CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

35a. 't Groot Clooster - Geschiedenis, Samenhang en Erfgoed

Gemeenteraad 1 oktober 2026, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 10: Lijst ingekomen stukken40.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Deze toegang was voorzien van een deco- ratieve omlijsting in Lodewijk XV-stijl. Daarom lijkt het Koetshuis vóór 1760 te zijn gebouwd. De kaarten van 1744 en 1797 wijzen op een verschuiving van de agrarische bedrijfskern. Op de kaart van 1744 was het voormalige neerhof nog als afzonderlijk gebouwencomplex her- kenbaar. Op de kaart van 1797 ontbreekt deze bebouwing. De akte van boedelverdeling van latere eigenaren uit 1808 bevestigde dat de bebouwing was verdwenen. Hierin stond dat “ter verkoming van misverstanden dat de boeren woning welke onder en bij de voorzegde hofstede voormaals had behoord, vermits der zelver bouwvalligheid door de testateuren was gesloopt, en de plaats waar op dezelve had gestaan, toen reeds onder de landeryen was be- grepen.” 28 Uitsnede uit een ongesigneerd schilderij van het Tuinmanshuis, het Koetshuis en de brug over de Munnikevaart, omstreeks 1818–1844. Particuliere collectie; foto G. von Westerholt. 29 De oostelijke en zuidelijke gevels van het Koetshuis en een hooiberg, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. Het Tuinmanshuis en het Koetshuis in 1917. Foto Aberson. 5.2 De tweede modernisering van buitenplaats Het Clooster onder architect J.D. Zocher In 1791 erfden Geertruida Maria Roest van Alkemade (1753–1807) en haar echtgenoot Cor- nelis Gerard Joseph van Wijkerslooth van Grevenmachern (1749–1804) het huis in Amster- dam en Het Clooster.

Dit echtpaar liet de buitenplaats vrijwel direct ingrijpend vernieuwen volgens de nieuwste mode. Het Herenhuis werd daarbij gerenoveerd. Voor de vernieuwing schakelde het echtpaar in 1791 en 1792 architect en tuinarchitect Johann David Zocher sr. (1764–1817) in. In het rekeningboek werd hij op 23 april 1791 aangeduid als “Engelse Ar27 - chitect” en ontving hij 523 gulden “voor verplanten & arrangement vant land”. In 1792 volgden 760 gulden “voor geleverde bomen & platzoen” en twee betalingen aan “de archi- tect Zocher”. De vier teruggevonden betalingen bedroegen samen 2.030 gulden. De post uit 1791 werd op 31 maart 1792 uit het lopende rekeningoverzicht gehaald om deze “op melio- ratie” te brengen. De omschrijving past bij een herinrichting waarin bestaande beplanting en oudere structuren in een nieuwe landschappelijke compositie konden worden opgenomen. De combinatie van behouden oudere structuren met slingerende waterpartijen, open ruim- ten, boomgroepen en gerichte doorzichten past goed bij de vroege landschapsstijl waarin Zocher werkte. Zocher was in Straatsburg geboren in een familie van hoveniers en kwekers, werkte in 1785 als knecht van tuinarchitect Johann Georg Michael (1738–1800), zijn latere schoonvader, en werd in 1789 als architect lid van het Haarlemse Sint-Lucasgilde.

De werk- zaamheden op Het Clooster behoorden daarmee waarschijnlijk tot zijn vroegste gedocumen- teerde werkzaamheden als architect. 28 Vanaf november 1792 werd ook architect Siegmund herhaaldelijk betaald. Zeven terugge29 - vonden betalingen tussen 12 november 1792 en 19 oktober 1793 bedroegen samen 3.522 gulden. Zijn precieze opdracht is niet beschreven, maar de duur en omvang van de betalin- gen wijzen op een belangrijke rol binnen de vernieuwingscampagne. Een taakverdeling of samenwerking met Zocher kan op grond van de rekeningen niet worden vastgesteld. Tussen 1794 en 1807 stond Heemstedenaar Jan Simons als architect in een rekeningboek vermeld. 30 Simons werd in de rekeningen ook “boomist” en “architect hovenier” genoemd. Hij leverde bomen en een plantsoen, voerde aangenomen werk uit en legde in 1796 een boomgaard met vruchtbomen aan. In 1797 maakte hij een kaart van de buitenplaats. Hij kocht soms ook bomen op de buitenplaats in en huurde er grond vanaf 1801 tot aan het einde van het reke- ningboek in 1807. Johann David Zocher werd op 6 december 1764 in Straatsburg geboren. Zijn vader was hovenier, 27 boomkweker, bloemist en zaadhandelaar en ook zijn grootvader was als geschoold hovenier werkzaam. Reçu’s tonen dat Zocher in 1785 als “knegt” van Johann Georg Michael op Voorland in de Watergraafsmeer werkte.

28 Bij Oldenburger en Oldenburger werd Meerenberg uit 1794 nog als het eerste zelfstandige ontwerp van Zocher beschouwd. De rekening van Het Clooster documenteert zijn werkzaamheden al in 1791. 29 Een mogelijke kandidaat is Jan Daniel Siegmundt, afkomstig uit Waren in Mecklenburg, Luthers en ten minste vanaf 1777 in Amsterdam aanwezig. Hij was gehuwd met Magteltje (Magdalena) Brinkman en ging in 1787 als haar weduwnaar opnieuw in ondertrouw met Siena Willemsz. De naam, herkomst, woonplaats en periode passen bij de architect uit het rekeningboek. Zijn beroep en een rechtstreeks verband met Het Clooster of Zocher zijn echter niet vastgesteld. Zie de Amsterdamse ondertrouw- en Lutherse trouwregisters van 1777 en 1787 en de notariële akte uit 1778 waarin Jan Daniel Siegmundt en Magteltje Brinkman samen worden genoemd. Jan Simons werd in 1798 aangesteld als directeur van de eerste Flora in Heemstede.30 30 31 De post met de eerste vermelding van Zocher in het rekeningboek van Het Clooster. Foto Stadsarchief Amsterdam. 32 Twee posten met de vermelding van Zocher in het rekeningboek van Het Clooster. Foto Stadsarchief Amsterdam. Op de prent van Numan uit 1794 was te zien dat het Herenhuis meerdere niet precies te da- teren veranderingen had ondergaan. Het gehele pand was inclusief de schoorstenen wit ge- pleisterd.

Op het dak stonden meerdere dakkapellen en de schoorstenen op de daken van de vleugels waren bekroond met tentdakjes die eindigden in een bol met daarop een windwij- zer. In 1797 ontving meestertimmerman Jacob van Meurs (1722–1808) 2.078 gulden. De firma D. Hesse & zoon ontving voor haar behangwerk tussen 1794 en 1797 samen ruim dui- zend gulden. Ook verschillende leden van de familie Wolbers worden vaak genoemd in ver- band met betalingen voor schilderwerk. Op het schilderij van het Herenhuis uit ca. 1818– 1844 en de prent van Lutgers uit 1844 is een nieuwe brug weergegeven. Deze bestond uit één brede gemetselde rondboog met gesloten borstweringen die in een vloeiende lijn naar het midden opliepen. Aan de uiteinden stonden lage pijlers met bolvormige bekroningen. De oude brug was blijkbaar tussen 1797 en 1844 vervangen of ingrijpend verbouwd. De 31 nieuwe stijl sloot beter aan bij de landschappelijke aanleg met de slingerende oever. Wie de brug ontwierp en uitvoerde is niet bekend. De datering is gebaseerd op de kaart van Simons uit 1797 en de lithografie van Lutgers uit 1844.31 33 De voorzijde van Het Clooster met het Koetshuis en de formele brug, ingekleurde prent uit 1794 door Numan. Foto Noord-Hollands Archief. Het grondplan van het huidige Tuinmanshuis stond aangegeven op de kaart van Simons uit 1797.

Gezien de stijl werd het waarschijnlijk gebouwd tijdens de ingrijpende vernieuwing van de buitenplaats na 1791. Het ontwerp leek door Italiaanse voorbeelden te zijn beïn- vloed. Voor het ontwerp en de uitvoering komen Zocher en Siegmund gezien hun betrok- kenheid bij de vernieuwingscampagne in aanmerking, maar rechtstreeks bewijs voor een toeschrijving aan een van beiden ontbreekt. Het symmetrisch uitgevoerde gebouw had in het midden van de zuid- en noordgevel toegangsdeuren met een boogvormige bovenzijde. Aan weerszijden daarvan bevonden zich boogramen op de begane grond. Op de verdieping zaten hierboven kleine rechthoekige ramen. Ook in de oost- en westgevels zaten op beide niveaus zulke ramen. Het huis had een laag afgeknot schilddak met brede oversteken. Op het dak 32 stonden aan de oostkant een dakruiter met een klok en aan de westkant een schoorsteen. Mogelijk was het Tuinmanshuis enige tijd tevens woning voor het boerenbedrijf. In de bewaard gebleven 32 rekeningen en 19de-eeuwse beschrijvingen werd het echter consequent als woning voor de tuinman aangeduid. Ook waren er geen andere bewoners bekend dan tuinmannen. 34 De achterzijde van Het Clooster met de nieuwe landschappelijke aanleg, ingekleurde prent uit 1794 door Numan. Foto Noord-Hollands Archief.

