CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-620.102.10 Vaststelling BP Zwaluwpad.pdf

Gemeenteraad GHG 30 juni 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 11: Vaststellen bestemmingsplan Zwaluwpad26.657 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op basis van deze verdeling blijkt dat de wateropgave binnen het plangebied kan worden opgelost. Op basis van de compensatienorm blijkt dat er 198 m 3 aan water dient te worden gerealiseerd. Dit komt bij een maximale peilsteiging van 0,20 m neer op 989 m2 waterberging. In het plan wordt 1074,6 m2 nieuw water gerealiseerd. Dit komt neer op een positief saldo van 85,1 m2. Ontwikkelaar behoudt zich het recht om het positieve saldo aan waterberging elders binnen hetzelfde peilgebied in te kunnen zetten. De initiatiefnemer moet dit aanvragen en in de watervergunning laten vastleggen. Als de overcompensatie Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

32

expliciet in de vergunning genoemd wordt, is deze vijf jaar geldig. De overcompensatie dient in hetzelfde peilgebied te worden toegepast. Er wordt voldaan aan de eisen die het waterschap stelt ten aanzien van de waterafvoer, regenwatervoorzieningen en andere voorzieningen. Waterkwaliteit Voor de nieuwbouw van woningen en andere bebouwingen gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Het afvalwater en het regenwater dienen binnen het plangebied gescheiden ingezameld en afgevoerd te worden. Door het afkoppelen van hemelwater worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. Schoon hemelwater van daken wordt via een hemelwaterafvoerleiding rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd. Het afvalwater stroomt via een droogweerafvoerstelsel (DWA) naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Sliedrecht en het regenwater komt uiteindelijk op het oppervlaktewater terecht. Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Voor een goede waterkwaliteit is het van belang dat er bij de bouw geen uitlogende materialen gebruikt worden, om te voorkomen dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.

Het gebruik van (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen is niet toegestaan op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Als dergelijke materialen toch gebruikt worden, dient het regenwater te worden gezuiverd alvorens het wordt afgevoerd; daarbij valt te denken aan bodempassages, lamellenfilters en bermpassages (van belang is een voldoende zuiveringsrendement). Hemelwater moet in ieder geval op deze wijze gezuiverd worden voordat het wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Het plangebied is wel gelegen in een gebied met een overstromingsrisico (met een mogelijke overstromingsdiepte van 1,5 tot 2,0 m) bij een eventuele dijkdoorbraak. Ontsluiting naar vlucht- en evacuatiewegen is echter aanwezig. Natte natuur / verdroging Het plangebied is niet gelegen in een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Doordat alleen schoon hemelwater het plangebied verlaat (met uitzondering van het vuilwater dat via het riool wordt afgevoerd), kunnen natte natuurwaarden op afstand niet via het oppervlaktewater worden aangetast.

Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkelingen, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast. Kwel en hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is een belangrijk uitgangspunt van het waterschap. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extra) kwel aantrekken. Hydrologisch neutraal betekent dat de grondwateroverlast en kwel niet mogen toenemen ten opzichte van de Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

33

bestaande situatie. Als het aantrekken van kwel door bouwactiviteiten onvermijdelijk is, dan zijn compenserende maatregelen nodig. Grondwateroverlast Indien ondergrondse constructies worden gebouwd dient waterdicht gebouwd te worden om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. De meeste drinkwaterbedrijven stellen zich op het standpunt dat koudewarmteopslagsystemen in grondwaterbeschermingsgebieden ongewenst zijn zolang er onduidelijkheid bestaat over de effecten. In of in de nabijheid van het plangebied zijn echter geen grondwaterbeschermingsgebieden of andere milieubeschermingszones aanwezig. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen is een vergunning benodigd. De Legger is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Ontwerpnormen In de Beleidsregels voor de Keur van het waterschap zijn ontwerpnormen voor het watersysteem opgenomen.

