CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan 't Oog Wonen, fase 1 dd 21 september 2022.pdf

Gemeenteraad GHG 22 september 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 14: Vaststellen bestemmingsplan 't Oog Wonen, fase 1 - Raadsvoorstel31.060 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt. Binnen het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Voor transportroutes over de weg en de Betuweroute bedraagt het PAG 30 meter, gemeten vanuit de rand van de transportroute. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan.

Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk en stof. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

50

Een overzicht van de opgenomen populatie in de rekenmodellen is te vinden in het onderzoekrapport dat is opgenomen als bijlage bij de toelichting.

7.5.3

Onderzoek Kwalitatieve risicoanalyse hogedruk aardgastransportleiding In de omgeving van het plangebied bevindt zich de hogedruk aardgastransportleiding W-528-01. Gelet op de werkdruk en uitwendige diameter heeft de leiding een invloedsgebied van 140 meter. Voor leidingen van 40 bar geldt dat er aan weerszijde van de gasleidingen een belemmeringenstrook is van 4 meter. Deze zone valt niet binnen het plangebied. Langs de gasleiding is ter hoogte van het invloedsgebied geen PR 10-6 contour aanwezig. De waarde van het groepsrisico bedraagt 0,033. Daarmee is in de huidige en plansituatie geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Transportroute voor gevaarlijke stoffen Betuweroute en A15 In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De Betuweroute grenst aan de noordwestzijde van het plangebied en de Rijksweg A15 bevindt zich op circa 900 meter van het plangebied. Het plangebied bevindt zich ruim buiten de 200 meter basisnetafstand van de Rijksweg A15, waardoor er geen berekening van het groepsrisico benodigd is. Wel bevindt het plangebied zich binnen de invloedsgebieden van de gevaarlijke stoffen LT1 en LT2 van deze route waardoor een beschrijving gegeven dient te worden van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De Betuweroute bevindt zich op circa 18 meter van het plangebied.

Hierdoor is een verantwoording van het groepsrisico vereist inclusief een beschrijving van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Plaatsgebonden risico en PAG zone Betuweroute De Betuweroute heeft een PR 10-6 contour van 30 meter. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Langs spoorlijnen waarover zeer brandbare vloeistoffen vervoerd (kunnen) worden geld een vast “plasbrandaandachtsgebied (PAG) van eveneens 30 meter aan weerszijden van de spoorbaan. Het PAG omvat ook het gebied boven het spoor. Voor zover binnen de PR 10-6 contour en het PAG gebouwd mag worden, moeten op grond van het Bouwbesluit 2012 aanvullende bouwtechnische maatregelen worden getroffen die vooral gericht zijn op vergroting van de zelfredzaamheid. Groepsrisico Betuweroute Het groepsrisico is berekend voor het totale ingevoerde traject en voor het kilometer deeltraject waar het groepsrisico het hoogst is. Het groepsrisico blijft zowel in de huidige als plansituatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico in de plansituatie wordt voor het overgrote deel bepaald door de locatie van de maatschappelijke voorziening. De woningen hebben een lage personendichtheid in het noordelijke deelgebied.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

51

Afbeelding 7.15 FN-curve groepsrisico huidige situatie en plansituatie Betuweroute.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Het is nog niet bekend of er gebouwen gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen, gehandicapten of gevangenen. Aangezien er een maatschappelijke voorziening gerealiseerd gaat worden, bestaat de kans dat deze deels specifiek bedoeld wordt voor personen met een beperkte zelfredzaamheid. Maatgevende scenario fakkelbrandincident aardgastransportleiding Het maatgevende scenario voor een aardgastransportleiding is een fakkelbrandincident. Tijdens (graaf)werkzaamheden kan een breuk in de hogedruk aardgastransportleiding wordt veroorzaakt. Het aardgas stroomt vervolgens onder een hoge druk uit en ontsteekt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij een directe ontsteking kan dit al gebeuren binnen 20 seconden na de breuk. De hittestraling van een fakkelbrand kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken.

Afhankelijk van de locatie van de breuk, het type leiding en de aanwezigheid van andere leidingen in de omgeving, kan de brand enkele uren duren. Aan weerszijden van de leiding bevindt zich een ‘house burning distance’ van 64 meter. Binnen de ‘house burning distance’ zal een huis in brand raken. Het gebied in de buurt van aardgastransportleidingen is verder verdeeld in meerdere zones. De eerste ring voor de leiding die in dit onderzoek is betrokken, is van 0 tot 70 meter. Binnen deze zone overlijdt bij een incident circa 99% van de aanwezigen en gaan alle brandbare materialen branden. De tweede ring bevindt zich op 70 tot 140 meter afstand van de leiding. Aanwezigen in dit gebied hebben kans om te overlijden of slachtoffer te worden. De derde ring ligt op 140 tot 210 meter vanaf de leiding. In deze ring komen geen mensen te overlijden, maar kunnen er wel slachtoffers vallen. Op afbeelding 6.1 (pagina 18 van het rapport in bijlage 7) is te zien dat een zeer klein deel van het plangebied zich binnen de eerste ring bevindt. De gedeeltes die zich binnen de tweede en derde ring bevinden zijn eveneens relatief klein. Het grootste gedeelte van het plangebied bevindt zich buiten de zones. Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

