CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Buurtschap De Bilderhof.pdf

Gemeenteraad GHG 14 december 2023, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 18: Vaststellen Bestemmingsplan Bilderhof - Raadsvoorstel17.303 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de bebouwde omgeving zijn daarnaast kansen voor meervoudig ruimtegebruik, zoals bijvoorbeeld op parkeerterreinen, sport en recreatievoorzieningen, (bermen van) wegen. Beoordeling Door middel van het plan worden op beide parken investeringen voor duurzaamheid gedaan. Dit vertaalt zich onder andere door het plaatsen van zonnepanelen, het investeren in de infrastructuur voor elektrische energie en het vervangen van de verlichting in het openbaar gebied door duurzamere en energiezuinige verlichting. Daarnaast overweegt men voorbereidingen voor een eventuele transitie van aardgas naar waterstofgas.

28

4.3 Regionaal Beleid 4.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied. Dit tezamen met het versterken van het overwegend open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Door middel van het plan wordt de functie van de recreatiewoningen omgezet naar burgerwoningen. Hiermee wordt een duurzaam toekomstperspectief geboden aan de twee parken.

Het plangebied vormt een aantrekkelijk woonlandschap passend bij het imago van het gebied van de Giessen. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in de parken teneinde de ruimtelijke kwaliteit in de openbare ruimte en de leefbaarheid te verbeteren. Het plan draagt bij aan het behouden/versterken van het overwegend open, rustige en authentieke karakter van de regio en het landschap 4.3.2 Regionale woonvisie 2017-2031 ‘Goed wonen in de Drechtsteden’ De afgelopen jaren lag de focus van het woonbeleid van de regio Drechtsteden op de kwaliteit van het wonen in de Drechtsteden. Doelstellingen hadden betrekking op het realiseren van aansprekende woonmilieus en bijzondere woningen. Daarnaast was er aandacht voor de toekomstwaarde van bestaande wijken in het algemeen, en de kwaliteit en spreiding van de sociale voorraad in het bijzonder. Als gevolg van het economisch herstel is de woningmarkt in 2015 weer in beweging gekomen. Inmiddels is duidelijk dat er in de zuidvleugel van de Randstad een forse nieuwbouwopgave ligt. De regio Drechtsteden is voornemens hier een bijdrage aan te leveren. In deze woonvisie worden de kwalitatieve ambities verbonden met een kwantitatieve groeidoelstelling. De centrale ambitie is vertaald in 20 kernpunten: 1.

De zeven Drechtstedengemeenten verplichten zich gezamenlijk tot realisatie van woningen voor de autonome opgave door groei van het aantal huishoudens met 9.560 tot 2031. 2. Door alle zeven gemeenten wordt naarstig gezocht naar locaties/mogelijkheden om de plancapaciteit te verhogen tot het per gemeente gewenste aantal. Zo gewenst leidt dit tot uitwisseling van woningbouwopgaven tussen de gemeenten. 3. De zeven gemeenten gaan een inspanningsverplichting aan om naast de autonome groeiopgave te zoeken naar locaties om zo’n 15.000 woningen te realiseren. Hierbij is de opgave op zich meer van belang dan het jaartal van realisatie (2031). 4. In 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal. De maatregelen die hiervoor nodig zijn, worden vastgesteld in de regionale en 29

lokale energiestrategieën en uitwerkingsplannen en worden bij de realisatie van de Woonvisie toegepast. 5. De Drechtstedengemeenten werken met alle relevante partners samen op het gebied van ‘langer en passend thuis’. 6. We hanteren de woningbehoeftetabel 2031 als koers voor de verdeling van de woontypen (bij de autonome groei) over het Drechtstedengebied. 7. Bij de nieuwbouwplannen in de koopsector zorgen we voor voldoende aanbod in het duurdere segment (> € 300.000). 8. We zetten in op groei in het duurdere segment om een meer evenwichtig samengestelde bevolking te realiseren. 9. Tevens geven we meer aandacht aan het vasthouden van jongeren/studenten en het aanboren van nieuwe doelgroepen (nieuwe, innovatieve woonconcepten). 10. Op dit moment wordt de voorraad goedkope koopwoningen (< € 177.400) niet uitgebreid. Er kunnen goede redenen zijn om de vraag naar koopwoningen in het middeldure segment (€ 177.400 - € 250.000) te faciliteren. 11. We kiezen voor de sociale huurvoorraad voor een pas-op-de-plaatsbeleid. We houden vast aan de PALT-afspraken voor wat betreft het goed monitoren van de feitelijke ontwikkelingen. 12. Vanwege de verschillen in de sociale huurvoorraad per gemeente realiseren we een meer evenwichtige spreiding. 13.