35 Ongesigneerd schilderij van het Tuinmanshuis, het Koetshuis, de meanderende watergang en de brug over de Munnikevaart, omstreeks 1818–1844. Particuliere collectie; foto G. von Westerholt. Het Tuinmanshuis met de paardenstal, het Zomerhuis, het Koetshuis en op de voorgrond het botenhuis, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. Op de locatie van het huidige Zomerhuis stond op de kaart van Jan Simons uit 1797 nog maar één gebouw aangegeven. Dat lijkt hetzelfde gebouw als op de kaart van Nautz uit 1818 en op het schilderij van het Tuinmanshuis uit ca. 1818–1844. Het echtpaar Van Wijker- slooth van Grevenmachern kocht in 1791 en 1793 van Adam Zwartzer twee woningen die zij eerder voor het personeel huurden. Dit waren een woning direct aan de noordkant van de toegang van de oprijlaan, het Pluimgraafshuis, en een woning, het Jagershuis, halverwege de oprijlaan aan de westkant naast de moestuin. De kaart van Klinkenberg uit 1744 toonde al gebouwen op de beide locaties. Het Pluimgraafshuis is vastgelegd op foto’s uit het begin van de 20ste eeuw. Dit huis had gepleisterde gevels en een met pannen gedekt schilddak. In het voorste dakvlak stond een dakkapel met een tweelichtvenster voorzien van sierlijke windveren. Een voorganger werd ten tijde van de aankoop bewoond door pluimgraaf Bart. Het Jagershuis werd toen bewoond door de jager Wouter Stiphout en vanaf 1797 door Lam- bertus Pieters.

Pieters woonde daar zonder huur in ruil voor het beheer van het vistuig op de buitenplaats. 36 Het Pluimgraafshuis, omstreeks 1930. Foto Noord-Hollands Archief. Volgens de posten in het rekeningboek begon de uitvoering in de tuin al in 1791. Veel van de werkzaamheden werden onder leiding van de tuinman en zijn knecht uitgevoerd door daar- voor ingehuurd “werkvolk”. De aanleg zou tot ver in de 19de eeuw duren. Op verzoek van 33 de eigenaren werden bij de Molenwerfslaan en de Binnenweg bomen en struiken gerooid “om daar door vrij gezigt op mijn Huys ’t Clooster te hebben.” Voor het behoud van het zicht werden jaarlijks bedragen betaald aan de Heer van Heemstede. Rond de architecten en tuin- lieden functioneerde bovendien een breed netwerk van bloemisten, boomkwekers en andere leveranciers. Zij leverden onder meer bomen, vruchtbomen, bloemen, zaden, (broei-)mest en turf. Tot de leveranciers behoorden onder meer boomleverancier Paulus & Simon Moer- beek, boomleverancier en bloemist Arie & Cornelis van Eeden en bloemist J. Rozenkrantz & zoon. Zelfs uit Parijs bij de “traitre van de Stein” werden bomen betrokken. In 1796 werden van Jacob Abraham van Lennep (1752–1828), die eigenaar was van de nabijgelegen buiten- plaats Meer en Berg, stenen aangekocht voor een ananassenkast.

Als tuinman van het klooster stond in 1732 Jan Roodenburgh, tussen 1791 en 1794 Hendrik Frolijks (?–33 1794), tussen 1795 en 1802 Johan George Röttinger en tussen 1803 en 1807 Cornelis Ruijssenaar (1749– 1834) vermeld. 37 Kaart van buitenplaats Het Clooster van Simons uit 1797. De formele hoofdstructuur is nog herkenbaar, maar wordt gecombineerd met slingerende paden, lossere beplanting en ruimere parkdelen. Ook het Koetshuis en het grondplan van het Tuinmanshuis zijn aangegeven. Foto Stadsarchief Amsterdam. 38 Het westelijke deel van de tuin, uitsnede uit de kaart van Simons uit 1797. Foto Stadsarchief Amsterdam. 39 Het oostelijke deel van de tuin, uitsnede uit de kaart van Simons uit 1797. Foto Stadsarchief Amsterdam. Het volgende jaar leverde Pieter Samuel Crommelin (1765–1853) voor 149 gulden ananas- planten. De veilingcatalogus uit 1911 noemt een druivenmuur aan de oostkant van de moes- tuin. Deze muur bood een beschutte, zonwarme plaats voor de teelt van druiven. 34 De twee prenten uit 1794 tonen het hoofdgebouw tijdens de modernisering. De voorzijde behield met de brug en de rechte grachten nog het formele karakter, terwijl aan de achter- zijde de nieuwe landschappelijke aanleg zichtbaar was.

Op het begeleidende tekstblad schreef Numan: “Ofschoon de uitgestrektheid dezer Plaats in den beginne niet meer dan acht morgen lands bedroeg […] en kan tegenwoordig gerekend worden op 150 morgen lands, in heuren omtrek, waar van ruim 100 morgen beplant is, en strekt zich uit, van het dorp Heemstede (alwaar men, door eene zeer ruime laan dezelve inrijdt) tot aan het Zuider Spaarn, niet verre van de Haarlemmer Meer, welke een geduurige frischheid, en het aange- naame der Visscherij oplevert, en boven dien uitmuntende land- en watergezichten, waar van men het onbelemmerde genot kan hebben, in eene fraaije Coupel, die ten einde aan ’t Spaarn geplaatst is, voorbij de welke geen een der Schepen, die van, of naar Haarlem zeilen, het oog kan ontgaan; voords bestaat heur aanleg in ruime Wandelwegen, aanzienelijke Bos- schen, groote Vijvers en uitgestrekte uitzichten, en wordt door den tegenwoordigen bezitter nog geduurig verfraaid door nieuwe aanlegginge, na den hedendaagschen of Engelschen trant, waar door dit Klooster, met recht, onder de aanzienlijkste Lustplaatsen kan gerekend worden.” Daarmee maakte Numan zowel de modernisering als het voortbestaan van oudere structuren zichtbaar.

“Het fraaije en ruime woonhuis, dat van binnen nog tekens van deszelfs oude afkomst draagt, heeft door zijn bijzondere bezitters en wel het meest door den tegen- woordigen, van buiten, meer en meer luister, na den hedendaagschen smaak, bekomen; schoon de voorpoort, het groote plein, de wijde grachten en stallingen, nog eenige tekens vertoonen van dezelver oudheid en stijl der vorige eeuwen.” De door Simons in 1797 ge- maakte kaart van de buitenplaats vertoont zowel onderdelen van de oude formele structuur als onderdelen van de nieuwe landschappelijke aanleg. Op foto’s die tussen 1903 en 1940 vanaf de watertoren zijn gemaakt, staat ten zuiden van de druivenmuur 34 langs de moestuin een schuur. Ten oosten van die muur staat tussen de bomen een klein houten gebouw met een kruisdak. Het is onduidelijk wanneer dit gebouwd is en waar het voor diende. Het is voor 1940 verdwenen. 40 Het Tuinmanshuis en de paardenstal, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. 5.3 Het Clooster in de eerste helft van de 19de eeuw In 1808 erfden hun dochter Maria Geertruida de Wijkerslooth van Grevenmachern (1775– 1832) en haar echtgenoot Johannes Stephanus Schaep (1778–1836) de buitenplaats Het Clooster en een huis in Amsterdam aan de Herengracht 502. In 1810 voegde Schaep een oude boerenwoning met huizing en stalling op de hoek van de Molenwerfslaan en de Cloos- terweg aan de buitenplaats toe.

In dat jaar kocht metselaar J. van der Toorn voor Schaep 35 100.000 stenen van de gesloopte buitenplaats Valkenburg. De omvang van deze partij wijst op grootschalig hergebruik van bouwmateriaal. Voor welk gebouw of welke werkzaamheden de stenen op Het Clooster waren bestemd, is onbekend. Op het schilderij van het Herenhuis uit ca. 1818–1844 was te zien dat de huiskapel in de zuidvleugel was ondergebracht. Mogelijk was dat al vanaf de bouw van het Herenhuis het geval. Op de prent van Numan uit 1794 stond aan die kant al een opvallende dakkapel aan- gegeven, maar pas op dit schilderij was met zekerheid te zien dat daar een kapel was onder- gebracht. Op het schilderij liep de middenpartij van de zuidgevel hoog door en eindigde in een gemetselde dakkapel. J. van der Toorn was waarschijnlijk de Heemsteedse metselaar Jan van den Toorn.35 41 Ongesigneerd schilderij van de achterzijde van het Herenhuis met de boogbrug, omstreeks 1818–1844. De zuidelijke kapelpartij is herkenbaar aan de twee boven elkaar geplaatste hoge vensters, de kleinere ronde vensters en de klokkenstoel op de nok. Particuliere collectie; foto G. von Westerholt. De middenpartij was kerkachtig vormgegeven met twee boven elkaar geplaatste hoge, smal- le en verdiept liggende vensters die omgeven waren door zes kleine ronde vensters.