52

Ontvluchting in het geval van een fakkelbrandincident is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Aanwezigen binnen de eerste ring hebben echter nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de grote vluchtafstanden en de hittestraling. Op grotere afstand van de leiding kan (afgeschermd van hittestraling) wel gevlucht worden. Aangeraden wordt om binnen de ring tot 70 meter van de leiding geen woningen of instellingen te realiseren die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, omdat deze personen niet zelfstandig kunnen vluchten. De maatschappelijke voorziening die in het plangebied gerealiseerd gaat worden, komt buiten deze zone. In de tweede ring (70 – 140 meter afstand van de leiding) kunnen extra bouwkundige maatregelen worden toegepast om de aanwezigen die zich in de gebouwen bevinden tijdens een incident beter te beschermen. Een voorbeeld van een maatregel bestaat uit het toepassen van vast glas. Dergelijke extra maatregelen t.o.v. het bouwbesluit worden echter niet geëist. In de eerste zone (<70 meter afstand van de leiding) hebben bouwkundige maatregelen geen effect. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor een spoorlijn is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion).

Binnen een straal van 140 meter van het incident zijn aanwezigen onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. In de zone tot 460 meter is schuilen in een gebouw de beste manier om het incident te overleven. Na afloop dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door secundaire branden te vermijden. Maatgevende scenario plasbrand Door een incident op het spoor met een spoorketelwagon benzine kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas (14 meter) hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen binnen 40 meter hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten 40 meter kan geschuild of gevlucht worden. Maatgevende scenario toxische gassen Door een incident op het spoor met een spoorketelwagon kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak.

Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden De aardgastransportleiding W-528-01 loopt aan de zuidkant langs het plangebied in oost-westelijke richting. De Betuweroute loopt aan de noordkant langs het plangebied. Aangeraden wordt om ervoor te zorgen dat de te realiseren gebouwen aan meerdere zijdes entrees hebben, zodat er meerdere mogelijkheden zijn om de panden te ontvluchten tijdens een incident. Hierbij is in het geval van de gasleiding vooral een entree aan de noordzijde (of oost- en westzijde) van belang en in het geval van de spoorlijn een entree aan de zuidzijde (of oost- en westzijde). In het stedenbouwkundig ontwerp zijn veel doodlopende straten ontworpen, wat het aantal vluchtmogelijkheden binnen het plangebied beperkt. In het noorden van het plangebied zijn deze straten noord-zuid georiënteerd, waardoor het wel mogelijk wordt gemaakt om van de risicobron (spoorlijn) af Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

53

te vluchten. In het midden van het plangebied bevinden veel doodlopende straten zich in oost-westelijke richting. De doodlopende straten krijgen aan het einde een voetverbinding, zodat de aanwezigen meerdere mogelijkheden hebben om in het geval van een incident het plangebied te ontvluchten. Vanuit het plangebied kan men via twee wegen op de westelijk van het plangebied gelegen Polderweg uitkomen en via één route naar de zuidelijk van het plangebied gelegen Spoorweg het plangebied verlaten. Vanaf deze wegen kan vervolgens verder gevlucht worden. Indien in de toekomst mogelijk sprake is van de ontwikkeling van de ruimte tussen de wijk en de bestaande wijk ‘Over het Spoor’, zullen ook meerdere verbindingen richting het oosten kunnen worden gecreëerd. Ruimtelijke mogelijkheden Aangezien de kans op overlijden aanzienlijk groter als men zich dichterbij een risicobron bevindt, wordt in elk geval aanbevolen om op stedenbouwkundig niveau rekening te houden met de risicobronnen. In het plangebied is dit relatief lastig, gezien het feit dat de aardgastransportleiding ten zuiden van het plangebied ligt en de Betuweroute ten noorden.

Vanuit de aardgastransportleiding wordt aanbevolen om rekening te houden met de hierboven beschreven verschillende zones en, indien mogelijk, meer aanwezigen te plaatsen op een grotere afstand van de aardgastransportleiding, bij voorkeur in de tweede of derde ring. De personendichtheid binnen de ‘house burning distance’ dient te worden beperkt om zoveel mogelijk slachtoffers te voorkomen. Tevens wordt het afgeraden om gebouwen voor zeer kwetsbare personen te realiseren binnen de eerste ring. Vanuit de Betuweroute wordt tevens aanbevolen om meer aanwezigen te plaatsen op een grotere afstand van de spoorlijn. De maatschappelijke voorziening wordt buiten de 100% letaliteitsgrens van de Betuweroute gerealiseerd, omdat het ongewenst is gebouwen voor zeer kwetsbare personen te realiseren binnen deze zone. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zou het dus het beste zijn om de grootste personendichtheid te creëren in het midden van het plangebied en de noord- en zuidrand in te richten op een manier dat er een lager personendichtheid gecreëerd wordt. Bij de uiteindelijke planvorming / vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft op 25 juni 2020 advies uitgebracht. Dit advies is opgenomen in het onderzoeksrapport, dat als bijlage 7 bij deze toelichting is gevoegd. 7.5.3

Conclusie Op basis van het onderzoek naar externe veiligheid is gebleken dat het groepsrisico toeneemt ten opzichte van de huidige situatie, maar dat deze ook in de plansituatie ook onder de oriëntatiewaarde blijft. Hiermee is externe veiligheid geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

7.6

Milieuhinder bedrijven

7.6.1

Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de publicatie “Bedrijven en Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

54

Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 7.6.2

Onderzoek Voor de afstand tussen inrichtingen en gevoelige functies gelden de volgende richtafstanden: Milieucategorie 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstand Rustige woonwijk 30 50 100 200 300