Het pas-op-de-plaats-beleid kan ook ingevuld worden door reductie van de voorraad in een buurt waar een grote concentratie huurwoningen is, met compenserende nieuwbouw op een andere plek die daarvoor beter geëigend is. 14. De ontwikkeling in de onderscheiden segmenten van de sociale huurvoorraad wordt actief gevolgd. Zo nodig wordt het beleid aangepast aan gewijzigde omstandigheden binnen de algemene kaders van deze Woonvisie. 15. De uitgangspunten 11, 12, 13 en 14 worden in samenspraak met de woningcorporaties en de huurdersraden verder uitgewerkt. De resultaten worden medio 2018 vastgelegd in de Prestatieafspraken Lange Termijn. 16. We ontwikkelen een gezamenlijke strategie om beleggers te stimuleren om in de vrije huursector te investeren. Daarnaast bespreken we met woningcorporaties wat zij hierbij kunnen betekenen. De verantwoordelijkheid en de uitvoering blijven lokaal. 17. Om recht te doen aan de lokale situatie, kan de vertaling van de uitgangspunten 11 t/m 16 naar een woningbouwprogramma en prestatieafspraken per gemeente verschillen. Gemeenten geven in hun lokale uitvoeringsparagraaf en het lokale deel (III) van de PALT-afspraken aan hoe ze hiermee omgaan. Randvoorwaarde hierbij is dat de optelsom van lokale plannen voldoende is om de regionale opgave te realiseren. 18.

De zeven gemeenten geven de bijdrage aan die zij aan de vraag naar onderscheidende woonmilieus leveren. 19. Alle zeven Drechtstedengemeenten verplichten zich om locaties te vinden om de woonopgave van deze Woonvisie te realiseren. Zij verantwoorden zich hierover naar elkaar om na te gaan of de optelsom van de lokale plannen leidt tot een adequate uitvoering van de opgave. 20. Om de uitgangspunten van deze Woonvisie te kunnen realiseren, werken de zeven gemeenten verplichtend samen; hiervoor verantwoorden zij zich naar elkaar over de lokale keuzes en plannen via een bestuurlijke ‘taskforce uitvoering Woonvisie’. De taskforce faciliteert de gemeenten bij de versnelling van de woningbouwprogrammering. 30

De woonvisie vormt de context voor de invulling van de regionale en lokale woningbouwprogramma's, die tegemoetkomen aan de behoeften van de regio en die van de afzonderlijke gemeenten en biedt gemeenten ruimte voor eigen invulling. Het plan voorziet in de omzetting van twee recreatiewoningen naar twee burgerwoningen. De huidige bewoners gebruiken de recreatiewoning thans al als volwaardige woning, waardoor de woningen in principe niet vrijkomen. Wel worden de woningen toegevoegd aan de woningvoorraad, omdat de woningen na vaststelling van dit plan legaal bewoond kunnen worden en zodoende ook een woninghypotheek verkregen kan worden. Het plan draagt daarmee bij in het toevoegen van woningen aan de woningmarkt.

31

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam Mits ook stevig wordt geïnvesteerd in de intensivering en herstructurering van het bestaande stedelijk gebied, laat het ruimtelijk kader een bevolkingsontwikkeling en een daaruit voortvloeiende woningbouwbehoefte - toe met een bovengrens die bepaald wordt door de prognose op basis van migratiesaldo 0. Deze prognose laat een behoefte zien van ruim 1.064 woningen tot 2015 (1.697 woningen tot 2024). Door uitbreiding te combineren met herstructurering is in de structuurvisie getracht tegemoet te komen aan de wens zowel ‘kwaliteit van leven’ als ‘ruimtelijke kwaliteit’ te realiseren.

Afbeelding 11: Kaart Initiatiefgebieden uit de Structuurvisie

Het plangebied is gelegen binnen een transformatiegebied ‘Giessenzoom’. Na aanleg van de spoorlijn Dordrecht-Geldermalsen is het gebied geïsoleerd geraakt. In het begin van de 20e eeuw was het station hier gesitueerd. De oude stationslocatie is nu in gebruik door een tegelhandel. De overige functies in het gebied zijn (informele) stedelijke functies, zoals volkstuinen en recreatieve bebouwing en bewoning. De recreatieve bebouwing wordt steeds meer permanent bewoond. Door een gebrek aan ruimtelijke en beleidsmatige sturing van het gebied dreigt het te verrommelen. Het gebied heeft een hoge natuurwaarde en heeft een belangrijke functie voor extensieve stedelijke recreatie. Via de Giessenzoom is de polder Giessen Nieuwkerk toegankelijk en daarmee de Alblasserwaard. Met het plan worden twee recreatiewoningen die worden gebruikt voor permanente bewoning (onderdeel van recreatiepark ‘De Bilderhof’) functioneel gewijzigd naar twee burgerwoningen. Daardoor komt de planologie in overeenstemming met de feitelijke situatie. Hierdoor ontstaat er een duidelijke beleidsmatige sturing voor deze woningen. Ook wordt de verkoopbaarheid van de woningen versterkt. Doordat op De Bilderhof geen recreatieve voorzieningen aanwezig zijn, er geen beheerder is, 32