Centraal op de nok van het dak boven de huiskapel was een klokkenstoel met klok aangebracht. Op het schilderij en de prent van Lutgers stonden bij alle ramen en deuren van het souterrain en de verdiepingen van het Herenhuis buitenluiken. Op basis van de kadasterkaart van Nautz en de door Stuyt en Cuypers gebruikte kaart kun- nen het huidige Zomerhuis en het Karnhuis tussen 1818 en 1908 worden gedateerd. Het Zomerhuis bestond uit een voorhuis en een achterliggende stal onder een zadeldak. Het voorhuis had op de begane grond een vuurplaats en op de zolder een slaapruimte. In het achterhuis zat een stal, met daarboven een zolder die, gezien de toegang aan de oostkant, vermoedelijk bedoeld was voor hooi. 42 In de achtergrond een stukje van de brug, de paardenstal, het Tuinmanshuis, het Karnhuis en een stukje van het Koetshuis, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. Het Zomerhuis en een stukje van zowel het Karnhuis als het Koetshuis, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. De kadasterkaart van landmeter Ferdinand Joseph Nautz (1785–1841), die in 1818 is ver- vaardigd, laat zien hoe ver de landschappelijke verandering toen al was gevorderd. Het Grand Canal en de vijver direct achter het Herenhuis waren gedempt. Het westelijke gedeel- te van de oude kloostergracht was vervangen door een slingerende waterloop.

Deze sloot aan de oostkant aan op een grote achtvormige vijver met een groter en een kleiner eiland halverwege de tuin op de zichtas naar het Spaarne. Op de kaart zijn in dat gebied vier brug- gen over de meanderende watergangen aangegeven. Eén daarvan gaf toegang tot het grote eiland in de vijver. Naar het kleine eiland was geen brug weergegeven. 36 De eilandjes in de vijver zijn mogelijk geïnspireerd op het grafeiland van Jean-Jacques Rousseau in 36 Frankrijk. Dergelijke eilandjes werden vaak voorzien van een groep populieren of treurwilgen en soms van een grafmonument. 43 Kadasterkaart van Nautz uit 1818. De kaart toont de landschappelijke aanleg in ontwikkeling, de achtvormige vijver, het hertenkamp, de bebouwing langs de oprijlaan en de toen nog rechte westelijke gracht. Foto Noord-Hollands Archief. 44 Ongesigneerd schilderij van de landschappelijke tuin van Het Clooster, omstreeks 1818–1844. Op de voorgrond staan een rustieke takkenbank en een trekveer. Op de achtergrond is een boogbrug zichtbaar. Particuliere collectie; foto G. von Westerholt. De hoofdbrug, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. 45 Voorstelling van een romantisch samenzijn op een grafeiland in een landschappelijke tuin. Het 19de eeuwse bordje is in de bodem gevonden naast het Tuinmanshuis. Foto auteur. Op het schilderij van de tuin uit ca.

1818–1844 is een in landschappelijke stijl uitgevoerde takkenbank, een trekveer en op de achtergrond een boogbrug te zien. In een rekeningboek stond ook nog een vlot vermeld. Het is onduidelijk of hiermee misschien de trekveer werd bedoeld. Een schilderij van de tuin uit ca. 1818–1844 liet zien dat de slingerende waterpartij aan de noordkant toen al was uitgebreid en voorbij het Tuinmanshuis liep. De militaire kaart van J. Schuurman (1822–1897) uit 1849–1850 laat de voltooide aanleg van deze slingeren- de waterpartij zien. Hierop sloot zij ten zuiden van de brug aan op de gracht naast de Lin- denlaan. Op de kaart van Nautz uit 1818 ligt ten zuiden van het hoofdgebouw een herten- kamp met een gebouwtje, op de plaats van het huidige sportveld. Het houten gebouwtje, dat met riet gedekt was, stond op foto’s uit de vroege 20ste eeuw en werd in een rekeningboek het “Hartenhuisje” genoemd. Een deel van de 18de-eeuwse Zuyderzijlaan bleef in de nieuwe aanleg behouden en vormde de basis voor de latere Lindenlaan. Mogelijk was de Lindenlaan de in een rekeningboek vermelde Hartenlaan. Ook een daarnaast gelegen rechte gracht werd deels behouden. Uit een rekeningboek bleek dat tuinarchitect Jan David Zocher jr. (1791– 1870) vanaf 1838 tot het einde van het rekeningboek in 1850 land pachtte van Het Clooster. In 1842 werd dit expliciet omschreven als “den land voor bloemen”.

Op de kaart van militair topograaf Jan Schuurman uit 1849–1850 was te zien dat het landschappelijke park bijna het hele gebied van ruim 94 hectare besloeg. Het uitzicht van Het Clooster veranderde in die pe- riode drastisch. In 1836 nam koning Willem I (1772–1843) de beslissing het Haarlemmer- meer te laten droogmaken. Hiervoor werden drie stoomgemalen gebouwd en de Ringvaart aangelegd waarin het Spaarne voortaan zou uitmonden. Tussen 1848 en 1852 werd het meer drooggemalen. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde Schaep met Joanna Cornelia Theresia Charlé (1804–1874). Schaep overleed vervolgens in 1836 en in 1839 hertrouwde Charlé met Fried- rich Ludolf, Rijksgraaf Von Westerholt und Gysenberg (1804–1869). In de familie Von Wes37 - terholt zijn enkele brieven uit 1838 bewaard gebleven. Enkele vertaalde fragmenten geven een indruk van Charlé, de buitenplaats en het huis in Amsterdam: “Vanuit een als het ware paradijs schrijf ik je. Als God geen ongeluk zendt, zal je broer de gelukkigste man van Hol- land en Duitsland worden. […] Werkelijk, het overtreft al mijn verwachtingen en mijn stout- ste wensen. Deze vrouw, mooi en geestig, door iedereen geëerd en het hof gemaakt door de luxepaarden, acht fraaie rijtuigen, een park met damherten, fazanten en ander wild, en aan het einde daarvan het meer. De schepen trekken door de doorkijkjes als beelden in een to- verlantaarn.

En deze vrouw verklaart dat zij Fritz uit genegenheid neemt en omdat zij wil behoren tot een familie die zo gelukkig samenleeft” en “Van de pracht en rijkdom van het huis in Amsterdam heb je geen voorstelling, […] Hoe kaal steekt ons arme Oberhausen daarbij af!”. Het echtpaar besloot zich tussen 1840 en 1850 op het door Von Westerholt ge- ërfde Schloss Arenfels in Bad Hönningen te vestigen en Het Clooster te verkopen. Het daar- voor gemaakte ongedateerde taxatierapport beschrijft het landgoed: “De hofstede ’t Clooster met heerenhuizing, stalling, koetshuis, tuinmans, twee jagers en twee arbeiderswoningen, koepel en verdere gebouwen en getimmerten; opgaande boomen, hakbosschen, moes en broeituinen, weilanden, teel en rietgronden. [...] De boerenwoning met stalling, schuur, 2 hooibergen en [zes] stukken weiland.” In de rekeningboeken stonden regelmatig bijdragen vermeld voor goede doelen die met armenzorg en 37 onderwijs te maken hadden. In de jaren 1848–1851 stond meermaals een bijdrage van 400 gulden aan het R.K. Seminarie Hageveld in Voorhout vermeld. Het leek te gaan om een bijdrage voor twintig leerlingen à twintig gulden. 46 47 Uitsnede uit de kaart van Schuurman uit 1849–1850. Foto Wageningen University & Research. Uitsnede uit de kaart van Schuurman uit 1849–1850 met Het Clooster. Foto Wageningen University & Research.

