Ritmeester Krommegat ontwerp.pdf
Tekst van het document
Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
35
gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele risicobronnen. Het gaat om: de aardgastransportleidingen W‐528‐08 en W‐074; transport van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute: Kijfhoek – Betuweroute Meteren; transport van gevaarlijke stoffen over de Beneden‐Merwede: Corridor Rotterdam‐Duitsland; risicovolle inrichtingen bedrijventerrein Nieuweweg en Langeveer; transport van gevaarlijke stoffen over de A15: afrit 23 (Papendrecht/N3) – afrit 27 (Gorinchem) LPG‐tankstations langs de A15.
Figuur 4.4
Uitsnede professionele risicokaart (Bron: Professionele risicokaart)
Aardgastransportleidingen Ten noordwesten van het plangebied ligt een aardgastransportleiding van de Gasunie, met een grootte van 12 inch en een werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied reikt tot 140 meter. Het plangebied ligt op circa 1,07 kilometer en valt hiermee buiten het invloedsgebied. Spoor Betuweroute Daarnaast vindt ten noorden van het plangebied ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoortraject Kijfhoek – Betuweroute Meteren 202E3.1. Voor deze transportroute geldt op basis van het Regeling Basisnet spoor een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject. Het invloedsgebied van het spoortraject wordt bepaald door stofcategorie D4 en reikt tot meer dan 4.000 meter. Het plangebied is gelegen op circa 1,3 kilometer afstand en valt zodoende binnen het invloedsgebied. Het plangebied ligt echter buiten 200 meter van de transportroute, daardoor hoeven volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied en is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
36
Rivier Beneden Merwede Het vervoer over het water vindt plaats ten oosten van het plangebied, over de vaarwegroute Corridor Rotterdam‐Duitsland. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10‐6 contour van de route. Het invloedsgebied van de vaarroute reikt tot 1.070 meter. In de tabel wordt op grond van het “Programma van eisen voor een nieuwe externe veiligheid risicoanalyse op binnenvaarwegen” tevens het invloedsgebied van deze vaarwegen genoemd. Stofcategorie
LF 1 LF 2 LT 1 GF 3 GT 3 Tabel 4.2
Aantal schepen 1% letaliteitsafstand (per jaar) (in meters) Brandbare vloeistof 9.882 35 Brandbare vloeistof 13.958 35 Toxische vloeistof 146 600 Brandbare gassen 2.135 90 Toxische vloeistof 196 1.070 Programma van eisen voor externe veiligheid risicoanalyse op binnenvaarwegen
Het groepsrisico wordt in Nederland bij transport over water voornamelijk bepaald door transporten van toxische stoffen (GT en LT). Bovenstaande gegevens geven aan dat er 146 transporten van gevaarlijke stoffen met toxische vloeistoffen (LT 1) en 196 transporten van gevaarlijke stoffen met toxische vloeistoffen (GT 3) plaatsvinden. Het invloedsgebied van de stof LT reikt tot maximaal 600 meter en voor de stof GT reikt het invloedsgebied tot maximaal 1.070 meter. Het plangebied is gelegen op circa 465 meter afstand en valt zodoende binnen het invloedsgebied. Ook hier geldt overigens dat het plangebied buiten de 200 meter ligt, daarom is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Risicovolle inrichtingen bedrijventerrein Dekker & Stam (bunkerstation) Dekker en Stam beheren een bunkerschip ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 1,72 kilometer. Hier wordt 410.000 liter aan brandstoffen opgeslagen. Omdat het brandstoffen betreft met een hoger vlampunt dan hun opslagtemperatuur, hoeven deze niet als brandbaar te worden aangemerkt. De inrichting vormt daarmee geen risico voor wat betreft externe veiligheid. Gasdrukstation ENECO (gas) ENECO beheert een gasdrukstation aan de Sluisweg (op een afstand van circa 1,25 kilometer).