Richtafstand Gemengd gebied 10 30 50 100 200

Het plangebied kan, gelet op de aanwezige functies, ontsluitingswegen en spoorlijn, worden gezien als een ‘gemengd gebied’, op basis van de brochure van de VNG. Hoewel in theorie kan worden gesteld dat er sprake is van ‘gemengd gebied’, wordt er, om in de toekomst een goed woon- en leefklimaat te garanderen, uitgegaan van de strengere richtafstanden voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Er is onderzocht of de inrichtingen rondom het plangebied van invloed zijn op de toekomstige functies en andersom. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich enkele percelen waar ruwvoederteelt is toegestaan met voormalige agrarische bedrijven en nu deels andere activiteiten zijn ontplooid waar (caravanstalling). Voor deze percelen geldt een richtafstand van 30 meter. Aan de westzijde van de Polderweg is een hovenier / boomkwekerij met een richtafstand van 50 meter. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de dichtstbijzijnde bedrijvigheid aan de Prins Hendrikstraat, hier is bedrijvigheid tot en met categorie 2 toegestaan. De richtafstand behorende bij deze categorie (namelijk 30 meter) reikt niet tot aan het plangebied. Op dit moment is nog geen definitieve verkaveling voorhanden. Bij de uitwerking zal worden bekeken wat de mogelijke effecten van de genoemde bedrijven op de woningen in het plangebied zijn.

Zo nodig zal nader onderzoek plaatsvinden om deze effecten in beeld te brengen en te kijken of en zo ja welke maatregelen noodzakelijk zijn. Op de verbeelding en in de planregels is een zone aangegeven waarbinnen milieuhinder gevoelige functies zijn uitgesloten. Hiervan kan worden afgeweken indien uit onderzoek blijkt dat geen sprake is van relevante milieuhinder. 7.6.3

Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering is onderzoek gedaan naar de richtafstanden behorende bij de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Er zijn geen agrarische spuitzones aanwezig. Evenmin agrarische bedrijven die geurhinder veroorzaken (Wet geurhinder en veehouderij). Zodra meer bekend is over de toekomstige verkaveling, zal worden bekeken of voldaan wordt aan de richtafstanden, of dat nader onderzoek noodzakelijk is.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

55

7.7

Flora en Fauna

7.7.1

Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.

Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en  geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en  sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:  de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of  de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

56

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en  indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In HardinxveldGiessendam is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 7.7.2

Onderzoek Soortenbescherming Door het Natuurwetenschappelijk Centrum is onderzoek gedaan naar de Natuurwaarden in ’t Oog. In het rapport Natuurwaarden ’t Oog V2 (kernmerk W1705, Dordrecht, december 2019) staan de resultaten beschreven. Het onderzoeksgebied is niet beperkt tot het plangebied van dit bestemmingsplan, maar beslaat het overgrote gebied tussen de Betuweroute en Merwede-Lingelijn. Uit het onderzoeksrapport blijk dat in het plangebied meerdere beschermde diersoorten zijn aangetroffen. Het gaat om de Rugstreeppad en Heikikker. De Kleine modderkruiper en Bittervoorn zijn eveneens aangetroffen, maar hebben onder de Wet natuurbescherming niet langer een strikte beschermingsstatus. Binnen Drechtsteden zijn ze echter aanvullend beschermd. Door te werken volgens de Uitwerking Gedragscode Stadswerk, met een ecologisch werkprotocol en ecologische begeleiding kan worden voorkomen dat deze soorten onnodig verstoord of gedood worden. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht als bedoeld in de Wet natuurbescherming.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

57

Onderzoeksbureau Ecoresult heeft in 2020 nogmaals een ecologisch (nader) onderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat er rugstreeppadden, heikikkers en grote modderkruipers in het plangebied aanwezig zijn. Voor deze soorten is een activiteitenplan opgesteld. Dit plan is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.

Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een beschermd gebied in het kader van de Wet natuurbescherming , maar bevindt zich wel in de directe omgeving ervan. Het gaat om het Habitatrichtlijn- + Vogelrichtlijngebied ‘Biesbosch’. Het plangebied is gelegen op ruim 1.400 meter. Omdat het gebied tussen het plangebied de Biesbosch grotendeels bestaat uit stedelijk gebied met een spoorlijn en snelweg, worden effecten op de doelen die zijn bepaald voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten niet verwacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel onderzoek gedaan naar stikstofdepositie (zie hiervoor hoofdstuk 7.4). 7.7.3

Conclusie Voor de rugstreeppad, heikikker en de grote modderkruiper is een activiteitenplan opgesteld. Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk om de functionaliteit van het gebied te blijven behouden. Voor enkele van deze maatregelen dient ontheffing te worden aangevraagd. Daarmee wordt voldaan aan de eisen en zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Het aspect flora en fauna vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

7.8

Bodem

7.8.1

Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Op 1 januari 2006 is de Wbb ingrijpend aangepast omdat het beleid met betrekking tot bodemsaneringen veranderde. De Wbb kent nu een viertal regelingen die alle vier een ander onderdeel van bodembescherming voor hun rekening nemen: Een regeling voor de bescherming van de bodem waarin ook staat dat degene die de bodem verontreinigt, zelf verantwoordelijk is voor het verwijderen van de vervuiling. De overheid kan dwingen tot sanering als de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Een bijzondere regeling voor de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval (calamiteit). Een regeling voor de verontreiniging die is ontstaan voor de Wbb in werking trad in 1987 (historische bodemverontreiniging). Ook in die gevallen geldt dat de vervuiler zelf de verontreiniging verwijdert.

