Bijlage Tussenevaluatie Wet inburgering 2021 IJmond
Tekst van het document
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
In de praktijk lukt het de gemeenten niet altijd om binnen de wettelijke termijn van tien weken de brede intake en het PIP af te ronden. Vanuit het kwalitatief onderzoek lijkt het onder meer te komen door capaciteit, eerdere achterstanden en de tijd die nodig is om een zorgvuldig en passend plan op of bij te stellen. Per gemeente zijn hierin verschillende accenten zichtbaar. Zo wordt in sommige gemeenten het PIP doorgaans direct besproken en waar nodig aangepast, terwijl in andere gemeenten inburgeraars aangeven dat het PIP minder expliciet aan bod komt in gesprek. Ook verschillen de ervaringen met de mate van continuïteit in de begeleiding, bijvoorbeeld door wisselingen van contactpersonen. Brugklas De brugklas wordt in de IJmond-regio gezien als een waardevolle aanvulling op de brede intake en de leerbaarheidstoets. De brugklas biedt inburgeraars de mogelijkheid om te wennen aan het Nederlandse onderwijs en levert aanvullende informatie op over leerstijl, tempo en ondersteuningsbehoefte. De wijze waarop de brugklas wordt ingezet en meeweegt in de leerroutebepaling verschilt per gemeente. In sommige gemeenten vormt de leerbaarheidstoets een belangrijk uitgangspunt, terwijl in andere gemeenten observaties uit de brugklas en adviezen van docenten explicieter worden meegenomen.
Ook zijn er verschillen in organisatie, zoals het al dan niet zelf afnemen van de leerbaarheidstoets door de gemeente. Deze variatie leidt tot verschillende ervaringen bij inburgeraars, onder meer op het gebied van tempo, flexibiliteit en aansluiting bij persoonlijke omstandigheden. Op basis van de ervaringen van gemeenten, ketenpartners en inburgeraars kan geconcludeerd worden dat de brugklas inhoudelijk als waardevol wordt ervaren, maar dat het moment van starten en de inrichting van het proces niet overal efficiënt is. Volgens kwalitatief onderzoek lijken de observaties in de brugklas beperkt verschil te maken vergeleken de uitkomst van de leerbaarheidstoets. Observaties kunnen helpen bij het signaleren van aspecten die de toets niet meet, zoals werkhouding, motivatie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Maatschappelijke begeleiding Maatschappelijke begeleiding wordt in alle gemeenten beschouwd als een essentieel onderdeel van de ondersteuning van inburgeraars. Tegelijkertijd signaleren gemeenten dat de start en duur van de begeleiding niet altijd optimaal aansluiten op de behoefte van de inburgeraar. In sommige gevallen werd aangegeven dat de begeleiding later start dan wenselijk of eerder eindigt dan passend. Hierdoor ontstaan vervolgvragen. De invulling verschilt per gemeente. Zo ligt in sommige gemeenten de nadruk op het verbeteren van rapportages en overdrachten.
In andere situaties ligt de aandacht op het verduidelijken van verantwoordelijkheden bij complexere hulpvragen. Daarnaast zijn er binnen de regio voorbeelden van pilots, zoals budgetcoaching, die bijdragen aan het ondersteunen van financiële zelfredzaamheid. Ook worden gesprekken met bijvoorbeeld het sociaal wijkteam aangeboden om de begeleiding beter te laten aansluiten op het reguliere maatschappelijke veld. Taal & participatie van de 3 leerroutes (dualiteit) De combinatie van taal en participatie wordt binnen de IJmond-regio breed gezien als een belangrijk uitgangspunt van de Wi2021. Gemeenten en ketenpartners ervaren dat dualiteit kansen biedt om taalontwikkeling te verbinden met werk, vrijwilligerswerk en andere vormen van participatie. Op die manier kunnen inburgeraars sneller en beter Nederlands leren. Tegelijkertijd wordt in alle gemeenten ervaren dat wettelijke verplichtingen rondom lesuren soms beperkt ruimte laten voor participatie. Dit vraagt om afwegingen in de uitvoering. De accenten verschillen per gemeente: in sommige gemeenten lijkt de nadruk sterker te liggen op participatie en uitstroom richting werk, terwijl in andere gemeenten meer aandacht lijkt te worden besteed aan begeleiding, tempo en haalbaarheid van het onderdeel binnen de leerroute.
Ook worden binnen de regio verschillende initiatieven verkend, zoals specifieke trajecten voor jongeren of flexibelere lestijden. Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) De uitvoering van de MAP kent binnen de IJmond-regio verschillen in zichtbaarheid en organisatie. Volgens een deel van de respondenten is de MAP duidelijk regionaal georganiseerd, terwijl door andere respondenten die ervaring minder is geregistreerd. Er leven vragen over de aansluiting van de MAP op verschillende doelgroepen, waaronder gezinsmigranten en werkenden, en over de wijze van afronding en eventuele vrijstellingen. Over het algemeen wordt de MAP gezien als een praktisch onderdeel dat inzicht kan geven in de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarnaast is het een wettelijke verplichting om dit onderdeel te verzorgen. 22
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Participatieverklaringstraject (PVT) Het PVT is in alle gemeenten een wettelijk verplicht onderdeel van het inburgeringstraject en wordt inhoudelijk positief gewaardeerd. In de organisatie zijn wel verschillen zichtbaar. Zo verschilt de wijze van communiceren en plannen van groepen, onder andere door verschillen in groepsgrootte en taalachtergronden. Plus, er lijkt bij enkelen miscommunicatie te zijn wie de aanmelding voor het PVT regelt. Over het algemeen verloopt het PVT routinematig, maar afstemming tussen gemeente, aanbieder en inburgeraar is nodig. Inburgeraars geven aan dat het PVT bijdraagt aan inzicht in Nederlandse normen, waarden en gebruiken. 3.2 Vergelijking asielstatushouders en gezinsmigranten Binnen de Wi2021 volgen zowel asielstatushouders als gezinsmigranten een inburgeringstraject, maar hun uitgangspositie en verantwoordelijkheden verschillen. Dit werkt door in de manier waarop zij de verschillende onderdelen van het traject ervaren. Op basis van de resultaten van het kwalitatief onderzoek in bijlage IV ‘Ervaring onderdelen Wi2021’ worden in deze paragraaf de belangrijkste verschillen in ervaringen tussen beide groepen weergegeven. Asielstatushouders ervaren doorgaans een meer gestructureerd traject met intensievere begeleiding vanuit de gemeente, terwijl gezinsmigranten meer eigen regie en verantwoordelijkheid ervaren.
Deze verschillen hangen samen met de inrichting van het stelsel en de verschillende omstandigheden waarin beide groepen aan hun inburgeringstraject beginnen. De gezinsmigranten volgen de brede intake en het PIP, het PVT en de MAP. Daarnaast zijn zij zelf verantwoordelijk voor het regelen en financieren van een taalaanbieder. Wel vinden er gedurende het inburgeringstraject voortgangsgesprekken plaats om na te gaan of doelen in het PIP worden behaald. Brede intake en Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) Voor asielstatushouders vormt de brede intake doorgaans een duidelijk startmoment van het inburgeringstraject. Zij ervaren dit gesprek als richtinggevend, waarbij aandacht is voor hun persoonlijke situatie en de opzet van het traject. Het PIP wordt in deze groep meestal besproken en soms bijgesteld. Gezinsmigranten ervaren de brede intake minder nadrukkelijk. In meerdere gevallen wordt aangegeven dat het contact met de gemeente beperkt is en dat het PIP niet expliciet aan bod komt in gesprekken. Gezinsmigranten zijn meer verantwoordelijk voor de inrichting en planning van het traject, maar zij ervaren dat ook zo. Voor niet iedere gezinsmigrant wordt dit als positief ervaren. Wel is het de bedoeling dat het PIP opgesteld wordt voor de gezinsmigranten, dat gezamenlijk wordt vastgesteld tussen de betreffende gemeente en de gezinsmigrant.
