CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke Motivering BOPA, ontwikkeling Nassaustraat Boven-Hardinxveld.pdf

Gemeenteraad GHG 9 juli 2026, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 12: Bindend advies woningbouwontwikkeling Nassaustraat20.650 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1

Formeel gezien ligt het projectgebied in de zone ‘buitengebied’. Omdat het plangebied na realisatie binnen de kom gaat vallen is er gerekend met ‘rest bebouwde kom’.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

30/67

Verkeersgeneratie woningbouwplan west van Nassaustraat Functie

Aantal/m2

Kencijfer (min.-max.)

Totale verkeersgeneratie (min.-max.)

huur, appartement, sociale huur, 75 - 100 m2 bvo

20

3,6

72,0

Koop, huis, tussen/hoek

15

7,2

108

Koop, huis, vrijstaand

3

8,1

24,3

Koop, huis, twee-onder-een-kap

2

7,6

15,2

Totaal (min. – max.)

227,5

Het woningbouwplan zorgt derhalve voor een verkeersgeneratie van 219,5 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) genereren. Worst-case voorziet het planvoornemen dus afgerond in 220 motorvoertuigen per etmaal. De nieuwe wijk sluit logisch aan op de bestaande woonwijk via de Nassaustraat, die op korte afstand verbonden is met de Julia van Stolbergstraat — een belangrijke verkeersader in de wijk. Deze verbinding zorgt voor een goede ontsluiting van het plangebied en draagt bij aan een heldere verkeersstructuur. Binnen het plangebied zelf is nadrukkelijk aandacht besteed aan een verkeersveilige inrichting, zowel in de aansluiting op de bestaande wijk als in de nieuwe stratenstructuur. Gezien het profiel van de omliggende wegen kunnen deze de nieuwe verkeersgeneratie in voldoende mate opvangen. De extra verkeersbewegingen zorgen naar verwachting niet voor onevenredig negatieve effecten op het verkeersbeeld. Het verkeer kan op een veilige en doelmatige wijze worden afgewikkeld. Parkeren De parkeerbehoefte is berekend op basis van de (nieuwe) parkeernorm van de gemeentelijke parkeernota. De berekening van de parkeerbehoefte is weergegeven in navolgende tabel. Op de aangeleverde schetsen is voorzien in voldoende parkeerplaatsen, namelijk 64. De parkeerplaatsen zijn op zorgvuldige wijze tussen de woningen en het openbaar gebied en groen ingepast.

Parkeerbehoefte woningbouwplan west van Nassaustraat Functie

Aantal

Norm

Totale parkeerbehoefte

Sociale huur, appartement, 75 – 100 m2

20

1,3

26

Koop, huis, tussen/hoek

15

1,8

27

Koop, huis, twee-onder-een-kapwoning

2

1,9

2,8

Vrijstaande koopwoning

3

2,1

6,3

Totaal

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

63,1

31/67

5.2.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het initiatief. 5.3 Bodem 5.3.1 Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaar-den voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. 5.3.2 Onderzoek Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van bodemgevoelige gebouwen, namelijk woningen. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied.

Dit onderzoek is opgenomen in de bijlage, navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. Verkennend bodemonderzoek Op basis van het vooronderzoek worden ter plaatse van de onderzoekslocatie geen belastende bronnen of verdachte activiteiten verwacht. Er zijn geen gegevens bekend van eerdere onderzoeken op het perceel. De bodemkwaliteitskaart geeft aan dat in de bodem vermoedelijk geen verhogingen te verwachten zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. De locatie wordt dan ook als onverdacht beschouwd en onderzocht middels een strategie voor een grootschalige onverdachte locatie (ONV-GR-NL). Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de kleiige bovengrond geen verhogingen van de geanalyseerde parameters worden aangetroffen. In de ondergrond wordt enkel de parameter nikkel verhoogd aangetroffen in mengmonster MO2 ten opzichte van de achtergrondwaarde. In het overige mengmonster van de ondergrond worden geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van barium aangetroffen ten opzichte van de streefwaarden. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden, respectievelijk de streefwaarden worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van de resultaten van dit bodemonderzoek zijn