De toevoer verloopt via een buisleiding met een diameter kleiner dan 20 inch. Daarmee valt de inrichting niet onder het Bevi. Conform het Activiteitenbesluit dient voor deze inrichting een veiligheidsafstand van, afhankelijk van de doorzet, maximaal 25 meter te worden gehanteerd. Hieraan wordt voldaan. Weg A15 Ten noorden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de A15. Voor deze transportroute geldt een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied van de weg. Het invloedsgebied van de A15 wordt bepaald door stofcategorie LT2 en reikt tot 880 meter. Het plangebied is gelegen op circa 640 meter afstand en valt zodoende binnen het invloedsgebied. Het plangebied ligt echter buiten 200 meter van de weg, daardoor hoeven volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied en is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. LPG‐tankstations Aan de A15 zijn tevens twee tankstations gelegen met een LPG‐vulpunt. LPG tankstations vallen onder het Bevi. Indien sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet voldaan worden aan de normen in dit besluit voor het plaatsgebonden risico en dient binnen het invloedsgebied verantwoording voor
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
37
een toename van het groepsrisico te worden afgelegd. Om verantwoording te kunnen af leggen dient bekend te zijn wat in de huidige situatie de hoogte van het groepsrisico is. Indien de omgeving van een LPG tankstation homogeen bebouwd is dan mag voor de bepaling van het groepsrisico gebruik gemaakt worden van de tabellen die zijn opgenomen in de regeling bij het Bevi. Indien dat niet het geval is dient het groepsrisico middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) te worden bepaald. Bij beide tankstations aan de A15 vindt opslag en verkoop van vloeibare motorbrandstoffen en LPG plaats. De doorzet van LPG bedraagt meer dan 1.000 m3/jaar. Omdat sprake is van een Bevi‐inrichting dienen de risico's in het bestemmingsplan te worden beschouwd en afgewogen. De PR 10‐5 contour ligt op 25 meter van het vulpunt. Daarbinnen mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn; in dat geval is namelijk sprake van een saneringssituatie. In een cirkel op 110 meter rond het vulpunt mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegevoegd. Binnen de 25 meter van het vulpunt zijn geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Omdat de voorgenoemde risicocontouren niet tot het plangebied reiken, wordt voldaan aan de grenswaarde die het Bevi stelt aan het plaatsgebonden risico. De tankstations liggen op een afstand van circa 900m en valt zodoende buiten het invloedsgebied.
Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, in de nabijheid van de woningen is een brandweerkazerne gevestigd. Het plangebied wordt ontsloten via het Kromme Gat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Hardinxveld. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 4 woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden.
Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de rivier Beneden‐Merwede, het spoortraject Betuweroute en de weg A15, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet aanzienlijk toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
38
4.8
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op grond die geschikt is voor een woonbestemming te worden gerealiseerd. Onderzoek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling op de locatie Kromme Gat 4a te Hardinxveld‐Giessendam is door ADCIM B.V. een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage Verkennend bodemonderzoek). In de bodem zijn lichte tot matige verontreinigingen aangetroffen. De oorzaak van de aangetroffen matige nikkel verontreiniging in het grond en grondwater is onduidelijk. Op het eerste oog lijkt er geen aanleiding te zijn voor deze verontreiniging. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek.
Voor de voorgenomen ontwikkeling, vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering, uitgezonderd de met bodemvreemde materialen gedempte watergang. Alvorens de locatie in te richten tot seperate kavels met een woonbestemming, wordt aanbevolen om het dempingsmateriaal te verwijderen. Dit in lijn met de zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 13 in de Wet bodembescherming (Wbb). Conclusie Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Wel dient het zorgplicht in acht genomen te worden.
4.9
Water
Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Rivierland en is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Waterwet
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
39
Provinciaal: Omgevingsvisie; Omgevingsverordening. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016‐2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeentelijk beleid In 2003 heeft de gemeente in samenwerking met het waterschap een stedelijk waterplan voor Hardinxveld‐Giessendam opgesteld. Het doel van het plan met bijbehorende maatregelen was de verbetering van de waterkwaliteit in de woonomgeving en het water meer zichtbaar te maken in de omgeving. Nieuwe ontwikkelingen moeten zo ingericht worden dat minimaal kwaliteit ecologisch mogelijk is en watergangen mogen niet smaller dan 4 meter op de waterlijn zijn. Na de vaststelling van het stedelijk waterplan zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond.
Op een aantal punten in de gemeente wordt door het waterschap de waterkwaliteit gemonitord. Hieruit moet blijken of de uitgevoerde maatregelen het gewenste effect hebben gehad. Indien dat niet zo zou zijn, dan zal mogelijk een tweede generatie waterplan opgesteld gaan worden. Het voorliggende bestemmingsplan biedt voldoende ruimte om eventuele aanvullende beheersmaatregelen uit te voeren. Onderzoek De watertoets is uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van waterschapsbelang en dat de standaardprocedure van het Waterschap gevolgd moet worden. Huidige situatie De Kromme Gat 4a is gelegen in de gemeente Hardinxveld‐Giessendam. In de huidige situatie is het plangebied deels verhard en grotendeels onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem uit klei met zware tussenlaag of ondergrond (Kalkloze poldervaaggronden; zware klei, profielverloop 4), overigens bestaat een deel van het plangebied uit bebouwing (figuur 4.2).
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
40
Figuur 4.5
Bodemsoorten plangebied (rood omcirkeld) (Bron: Bodemkaart)
Het plangebied bestaat voor een overgroot deel uit grondwatertrap III (figuur 4.3). Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) lager ligt dan 0,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld.
Figuur 4.6
Grondwatertrappen plangebied (rood omcirkeld) (Bron: Bodemkaart)
Waterkwantiteit Binnen het plangebied ligt een B‐watergang en een beschermingszone van een B‐watergang. Ten noorden, aangrenzend aan het plangebied, ligt een A‐watergang. Ten oosten en westen bevinden zich C‐watergangen. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning ‐en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan‐ en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
41
onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A‐watergangen is die strook 4 meter breed. Voor B‐watergangen is de strook 1 meter breed. C‐watergangen hebben geen beschermingszone. Ontwikkelingen waarbij sprake is van extra verharding tot 5.000 m2 en waarbij de peilsteiging maximaal 0.20 m is, bedraagt de compensatie 436 m3 per hectare verharding . Dit betekent een uitbreiding van 2.180 m2 open water per hectare. Bij een toename groter dan 5.000 m2 is maatwerk benodigd.