Verder zijn er Algemene regels, bijvoorbeeld voor het planten van bomen langs sloten. Stilstaand water moet zoveel mogelijk worden voorkomen, door het onderling verbinden van sloten of bij doodlopende wateren door het plaatsen van lozingspunten vanuit het regenwaterriool. Om het waterkwantiteitsbeheer te kunnen waarborgen dienen doorstroomprofielen in stand te worden gehouden. De watergangen binnen en aangrenzend aan het plangebied kennen een B-status ten behoeve van de lokale waterafvoer en -berging. De watergangen hebben beide een taludhelling van 1:1,5. Ook de nieuwe wateren zullen conform de uitgangspunten in de Legger worden gerealiseerd. 5.4

Conclusie Het voorontwerpbestemmingsplan wordt conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Waterschap voorgelegd.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

34

6

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

6.1

Archeologie

6.1.1 Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft kaarten vervaardigd waarin de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid-Holland is vastgelegd. Dit project is opgezet om het beleid en alle verantwoordelijkheden die de provincie heeft op het gebied van cultureel erfgoed – te weten archeologie, nederzettingsgeschiedenis en landschapsbehoud - te onderbouwen en te integreren. Zo kan de waardering, de toetsing en de actieve bescherming van historische kwaliteiten worden verbeterd. De kaarten vestigen de aandacht op onder meer de landschapsvorming in het poldersysteem.

Afbeelding 6.1: uitsnede uit de CHS Zuid-Holland – landschap (globaal plangebied in zwart)

Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijkt dat binnen het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische lijnen of objecten aanwezig zijn. Het perceel is gelegen aan een rivierdijk met een hoge waarde (Buitendams). De relevante punten die behoren bij de richtlijn ‘continuïteit van karakter‘ betekent voor dijklint Buitendams het: • herkenbaar houden van de ruimtelijke structuur van de verkaveling: dwars op de dijk, variërend van haaks tot enigszins onder een hoek; • vasthouden aan de dichte tot half open bebouwingsstructuur van de dijklinten; • als uitgangspunt nemen van de bestaande kavelopbouw: de bebouwing op de kop van de kavels. • instandhouden van de relatie met het landschap dat vanaf de rivierdijken en tussen de bebouwing door te ervaren is.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

35

De toekomstige appartementen worden in de bestaande structuur van het dijklint gevoegd. De bebouwing staat op de kop van de kavel, direct aan het lint, met voldoende afstand tot de zijdelings gelegen woningen. In de architectuur wordt geanticipeerd op de hoogteverschillen door aan de voorzijde twee, en aan de achterzijde drie bouwlagen te realiseren. Op het lager gelegen deel achter de dijk wordt een groene binnentuin gerealiseerd. De inrichting van het perceel is zodoende in lijn met de bestaande kavelopbouw. De historische waardevolle lijn wordt door de planontwikkelingen niet onevenredig aangetast.

Afbeelding 6.2: uitsnede uit de CHS Zuid-Holland – Archeologie (plangebied in zwart)

Uit de bovenstaande kaart van de CHS Zuid-Holland valt af te leiden dat er voor het plangebied geen grote kans op het aantreffen van archeologische sporen geldt. Gemeentelijke Beleidsnotitie Archeologie Op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente HardinxveldGiessendam (BAAC 2009) is een verfijning gegeven van de archeologische (verwachtings)waarden. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden ‘in situ’ door deze in te passen in de ontwikkeling. Het plangebied herbergt verschillende archeologische zones. Het uiterste noorden van het gebied is aangeduid als een zone met een lage archeologische verwachting. Dat betekent dat bij ingrepen die groter zijn dan 10.000 m2 en dieper reiken dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast heeft het gebied voor een gedeelte een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m 2 en die dieper reiken dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het zuidelijk deel van het plangebied kent een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Op deze gronden is onderzoek nodig bij ingrepen groter of gelijk aan 100m2 en dieper dan 30 centimeter.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

36

Afbeelding 6.3: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente HardinxveldGiessendam, BAAC 2009

