesteld maar ook van zelfsprekend met alle hiervoor be- nodigde transporten en gereedschappen. Hoofdopzichter werd opgedragen heer Brom hier- op te wijzen. Bovendien het misnoegen van monsigneur te kennen te geven dat een dusda- nige handelwijze van zoo’n firma niet was te wachten.” De levering van het baldakijn duurde ook langer dan verwacht. Veltman schreef op 27 september 1925: “Namiddags bezoek archi- tect. […] Ook werd baldakijn voor hoogaltaar kapel besproken. Regent deelde mede hoogst waarschijnlijk in a.s. kerstvacantie door Brom zal worden geleverd en geplaatst. Architect vroeg naar kandelaars en kruis. Z.e.w. antwoorde deze buiten levering waren en firma Brom hier geen opdracht voor had, wat een teleurstelling voor architect was maar nog meer voor prof. Verhagen.” Dat jaar volgden nog twee tabernakeldeuren en in 1926 een smeedijzeren altaarstel bestaande uit een kruis met zes kandelaars. 82 Ansichtkaart van het altaar. Collectie auteur. 14 Steenhouwerij P .J. Simonis & zoon De Steenhouwerij P .J.

Simonis & zoon uit Rotterdam maakte onder meer kerkelijke en mo- numentale beeldhouwwerken, grafmonumenten en vloeren van natuursteen. Het bedrijf 57 bestond van 1872 tot 1940. Voor Hageveld leverde het bedrijf onder meer de natuurstenen onderdelen voor het bordes, het balkon en de schouw van de bisschopskamer, de trede, tombe en de kapitelen voor het altaar in de kapel, de wijwaterbakken voor het priesterkoor, de lavabo’s in de sacristie en de steentjes ter afsluiting van de relikwieën. De eerste werkstukken die Steenhouwerij P .J. Simonis & zoon leverde, waren onderdelen voor het balkon van de bisschopskamer. Veltman schreef op 14 augustus 1923: “Aannemer met Simonus steenhouwer bij hoofdopzichter geweest voor inlichtingen afwerken consoles balkon hoofdingang. Idem opschrift Hageveld paneel balcon. […] Architect werk bezocht. Afgesproken kleuren bisschoppelijk wapen. Letters Hageveld niet op paneel te hakken maar eenvoudig met gouden letters te beschilderen.” Op 23 augustus 1923 werd alsnog anders besloten: “Naam Hageveld zal niet zoo als reeds bepaald op paneel balcon hoofdgevel wor- den geschilderd maar gebeitelt. Letters kunnen dan met goud worden afgezet.” Deze firma maakte ook de onderdelen van het bordes. In januari 1925 leverde en installeerde de firma de marmeren schouw voor de bisschopskamer.

Op 28 februari 1925 noteerde Veltman: “Na- middags hoofdopzichter op reis naar Den Haag voor converentie met architect. […] Tombe hoogaltaar, architect keurde goed aan firma Simonis te Rotterdam levering op te dragen f 2.893, na aftrek van f 400 zijnde verminderde prijs door levering van grijs graniet.” Ook wijwaterbakken waren nodig. Veltman schreef op 11 maart 1925: “Namiddags bezoek archi- tect. Eerwaarde heer subregent met architect besproken voor aanbieding een familie wijwa- terbakken ten geschenke wil geven voor nieuwe kapel. Keurde architect goed deze door fir- ma Hoving te Gouda zal worden geleverd op voorwaarde teekening en materiaal ter goed- keuring zal worden voorgelegen.” Dit bedrijf maakte onder meer werken voor de Laurentius & Elisabeth kathedraal in Rotterdam en een 57 grafkapel van de familie Jamin op de begraafplaats St. Laurentius in Rotterdam. 83 Marktplaats advertentie uit 2011 voor een uit de kapel van Hageveld afkomstige marmeren wasbekken met achterwand gemaakt door Steenhouwerij P .J. Simonis & zoon. Schermafdruk auteur. Blijkbaar voldeed deze firma niet aan de voorwaarde, aangezien de opdracht later aan Si- monis werd gegund. Simonis leverde ook de kapitelen voor het altaar.

Veltman noteerde op 17 maart 1925: “Converentie met heer Simonis leverancier altaar tombe onder aandacht van hoofdopzichter gebracht monster graniet, idem voor kolommen baldakijn hoogaltaar. Hoofdopzichter stelde voor firma Brom te Utrecht keus te laten maken voor zo ver zijn werk aangaat. Vervolgens beide monsters met keus naar hier te zenden, waarna hoofdopzichter architect zal raadplegen. […] Idem kapiteelling gipsmodel voor kolommen tombe hoogal- taar hoofdopzichter ter hand gesteld. Voor en al eer een beslissing te nemen zal deze ter goedkeuring architect worden voorgelegen.” Op 4 april 1925 beoordeelde de architect het model en concludeerde dat er nog enkele wijzigingen nodig waren die op 7 april met Simo- nis werden besproken: “Heer Simonis […] ten kantore hoofdopzichter wijziging kappiteelin- gen hoogaltaar gipsmodel volgens wijziging van architect besproken. Heer Simonis zal spoe- dig nieuw model maken opnieuw naar hier zenden.” Blijkbaar nam de tijdsdruk toe naarma- te de inwijding van de kapel naderde. Veltman schreef op 23 april 1925: “Opnieuw door fir- ma Simonis te Rotterdam nieuwe kappiteeling tombe hoogaltaar gezonden. Hoofdopzichter beraadslaagde met aannemer op welke wijze het vlugst te behandelen. Aannemer raadde aan persoonlijk naar Rotterdam te gaan.

