Vast te stellen bestemmingsplan 't Oog Wonen, fase 1 dd 21 september 2022.pdf
Tekst van het document
29
omringende wegen en de ontsluitingsstructuur binnen fase 1 worden op deze contour aangepast. Fase 1 sluit verkeerskundig aan op de Spoorweg, de Polderweg en mogelijk de nieuwe Spoorweg. De Spoorweg krijgt een inrichting die past bij een 50 km/u regime. Dit geldt voor zowel het bestaande tracé als voor het eventuele nieuwe tracé. De Polderweg sluit aan op de Spoorweg. Een inrichting voor een 50 km/u regime is hierdoor voor de Spoorweg wenselijker dan een inrichting als erftoegangsweg (max 30 km/u) zoals op de Polderweg gewenst is. Binnen fase 1 worden de twee aansluitingen op de Polderweg mogelijk samengevoegd tot één aansluiting. Fase 1 grenst aan de oostzijde aan het nieuwe Tiendpark. De belangrijke langzaamverkeersroutes naar het noordelijke deel van het Tiendpark worden verplaatst van fase 1 naar deze parkzone. Op 2/3 van het plangebied is een structuurlijn beoogd met een meer recreatief karakter gericht op water, groen, fietsers en wandelaars. De ontsluitingsstructuur van fase 1 wordt hierop aangepast. De parkeervraag zal in principe voor een groot deel opgelost worden op de woonpercelen en de woonerven. De overige parkeerbehoefte wordt binnen het plangebied opvangen. Op circa 800 meter afstand van het plangebied bevindt zich station Hardinxveld-Giesssendam, onderdeel van de MerwedeLingelijn, de spoorlijn tussen Dordrecht en Geldermalsen.
Hiermee is de locatie zeer geschikt om met het openbaar vervoer te bereiken. In paragraaf 7.7 wordt nader ingegaan op de verkeersaspecten van het plan
Afbeelding 4.7: Ontsluitingsstructuur Fase 1
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
30
Water- en groenstructuur De groen- en waterstructuren volgen de nieuwe ontsluitingsstructuur in het gebied en sluiten aan op de ruimtelijke visie voor het landschappelijke raamwerk.
Afbeelding 4.8: Water- en groenstructuur Fase 1
Het streefbeeld voor het water is een zo natuurlijk mogelijk beeld. In het plan wordt gestreefd naar watergangen met natuurlijke oevers waarbij er sprake is van een geleidelijke overgang van nat naar droog. In de grotere parkzones kan er sprake zijn van natte graslanden, moerasachtige vegetaties en stukken open water. Maatregelen tegen afkalving van de oevers zijn natuurvriendelijk. Een passende manier is bijvoorbeeld dit met een scherm van wilgentenen te doen. Bij wegen, paden en opritten verbinden duikers waterstructuren met elkaar. Bruggen zijn ook mogelijk maar niet noodzakelijk. Privé-oevers (tuinen aan het water) worden uniform en/of in samenhang vormgegeven. Het streven hierbij is naar een zo natuurlijk mogelijk uniform oeverbeeld. Bij een natuurlijke beleving van het water hoort een minimale afstand van loopniveau tot waterniveau en een natuurvriendelijke oever. Grote hoogteverschillen worden trapsgewijs opgelost zodat er aan de waterkant sprake is van een minimaal verschil tussen maaiveldhoogte en waterpeil. Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Voor het maaiveld geldt een drooglegging ten opzichte van het zomerpeil van ca.
0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 0,90 meter en voor het bouwpeil Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
31
een drooglegging van 1,15 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te beperken en een extra buffer te creëren voor (meer voorkomende) zeer extreme buien.
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
32
5
WATER
5.1
Inleiding Op grond van de “Handreiking Watertoets 2; samenwerken aan water in ruimtelijke plannen” alsmede artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van bestemmingsplannen in een vroegtijdig stadium overleg plaats te vinden met de betrokken waterbeheerder. Daarnaast worden initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen verplicht “een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding” (3.1.6. eerste lid, sub b Besluit ruimtelijke ordening) op te nemen in de toelichting van bestemmingsplannen. Dat betekent dat elk plan moet worden voorzien van een zogenoemde “waterparagraaf”, die tenminste de volgende elementen bevat: een omschrijving van de te verwachten effecten van de ruimtelijke ingreep op de waterkeringszorg en de waterhuishouding. Het inundatierisico en de consequenties voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de riolering worden behandeld; een beschrijving van de wijze waarop de initiatiefnemer het wateradvies van de waterbeheerder(s) heeft verwerkt. Indien wordt afgeweken van het wateradvies dient daarvoor een motivering te worden opgenomen; een beschrijving van de wijze waarop het wateradvies vertaald wordt naar de regels en de verbeelding geometrische plaatsbepaling.
5.2
Kader Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.
Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: 1. integraal waterbeheer: het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
33
2.