Regioprofielen Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft de regio ingedeeld in gebiedsprofielen. Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. Gemeente Hardinxveld-Giessendam valt onder het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. De ambities die zijn gesteld in dit gebiedsprofiel zijn beschreven in paragraaf 4.2 van deze toelichting. 6.1.2 Onderzoek Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Beleidsnotitie Archeologie van de gemeente zoals vastgesteld op 17 augustus 2010 door de gemeenteraad en de bijbehorende “Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, Gemeente Hardinxveld-Giessendam” (zie ook paragraaf 3.6). Het plangebied herbergt verschillende archeologische zones. Het is gedeeltelijk aangeduid als een zone met een middelmatige archeologische verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dat betekent dat bij ingrepen die groter zijn dan 100 m2 en dieper reiken dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast ligt in het zuidelijk gedeelte Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

37

een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het noordoostelijk gedeelte van het plangebied ligt een lage verwachting, waarbij onderzoek nodig is bij ingrepen groter of gelijk aan 10.000m2 en dieper dan 30 centimeter. Op grond van het vigerende bestemmingsplan en de Beleidsnotitie Archeologie geldt voor deze locatie een archeologische verwachtingswaarde. Er heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden door Vestigia. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting. Onderzoeksresultaten Geomorfologische en bodemkundige kenmerken Binnen het plangebied bestaan de natuurlijke afzettingen onder de geroerde bovengrond uit zwak siltige, venige klei die als ongerijpte komklei kan worden geïnterpreteerd, en uit slap tot zeer slap roodbruin bosveen met af en toe wat riet. In het noorden van het plangebied bestaat het natuurlijk bodemprofiel met name uit klei, in de rest van het plangebied met name uit veen. In het veen zijn geen veraarde lagen aanwezig. Bodemopbouw De dikte van de geroerde bovengrond binnen het plangebied varieert sterk (25-190 cm), en is gemiddeld 85 cm dik. Deze variatie is waarschijnlijk indicatief voor bodemroerende ingrepen in het plangebied in het recente verleden.

In boring 4107001 bestaat het opgeboorde profiel tot 180 cm uit opgebracht zand, vermoedelijk het resultaat van de sanering die hier heeft plaatsgevonden. Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Hierbij moet worden opgemerkt dat het opsporen van archeologische indicatoren geen doel is van een verkennend archeologisch booronderzoek. De methode is hiervoor niet geschikt. Eventuele vervolgstappen In alle boringen zijn slappe komkleiafzettingen en veen aangetroffen. Het veen was niet veraard en de komklei ongerijpt. De klei is afgezet en het veen is gevormd in een laag gelegen, drassig gebied, en hebben niet langdurig aan het oppervlak gelegen. Tot aan de ontginning van het gebied in de Late Middeleeuwen is het onaantrekkelijk geweest voor bewoning. Ongeroerde oeverafzettingen van de Merwede van vóór de bedijking, zijn binnen het plangebied niet aangetroffen. Deze, en daarmee eventuele sporen van bewoning uit de Late Middeleeuwen langs de ontginningsas (Buitendams), zullen zijn verdwenen of zijn opgenomen in de geroerde bovengrond, als gevolg van bouw- en saneringswerkzaamheden in het recente verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan de archeologische verwachting voor het hele plangebied worden bijgesteld naar ‘laag’.

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert dan ook geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ).

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

38 6.1.3 Conclusie Uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat de archeologische verwachting op de locatie kan worden bijgesteld naar laag. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor voorliggend plan. 6.2

Cultuurhistorie

6.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2016. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In 2017 heeft de Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ een doorstart gekregen. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het Rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in deze vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

39

waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. 6.2.2 Conclusie Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijken in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten aanwezig zijn. Het gebied herbergt geen waardevolle aspecten.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

40

7.

MILIEUASPECTEN

7.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

7.1.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.1.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

41

Door de initiatiefnemer moet (vanwege een recente wijziging van het Besluit m.e.r.) een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Dit geldt voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.-beoordelingsbeslissing). De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de aanvraag om vergunning voegen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 9. Tevens zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. 7.2