Brugklas De brugklas speelt in de ervaringen van asielstatushouders een duidelijke rol. Zij geven aan dat de brugklas helpt bij het wennen aan het Nederlandse onderwijs en bij de overgang naar taallessen. Tegelijkertijd worden verschillen in tempo en flexibiliteit genoemd, met name in combinatie met zorgtaken voor bijvoorbeeld het gezin. In de praktijk is dit vaak mogelijk, maar tijdens het kwalitatief onderzoek kwamen deze ervaringen niet altijd naar voren. Maatschappelijke begeleiding Asielstatushouders maken gebruik van maatschappelijke begeleiding en ervaren deze ondersteuning vooral als praktisch, bijvoorbeeld bij wonen, administratie en participatie. De intensiteit van de begeleiding verschilt per persoon en na afronding ontstaan regelmatig vervolgvragen. Gezinsmigranten krijgen geen maatschappelijke begeleiding, maar wensen soms wel ondersteuning. Bijvoorbeeld bij de combinatie van werk, onderwijs en gezin. Taal & participatie van de 3 leerroutes (dualiteit) Asielstatushouders volgen doorgaans één van de vastgestelde leerroutes en ervaren ondersteuning van docenten en trajectbegeleiders bij de combinatie van taal en participatie. Tegelijkertijd wordt deze combinatie soms als intensief ervaren, afhankelijk van persoonlijke omstandigheden. Gezinsmigranten regelen hun taallessen zelf.
In paragraaf 3.1 ‘Ervaring onderdelen Wi2021’ wordt beschreven dat kosten, flexibiliteit, niveau en religieuze overwegingen hierbij een rol spelen. Werk- en gezinsverplichtingen hebben een grote invloed op hun mogelijkheden, wat leidt tot een grotere behoefte aan maatwerk en afstemming, voornamelijk met betrekking tot het aanbod van de taallessen. Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) De ervaringen met de MAP zijn beperkt, maar laten zien dat asielstatushouders deze module vooral als praktisch en informatief ervaren. Voor gezinsmigranten kan de uitvoerbaarheid van de MAP 23
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
lastiger zijn, met name wanneer werd aangegeven in ervaringen dat er een beperktere taalvaardigheid is of in combinatie met werk, ondanks de mogelijkheid voor gedeeltelijke vrijstelling. Participatieverklaringstraject (PVT) Het PVT wordt door beide groepen als inhoudelijk waardevol ervaren. Asielstatushouders volgen het PVT vaker in de eigen taal, terwijl gezinsmigranten dit traject meestal in het Nederlands of Engels volgen en zelfstandig plannen. De combinatie met andere verplichtingen wordt door gezinsmigranten vaker als intensief benoemd. 3.3 Beoordeling subdoelen Wi2021 De Wi2021 is gebaseerd op een aantal samenhangende subdoelen: tijdigheid, snelheid, maatwerk, dualiteit en kwaliteit. Deze subdoelen geven richting aan de beleidsmatige werkwijze en uitvoering van het inburgeringstraject. Op basis van bijlage IV ‘Ervaring onderdelen Wi2021’ is inzichtelijk gemaakt in hoeverre binnen de uitvoering rekening wordt gehouden met deze subdoelen en hoe deze in de praktijk tot uiting komen. De beoordeling is gebaseerd op ervaringen van gemeenten, ketenpartners en inburgeraars. Hieruit blijkt dat binnen de uitvoering van de Wi2021 rekening wordt gehouden met alle onderscheiden subdoelen. De mate waarin de subdoelen tot uiting komen, verschilt per onderdeel en per situatie en wordt beïnvloed door organisatorische, wettelijke en individuele factoren.
Hieronder volgt een toelichting per subdoel. Tijdigheid Tijdigheid heeft betrekking op het op tijd starten met inburgeren en participatie. Uit de resultaten van paragraaf 3.1 ‘Ervaring onderdelen Wi2021’ blijkt dat gemeenten actief sturen op een zo vroeg mogelijke start van de brede intake, het PIP en de daaropvolgende onderdelen van het traject. Tegelijkertijd wordt de wettelijke termijn voor het afronden van de brede intake en het PIP niet in alle gevallen gehaald en wordt er gesproken van lange doorlooptijden in het proces. Redenen die hiervoor worden genoemd zijn onder andere capaciteit en de zorgvuldigheid die nodig is om het traject passend in te richten. Snelheid Snelheid wordt binnen de inburgering beïnvloed door begeleiding en handhaving. De individuele omstandigheden hebben ook zeker invloed op de snelheid binnen de inburgering. Begeleiding staat centraal via voortgangsbewaking en het volgen van de ontwikkeling van inburgeraars, terwijl handhaving onder andere wordt ingezet wanneer afspraken niet worden nagekomen bijvoorbeeld bij verzuim van taallessen. Het blijkt uit de resultaten van paragraaf 3.1 ‘Ervaring onderdelen Wi2021’ dat deze balans in de praktijk om maatwerk vraagt en verschilt per situatie.
Daarnaast beïnvloeden factoren zoals wisselingen van contactpersonen, beperkte capaciteit en afstemming tussen onderdelen van het traject de voortgang, waardoor het tempo per inburgeraar uiteenloopt. Handhaving is sterk gekoppeld aan verplichte uren voor taal en participatie, maar deze normen blijken niet voor iedereen haalbaar. Dit leidt tot verzuim en vertraging, omdat de verplichte uren niet voor iedereen haalbaar is door bijvoorbeeld persoonlijke omstandigheden. Het tijdelijk ontbreken van landelijke handhaving zorgt voor onduidelijke consequenties, terwijl gemeenten weinig ruimte hebben voor flexibiliteit als het gaat om aanpak verzuim. Hierdoor komen zowel de handhaafbaarheid als de snelheid van inburgeringstrajecten onder druk te staan. Maatwerk Maatwerk vormt een belangrijk uitgangspunt binnen de uitvoering van de Wi2021, dat aanwezig dient te zijn binnen de brede intake, het PIP en bij de integrale aanpak van de inburgering. Met maatwerk proberen gemeenten rekening te houden me verschillen in achtergrond, leervermogen en persoonlijke omstandigheden van inburgeraars. In de praktijk blijkt echter dat de ruimte voor maatwerk wordt begrensd door wetgeving, beschikbare voorzieningen en uitvoeringscapaciteit. Er is behoefte aan meer maatwerk, omdat een uniforme aanpak niet voor alle doelgroepen passend is.
Vooral gezinsmigranten, kwetsbare deelnemers in de Z-leerroute en deelnemers in de B1-route met onzekerheid over niveau en tempo ervaren knelpunten. Ook enkele respondenten vanuit de O-leerroute gaven aan behoefte te hebben aan meer maatwerk. Bijvoorbeeld binnen de maatschappelijke begeleiding, waarbij enkele respondenten binnen de Oleerroute meer aandacht voor ambities, vaardigheden en aansluiting op de persoonlijke situatie wensen. Dit werd ook benoemd door respondenten uit de B1-leerroute. Wel gaf een respondent van
24
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
de O-leerroute aan dat er meer aandacht is binnen het taalonderwijs voor de verschillende leerstijlen en -tempo’s van cursisten. Meer flexibiliteit en betere afstemming in onderdelen, met name in de combinatie van taalonderwijs, participatie, werk en maatschappelijke begeleiding, kan verzuim of uitval verminderen en de aansluiting op individuele behoeften verbeteren. Dualiteit Met dualiteit wordt de combinatie van taal en participatie bedoeld, wat een vast onderdeel van de Wi2021 is. De resultaten in paragraaf 3.1 ‘Ervaring onderdelen Wi2021’ laat zien dat gemeenten en ketenpartners streven naar het verbinden van taallessen met werk, vrijwilligerswerk of andere vormen van deelname aan de samenleving. De mate waarin deze combinatie haalbaar is, verschilt per leerroute en persoonlijke situatie. Wettelijke verplichtingen rond lesuren en de organisatie van het aanbod stellen de dualiteit op de proef. De mate van dualiteit verschilt per leerroute en doelgroep. In de Z-leerroute is de combinatie van taal en participatie het sterkst verplicht, maar in de praktijk vaak moeilijk uitvoerbaar door een lager taalniveau en persoonlijke omstandigheden, onder andere vanwege meer kwetsbaarheid. In de B1leerroute is dualiteit meestal het best haalbaar, omdat taallessen vaker goed te combineren zijn met vrijwilligerswerk of werk.