Als er geen vervuiler (meer) is, omdat het bedrijf niet meer bestaat en er geen rechtsopvolger is, zal de sanering door de overheid worden uitgevoerd. Een regeling voor de aanpak van verontreiniging in de waterbodem. Rijkswaterstaat heeft vooral met deze regeling te maken. De regeling geldt voor alle waterbodemverontreiniging, of de vervuiling nu voor of na 1987 is ontstaan.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

58

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.

Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Het besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof maar vallen niet onder dit besluit. Voor grond en baggerspecie in oppervlaktewater en op landbodems gelden aparte regels die ook in het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen; in tegenstelling tot bouwstoffen kunnen ze weer definitief deel gaan uitmaken van de bodem. Tot slot zijn in het Besluit bodemkwaliteit de kwaliteitsregels voor, ondermeer, bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses die worden uitgevoerd door adviesbureaus, laboratoria en aannemers (bodemintermediairs) vastgelegd. Deze regels zijn bekend onder de naam Kwalibo (kwaliteitsborging in het bodembeheer). Kwalibo bevat ook maatregelen om de kwaliteit van ambtenaren die bodembeleid maken of uitvoeren en het toezicht en de handhaving te verbeteren.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Deze afstemmingsregeling is opgenomen in artikel 6.2c van de Wabo. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.8.2

Onderzoek Bij een woonbestemming dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. In verband met voorbelasting zal een zandpakket worden aangebracht en al de kwaliteit van de grond inzichtelijk worden gemaakt. Bodemkaart Op de interactieve bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) heeft de locatie de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde” waarbinnen grondverzet mogelijk is. De kaart geeft de gemiddelde bodemkwaliteit voor onverdachte locaties binnen een zone.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

59

Afbeelding 7.5: uitsnede interactieve bodemkwaliteitskaart OZHZ. Op de kaart is de globale ligging van het plangebied aangeduid

Bodemonderzoek In het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat de bodem lokaal matig tot sterk verontreinigd is met PAK en asbest. Het primaire doel van het vervolgonderzoek (zie de bijlagen bij deze toelichting) is het vaststellen van de mate en omvang van de verontreiniging teneinde te kunnen vaststellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de Wet bodembescherming en de hiermee samenhangende saneringsplicht. Als uitgangspunten voor de omzet van het onderzoek wordt de NTA 5755 ‘’BodemLandbodemstrategie’’ voor het uitvoeren van nader onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging. Ten behoeve van de uitvoering van het bodemonderzoek naar asbest in de bodem is uitgegaan van de NEN 5707:2015. Voor de vaststelling van de omvang van de verontreinigingen worden met behulp van een graafmachine sleuven gegraven. In totaal zijn er 6 grondboringen en 24 sleuven gegraven. Het nader bodemonderzoek heeft betrekking gehad op het vaststellen van de mate en omvang van de verontreinigingssituatie ter plaatse van een 9-tal deellocaties (voor de precieze ligging hiervan wordt verwezen naar de bijlage bij deze toelichting). Op basis van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Op de deellocaties A en B is in 2019 respectievelijk 39 en 50 m³ grond opgebracht. In beide gevallen is de grond licht verontreinigd met asbest.

Er is geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging doch wel van een nieuw geval van bodemverontreiniging krachtens de Wet Bodembescherming. Volgens het zorgplichtprincipe uit deze Wet Bodembescherming geldt er een saneringsplicht en dient de grond derhalve gesaneerd te worden.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

60

•

•

•

•

•

• •

•

Ter plaatse van de gedempte sloot II is een volume van circa 400 m³ zeer heterogeen en plaatselijk sterk met asbest verontreinigd stortmateriaal vastgesteld. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging en derhalve van een saneringsplicht. Ter plaatse van deellocatie C (Puindam nabij de toegang tot het terrein vanaf de Spoorweg) is asbest vastgesteld in een bodemvolume van ca. 16 m³. Het toepassingscriterium voor functionele verharding wordt overschreden. Er is derhalve sprake van een saneringsplicht. In het noordelijk deel van de gedempte sloot X is bodemvreemd dempingsmateriaal (puin) vastgesteld. Het materiaal is sterk verontreinigd doch het verontreinigd volume is gering (minder dan 25 m³). Er is derhalve geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging krachtens de Wet Bodembescherming. Doordat de sloot blijkens historisch kaartmateriaal na 1987 gedempt is, is er wel sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging en geldt er op basis van het zorgplichtprincipe een saneringsplicht. Ter plaatse van deellocatie D (Puindam nabij de toegang vanaf boerderij Spoorweg nr. 42) is asbest vastgesteld in een bodemvolume van ca. 14 m³. Er is geen sprake van overschrijding van het toepassingscriterium voor een functionele verharding er geldt derhalve geen saneringsverplichting.