[…] Alhoewel met tegenzin besloot hoofdopzichter hier heen te gaan.” De trede en tombe, de wijwaterbakken en de lavabo’s werden op 19 juni 1925 geleverd. Vijf dagen later noteerde Veltman: “Heer Simonis steenhouwer opdracht ge- geven voor hoogaltaar tafel 2 stuks steentjes relequikast te maken. Tevens verzocht meest mogelijke spoed altaar te stellen.” 15 Atelier Gebroeders Asperslagh “St.-Sylvester” De glas-in-loodramen voor de hal, de studentenrefter, de kapel en de sacristie werden ver- vaardigd door het Atelier Gebroeders Asperslagh “St.-Sylvester”. Dit in 1923 opgerichte be- drijf was gespecialiseerd in religieus gebrandschilderd glas-in-lood en muurschilderingen. 58 Het stond onder leiding van de broers Louis (1893–1949), Alex (1901–1984) en Henk (1906–1963). De oudste en meest invloedrijke broer, Louis, volgde een opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag. Hij leerde het glazeniersvak in de praktijk bij glasatelier ’t Prinsenhof in Delft en N.V . Glasatelier Crabeth in Den Haag. Veltman schreef op 23 september 1924 over de levering van het glas: “In opdracht van architect besproken glas in loodramen kapel, begrooting aannemer luidde f 1500, opgaaf firma Asperslagh f 2000.

Hoofdopzichter zal cijfer verschil aan architect mededeelen welke in deze heeft te beslissen.” Op 28 september 1924 bleek dat de opdracht doorging: “Aannemer hoofdopzichter medege- deeld firma Asperslagh glas in lood ramen heeft aangenomen voor f 18,00 per m2. Hoofdop- zichter bij aannemer aangedrongen met de benodigde tuimelramen voortgang te maken om glasdicht te komen dit een 1ste vereischte is.” De glazenier begon op 1 december 1924 met het plaatsen en “aanvoegen” van de ramen. Van de broers Asperslagh zijn glas-in-loodramen te zien in de Sacramentskerk in Den Haag, de Kloosterkerk 58 in Den Haag en de Remigiuskerk in Duiven. 84 16 G.J. Vincent & Co De kunstsmederij en machinefabriek G.J. Vincent & Co was gevestigd in Schiedam en actief in de periode 1879–1975. Het bedrijf stond zeer goed aangeschreven. Het bekendste werk is de door Cuypers ontworpen Binnenhoffontein in Den Haag uit 1883. Ook voor het Centraal Station in Amsterdam leverde het bedrijf veel siersmeedwerk. Voor Hageveld ontwierp en maakte dit bedrijf de traphekken en de door Stuyt ontworpen lampen aan de gevel bij de hoofdingang en op de brug. 17 De verhuizing van het seminarie Op 12 juni 1923 kwamen docenten met leerlingen kijken waar het volgende studiejaar zou beginnen. Veltman: “Ongeveer 2½ uur arriveerde circa een achttal h.h. professoren met de seminaristen van Hageveld.

Op het midden achterterrein ter plaatse daar waar de kapel fun- dering in aanbouw is zong de studenten met begeleiding van het muziekkorps het Hageveld- se lied waarna in verschillende groepen het gebouw werd bezichtigd. Na verblijf en verpo- zing van enige uren vertrok het gezelschap opnieuw onder geleide van hun muziekkorps.” Op 18 juli 1923 schreef Veltman over een bezoek van Callier: “Bezoek namiddags z.d.l.h. den bisschop met zijn secretaris v/d Tuijn, plebaan Westerwoudt en zijn kapelaan den heer Jacobs, deken Weijtenburg […] Door hoofdopzichter en aannemer werden deze hoog eerw. heren ontvangen en het bouwwerk rondgeleid. Monseigneur was over alles zeer voldaan. Refter studenten viel goed in de smaak. Ter sprake kwam afwerking bisschoppelijk kwartier. 85 De hal van Hageveld met de trappen naar de bovenhal, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief. Monseigneur gaf hoofdopzichter opdracht zit met slaapkamer bisschop af te werken volgens laatst bespreking met den heer Stuijt. Ook deze afdeelingen moeten aan de gestelde eisschen voldoen. Vervolgens bouwwerk kapel bezocht. Monseigneur gaf zijn verlangen te kennen be- gin september plechtig de 1ste steen te willen leggen, voor deze kapel gelijkenertijd het se- minarie in te zegenen te laten betrekken door de studenten wijl zij dan getuige kunnen zijn van deze feestelijkheden.

Na verdere rondgang op het bouwwerk en vele vragen aan hoofd- opzichter te hebben gesteld verliet het gezelschap na een bezoek van af zes uur tot ongeveer 8½ uur op gebruikelijke wijze het bouwwerk.” Over de verhuizing in studiejaar 1923–1924 schreef Ebbinkhuysen: “Aan het eind van het schooljaar, op 18 juli 1923, nam men afscheid van Hageveld te Voorhout met een grote vie- ring. Op 23 juli 1923, in de grote vakantie, begon de verhuizing.” De daarvoor geplande op- levering werd net niet gehaald. Op 28 augustus 1923 bleek tot tevredenheid van Veltman dat ook Callier akkoord was met het uitstellen van het begin van het studiejaar. Regent Ebbinkhuysen schreef: “De studenten kregen twee weken extra vakantie.” 86 De aankomst van de eerste studenten op 19 september 1923. Foto Noord-Hollands Archief. Op 7 september verlieten de regent, de econoom en het laatste dienstpersoneel het oude seminarie en betrokken zij het nieuwe. Veltman schreef dezelfde dag: “’s Avonds hoog eerw heer regent Ebbinkhuijzen bij hoofdopzichter gekomen met mededeling voorgoed is gearri- veerd. Met verzoek vooral zorg te dragen afdeling eerw zusters voor woensdag 12 dezer voor bewoning gereed zal zijn. Eerw zusters zal deze dag hun intrek in het seminarie nemen, Redenen deze afdeling in afwerken voor alles moet gaan.” Op 19 september verhuisden ver- volgens de studenten.