In de O-leerroute speelt dualiteit een beperkte rol, omdat de focus vooral ligt op uitstroom richting vervolgonderwijs. Bij asielstatushouders wordt dualiteit sterker gestuurd vanuit de gemeente, maar staat deze regelmatig onder druk door wettelijke verplichtingen. Gezinsmigranten combineren taal en participatie vaker op eigen initiatief, meestal via werk, maar krijgen daarbij minder ondersteuning vanuit gemeenten en ontstaat er weerstand bij meerdere respondenten om zelf hun taalaanbod te regelen. Dat heeft onder andere te maken met geen tot weinig begeleiding en kosten. Kwaliteit De kwaliteit moet geborgd worden binnen het aanbod en met een keurmerk. De kwaliteit van het inburgeringsaanbod wordt geborgd via contractafspraken met erkende taalaanbieders, gekwalificeerde docenten en een keurmerk. Dit blijft belangrijk om te waarborgen en de inburgering steeds beter in te richten. Inburgeraars en ketenpartners ervaren over het algemeen een goede kwaliteit, waarbij vaste docenten, een duidelijke lesstructuur en begeleiding richting examens als positief worden benoemd. Tegelijkertijd verschilt de beleving van kwaliteit. In ervaringen komen wachttijden, startvertragingen van onder andere de les (vooral binnen de B1leerroute), groepsindelingen en verschillen in tempo naar voren, waardoor lessen soms als gehaast of juist niet passend worden ervaren.
Ook de aansluiting tussen het lesaanbod en de examens wordt met name binnen de B1-leerroute als knelpunt genoemd. Deze verschillen hangen samen met de praktische inrichting van het aanbod en de beschikbare capaciteit, en beïnvloeden hoe de kwaliteit in de praktijk wordt ervaren. 3.4 Effectiviteit onderdelen inburgeringsbeleid De onderdelen van de inburgering onder de Wi2021 worden binnen de IJmond-regio overwegend als passend en ondersteunend ervaren. De effectiviteit van deze onderdelen wordt echter in belangrijke mate bepaald door de wijze van uitvoering en de onderlinge afstemming. De brede intake en het PIP vormen een belangrijk startpunt van het traject. Gemeenten richten deze fase steeds meer in vanuit maatwerk, met aandacht voor achtergrond, vaardigheden en persoonlijke omstandigheden. Inburgeraars ervaren de gesprekken over het algemeen als duidelijk en toegankelijk. In de praktijk lukt het niet altijd om de brede intake en het PIP binnen de wettelijke termijn af te ronden, wat doorwerkt in de start van andere onderdelen, zoals de leerroutes. Daarnaast verschillen de ervaringen in de mate van begeleiding en continuïteit, met name tussen asielstatushouders en gezinsmigranten. De brugklas wordt door gemeenten, ketenpartners en inburgeraars beschouwd als een waardevolle aanvulling op de brede intake en de leerbaarheidstoets.
De brugklas draagt bij aan een beter inzicht in leervermogen en onderwijsbehoefte en helpt inburgeraars bij het wennen aan het Nederlandse onderwijssysteem. Toch lijken de observaties in de brugklas beperkt verschil te maken vergeleken de uitkomst van de leerbaarheidstoets. De scores vanuit de toets en de observaties komen namelijk vaak 25
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
met elkaar overeen. Observaties helpen bij het signaleren van aspecten die de toets niet meet, zoals werkhouding, motivatie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Plus, verschilt per gemeente in hoeverre de uitkomsten van de brugklas worden meegenomen in het advies voor de leerroute en is de planning niet overal even efficiënt ingericht. De duale leerroutes, waarin taal en participatie worden gecombineerd, sluiten inhoudelijk aan bij de uitgangspunten van de Wi2021. De combinatie van taal en participatie wordt vooral binnen de B1-leerroute als goed uitvoerbaar ervaren. In andere leerroutes en bij specifieke doelgroepen, zoals deelnemers met zorgtaken of gezinsmigranten, blijkt deze combinatie minder vanzelfsprekend. Wettelijke lesverplichtingen en persoonlijke omstandigheden beperken in sommige gevallen de ruimte voor participatie. Samenvattend worden de verschillende onderdelen van de inburgering als functioneel en doelmatig gezien, waarbij uitvoeringsaspecten zoals tijdigheid, afstemming onderling, ruimte voor maatwerk en flexibiliteit bepalend zijn voor de mate waarin zij effectief worden benut. 3.5 Conclusie De uitvoering van de Wi2021 binnen de IJmond-regio wordt door gemeenten, ketenpartners en inburgeraars (asielstatushouders en gezinsmigranten) overwegend positief ervaren.
De brede intake en het PIP bieden een belangrijke basis, met toenemende aandacht voor maatwerk en persoonlijke omstandigheden. Tegelijkertijd worden wettelijke termijnen niet altijd gehaald en verschillen de ervaringen in continuïteit, duidelijkheid en flexibiliteit. De brugklas draagt bij aan gewenning en een beter beeld van leervermogen en ondersteuningsbehoefte en wordt inhoudelijk als waardevol gezien. De effectiviteit wordt echter beperkt door verschillen in organisatie, planning en tempo. Plus, de observaties lijken in de brugklas een beperkt verschil te maken vergeleken de uitkomst van de leerbaarheidstoets. De scores vanuit de toets en de observaties komen namelijk vaak met elkaar overeen. Dit suggereert dat de leerbaarheidstoets een sterke voorspellende waarde heeft voor het functioneren van inburgeraars in de leerroute. Observaties kunnen van belang blijven voor het signaleren van aspecten die de toets niet meet, zoals werkhouding, motivatie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Wel is de leerbaarheidstoets een momentopname en men moet in bepaalde mate digitaal vaardig zijn. Dit zouden tegenargumenten kunnen zijn van het enkel gebruiken van de voorspellende waarde van de leerbaarheidstoets.
Daarnaast worden intakegegevens en observaties niet in alle gevallen even consequent benut bij de uiteindelijke bepaling voor de leerroute, waardoor het beoogde maatwerk niet altijd volledig wordt gerealiseerd. Maatschappelijke begeleiding wordt vooral gewaardeerd om de praktische ondersteuning, maar de start, duur en overdracht sluiten niet altijd goed aan. Hierdoor weet men niet goed waar zij heen moeten met vervolgvragen en/of worden doorgestuurd naar een andere (hulp)organisatie. Ook komen veel van hen terug bij Inova met vragen. De combinatie van taal en participatie werkt het best binnen de B1-leerroute, maar staat bij de andere leerroutes (Z- en O-leerroute) en doelgroepen onder druk door verplichte lesuren, exameneisen en persoonlijke omstandigheden, zoals werk en zorgtaken. De MAP en het PVT worden inhoudelijk als leerzaam ervaren, maar kennen verschillen in uitvoering en afstemming met andere onderdelen van het traject. Er zijn duidelijke verschillen tussen asielstatushouders en gezinsmigranten. Asielstatushouders ervaren doorgaans een meer begeleid traject, terwijl gezinsmigranten meer eigen verantwoordelijkheid dragen en vaker knelpunten ervaren in informatievoorziening, flexibiliteit en combinatie met werk en gezin.
In relatie tot de subdoelen van de Wi2021 kan worden geconcludeerd dat maatwerk, kwaliteit en dualiteit steeds meer aanwezig zijn, maar dat tijdigheid en snelheid onder druk staan. Een versterkte afstemming tussen ketenpartners en gemeenten, flexibiliteit en doelgroepgerichte ondersteuning zijn bepalend voor het vergroten van de effectiviteit van de inburgering in de IJmond.