Akoestisch onderzoek

7.2.1 Kader Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De nieuwe woningen in dit plan zijn niet gelegen binnen de onderzoekszones van een weg. De woningen zijn uitsluitend gelegen binnen de invloedssfeer van 30 km-wegen. Dit betreft vooral de ten zuiden van het bestemmingsplan gelegen Buitendams. Voor het verkeer op de 30 km-wegen dient te worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai zoals is vastgelegd in de Wgh. De locatie is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Deze geluidsaspecten zijn daarom verder buiten beschouwing gelaten. 7.2.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan worden 22 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Voor deze woningen is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aandacht besteed aan het aspect geluid omdat deze woningen zijn gelegen binnen de invloedssfeer van enkele 30 km-wegen. Rapporten zijn opgesteld door KuiperCompagnons en opgenomen als bijlage 5 en 6 bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. 7.2.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

42

7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1 Kader De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO 2 en PM10 van 40 µg/m3 aangepast. Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof. Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 µg/m3 (3% van 40 µg/m3) een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” (ook wel: regeling NIBM) zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. In de Regeling NIBM is voor een woningbouwlocatie een cijfermatige kwantificatie opgenomen wanneer een woningbouwproject als NIBM kan worden beschouwd. Momenteel bedraagt de cijfermatige kwalificatie 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen, waarbij het wegverkeer zich evenredig over de beide ontsluitingswegen verdeeld. 7.3.2 Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woongebied met 22 woningen mogelijk. Het plan valt binnen de cijfermatige kwalificatie van 1.500 nieuwe Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

43

woningen bij één ontsluitingsweg. De ontwikkeling valt binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen niet noodzakelijk. Met de NIBM-tool is berekend welke bijdrage het voorliggende plan levert aan de concentratie van fijnstof. Op basis van de ingevoerde gegevens is de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate. In de rekentool zijn 154 extra verkeersbewegingen ingevoerd, conform de standaarden van het CROW. Omdat enkel woningen mogelijk worden gemaakt, is het aandeel van vrachtverkeer verwaarloosbaar.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

154

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

3

NO2 in μg/m

0,11

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Goede ruimtelijke ordening Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of ter plaatse van het plangebied, mogelijke hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen aanwezig zijn. Langs wegen zijn met name de stoffen NO2, PM10 en PM2,5 van belang. Om de luchtkwaliteit op deze locatie te kunnen beoordelen is gebruik gemaakt van de NSLmonitoringstool. In deze tool zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Op de volgende afbeelding zijn de jaarconcentraties NO 2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

44

Afbeelding 7.3: jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 (peiljaar 2020).

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 19,7 μg/m3, 18,5 μg/m3 en 11,1 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2, PM10 ) en 25 μg/m3 (voor en PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. De trend is dat de emissies en de achtergrondconcentraties voor de voorgenoemde stoffen in de toekomst zullen afnemen, waardoor in de toekomst dan ook geen overschrijdingssituaties zijn te verwachten. 7.3.4 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 7.4

Externe veiligheid

7.4.1 Inleiding Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, zoals woningen. In de omgeving van de locatie zijn de volgende risicobronnen aanwezig: - Transportroute voor gevaarlijke stoffen A15 - Transportroute voor gevaarlijke stoffen Beneden-Merwede 7.4.2 Wettelijk kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

45

Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt. Binnen het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Voor transportroutes over de weg bedraagt het PAG 30 meter, gemeten vanuit de rand van de transportroute. 7.4.3 Onderzoek Het bestemmingsplan maakt woningen mogelijk. Woningen zijn in het kader van het Besluit externe veiligheid kwetsbare objecten. Om die reden dient beschouwd te worden of in de omgeving risicobronnen aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Ook worden met het plan zelf geen risicobronnen mogelijk gemaakt. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. Bij de verkaveling van het plangebied is rekening gehouden met de toegankelijkheid voor hulpverlenende instanties. De parkeerkoffers zorgen voor meerdere keermogelijkheden voor hulpverleningsdiensten.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

46

Ook is risicocommunicatie naar de toekomstige gebruikers van de gebouwen zeer belangrijk. Bij aankoop van een woning of het sluiten van een huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. 7.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.5

Milieuhinder bedrijven

7.5.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Voor de afstand tussen inrichtingen richtafstanden: Milieucategorie 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstand Rustige woonwijk 30 50 100 200 300

en

gevoelige functies gelden de volgende

Richtafstand Gemengd gebied 10 30 50 100 200

7.5.2 Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse relevante bestemmingen en inrichtingen gelegen. Op het aangrenzende perceel is een kerk gelegen en aan de noordzijde een school/kinderopvang. Bij de naastgelegen kerk is voorzien in de uitbreiding van de parkeerplaats. Aan de zuidwestzijde is een vrijstaande woning gelegen. Er is onderzocht of de inrichtingen rondom het plangebied van invloed zijn op de toekomstige functies en andersom.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