Veltman: “Namiddags aankomst studenten met alle werken voorzover voor noodzakelijke bewoning gereedgekomen. Alhoewel geen lofjuigingen maar ook geen klachten. Aangenomen mag worden alles naar tevredenheid is afgewerkt en gereedgekomen.” De volgende dag was Veltman getuige van een plechtigheid in de crypte: “Namiddags kruis geplaatst in crypte ter plaatse hoogaltaar door hoogeerwaarde heer regent. Deze plechtig- heid onder alle eenvoud vond plaats in tegenwoordigheid van hoofdopzichter, aannemer en uitvoerder. In den avond tussen 8 en 8 ½ uur aankomst van z.d.l.h. den bisschop ter gele- genheid voor volgende dag.” Ebbinkhuysen schreef: “Op 19 september 1923 begon het eer- ste studiejaar in Heemstede met 318 studenten en 21 priester-docenten, het grootste aantal ooit waarmee Hageveld tot dan toe begon. […] Men moest zich veel behelpen in het nieuwe gebouw: Niet alleen, omdat de eigelijke kapel nog pas in aanbouw was en men gebruik moest maken van de tot tijdelijke kapel ingerichte Aula, niet alleen omdat een goed aange- legd speelplein wegens het bouwen van de kapel nog onmogelijk was, maar ook omdat in het eigenlijke Seminarie nog veel moest afgemaakt worden, o.a. betegeling van gangvloeren, leuningen aan trappen enz.

Doch met goeden moed werd het eerste studiejaar na de eerste retraite (25-30 Sept) begonnen, en binnen eenige weken ging het dagelijksch verloop van het Seminarie leven geregeld zijn gang. 87 De zegening door Callier van de gedenksteen voor de kapel in 1923. Foto Noord-Hollands Archief. Op 21 september 1923 zegende Callier de gedenksteen in de in aanbouw zijnde kapel. Eb- binkhuysen schreef hierover: “Op den vooravond kwam Mgr en de Hoogeerw. Vicaris-Gene- raal in open landdauer met twee paarden bespannen op Hageveld aan. Door al de studenten ontvangen werd Mgr. verwelkomd door muziek, zang en een toespraak van een student der rhetorica. Des avonds werden de gebouwen door verlichting [...] in verschillende kleuren getooid en met een kort vuurwerk werd de vóóravond besloten.” De bouw van de kapel zat volgens Ebbinkhuysen niet mee: “Gedurende den winter 1923–1924 heerschte er een lang- durige vorst; tengevolge waarvan de bouw van de kapel niet opschoot. In de loop des jaars ondervond men veel tegenspoed met den bouw van den koepel der kapel, om reden een daartoe gevraagd Ingenieur in de uitwerking der teekening eene fout maakte.

Deze teeke- ning, ter beoordeling aan een professor van de Technischen Hoogeschool te Delft toegezon- den, werd door dezen afgekeurd; eene nieuwe door een andere ingenieur gemaakt werd door genoemde professor goedgekeurd en uitgevoerd door de fabriek van IJzerwerken te Leiden. Een en ander veroorzaakte veel vertraging.” De combinatie van de bouwactiviteiten en het seminarie leidde zo nu en dan tot wrijving. Veltman noteerde op 13 december 1923: “Aannemer vorige dag bij hoofdopzichter beklag ingediend gepolijste dekplaten hoofdtrap linkervleugel slaapzaal door studenten waren be- schadigd. Kosten van opknappen moet door studenten worden betaald. Hoofdopzichter stel- de z.e.w. voor dat een flinke vermaning zoo als reeds is geschied voldoende is. Door volwas- sen personen rond door onverschilligheid meer beschadigingen aangebracht als deze jon- gens in hun onwetendheid. Daar bedoelde trap nog moet afgewerkt worden stelt hoofdop- zichter voor de betrokken jongens voor geen schade aan te spreken. Z.e.w. was volkomen met hoofdopzichter eens.” Vier dagen later schreef hij: “Binnenleuningen van hoofdtrappen slaapzalen zal van ronde koperen knoppen worden voorzien ter voorkoming h.h. studenten niet langs deze leuningen kunnen glijden.” De riolering gaf veel problemen. Veltman schreef op 16 februari 1924: “Hoofdopzichter richt verzoek buiten w.c.