3.
afwenteling voorkomen: het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteitsen waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken, deze verantwoordelijkheid geldt tevens voor de toekomstige perceeleigenaren; ruimte en water verbinden: bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Provinciaal beleid Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het plan is een herziening van het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Op grond van artikel 4.8 Waterwet dient het waterplan eens in de zes jaar door Provinciale Staten te worden herzien. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Het planherzieningsbesluit bevat geen nieuw beleid. Het verwijst naar de diverse vastgestelde beleidsdocumenten waarin het waterbeleid inmiddels geactualiseerd is opgenomen. Verder benoemt het besluit op welke onderdelen het beleid van het Provinciaal waterplan Zuid-Holland 2010 - 2015 van kracht blijft. Het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
34
Beleid waterbeheerder De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Waterschap Rivierenland. Daarnaast is de Beneden Merwede inclusief de buitendijks gelegen gronden in beheer bij Rijkswaterstaat. Het Algemeen Bestuur van het Waterschap Rivierenland heeft in november 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. De doelen in de planperiode zijn onderverdeeld in drie thema’s: waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Waterveiligheid gaat over maatregelen aan dijken en het beheer hiervan. Tevens is het waterschap verantwoordelijk voor voldoende en schoon water in het gehele watersysteem. Er wordt gezorgd voor de aan- en afvoer van water, een goed waterpeil en goede grondwatercondities. Het derde thema hangt hier nauw mee samen, het zuiveren van het water in de waterketen. Daarnaast is het doel dat in 2027 de KRW-doelstellingen voor de waterkwaliteit worden gehaald. Hiervoor is het nodig in de periode 2016 tot en met 2021 een groot aantal maatregelen te treffen om vooral de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Ook het stedelijk gebied zal klimaatbestendig moeten worden gemaakt. Samen met de gemeenten wordt in de planperiode verder ingegaan op de ingeslagen weg om het waterbergend vermogen van stedelijk water te vergroten en de waterkwaliteit te verbeteren. Daarnaast geeft het Waterschap met de gemeenten verder vorm aan de samenwerking in de afvalwaterketen.
Gemeentelijk beleid In 2003 hebben gemeente en Waterschap een stedelijk waterplan voor Hardinxveld-Giessendam opgesteld. In het waterplan staan maatregelen beschreven om het oppervlaktewater te verbeteren. Na vaststelling van het waterplan in 2003 zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. In 2010 en 2011 hebben gemeente en waterschap het waterplan geëvalueerd. De doelen uit het plan uit 2003 zijn behaald. Met het afronden van het waterplan is het niet zo dat hiermee de taken van gemeente en waterschap zijn afgerond. Er is gewerkt aan een verdere verbetering van de waterhuishouding op straat- en wijkniveau. Waterschap en gemeente hebben begin 2016 beiden extra geld beschikbaar gesteld om aanvullende maatregelen om wateroverlast te beperken en om de (water)systemen robuuster te maken en beter te laten functioneren. Deze maatregelen zijn inmiddels afgerond.
5.3
Onderzoek Planlocatie De herontwikkelingslocatie is gelegen aan de Spoorweg aan de noordzijde van HardinxveldGiessendam. Het plangebied bestaat uit grasland met een slotenstructuur. Bebouwing is in het plangebied niet aanwezig. Ontwikkeling Het bestemmingsplan omvat de ontwikkeling van een woongebied. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een zogeheten uit te werken plan. Dit betekent dat op het gebied van de waterhuishouding in dit stadium van de planprocedure niet alle zaken tot in detail bekend zijn voor het plangebied. In juli 2018 is hiervoor een eerste uitgewerkte schetsverkaveling opgesteld. Uitgangspunt is de locatie om te vormen tot een aantrekkelijk woongebied met veel ruimte voor water. In totaal wordt er op basis van deze schetsverkaveling zo’n 30.000 m2 aan watergangen gegraven. De exacte oppervlaktes worden bij de uitwerking nader bepaald en afgestemd.
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
35
Waterhuishoudkundig plan Voor de ontwikkeling is aan de hand van de door het waterschap in de vooroverlegreactie aangedragen thema's een waterhuishoudingsplan opgesteld waarin de waterhuishoudkundige uitgangspunten voor het plangebied worden geformuleerd. In het plan is beschreven hoe de voorliggende woningbouwontwikkeling (170 woningen) passend is binnen de waterhuishoudkundige belangen voor het gebied. Het door Gebiedsmanagers opgestelde waterhuishoudkundig plan is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Omdat nog geen sprake is van een uitgewerkt stedenbouwkundig plan staan in het waterhuishoudkundig plan soms oppervlaktes die tegenstrijdig lijken. In overleg met het Waterschap Rivierenland is bepaald dat het waterhuishoudkundig plan volstaat voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en dat eventuele tegenstrijdigheden in de uitwerking opnieuw doorgerekend worden. Oppervlaktewatersysteem Het plangebied ligt in het peilvak NDW003 met een zomerpeil van NAP -1,85 en winterpeil van NAP 1,95. Het plangebied bestaat deels uit water. De watergangen die het noorden en noordwesten van het plangebied begrenzen hebben de status A-watergang, waarbij gedeeld onderhoud wordt toegepast. De watergangen aan de oost-, west- en zuidzijde van het plangebied zijn B-watergangen. De sloten die haaks op de Spoorweg liggen zijn in het geheel C-watergangen.
Tevens bevindt zich een duiker ten zuiden van het plangebied, die twee C-watergangen met elkaar verbindt. In de toekomstige situatie zullen nieuwe waterpartijen worden gegraven ten behoeve van waterberging, en zullen de bestaande waterlopen worden verbreed.