26
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
4
Conclusie
De Wi2021 is opgezet als een lerend stelsel, waardoor een tussenevaluatie en bijstelling op basis van praktijkervaringen mogelijk is. Op basis van de gegevens uit de voorgaande hoofdstukken is de conclusie opgesteld in dit hoofdstuk. Voor dit rapport is zowel deskresearch als kwalitatief onderzoek uitgevoerd. Daarmee zijn de deelvragen en de centrale onderzoeksvraag beantwoord. In hoofdstuk 5 worden de resultaten nader bediscussieerd. Dit geheel vormt de basis voor de aanbevelingen in hoofdstuk 6. 4.1 Deelvraag 1 Om antwoord te geven op de eerste deelvraag: ’Hoe is de werkwijze vastgelegd in de Beleidsregels inburgering 2022 van de gemeenten in de IJmond, en in hoeverre sluit dit aan bij de subdoelen van de Wi2021?’, is deskresearch en kwalitatief onderzoek gedaan. Hieruit blijkt dat de gemeenten Heemskerk, Beverwijk en Velsen sinds de invoering van de Wi2021 grotendeels uniforme beleidsregels hanteren voor de uitvoering van de inburgering. In de Beleidsregels Inburgering 2022 is de werkwijze helder vastgelegd, waarbij de brede intake en het PIP het fundament vormen van het inburgeringstraject. Vanuit deze basis wordt gestuurd op maatwerk, waarbij leerbaarheid, persoonlijke omstandigheden en de verwachte vorm en mogelijkheden van participatie, bepalend zijn voor de leerroute en de inzet van taal- en participatie-instrumenten.
Hiermee sluiten de beleidsregels in belangrijke mate aan bij de uitgangspunten van de Wi2021. Met name de subdoelen maatwerk en kwaliteit zijn duidelijk en consistent verankerd in het beleid. De nadruk op een zorgvuldige brede intake, individuele bepaling van de leerroute en samenhang tussen taal, participatie en begeleiding draagt bij aan een inhoudelijk sterke en passende inrichting van het inburgeringstraject. Tegelijkertijd blijkt dat deze kwaliteit en zorgvuldigheid spanning opleveren met de subdoelen tijdigheid en snelheid. Wettelijke termijnen, waaronder de vaststelling van het PIP binnen 10 weken, worden niet structureel gehaald en zorgen voor doorlooptijden. Oorzaken hiervoor liggen vooral in capaciteitsdruk, de overgang van onderdelen en de complexiteit van de organisatie voor onderdelen, zoals aanmelding en creëren van klassen. Het subdoel dualiteit is beleidsmatig wel benoemd als uitgangspunt, maar beperkt uitgewerkt. De koppeling tussen taal en participatie is onvoldoende geconcretiseerd per leerroute en doelgroep, waardoor de feitelijke toepassing afhankelijk is van lokale uitvoeringskeuzes en verschilt per gemeente en ketenpartner.
Ondanks grotendeels gelijke beleidsregels bestaan er in de IJmond-regio verschillen in de uitvoering, onder meer bij de leerbaarheidstoets, de ketenpartner van maatschappelijke begeleiding en de wijze waarop het PIP als dynamisch regie-instrument wordt ingezet. Deze verschillen leiden niet tot wezenlijke beleidsafwijkingen, maar maken wel zichtbaar dat verdere regionale afstemming en beleidsmatige borging noodzakelijk zijn. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat de Beleidsregels Inburgering 2022 in de IJmondregio een solide en grotendeels Wi2021-gerichte basis bieden, maar dat versterking nodig is op het gebied van tijdigheid, snelheid en dualiteit om de doelstellingen van de wet effectiever en consistenter te realiseren. 4.2 Deelvraag 2 Om antwoord te geven op de tweede deelvraag: ‘Hoe wordt de werkwijze van het inburgeringsbeleid ervaren door gemeenten, ketenpartners en inburgeraars in de IJmond-regio?’, is kwalitatief onderzoek gedaan. Hieruit blijkt dat de werkwijze van het inburgeringsbeleid onder de Wi2021 in de IJmond-regio door gemeenten, ketenpartners en inburgeraars overwegend positief wordt ervaren. Het plan biedt duidelijk mogelijkheden voor regie en maatwerk. Met name de brede intake en het PIP dragen bij aan beter inzicht in leervermogen en ondersteuningsbehoefte, waardoor in principe passende leerroutekeuzes mogelijk zijn.
Waar de brugklas wordt ingezet, versterkt deze dit effect door afstemming in de startfase, maar de observaties lijken in de brugklas een beperkt verschil te maken vergeleken de uitkomst van de leerbaarheidstoets. Dit suggereert dat de leerbaarheidstoets een sterke voorspellende waarde heeft voor het functioneren van inburgeraars in de leerroute. Observaties kunnen van belang blijven voor het signaleren van aspecten die de toets niet meet, zoals werkhouding, motivatie en sociaal-emotionele ontwikkeling.
27
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Wel is de leerbaarheidstoets een momentopname en men moet in bepaalde mate digitaal vaardig zijn. Dit zouden tegenargumenten kunnen zijn van het enkel gebruiken van de voorspellende waarde van de leerbaarheidstoets. Daarnaast worden intakegegevens en observaties niet in alle gevallen even consequent benut bij de uiteindelijke bepaling voor de leerroute, waardoor het beoogde maatwerk niet altijd volledig wordt gerealiseerd. Verder laat het onderzoek zien dat de effectiviteit van de uitvoering ook wisselend is doordat wettelijke stappen niet overal tijdig worden gezet. Dit vertraagt de doorstroom naar taalonderwijs en participatie. De combinatie van taal en participatie wordt door betrokkenen als belangrijk ervaren, maar functioneert vooral goed binnen de B1-leerroute, waar taal en participatie vaker parallel worden georganiseerd. In de O-leerroute speelt dualiteit een beperkte rol, omdat de focus vooral ligt op uitstroom richting vervolgonderwijs. In de Z-leerroute en bij gezinsmigranten ontstaan vaker knelpunten, bijvoorbeeld door beperkte roosterflexibiliteit, werk- en zorgtaken of een tekort aan passende participatieplekken. Hierdoor is de meerwaarde van dualiteit daar minder duidelijk voelbaar.
De maatschappelijke begeleiding wordt gewaardeerd vanwege de praktische ondersteuning bij dagelijkse zaken, maar sluit qua start, duur en overdracht niet altijd goed aan op het vervolg van het inburgeringstraject. Dit leidt ertoe dat vragen blijven bestaan en de samenhang tussen begeleiding en inburgering vermindert. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat maatwerk en kwaliteit in opzet overtuigend aanwezig zijn, maar dat tijdigheid, snelheid en doorlopende begeleiding in de uitvoering aandacht vragen. Vooral een consistentere toepassing van inzichten vanuit de brede intake en brugklas, betere afstemming tussen onderdelen en meer doelgroepgerichte flexibiliteit zijn nodig om de beoogde werking van het inburgeringsbeleid in de IJmond-regio verder te versterken. Observaties binnen de brugklas kunnen van belang blijven voor het signaleren van aspecten, zoals werkhouding, motivatie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit is een belangrijke toegevoegde waarde. 4.3 Deelvraag 3 Om antwoord te geven op de derde deelvraag: ‘Wat zijn de resultaten van de Wi2021 sinds invoering ervan in de IJmond-regio, waarbij het gaat om asielstatushouders en gezinsmigranten?’, is deskresearch en kwalitatief onderzoek uitgevoerd. Sinds de invoering van de Wi2021 beschikt de IJmond over een samenhangend beleidskader waarin brede intake, PIP en maatwerk centraal staan.
Dit komt onder meer terug in de brugklas en in de individuele begeleiding. In de praktijk sluiten de zichtbare resultaten op dit moment nog niet volledig aan bij de gestelde beleidsambitie. Hierbij is het belangrijk om te vermelden dat vooral de cijfers vanuit de Divosa Benchmark van 2022 tot 2024 beschikbaar zijn. Verder zijn enkele cijfers vanuit de IJmondgemeenten aanwezig. De cijfers van de benchmark lopen structureel een jaar achter. Voor verdere nuancering en de betrouwbaarheid, zie volgend hoofdstuk ‘Discussie’. Volgens de tussenevaluatie stroomt het merendeel van de inburgeraars in de B1-leerroute. In de IJmond is nog beperkt examensucces aanwezig en is er nog weinig uitstroom naar werk of vervolgonderwijs. Veel inburgertrajecten in de IJmond zijn nog in uitvoering, waardoor de fase waarin deze resultaten zichtbaar worden nog niet is bereikt. Doorlooptijden van brede intake tot PIP-beschikking zijn regelmatig langer dan beoogd, wat trajectvertraging veroorzaakt. Asielstatushouders zijn goed in beeld bij gemeenten en ontvangen intensieve begeleiding, maar ondanks duale trajecten blijft de tussentijdse uitstroom uit de Participatiewet beperkt. De daadwerkelijke uitstroom heeft nog maar beperkt plaatsgevonden. Dat betekent dat deze informatie onvoldoende basis biedt voor het uitspreken van een constatering over de duurzame participatie.