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

32/67

er geen bezwaren voor het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie. Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen. Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit Zowel de boven- als ondergrond zijn indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Op basis van deze indicatieve toetsing valt de boven- en ondergrond in de klasse Achtergrondwaarde. Aanvullend PFAS onderzoek Aanvullend op het hiervoor benoemde verkennend bodemonderzoek is een indicatief onderzoek uitgevoerd naar de PFAS-concentraties in de bovengrond van het perceel (0,0–0,5 m-mv). Hierbij zijn lichte verhogingen van PFOA vastgesteld terwijl PFOS slechts in zeer lage concentraties aanwezig is. De waarden voldoen aan de kwaliteitsklasse voor wonen en industrie en er zijn geen overschrijdingen van de INEV-waarden of andere zorgwekkende concentraties aangetroffen. De gemeten niveaus sluiten aan bij de regionale achtergrondwaarden zoals weergegeven op de PFOA-verwachtingenkaart van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De bodemkwaliteit voldoet voor het beoogde gebruik en vormt geen belemmering voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. 5.3.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het aspect ‘bodem’.

5.4 Cultuurhistorie 5.4.1 Toetsingskader De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Zuid-Holland zijn deze stukken door vertaald in de ‘Cultuurhistorische kaart’. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen. Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erfgoed te beschermen.

De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed).

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

33/67

Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging. 5.4.2 Onderzoek Na raadpleging van de provinciale Cultuurhistorische kaart van de provincie Zuid-Holland blijkt in het projectgebied geen cultureel erfgoed te liggen of andersoortige cultuurhistorisch waardevolle elementen waar bij de planvorming rekening mee moet worden gehouden. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden op. 5.5 Archeologie 5.5.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden.

Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.5.2 Onderzoek Op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is het projectgebied gelegen in een zone met een lage archeologische verwachting. Binnen het bestemmingsplan Buitengebied geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 9. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

34/67

10.000 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 cm -mv. Het plangebied van 1,1 hectare overschrijdt daarmee de verstoringsoppervlakte. Er is dan ook een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de natuurlijke afzettingen vooral zijn gevormd in een komgebied. Dit zijn natte, vaak drassige zones, in het landschap die niet geschikt zijn geweest voor bewoning. Om deze reden blijft de lage verwachting voor alle perioden gehandhaafd. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. 5.5.3 Conclusie De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Hardinxveld-Giessendam), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. 5.6 Activiteiten en milieuzonering 5.6.1 Toetsingskader Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is; 2. scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woonen leefomgeving. Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid en geur door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Er kan daarbij gebruik worden gemaakt van de nieuwe handreiking Activiteiten en milieuzonering van de VNG (oktober 2024). Onder een milieugevoelige activiteit wordt verstaan: een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen. In de VNG-handreiking zijn de volgende gebiedstypen beschreven: • bedrijventerreinen; • andere werkterreinen; • woongebieden; o gemengd gebied met wonen; o rustig woongebied;

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

35/67

• buitengebied. De handreiking Activiteiten en milieuzonering is gebaseerd op inwaartse zonering. Hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per activiteit beschikbaar kan zijn. Deze inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid (basis, beperkt en verruimd) en twee voor geur (basis en verruimd). De ligging van de zones is afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Er bestaan drie mogelijkheden om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of geschikt is voor functiemenging: • een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur; • een indicatie aan de hand van bijlage A5 (Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur) van handreiking Activiteiten en milieuzonering. Op basis van de nieuwe handreiking worden geluid en geur onderverdeeld in 6 posities:

•

het uitvoeren van gericht onderzoek.

5.6.2 Onderzoek Gebiedstype Het projectgebied maakt onderdeel uit van het buitengebied zoals ook het vigerend Omgevingsplan benoemd. Rondom het gebied komen er voornamelijk agrarische velden voor, met uitzondering van het woongebied ten oosten. Echter, zal na realisatie het plangebied deel uitmaken van de bebouwde kom. Het gebied is daarom te beschrijven als rustig woongebied.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

36/67

Inwaartse zonering Met het planvoornemen is sprake van een milieugevoelige activiteit, namelijk de realisatie van 40 nieuwbouwwoningen. Middels een quickscan activiteiten en milieuzonering is onderzocht welke milieuhinderlijke activiteiten er zich in de directe omgeving van het projectgebied bevinden. In navolgende tabel komt naar voren in welke geluid- en geurzonede activiteiten vallen en aan welke eventuele minimale richtafstanden moet worden voldaan. Hieruit blijkt dat de beoogde woningen op voldoende afstand van de milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving liggen. Functie