47

Afbeelding 7.4: functies in de omgeving met geprojecteerde richtafstand van 50m (plangebied in rood)

Kinderopvang In het noordwesten van het plangebied is een kinderopvang gelegen. Het gebouw en de directe buitenruimte leiden niet tot problemen. De contour valt uitsluitend over de bestemming ‘Water’. De richtafstand tot de woningen wordt ruimschoots gerespecteerd. Ook zijn op een gelijke afstand van het gebouw reeds bestaande woningen gelegen, aan de overzijde van het Zwaluwpad. Vrijstaande woning Ten zuiden van het plangebied, aan de Buitendams 382 is een vrijstaande woning aanwezig. De woning heeft een maatschappelijke bestemming, aansluitend op het perceel van het ten noorden gelegen kerkgebouw, en is aangemerkt als bedrijfswoning. In het vigerende bestemmingsplan is reeds gemotiveerd dat de woningen, vanwege de directe nabijheid van andere functies zoals bedrijven en scholen en het ontbreken van een ruimtelijke scheiding tussen de woningen en de kerk, aangemerkt als omgevingstype gemengd gebied. Bij de woningen die tot het gemengd gebied behoren wordt met één afstandsstap afgeweken van de richtafstanden, waardoor deze richtafstand 10 meter bedraagt. De appartementen komen aan het lint te liggen, op enkele meters afstand van de bedrijfswoning. Aan het lint Buitendams bevinden zich echter al volop woningen. Deze woningen zijn maatgevend voor een goed woon- en leefklimaat. Er is tevens geen reden om aan te nemen dat de bedrijfswoning tot overlast leidt.

De richtafstand voor de overige woningen wordt ruimschoots gerespecteerd.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

48

Kerk Direct ten westen van het plangebied, op het perceel Buitendams 384, is de Oud Gereformeerde Kerk gevestigd. Een deel van de westelijke woningen en de appartementen liggen binnen de richtafstand van de kerk. Binnen de richtafstand mogen geen gevoelige (bij)gebouwen gerealiseerd worden. Ten aanzien van de ontwikkeling is nader (akoestisch) onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting ten gevolge van de activiteiten in het kerkgebouw op de patiowoningen te bepalen en te beoordelen. De rapportage is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting. De onderzoeksresultaten zijn als volgt: Langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) De etmaalwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de representatieve bedrijfssituatie ten hoogste 47 dB(A) bedraagt ter plaatse van beoordelingspunt 03 en wordt voldaan aan de normstelling.

Maximaal geluidniveau (LAmax) Het maximale geluidsniveau (LAmax) ten gevolge van parkerende personenauto’s in de maatgevende avondperiode ten hoogste 63 dB(A) bedraagt ter plaatse van beoordelingspunt 06 en wordt voldaan aan de normstelling; Toetsing indirecte hinder Ten aanzien van indirecte hinder (als gevolg van de verkeersbewegingen op de openbare weg van en naar de inrichting) bedraagt de hoogst berekende etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau door inrichtingsgebonden verkeer 40 dB(A) en wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor wegverkeerslawaai voldaan. Conclusie Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden voldaan aan de gestelde richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking bedrijven en milieuzonering en het Activiteitenbesluit. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 7.5.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering is onderzoek gedaan naar de richtafstanden behorende bij de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Hieruit is gebleken dat de inrichtingen geen belemmeringen opleveren voor het plangebied en andersom. 7.6

Flora en Fauna

7.6.1 Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

49

die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

50

ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Hardinxveld-Giessendam is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 7.6.2 Onderzoek Kingfisher Natuurprojecten heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies beschreven. Het volledig rapport is als bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Soortenbescherming Vleermuizen Door het ontbreken van bebouwing of bomen met geschikte holtes kan de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen met zekerheid uitgesloten worden. De bomen binnen het plangebied vormen geen lijnvormig element en zullen geen deel uitmaken van een vlieg- en foerageerroute. Nader onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming is daarom niet benodigd. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied.