Afbeelding 5.1: uitsnede Legger Wateren Waterschap Rivierenland
Waterkwantiteit Voor plannen met een toename van verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen nodig. Bij toename van verharding tot 5.000 m2 is stedelijk en landelijk gebied geldt de vuistregel: 436 m3 waterberging per hectare verharding. Bij een toename van meer dan 5.000 m2 verharding in stedelijk of landelijk gebied is maatwerkberekening nodig. Dit moet in overleg met het waterschap worden afgestemd. Dit is uitgewerkt in bijlage 4 onder het kopje "verhardingscompensatie" voor bui T=10 + 10% op basis van de gegevens voor zover nu bekend. Bij de verdere uitwerking zullen de cijfers herijkt worden overeenkomstig deze rekenmethodiek.
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
36
De sloten (C-watergangen) die door het gebied lopen zullen deels worden gedempt of verbreed. Tevens is het terrein van ca. 16 ha in de huidige situatie niet verhard. Door de nieuwe ontwikkelingen wordt ca. 7,6 ha verharding toegevoegd. In het waterhuishoudkundig plan wordt op dit moment uitgegaan van 5,3 ha. Dit zal bij de uitwerking opnieuw worden doorgerekend. Uitgangspunt is het creëren van een klimaat adaptieve, groene wijk. Om wateroverlast in de toekomst te voorkomen dient het watersysteem en de bijbehorende openbare ruimte klimaat bestendig te zijn. Deze uitgangspunten worden vertaald in een robuust raamwerk van water en groen dat door de wijk heen loopt. Er wordt gestreefd naar een duurzame waterstructuur met zo min mogelijk technische oplossingen voor het bergen van water. De opzet van het plan biedt de mogelijkheid veel water in de openbare ruimte te bergen. De grotere watergangen en de centrale water/groenzones in de wijk bieden hiervoor een goede mogelijkheid. De waterhuishoudkundige belangen/uitgangspunten geborgd zijn in het waterhuishoudkundige plan en de planregels van dit bestemmingsplan. Gedurende het traject van het uitwerkingsplan verdere uitwerking/detaillering zal plaatsvinden en in overleg met Waterschap Rivierenland concreet worden gemaakt. Uitgangspunt is dat te dempen water 1 op 1 gecompenseerd wordt.
Extra verharding en bebouwing wordt gecompenseerd, waarbij de eis van 436 m3/ha verhard oppervlak voor berging in open water met een peilstijging van max. 0,20m wordt aangehouden. Om bewoners meer bewust te maken van het belang van een goede waterafvoer en wateropvang zullen opvang en afvoer van regenwater zichtbaar gemaakt worden in de openbare ruimte De afvoer van regenwater vindt voor een belangrijk deel bovengronds plaats. Het regenwater verzamelt zich in grotere water/groenzones en sloten in het plan of infiltreert via open verhardingen ter plaatse in de bodem. Aanvullend hierop wordt ook gestimuleerd om daken en tuinen te vergroenen. Hiermee wordt ook een bijdrage geleverd aan het meer klimaatadaptieve karakter van de ontwikkeling. De bluswaterfunctie van de watergang langs de goederen spoorlijn dient te allen tijde gewaarborgd te blijven. De nieuwe inrichting houdt hier rekening mee. Waterkwaliteit Voor de nieuwbouw van woningen en andere bebouwingen gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden systeem. Het hemelwater wordt direct of indirect op het oppervlaktewater geloosd. Het afvalwater en het regenwater dienen binnen het plangebied gescheiden ingezameld en afgevoerd te worden. Het afvalwater stroomt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Sliedrecht en het regenwater komt uiteindelijk op het oppervlaktewater terecht.
Door het scheiden van hemelwater en vuilwater worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Om dergelijke risico’s verder te verkleinen, dienen de waterlopen goed door te spoelen; ze mogen dus niet doodlopend zijn. Indien nodig voor het behalen van de beoogde waterkwaliteit (minimaal ecologisch) zal onderzocht worden of er doorspoeling mogelijk gemaakt kan worden vanuit de Binnen Giessen. Hieronder wordt met het oog op de minimaal gewenst waterkwaliteit "ecologisch" een aantal randvoorwaarden gesteld. Om de gewenste waterkwaliteit te kunnen realiseren is een minimalisering van de belasting van het oppervlaktewater nodig. Voor een goede waterkwaliteit is het van belang dat er bij de bouw geen uitlogende materialen gebruikt worden, om te voorkomen dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld, wordt vervuild. In verband Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
37
hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Het gebruik van (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen is niet toegestaan op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Als dergelijke materialen toch gebruikt worden, dient het regenwater te worden gezuiverd alvorens het wordt afgevoerd; daarbij valt te denken aan bodempassages, lamellenfilters en bermpassages (van belang is een voldoende zuiveringsrendement). Hemelwater moet in ieder geval op deze wijze gezuiverd worden voordat het wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Natte natuur / verdroging Het plangebied is niet gelegen in of nabij een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Doordat alleen schoon hemelwater het plangebied verlaat (met uitzondering van het vuilwater dat via het riool wordt afgevoerd), kunnen natte natuurwaarden op afstand niet via het oppervlaktewater worden aangetast. Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkelingen, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast.