Partycentrum 't HART Diba Machinehandel JGD Stables

Categorie Theaters, schouwburgen, concertgebouwen, evenementenhallen Grth in machines en apparaten: - machines voor bouwnijverheid Fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerij

Adres

Zone geluid geur

Minimale richtafstand

Daadwerkelijke Voldoet? afstand

Nassaustraat 6

1

FM

30 meter

115 meter

Ja

Rivierdijk 409

3

FM

100 meter

180 meter

Ja

Watertoren 29

1

2

50 meter (vng) 100 meter (geurverordening)

159 meter

Ja

Tabel 1 Functies en afstanden t.o.v. projectgebied

Uitwaartse milieuzonering Tevens dient er beschouwt te worden of de nieuwe beoogde functie geen belemmeringen oplevert ten opzichte van de omgeving. Gezien de ontwikkeling voorziet in een nieuwe woonfunctie kan op voorhand worden gesteld dat de ontwikkeling niet voor belemmeringen zorgt in de omgeving. Een analyse van uitwaartse zonering is niet noodzakelijk. 5.6.3 Conclusie Ten aanzien van het aspect ‘Activiteiten en milieuzonering’ geldt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7 Geluid (Spoor)wegverkeer 5.7.1 Toetsingskader Geluid door (spoor)wegen Het Bkl bevat geluidsregels voor onder meer (spoor)wegen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

37/67

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. 5.7.2 Onderzoek Op de beoogde projectlocatie zullen er nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd, namelijk 40 nieuwe woningen. Het projectgebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van de in navolgende tabel weergegeven rijks- en gemeentewegen. Er is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven.

Figuur 11 Betrokken geluidsbronsoorten en geluidbronnen (bron: AKO-WVL De Roever, rapportnr. 20250711.v02)

Resultaten geluidbelasting Uit het onderzoek blijkt dat het geluid vanwege gemeentelijke wegen maximaal 37 dB bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB, zodat maatregelen vanwege gemeentelijke wegen niet noodzakelijk zijn. Het geluid vanwege de rijksweg A15 bedraagt maximaal 59 dB ter plaatse van de noordgevels van het appartementencomplex (op de derde verdieping). Daarmee wordt de standaardwaarde van 50 dB overschreden, maar blijft de geluidbelasting onder de geldende grenswaarde van 60 dB. Het toestaan van hogere waarden is in deze situatie planologisch mogelijk, mits sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de toepassing van maatregelen is afgewogen.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

38/67

Afweging van maatregelen In het kader van het onderzoek zijn bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen beschouwd. Het toepassen van aanvullende bronmaatregelen, zoals het aanpassen van het wegdek of de verkeersintensiteiten op de A15, wordt niet doelmatig geacht. De A15 is reeds uitgevoerd met stil asfalt (ZOAB) en ingrepen in verkeersstromen of snelheid zijn niet proportioneel in relatie tot de omvang van het plan. Ook overdrachtsmaatregelen, zoals het realiseren van geluidsschermen tussen de rijksweg en het plangebied, worden niet wenselijk geacht. Dergelijke maatregelen zouden leiden tot een aantasting van het open polderlandschap en zijn landschappelijk en financieel niet doelmatig. Deze afweging van maatregelen is besproken met de gemeente Hardinxveld‑Giessendam en de Omgevingsdienst Zuid‑Holland Zuid. Daarbij is gezamenlijk geconcludeerd dat het toepassen van maatregelen op gebouwniveau in dit geval de meest passende en aanvaardbare benadering is. Stedenbouwkundige alternatieven De gemeente heeft tot slot een alternatief ontwerp met een volledig geluidsluwe zijde onderzocht en in de ruimtelijke afweging betrokken. Uit dit onderzoek blijkt dat een dergelijk ontwerp leidt tot stedenbouwkundig en ruimtelijk ongewenste oplossingen.