Ter plaatse van deel locatie E is een beperkte hoeveelheid puin in de grond vastgesteld (3 m³ over een oppervlakte van 15 m²). Er is sprake van een sterke verontreiniging met zink en een matige verontreiniging met lood en asbest. Er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Ter plaatse van het betonpad centraal op het terrein ten oosten van deellocatie E is geen puinverharding onder het beton vastgesteld. Ter plaatse van het puinpad XI, haaks op de Polderweg, is de bodem licht tot sterk verontreinigd met asbest. Het volume wordt geraamd op 550 m³. Voor het oostelijk deel van de puinverharding geldt dat de toepassingsnorm voor asbest overschreden wordt. Er geldt derhalve een saneringsplicht voor ca. 210 m³. Ter plaatse van westelijke deel van het pad liggen de asbestconcentraties beneden de toepassingsnorm voor een functionele verharding. Sanering van dit terreindeel is niet verplicht. Ter plaatse van de gedempte sloot VIII (direct ten noorden van puinpad XI) is er sprake van een lichte verontreiniging met asbest en zware metalen. Er is geen sprake van een saneringsverplichting.

Samenvattend wordt gesteld dat voor de deellocaties A, B, gedempte sloot II en gedempte sloot X sprake van een saneringsplicht vanuit de Wet Bodembescherming en voor puindam C en het oostelijk deel van puinpad XI door overschrijding van de toepassingsnormen voor een functionele verharding. Er dient derhalve een saneringsplan opgesteld te worden voor sanering van deze deellocaties. Gelet op de gevoeligheid van met name asbestverontreinigingen in woongebieden wordt evenwel geadviseerd te overwegen alle vastgestelde asbest verontreinigingen te verwijderen. 7.8.3

Conclusie In het kader van het toekomstig gebruik zal het plangebied geschikt worden gemaakt. Hiervoor is vanwege aangetroffen verontreinigingen een saneringsplan benodigd.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

61

7.9

Verkeer Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor het Woongebied ’t Oog 1e fase is gebaseerd op maximaal 170 woningen en een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,81 motorvoertuigen per woning per weekdag. De verkeersgeneratie bedraagt totaal 1.326 motorvoertuigbewegingen per weekdag. Voor woningen geldt een verkeersgeneratie van 0,026 vrachtbewegingen per woning per werkdag. Dit komt neer op een aandeel vrachtverkeer van 0,2%. Hierbij is er vanuit gegaan dat 50% (663 motorvoertuigen) van het verkeer van/naar het woongebied in westelijke richting (Sliedrecht/aansluiting op de A15) en 50% (663 motorvoertuigen) in oostelijke richting (spoorwegovergang) rijdt. Verkeersafwikkeling Het verkeer van/naar het woongebied ’t Oog wordt ontsloten via de Polderweg (2 aansluitingen) en de Spoorweg (1 aansluiting). De ontsluitingen zijn weergegeven in afbeelding 7.3.

Afbeelding 7.3 Verkeersontsluitingen Woongebied ’t Oog 1e fase

Van ontsluiting 1 en 2 op de Polderweg maken respectievelijk 25 en 60 woningen gebruik. Van ontsluiting 3 op de Spoorweg 85 woningen. Dit komt overeen met respectievelijk 195, 468 en 663 motorvoertuigen. Alle verkeer op de Polderweg rijdt in zuidelijke richting naar de Spoorweg. Ter plaatse van de Spoorweg rijdt 50% van het verkeer in westelijke en 50% in oostelijke richting. Dit betekent dat effectief 663 motorvoertuigen van/naar woongebied ’t Oog 1e fase gebruikmaken van de Spoorweg. De toename van verkeer op de Zwijnskade en Peulenlaan richting de rotonde bij de op- en-afrit van de A15 zal, als gevolg van het woongebied leiden tot een toename van maximaal 566 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag. Het effect van deze toename op de op- en afrit (op- en afrit 25) naar de A15 wordt daarmee gering geacht. Het verkeersaanbod komend vanaf de westelijk van de

1

De verkeersgeneratie is, conform CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ en 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’, van toepassing voor twee-onder-een-kap woningen. Deze verkeersgeneratie is representatief voor de binnen het woongebied te realiseren type woningen (vrijstaand, twee-ondereen-kap, hoek- en tussenwoningen). Daarbij is ook van belang dat de ontwikkeling wordt gerealiseerd in de nabijheid van station Hardinxveld-Giessendam waardoor een goede ontsluiting met het openbaar vervoer is gewaarborgd.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

62

rotonde gelegen kruising (Sportlaan/Rivierdijk) wordt richting de rotonde gedoseerd door de daar aanwezige verkeerslichten waardoor de doorstroming op de rotonde is geborgd. De toename van het verkeer over de Parallelweg en de Nieuweweg wordt eveneens geschat op maximaal 566 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag. De oprit naar de A15 (rijrichting Gorinchem - Rotterdam) wordt in het kader van de Quick Wins A15 als derde rijstrook verlengd tot aan Papendrecht. Door de realisatie van een derde rijstrook wordt de capaciteit van de A15 tussen Papendrecht en Sliedrecht vergroot. Daarnaast is op landelijk niveau door Rijkswaterstaat een startbeslissing genomen voor een zogeheten MIRT-verkenning (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) naar een verbreding van de Rijksweg A15. Het knelpunt Gorinchem – Papendrecht maakt onderdeel uit van deze verkenning. Bij de exploitatieopzet van het bestemmingsplan "t Oog Bedrijven" in financieel opzicht rekening gehouden met een verbreding van de Spoorweg ter hoogte van het geplande bedrijventerrein en de aanleg van een vrijliggend fiets/wandelpad.