Kwel en hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is een belangrijk uitgangspunt van het waterschap. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extra) kwel aantrekken. Hydrologisch neutraal betekent dat de grondwateroverlast en kwel niet mogen toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Als het aantrekken van kwel door bouwactiviteiten onvermijdelijk is, dan zijn compenserende maatregelen nodig. De extra kwel moet dan in het plangebied worden geborgen. Vooralsnog wordt hier niet van uitgegaan. Grondwateroverlast Indien ondergrondse constructies worden gebouwd dient waterdicht gebouwd te worden om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. De meeste drinkwaterbedrijven stellen zich op het standpunt dat koudewarmteopslagsystemen in grondwaterbeschermingsgebieden ongewenst zijn zolang er onduidelijkheid bestaat over de effecten. In of in de nabijheid van het plangebied zijn echter geen grondwaterbeschermingsgebieden of andere milieubeschermingszones aanwezig. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen is een vergunning benodigd.
De Legger is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Ontwerpnormen In de Beleidsregels voor de Keur van het waterschap zijn ontwerpnormen voor het watersysteem opgenomen. Verder zijn er Algemene regels, bijvoorbeeld voor het planten van bomen langs sloten. Stilstaand water moet zoveel mogelijk worden voorkomen, door het onderling verbinden van sloten of Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
38
bij doodlopende wateren door het plaatsen van lozingspunten vanuit het regenwaterriool. Voor nieuwe A-watergangen in stedelijk gebied geldt als uitgangspunt dat minstens 35 procent van de taluds natuurvriendelijk wordt ingericht. In overleg met het waterschap kan ook worden gekozen voor alternatieve, ecologische voorzieningen. Dit overleg zal in het kader van het uitwerkingsplan plaatsvinden. Beheer en onderhoud Het plangebied grenst aan een A-watergang. Hiervoor geldt een beschermingszone van 5 meter breed, gemeten vanuit de boveninsteek van de watergang. Het betreft een strook langs de watergang, waarbij de taluds niet worden meegerekend. Deze strook moet vrij zijn van obstakels ten behoeve van onderhoud. Tevens grenst het plangebied aan B-watergangen. Die zijn van secundair belang voor het waterbeheer en worden in stedelijk gebied door de gemeente onderhouden. Voor B-watergangen geldt een beschermingszone van 1 meter. Als onderdeel van de uitwerking en voorafgaand aan de indienen van een aanvraag watervergunning zal overleg met het waterschap plaatsvinden en zal het beheer en onderhoud geoptimaliseerd worden Daarbij zullen ook de mogelijkheden voor varend onderhoud onderzocht worden. Het onderhoud dient ook in onderling overleg zodanig ingericht te worden dat zowel voldaan wordt aan de kwantiteitseisen als aan de kwaliteitseisen die voor het water gelden. 5.4
Conclusie Het voorontwerpbestemmingsplan is conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Waterschap voorgelegd. Het waterschap heeft positief geadviseerd over het voorontwerpbestemmingsplan, mits een aantal opmerkingen voldoende in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt zou worden. De door het waterschap in de overlegreactie gemaakte inhoudelijke opmerkingen zijn verwerkt. De huidige opzet en inhoud van het waterhuishoudkundige plan (bijlage 3 bij de planregels) en de voorgestane aanpak (bestemmingsplan, uitwerkingsplan, watervergunning) zal resulteren in een passend en functionerend watersysteem. Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
39
6
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
6.1
Archeologie Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Beleidsnotitie Archeologie van de gemeente zoals vastgesteld op 17 augustus 2010 door de gemeenteraad en de bijbehorende “Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, Gemeente Hardinxveld-Giessendam” (zie ook paragraaf 3.6). Het plangebied herbergt verschillende archeologische zones. Het is gedeeltelijk aangeduid als een zone met een hoge archeologische verwachting dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dat betekent dat bij ingrepen die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 150 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast ligt in het zuidelijk gedeelte een hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden het maaiveld. In het noordoostelijk gedeelte van het plangebied ligt een lage verwachting. Waarbij onderzoek nodig is bij ingrepen groter of gelijk aan 10.000m2 en dieper dan 30 centimeter. Onderzoek en conclusie Op grond van het vigerende bestemmingsplan en de Beleidsnotitie Archeologie geldt voor deze locatie een archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is derhalve voor een deel van het perceel benodigd bij werkzaamheden groter dan 250 m2.
Archeologisch (bureau)onderzoek Voorafgaand aan het bestemmingsplan is door archeologisch adviesbureau Vestigia in kaart gebracht welke archeologische waarden mogelijk in het geding zijn. Zoals hierboven toegelicht heeft het plangebied overwegend een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. In het kader van de ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten hiervan is het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen noodzakelijk. Archeologisch veldonderzoek Het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen heeft tot doel om de gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek in het veld te toetsen. Het vooronderzoek heeft tevens tot doel vast te stellen of een intact bodemprofiel aanwezig is binnen het plangebied, om te toetsen of er mogelijk toch kleinere landschapselementen aanwezig zijn met een hogere archeologische verwachting, of dat er sprake is van verstoring dan wel erosie, met het oog op de eventuele aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Tijdens het veldonderzoek zijn in totaal 72 boringen gezet tot een diepte van maximaal 5 meter beneden maaiveld. In alle boringen is onder een kleidek veen en komklei aangetroffen. Tijdens het onderzoek zijn geen stevige lagen of kenmerken van bodemvorming aangetroffen.