De bebouwing in de omgeving van het plangebied zijn geschikt voor de Huismus (Passer domesticus) en in de omgeving zijn waarnemingen van huismussen bekend. Huismussen kunnen mogelijk foerageren in het Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

51 plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen huismussen gezien of gehoord. Om deze reden zal het plangebied geen onderdeel uitmaken van essentiële functionele leefomgeving van de Huismus en is aanvullend onderzoek niet benodigd. Algemene (broed)vogels Het aanwezige groen binnen het plangebied biedt broedgelegenheid voor algemene vogelsoorten. Deze nesten zijn beschermd op het moment dat ze in gebruik zijn. Door de voorgenomen groenverwijdering kan mogelijk verstoring of vernieling van legsels optreden. Om overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd de vegetatie buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor het broedseizoen kan globaal de periode maart tot en met augustus worden aangehouden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient vóór aanvang een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is niet geschikt als functionele leefomgeving voor marterachtigen, doordat er onvoldoende voedsel beschikbaar is en rondom het plangebied onvoldoende schuilmogelijkheden aanwezig zijn voor deze soorten. Daarnaast zijn de bunzing, wezel en hermelijn vrijgesteld in de Provincie Zuid-Holland. Amfibieën en reptielen Het plangebied vormt geen geschikt voortplantingsbiotoop en matig geschikt landbiotoop voor de Rugstreeppad (Epidalea calamita).

Werkzaamheden zoals dempen van watergangen zullen plaats vinden onder ecologische begeleiding, na de voorbelasting is het terrein zeer geschikt als landbiotoop. Hiervoor zullen er rondom de bouwlocatie preventief amfibieënschermen geplaatst worden. Vaatplanten In het plangebied zijn geen strikt beschermde plantensoorten waargenomen waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen zijn voor deze soorten. Zorgplicht Voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) geldt de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; • in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op een afstand van 800 meter van Natura 2000-gebied De Biesbosch.. Voor de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen is de stikstofdepositie in de aanlegen gebruiksfase beschouwd.

Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

52

gebieden in de omgeving van het plan. Deze berekening is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Conclusie AERIUS-berekening In het onderzoek is beoordeeld of de aanleg en het gebruik van de woningen binnen het bestemmingsplan een toename veroorzaakt van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in zowel de aanleg- als de gebruiksfase van deze woningen. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. Het plangebied maakt geen deel uit van en grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNNgebied verloren gaat, is er geen verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN nodig. 7.6.3 Conclusie Het aspect Flora & Fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.7

Bodem

7.7.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Op 1 januari 2006 is de Wbb ingrijpend aangepast omdat het beleid met betrekking tot bodemsaneringen veranderde. De Wbb kent nu een viertal regelingen die alle vier een ander onderdeel van bodembescherming voor hun rekening nemen: Een regeling voor de bescherming van de bodem waarin ook staat dat degene die de bodem verontreinigt, zelf verantwoordelijk is voor het verwijderen van de vervuiling. De overheid kan dwingen tot sanering als de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Een bijzondere regeling voor de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval (calamiteit). Een regeling voor de verontreiniging die is ontstaan voor de Wbb in werking trad in 1987 (historische bodemverontreiniging). Ook in die gevallen geldt dat de vervuiler zelf de verontreiniging verwijdert.

Als er geen vervuiler (meer) is, omdat het bedrijf niet meer bestaat en er geen rechtsopvolger is, zal de sanering door de overheid worden uitgevoerd. Een regeling voor de aanpak van verontreiniging in de waterbodem. Rijkswaterstaat heeft vooral met deze regeling te maken. De regeling geldt voor alle waterbodemverontreiniging, of de vervuiling nu voor of na 1987 is ontstaan. Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

53

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Het besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof maar vallen niet onder dit besluit. Voor grond en baggerspecie in oppervlaktewater en op landbodems gelden aparte regels die ook in het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen; in tegenstelling tot bouwstoffen kunnen ze weer definitief deel gaan uitmaken van de bodem. Tot slot zijn in het Besluit bodemkwaliteit de kwaliteitsregels voor, onder meer, bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses die worden uitgevoerd door adviesbureaus, laboratoria en aannemers (bodemintermediairs) vastgelegd.