commerciële verhuur niet is toegestaan en het verkrijgen van een hypotheek voor de recreatiewoningen niet mogelijk is, is er op dit moment nauwelijks vraag naar de recreatiewoningen. Met dit plan worden de recreatiewoningen omgezet in burgerwoningen, wordt daarmee de verkoopbaarheid versterkt, worden bewoners hierdoor gestimuleerd om te investeren in hun woning en zodoende wordt verrommeling tegengegaan. Immers, de verkoopbaarheid van de woningen staan in relatie met de economische waarde en daardoor zijn bewoners geneigd om te investeren in hun woning. Indien de woningen niet te verkopen zijn (bijvoorbeeld omdat de bank geen hypotheek wil afgeven, zoals bij recreatiewoningen), is er voor bewoners geen reden om te investeren in hun woning. Hierdoor ontstaat er achterstallig onderhoud en zal de woning nog onaantrekkelijker worden voor eventuele kopers. En dat leidt er vervolgens weer toe dat de eigenaren niet zullen investeren in de woning. Op deze manier ontstaat er dus een negatieve spiraal die uiteindelijk zal leiden tot minder of geen onderhoud aan de woningen, hetgeen leidt tot verloedering en verpaupering op het park en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. De huidige bewoners in de VvE met een sterke binding met het park zullen geleidelijk van het park verdwijnen, terwijl onduidelijk is wie hiervoor in de plaats zullen komen.

Ook zal de Vereniging van Eigenaren van het park door vertrek van bewoners en het gebrek aan nieuwe inwoners minder inkomsten genereren. Investeringen in de infrastructuur en groen blijven uit en op deze manier raakt het gehele park in verloedering. Door gebrek aan toekomstperspectief en verminderde sociale controle zal de veiligheid en de openbare orde ook in het geding komen. Door het gebrek aan fysieke ingrepen, door ontbrekend werkend marktperspectief, blijven investeringen uit en ontstaat er een groot risico op verpaupering hetgeen de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit aantast. Met het bieden van een nieuwe planologische regeling wordt deze negatieve spiraal afgewend en blijven bewoners gestimuleerd om de woning te blijven onderhouden. De verkoopbaarheid is namelijk weer aanwezig zodra de woningen komen te vallen in de reguliere woningmarkt. Er ontstaat een nieuw toekomstperspectief. 4.4.2 Nota Wonen 2012-2022 De nieuwe Nota Wonen is een actualisatie van de Nota Wonen 2005-2015 en gaat in op de uitgangspunten en ambities van de gemeente op het vlak van wonen en volkshuisvesting. Tevens wordt aangegeven wat de gemeentelijke woningbehoefte tot 2022 is.

Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek voor de nieuwe Nota Wonen is er voor de gemeente een gewenst beeld geformuleerd: “Hardinxveld-Giessendam is in 2022 een gemeente die voorziet in de behoefte van de lokale bevolking. De gemeente staat ook open voor de opvang van de behoefte van de gemeenten in de regio die hun lokale behoefte onvoldoende kunnen opvangen. Met de hulp van Omnivera worden de bijzondere doelgroepen adequaat gehuisvest. Dit betekent dat ook de minder krachtige doelgroepen, die niet zelfstandig in goede huisvesting kunnen voorzien, veilig en prettig in de gemeente kunnen wonen. Door een groter aanbod van betaalbare woningen is het voor jongeren en jonge gezinnen die dat willen, mogelijk om in de gemeente te (blijven) wonen. De beperking van het vertrek van deze groepen uit de gemeente heeft geleid tot meer draagvlak voor de voorzieningen. De beide kernen van de gemeente zijn 33

leefbaar omdat de gemeente oog heeft voor duurzaamheid en leefbaarheid van de kernen.” De belangrijkste ambities en uitgangspunten zijn: • Hoofddoelstelling van de gemeente is het voorzien in de 'eigen woningbehoefte'. Dit uitgangspunt vindt zijn doorvertaling naar alle deelterreinen van het wonen en de volkshuisvesting; • Binnen dit uitgangspunt vindt de gemeente het van groot belang dat een zo gevarieerd mogelijk aanbod van woningen en woonmilieus tot stand wordt gebracht; • Het gemeentelijk beleid is erop gericht om waar nodig de werking van de lokale woningmarkt te verbeteren. De aandacht gaat daarbij vooral uit naar huishoudens die niet of onvoldoende zelfstandig in goede en betaalbare huisvesting kunnen voorzien, zoals ouderen, starters op de woningmarkt en de lagere-inkomensgroep; • Het voorzien in de eigen woningbehoefte zal voor een deel door middel van nieuwbouw moeten plaatsvinden, maar voor een minstens zo belangrijk deel via doorstroming in de bestaande woningvoorraad. Daarom legt de gemeente een direct verband tussen nieuwbouw en doorstroming. Het verminderen van de stagnatie op de woningmarkt is een belangrijk strategisch doel; • De belangrijkste doelgroepen van beleid zijn de starters, gehandicapten en senioren; • Het beleid van de gemeente is zó geformuleerd dat flexibel kan worden ingespeeld op wisselende economische omstandigheden.