In deze variant ontstaan woningen met een beperkte woonkwaliteit, doordat zij uitkijken op een blinde gevel op korte afstand, beperkt daglicht ontvangen en onvoldoende privacy bieden. Hierdoor komt de kwaliteit van het woon- en leefklimaat onder druk te staan. Ook is onderzocht of deze nadelen kunnen worden beperkt door het aantal woningen per verdieping te reduceren. Hoewel dit op onderdelen tot verbetering leidt, blijft de resulterende gebouwvorm stedenbouwkundig gekunsteld en ruimtelijk suboptimaal en sluit deze onvoldoende aan bij de gewenste stedenbouwkundige structuur van de omgeving. De gemeente acht deze variant daarom niet wenselijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente kiest daarom voor het oorspronkelijke ontwerp met de compacte zogenoemde 6-spanner. Dit ontwerp resulteert in een compact bouwvolume en voorkomt een massale wandwerking in de omgeving. Naar aanleiding van het advies van de Omgevingsdienst is binnen dit ontwerp onderzocht hoe zoveel mogelijk rekening kan worden gehouden met een geluidsluwe situering.

Daarbij zijn optimalisaties doorgevoerd, waaronder het verplaatsen van buitenruimtes van een deel van de appartementen naar de geluidsluwe zuidzijde, het situeren van de collectieve fietsenberging op de locatie met de hoogste geluidsbelasting en het toepassen van afsluitbare of deels afgesloten balkons waar noodzakelijk. Hierdoor neemt het aantal woningen waarvoor zwaardere geluidsmaatregelen nodig zijn aanzienlijk af.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

39/67

Gelet op deze optimalisaties en de gemaakte ruimtelijke afweging is de gemeente van oordeel dat met het gekozen ontwerp sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het plan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het ontwerp vormt daarmee stedenbouwkundig en ruimtelijk de meest passende oplossing voor deze locatie. Daarmee is sprake van een zorgvuldige belangenafweging tussen het belang van geluidsreductie en het belang van een goede stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit.

Gemeentelijk geluidbeleid en ontwerpmaatregelen Bij het toestaan van hogere waarden is het gemeentelijk beleid Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening (2018) van toepassing. Een belangrijk uitgangspunt hierin is dat iedere woning beschikt over ten minste één geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat hieraan kan worden voldaan door middel van ontwerp- en bouwkundige maatregelen, waaronder: • het situeren en gedeeltelijk afschermen van balkons bij het appartementencomplex; • het toepassen van gesloten of deels gesloten balkonafscheidingen; • het realiseren van geluidluwe gevels door middel van de gebouworiëntatie; • het toepassen van een geluidwerende erfafscheiding (schutting) bij de grondgebonden woningen. Deze maatregelen zijn in het akoestisch onderzoek nader uitgewerkt en sluiten aan bij de uitgangspunten van het gemeentelijk geluidbeleid. Met deze maatregelen beschikken alle woningen over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte, waarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsvoorwaarden.

Cumulatief geluid en woon- en leefklimaat Het cumulatieve geluid van alle relevante wegen bedraagt maximaal 59 dB. Op basis van de classificatie van het RIVM kan de milieukwaliteit ter plaatse worden aangemerkt als matig tot zeer goed. Gelet op de aanwezigheid van geluidluwe gevels en buitenruimtes en de toepassing van hedendaagse bouwkundige kwaliteitseisen, wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen als aanvaardbaar beoordeeld.

Gefaseerde BOPA en vervolgonderzoek Voorliggende aanvraag betreft een eerste BOPA (planologisch basisbesluit) waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is en dat een goed woon- en leefklimaat haalbaar is. Het akoestisch onderzoek onderbouwt deze haalbaarheid voldoende.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

40/67

Een eventueel nader onderzoek naar de benodigde karakteristieke geluidwering van de gevels kan plaatsvinden in het kader van een tweede BOPA (BOPA 2), waarin de bouwkundige en technische uitwerking van de woningen verder wordt geconcretiseerd. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen of en in welke mate een dergelijk vervolgonderzoek noodzakelijk is. 5.7.3 Conclusie Op basis van het akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat, met toepassing van maatregelen op gebouwniveau conform het gemeentelijk geluidbeleid, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.8 Geur 5.8.1 Toetsingskader Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden: • indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten; • indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten. Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: 1. zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); 2. houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); 3. enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt:

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

41/67

• • • •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. De in de gemeente Hardinxveld-Giessendam geldende geurnormen en afstanden zijn opgenomen in tabel 1. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor in de Geurverordening gemeente Hardinxveld-Giessendam 2017 aangepaste waarden zijn vastgesteld.