De brugklas wordt gezien als een waardevol onderdeel, waarbij dit effect wordt versterkt door afstemming in de startfase. Wel lijken de observaties in de brugklas een beperkt verschil te maken vergeleken de uitkomst van de leerbaarheidstoets. Dit suggereert dat de leerbaarheidstoets een sterke voorspellende waarde heeft voor het functioneren van inburgeraars in de leerroute. Observaties kunnen van belang blijven voor het signaleren van aspecten die de toets niet meet, zoals werkhouding, motivatie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Wel is de leerbaarheidstoets een momentopname en men moet in bepaalde mate digitaal vaardig zijn. Dit zouden tegenargumenten 28
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
kunnen zijn van het enkel gebruiken van de voorspellende waarde van de leerbaarheidstoets. Verder verschilt de invloed van de brugklas op leerroutekeuzes per gemeente. Gezinsmigranten blijven vaak buiten beeld omdat zij hun traject zelf organiseren en bekostigen. Hierdoor ontbreekt zicht op voortgang en ontstaan knelpunten zoals beperkte flexibiliteit in het taalaanbod, ontevredenheid over kosten en uitdagingen bij het combineren van taal, werk en zorgtaken. Kortom, de doelen van de Wi2021 worden in de IJmond deels gerealiseerd: maatwerk en kwaliteit zijn zichtbaar, maar tijdigheid, snelheid en de effectiviteit van duale trajecten vragen versterking om betere en meetbare participatie- en uitstroomresultaten te bereiken.
4.4 Onderzoeksvraag Om de onderzoeksvraag te beantwoorden zijn drie deelvragen beantwoord. Het inburgeringsbeleid op basis van de Wi2021 in de IJmond-regio draagt op dit moment nog niet volledig bij aan de beoogde integratie en participatie van asielstatushouders en gezinsmigranten. Belangrijk hierbij te vermelden is dat het bij deze evaluatie om een tussentijds meetmoment gaat. Het beleid is inhoudelijk zorgvuldig ingericht en sluit grotendeels aan bij de wet, maar de uitvoering en de zichtbare resultaten blijven achter bij de beoogde werking. De gemeenten Heemskerk, Beverwijk en Velsen hanteren grotendeels uniforme beleidsregels waarin de brede intake en het PIP centraal staan. Deze werkwijze biedt een duidelijke basis voor maatwerk, doordat de volgende onderdelen structureel worden meegenomen: de leerbaarheid, persoonlijke omstandigheden en de verwachte vorm en mogelijkheden van participatie. Onderdelen zoals de brugklas versterken dit door extra observatie in de startfase mogelijk te maken. De observaties tijdens de brugklas geven vooral extra inzicht in aspecten, zoals werkhouding, motivatie en sociaalemotionele ontwikkeling. Deze zaken worden door gemeenten, ketenpartners en inburgeraars als overwegend positief ervaren. Tegelijkertijd blijkt dat wettelijke termijnen niet structureel worden gehaald, waardoor taalonderwijs en participatie later starten dan beoogd.
Daarnaast wordt inzicht uit de brede intake en observaties niet altijd consequent doorgezet naar keuzes van de leerroute, waardoor het maatwerk in de praktijk deels verloren gaat. Hoewel veel inburgeraars instromen in de B1-leerroute, leidt dit tot nu toe slechts beperkt tot examensucces en duurzame uitstroom naar werk of vervolgonderwijs. De koppeling tussen taal en participatie functioneert vooral binnen de B1-leerroute en is in andere leerroutes minder effectief uitgewerkt. In de O-leerroute speelt dualiteit een beperkte rol, omdat de focus vooral ligt op uitstroom richting vervolgonderwijs. Voor gezinsmigranten is de bijdrage van het beleid aan integratie en participatie geringer, doordat zij hun traject grotendeels zelfstandig organiseren en de gemeentelijke regie beperkt is. Knelpunten bij flexibiliteit, kosten en de combinatie van taal, werk en zorgtaken beperken hun participatiekansen. Samenvattend biedt het inburgeringsbeleid in de IJmond-regio goede voorwaarden voor maatwerk en kwaliteit, maar vertaalt dit zich volgens de tussenevaluatie nog onvoldoende naar tijdige en duurzame integratie en participatie. De daadwerkelijke uitstroom heeft nog maar beperkt plaatsgevonden. Veel inburgertrajecten in de IJmond zijn nog in uitvoering, waardoor de fase waarin deze resultaten zichtbaar worden nog niet is bereikt.
Dat betekent dat deze informatie onvoldoende basis biedt voor het uitspreken van een constatering over de duurzame participatie. Versterking van de uitvoering, met name op het gebied van tijdigheid, benutting van informatie vanuit de brede intake, dualiteit en ondersteuning van onder andere gezinsmigranten en asielstatushouders binnen de Z-leerroute, is nodig om de doelstellingen van de Wi2021 nog meer te behalen.
29
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
5
Discussie
Dit hoofdstuk interpreteert de belangrijkste bevindingen en plaatst deze waar nodig in perspectief. Daarbij wordt aandacht besteed aan betrouwbaarheid, nuancering en beperkingen van het onderzoek, in lijn met de functie van de discussie. 5.1 Beleidsintentie en uitvoering Het onderzoek laat zien dat de gemeenten Heemskerk, Beverwijk en Velsen beschikken over een grotendeels uniform en inhoudelijk zorgvuldig beleidskader voor de uitvoering van de Wi2021. De Beleidsregels Inburgering 2022 sluiten overwegend aan bij de uitgangspunten van de wet, met name op het gebied van maatwerk en kwaliteit. Onderdelen zoals de brede intake, het PIP en de brugklas bieden in opzet goede mogelijkheden om leerbaarheid, participatiekansen, sociaal-emotionele ontwikkeling en motivatie in beeld te brengen. Deze worden door betrokken partijen overwegend positief beoordeeld, zij het vooral op basis van kwalitatieve ervaringen. 5.2 Knelpunten in de uitvoering Hoewel de beleidsopzet samenhangend is, sluiten de zichtbare resultaten (cijfers benchmark en gemeenten) op dit moment nog niet volledig aan bij de gestelde ambitie. Wettelijke termijnen worden niet in alle gevallen gehaald en informatie uit de brede intake en brugklas wordt niet altijd consequent benut, wat de mogelijkheden voor maatwerk beïnvloedt.
De observaties in de brugklas lijken een beperkt verschil te maken vergeleken de uitkomst van de leerbaarheidstoets. Dit suggereert dat de leerbaarheidstoets een sterke voorspellende waarde heeft voor het functioneren van inburgeraars in de leerroute. Observaties kunnen van belang blijven voor het signaleren van aspecten die de toets niet meet, zoals werkhouding, motivatie en sociaalemotionele ontwikkeling. Wel is de leerbaarheidstoets een momentopname en men moet in bepaalde mate digitaal vaardig zijn. Dit zouden tegenargumenten kunnen zijn van het enkel gebruiken van de voorspellende waarde van de leerbaarheidstoets. De bevindingen duiden op een terugkerende afweging tussen zorgvuldigheid en snelheid in de uitvoering, mede samenhangend met uitvoeringsdruk, beschikbare capaciteit en de afhankelijkheid van ketenpartners. 5.3 Dualiteit en doelgroepen De effectiviteit van dualiteit verschilt per leerroute en doelgroep. In de B1-leerroute werkt de combinatie van taal en participatie relatief goed. In de O-leerroute speelt dualiteit een beperkte rol, omdat de focus vooral ligt op uitstroom richting vervolgonderwijs. In de Z-leerroute en bij gezinsmigranten komt deze koppeling minder tot stand, mede door praktische belemmeringen zoals beperkte flexibiliteit van het aanbod en werk- en zorgtaken.