• Versterken van de duurzaamheid en leefbaarheid door te investeren in de kwaliteit van het bestaande woningaanbod en de openbare ruimte. Het plan betreft de omzetting van twee recreatiewoningen naar burgerwoningen. Daarmee worden de woningen toegevoegd aan de woningmarkt en kunnen de bewoners in hun eigen woning blijven wonen. Daarmee wordt dus eigenlijk voorzien in het realiseren van burgerwoningen voor de eigen behoefte. Doordat het plan niet zal voorzien in verhuisbewegingen, zal het plan niet concurreren met andere woningbouwplannen. 4.4.3 Lokale paragraaf Wonen In juni 2019 is de Lokale paraaf Wonen vastgesteld door de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam. Met deze paragraaf geeft de gemeente invulling aan de afspraak vanuit de regionale woonvisie Drechtsteden om te komen tot een lokale uitwerking van die visie. In de Regionale woonvisie zijn 20 kernpunten opgenomen. Deze kernpunten zijn vertaald in vier overkoepelende thema's: • Voldoende woningen bouwen: onze inzet is minimaal voldoende bouwen voor de lokale behoefte, maar liefst meer om bij te dragen aan de kwalitatieve regionale ambitie. De groei moet aansluiten bij de schaal van Hardinxveld-Giessendam. • Kwalitatief goede woningen toevoegen: we willen meer doen voor middenen hoger opgeleiden door het aanbod van kwalitatief hoogwaardige woonmilieus en duurdere koopwoningen.

• Langer thuis: voor mensen met een zorgvraag faciliteren we dat zij lang thuis kunnen wonen. • Energie- en klimaatbestendig: We leveren onze bijdrage aan minder energieverbruik in de woningvoorraad, door bij nieuwbouw het maximale 34

te doen en in de bestaande voorraad noodzakelijke stappen voorwaarts zetten. In 2035 zijn we aardgasvrij, in 2050 energieneutraal.

Afbeelding 12: 20 kernpunten regionale woonvisie Drechtsteden

Het plan voorziet in een omzetting van twee recreatiewoningen naar twee burgerwoningen. Hiermee worden twee kleine vrijstaande woningen in een onderscheiden woonmilieu toegevoegd aan de reguliere woningmarkt. Daarmee is het plan in overeenstemming met de wens van de gemeente om te voorzien in voldoende woningen voor de lokale behoefte en bij te dragen aan de kwalitatieve regionale ambitie om in totaal 9.560 woningen toe te voegen in de Drechtsteden. 4.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, vastgesteld op 28 april 2016 door de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam. De gronden waarop het plangebied is gelegen heeft hierin de enkelbestemming: • Recreatie – Verblijfsrecreatie 2. Met de dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologische verwachting 4; • Waterstaat – Waterstaatkundige functie. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’. 35

Afbeelding 13: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied’

Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerend bestemmingsplan. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie 2’. Binnen deze bestemming zijn burgerwoningen niet toegestaan. Met dit plan wordt het bestemmingsplan herzien, waarmee de bestaande recreatiewoningen functioneel worden gewijzigd naar burgerwoningen. 4.4.5 Bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’, dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 5 oktober 2020. Het betreft een gedeeltelijke actualisatie van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, er vinden enkele aanpassingen plaats in de regels, verbeelding en de onderbouwing. Concreet voor het plangebied betekent dit de actualisatie van enkele regelingen, de verwijdering van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ en de toevoeging van de aanduiding ‘vrijwaringszone – laagvlieggebied’. De vrijwaringszone regelt dat er in beginsel geen bebouwing is toegestaan hoger dan 30 meter boven het maaiveld. Omdat het plan niet voorziet in het toestaan van bouwwerken hoger dan 30 meter, is het plan niet in strijd met het ‘Veegplan Buitengebied’. 4.4.6 Paraplubestemmingsplan ‘Wonen en Huishouden’ De Wet ruimtelijke ordening biedt de gemeente de mogelijkheid om bestemmingsplannen vast te stellen voor haar grondgebied.