De bedoeling is dat het beoogde wegprofiel op termijn in oostelijke richting wordt doorgezet over de gehele lengte van de Spoorweg en aansluit bij de weginrichting/verkeersmaatregelen die nodig zijn voor de bouw van een eerste woonfase in het Oog (ten oosten van de Polderweg) en de verbeterde spoorwegovergang. Daarnaast beslaat de bestaande oprit richting Rotterdam een forse lengte en staat verkeer – ook bij file op de A15 – zelden vast op de oprit. Er heeft inmiddels ambtelijk overleg plaatsgevonden met Rijkswaterstaat over de hoeveelheid verkeersbewegingen de ontwikkeling van t’ Oog met zich meebrengt. Aangegeven is dat voorliggende ontwikkeling geen significante effecten heeft op de verkeersafwikkeling. Parkeren Ten aanzien van het aspect parkeren zijn in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan 2012-2022 (GVVP) parkeerrichtlijnen opgenomen. In geval van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten, op basis van de parkeerkencijfers van het CROW, voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd; deels op eigen terrein bij woningtypen in het hogere segment. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met het type bedrijven dat zich hier vestigen; arbeidsintensief of arbeidsextensief.

De gemeente toetst nieuwe ontwikkelingen aan de maximale normen voor een ‘weinig stedelijk gebied‘ zoals opgenomen in de meest recente publicatie van het CROW: publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Gemotiveerd kan, in overleg met de gemeente, hiervan worden afgeweken en een lagere norm worden toegepast. Verkeer in relatie tot de spoorwegovergang In verband met de ontwikkelkingen in ‘t Oog zal sprake zijn van een toename van het verkeer op de Spoorweg richting het centrum. Om te bepalen of de huidige spoorwegovergang de hoeveelheid extra verkeer aankan is door RoyalHaskoningDHV onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de huidige en toekomstige ontwikkelingen in ’t Oog en de spoorwegovergang. In het onderzoek is gekeken naar meerdere situaties en/of scenario’s:  de huidige situatie  de situatie met het verkeer als gevolg van het nieuwe bedrijventerrein in de westpunt en het verkeer als gevolg van dit bestemmingsplan voor 170 woningen  de situatie met een invulling van de rest van het gebied tussen de spoorlijn en Betuweroute, waarbij verschillende groeiscenario’s zijn aangehouden. Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

63

Uit het onderzoek blijkt dat met de geplande ontwikkeling van 170 woningen in ’t Oog (en rekening houdend met het extra verkeer van bedrijventerrein ’t Oog en de autonome groei tot 2030) sprake is van een acceptabele spoorveiligheid. Met aanpassing van de overweg wordt de situatie zelfs veiliger dan in de huidige situatie. Als het verkeer in de toekomst nog verder toeneemt door nieuwe ontwikkelingen in ’t Oog zal wél naar een andere ontsluitingsoplossing moeten worden gezocht. Hoewel nieuwe ontwikkelingen nog niet concreet aan de orde zijn, wordt in het tweede deel van het onderzoek gekeken naar geschikte ontsluitingsvarianten die noodzakelijk zijn als zich in de toekomst nieuwe ontwikkelingen voordoen in ’t Oog. Voor het voorliggende bestemmingsplan is in het rapport voldoende aangetoond dat de ontwikkeling van 170 woningen niet leidt tot een onveilige situatie bij huidige verkeersovergang. Eventuele nieuwe ontsluitingsvarianten worden buiten het plangebied gerealiseerd, waardoor op dit moment geen belemmeringen zijn voor de realisatie van 170 woningen. 7.10

Duurzaamheid

7.10.1 Duurzaamheid Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam ruimtegebruik en dergelijke. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woongebied. Hiervoor zijn een aantal handvatten in zowel rijks- als regionaalniveau. Wet voortgang energietransitie De Wet Voortgang Energietransitie (VET) regelt onder andere de aansluitverplichting van nieuwbouw op het gasnet zal verdwijnen. De Wet Vet is op 30 januari 2018 door de Tweede Kamer en op 3 april door de Eerste Kamer aangenomen. Per 1 juli 2018 is de wet inwerking getreden sinds 1 juli 2018 is het niet toegestaan nieuwe vergunningen te verlenen voor aardgasaansluitingen bij nieuwe woningen. De Wet voorziet in hoofdzaak in een aantal wijzigingen van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet teneinde de transitie naar een duurzame energievoorziening verder te faciliteren. De aanpassingen hebben met name invloed op de netten die essentieel zijn om de energietransitie verder te ondersteunen. Energiestrategie Drechtsteden Bedrijven, gemeentes, bewoners en organisaties in de regio hebben samen de 'Energiestrategie Drechtsteden' opgesteld. Het is een ambitieus plan van aanpak om te komen tot een energieneutrale regio vóór 2050.

De regio wil op deze manier haar bijdrage leveren aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 dat Nederland heeft ondertekend. Met de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van gasloos bouwen is het van belang hier in vroeg stadium rekening mee te houden. Dit is echter afhankelijk van de typen woningen die uiteindelijk gerealiseerd zullen worden. Lokale Energieagenda In december 2018 is de Lokale Energieagenda Hardinxveld-Giessendam opgesteld. De opgaven die genoemd worden sluiten voor een groot deel aan bij de landelijke opgaven. Daarnaast zijn er nog een Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