studenten van closetpapier te voorzien, couranten zal na verloop van tijd zeer nadelig werken. 1ste voor riolering 2de voor de netheid dezer inrichtingen. Econoom verzocht hoofdopzichter hoog eerw regent over deze zaak te spreken. Zal zeker meer invloed hebben als wanneer econoom deze zaak be- handeld.” Twee dagen later kreeg hij antwoord van Ebbinkhuysen: “Gelijkertijd besproken gebruik couranten papier buiten w.c. studenten. Hoofdopzichter maakt bezwaar op den duur verstoppingen zullen ontstaan door het gebruik van veel papier. Stelt voor closetpapier aan te schaffen. Z.e.w. is hier tegen eischt van studenten couranten papier te gebruiken, maar niet misbruiken, ook de knechten zorgdragen dat in behoorlijke afmeting en hoeveelheden voldoende voorraad is.” Als dat nodig was, hield Veltman rekening met de bewoners van het seminarie. Hij noteerde op 24 februari 1925: “Timmerwerken zangkoor voor 2de maal stop- gezet op verzoek van eerwaarde heer subregent vanwege ernstige zieken verpleegd op na- bijgelegen ziekenkamers.” 88 18 Het voltooide seminarie De voorgenomen wijding van de kapel betekende het einde van de eigenlijke bouwwerk- zaamheden. Hierna werden vooral nog zaken afgewerkt. Ebbinkhuysen schreef over de wij- ding: “16 juli des morgens om half acht begonnen de plechtigheden der Consecratie. De ka- pel werd toegewijd aan den H.

Jozef en in den altaarsteen werden verzegeld relikwieën van den H. Bonifatius en van éénen der H. martelaren van Gorcum. Hierna volgde een mis en sprak de bisschop vervolgens een treffend en leerzaam woord tot de studenten.” Over het voltooide complex schreef Ebbinkhuysen in het studiejaar 1924–1925: “Gedurende het tweede studiejaar kwam steeds meer uit de practische inrichting en regeling van het nieuwe seminarie: het is volkomen geschikt en beantwoordt aan de eischen aan een seminarie ge- steld. In het voorjaar werden nog verschillende buitenwerken voltooid als nieuwe brug naar de hoofdingang van het Seminarie, vijver met fontein voor het huis. Verder voltooide de Heide Maatschappij de gazons en perken vóór het seminarie, de zustertuin en verdere ge- deelten.” De Nederlandsche Heidemaatschappij legde ook een sloot aan die de cour aan de oostzijde begrensde en plantte ten oosten daarvan het 6de klas bos aan, dat de cour beschut- ting moest bieden. Het bos was via een klapbrug in het midden van de cour bereikbaar. Al- leen de leerlingen van de 6de klas mochten er komen. 89 De achterzijde van het voltooide seminarie, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief. De voorzijde van het voltooide seminarie, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief.

In het studiejaar 1925–1926 schreef Ebbinkhuysen over de kosten van de bouw van het se- minarie: “Volgens den Aannemer den heer C. Jonckbloedt zijn de bouwkosten in ronde cij- fers genomen geweest f 2.200.000 voor het Seminarie waaronder f 300.000 voor de kapel.” In het studiejaar 1932–1933 schreef de regent dat er tussen de bisschop en de heer Jonck- bloedt na de bouw een conflict was ontstaan over het honorarium, dat hem nog als aanne- mer van de kapel zou toekomen: “Er werd een scheidsgerecht ingesteld dat besliste dat de bisschop nog f 12.000 aan Jonckbloedt zou moeten betalen. De helft hiervan, zoo besliste Mgr. zou hijzelf dragen, de andere helft zou het seminarie op zich nemen.” 90 De voorzijde van het voltooide seminarie, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief. 91 Luchtfoto van Hageveld, omstreeks 1925–1930. Foto Aviodrome Documentatiecentrum. Luchtfoto van Hageveld, omstreeks 1925–1930. Foto Aviodrome Documentatiecentrum. 92 Minuutplan van het kadaster met het seminarie Hageveld uit 1929. Foto Noord-Hollands Archief. Luchtfoto van Hageveld, omstreeks 1925–1930. Foto Aviodrome Documentatiecentrum. DEEL III — Gebouwen en bouwwerken van Hageveld Inleiding In de voorgaande delen is beschreven hoe Hageveld tot stand kwam en welke ontwerpers, kunstenaars en bedrijven daaraan hebben bijgedragen. In dit deel staan de gebouwen en bouwwerken zelf centraal.

Daarbij is niet gekozen voor een strikt chronologische volgorde, maar voor een indeling die aansluit bij hun functie en hun plaats binnen het geheel. Eerst wordt het hoofdgebouw behandeld, waarin het leven en de organisatie van het seminarie in belangrijke mate hun ruimtelijke vorm kregen. Daarna volgen de overige gebouwen en bouwwerken die ieder op hun eigen manier deel uitmaakten van Hageveld. Zo ontstaat niet alleen een beeld van de afzonderlijke onderdelen, maar ook van de manier waarop zij samen het seminariecomplex vormden. 93 De noordzijde met het zusterhuis en de zusterkapel, omstreeks 1925–1930. Rechts is nog een stukje te zien van de ophaalbrug. Foto Noord-Hollands Archief. 19 Architectuur en gebruik als seminarie Het door Jan Stuyt ontworpen Hageveld werd gebouwd als een grotendeels zelfvoorzienend kleinseminarie voor ca. 350–400 leerlingen. De ligging op het afgezonderde landgoed ’t Groot Clooster sloot nauw aan bij het toenmalige ideaal van de priesteropleiding. De semi- naristen konden hier buiten de directe invloed van de samenleving gezamenlijk wonen, stu- deren en worden gevormd. De situering van het complex in het parklandschap, omgeven door landerijen en grotendeels aan het zicht onttrokken door de beplanting, maakte deze afzondering ook ruimtelijk ervaarbaar. Het seminariecomplex was uitzonderlijk groot. Het gebouw mat op het breedste punt ca.