Voor gezinsmigranten is daarnaast de gemeentelijke regie beperkt, omdat zij veel zelfstandig dienen te organiseren, wat het zicht op voortgang en resultaten verkleint. Hierdoor zijn de uitkomsten niet zonder meer te generaliseren. 5.4 Betrouwbaarheid en beperkingen De kwantitatieve gegevens zijn gebaseerd op de Divosa Benchmark Statushouders en Inburgering 2022–2024 (CBS, COA en DUO). Hoewel deze bronnen geschikt zijn voor beleidsmonitoring, ontbreken recente cijfers (2025 en 2026) en bestaan verschillen met gemeentelijke registraties. Daarnaast zijn er geen eenduidige kwantitatieve gegevens over participatie. De daadwerkelijke uitstroom heeft nog maar beperkt plaatsgevonden. De IJmond bevind zich nog niet in die fase. Dat betekent dat deze informatie onvoldoende basis biedt voor het uitspreken van een constatering over de duurzame participatie. Ook kon een geplande test-enquête onder inburgeraars niet worden meegenomen vanwege knelpunten in de planning, waardoor het perspectief van inburgeraars minder consequent is onderbouwd. Zie bijlage V ‘Enquêtes (monitors)’ voor de test-enquête. 5.5 Betekenis voor vervolg Ondanks deze beperkingen biedt het rapport (tussenevaluatie) een samenhangend beeld van de uitvoering van de Wi2021 in de IJmond-regio.
Het beleidskader is grotendeels op orde, maar verbetering in uitvoering, regionale afstemming en benutting van beschikbare informatie is nodig om de doelstellingen van de wet beter te realiseren. Deze inzichten vormen de basis voor de aanbevelingen in het volgende hoofdstuk. De Wi2021 is opgezet als een lerend stelsel, waardoor deze tussenevaluatie en bijstelling op basis van praktijkervaringen mogelijk is.
30
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
6
Aanbevelingen
Op basis van de tussenevaluatie in dit rapport, zijn 6 aanbevelingen geformuleerd die te maken hebben met de effectiviteit, aanbod, begeleiding en kwaliteit van de inburgering. De aanbevelingen zijn ingedeeld in de categorieën korte en middellange termijn, wat te maken heeft met de complexiteit en hoe snel het haalbaar is om deze te implementeren. Toelichting, wie verantwoordelijk is, wat de doelgroep is en overige informatie staat bij elke aanbeveling. 6.1 Korte termijn Aanbeveling 1: Gebruik een enquête als monitor Deze aanbeveling betreft een enquête (monitor) die onder geslaagde inburgeraars wordt afgenomen in de IJmond. Zo kan bijgehouden worden of en waarmee de inburgeraars tevreden zijn en kan daarop geanticipeerd worden als het nodig is. Zie bijlage V ‘Enquêtes (monitors)’ voor de duurzame enquête om in te zetten bij de geslaagde inburgeraars. Verder is het van belang een test-enquête af te nemen en de resultaten daarvan te vergelijken met die van de tussenevaluatie. Zie bijlage V ‘Enquêtes (monitors) voor een test-enquête. Tabel 13. Aanbeveling 1: Gebruik een enquête als monitor (Handgraaf, 2026).
Aanbeveling 1: Gebruik een enquête als monitor Doelgroep Geslaagde inburgeraars Beleidsmedewerkers/adviseurs en uitvoerders Verantwoordelijk Gemeenten (Beleid) in de IJmond Per wanneer starten Korte termijn Start termijn: direct (2026) Termijn afgerond: over 3 maanden (eind april 2026) Test-enquête Stap 1: test-enquêteresultaten analyseren + uitwerken Stap 2: resultaten vergelijken met tussenevaluatie Stap 3: eventueel aan de hand van test-enquête de duurzame enquête verbeteren
Wat is er nodig?
Wie is er voor nodig?
Borging en continuïteit
Extra ankerpunten
Duurzame enquête Stap 1: Duurzame enquête gereed en checken bij communicatie + IJmond-gemeenten Stap 2: voorbereiding frequentie, borging en continuïteit – afspraken maken intern en eventueel IJmond. Incl. beantwoording vragen m.b.t. de extra ankerpunten. Stap 3: inzetten bij geslaagden / monitoren Stap 4: jaarlijkse rapportage Stap 5: eventuele aanpassingen beleid/praktijk Wi2021 Vaststellen definitieve vragenlijst Besluit over frequentie Dataverwerking en analyse incl. afspraken Borging van meerdere jaren aan monitoring Beleidsmedewerkers/adviseurs Communicatie Uitvoerders die link of schriftelijke versie delen Eventueel ICT Enquête onderdeel maken van standaard uitstroomproces Jaarlijkse rapportage Resultaten terugkoppelen naar uitvoering Gebruik uitkomsten voor beleidsbijstelling Wie beheert de enquête? Wie deelt de link en op welk moment? Hoe worden resultaten besproken en opgevolgd?
31
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
6.2 Middellange termijn Aanbeveling 2: Versnel de doorlooptijd van brede intake, PIP tot taalonderwijs De wettelijke termijn van 10 weken wordt structureel niet gehaald binnen de IJmond, wat leidt tot vertraging in taalonderwijs en participatie. Richt het proces strakker in (brede intake, leerbaarheidstoets, PIP en taalonderwijs dichter op elkaar) en blijf hierbij monitoren van de doorlooptijden. Tabel 14. Aanbeveling 2: Versnel de doorlooptijd van brede intake, PIP tot taalonderwijs (Handgraaf, 2026). Aanbeveling 2: Versnel de doorlooptijd van brede intake, PIP tot taalonderwijs Doelgroep Inburgeraars in de IJmond (alle leerroutes) Indirect: taalaanbieders en gemeentelijke uitvoerders Verantwoordelijk Gemeenten IJmond (beleid Inburgering) Consulenten / klantmanagers Per wanneer starten Middellange termijn Start termijn: tussen nu en eind 2026 Termijn afgerond: over 2 jaar (2027) Eerste evaluatie na 6 maanden (na start) Wat is er nodig? Duidelijke procesbeschrijving van brede intake → leerbaarheidstoets → PIP → taalonderwijs (dicht op elkaar uitvoeren) Heldere termijnen per stap (interne norm, strakker dan wettelijk) Monitoringstool of vast registratiemoment in systemen Capaciteitscheck bij betrokken teams Wie is er voor nodig? Consulenten/klantmanagers inburgering Taalaanbieders/ketenpartners (planning leerbaarheidstoets en taalonderwijs) ICT /
IV (monitoring) Borging en continuïteit Periodieke rapportage (bijv. kwartaal) Agenderen in regionaal overleg inburgering Proces vastleggen in werkafspraken en handboek Extra ankerpunten Wie signaleert als termijnen niet gehaald worden? Wat is de procedure bij structurele vertraging? Aanbeveling 3: Eenduidige en consistente monitoring van interne data Het verbeteren van de monitoring van interne data in elke IJmond-gemeente, zodat deze cijfers eenduidig en consistent zijn en op die manier worden bijgehouden. De Divosa Benchmark Statushouders en Inburgering loopt structureel een jaar achter en de IJmond-gemeenten gebruiken verschillende bronnen en meetmomenten. Ook worden in 2026 door middel van een raadsmonitor gegevens opgehaald over inburgering bij de gemeente Heemskerk. De andere twee gemeenten in de IJmond hebben deze raadsmonitor niet. Dit maakt vergelijking lastig. Daarnaast verschillen interne cijfers soms doordat onduidelijk is wanneer de cijfers zijn opgehaald en niet altijd compleet zijn. Het doel is om zelf als gemeente in de IJmond de cijfers goed in kaart te hebben, wat de beleidsvorming ten goede komt. Tabel 15. Aanbeveling 3: Eenduidige en consistente monitoring van interne data (Handgraaf, 2026).