64

aantal gemeentelijke doelstellingen opgenomen op het gebied van energiebesparing, uitfaseren van aardgas en energieopwekking. Bij de uitwerking van de openbare ruimte wordt de Aanpak duurzaam GWW toegepast. Deze werkwijze maakt duurzaamheid in GWW-projecten concreet zonder vooraf voor te schrijven hoe de duurzaamheidswinst behaald wordt. Dat kan per project verschillen. In het SPvE is hiervoor een ambitiekader opgenomen. Uitgangspunt is om voor de accenten groen, klimaatadaptatie en ecologie minimaal ambitieniveau 2 te halen. Deze ambities gaan onder andere in op variaties in groenzones door hoogteverschillen, hemelwaterafwatering, hitte-effecten en aantasting van ecologische structuren en de biodiversiteit. Bij het opstellen van de uitwerkingsplannen zal concreet worden ingegaan op de duurzaamheidsmaatregelen in het betreffende gebied. 7.11

Overige belemmeringen

7.11.1 Kabels en leidingen Naast de in het kader van externe veiligheidsaspecten relevante leidingen, kunnen er ook andere leidingen zijn die planologisch relevant zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om drinkwaterleidingen of riool(pers)leidingen. Het plangebied ligt binnen de zone van de laagvliegroute VO (voor helikopters en lichte vliegtuigen). De hartlijn van de route ligt ten zuiden van het gebied, maar de navigatiezone ligt over het plangebied heen. Het laagvliegen is een kleine, maar voor de opleiding en training van militaire vliegers belangrijke activiteit. De toename van windturbines, telecommasten, hoogspanningsverbindingen en andere hoge bouwwerken maakt het ongestoord oefenen op deze route steeds moeilijker. Ter plaatse van Hardinxveld en Sliedrecht moeten de vliegers al van de hartlijn afwijken in verband met de windturbines langs de A15 en ze moeten omhoog vanwege de hoogspanningsmasten die de Merwede kruisen. De laagvliegroute kent tegenwoordig geen bouwhoogtebeperkingen meer, maar is als signalering op de verbeelding opgenomen. Tot slot wordt opgemerkt dat de maximale bebouwingshoogte in dit bestemmingsplan ruim lager is dan de oude ondergrens van 30 m die voor de laagvliegroute gold.

In de nabijheid van het projectgebied is een gasleiding aanwezig die planologisch relevant is. Hieraan is in de paragraaf Externe Veiligheid aandacht besteed. Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

65

7.11.2 Trillingen Omwonenden langs het spoor kunnen hinder ervaren van trillingen als gevolg van treinverkeer. In mei 2019 is er de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen vastgesteld. De handreiking helpt gemeenten, projectinitiatiefnemers en andere stakeholders om bij nieuwbouw langs spoor tijdig en concreet rekening te houden met trillingen van het spoor als gevolg van treinverkeer. Het plangebied ligt ingesloten tussen de Betuwelijn en de MerwedeLingelijn. Uit de handreiking blijkt dat er een aandachtszone op de verbeelding moet worden vastgelegd indien sprake is van woningbouw op kortere afstand dan 100 meter tot het spoor. Of dit in het voorliggend plan zo is, blijkt pas na uitwerking van de plannen. Om die reden is conform de handreiking een gebiedsaanduiding “milieuzone – trillingen” opgenomen voor de zone van 100 meter uit het spoor van de Betuweroute en MerwedeLingelijn. Bij uitwerking van het plan zal hier rekening mee gehouden moeten worden en, indien binnen de zone wordt gebouwd, onderzoek naar trillingshinder worden uitgevoerd. 7.11.3 Explosievenonderzoek In het kader van de ontwikkeling worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. In het kader van de Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Hierdoor moet een onderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven (hierna CE) te worden uitgevoerd .

Het vooronderzoek is door BeoBOM (zie voor het complete onderzoek de bijlagen bij deze toelichting) uitgevoerd conform de huidige wettelijke norm zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE). Uit het geraadpleegde bronnenmateriaal is gebleken dat als gevolg van een tweetal door geallieerde jachtbommenwerpers uitgevoerde bombardementen (29 januari en 6 februari 1945) mogelijk CE in de omgeving van het plangebied zijn achtergebleven. Het gaat hierbij om afwerpmunitie in de vorm van maximaal 1.000 lb (Brits) welke kunnen worden verwacht tot en diepte van maximaal 13,66m-MV, oftewel 14,50 m-NAP. Conclusie Het plangebied kent geen verdachte gebieden. In de omgeving zijn wel twee verdachte gebieden geconstateerd. In een eventuele vervolgfase dient hier aanvullend onderzoek plaats te vinden. Voor dit bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen op het gebied van mogelijke explosieven.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

66

8

JURIDISCHE OPZET

8.1

Inleiding In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze de hiervoor beschreven, gewenste ontwikkelingen juridisch zijn vertaald. Ingegaan wordt op de juridische opzet van het bestemmingsplan (het karakter van het plan, de geometrische plaatsbepaling (verbeelding) en de regels. Karakter van het plan Voor de ontwikkeling van het woongebied is gekozen voor een globale eindbestemming. De beoogde bouwvelden hebben de eindbestemming ‘Woongebied’ gekregen, waarbinnen concrete bouwvlakken zijn ingetekend. Binnen de contouren van deze bouwvlakken mag met een maximaal bebouwingspercentage en een maximale bouwhoogte gebouwd worden. Het onderhavige plan is opgesteld conform het gestelde in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) die door het rijk is opgesteld in het kader van het project Digitale Uitwisseling van Ruimtelijke Plannen (DURP), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die bindende afspraken en aanbevelingen bevat, en het coderingssysteem InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012). Geometrische plaatsbepaling Door middel van een combinatie van begrenzingen, coderingen, arceringen en/of kleuren, is in de geometrische plaatsbepaling (verbeelding) de verdeling aangegeven van de diverse binnen het plangebied onderscheiden bestemmingen.