Tabel 2 Afstandseisen en geurnormen

De afstandseisen gelden voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De geurbelasting in ouE/m3 is afkomstig van dieren waarvoor in de Omgevingsregeling een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. 5.8.2 Onderzoek Het plangebied vormt na realisatie een onderdeel van een bestaande bebouwde kom. Daarom moet worden uitgegaan van de afstandseis van 100 meter en de geurnorm van 2 ouE/m3. Nabij het plangebied ligt de paardenhouderij aan Watertoren 3. Overige veehouderijen liggen verder weg en zijn niet van invloed op het plangebied. Afstanden Bij de paardenhouderij aan Watertoren 3 worden volgens de toelichting bij het bestemmingsplan Ritmeester Krommegat 48 paarden gehouden (pensionstal). Voor paarden en de opslag van vaste mest geldt de afstandseis van 100 meter. Op navolgend figuur is de afstandscontour van 100 meter rondom het gehele bedrijf weergegeven. Hierop is te zien dat deze niet tot over het projectgebied reikt waarmee er wordt voldaan aan de afstandseis.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

42/67

Figuur 12 Afstandscontour

Voorgrondbelasting Er zijn geen veehouderijen met varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en/of geiten in de omgeving van het plangebied. Er wordt dan ook voldaan aan de geurnorm van 2 ouE/m3.

Achtergrondbelasting Er zijn geen veehouderijen met varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en/of geiten in de omgeving van het plangebied. Ook de achtergrondbelasting vormt geen belemmering voor het plan.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

43/67

5.8.3 Conclusie Gezien vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9 Spuitzones 5.9.1 Toetsingskader Bij de agrarische percelen waar omgevingsplantechnisch gezien sprake kan zijn van gewasbescherming, dient gemotiveerd te worden of het aspect ‘spuitzones’ al dan niet voor belemmeringen zorgt. Gewasbescherming wordt over het algemeen toegepast door het bespuiten van gewassen, dit kan op verschillende manieren en afhankelijk van de spuitmethode en de windkracht, kunnen de gewasbeschermingsmiddelen zich ook verspreiden over de omgeving. Het verwaaien van spuitneven wordt ‘drift’ genoemd. Er gelden geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstand tussen gronden waar gewassen in de open lucht worden geteeld en gevoelige functies zoals wonen, kampeerterreinen en recreatieverblijven. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De afstanden en teeltvrijzones die in het activiteitenbesluit worden genoemd, hebben betrekking op het oppervlaktewater. De zones bedragen maximaal 5 meter.

Bij gebreke aan wetgeving, is er met jurisprudentie een kader ontwikkeld voor bestemmingsregels die het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen toelaten ten opzichte van bestemmingsregels die gevoelige functies toelaten. Het gaat dan over bestemmingen die alle vormen van open teelt toestaan. Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open teelt mag de raad een algemeen belang toekennen aan de volksgezondheid. In de regels wordt dit algemeen belang vertaald naar een minimale afstand van 50 meter tot woonen verblijfslocaties2. De zone van 50 meter tussen de agrarische functie waar dergelijke open teelt is toegelaten en gevoelige functies moet vrij van spuitnevel of drift blijven. Deze zone wordt een spuitzone, spuitvrije zone of teeltvrije zone genoemd. Afwijken van de vuistregel van 50 meter wordt door de rechter mogelijk geacht maar zelden slaagt men er in de afwijking goed te motiveren 3. 5.9.2 Onderzoek Het projectgebied wordt aan verschillende zijdes begrenst door agrarische percelen waar planologisch gezien het toepassen van gewasbescherming is toegestaan. In de feitelijke situatie is hier echter geen sprake van. De agrarische gronden grenzen aan de ontwikkeling zijn langjarig in gebruik voor grasland. De gronden zijn daarbij enkel bestemd voor reële grondgebonden graasdierbedrijven en vergelijkbaar hobbymatig gebruik (artikel 3.1.1.a/b BP Buitengebied). Fei-

2 3

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2017:1353 https://www.alexadvocaten.nl/spuitzones-op-welke-afstand/