152 meter en had een grootste diepte van ca. 136 me- ter. Ondanks deze omvang kreeg het complex door zijn grotendeels symmetrische opbouw en regelmatige gevelindeling een sterk samenhangend karakter. De plattegrond heeft in hoofdlijnen de vorm van een dubbele H, opgebouwd uit lange vleugels die elkaar onder rechte hoeken kruisen. Alleen de linker zijvleugel was door de in het verlengde liggende zus- terkapel langer dan de rechter. De gangen verbinden de bouwdelen niet alleen met elkaar, maar vormen tevens de hoofdlijnen waarlangs vrijwel alle ruimten zijn gerangschikt. Zij be- paalden daardoor zowel de architectuur als de dagelijkse organisatie van het seminarie. In de hoogte bestond Hageveld uit een kelder, een begane grond en een verdieping. Alleen bo- ven het voorhuis lagen zolders. 94 De studentenrefter, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief. De lange gangen behoren tot de meest kenmerkende onderdelen van Hageveld en hebben door hun bogen en gewelven een kloosterachtige uitstraling. Langs de wanden staan bakste- nen pilasters waarop de gordelbogen en gewelven rusten. Deze bogen lopen dwars over de gang en scheiden de opeenvolgende gewelfvakken van elkaar. De muraalbogen volgen de wanden en vormen daar de overgang tussen de muur en het gewelf. Samen ondersteunen de pilasters en bogen de reeks wit gestucte kruisgraatgewelven.

Elk gewelfvak bestaat uit vier gebogen vlakken die in het midden samenkomen. De wanden zijn gedeeltelijk betegeld en de vloeren voorzien van geometrische patronen van ruiten en blokken. Door de herhaling van de bogen en de patronen in vloeren en wanden zijn de gangen verdeeld in opeenvol- gende vakken. De gewelfvakken zijn iets langer dan breed, waardoor de gangen voor het oog nog langer lijken. Deze gangen vormden de dagelijkse verkeersaders van Hageveld. Se- minaristen verplaatsten zich er op vaste tijden tussen de kapel, leslokalen, studiezalen, eet- zalen en recreatieruimten. De herhaling van gewelven, pilasters en tegelpatronen gaf het ge- bouw een herkenbaar ritme en versterkte het gevoel van orde en regelmaat. De architectuur ondersteunde zo het strak georganiseerde seminarieleven, waarin het dagprogramma en de verplaatsingen van grote groepen leerlingen nauwkeurig waren geregeld. De centrale gang begon bij de hoofdingang en de voorhal in de westelijke voorgevel en liep tussen twee bin- nentuinen rechtstreeks naar de kapel. Deze lange route en zichtlijn verbonden het represen- tatieve voorhuis met het geestelijke centrum van het complex. Haaks daarop liep de kapel- gang, die de scheiding tussen het voor- en achterhuis markeerde en de verschillende zij- en achtervleugels met elkaar verbond.

Het voorhuis was bestemd voor bestuur, ontvangst, be- woning door de geestelijke leiding en een belangrijk deel van de huishoudelijke functies. Het achterhuis vormde hoofdzakelijk het domein van de seminaristen. Op de begane grond lagen daar de leslokalen, studiezalen en recreatieruimten. Op de verdieping bevonden zich de gro- te slaapzalen. 95 De keuken in bedrijf onder leiding van de zusters franciscanessen, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief. 96 De hal van Hageveld in 2002. Foto Henselmans. De Paarse Zaal, de ontvangstruimte van Hageveld in 2002. Foto Henselmans. Deze scheiding naar gebruik was in de plattegrond duidelijk herkenbaar en kwam ook in de afwerking tot uitdrukking. Binnen het voorhuis bestond eveneens een duidelijke rangorde. De centrale voorhal, de eretrappen en de bisschoppelijke vertrekken waren rijker uitgevoerd dan de overige delen van het complex. Marmeren vloeren, decoratief tegelwerk, glas-in-lood en gewelven verleenden dit gedeelte een voornaam en indrukwekkend karakter. De midden- partij van de voorgevel, voorzien van het wapen en de wapenspreuk van bisschop Callier, benadrukte zowel het kerkelijke gezag als het belang van de centrale ingang. De gevels van de voorvleugels aan weerszijden daarvan lopen beide uit in gemetselde dakkapellen.

De timpanen daarvan bevatten de gebeeldhouwde wapens van de gemeenten Velsen en Voor- hout, waar de eerdere seminaries Hageveld waren gevestigd. In de boogvelden boven de on- derliggende vensters stonden de jaartallen van de vestiging van de eerdere seminaries. Naarmate de afstand tot de hoofdingang toenam, werd de vormgeving soberder. Binnen wa- ren de gangen, woonvertrekken en gebruiksruimten degelijk en praktisch afgewerkt, met materialen die intensief gebruik konden doorstaan en gemakkelijk waren schoon te houden. De rangorde was onder meer zichtbaar in de vloeren van zwart-witte marmeren tegels tus- sen groen marmeren en zwarte banden in de centrale hal, verfijnder tegelwerk in het voor- huis en eenvoudigere tegelvloeren en -wanden in de delen die door de seminaristen werden gebruikt. De verschillende functies werden zorgvuldig bij elkaar geplaatst. In de linker voor- en zijvleugel lagen de keuken, refters en de woon- en werkvertrekken van de franciscanes- sen die de keukenwerkzaamheden en de huishouding voor hun rekening namen. De zusters beschikten over een eigen kapel, eetzaal, recreatiezaal en slaapvertrekken, waardoor hun leefruimte van die van de mannelijke bewoners was gescheiden. In de omvangrijke kelders bevonden zich onder meer voorraadruimten voor voedsel en dranken, een wasserij, techni- sche installaties en werkplaatsen.