Daarbij is het gebruikelijk om begripsbepalingen op te nemen voor woningen en aanverwante begrippen. Gebleken is dat bij een aantal bestemmingsplannen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam deze begrippen niet op elkaar aansloten en aanscherping behoeven. Het begrip 'wonen' en daaraan verwante begrip

36

'huishouden' wordt met behulp van dit bestemmingsplan op alle onderliggende bestemmingsplannen van toepassing verklaard. De volgende begrippen zijn met dit paraplubestemmingsplan toegevoegd. huishouden een persoon of groep personen, die een duurzame, gemeenschappelijke huishouding voer(t)(en) en wil(len) voeren. Hierbij moet sprake zijn van onderlinge, met een gezinsverband vergelijkbare, verbondenheid en continuïteit in de samenstelling. Kamer(ver)huur wordt hieronder niet begrepen. wooneenheid een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting uitsluitend bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. wonen het houden van verblijf, het huren en tevens (laten) bewonen van kamers of het gehuisvest zijn in een huis/woning, evenwel met uitzondering van bijzondere woonvormen. Om deze begrippen ook te laten gelden voor dit plan, zijn deze begrippen overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

37

5

Verantwoording sectorale aspecten

5.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn in bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling, is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wm. Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).

Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Het plan voorziet in de omzetting van twee recreatiewoningen naar twee burgerwoningen. De activiteit welke door middel van dit plan mogelijk wordt gemaakt valt hiermee binnen activiteit D11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r. (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject). Een directe m.e.r.-plicht geldt in gevallen die voorzien in een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2000 of meer woningen bevat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 20.000 m² of meer. Dit plan is in vergelijking hiermee zeer kleinschalig van aard en omvang, de grenswaarden uit het Besluit m.e.r. worden niet overschreden. Hierdoor kan voor het plan gesteld worden dat geen directe m.e.r.plicht vanuit de wet milieubeheer en vanuit het besluit m.e.r. geldt. Wel geldt er de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan voorziet in de omzetting van twee recreatiewoningen naar twee burgerwoningen.

Daarmee komt de juridisch-planologische situatie overeen met de feitelijke situatie. De woning wordt op dit moment namelijk ook permanent bewoond. Er vinden geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. 38

Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natuurnetwerk Nederland, Natura2000-gebieden, belangrijk Weidevogelgebied of Strategische reservering natuur.

7,7 km 8,7 km

9,7 km

1,9 km

Afbeelding 14: Afstand plangebied tot Natura 2000-gebieden

650 m 390 m 1.0 km Afbeelding 15: Afstand plangebied tot Natuurnetwerk Nederland

39

3,5 km 4,5 km

200 m

1,1 km

Afbeelding 16: Afstand plangebied tot Belangrijk Weidevogelgebied

9,8 km

Afbeelding 17: Afstand plangebied tot Strategische reservering natuur

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significant negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, de ruime afstand tot beschermde natuurgebieden en er geen sprake is van een significante toename van het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in 40

bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de volgende hoofdstukken.

41

5.2 Geluidhinder Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Tevens is het plangebied gelegen binnen de invloedssfeer van een spoorwegtraject. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van een gezoneerd industrieterrein en kan hierdoor buiten beschouwing worden gelaten. Het plan voorziet in het omzetten van recreatiewoningen naar burgerwoningen.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van een functiewijziging naar geluidsgevoelige objecten. Op basis hiervan is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai vereist. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai opgesteld. De conclusies van dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: wegverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Binnendamseweg en Neerpolderseweg ten hoogste respectievelijk 33 en 35 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrens-waarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 40 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt; railverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van railverkeerslawaai van de Betuweroute ten hoogste 45 dB bedraagt en niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeer; Gecumuleerde geluidbelasting alle bronsoorten • De geluidbelasting ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van respectievelijk 48 dB en 55 dB en wordt derhalve niet gecumuleerd;

42

Gemeentelijk geluidbeleid • De woningen beschikken alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai Voor de onderzochte woningen hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld. Geluidwering van de gevel Algemeen geldt dat voor verblijfsruimten met een geluidbelasting tot 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt. Een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel is derhalve niet noodzakelijk.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluidhinder geen belemmeringen. Er hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld en aanvullende geluidwering van de gevel is niet noodzakelijk.

43

5.3 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (bedrijf) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving hindergevoelige objecten bevinden die hinder kunnen ondervinden. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren. Onderzoek Het plan betreft de functiewijziging van de recreatiewoningen naar burgerwoningen.

Hiermee is sprake van het wijzigen van de bestaande objecten naar milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat relevante bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) wordt onder een gemengd gebied verstaan: ‘een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd’. Gezien de ligging van ‘De Bilderhof’ (waar het plangebied onderdeel van uitmaakt) aan het lint langs de Neerpolderseweg in het buitengebied en het feit dat direct naast (burger)woningen volwaardige agrarische bedrijven voorkomen kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een ‘gemengd gebied’. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.