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

44/67

telijk gezien wordt er op gras nauwelijks gespoten, ten hoogste een of tweemaal integraal per seizoen tegen paardenbloemen (echter is de inzet van een spotsprayer is vele malen goedkoper) of wat individuele behandeling van bijvoorbeeld distels met een rugzakspuit. Er is dus geen sprake van integrale gewasbehandeling, welke relevant is voor de spuitzonering. Gesteld kan worden dat er op grasland geen reëel risico is op zodanige inzet van gewasbescherming dat dit driftrelevant wordt. 5.9.3 Conclusie Ten aanzien van het aspect spuitzones worden er geen belemmeringen verwacht voor het planvoornemen. 5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO 2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn.

Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

45/67

project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). 5.10.2 Onderzoek Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. De eisen waaraan de luchtkwaliteit dient te voldoen zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, § 5.1.4.1 “Kwaliteit van de buitenlucht”. Uit artikel 5.53 volgt dat een plan als “niet in betekenende mate luchtkwaliteit” kan worden aangemerkt en in beginsel is vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke omgevingswaarden als sprake is van een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Artikel 5.54 stelt vervolgens dat gebouwen met ten hoogste 1.500 woningen als niet in betekenende mate kunnen worden gezien. Tevens behoort het projectgebied niet tot een van de aandachtsgebieden, welke genoemd zijn in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht.

Eveneens is het geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. 5.10.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11 Natuur en landschap 5.11.1 Toetsingskader Met ingang van 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. Binnen het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de huidige regelgeving in de Wet natuurbescherming. Het betreft met name voorschriften voor de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels ter bescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en voorschriften met betrekking tot de bescherming van houtopstanden. De regelgeving met betrekking tot gebieds- en soortenbescherming vindt haar oorsprong grotendeels in twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

46/67

Gebiedsbescherming In Nederland zijn er specifieke gebieden van groot belang voor flora en fauna, waaronder Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Deze gebieden worden beschermd door verschillende wettelijke instrumenten. In artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000activiteit uit te voeren. Daarnaast bepaalt lid 2 van hetzelfde artikel dat het eveneens verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren. Voor beide gevallen geldt dat afwijkende regelingen kunnen zijn opgesteld in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of een ministeriële regeling. Hoofdstuk 11 van het Bal behandelt de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien geen vrijstelling van toepassing is, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen enkelvoudige en meervoudige aanvragen, afhankelijk van de aard van de activiteit (flora- en fauna-activiteit en/of Natura 2000-activiteit). Natura 2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst deze gebieden aan via een aanwijzingsbesluit, zoals bepaald in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Bovendien stelt hij op basis van artikel 2.43 van de Omgevingswet de instandhoudingsdoelstellingen vast. Nederland beschikt over meer dan 160 Natura 2000-gebieden. Bij de voorbereiding van een omgevingsplan dienen mogelijke significante effecten als gevolg van projecten, plannen en activiteiten, zowel individueel als in combinatie met andere plannen of projecten, te worden geïdentificeerd en beoordeeld, zoals voorgeschreven in artikel 16.53, lid c, van de Omgevingswet. Een activiteit die potentieel significante nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied wordt aangeduid als een Natura 2000-activiteit, zoals beschreven in bijlage A van de Omgevingswet. Natura 2000-gebieden hebben externe effecten, wat betekent dat ook ingrepen buiten deze gebieden die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden geëvalueerd op hun impact op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden goedgekeurd als uit een passende beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij verkregen zekerheid kan vergunningverlening plaatsvinden, zoals bepaald in artikel 8.74, lid b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Als er echter geen zekerheid is verkregen, kan het plan toch worden goedgekeurd mits wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

47/67

2.