In de rechter voorvleugel lagen de vertrekken van de re- gent, spreekkamers en de bibliotheek. De aula, enkele leslokalen en de studiezaal voor de oudere leerlingen sloten hierop aan. 97 De bibliotheek, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief. Het achterhuis weerspiegelde de interne organisatie van het seminarie. De jongere leerlin- gen verbleven in de zogenoemde kleine kant en de oudere leerlingen in de grote kant. Beide groepen beschikten over eigen onderwijs-, studie- en recreatieruimten. Op de verdieping wa- ren de beide achtervleugels symmetrisch ingedeeld. Daar lagen de slaapzalen met lange rijen chambrettes: kleine slaapplaatsen die aan de bovenzijde open waren en met een gordijn konden worden afgesloten. Iedere chambrette was voorzien van een bed, een kast en een wasbekken met stromend water. Deze inrichting bood de leerlingen enige persoonlijke ruim- te, terwijl de open opzet toezicht mogelijk maakte. De slaapzalen werden overspannen door zichtbare halfronde ijzeren spanten en kregen licht door twee rijen vensters, boven de chambrettes en onder de kap. De kapel vormde zowel geestelijk als bouwkundig het middelpunt van het seminarie. Het assenstelsel van het gebouw was rondom deze ruimte opgezet. De hoofdgang vanuit de voorhal eindigde bij de kapelingang, terwijl kortere gangen vanuit beide seminaristenvleu- gels eveneens naar de kapel voerden.

Vrijwel alle dagelijkse routes waren hierdoor direct of indirect op dit centrale heiligdom gericht. De kapel had een grote ovale hoofdruimte van ca. 38 meter lang en 21 meter breed. De ruimte was van binnen ca. 34 meter hoog, bood plaats aan ca. 550 personen en was zo ingericht dat alle aanwezigen onbelemmerd zicht op het priesterkoor met het hoofdaltaar hadden. De achterliggende sacristie was vanaf het priester- koor bereikbaar door twee toegangen aan weerszijden van het altaar met twee smalle stenen wenteltrappen. Onder het priesterkoor en de sacristie lag de crypte, voorzien van meerdere altaren. De binnenzijde van de koepel en de halfronde nissen waren voorzien van cassetten. Op de rijkversierde kapitelen van twaalf pilasters stonden de namen van de apostelen. De lange gevels waren opgetrokken in rode baksteen en werden verlevendigd door lichte na- tuursteen bij de hoeken, rond de vensters en in de centrale ingangspartij. Aan de buitenzijde domineerde de grote ovale koepel het gehele complex. De vorm ervan verwees naar de Itali- aanse barok, terwijl voor de constructie moderne materialen als ijzer, staal, hout en beton werden gebruikt. Samen met de vooruitspringende middenpartij van de westelijke voorgevel vormde de koepel het belangrijkste herkenningspunt van Hageveld. De gevarieerde dakvor- men droegen bij aan het levendige silhouet.

De met leien gedekte schild- en tentdaken wer- den onderbroken door dakkapellen, kleine ventilatietorens en oorspronkelijk een dakruiter met uurwerk boven de voorhal. De koepel had oorspronkelijk twee rijen ronde en halfronde dakvensters. De lantaarn en het kruis daarop vormden de bekroning. Deze afwisseling voor- kwam dat het grote en grotendeels symmetrisch aangelegde complex eenvormig of zwaar oogde. Hageveld wordt doorgaans als neobarok aangeduid. De invloed van de barok is voor- al herkenbaar in de koepel, de centrale gevelpartij en enkele voorname interieurs. Het groot- ste deel van het complex bleef echter beheerst en praktisch vormgegeven. De lange gevels, regelmatige rijen vensters, gevarieerde leien daken en sobere versiering verleenden het ge- bouw een voornaam maar terughoudend karakter. Het ontwerp van Hageveld was daarmee direct verbonden met zijn functie als seminarie. De grotendeels symmetrische plattegrond ordende de verschillende bewoners en werkzaamheden, het uitgebreide gangenstelsel regel- de de bewegingen door het gebouw en de centrale kapel gaf richting aan zowel de architec- tuur als het gemeenschapsleven. Het complex bood niet alleen ruimte aan de priesteroplei- ding, maar gaf ook vorm aan de afzondering, de rangorde, de discipline en het religieuze hoofddoel waarop deze opleiding was gebaseerd. 98 99 De bovenhal van Hageveld in 2002. Foto Henselmans.

De Bisschopskamer van Hageveld in 2002. Foto Henselmans. 20 De Directiekeet Veltman was als hoofdopzichter de dagelijks aanwezige vertegenwoordiger en toezichthou- der van zowel de architect als de opdrachtgever en was bovendien de schakel tussen hen en de aannemer. Hij bewaakte de kwaliteit, het budget en de planning van het project. Zijn eer- ste notitie in de dagboeken van de bouw dateert van 2 mei 1921, toen Veltman kennismaak- te met de katholieke aannemer Carolus Antonius Maria Jonckbloedt (1878–1942). Op 6 mei 1921 bezocht Stuyt Hageveld. Hij en Veltman besloten de geplande Directiekeet uit te brei- den met een zit- en slaapkamer voor de hoofdopzichter en voor onderbaas Rooijers een hou- ten hulpwoning te kopen. Op 14 mei 1921 bezocht Callier het bouwterrein. Hij schrapte de aankoop van de hulpwoning en besloot in plaats daarvan naast de ingang van de oprijlaan een woning voor Rooijers te laten bouwen, zodat deze later als dienstwoning kon dienen. De combinatie van directieruimten met een volwaardig woongedeelte maakte het mogelijk de Directiekeet na de bouw als dienstwoning te blijven gebruiken. Op 28 mei 1921 besprak Veltman de tekeningen met Jonckbloedt. De aanneemsom voor de Directiekeet kwam uit op f 10.000 en die voor de woning aan de Molenwerfslaan op f 9.500 en in een kleinere uitvoe- ring op f 8.500.