44

2

1

Afbeelding 18: Afstand plangebied t.o.v. omliggende milieubelastende functies

Tabel 1: Omliggende milieubelastende functies # Adres Functie Richtafstand 1 Binnendamseweg 18 2 Binnendamseweg 2a

Fokken en houden van paarden Autobedrijf

50 meter (geur)

Afstand tot plangebied 210 meter

50 meter (geluid)

140 meter

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de richtafstanden. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

45

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Binnen het plangebied kan worden aangenomen dat er geen bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden en derhalve een bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Een verkennend bodemonderzoek zal wel als voorwaarde worden opgenomen bij een omgevingsvergunningaanvraag voor (vervangende) nieuwbouw. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. Een verkennend bodemonderzoek zal wel als voorwaarde worden opgenomen bij een omgevingsvergunningaanvraag voor (vervangende) nieuwbouw.

46

5.5 Archeologie Beleidskader Erfgoedwet Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hardinxveld-Giesendam is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Afbeelding 19: Uitsnede archeologische beleidskaart Hardinxveld-Giessendam

47

Het plan voorziet enkel in een functionele wijziging, er zijn geen graafwerkzaamheden gepland. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve achterwege gelaten. De archeologische dubbelbestemmingen worden uit het moederplan overgenomen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten wel altijd te melden bij het bevoegd gezag. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Bij een omgevingsvergunning welke voorziet in graafwerkzaamheden dieper en/of groter dan in de regels opgenomen diepte en/of oppervlakte, dient een archeologisch onderzoek onderdeel uit te maken van de omgevingsvergunningaanvraag. Eventuele archeologische vondsten dienen altijd gemeld te worden bij het bevoegd gezag.

48

5.6 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. De Giessen is opgenomen als A-watergang 117514 en ten noordoosten is Bwatergang A-watergang 140340 gelegen. Verder zijn in het plangebied de Cwatergangen 049327 en 051697 aanwezig. Indien werkzaamheden plaatsvinden in een beschermingszone van een watergang is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland noodzakelijk.

49

Afbeelding 20: Uitsnede Legger wateren

Waterkering Het plangebied is deels gelegen in de beschermingszone van een regionale waterkering. De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ‘ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering’.

Afbeelding 21: Uitsnede legger waterkeringen

50

Wanneer werkzaamheden plaatsvinden binnen de beschermingszone van de waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland. Een schriftelijke melding is voldoende indien de werken en werkzaamheden zijn opgenomen in de algemene regels van het waterschap. Ter bescherming van de regionale waterkering is ter plaatse van de beschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen. Waterberging en watercompensatie Het andere deel van het plangebied is gelegen in het boezemgebied van de Giessen. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades. De Giessen behoort tot de Boezem van de Overwaard en heeft een boezempeil (streefpeil) van -0,75 m NAP en een maalpeil (maximumpeil) van -0,25 m NAP. De bebouwing dient ten minste 0,25 m boven het maximumpeil te staan, dat is dus op 0 m NAP-hoogte. Voor boezemgebieden geldt uitsluitend een plicht tot volumecompensatie. Eventuele ophogingen en andere wijzigingen beneden het niveau van 0 m NAP dienen gecompenseerd te worden.

Plangebied Afbeelding 22: Uitsnede peilgebiedenkaart

Het plan voorziet slechts in een functionele wijziging. De berging in de boezem wordt middels het plan niet negatief beïnvloed. Watercompensatie is hiermee niet noodzakelijk. Wanneer werkzaamheden plaatsvinden waardoor de verharding wel toeneemt, dient aan de hand van de vergunningsaanvraag de watercompensatie berekend te worden. Ter bescherming van het boezemgebied wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ opgenomen in de regels van dit plan. Voor werken en werkzaamheden in het boezemgebied is een watervergunning van het waterschap nodig. Een schriftelijke melding is voldoende indien de werken en werkzaamheden zijn opgenomen in de algemene regels van het waterschap. Hemelwater- en vuilwaterafvoer Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater 51

niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven.

In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. In de statuten van ‘De Bilderhof’ (waar het plangebied onderdeel van uitmaakt) worden daarnaast bepalingen opgenomen over een maximaal te verharden (niet waterdoorlatend) oppervlak en/of percentage van de percelen, zodat bij (hevige) regenbuien het water gemakkelijker kan infiltreren in de bodem en de parken de groene uitstraling behouden dan wel versterken. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de Vereniging van Eigenaren van het park. Op de parken ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Om in te spelen op de verwachting dat in de toekomst extremere weersomstandigheden zullen zijn worden eigenaren door de VvE gestimuleerd om hemelwater niet op het riool af te laten wateren, maar het hemelwater zoveel mogelijk op te vangen en te gebruiken, het hemelwater te laten infiltreren in de bodem of het overtollig hemelwater af te laten voeren naar watergangen. Wegbeheer Binnen het plangebied is de VvE verantwoordelijk voor het onderhoud van de wegen. De percelen worden ontsloten door een wandelpad naar een parkeerterrein.