Aanbeveling 3: Eenduidige en consistente monitoring van interne data Doelgroep Beleidsadviseurs en klantmanagers/consulenten die met de inburgering te maken hebben in de gemeente (IJmond). Andere beleidsadviseurs en uitvoerders die afhankelijk zijn van betrouwbare data voor monitoring en sturing in de gemeente (IJmond) Verantwoordelijk Elke gemeente in de IJmond is zelf verantwoordelijk (sociaal domein) Per wanneer starten Middellange termijn Start termijn: tussen begin 2026 en begin 2027 Termijn afgerond: over 3 jaar (2029) Wat is er nodig? Intern overleg beleidsadviseurs en 32
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Wie is er voor nodig?
Borging en continuïteit
Extra ankerpunten
klantmanagers/consulenten (voor afstemming en terugkoppelingen) Afspraken over meetmomenten en concrete gegevens wat er moet worden gemeten (wie, wat, aantal, etc.) binnen de gemeente Overzicht sjabloon/locatie voor dataverzameling en rapportage (inclusief afspraken over bronbestanden) Inzicht in huidige dataprocessen en verschillen in de gemeente Capaciteit voor datakwaliteit, dataverwerking en monitoring (bijv. informatieadviseur, beleidsmedewerker) Beleidsadviseurs en klantmanagers/consulenten rondom Inburgering en Statushouders (in elke IJmond-gemeente) Informatieadviseurs en dataspecialisten Eventueel ondersteuning van Divosa, DUO of externe datadeskundigen Halfjaarlijkse actualisatie- en afstemmingsmomenten over dataprocessen Vastleggen van datastandaarden in een werkdocument of protocol. Heldere taakverdeling intern in gemeenten, zodat eenduidige en consistente dataverzameling geborgd wordt Zijn de meetmomenten en gebruikte databronnen eenduidig vastgesteld én door de gemeente bevestigd? Is de lokale werkwijze (protocol/format) voor dataverzameling en monitoring opgesteld en vastgesteld? Zijn verantwoordelijkheden voor het ophalen, bijwerken en controleren van data structureel belegd binnen de gemeente? Is vastgelegd hoe de monitoring periodiek wordt geëvalueerd, geactualiseerd en gedeeld binnen de gemeente?
Aanbeveling 4: Versterk begeleiding via het sociaal wijkteam Inburgeraars geven aan behoefte te hebben aan begeleiding tijdens en na de maatschappelijke begeleiding. Laat alle signalen en casussen rondom inburgering centraal binnenkomen bij het sociaal wijkteam. Niet enkel in geval van complexere casussen, maar draag alle casussen/inburgeraars over aan het sociaal wijkteam na afronding van de maatschappelijke begeleiding. Het sociaal wijkteam fungeert hierbij als vast coördinatiepunt, houdt overzicht over de situatie van de inburgeraar en zorgt voor een gerichte doorverwijzing naar de juiste partij. Het idee is dat gemeenten, ketenpartners en wijkteams actief geïnformeerd blijven, zodat afstemming en samenwerking gewaarborgd zijn en de inburgeraar te maken krijgt met een helder en samenhangend traject. Met gemeenten, ketenpartners en wijkteams van elke gemeente bespreken hoe zij naar deze aanbeveling kijken en wat de mogelijkheden zijn. Tabel 16. Aanbeveling 4: Versterk begeleiding via het sociaal wijkteam (Handgraaf, 2026). Aanbeveling 4: Versterk begeleiding via het sociaal wijkteam Doelgroep Alle inburgeraars (incl.
kwetsbare groepen) Indirect: wijkteams en ketenpartners Verantwoordelijk Gemeenten (sociaal domein) Ketenpartners Sociaal wijkteam als uitvoerend coördinatiepunt Per wanneer starten Middellange termijn Start termijn: direct (2026) Termijn afgerond: over 2 jaar (2028) Pilotfase aanbevolen Wat is er nodig? Afstemming partners en gemeenten, zoals met de wijkteams van elke gemeente. Bespreken hoe zij hiernaar kijken en wat voor mogelijkheden door hen wordt gezien. Heldere afspraken over vroegsignalering en doorverwijzing 33
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Wie is er voor nodig?
Borging en continuïteit
Extra ankerpunten
Werkafspraken over wanneer en wie casussen doorstuurt naar het wijkteam (in principe wordt het aanbevolen alle inburgeraars/casussen over te dragen na maatschappelijke begeleiding) Privacy- en AVG-afspraken Capaciteitsinschatting wijkteams Sociaal wijkteam in elke gemeente van de IJmond Gemeentelijke consulenten/klantmanagers inburgering Maatschappelijke begeleiding Ketenpartners/taalaanbieders Wijkteamrol vastleggen in beleids- en procesafspraken Integrale samenwerking IJmond-omgeving Vast aanspreekpunt per wijkteam Structureel overleg tussen wijkteam en gemeente Periodieke evaluatie caseload en effectiviteit (elk halfjaar) Wie heeft de regie bij complexe casuïstiek? Hoe zorgen we ervoor dat alle inburgeraars/alle casussen worden overgedragen naar het wijkteam na maatschappelijke begeleiding? Hoe voorkomen we dat begeleiding versnipperd raakt?
Aanbeveling 5: Borg dualiteit De combinatie van taal en participatie is een kernprincipe van de Wi2021, maar is nu onvoldoende concreet uitgewerkt en wisselend zichtbaar per leerroute. Leg richtlijnen vast in een plan en in het PIP hoe taal en participatie worden gecombineerd en evalueer dit periodiek. Denk hierbij aan uren, activiteiten en doelen. Stel daarbij vast wat als participatie geldt. Tabel 17. Aanbeveling 5: Borg dualiteit (Handgraaf, 2026). Aanbeveling 5: Borg dualiteit Doelgroep Inburgeraars in alle leerroutes Taalaanbieders en participatiepartners Verantwoordelijk Gemeenten (beleid inburgering) – sturing/toezicht In afstemming met taalaanbieders Per wanneer starten Middellange termijn.
Start termijn: direct (2026) Termijn afgerond: over 3 jaar (2029) Gefaseerde invoering per leerroute Wat is er nodig? Heldere regionale definitie van ‘participatie’ Richtlijnen voor uren, activiteiten en doelen Verwerking in PIP-format Evaluatiekader (wat werkt, wat niet?) Wie is er voor nodig? Beleidsmedewerkers/adviseurs inburgering Ketenpartners/taalaanbieders Werk- en vrijwilligersorganisaties Borging en continuïteit Vastleggen in regionaal beleidsdocument Dualiteit als verplicht onderdeel van het PIP Periodieke evaluatie met aanbieders (elk kwartaal) Opnemen in contractafspraken / subsidiekaders Extra ankerpunten Wie toetst of dualiteit daadwerkelijk wordt uitgevoerd? Hoe wordt omgegaan met verschillen tussen leerroutes? Hoe vaak mag een inburgeraar dezelfde activiteit volgen als participatieonderdeel? Aanbeveling 6: Online taallessen bereiken B1-taalniveau / B1-leerroute Er worden knelpunten ervaren door inburgeraars met onder andere de combinatie van onderwijs, (vrijwilligers)werk en privé omstandigheden. Bijvoorbeeld inburgeraars met een gezin. Hiervoor is meer flexibiliteit en aansluiting op elkaar nodig. Binnen de B1-leerroute kunnen online taallessen worden georganiseerd om het B1-taalniveau te bereiken. Tabel 18. 34
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Aanbeveling 6: Online taallessen bereiken B1-taalniveau / B1-leerroute (Handgraaf, 2026). Aanbeveling 6: Online taallessen bereiken B1-taalniveau / B1-leerroute Doelgroep Inburgeraars binnen B1-leerroute / B1-taalniveau Met gezin, zorgtaken, werk of beperkte mobiliteit. Verantwoordelijk Gemeenten (beleid) Taalaanbieder (uitvoering) Per wanneer starten Middellange termijn Start termijn: over 1 jaar (2027) Termijn afgerond: over 3 jaar (2029) Start met pilot Wat is er nodig? Inventarisatie geschikte online omgeving via taalaanbieder Afspraken over gebruik, kosten en planning + voorwaarden opstellen wanneer inburgeraar in aanmerking komt. Vanuit gemeenten kaders stellen hoeveelheid uren fysiek/online taalonderwijs.