Op 30 mei 1921 liet Callier zijn secretaris Leonardus Aloysius Alphonsus Maria Westerwoudt (1878–1945) de “volle goedkeuring” overbrengen. Veltman kreeg de 59 opdracht de definitieve tekeningen te laten maken en de bouw voor te bereiden. Westerwoudt was tevens plebaan en kanunnik van de kathedrale basiliek Sint Bavo en deken van Haarlem.59 100 De zijgevel van de Directiekeet met de ramen van de tekenkamer, omstreeks 1925–1930. Foto Noord-Hollands Archief. De bouw van de Directiekeet begon op 18 juni 1921 met het afsteken van graszoden. Op 23 juni 1921 begon het metselen van de voeting. Op 28 juni werd de vloer gelegd. Een week later werden de eerste kozijnen gesteld en planken van de gepotdekselde gevel aangebracht. In de week van 19 juli 1921 werd begonnen met het opstellen van de kapspanten en met het metselen van de schoorstenen. Veltman schreef: “Aannemer heeft voldaan aan de aanmaning van zaterdag 16 juli aangaande de bouw van de directiekeet met meer spoed voort te zetten.” Nadat de kap en de dakgoten op 5 augustus 1921 gereed waren, werd begonnen het dak te voorzien van pannen. Op 10 augustus 1921 bezochten Callier en Westerwoudt het bouwterrein en kregen zij van de hoofdopzichter en aannemer een rondleiding. Veltman: “Bezichtigde het gehele bouwterrein met al datgene hieraan verbonden.

Bouw directiekeet met woning hoofdopzichter, machineloods met werkplaatsen, lossteiger, enz. Tenslotte bracht hij een bezoek aan de directiekeet en maakte kennis met de tekenaars. Na alles be- zichtigd te hebben sprak Z.D.L.H. zijn tevredenheid uit aan aannemer en hoofdopzichter en wenste beide laatstgenoemde veel succes, geluk en voorspoed met de bouw. Mgr. reikte bei- de heren zijn hand. Deze groet werd op de gebruikelijke wijze beantwoord, waarmede het hoog bezoek was beëindigd.” Op 8 september 1921 plaatsten de bouwvakkers een witmarmeren schouw in de zitkamer. Hoewel het gebouw nog maar gedeeltelijk gereed was, namen de tekenaars op 15 september de tekenkamer in gebruik. De weken erna gingen de bouwvakkers verder met de afwerking. Binnen ging het vooral nog om schilder-, tegel- en behangwerk. Buiten werkte men het om- liggende terrein af met paden van grind. Op 11 oktober 1921 plaatsten timmermannen de bloembakken, die ook op de bouwtekeningen staan, onder een groot deel van de ramen. Veltman betrok op 19 oktober 1921 met zijn vrouw Maria Catharina Broekman (1867–1941) het woongedeelte van de Directiekeet. 101 Bouwtekening van de Directiekeet uit 1921. Foto Het Nieuwe Instituut. Op 2 mei 1922 plaatste Callier de gedenksteen in de hal van het hoofdgebouw.

Veltman 60 schreef die dag: “Na deze plechtigheid Monsigneur en genoodigde in de in alle eenvoud ver- sierde teekenkamer van de Direktiekeet bijeengekomen voor het gebruik van een glas mor- genwijn met sigaar waarna ongeveer om 12 uur–½1 de plechtigheid was afgeloopen. Archi- tekt met hoofdopzichter bouwwerk geïnspecteerd. Geen opmerkingen door architekt ge- maakt. Bij terugkeer in den teekenkamer was het technische personeel met aannemer en eenige genoodigde zoo in feeststemming dat een lang zal hij leven uit alle monden werd ge- zongen. Ter eere van architekt en allicht ook wel voor hoofdopzichter, een uurtje onderling gezellig doorgebracht onder het drinken van een glas wijn en rooken van sigaar […] Na be- ëindiging van der werkzaamheden ontvingen alle werklieden aan de keet van den aannemer een deseur bij gelegenheid van deze dag.” Datzelfde jaar werd duidelijk dat de vrouw van de hoofdopzichter ziek was geworden en dat de bomen rond het huis mogelijk met haar ziekte in verband werden gebracht. Veltman schreef op 8 september 1922: “Architekt keurde goed hoofdopzichter met secretaris v/d Tuijn in overleg deed voor snoeien van boomen rondom de directiekeet” en op 17 oktober 1922: “Ook werd wederom besproken rooien boomen rond om woonhuis woning hoofdopzichter.