Het park ‘De Bilderhof’ wordt vervolgens zelf ontsloten op de Neerpolderseweg die onder de verantwoordelijkheid van Waterschap Rivierenland valt. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Indien werkzaamheden plaatsvinden dient een watervergunning aangevraagd te worden. Indien de werken of werkzaamheden zijn opgenomen in de algemene regels van het waterschap, is een schriftelijke melding voldoende.

52

5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet slechts in een functiewijziging. Daardoor voorziet het plan niet in werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Het plan leidt verder niet tot een toename in de stikstofdepositie op beschermde gebieden. Het plangebied is daarnaast niet gelegen in een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natuurnetwerk Nederland, Natura2000-gebieden, belangrijk Weidevogelgebied of Strategische reservering natuur. Tenslotte voorziet het plan niet in werkzaamheden en/of gebruik die kunnen leiden tot extra stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.

Het plan voorziet niet in stikstofdepositie op Natura2000-gebieden.

53

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (rekenpunt 162083): • Een stikstofconcentratie van 15,0 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 15,9 µg pPM10/m3) met niet meer dan 6 normoverschrijdingsdagen per jaar; • Een fijnstofconcentratie van 8,8 µg PM2,5/m3; Voor het plan kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van acceptabele concentraties. Daarnaast valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor het plan vrijgesteld is aan toetsing aan de grenswaarden.

54

Conclusie Het plan valt in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden.

55

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Het plangebied is gelegen nabij een gasleiding, twee LPG-tankstations, de Betuwelijn en rijksweg A15. Om de invloed van de stationaire inrichtingen en de transportroutes voor gevaarlijke stoffen te inventariseren is door adviesbureau DGMR een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. De conclusie van het rapport luidt als volgt: ‘Binnen een kilometer van het plangebied liggen de Betuweroute, de A15, twee LPG-tankstations en een hogedruk aardgasleiding.

Alleen de Betuweroute en de A15 vormen een extern risico voor de planlocatie. Voor beide risicobronnen wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en volstaan vanwege de afstand en hoogte van het groepsrisico een beperkte verantwoording conform artikel 7 van het Bevt. Op de gestelde afstand van de risicobronnen is een gifwolk het enige relevante ongevalsscenario. De gemeente Hardinxveld-Giessendam moet het groepsrisico als gevolg van deze transportroutes verantwoorden. De veiligheidsregio heeft voor de verantwoording adviesrecht ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Verantwoording groepsrisico De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft zich voorgenomen om de twee recreatiewoningen op het voormalige recreatiepark de Bilderhof die binnen haar gemeente liggen als normale woningen aan te wijzen en daarmee permanente bewoning toe te staan. Vanwege de ligging van deze woningen binnen het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelweg A15 is voor dit besluit een verantwoording van het groepsrisico nodig. Bestrijding van een ramp De voorgenomen ontwikkeling betreft zelf geen externe risicobron. Het plan ligt ook op een zodanige locatie dat het geen belemmering voor hulpdiensten vormt om het spoor of de snelweg te bereiken.

In 2016 heeft de VRZHZ beide recreatieparken geïnspecteerd en hierover een brief aan de gemeente Giessenlanden (inmiddels opgegaan in de gemeente Molenlanden) geschreven. Hierin stelt de veiligheidsregio onder meer:

56

•

De bereikbaarheid en bluswatervoorziening van recreatiepark De Bilderhof is voldoende. • Voor het park moet aandacht worden besteed aan de inrichting en de afwezigheid van brand bevorderende materialen tussen de woningen. Daarnaast adviseert de VRZHZ om een bewustwordingstraject met betrekking tot brandveiligheid voor de beide parken op te starten. De gemeente Molenlanden heeft de aanwijzingen uit deze brief opgevolgd voor het deel van het buurtschap op haar grondgebied. Wij raden aan dat de gemeente Hardinxveld-Giessendam voor deze twee woningen deze aanwijzingen ook opvolgt: • Het voorkomen van brandoverslag door de aanwezigheid van brand bevorderende materialen buiten de woningen te beperken. • De bewoners van de twee woningen te laten deelnemen aan de cursus van de brandweer, net als de bewoners van het deel van het buurtschap in de gemeente Molenlanden. • De bereikbaarheid en bluswatervoorziening is reeds voldoende; de opmerking over blusleidingen die de VRZHZ in haar brief uit 2016 maakte, is gericht op het buurtschap De Giessenburg. Zelfredzaamheid De twee beschouwde woningen liggen op meer dan 200 meter van de tunnelmonden af. Vanwege deze afstand tot de risicobronnen is de impact van een brand of drukgolf al zodanig afgezwakt dat men inpandig veilig kan schuilen. Alleen een gifwolk kan voor deze twee woningen nog relevant zijn.