5.4 Dólleman en de sloop van het Herenhuis Willem Anthonie Dólleman (1792–1864) kocht de buitenplaats Het Clooster voor 76.000 gulden. In de koopovereenkomst stond de buitenplaats beschreven: “Het landgoed ge38 - naamd ’t Clooster, met heeren huizing, koetshuis, stallingen, koepel, tuinmans-, jagers-, en arbeiderswoningen en verdere gebouwen en getimmerten, broeierij, tuinen, bosschen en op- gaand geboomte, voorts met annexe boerenhofstede en gebouwen, wei- en hooilanden, tuin- en teellanden.” Bij de aankoop hoorde ook wat “spijker, aard, muur of nagelvast is”, met uit- zondering van de “kookmachine, en de kachels in de heeren huizing […] gelijk ook van de vloertapijten, als mede van bolgewassen en bloemen in den grond en in potten staande.” Verder waren alle goederen van de boerderij in de koop inbegrepen zoals de “broeibakken, ramen, dekgoederen, mest, gereedschappen, wagens, rolwagens, kruiwagens, schuiten, pon- ten.” Uitgesloten van de koop waren de meubels uit het Herenhuis en verder aanwezige za- ken zoals “de heeren rijtuigen, tuigen en gereedschappen tot de heerenstalling behorende”, “de paarden, de herten en het hooi” en “de monumenten, beelden, vaazen met voetstukken”, de tuinbanken, tuinstoelen en de “losse bloemgewassen in potten.” De overdracht van de op- stallen, het jacht- en visrecht en de overige onderdelen vond in 1851 plaats.

Nog daarvoor mocht hij houtveilingen houden en enkele verder weg gelegen landerijen verkopen. In 1854 werd het grootste gedeelte van de “colossale en ruim van lood voorziene heeren-huizing” voor afbraak geveild. Het Herenhuis zal kort daarna zijn gesloopt. De schrijver H.B.B. Bin- nenwiertz (1824–1879) schreef in datzelfde jaar dat de broers Dólleman bezig waren het “schoone en lustige landgoed in weiland te herscheppen”. Afgaande op de bewaard gebleven resten bleef deze herschepping vooral beperkt tot het gebied aan de oostkant langs het Spaarne. Uit de rekeningboeken bleek dat Dólleman in de jaren veertig betalingen ontving voor administratie 38 werkzaamheden. 48 Advertentie uit de Nieuwe Rotterdamse Courant van 27 juli 1854. Foto Koninklijke Bibliotheek. 6 Sparenburg: van hofstede aan het Spaarne tot onderdeel van Het Clooster Sparenburg lag ten noorden van de Molenwerfslaan bij het Spaarne. De vroegste bebouwing op deze plaats is al afgebeeld op de kaart die Van Berckenrode naar een kaart uit 1556 had gemaakt. Zij staat ook op zijn kaarten uit 1622 en 1643. Op de laatste kaart oogt het hoofd- gebouw als een agrarisch complex. Het grootste bouwdeel bestaat uit twee naast elkaar staande gebouwen met een haaks daarop staande vleugel. Daarnaast staan een los huisje en twee vrijstaande schuren of hooischuren. In de bronnen was de hofstede aanvankelijk naam- loos.

De eerste bij naam bekende eigenaren waren de zusters Anna en Johanna Haen († vóór 1667), die het bezit door vererving hadden verkregen. In 1667 werd het bezit verkocht aan Pieter Bol († vóór 1700) en zijn vrouw Magdalena Ruyl († vóór 1700). De verkoopakte om- schreef een hofstede met negen morgen wei- en teelland, een woning en een boomgaard aan het Spaarne. Hun erfgenamen verkochten de hofstede in 1700 aan Aletta Bol, de weduwe van Johan Ruyl. Onder haar veranderde het karakter van het bezit. Zij liet naast de agrari- sche bebouwing een herenhuis bouwen. Na haar overlijden erfde haar dochter Beatrix Ruijl (ged. 1659–† vóór 1753) het bezit. In 1731 stond de buitenplaats op haar naam. Op de kaart van Van Berckenrode uit 1622 stond in de omgeving van Sparenburg, op enige afstand van het Spaarne, een poldermolen aangegeven. Deze bemaalde de sloten van het natte veenweidegebied en loosde het opgepompte water op het Spaarne. De molen was vermoedelijk tussen 1605 en 1615 geplaatst en viel onder het bestuur van de Schouwbroe- kerpolder. Op de kaart Van Berckenrode uit 1643 ontbreekt de molen hier. Wel staat veel verder naar het noorden, direct ten noorden van “’t Municken Eijlant”, een poldermolen aan het Spaarne en aan het uiteinde van een lange molentocht die tot vlak bij de Munnikevaart loopt.

Rond 1900 staat er een poldermolen aan de andere kant van die molentocht halver- wege de Munnikevaart. Deze molen is ook zichtbaar op foto’s van de familie Aberson en uit de beginperiode van het seminarie. Omstreeks 1930 is de molen in vervallen toestand afge- broken. Deze is vervangen door een stalen Bosmanmolen, die daar tot omstreeks 1970 heeft gestaan. De bemaling werd daarna overgenomen door een elektrisch gemaal dat zuidelijker aan het Spaarne stond. Het huidige gemaal bevindt zich nog verder naar het zuiden en staat weer in de buurt van waar de molen in 1622 stond aangegeven. Bij de openbare veiling van 1753 werd Sparenburg beschreven als een “schoone groote wel- beplante Hofstede” met een “hegte, sterke en weldoortimmerde Heeren huijsinge”. Het huis bezat boven- en benedenvertrekken, een keuken en een kelder. Vanuit de woning keek men over het Spaarne tot in het Haarlemmermeer. Verder waren er een stalling voor twee paar- den en een rijtuig, een boerenwoning met kelder, een stal voor tien tot twaalf koeien en een hooischuur. Hierbij hoorden ca. acht morgen weiland en vier percelen teelland. Arnold Pie39 - ter Blesen kocht de buitenplaats in 1753 op een veiling. Hij betaalde 1.805 gulden voor het circa elf en een halve morgen grote bezit en voegde het bij Het Clooster. Het is onduidelijk wanneer de panden precies zijn gesloopt.

Op de kaart van Nautz uit 1818 staat op de plaats van Sparenburg geen bebouwing aangegeven. Ten minste één weiland was belast met een jaarlijkse betaling van twee gulden aan de rentmeester van de 39 geestelijke goederen in Haarlem. Mogelijk was dit weiland voormalig bezit van klooster De Hemelpoort. 49 7 Meermond: van zelfstandige buitenplaats tot onderdeel van Het Clooster Meermond lag ten noorden van de Molenwerfslaan en ten zuidwesten van Sparenburg. Op de kaart van Van Berckenrode uit 1622 staat hier al een huis met boomgaard afgebeeld. De eerste bekende eigenaren waren de Haarlemse koopman Jan Lubbertszoon Bus (ca. 1592–na 1653) en zijn vrouw Barbara Jan Wijnandsdochter. Hun toen nog naamloze bezit omvatte ruim drie morgen grond. Bus verkocht de hofstede in 1641 aan Pieter Janszoon Blanckert 40 (ca. 1590–1674) en zijn vrouw Petronella van Dam (ca. 1598–1644), die het een jaar later verkochten aan de Amsterdamse koopman en bankier Mattheus Hoeufft (1606–1669) en zijn vrouw Elisabeth Ghim († vóór 24 oktober 1645). De weduwnaar hertrouwde in 1645 met Maria Sweerts de Landas (1621–1655). Zij lieten hier een “schoone en treffelicke huy- singe” bouwen en een boomgaard aanleggen. De kaart van Van Berckenrode uit 1643 toont een zorgvuldig geordend ensemble.

Een centrale brug leidde vanaf de Molenwerfslaan naar een vrijwel omsloten voorplein, met een herenhuis aan de achterzijde en lagere panden in spiegelbeeld langs de toegang en de zijkanten. Hiertoe behoorden kleinere percelen die voormalig bezit van klooster De Hemelpoort waren.40 50 Uitsnede uit de kaart van Van Berckenrode uit 1643 met de naamloze hofstede tegenover Meermond, buitenplaats Meermond en hofstede Sparenburg aan de “Mole Laen”, later de Molenwerfslaan. Foto Noord-Hollands Archief. Achter het herenhuis zette de middenas zich voort in een geometrische tuin. Ook de overige ruimte binnen het rechte, omgrachte hoofdkavel was symmetrisch ingericht. Een kleiner, achterliggend en omgracht kavel lag door de verkaveling enigszins uit de as, maar was in- tern eveneens symmetrisch ingedeeld. Door de ligging van dit kavel sloten de assen van de beide ontwerpen niet op elkaar aan. Wie het huis en de aanleg ontwierp, is onbekend. 41 In 1687 verkochten de erfgenamen de inmiddels tot ruim vijf morgen uitgebreide buiten- plaats aan Philippus Muije († vóór 1696), Catharina Muijen († vóór 1694) en Geertruijd Bedt. Catharina was gehuwd met Cornelis van der Laen († vóór 1719). Na het overlijden 42 van Philippus en het faillissement van Bedt verwierf het echtpaar Van der Laen en Muijen de andere delen.