Ook zijn er geen oever- of beddingafzettingen aangetroffen tijdens het onderzoek, dat wil zeggen niet binnen de gebruikte boordiepte van 5 m-mv. Het plangebied lag daarom tot aan de ontginning vanaf de Late Middeleeuwen in een nat en drassig gebied waar geen permanente bewoning plaats kon vinden. Crevasse-afzettingen van de Giessen-stroomgordel, verwacht vanaf het maaiveld, zijn niet aangetroffen; het is mogelijk dat deze door het gebruikt boorgrid zijn gemist. Daarom is op 7 december 2020 door middel van een aantal gerichte additionele boringen gekeken naar de ligging van de Giessen-stroomgordel. Deze is tijdens het onderzoek niet duidelijk waargenomen. Hierdoor is het waarschijnlijk dat deze stroomgordel minder significant was dan eerder werd gedacht. Het feit dat deze Crevasse-afzettingen van de Giessenstroomgordel niet duidelijke zijn aangetroffen duidt er in ieder geval op dat zich hier geen Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
40
uitgebreide oeverwallen hebben ontwikkeld. Permanente bewoning op deze crevasse tussen de IJzertijd en de Late Middeleeuwen is daarom niet waarschijnlijk. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan de archeologische verwachting voor de bovenste 5 m – mv worden bijgesteld naar ‘laag’. Er worden daarom geen vervolgstappen geadviseerd in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Binnen het plangebied kunnen lagen met een mogelijke archeologische verwachting in de diepere ondergrond, beneden 5 m-mv, aanwezig zijn. De verstoring van deze dieper gelegen lagen zal echter mogelijk (de inrichtingsplannen zijn nog niet bekend) bestaan uit verdringing door heipalen, hetgeen een relatief beperkte verstoring met zich meebrengt. Eventuele verstoring door zetting zal zich grotendeels in de bovenste lagen voordoen, daar waar nu geen relevante archeologische lagen zijn aangetroffen. Daarnaast zullen eventuele archeologische resten op grotere diepte niet door regulier archeologisch onderzoek nader te onderzoeken zijn. Opgraving op deze grote diepte zorgt voor een grotere verstoring dan de daadwerkelijke ingrepen door middel van heipalen. Bovendien zijn de kosten van dergelijk onderzoek disproportioneel in het licht van de mogelijke kenniswinst, zeker gezien de omvang van het plangebied en de verwachte beperkte verstoring van de diepere ondergrond.
Conclusie Op basis van het voorgaande worden geen vervolgstappen geadviseerd in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Er wordt wel geadviseerd om het heipalenplan zo in te richten dat minder dan 5% van de diepere ondergrond verstoord wordt. Ook wordt geadviseerd het opbrengen van grondlichamen van meer dan 2 m hoogte te beperken of te voorkomen, om zetting van relevante lagen in de ondergrond zo veel mogelijk te beperken. Bij eventueel grondverzet kan de kans bestaan dat een archeologische toevalsvondst wordt gedaan. Hiervan moet melding gemaakt worden bij het bevoegd gezag. De archeologische verwachtingswaarden zijn op basis van bovengenoemde onderzoeksresultaten vervallen ter plaatse van het plangebied. 6.2
Cultuurhistorie
6.2.1
Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2016. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In 2017 heeft de Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ een doorstart gekregen. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaalculturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
41
een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in deze vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. De zestien regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in de provinciale Structuurvisie. De regioprofielen ‘Herkenbaar waterrijk veenweide’, ‘doorsnijdend spoor, verdichte stationsomgeving’ en ‘identiteitsdragers van Zuid-Holland’ zijn van toepassing op het gebied. Deze zijn eerder besproken in ‘3.7 Groen- en waterstructuur. 6.2.2
Conclusie Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijken in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten aanwezig zijn. Het gebied is aan te merken als veenontginning maar herbergt geen waardevolle aspecten. Wel is het gebied ten noorden van de spoorlijn, aangeduid als historisch redelijk waardevol. Daarbij loopt hier ook een lijn van zeer hoge waarde.
7.
MILIEUASPECTEN
7.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
7.1.1
Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
42
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer bevat, geldt er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.1.2
Onderzoek Woongebied ’t Oog heeft een bruto oppervlakte van 15,5 ha en blijft daarmee onder de drempel van 100 ha. Het plan gaat uit van 170 woningen, en blijft dus ook onder de drempel van 2.000 woningen. Er wordt geen bedrijfsvloeroppervlakte mogelijk gemaakt. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de volgende aspecten: Bedrijven en milieuzonering Geluid Bodem Luchtkwaliteit Flora en fauna Stikstofdepositie Externe veiligheid Verkeerseffecten In de volgende paragrafen is per aspect beoordeeld wat de effecten van het plan zijn.