Deze regels zijn bekend onder de naam Kwalibo (kwaliteitsborging in het bodembeheer). Kwalibo bevat ook maatregelen om de kwaliteit van ambtenaren die bodembeleid maken of uitvoeren en het toezicht en de handhaving te verbeteren. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Deze afstemmingsregeling is opgenomen in artikel 6.2c van de Wabo. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.7.2 Onderzoek Bij een woonbestemming dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Er is reeds verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Verhoeven milieutechniek.

Bodemkaart De bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) geeft de gemiddelde bodemkwaliteit voor onverdachte locaties binnen een zone. Op de interactieve kaart heeft het noordelijk deel van de locatie de kwaliteitsklasse “Wonen”, waarbinnen grondverzet mogelijk is. De zuidzijde van het gebied is aangemerkt als “Industrie Heterogeen”. Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

54 Bodemonderzoek Op de locatie zijn een verkennend bodemonderzoek, verkennend onderzoek naar asbest en een waterbodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn uitgevoerd door Verhoeven Milieutechniek B.V. in mei 2020. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat en de volledige rapportage is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Onderzoeksresultaten Middels de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem op de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad vooralsnog in onvoldoende mate vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan vooralsnog bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling in verband met de aangetroffen verhoogde gehalten voor metalen, PAK en asbest in de grond. Op basis van de onderzoeksresultaten kan, voor wat betreft de verhoogde gehalten voor metalen en PAK in de grond op het (zuid)oostelijk deel van de locatie, niet uitgesloten worden dat sprake is van een sterke grondverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarde. De ernst en omvang van de eventuele verontreiniging is nog niet in beeld. Derhalve dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd om de omvang, ernst en spoedeisendheid te bepalen van de grondverontreiniging te bepalen. Wat betreft het overige deel van de onderzoekslocatie is de algemene bodemkwaliteit wel in voldoende mate vastgelegd.

Aanvullend onderzoek In het kader van het toekomstig gebruik zijn, eveneens door Verhoeven Milieutechniek B.V., het geadviseerde uit te voeren nadere bodemonderzoek naar zware metalen en/of PAK en nader onderzoek naar asbest uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn gecombineerd uitgevoerd en opgenomen in een rapportage, welke als bijlage 8 bij de toelichting is gevoegd. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven. Onderzoeksresultaten Middels de uitgevoerde aanvullende en onderzoeken zijn de verontreinigingen met zware metalen en/of PAK in de grond voldoende mate onderzochte behoeve van de voorgenomen herontwikkeling. Opgemerkt wordt dat de verontreiniging met zware metalen buiten de onderzoekslocatie, ten zuidoosten van boring B207 onvoldoende is onderzocht. De aangetroffen verontreinigingen zijn, gezien de historie van het terrein, ontstaan voor 1987, waardoor geen sprake is van Zorgplicht. Middels Sanscrit toetsing is bepaald dat bij huidig gebruik toekomstig gebruik (landbouw) onaanvaardbare risico’s voor de mens opleveren in verband met de verhoogde gehalten voor lood in de onbedekte bovengrond. Er is geen sprake van ecologische of verspreidingsrisico’s. Indien er een duurzame afdeklaag of leeflaag van 1,0 m wordt aangebracht zijn er geen onaanvaardbare risico’s voor de mens, het ecosysteem en verspreiding (voorgestelde toekomstige situatie bij wonen met tuin).