Na het overlijden van zijn vrouw huwde Van der Laen in 1693 met Johanna Elisabeth van Erp († vóór 1731). Onder Van der Laen kreeg de buitenplaats de naam Meer- mond als verwijzing naar de ligging bij de monding van het Spaarne in het Haarlemmer- meer. In 1698 kocht het echtpaar een aan de overzijde van de Molenwerfslaan gelegen klei- ne naamloze hofstede met huis voor 500 gulden en voegde deze aan Meermond toe. 43 Na het overlijden van de weduwe werd Meermond in 1757 verkocht aan Albertus Adrianus Houwink († vermoedelijk 1786) en zijn vrouw Gerarda Johanna Varlet (1727–?). In 1782 leenden zij 6.000 gulden met Meermond als onderpand. Doordat zij de schuld niet konden afbetalen, kwam het bezit in 1786 in handen van Willem Anthonie Dólleman, Jan Sleght († na 1812) en Cornelis van der Boon (ged. 1751–† vóór 1806). Deze lieten het buitenhuis slo- pen, maar behielden het schuitenhuis, het vinkenhuis en de koepel. In 1786 nam Dólleman de gedeelten van de beide andere eigenaren over. In 1792 verkocht hij het terrein, met uit- zondering van het huis aan de zuidzijde van de Molenwerfslaan, voor 4.700 gulden aan Abraham Gerardus Blasius. Op 4 september 1793 verkocht Blasius het terrein voor 2.600 44 gulden aan het echtpaar Van Wijkerslooth van Grevenmachern.

De overdracht betrof twee stukken weiland, samen drie morgen en 115 roeden groot, “zijnde weleer geweest een hof- stede genaamd Meermond”. Zij voegden deze gronden toe aan Het Clooster. Op de kaart van Nautz uit 1818 staat bij Meermond ten noorden van de Molenwerfslaan geen bebouwing aangegeven. De aanleg past bij de vroeg-classicistische ontwerppraktijk rond Haarlem, waarin huis, voorhof, tuin, water 41 en toegangsroute als één compositie werden behandeld. Pieter Post kan daarom als een relatief sterke kandidaat worden beschouwd. Er is geen bewijs gevonden dat Philippus en Catharina gehuwd waren. Mogelijk was Catharina zijn zus en 42 was Philippus gehuwd met Geertruijd Bedt. De erfgenamen van Janneken Eustatius Manglerus († 1678) verkochten deze hofstede van 200 roeden in 43 1689 voor 600 gulden aan François Elouet (ca. 1625–1710) uit Haarlem. In 1718 verkochten zijn erfgenamen de buitenplaats aan Pieter Grijspeert (ca. 1658–1728/1729) en zijn vrouw Sara Blok (ca. 1669–1757). De transportakte noemde een herenhuis, stal, boomgaard, teelland en weiland. Dólleman gebruikte de naam Sparenburg voor zijn woonhuis en kantoor aan de Molenwerfslaan. Het is 44 onduidelijk welk huis dit betrof. 51 8 Landgoed ’t Groot Clooster Na het overlijden van Willem Anthonie Dólleman in 1864 en van zijn zuster in 1865 kwam het bezit aan hun broer Jan Dólleman (1801–1878).

In 1873 liet hij op de buitenplaats twee villa’s voor zijn zonen Frederik Hendrik (1840–1916) en Jan Philip (1842–1891) bouwen. Omdat de villa’s voor permanente bewoning waren bestemd, vervingen zij het verdwenen Herenhuis niet in zijn functie als buitenhuis. Hun bouw markeerde daarom het definitieve einde van de buitenplaatsfase en het begin van de landgoedfase. De architect Abraham van der Linden (1808–1889) kreeg de opdracht deze villa’s te ontwerpen. Hij werd in 1853 aan- gesteld als hoofdopzichter bij de bouw van het door de Haarlemse architect Jan David Zo- cher jr. ontworpen Provinciaal Krankzinnigengesticht Meerenberg in Bloemendaal en dat- zelfde jaar daar tot hoofdarchitect benoemd. Veel gebouwen en uitbreidingen werden daar- na door hem ontworpen. Datzelfde jaar vestigde hij zich met zijn vrouw in Haarlem. Daar ontwierp hij onder meer de tussen 1865 en 1870 gebouwde villa’s aan het Statenbolwerk 1 en 3–5. De villa op nummer 1 vormt een ensemble met een in eclectische chaletstijl ontwor- pen koetshuis. De situering van deze villa’s maakte deel uit van een landschappelijke aanleg van Zocher jr., die na 1870 door zijn zoon Louis Paul Zocher (1820–1915) werd aangepast. Van der Linden was door zijn werkzaamheden vertrouwd geraakt met een ontwerppraktijk waarin architectuur en landschappelijke aanleg niet als afzonderlijke disciplines werden be- schouwd.

In 1874 werd het door Van der Linden ontworpen Weeshuis der Doopsgezinden aan de Kleine Houtweg voltooid. Van der Linden ontwierp voornamelijk in eclectische stijlen, waarbij hij zich meermaals liet inspireren door renaissancistische landhuizen uit Toscane en Noord-Italië. 52 De oostgevel van de Villa ’t Clooster, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. Voor Jan Philip ontwierp Van der Linden de Villa ’t Clooster in een eclectische Italiaanse cha- letstijl. Over de bouw van de Villa ’t Clooster is weinig bekend. Tijdens die bouw werd een gevelsteen “18 ’t Clooster 73” geplaatst. Op het dak van de gestucte villa kwam een klok in een dakruiter, die als multifunctioneel signaleringsinstrument kon dienen. Later werd aan de noordkant van de villa een tennisbaan aangelegd. Voor de inpassing van Villa ’t Clooster pas- te Van der Linden de bestaande waterstructuur op enkele punten aan. Hij ontwierp vermoe- delijk ook de brede vijver die aansloot op de meanderende noordelijke watergang en liet de zuidelijke verbinding tot nabij de Lindenlaan dempen. Aan de zijde van de moestuin werd een nieuwe verbinding aangelegd tussen de vijver en de gracht langs de Lindenlaan, die de functie van het gedempte gedeelte overnam. De bestaande landschappelijke aanleg bleef verder grotendeels gehandhaafd. Voor Frederik Hendrik werd aan de noordzijde van de Bin- nenweg de Villa ’t Nieuw Clooster gebouwd.

45 Villa ’t Nieuw Clooster werd omstreeks 1935 gesloopt.45 53 Uittreksel van het kadastrale plan uit 1920 met ’t Groot Clooster. Foto Noord-Hollands Archief. 54 De zuidgevel van de Villa ’t Clooster, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. Hoewel de architect vooralsnog niet uit archiefbronnen bekend is, wijzen de gelijktijdige bouw, de gemeenschappelijke opdrachtgever en de architectonische overeenkomsten sterk in de richting van Abraham van der Linden. Op foto’s uit de vroege 20ste eeuw waren van Villa ’t Clooster alle gevels min of meer zicht- baar en van Villa ’t Nieuw Clooster drie. Hierop was te zien dat beide panden vooral in hun detaillering duidelijke overeenkomsten, maar ook verschillen vertoonden. Zij hadden verge- lijkbare rechthoekige ramen zonder roedenverdeling met hetzelfde type luiken. Ook kwamen bij beide gebouwen dezelfde ornamentmotieven voor, waaronder deur- en vensterbekronin- gen met een centrale palmet tussen lage voluten en acroteria met palmetten op het dak. Bij Villa ’t Clooster bevond de hoofdingang zich in de voorgevel, terwijl deze bij Villa ’t Nieuw Clooster in een zijgevel was aangebracht. De symmetrisch opgezette zuidgevel van Villa ’t 46 Clooster werd op de begane grond grotendeels ingenomen door een brede serre met grote ramen onder een pannendak.