7.1.3
Conclusie Woongebied ’t Oog blijft met bruto 16 ha. en 170 woningen ruim onder de drempelwaarde van 100 ha. en 2.000 woningen zoals opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van het terrein geen (belangrijke) nadelige milieueffecten optreden, waardoor een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is. Deze conclusie is onder voorbehoud. Nog niet alle milieuaspecten zijn op dit moment volledig beoordeeld en daarnaast moet in de volgende fase van het bestemmingsplan een apart besluit worden genomen door de gemeenteraad.
7.2
Akoestisch onderzoek
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
43
7.2.1
Kader Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buiten stedelijk gebied). De definities van stedelijk en buiten stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: - stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; - buiten stedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Op grond van het bovenstaande hebben de Spoorweg en de Polderweg een zone van 250 m (2x1 rijstroken, buiten stedelijk gebied). De Stationsstraat/Weideveld heeft een zone van 200 m (2x1 rijstroken, stedelijk gebied). Deze zones worden gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Normstelling In het geval dat er nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de zone van een weg, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde.
Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardinxveld-Giessendam bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. In tabel 1 is aangegeven wat de voorkeurswaarde en de maximale ontheffingswaarde is voor nieuwe woningen voor het verkeer op de genoemde wegen. Hierbij is er vanuit gegaan dat de nieuwe woningen binnen de bebouwde kom komen te liggen. Tabel 1: Normstelling wegverkeerslawaai Situatie
Voorkeurswaarde
Maximale ontheffingswaarde
Lokale wegen
48 dB (art. 82, lid 1 Wgh)
63 dB (art. 83, lid 2 Wgh)
Voor de nieuwe woningen is onderzocht of aan de normen van de Wgh kan worden voldaan. Indien noodzakelijk moet een procedure voor het vaststellen van hogere waarden worden doorlopen. Reductie geluidsbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Vanaf 1 juli 2012 moet worden gerekend met het ‘Reken- en meetvoorschrift geluid 2012’ (RMG 2012). De resultaten zijn op grond van dit voorschrift gereduceerd met 5 dB omdat alle beschouwde wegen een rijsnelheid van lager dan 70 km/uur hebben. Railverkeerslawaai Langs hoofdspoorwegen zijn op grond van de Regeling geluidplafondkaart milieubeheer, zones aangewezen waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden verricht. Ten noorden van het plangebied is de Betuweroute gelegen en ten zuiden van het plan de Merwede-Lingelijn. Beide spoorlijnen zijn opgenomen in het landelijke emissieregister.
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
44
De basis voor het bepalen van de breedte van de zone is vastgelegd in artikel 1.4a lid 1 Bgh. Afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond (GPP) ter plaatse van de referentiepunten is de breedte van de zone opgenomen in de volgende tabel. Tabel 2 : Breedte van de zone van een spoorweg (gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf). Hoogte geluidproductieplafond
Breedte zone
Kleiner dan 56 dB
100 meter
Gelijk aan of groter dan 56 dB en kleiner dan 61 dB
200 meter
Gelijk aan of groter dan 61 dB en kleiner dan 66 dB
300 meter
Gelijk aan of groter dan 66 dB en kleiner dan 71 dB
600 meter
Gelijk aan of groter dan 71 dB en kleiner dan 74 dB
900 meter
Gelijk aan of groter dan 74 dB
1200 meter
In artikel 1.4a lid 2 Bgh is vastgelegd dat bij de aansluiting van zone met een verschillende breedte, de brede zone doorloopt over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van de zone. In artikel 1.4a lid 4 Bgh is vastgelegd dat de breedte van de zone ter plaatse van het spoorgedeelte waar een afschermende voorziening is gelegen gelijk is aan de breedte van het breedste zonedeel direct naast de uiteinden van de afschermende voorzieningen. Ten zuiden van de Betuweroute, ter hoogte van het plangebied, geldt een zone van 600 meter. Deze geluidsbelasting is vastgelegd op het referentiepunt aan het uiteinde van de afschermende voorziening. Omdat de afschermende voorziening langs de Betuweroute in oostelijke richting doorloopt tot voorbij de passage met de Giessen is dit punt op grote afstand van het onderzoeksgebied gelegen. Ten noorden van de Merwede-Lingelijn, ter hoogte van het plangebied, geldt een zone van 200 meter. 7.2.2
Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke zone van de Spoorweg, Polderweg en de StationsstraatWeideveld. Daarnaast is het plangebied gelegen in de wettelijke zone van de spoorwegen (Betuweroute en Merwede-Lingelijn). In verband hiermee is onderzoek uitgevoerd naar de in de toekomst te verwachten geluidsbelasting ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai. Er zijn geen relevante 30 kmwegen in de directe omgeving. Er is onderzoek uitgevoerd om de haalbaarheid van de toekomstige realisatie van woningen in kader van op te stellen uitwerkingsplannen of een uitwerkingsplan in relatie tot het aspect geluid aan te tonen. Voor de bestaande woningen langs de Spoorweg is onderzocht wat het effect is van toekomstige ontwikkelingen, waaronder de realisatie van ’t Oog Wonen, fase 1, op de geluidsbelasting van de bestaande woningen langs de Spoorweg. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten benoemd. De volledige rapportage en onderzoeksgegevens zijn opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de volgende geluidsbronnen de voorkeursgrenswaarde voor wegen of spoorwegen overschrijdt: - Spoorweg; - Polderweg; - Merwede-Lingelijn; - Betuweroute. Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
45
De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor de Spoorweg, Polderweg en Merwede-Lingelijn blijft beperkt tot de eerstelijnsbebouwing en levert daarmee een geringe beperking op voor de realisatie van woningen binnen het plangebied. De geluidsbelasting ten gevolge van de Betuweroute zorgt binnen een groot deel van het plangebied een overschrijding op van de voorkeursgrenswaarde en dicht bij het spoor eveneens een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare waarde. De Betuweroute levert daarmee een grote beperking op voor de realisatie van woningen aan de noordzijde van het plangebied. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de Spoorweg en Polderweg kan worden beperkt door een combinatie van maatregelen bestaande uit een verlaging van de maximumsnelheid van 60 naar 50 km/uur en/of het aanbrengen van een geluidsreducerend wegdek. Voor de Spoorweg zal ondanks deze maatregelen waarschijnlijk nog steeds sprake zijn van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de eerstelijnsbebouwing. Voor de Polderweg kan de geluidsbelasting waarschijnlijk worden gereduceerd tot de voorkeursgrenswaarde. Uit een indicatieve beoordeling op grond van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder volgt dat de maatregelen voor de Merwede-Lingelijn niet doelmatig zijn. Voor de Betuweroute zijn de maatregelen waarschijnlijk wel doelmatig.