Architekt was van mening dat niet voldoende was en stelde voor in dien hoofdopzichters vrouw ziek bleef een woning in het dorp te huren. Kosten van verhuizing en huur zal dan wel worden vergoed.” Uit de dagboeken bleek niet hoe het verder ging met haar. Op de gedenksteen bleek een fout te staan. Veltman noteerde op 18 augustus 1923: “Besproken verbetering 60 gedenksteen hoofdvestibule, voorkomende het woord Harlem moest zijn Harlemen. Architect zal deze vergissing nog nader met monsigneur den bisschop bespreken.” De fout is later hersteld. De daarvoor aangebrachte verdieping in de steen herinnert daaraan. 102 Bijeenkomst na de zegening van de gedenksteen door Callier in 1922. Stuyt staat links van Callier. Foto Noord-Hollands Archief. De tekenaars in de tekenkamer vertaalden de ontwerpen van de architect naar bouwteke- ningen met exacte maatvoering. Als dat nodig was, werden onderdelen in detailtekeningen verder uitgewerkt. Nadat een tekening was goedgekeurd door zowel de architect als de op- drachtgever maakten zij daarvan kopieën, zodat alle belanghebbenden een eigen exemplaar van de betreffende tekening konden krijgen. Voor de bouw van Hageveld waren op het hoogtepunt ten minste vier tekenaars in dienst onder leiding van “chef de bureau” Johannes Cornelis Pondman (1883–1953).

Op 3 januari 1923 kaartte Veltman bij Stuyt aan dat hij het aantal tekenaars wilde terugbrengen: “Besproken werkkracht in de teekenkamer daar de te- kenwerken voor het seminarie aan het eind beginnen te loopen is vermindering van perso- neel gewenscht. Architekt besluit daarom detailteekeningen voor de te bouwen kapel in orde te maken. Het is gewenscht zulke vroegtijdig klaar te hebben met oog op begrootingen en uit te trekken materialen.” In april 1923 werd afscheid genomen van de eerste tekenaars. Veltman: “Vanwege beëindiging teekenwerken heeft hoofdopzichter in overleg met architect van j.l. maandag de teekenaar Meurman en Bijvoet aanzegging gegeven dat hun diensttijd per 31 mei a.s. als beëindigd moet beschouwd worden. Beiden heren konden deze aanzeg- ging billijken daar zij berust zijn dat bedoelde werken ten einde loopen.” Pondman bleef voorlopig nog in dienst. Veltman schreef op 12 november 1923: “Architect en hoofdopzichter bespraken de nog te maken detailtekeningen. Aangezien heer Pondman vrees koesterde voor spoedig ontslag liefst in aanmerking te komen overplaatsing andere bouwwerken. Na over- leg bleek dat de vrees van Pondman ongegrond was en nog wel maanden tekenwerk is, voor ontslag en overplaatsing valt niet te denken in tegendeel vlug voortwerken is gewenst.” 103 De tekenkamer in de Directiekeet met onder meer Jonckbloedt en Veltman.

Foto Noord-Hollands Archief. Op 16 maart 1925 noteerde Veltman dat de Directiekeet gereed werd gemaakt als dienstwo- ning: “Hoofdopzichter conferentie met Firma Goossens electricijn. […] Idem, prijs voor leg- gen kabel met aansluiting Directiekeet naar het seminarie vanwege voornoemd huis moet worden uitgeschakeld door beëindiging van het bouwwerk.” Het bleef echter onduidelijk wanneer Veltman precies uit het woongedeelte vertrok en of hij tegelijkertijd het kantoor en de tekenkamer overdroeg. Op 23 september 1925 werden enkele tekentafels uit de Direc61 - tiekeet verwijderd en overgebracht naar het tekenlokaal van prof. Nieuwenhuizen. De over- gebleven tafels en de bouwtekeningen kregen een plaats op de zolder van het hoofdgebouw. Veltman schreef in zijn laatste notitie in de dagboeken: “Zoo als gewoon zal van aannemer zijde voor deze werken weinig zorg worden getoond. […] Deze laatste werkjes kan en mag geen gevolg zijn dagboek dezer bouw [niet] af te sluiten en wordt op heden 31 december 1925 alles als voltooid beschouwd afgeleverd en dit dagboek beëindigd.” Daarmee was de Directiekeet uiterlijk eind 1925 volledig aan het seminarie overgedragen en werd zij als dienstwoning gebruikt. In de loop van de tijd gingen de drie gemetselde schoorstenen, veel oorspronkelijke roedenverdelingen, vrijwel alle weggewerkte dakgoten en de bloembakken verloren.

Bij latere werkzaamheden zijn onder jongere afwerkingen onder meer het geome- trisch ingedeelde stucplafond van de woonkamer, een oorspronkelijk raam met roedenverde- ling en resten van de houten schouw in de tekenkamer teruggevonden en hersteld. Ook de nog aanwezige paneeldeuren en architraven zijn zo veel mogelijk in hun eerdere verschij- ningsvorm teruggebracht. Volgens mevrouw M.T . Rikkers-Van der Prijt woonde haar vader hier vóór het einde van de bouw van 61 Hageveld. 104 Ansichtkaarten van de Directiekeet met de mapjes van de series van Hageveld waar ze uitkomen. Collectie auteur. 20.1 Bewoners van de Directiekeet Na het vertrek van Veltman uit de Directiekeet was Jurianus Arnoldus van der Prijt (1904– 1962) de eerste bewoner. Hij was in dienst gekomen bij het seminarie in 1922 en was ver- antwoordelijk voor de werking en het onderhoud van de op steenkolen gestookte centrale verwarming. Hij was achtereenvolgens gehuwd met Maria Cornelia Ruiter (1906–1936), Marta Johanna van Berkel (1902–1963) en Anna Antonia Ruiter (1908–1990). Na zijn over- lijden vertrok de weduwe in 1964 met haar familie uit de woning. Daarna werd de Directie- keet de dienstwoning van Henk van Putten en zijn vrouw Rie. Van Putten was de elektricien van Hageveld. In 1997 kregen de auteur en zijn vrouw de dienstwoning in gebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/3260/documents/47180