Daarboven lag een overdekt balkon met een houten balustra- de, geflankeerd door hoge deuropeningen met luiken. De zolderverdieping stak boven het balkon uit en werd aan de voorzijde gedragen door vier houten kolommen met kapitelen. In de verticaal beschoten topgevel zat een halfrond venster verdiept in een brede rondboognis. Het centraal op de gevel aangebrachte gewei kan, gezien de zorgvuldige plaatsing binnen de Bij Villa ’t Nieuw Clooster waren meerdere acroteria met palmetten aangebracht en waren de windveren en 46 boeidelen voorzien van lofwerk. Ook waren op de gevel sierlijke gesmede muurankers zichtbaar. Bij Villa ’t Clooster was aan de zuidzijde één groot acroterion met palmet te zien. De foto’s dateren van circa dertig jaar na de bouw en Villa ’t Clooster was toen al eenmaal verbouwd. Een aantal verschillen tussen beide villa’s kan daarom het gevolg zijn van latere aanpassingen vanwege bouwvalligheid, onderhoudsoverwegingen of veranderende modeopvattingen. 55 De Villa ’t Nieuw Clooster, omstreeks 1902–1920. Foto Noord-Hollands Archief. 56 De poldermolen naast de Munnikevaart, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. De toegang aan de Molenwerfslaan met op de deksteen van de rechterpijler “Clooster”, omstreeks 1932. De linker deksteen is een kwartslag gedraaid. De tekst daarop is niet leesbaar. Foto Noord-Hollands Archief.

compositie, deel van het oorspronkelijke ontwerp zijn geweest. Beide villa’s waren via een 47 brug over de Kwakel met elkaar verbonden door het zogenoemde “Laantje van Dólleman”. Na het huwelijk van Jan Philip met Henriëtte Louise Thierry de Bye (1847–1914) betrok het echtpaar de nieuwe villa. Datzelfde jaar werd hij burgemeester van Heemstede en Benne- broek. In 1902 verkocht de weduwe ’t Groot Clooster op een openbare veiling aan Gerhard Nicolaas Aberson (1861–1939) en zijn vrouw Dina Petronella Kolff (1866–1953). In 1903 kreeg de villa een door de broer van de eigenaar, de bouwkundig ingenieur Willem Agathon Nicolaas Aberson (1858–1922), ontworpen aanbouw tegen de noordgevel. In de gevel werd toen een steen met “1903” geplaatst. Later kreeg de oostgevel op de begane grond, aan weerszijden van de voordeur, twee aanbouwen met daarboven balkons. Tussen 1905 en 1908 liet de ge- meente Heemstede een stedenbouwkundig plan ontwerpen door de architecten Josephus Theodorus Johannes (Joseph) Cuypers (1861–1949) en Jan Stuyt (1868–1934). In dit in 1912 door de gemeenteraad aangenomen plan was er geen plaats meer voor landgoed ’t Groot Clooster. De architecten reserveerden de westelijke helft van het landgoed voor wo- ningen en de oostelijke helft voor industrie.

Naar aanleiding van dit plan werd in 1916 het Heemsteeds Kanaal aangelegd dat deels het tracé van de Herenzandvaart volgde en uitkwam bij de tussen 1908 en 1909 gebouwde gasfabriek. Een daarbij aangelegde haven werd in 1922 voltooid. Over het kanaal kwam een hoge kwakelbrug. Het gewei is al zichtbaar op een ansichtkaart uit de periode van de familie Dólleman.47 57 Verbouwtekening van Aberson uit 1903 voor de aanbouw aan de noordkant van Villa ’t Clooster. De balkons aan deze oostgevel zijn hier nog niet aanwezig. Foto Het Nieuwe Instituut. De plannen en de uitvoering zullen bij de eigenaren vermoedelijk enige onrust over de toe- komst van het landgoed hebben veroorzaakt. In 1908 verkocht het echtpaar Aberson en Kolff twee percelen aan het einde van de Molenwerfslaan aan de gemeente Heemstede voor de in het plan van Stuyt en Cuypers geplande gemeentereiniging. Zij verkochten het landgoed ’t Groot Clooster in 1920 aan een tussenpersoon van het bisdom Haarlem. In het interieur zijn verschillende karakteristieke onderdelen uit de 19de-eeuwse en vroeg-20ste-eeuwse bouwfa- sen bewaard gebleven, waaronder het trappenhuis, de serre, een gestuct plafond in de voormalige “kamer van mijnheer” en de met bloemmotieven gedecoreerde gebrandschilder- de glas-in-loodramen in de serre en het trappenhuis.

Het gewei op de zuidgevel is al zicht- baar op foto’s van voor 1902 en maakte mogelijk al deel uit van het oorspronkelijke ont- werp. 58 De westgevel van de Villa ’t Clooster, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. Het botenhuis van ’t Groot Clooster, omstreeks 1902–1920. Foto Aberson. DEEL II — Ontwerpers, kunstenaars en de totstandkoming van Hageveld Inleiding In dit deel staat de totstandkoming van Hageveld centraal. Eerst wordt beschreven hoe het bisdom tot de keuze voor ’t Groot Clooster kwam en hoe de plannen voor Nieuw-Hageveld vorm kregen. Daarna komen architect Jan Stuyt en de kunstenaars en gespecialiseerde on- dernemingen aan bod die ieder aan het uiterlijk en de inrichting van het nieuwe seminarie bijdroegen. Het deel wordt afgesloten met de verhuizing vanuit Voorhout en het voltooide complex. 59 Foto uit 1920–1921 met Stuyt vooraan met het grijze pak en Jonckbloedt met de bouwtekeningen tijdens een bespreking over het met piketpalen uitgezette seminarie. Foto Noord-Hollands Archief. 9 De voorbereiding van Nieuw-Hageveld In opdracht van de bisschop van Haarlem Augustinus Josephus Callier (1849–1928) kocht het bisdom op 17 januari 1920 landgoed ’t Groot Clooster in Heemstede. De regent van het kleinseminarie Hageveld Theodorus Franciscus Ebbinkhuysen (1863–1932) en Callier waren al enige tijd op zoek naar een locatie voor een nieuw te bouwen seminarie.

Zij gaven de ar- chitect Jan Stuyt (1868–1934) de opdracht hiervoor een nieuw seminarie te ontwerpen dat geschikt was voor het onderwijs van ten minste 400 inwonende studenten. In het complex kwamen aan de voorzijde woon- en verblijfsruimten voor de priesterdocenten en aan de noordkant een zusterhuis met kapel voor zusters franciscanessen die de huishouding en het keukenwerk op zich zouden nemen. Dit seminarie werd tussen 1921 en 1925 gebouwd. In die periode werden ook verschillende panden gebouwd, verbouwd of gerenoveerd. Sommige werden speciaal voor het seminarie opgericht, andere maakten al deel uit van het landgoed ’t Groot Clooster en kregen hun oorspronkelijke functie terug dan wel een nieuwe of deels nieuwe functie. Over de bouw van het derde seminarie schreef Ebbinkhuysen in het studiejaar 1918–1919: “Inmiddels ontstond het idee, het bestaande Hageveld te verlaten, elders grond te koopen, en daarop een geheel nieuw Seminarie te bouwen. Redenen die ervoor pleitten waren: 1. dat het vergrooten van het bestaande Seminarie niet tot verfraaiing zou strekken, de uitbouwen zou eenigermate lapwerk worden. 2. Een nieuw Seminarie kan men geheel naar de wen- schen des tijds inrichten. 3.

De kosten voor eene vergrooting zouden, volgens de globale be- grooting van den architect, ¾ bedragen van de kosten van een geheel nieuwen bouw.” De argumentatie laat zien dat de keuze voor nieuwbouw vooral functioneel en financieel werd gemotiveerd. “Inmiddels werden er twee collecten in het Bisdom voor het Seminarie gehou- den. De eerste tijdens de groote vacantie van 1919, werd gehouden door de Eerw. heeren van Hageveld, bij de meer gefortuneerden, nadat dezen ieder daar eene circulaire van Mgr. gezonden, waren ingelicht omtrent het doel der collecte. Zij bracht op ongeveer [...] f 200.000. De tweede collecte, ook door eene circulaire ingeleid, welke in de kerken werd af- gekondigd, werd in de kerken gehouden en bracht ongeveer evenveel (2 ton) op.” 60 Ontwerp door Stuyt van de voorgevel van het seminarie, omstreeks 1920. Foto Het Nieuwe Instituut. In het studiejaar 1919–1920 noteerde Ebbinkhuysen: “Den 17de januari [1920] werd door z.e.h. mgr A.J. Callier aangekocht het landgoed onder Heemstede genaamd ’t Groot Clooster met het oog op den eventuëelen bouw van een nieuw Klein-Seminarie. [...] Er werden nu verschillende voorstellen gedaan, om of de 1e klas of de 6de klas voorlopig op het nieuwe landgoed te plaatsen; doch alles stuitte of op de hooge kosten der inrichting van ‘Villa’ of ‘schuur’. Het grootste deel ca.