Bij het opstellen van de uitwerkingsplannen/het uitwerkingsplan voor het plangebied zal een definitieve beoordeling moeten plaatsvinden van de doelmatigheid en zal onder andere moeten worden bepaald of de maatregelen financieel haalbaar zijn of dat de maatregelen stuiten op overwegende bezwaren van financiële aard. Bestaande woningen langs Spoorweg Uit het onderzoek volgt dat, op basis van de verkeersprognose 2030 scenario Hoog, de geluidsbelasting bij de woningen langs de Spoorweg zal toenemen ten opzichte van de situatie in 2018. Met name sluipverkeer dat de rijksweg A15 bij filevorming mijdt zorgt voor een substantiële toename van het verkeer. De vraag is of de geprognotiseerde groei van het sluipverkeer ook daadwerkelijk gaat optreden. Dit zal mede afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de verkeersgroei op de rijksweg A15 en de spreiding van het verkeer over de dag. De groei van het sluipverkeer kan in de praktijk meevallen doordat er meer zal worden thuisgewerkt en er meer buiten de spitsen wordt gereisd. Daarnaast zal de capaciteitsuitbreiding van de A15 tussen Gorinchem en Papendrecht, waarvoor een MIRT-verkenning is gestart, zorgen voor een beperking van het sluipverkeer op de Spoorweg.
De ontwikkeling van ’t Oog (bedrijventerrein en wonen, fase 1) zorgt naar verwachting voor een verkeerstoename en significante toename van de geluidsbelasting (≥ 1,5 dB) .Vanwege de significante toename is onderzocht met welke maatregelen de verwachte toename van de geluidsbelasting (inclusief toename door sluipverkeer) kan worden gereduceerd. Deze maatregelen bestaan uit: - Binnen bebouwde kom: toepassen van een stiller wegdek in de vorm van een dunne deklaag type A20; - Buiten de bebouwde kom: snelheidsverlaging van 60 naar 50 km/uur en toepassen van een stiller wegdek in de vorm van een dunne deklaag type A. Met dit maatregelenpakket kan bij vrijwel alle bestaande woningen de gehele toename van de geluidsbelasting (2030 scenario Hoog versus 2018) worden weggenomen. Afhankelijk van de werkelijke ontwikkeling van het sluipverkeer op de Spoorweg kan een beperkter pakket aan maatregelen eveneens afdoende zijn. 7.2.3
Conclusie Uit het onderzoek volgt dat het naar verwachting noodzakelijk zal zijn om bij het opstellen van de uitwerkingsplannen/het uitwerkingsplan hogere waarden vast te stellen. In dat geval dient te worden Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
46
voldaan aan de in het gemeentelijk geluidbeleid opgenomen eisen ten aanzien van een acceptabel woon- en leefklimaat. Hiervan is sprake indien de woningen beschikken over een geluidsluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Uit het onderzoek volgt dat hieraan kan worden voldaan indien de woningen op een juiste wijze worden georiënteerd ten opzichte van de geluidsbronnen en daarmee voor een effectieve afscherming zorgen voor de geluidluwe gevel en buitenruimte. 7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Kader Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal SamenwerkingsprogrammaLuchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaalniveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 μg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast.
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Voor plangebied ‘t Oog geldt dat het gebied niet is opgenomen in het NSL. Binnen bestemmingsplan 'Woongebied 't Oog 1e fase' wordt de realisatie van maximaal 170 woningen mogelijk gemaakt binnen de bestemming ‘Wonen - Uit te Werken’. In de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ zijn categorieën opgenomen voor ontwikkelingen die als NIBM worden aangemerkt. Dit zijn onder andere: - kantoorlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 200.000 m2 omvat; - woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat.