Hiernaast bevat de geometrische plaatsbepaling aanduidingen die gelezen moeten worden in samenhang met de bebouwingsbepalingen, die voor de onderscheiden bestemmingen zijn gegeven. Regels De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier paragrafen, te weten:  Inleidende regels (hoofdstuk I);  Bestemmingsregels (hoofdstuk II);  Algemene regels (hoofdstuk III);  Overgangs- en slotregels (hoofdstuk IV).

8.2

Toelichting op de regels

8.2.1

Hoofdstuk I Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel “Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Begrippen Geeft de definities van een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie daarvan vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

67

Met de begripsbepaling “Peil” aangegeven vanaf welk punt de aangegeven hoogte van bouwwerken gemeten dient te worden. Voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang direct grenst aan de weg geldt dat gemeten wordt vanaf de kruin van de weg (ter plaatse van de hoofdtoegang). Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorkomende maten dienen te worden bepaald. 8.2.2

Hoofdstuk II Bestemmingsregels In deze paragraaf van de regels zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar wenselijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Bij de opzet van de artikelen over de bestemmingen is een vaste indeling aangehouden teneinde het overzicht en daarmee de duidelijkheid te vergroten. De volgende onderdelen worden onderscheiden: Bestemmingsomschrijving In dit onderdeel worden de functies aangegeven waartoe de gronden zijn bestemd. Bestemming Wonen – uit te werken Het plangebied heeft de uit te werken bestemming Wonen gekregen. De uitwerkingsregels geven aan waar de uitwerking aan moet voldoen. In de later op te stellen uitwerkingsplannen wordt de invulling nader bepaald en geborgd. De bestemming is met drie aanduidingen opgesplitst in een deel met lage woningdichtheid (noordzijde) en een deel met hogere woningdichtheid (zuidzijde). Binnen de bestemming zijn tevens Verkeer, Verkeer- en Verblijfsfuncties, Water en Groenfuncties toegestaan. Bouwregels In dit onderdeel zijn regels opgenomen ten aanzien van de toegelaten bebouwing. Het eerste lid bevat in ieder geval regels omtrent toegestane bouwwerken welke als "recht" kunnen worden opgericht.

Bij de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken. Afwijken van de bouwregels Indien van toepassing is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van de bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit lid worden indien van toepassing bestemmingsspecifieke gebruiksregels opgenomen. In ieder geval gelden de in Hoofdstuk 3 opgenomen Algemene gebruiksregels. In voorkomende gevallen is de mogelijkheid opgenomen om (onder voorwaarden) af te wijken van de specifieke gebruiksregels.

8.2.3

Hoofdstuk III Algemene regels Antidubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om een omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

68

Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders, maar ook beperking van bouwmogelijkheden als gevolg van milieuwetgeving, de geldende Keur van het Waterschap Rivierenland. Algemene gebruiksregels In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels uit het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels De gebiedsaanduidingen “Milieuzone - bedrijfshinder" en “Milieuzone - trillingen" zijn opgenomen voor respectievelijk de milieuzones rond twee bedrijven in de omgeving van het gebied en een zone van 100 meter vanuit het spoor in verband met trillingen. Binnen deze zones is woningbouw slechts mogelijk indien bij de uitwerking blijkt dat er geen sprake is van milieuhinder of hinder door trillingen. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt.

Algemene wijzigingsregels Een wijzigingsbevoegdheid is onder voorwaarden opgenomen voor geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmeting van bestemmingsgrenzen tot maximaal 5 m. Hiernaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het aanpassen van de als bijlage bij de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten. Algemene procedureregels Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan de in dit plan opgenomen afwijkings- of wijzigingsregels. 8.2.4

Hoofdstuk IV Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

69

9

OVERLEG EN INSPRAAK

9.1

Overleg en inspraak Het bestemmingsplan is, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Gedurende de inspraaktermijn is eenieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De inspraak en vooroverlegreacties zijn gebundeld in de Nota inspraak en vooroverleg, welke is opgenomen in bijlage 13 van de toelichting.

9.2

Ontwerpfase Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen uit de eventuele inspraakreacties en de overlegreacties worden in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze bij de gemeenteraad op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving).

9.3

Vaststellingsfase Het streven is om binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging de gemeenteraad een besluit te laten nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking.

Bestemmingsplan “’t Oog Wonen, fase 1” Toelichting Vaststelling

70

10

UITVOERBAARHEID

10.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De ontwikkeling van woongebied t’ Oog zal plaatsvinden op gronden die in de huidige situatie aangewezen zijn als agrarische grond. Door de aanleg van een groene zone aan de noordzijde van de locatie en de waterrijke omgeving waarin de woningen zullen worden ingepast, wordt gezorgd voor een zorgvuldige inpassing in het omliggende landschap. De invulling van het terrein is weergegeven in het SPvE en zal bij het opstellen van het uitwerkingsplan verder worden geconcretiseerd, waarbij het SPvE, het waterhuishoudkundig plan en andere bijlagen bij dit bestemmingsplan leidend zijn. Gelet hierop wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht. In de bestemmingsplanprocedure wordt bovendien op diverse momenten de gelegenheid geboden aan een ieder om een reactie op het plan in te dienen. Zie ook hoofdstuk 9 van deze toelichting.

10.2

Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/713/documents/23028