40 van de 70 hectare bleef verhuurd aan den tijdelijken pach- ter. In Juli werden door Mgr. ten tweeden male de kerkbesturen aangeschreven, nu met ver- zoek, om nogmaals eenige hulp voor den bouw van een nieuw Seminarie. Eveneens werden alle kloosters in het Bisdom verzocht, om jaarlijks een zeker bedrag voor bovengenoemd doel te schenken.” 61 Ontwerp van Hageveld door Stuyt, omstreeks 1920. Foto Noord-Hollands Archief. In het studiejaar 1920–1921 schreef Ebbinkhuysen: “Den 22ste april [1921] viel de grote be- slissing voor de bouw van ‘Nieuw-Hageveld’ te Heemstede. Op dien dag heeft Z.E.H. de Bis- schop den bouw van ‘Nieuw-Hageveld’ in onderhandsche aanbesteding opgedragen aan den heer C. Jonckbloedt; Haarlem. In de loop van dit jaar ontving Mgr. na enkele besprekingen, van den Eerw. Zusters Franciscanessen (die juist eene afzonderlijke provincie voor hunne Congregatie in Nederland opgericht hadden) de toezegging dat zij het nieuwe ‘Hageveld’ zouden bedienen van af het oogenblik dat het zou betrokken worden.” In 1921–1922 schreef hij dat de bouw was begonnen: “In de maand Augustus werd een aanvang gemaakt met den bouw van het nieuwe ‘Hageveld’ op Heemstede.

Na onderzoek van den grond bleek gelukkig dat er niet behoefde geheid te worden; onder 2 à 3 meter veengrond bevond zich een zand- plaat, waarop terstond kon gemetseld worden.” De situering van het nieuwe seminarie stond in 1920 nog niet vast. 62 De eerste oriëntatie van Hageveld staat in wit uitgespaard. In zwarte lijnen staat de uiteindelijke oriëntatie gericht op het eerste gedeelte van de oprijlaan aangegeven. Foto Het Nieuwe Instituut. Een vroege situatietekening van Stuyt toont een andere oriëntatie dan het uitgevoerde com- plex. In de verdere planvorming werd het hoofdgebouw gedraaid en met de as op de be- staande oprijlaan gericht. Een niet-uitgevoerd ontwerp voor een afzonderlijk klooster voor de franciscanessen op de plaats van Villa ’t Clooster laat zien dat het behoud van de villa niet vanzelfsprekend was. Uiteindelijk bleven zowel de villa als het Tuinmanshuis bestaan en kregen zij een nieuwe functie. Praktische bruikbaarheid en de kosten van vervanging hebben daarbij vermoedelijk een rol gespeeld. Ebbinkhuysen schreef in het studiejaar 1921–1922: “De bouw verliep voorspoedig; in den winter […] werd eenige vertraging ondervonden door de telkens terugkeerende vorst gedurende een week of acht.

Stakingen onder het werkvolk kwam gelukkig niet voor, ofschoon er soms 200 arbeiders tegelijk aan ’t werk waren.” In 1922–1923 schreef Ebbinkhuysen onder meer over de financiering van de bouw van de ka- pel: “Op 15 augustus 1922 vierde bisschop Callier zijn gouden priesterfeest. Als kado waren collectes gehouden ten behoeve van de bouw van een kapel bij het seminarie. De collecte bracht bijna 200.000 gulden op. In zijn dankwoord beloofde hij spoedig aan de bouw te be- ginnen. Hiermee ving dan het laatste jaar aan van Hageveld in Voorhout, in den loop van dit jaar zou het huis verlaten worden, waarin sinds het jaar 1847 het Seminarie gevestigd was.” 63 Ontwerp van de kapel door Stuyt, omstreeks 1920. Foto Noord-Hollands Archief. 10 Architect Jan Stuyt Over architect Jan Stuyt en zijn ontwerp voor Hageveld is al veel gepubliceerd. Daarom be- perk ik mij hier tot een samenvatting van de voor Hageveld relevante aspecten van zijn loopbaan en tot wat de bouwdagboeken over zijn werkwijze laten zien. De bouw van Hage- veld en Stuyts rol daarin komen elders in deze publicatie uitvoerig aan de orde. Het vak van architect leerde Stuyt in de praktijk. Hij ging op jonge leeftijd in de leer bij on- der meer het architectenbureau van Adrianus Cyriacus Bleijs (1842–1912) in Amsterdam en later dat van Pierre Cuypers (1827–1921).

Tussen 1895 en 1898 was hij hoofdopzichter bij de bouw van de Sint-Bavokathedraal. Na een korte periode als zelfstandig architect in Haar- lem ging hij vanaf 1899 samenwerken met Joseph Cuypers (1861–1949), een zoon van de eerdergenoemde Cuypers. Tussen 1905 en 1908 ontwierpen zij onder meer het raadhuis en het stedenbouwkundig plan voor Heemstede. Binnen katholiek Nederland was Stuyt een ge- liefde architect. Hij bouwde onder meer gemeentehuizen, kerken, kloosters, scholen en zie- kenhuizen, maar ook villa’s, huizen en woonwijken. Vanaf 1907 ging Stuyt in Amsterdam verder als zelfstandig architect en in 1917 vestigde hij zich in Den Haag. Het seminarie Ha- geveld wordt vaak gezien als een van de hoogtepunten in zijn oeuvre. De bouw van het se- minarie op die locatie was niet in overeenstemming met het door Cuypers en hemzelf ge- maakte stedenbouwkundig plan voor Heemstede. Dat was Cuypers niet ontgaan. Op 2 fe- bruari 1921 schreef hij aan de vicaris-generaal van het bisdom hierover: “Nu de terreinen van ’t Clooster te Heemstede een nieuwe beschikking hebben gekregen en het klein semina- rie Nieuw Hageveld daarop zal worden gesticht, zal het noodig zijn dat er ingrijpende wijzi- gingen gebracht worden in het uitbreidingsplan der gemeente.” 64 Portret van Stuyt door Luns uit 1906. Foto Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift.

Veltman beschreef een aantal momenten waaruit bleek dat Stuyt kritisch was op zijn eigen werk. Op 15 september 1922 noteerde hij: “Architekt werk bezocht. Als afkeuring moet wor- den vermeld luchtkap boven verhoogde kap einde slaapzaal rechtervleugel. Architect keurde deze af. Wel is deze uitgevoerd volgens gewaarmerkte detailtekening. Toch in werkelijkheid voldeed deze niet aan de gevoelens van de architekt. Besloot daarom te slopen [en] een be- tere van afmeting te maken. Beter als ten eeuwigen dage een misvormde kap.” Veltman schreef op 19 februari 1924: “Bezoek architect. […] Meerdere malen heeft architect gespro- ken wijziging te brengen aan toren hoofdkap midden gebouw. Hiervoor aanwijzing gegeven aangebracht moet worden op elk hoekstijl klauwstukken bij wijze van waaier met eenige wijzerplaten voor uurwerken. Hoofdopzichter zal trachten bij eerstvolgende komst van ar- chitect gedeeltelijk gereed hebben.” De wijziging werd door Stuyt op 1 maart 1924 goedge- keurd. In de verslagen van Veltman kwamen soms ook persoonlijke kanten van Stuyt naar voren. Op 15 maart 1923 schreef Veltman: “Rede deze converentie architekt wegens gezondheid eenige weken een buitenlandsche reis gaat maken.” Zes dagen later bleek waarheen: “Voor regeling verhuizing voor het betrekken van het seminarie zal architekt na zijn reis uit Italië met eerw.

heer regent behandelen.” Op 26 april 1923 was Stuyt weer terug. 65 Ontwerp van de studentenrefter door Stuyt, omstreeks 1920. Foto Het Nieuwe Instituut. Stuyt hield zich ook bezig met de aankleding van Hageveld. Op 7 mei 1924 spraken Veltman en Stuyt elkaar: “Architect werk bezocht [en] deelde zijn bevinding mede beschildering Ma- ria-Hemelvaart afkomstig oud seminarie te Voorhout. Stelde voor in refter studenten aan te brengen. Kerkschilder der heer Tieling eenige reparatie aan te laten doen wat een uitgaaf vraagt van ± f 100 buiten het nieuw te maken raamwerk. Z.e.w. [regent] keurde voorstel architect goed.” Veltman schreef op 27 juni 1924: “Ten slotte raadpleegde z.e.w. [heer re- gent] architect in het ophangen en plaatsen schilderijen receptiezaal. Hoewel weinig keusch, werd datgene geplaatst wat eenigzins toelaatbaar was. […] Omlijsting kruiswegstaties zus- terkapel goedgekeurd. Koperen franje voor schoorsteen bisschopskamer volgens voorstel hoofdopzichter goedgekeurd.” Ook met de inlijstingen ervan hield Stuyt zich bezig. Veltman noteerde op 30 juli 1924: “Beschildering Maria Hemelvaart wenscht architect houten lijstje eenvoudig verguld te zien.” 66 Ontwerp van de aula door Stuyt, omstreeks 1920. Foto Het Nieuwe Instituut. Op 30 januari 1925 noteerde Veltman: “Bezoek architect.