Op basis van artikel 5 Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (anticumulatiebeding) is aangegeven dat diverse ontwikkelingen in elkaars nabijheid niet afzonderlijk mogen worden getoetst aan de normen van de Wet luchtkwaliteit. Aangezien ’t Oog Wonen, fase 1 onderdeel uit kan maken van een grotere ontwikkeling (gebied ’t Oog), met meerdere functies, is de Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
47
ontwikkeling niet zondermeer aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 7.3.2
Onderzoek Volgens artikel 5 van het besluit NIBM dienen (verschillende) NIBM-ontwikkelingen die gebruikmaken van dezelfde ontsluitingswegen en binnen een afstand van 1 km liggen, als één ontwikkeling te worden beschouwd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woongebied mogelijk. De ontwikkeling ligt binnen 1 km afstand van de ontwikkeling bedrijventerrein ’t Oog. Omdat beide ontwikkelingen gebruikmaken van de Spoorweg is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit. De resultaten zijn opgenomen in het onderzoek luchtkwaliteit dat als bijlage is opgenomen bij deze toelichting. De luchtkwaliteit is alleen berekend voor de maatgevende luchtverontreinigende stoffen, te weten stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) en getoetst aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit. Voor de overige stoffen vindt langs wegen in Nederland geen overschrijding van de grenswaarden plaats. Voor benzeen kan in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij grote parkeergarages, nog wel sprake zijn van een overschrijding, maar dit is niet aan de orde.
7.3.3
Conclusie Aan de hand van berekeningen is aangetoond dat de luchtkwaliteit voor de maatgevende stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) binnen het plangebied, bij de bestaande woningen en langs de wegen ruimschoots voldoet aan de grenswaarden. Derhalve leidt het aspect luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling van woningen binnen het plangebied ’t Oog Wonen, fase 1.
7.4
Stikstofdepositie In het kader van het bestemmingsplan is door KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In de notitie “Stikstofdepositie ’t Oog Wonen fase 1, Hardinxveld-Giessendam” is de stikstofdepositie gedurende de bouw (aanlegfase) en het gebruik (aanlegfase) van deze nieuwe woningen beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan.
7.4.1
Kader De wettelijke grondslag waarop toetsing van de planontwikkeling noodzakelijk is, betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toets dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Meer concreet heeft deze toets de volgende twee doelen: 1. Zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast; 2. Zekerheid bieden dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten niet optreedt. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Indien ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen de Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie wordt berekend, kunnen negatieve gevolgen in die gebieden worden uitgesloten. Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering ingegaan. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt kent een vrijstelling voor bouw-, aanlegen sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn.
Hoewel een stikstofberekening of Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
48
vergunning voor de bouwactiviteiten in de aanlegfase dus niet meer nodig zijn, toont de berekening wel aan dat – met inachtneming van de toekenning van stikstofdepositieruimte uit het Stikstofregistratiesysteem – geen nadelige effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. 7.4.2
Onderzoek Door de gefaseerde aanleg van de nieuwe wijk is geen sprake van een afzonderlijke aanlegfase en gebruiksfase. Afhankelijk van het verloop van het planproces vindt het voorbelasten van de gronden vindt plaats in 2022 of 2023, het bouwrijp maken van de grond, het bouwen van de woningen en het woonrijp maken van de wijk gebeurt per fase. Ook zal een deel van de wijk al bewoond zijn, terwijl aan de latere plandelen nog wordt gewerkt. Zo zal in eind 2024 reeds 50% van de woningen zijn opgeleverd terwijl 25% van we werkzaamheden voor deelplan 3 in uitvoering is. Bij het bepalen van de invoergegevens van de Aeriusberekeningen is met deze fasering rekening gehouden. Uit de berekeningen blijkt dat de ontwikkeling uitsluitend in Natura 2000-gebied De Biesbosch leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j. In de overige omliggende gebieden is de depositie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j/. De depositie is het hoogst in 2021, het jaar waarin veel materieel wordt ingezet voor de voorbelasting van de grond. De hoogste berekende stikstofdepositie in dat jaar bedraagt 0,04 mol/ha/j. In de overige jaren van de bouwfase alsmede de periode daarna – de gebruiksfase – bedraagt de stikstofdepositie in de Biesbosch maximaal 0,02 mol/ha/j.
Vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming Als gevolg van de snelheidsverlaging op de snelwegen per 16 maart 2020 is beperkte ruimte ontstaan voor woningbouw. Deze depositieruimte is opgenomen in het stikstofregistratiesysteem (SSRS). Op 24 april 2020 is een aanvraag om een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend, waarbij aanspraak is gedaan op een gedeelte van de beschikbate depositieruimte uit het SSRS. De ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen van 18 augustus 2020 tot 28 september 2020. Op 1 oktober heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de definitieve vergunning verleend. Inmiddels is de vergunning onherroepelijk. De beschikking is opgenomen als bijlag 16 bij deze toelichting.
7.4.3
Conclusie Voor de aanleg en het gebruik van de 170 woningen in ’t Oog is inmiddels een vergunningaanvraag ingediend bij en verleend door de provincie Zuid-Holland. De vergunning en bijbehorende documenten zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Doordat de activiteiten voor de ontwikkeling van het plan zijn vergund is leidt het aspect stikstofdepositie niet tot een belemmering.
7.5
Externe veiligheid
7.5.1
Inleiding Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, zoals woningen. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het betreft de risicobronnen: - Aardgasleiding W-528-01; - Betuweroute - Rijksweg A15
Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling
49
7.5.2
Wettelijk kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.