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De criteria voor het beoordelen van de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten worden beschreven in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze beoordelingsmaatstaven zijn vastgesteld binnen het aanvullingsspoor Natuur. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Ook is het gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van aanwezige dier- en plantensoorten, typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden maken deel uit van het NNN. Het NNN omvat niet alleen natuurgebieden op land, maar omvat ook alle grote wateren in Nederland, zoals de grote rivieren, het IJsselmeer en de Waddenzee. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Activiteiten in deze gebieden mogen alleen plaatsvinden indien ze geen nadelige effecten hebben op de essentiële kenmerken of waarden van het gebied, of als dergelijke effecten kunnen worden voorkomen of verminderd door het implementeren van mitigerende maatregelen. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Naast de Natura 2000-gebieden heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bevoegdheid om bijzondere nationale natuurgebieden aan te wijzen, zoals vastgelegd in artikel 2.44, lid 2 van de Omgevingswet. Daarnaast kan de provincie in de omgevingsverordening specifieke provinciale natuurgebieden en landschappen als bijzonder aanwijzen, conform artikel 2.44, lid 5 van de Omgevingswet. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet worden tal van dier- en plantensoorten beschermd, met aandacht voor soorten van Europees belang die vallen onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn, evenals bepaalde soorten van nationaal belang. De bescherming van soorten vindt zowel binnen als buiten het NNN plaats.

Deze bescherming kan variëren van wet- en regelgeving tot concrete maatregelen die gericht zijn op het behouden, vestigen of uitbreiden van populaties van ver-

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

48/67

schillende soorten. In overeenstemming met artikel 2.18, lid 1, sub f van de Omgevingswet rust de primaire verantwoordelijkheid hiervoor doorgaans bij de provincies. Niettemin hebben ook decentrale overheden de mogelijkheid actief beleid te voeren, bijvoorbeeld door het opstellen van programma's voor soortenbescherming. Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden nagegaan of er specifieke soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Zoals eerder aangegeven, wordt in hoofdstuk 11 van het Bal bepaald wanneer een omgevingsvergunning vereist is. Stikstof Stikstofemissie betreft de uitstoot van stikstof, afkomstig van bijvoorbeeld verkeer, energiecentrales en industriële activiteiten. Stikstofdepositie is de neerslag van stikstof op de grond. Met name voor de natuur vormt dit een uitdaging, omdat het de bodem verrijkt met voedingsstoffen, wat nadelig is voor de biodiversiteit in het betreffende gebied. Het behoud van alle planten- en diersoorten vereist zowel voedingsrijke als voedingsarme bodems. Wanneer een project zich nabij een Natura 2000-gebied bevindt en potentieel significante stikstofuitstoot en -depositie kan veroorzaken, is het verplicht een stikstofberekening uit te voeren (voor de bouw- en/of gebruiksfase) met behulp van het rekeninstrument AERIUS.

In artikel 4.15 van de Omgevingsregeling staat deze methode vermeld voor het berekenen van stikstofdepositie bij Natura 2000-activiteiten. Om het project te kunnen uitvoeren, mogen de berekende resultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan, kunnen negatieve significante effecten op het betreffende Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten, waardoor het project op basis daarvan kan worden voortgezet. Houtopstanden Bomen en bossen vallen onder ‘houtopstanden’ en vervullen belangrijke en unieke functies in de fysieke leefomgeving, zoals het invangen van fijnstof, de opslag van koolstofdioxide, het bergen van water of het verminderen van grote temperatuurschommelingen in stedelijk gebied, en het vormen van een belangrijk leefgebied voor tal van planten en diersoorten. Gezien de langdurige ontwikkelingstijd van bossen is hun bescherming van aanzienlijk belang. De bescherming van houtopstanden is daarom vastgelegd in de Omgevingswet. De regelgeving omtrent de bescherming van houtopstanden is opgenomen in Afdeling 11.3 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Conform artikel 11.126 van het Bal is het kappen van houtopstanden onderworpen aan een algemene meldplicht.

Daarnaast geldt op basis van artikel 11.129 van het Bal een verplichting tot herbeplanting voor houtopstanden met een oppervlakte van 10 are of meer, evenals voor bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogenaamde 'bebouwingscontour houtkap'. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het omgevingsplan, zoals bepaald in artikel 5.165, lid b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bovendien is er een specifieke zorgplicht (artikel 11.116 van het Bal) van toepassing op het kappen van houtopstanden, het herbeplanten van grond, of na het tenietgaan van een houtopstand op andere wijze.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

49/67

5.11.2 Onderzoek In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag ten behoeve van onderhavig planvoornemen, is door middel van een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan flora en fauna) door van der Goes en Groot een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies samengevat. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage opgenomen. Beschermde soorten Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen.

Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen beschermde amfibieën voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Het gaat om Rugstreeppad. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Vervolgonderzoek rugstreeppad

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

50/67

In het kader van de omgevingsvergunning is een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van de rugstreeppad binnen en rondom het plangebied. Het volledige onderzoek, inclusief methode, onderzoeksresultaten en juridische toetsing, is opgenomen in bijlage 10. Tijdens drie luisterrondes in de periode april–juli 2025 zijn geen roepende mannetjes waargenomen en zijn geen voortplantingswateren of andere aanwijzingen voor de soort vastgesteld. Ook in de directe omgeving zijn geen rugstreeppadden gedetecteerd. Daarmee is vastgesteld dat de Rugstreeppad niet voorkomt in het plangebied en dat er geen voortplantings- of landhabitat van deze soort aanwezig is. Omdat de soort afwezig is, worden geen negatieve effecten verwacht en zijn mitigerende maatregelen of een flora- en fauna-vergunning niet noodzakelijk. Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is 'Biesbosch' op circa 800 meter ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de bouw van 40 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Specifieke zorgplicht Teneinde het naleven van de specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen en passende ontwikkelingsmaatregelen zoals omschreven in het onderzoeksrapport. Verwezen wordt dan ook naar de bijlage. 5.11.3 Conclusie Rekening houdend met hetgeen hiervoor geconcludeerd worden er geen belemmeringen op voorhand verwacht ten aanzien van het aspect ‘Natuur en Landschap’.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

51/67

5.12 Omgevingsveiligheid 5.12.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.

Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente Hardinxveld-Giessendam worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid genoemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buisleidingen aan bod komen (artikel 22.39b). Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen: • opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4); • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5); • exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5); • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

52/67

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 -6-contour van een activiteit vallen. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl).

5.12.2 Onderzoek Het project voorziet in de realisatie van kwetsbare gebouwen, namelijk woningen. In de wijde omgeving van het projectgebied zijn diverse risicobronnen met bijbehorende contouren aanwezig zoals bijvoorbeeld het spoor en de rijksweg A15. Het projectgebied zelf ligt op ruim voldoende afstand van veel van deze risicobronnen en bijbehorende risicocontouren zoals weergegeven op navolgend figuur. Uitzondering hier op is de PR10-8 contour afkomstig van de spoorlijn ten noorden van het projectgebied. Met onderhavig planvoornemen worden er geen zeer kwetsbare objecten opgericht. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

53/67

Figuur 13 Uitsnede kaart externe veiligheid met projectgebied rood omlijnd (bron: AtlasLeefomgeving)

5.12.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.13 Water 5.13.1 Toetsingskader Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid,

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

54/67

niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Rijksbeleid Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaat adaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Provinciaal beleid Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. De concretere invulling om dit te verwezenlijken is opgenomen in o.a. de omgevingsverordening. Verder is een Regionaal Bodem- en Waterprogramma (RWP 2022-2027) door de provincie Zuid-Holland vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Zuid-Holland met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.

Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting in Zuid-Holland. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. Om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen, dienen er bij ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling continu keuzes gemaakt te worden. Hiervoor is in een omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) opgenomen. Met deze regels moet bij toebedelen of wijzigen van functies rekening gehouden worden. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen), natuurfunctie, waterbergende functie etc. Beleid waterschap Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. De doelstellingen en hoe het waterschap dit wil gaan halen voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het waterbeheerprogramma (WBP). Hiernaast heeft het waterschap een Watervisie 2050 opgesteld. De drie belangrijkste aspecten zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid en een gezond, schoon watersysteem.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Met dit beleid is er meer aandacht voor klimaatadaptatie en een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Voor het beheer van de diverse

-25007173 / Proj.nr. P08609 / Vrijgegeven / Versie 1 / 12-03-2026

55/67

wateraspecten en het watersysteem is een waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de waterschapsverordening staan alle regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert voor de diverse activiteiten bij de bescherming van beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen, attentiegebieden, waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen. Activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de waterschapsverordening. Middels het omgevingsloket kan dit gecontroleerd worden. In de waterschapsverordening is opgenomen dat het verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Voor berekening van de benodigde waterberging voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt als vuistregel dat er 436 m3 geborgen dient te worden per hectare verharding. Deze vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water. Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals wadi’s of kratten, geldt als vuistregel dat er 664 m3 waterberging per hectare verharding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1200/documents/36039