Communicatie richting inburgeraars, indien zij voldoen aan voorwaarden Plan van methoden en lesmateriaal Afstemming met taalaanbieder en gemeenten Rooster aanpassing en docentcapaciteit Wie is er voor nodig? Taalaanbieder B1-leerroute / B1-taalniveau Gemeenten (sociaal domein) Borging en continuïteit Opnemen in contracten met taalaanbieder Voorwaarden opstellen wanneer inburgeraar in aanmerking komt Plan van methoden en lesmateriaal Eventuele structurele financiering Evaluatie van bereik en effect Besluitvorming over opschaling na pilot Extra ankerpunten Wanneer is online taalonderwijs voor B1-taalniveau binnen de B1-leerroute succesvol? Hoe behouden we overzicht, duidelijkheid en een samenhang van aanbod? Welke voorwaarden zorgen ervoor dat inburgeraars binnen de B1-leerroute (B1-taalniveau) online les mogen volgen? /Hoe bepalen we wie in aanmerking komt voor online lessen? Welke kaders stelt de gemeente voor de combinatie van fysiek en online taalonderwijs?
35
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Literatuurlijst Divosa (2025). Wijzigingenoverzicht nieuwe Wet inburgering. Verkregen op 10 september 2025, via https://www.divosa.nl/publicaties/wijzigingenoverzicht-nieuwe-wet-inburgering/de-wetinburgering-2021 Gemeente Beverwijk (2022). Beleidsregel inburgering gemeente Beverwijk 2022. Gemeente Beverwijk. Overheid.nl (2022a). Beleidsregels Inburgering gemeente Heemskerk 2022. Verkregen op 1 september 2025, via https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR671690/1 Overheid.nl (2022b). Beleidsregels inburgering gemeente Velsen 2022. Verkregen op 14 september 2025, via https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR671512/1 Rijksoverheid (z.d). Wet inburgering 2021. Verkregen op 10 oktober 2025, via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/inburgeren-in-nederland/nieuwe-wetinburgering#:~:text=Het%20doel%20van%20de%20Wet,nieuwkomers%20begeleiden%20bij% 20hun%20inburgering. Van Kolfschoten, B. (2020). Wet inburgering 2021. Verkregen op 1 september 2025, via file:///C:/Users/handf/Downloads/Wet%20inburgering%202021%20Beverwijk1%20(2).pdf
36
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Bijlagen Bijlage I: Opzet met onderzoeksvragen en plan van aanpak Versie mei 2025: Plan van aanpak tussenevaluatie Wet Inburgering 2021 versie mei 2025.docx Versie januari 2026: Plan van aanpak tussenevaluatie Wi2021 IJmond versie januari 2026.docx
37
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Bijlage II: Analyse subdoelen en beleid Het beleid inburgering van gemeenten Velsen, Beverwijk en Heemskerk houdt in ruime mate rekening met alle vijf subdoelen van de beleidstheorie. Vooral tijdigheid, maatwerk en kwaliteit zijn sterk uitgewerkt. Snelheid is indirect gewaarborgd, maar wordt wel ondersteund door de processtructuur. Dualiteit is expliciet genoemd, maar bij een aantal instrumenten kan dit nog duidelijker vermeld worden. De analyse van elk subdoel wordt hieronder behandeld. De artikelen waar de subdoelen in zijn opgenomen zijn afkomstig van de beleidsregels van de Wi2021. Tijdigheid Het subdoel ‘tijdigheid’ van de beleidstheorie is in het huidige beleid sterk geborgd. Er zijn duidelijke termijnen vastgelegd die zorgen voor tijdige uitvoering van belangrijke onderdelen van de inburgering.
De tijdigheid is in de volgende artikelen opgenomen: Artikel 2 lid 5: De brede intake moet binnen twee weken na uitnodiging plaatsvinden; Artikel 3 lid 6: Het PIP moet binnen tien weken na inschrijving in de BRP worden opgesteld; Artikel 5 lid 3: Het college stemt het PVT naast de wettelijke onderdelen af op de lokale situatie en op de specifieke behoeften van de inburgeringsplichtige; Artikel 6 lid 3: Bevestiging van het voltooien van de MAP binnen twee weken na het eindgesprek; Artikel 9 lid 1: Het college biedt asielstatushouders maximaal 12 maanden maatschappelijke begeleiding, startend op de dag van inschrijving in de BRP en vestiging in de gemeente. Na 12 maanden wordt de begeleiding overgedragen aan het sociaal wijkteam. Snelheid Het subdoel ‘snelheid’ van de beleidstheorie is in het huidige beleid indirect geborgd, via tijdigheid en de processtructuur. De snelle doorloop van intake naar PIP en het vastleggen van termijnen draagt bij aan een vlotte start van het traject. Artikel 8 beschrijft periodieke voortgangsgesprekken. Dit maakt snelle bijsturing mogelijk. Artikel 10 beschrijft de samenhang met afstemming op grond van de Participatiewet. Als inburgeringsplichtigen zich niet houden aan de inburgeringsafspraken, kiest de gemeente tussen een boete of verlaging van de bijstandsuitkering.
Dat is afhankelijk van het soort verplichting dat is geschonden en het doel is het inburgeringstraject en de participatie te bevorderen. De snelheid wordt dus niet expliciet genoemd, maar wordt wel gefaciliteerd door procesafspraken. Maatwerk Het subdoel ‘maatwerk’ van de beleidstheorie is in het huidige beleid sterk geborgd. Maatwerk is een kernprincipe in het beleid met veel aandacht voor individuele behoeften. Dat is te zien in de volgende artikelen: Artikel 2 en 3: De brede intake en het PIP worden afgestemd op de leerbaarheidstoets, persoonlijke situatie, leerdoelen en capaciteiten; Artikel 4 lid 1: Het college bepaalt in samenspraak met de inburgeringsplichtige welke leerroute de inburgeringsplichtige moet volgen om aan de inburgeringsplicht te voldoen, namelijk de B1-route, de onderwijsroute of de zelfredzaamheidsroute (Z-route); Artikel 5: Het college stemt het PVT naast de wettelijke onderdelen af op de lokale situatie en op de specifieke behoeften van de inburgeringsplichtige; Artikel 7 lid 1: Het college zorgt voor een kwalitatief goed aanbod aan cursussen, opleidingen en andere (participatie)activiteiten waarmee de asielstatushouder aan de leerroute kan voldoen; Artikel 8 lid 2: Het college wint bij de organisaties die bij het inburgeringtraject zijn betrokken informatie in die relevant is om zicht te houden op de in het eerste lid bedoelde voortgang;
Artikel 9: Maatschappelijke begeleiding wordt afgestemd op persoonlijke omstandigheden. Dualiteit Het subdoel ‘dualiteit’ van de beleidstheorie is in het huidige beleid over het algemeen expliciet aanwezig. Op gebied van de PIP, Participatieverklaring en de maatschappelijke begeleiding kan de dualiteit duidelijker vermeld worden. Dualiteit tussen taal, participatie en werk staat duidelijk in de volgende artikelen: Artikel 4 lid 2: Het inburgeringstraject is een duaal traject, gericht op taal, participatie en werk; Artikel 6 en 7: Combinatie van formeel en informeel onderwijs, MAP en PVT.
38
T U S S E N E VA L U AT I E W I 2 0 2 1 I J M O N D
Kwaliteit Het subdoel ‘kwaliteit’ van de beleidstheorie is in het huidige beleid goed geborgd. Er is structurele aandacht voor kwaliteit van aanbod en uitvoering. De keurmerken worden benoemd, maar het keurmerk BoW is niet direct te zien. Kwaliteit is opgenomen in de volgende artikelen: Artikel 7: Het college stelt aanvullende kwaliteitseisen aan cursusinstellingen, monitort voortgang en voert controles uit; Artikel 8 lid 6: Er zijn eisen aan taallessen en inspanning van de inburgeringsplichtige.