De verhoogde gehalten voor PFOA in kleiige bovengrond boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” zijn opnieuw bevestigd.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

55

Het sterk verhoogde gehalte voor nikkel in het grondwater ter plaatse van peilbuis PB108 is opnieuw bevestigd. Een ernstige asbestverontreiniging is tijdens het nader onderzoek middels proefsleuven echter niet opnieuw aangetoond. Aanbevelingen Voor de voorgenomen herontwikkeling zijn sanerende maatregelen noodzakelijk met betrekking tot de sterk verhoogde gehalten met lood en zink in de bovengrond in verband met de toekomstige nieuwbouw en voorgenomen civieltechnische werkzaamheden in de verontreinigde bodem. • Alle sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. • Voorgesteld wordt een BUS-melding op te stellen, waarbij uitgegaan wordt van het aanbrengen van een duurzame afdeklaag/leeflaag, en deze in te dienen bij het bevoegd gezag. Indien gekozen wordt voor een ontgravingsvariant dient rekening gehouden te worden met de verhoogde gehalten voor PFOA, waarvoor momenteel geen verwerkingslocatie is. • Tevens wordt opgemerkt dat de kans bestaat dat, gezien de heterogeniteit, sprake is van een kleinere omvang van de sterke grondverontreiniging (grond > interventiewaarde) en dat een deel van de grond binnen de nu gestelde I-contour voldoet aan de klasse Industrie.

• Indien tijdens de sanering onder milieukundige begeleiding de grond gescheiden ontgraven kan worden en in depots geplaatst, kan middels aanvullende partijkeuringen de grondkwaliteit worden bepaald. • Indien de grond uit deze depots binnen het perceel wordt herschikt (gesloten grondbalans) dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de regels uit het Besluit bodemkwaliteit rekening houdend met toekomstige bestemming van de locatie. • Aanvullend dient rekening te worden gehouden met aanwezigheid van een puinpad. De volledige puinlaag is niet ernstig verontreinigd met asbest, maar bij voorgaand onderzoek is wel gebleken dat de volledige puinlaag indicatief sterk verontreinigd is met PAK. Bij eventuele afvoer van deze puinlaag dient rekening gehouden te worden dat deze laag niet hergebruikt kan worden. • Daarnaast wordt opgemerkt dat bij het nader onderzoek naar asbest geen volledig efficiënte maaiveldinspectie heeft plaats kunnen vinden. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat een verdwaald stukje (zwerf)asbest op maaiveld mogelijk nog aanwezig is. Mocht er bij herontwikkeling en/of civieltechnische werkzaamheden toch nog asbesthoudend materiaal worden aangetroffen, dient dit conform de geldende richtlijnen te verwijderd, middels handpicking.

• In de onderzochte kleiige bovengrond zijn gehalten voor PFOA aangetoond die de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” overschrijden. De gehalten voor PFOA blijven ruim onder de INEV- waarde en vormen geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Dit houdt in dat de grond binnen de herontwikkelingslocatie vrij kan worden toegepast. De betreffende bodemlaag is echter niet geschikt voor toepassing buiten de herontwikkelingslocatie en kan momenteel nog niet worden afgevoerd naar een erkende verwerker.

Bestemmingsplan “Zwaluwpad” Toelichting Vaststelling

56

7.7.3 Conclusie De gronden ter plaatse van de toekomstige woningen worden gesaneerd conform de geldende wetgeving. De aanbevelingen worden in acht genomen. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.8

Verkeer

7.8.1 Verkeersafwikkeling en verkeersaantrekkende werking Verkeersaantrekkende werking Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking va het plan zijn de Kencijfers verkeersgeneratie conform de CROW publicatie 381 gebruikt. Deze cijfers zijn te gebruiken om een inschatting te maken van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij nieuwe ontwikkelingen. De verkeersgeneratie omvat de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer die gedurende een gemiddelde dag naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. De verkeersaantrekkende werking van het nieuwe programma is bepaald op basis van het gebiedstype weinig stedelijk, rest bebouwde kom. Het aantal verkeersbewegingen is gerelateerd aan het aantal woningen en de woningtypologie. De verkeersaantrekkende werking van het plan bedraagt maximaal 154 mvt/etmaal (zie onderstaande tabel). Woningtype

CROW-Categorie

Rijwoning/hoekwoning

Koop,

Aantal woningen

Generatie

Totaal

per woning

mvt/etmaal

huis,

6

7,4

44,4

twee-

4

7,8

31,2

huis,

6

7,4

44,4

Huur, appartement,

6

5,6

33,6

tussen/hoek Twee-onder-één

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/700/documents/22326