In geval van een gifwolk moet men binnen blijven, ramen en deuren te sluiten en de ventilatie uit schakelen. Bouwkundige eisen De recreatiewoningen moeten volgens het Bouwbesluit aan dezelfde eisen voldoen als burgerwoningen voor sterkte van de bouwconstructie, voorkomen van brandgevaar, brandoverslag en (het kunnen afsluiten van) ventilatie. Gezien de ligging van de woningen op meer dan 200 meter van enige externe risicobron is ook geen impact te verwachten in de vorm van een warmtestraling van meer dan 10 kW/m2 of een drukgolf met een overdruk groter dan 0,02 bar. Daarom worden vanuit externe veiligheid aan de woningen geen aanvullende eisen opgelegd. De terreinen moeten binnen het woonkarakter zoveel mogelijk vrij worden gemaakt van materiaal dat brandoverslag kan veroorzaken, zodat uitbreiding van brand wordt voorkomen en een eventuele ontruiming zo veilig mogelijk kan verlopen.’ Kabels en leidingen Het plan voorziet niet in ongewenste werkzaamheden voor planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen. Op enige afstand is een bovengrondse hoogspanningslijn Papendrecht – Arkel (150 kV) gelegen. De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden.

De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de 57

Netkaart. De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden.

540 m

Afbeelding 23: Kaart bovengrondse hoogspanningsleidingen

Voor de bovengrondse hoogspanningslijn nabij het plangebied geldt een indicatieve magneetveldzone van 70 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op een minimale afstand van 540 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

58

5.10 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De Vereniging van Eigenaren van ‘De Bilderhof’ deelt deze ambitie en is voornemens om de buurtschap te verduurzamen. De VvE (en daarmee ook de inwoners) streven naar zo groen en duurzaam mogelijk buurtschap. In de statuten worden bepalingen opgenomen over een maximaal te verharden (niet waterdoorlatend) oppervlak en/of percentage van de percelen, zodat bij (hevige) regenbuien het water gemakkelijker kan infiltreren in de bodem en het park de groene uitstraling behoudt dan wel versterkt. Verder worden investeringen gedaan in het opwekken van groene energie in de vorm van het plaatsen van zonnepanelen en wordt onderzoek gedaan naar het toepassen van zonnecollectoren en andere duurzame toepassingen in het openbaar gebied. Verder worden bestaande verlichting vervangen door energiezuinigere openbare verlichting. Tenslotte is het wijzigen van de huidige recreatiewoningen zonder toekomstperspectief naar woningen op een locatie die passend en geschikt is voor wonen een vorm van duurzaamheid. Er wordt namelijk een toekomstbestendige oplossing geboden voor een potentieel probleem en worden woningen in een aantrekkelijk woonmilieu toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad binnen de gemeente zonder de fysieke toevoeging van bebouwing.

Indien een bewoner ervoor kiest om een woning te herbouwen, dient de woning te voldoen aan het Bouwbesluit voor nieuwbouw en moet de woning voldoen aan de EPC-normen. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening ZuidHolland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan voorziet niet in ingrepen aan de watergangen. Daarnaast kan het water afstromen op de Giessen.

Om in te spelen op de verwachting dat in de toekomst extremere weersomstandigheden zullen zijn, worden de eigenaren door de VvE gestimuleerd om hemelwater niet op het riool af te laten wateren, maar het hemelwater zoveel mogelijk op te vangen en te gebruiken, het hemelwater te laten infiltreren in de bodem of het overtollig hemelwater af te laten voeren naar watergangen.

59

Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plan voorziet niet in de fysieke toevoeging van wooneenheden en de beschermingszone van de regionale waterkering wordt juridisch-planologisch beschermd door het opnemen van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van ruimtelijke plannen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De VvE van De Bilderhof gaat investeren in het versterken van het huidige groene karakter. Dit wordt gerealiseerd door onder andere het aanplanten van afschermend groen en bomen. Hierdoor wordt bijgedragen aan schaduwwerking en wordt hittestress tegengegaan. Verder zorgt het omliggende water voor een verkoelend effect. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. De eigenaren worden door de VvE gestimuleerd om het hemelwater zoveel mogelijk op te vangen en te gebruiken. Indien houtstructuren of planten door droogte een gebrek aan water hebben, kan het opgevangen hemelwater gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.

60

6

Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Buurtschap De Bilderhof’ bestaat uit twee delen: de verbeelding en de regels. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Buurtschap De Bilderhof’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Buurtschap De Bilderhof’ is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, ‘Zwaluwpad’, ‘Veegplan Buitengebied’ en ‘Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden’. Qua bouwregels is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buurtschappen Giessenburg’, zodat voor de buurtschap ‘De Bilderhof’ dezelfde bouwregels gelden voor het bouwen en het kleinschalige karakter qua aard en omvang van de percelen behouden blijven. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/796/documents/27671