[…] Bespreking tafelkleed recep- tiezaal, nieuw gemaakte tafels door Preit timmerman waren aanwezig. Besloten tafels in tweeën te plaatsen dus tafelkleed in twee gedeeltes. Architect vroeg aan hoofdopzichter zorg te dragen voornoemd kleed volgens zijn wensch zal worden uitgevoerd.” Veltman noteerde op 11 maart 1925: “Verzoek eerw. moederoverste in zuster kapel Maria en Jozef beeld te plaatsen had architect niets op tegen. Toch beelden welke eerw. moeder hiervoor wilde bezi- gen was architect niet genegen zijn hulp te verleenen. Gaarne hiertoe bereid indien de ker- kelijke kunst hoog wordt gehouden raadde aan te trachten nieuwe beelden aan te schaffen.” Op 15 april 1925 noteerde Veltman: “Namiddags bezoek architect. […] Hoofdopzichter deelde architect mede z.e.h. subregent een milde gever heeft aangetroffen voor beschilde- ring laatste avondmaal refter studenten. Architect stelt voor de heren Oosterman, Molken- boer en Huib Luns hiervoor aan te zoeken, onder deze heren een prijsvraag uit te schrijven, De bekroonde het werk op te dragen. Twee overige heren elk een vergoeding a f 150 toe te kennen. Hoofdopzichter zal voorstel eerw.

heer subregent mededelen.” Een dag later noteer- de Veltman: “Bisschop niet ingenomen met deze gave, ‘redenen hier niet te noemen’, besloot het werk niet te laten uitvoeren.” Op 4 juni 1925 schreef hij: “’s Morgens Hoofdopzichter naar bisdom geweest in opdracht van architect in zake [geschilderde ontwerpen] plafond kapel. Met eerw. heer secretaris Picat afgesproken voornoemde tekeningen te laten halen volgens voorstel architect in een der gangen van het seminarie op te hangen.” 67 Ontwerp van de kapel door Stuyt, omstreeks 1920. Foto Het Nieuwe Instituut. In enkele gevallen negeerde Stuyt de wensen van zijn opdrachtgevers. Veltman schreef op 26 april 1924: “Alhoewel door z.e.h. heer regent bepaald voorlopig geen uurwerk in toren hoofdgebouw aan te brengen besloot architect evengoed wijzerplaaten met wijzers aan te brengen.” Bij verzoeken tot aanpassing gaf Stuyt niet altijd toe. Op 30 juni 1925 schreef Veltman: “Namiddags bezoek van monsigneur de bisschop namiddags ongeveer 5 ½ uur. Hoofdopzichter bij z.d.l.h. in kapel ontboden. Tot grote ontsteltenis moest hoofdopzichter van monsigneur vernemen hoogaltaar wat nagenoeg voltooid is een meter naar voren ge- plaatst wenschte te zien op grond enige zitplaatsen niet voldoende gelegenheid bieden om de handelingen van de priester gade te kunnen slaan. Hoofdopzichter ageerde hier op gepas- te wijze.

Wees op de reeds voltooide vloeren hare gevolgen. Dat alles mocht niet baten. Monsigneur bleef bij zijn eisch. Alleen verzocht z.d.l.h. de zaak op minst mogelijke kostbare wijze te veranderen en over deze teleurstelling heen te stappen. […] Te huis komende be- studeerde hoofdopzichter verplaatsing zooals voorgaand genoemd, de zaak deed zich nog ongunstiger aanzien van wege bewapening vloer. Hoofdopzichter telegrafisch onderhoud bij architect aangevraagd […]. Verder was hoofdopzichter gedwongen te wachten tot volgende dag bespreking met architect.” Deze passage toont hoe Veltman de praktische uitvoerbaar- heid en de reeds voltooide vloer tegenover de wens van de bisschop stelde. Veltman be- schreef de uitkomst twee dagen later: “Uitkomst besprekingen: altaar blijft op huidige plaats.” In juli 1925 kwam voor Stuyt het einde van dit bouwproject in zicht. Veltman noteerde op 7 juli 1925: “Architect werk bezocht. Volle tevredenheid over het bouwwerk, ook vooral in de uitvoering hoofdaltaar.” en op 15 juli 1925: “In het algemeen kan geacht worden werken voor de 1ste maal zijn opgeleverd uitgezonderd schilderwerken. Ongeveer namiddags 7 ½ uur monsigneur den bisschop met vicaris-generaal gearriveerd feestelijk en plechtigheden een aanvang genomen met deze avond een schitterend verloop had.

Hier moet worden op- gemerkt architect hierbij tegenwoordig was.” Op 27 november 1925 bracht Stuyt het laatste bezoek aan zijn bouwproject. Veltman schreef: “Namiddags bezoek architect. […] Na nog in zusterkapel over een en ander ook wat beelden betreft te hebben gesproken en architect zijn medewerking in deze heeft toegezegd waren alle besprekingen en inspecties ten einde en kon worden aangenomen het laatste bezoek is van architect in aansluiting van het bouw- werk.” 68 Ontwerp van Hageveld door Stuyt, omstreeks 1920. Foto Het Nieuwe Instituut. 11 Beeldhouwer Johannes Petrus Maas van de firma J.P . Maas en zoon uit Haarlem Een kunstenaar die een belangrijke bijdrage aan Hageveld leverde, was de katholieke beeld- houwer Johannes Petrus Maas (1861–1941) van de firma J.P . Maas en zoon uit Haarlem. Hij was opgeleid aan de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten in Den Bosch en ging daarna in de leer bij meerdere beeldhouwers. In 1882 verhuisde Maas naar Haarlem waar hij in dienst kwam bij beeldhouwer Franciscus Leonardus Stracké (1849–1919). In 1920 richtte hij zijn eigen bedrijf op. Dit atelier lag tegenover de Sint-Bavokathedraal en had tot doel “het fabriceeren van kerkmeubelen met al wat daartoe in den meest uitgebreiden zin kan geacht worden te behooren.” Een van de vaste opdrachtgevers van Maas was het bisdom Haarlem.

Voor de bouw van de Sint-Bavokathedraal tussen 1895 en 1930 maakte hij veel beeldhouwwerken. In 1896 vervaardigde hij een borstbeeld van de bisschop van Haar- lem en bouwheer van de Sint-Bavokathedraal Caspar Josephus Martinus Bottemanne (1823– 1903). Tussen 1903 en 1928 maakte hij tevens een marmeren borstbeeld van Callier. Hij 48 werd vooral bekend om zijn beelden van heiligen. Het door zijn zoon voortgezette bedrijf 49 sloot rond 1960. 11.1 Mogelijke eerste samenwerking van Maas met het seminarie in Voorhout De vroegste mogelijke aanwijzing voor samenwerking tussen Maas en het seminarie dateert uit 1917 of eerder. Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan in 1917 kreeg het seminarie, toen nog in Voorhout, van de leerlingen een kalkstenen H. Hartbeeld met sokkel aangebo- den. Het beeld stelt Christus voor, met lang haar, baard en snor en een wijde mantel met 50 cape. De handpalmen zijn voorzien van gaten als verwijzing naar de wonden van de kruisi- ging. Op de borst van Christus staat een hart afgebeeld omgeven door een stralenkrans. Het hart is omgeven door een doornenkroon, voorzien van een bloedende steekwond en be- kroond met een kruis met vlammen. Het H. Hartbeeld stond aanvankelijk voor het seminarie in Voorhout en verhuisde vervolgens met het seminarie mee naar Heemstede.

Stuyt ontwierp voor het beeld een nis op de hoofdas in het midden van de afscheiding tussen de Cour en de binnentuin aan de oostkant van de kapel. Daar kreeg het in 1925 een nieuwe plaats. Het 51 beeld is ongesigneerd. De contacten met het bisdom en de stilistische overeenkomsten met gesigneerde beelden van Maas maken een toeschrijving aan Maas aannemelijk. Nader verge- lijkend onderzoek zou wenselijk zijn. 52 Het borstbeeld van Callier kreeg op Hageveld een plaats in de bibliotheek en later op de vensterbank van 48 het raam bovenaan de zuidelijke trap in de hal. Tegenwoordig staat het beeld in het bisschopshuis bij de St.- Bavokathedraal. Tot de bekendere werken van Maas behoren onder meer het H. Hartbeeld uit 1920 voor het Begijnhof in 49 Amsterdam, het standbeeld uit 1925 van Petrus Donders voor het Wilhelminapark in Tilburg. Op de sokkel stond de tekst: “ Jesu Deo Alumni Laeti Libentes AN MCMXVII”.50 Het beeld is door het Bisschoppelijk Seminarie Hageveld in 2001 overgedragen aan het atheneum. Daar is 51 het voorzien van een nieuwe sokkel en opgesteld in de foyer. In 2017 is het beeld ter gelegenheid van het 200- jarig bestaan van Hageveld gerestaureerd. Het beeld vertoonde grote overeenkomsten met H. Hartbeelden die Maas in 1920 voor het Begijnhof in 52 Amsterdam, in 1926 voor de St.-Willibrorduskerk in Wassenaar maakte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/3260/documents/47180