Figuur 4.7
Uitsnede Legger Waterschap Rivierenland
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Het watersysteem speelt in dit gebied een nadrukkelijke rol. Direct ten noorden van het plangebied loopt de wetering die van primair belang is voor het waterafvoer. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is gelegen binnen de buitenbeschermingszone van een regionale waterkering, zie figuur 4.5. Om in de kernzone van een waterkering te bouwen is een vergunning van het Waterschap Rivierenland nodig.
Figuur 4.8
Uitsnede Legger Waterschap Rivierenland
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
42
Afvalwaterketen en riolering Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Het tuincentrum is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Toekomstige situatie Het voornemen is om 4 woningen te realiseren. Waterkwantiteit Met de realisatie van de beoogde ontwikkeling zal er een toename zijn van verharding. In de huidige situatie is 300 m2 verhard. De verharding neemt toe met 1.626 m2, waardoor er 354,5 m2 moet worden gecompenseerd. Om de verharding te compenseren wordt een waterpartij aangelegd van circa 460 m2. Hiermee wordt aan de compensatie‐eis voldaan. Voor de aanleg van de waterpartij zal een watervergunning worden aangevraagd. Het waterschap Rivierenland kent een beschermingszone van 1 meter voor A‐ en B‐watergangen. Voor C‐watergangen gelden geen beschermingszones. De bomen die geplant worden in het rood gearceerde gebied (zie figuur 4.9), grenzen aan een B‐watergang. Hier geldt een beschermingszone van 1 meter vanaf de waterlijn waarin de bomen vallen, deze bomen moeten worden opgeschoven zodat het landschappelijke inpassingsplan niet aangetast wordt. De overige bomen grenzen aan C‐watergangen, hier gelden geen beschermingszones en mag zonder vergunning werkzaamheden plaatsvinden en bebouwing geplaatst worden.
Figuur 4.9
Rood gearceerde gebied grenst aan een B‐watergang
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
43
Waterveiligheid De mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – dijk 2' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Omdat er werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone, zal een watervergunning bij het waterschap worden aangevraagd. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie; Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang); Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders).
Onderzocht zal worden of de afvoer van de droogweerafvoer (dwa) aangesloten kan worden op de aanwezige infra of dat op grotere afstand aangesloten moet worden. Hemelwater en drainage mogen alleen op open water aangesloten worden. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe waterpartijen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone van 5 meter niet zonder vergunning van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige ontwikkeling is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie In en rondom het plangebied bevinden zich verschillende A‐, B‐ en C‐watergangen en een waterkering.
Omdat er werkzaamheden in de beschermingszones worden uitgevoerd, dient een watervergunning te worden aangevraagd. Met de ontwikkeling zal de verharding toenemen. Hiervoor wordt een waterpartij ten noorden van het plangebied aangelegd. Ook hiervoor zal een watervergunning worden aangevraagd. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen voor de huidige waterpartij en het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten worden. In het noordelijke gedeelte van het plangebied moet rekening gehouden worden met de beschermingszone van de B‐watergang.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
44
4.10
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
45
vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.10). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied is gelegen op een afstand van circa 600 meter en betreft het gebied 'Biesbosch'. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 100 meter van het plangebied (figuur 4.10).
Figuur 4.10
Plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000‐gebied en Natuurgebieden
Uit berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities op Natura 2000 die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. De ontwikkeling heeft geen invloed op het NNN‐gebied. In de gebruiksfase is er sprake van een stikstofdepositie van 0,01 mol op niet overbelast habitattype. De kritische depositie en achtergronddepositie zijn weergegeven in tabel 4.3. De toename aan stikstofdepositie in combinatie met de huidige achtergronddepositie blijft onder de Kritische Depositie Waarde (KDW), er is dus geen sprake van overbelasting. Significant negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000‐gebied kunnen daarmee worden uitgesloten (Bijlage Aeriusberekening gebruiksfase en Bijlage Aeriusberekening aanlegfase). Het plan is uitvoerbaar binnen het kader van de Wet natuurbescherming. Habitattype
KDW in mol
Lg11 Kamgrasweide & 1429 bloemrijkweidevogelgrasland van het rivieren‐ en zeekleigebied Tabel4.3 Kritische depositie en achtergronddepositie
Achtergronddepositie in Toename t.g.v. mol/ha/jr. plan in mol/ha/jr. 1245,29 0,01
Soortenbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan uitgevoerd door Adviesbureau Mertens
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
46
(Bijlage Quickscan soortenbescherming Wet natuurbescherming) naar beschermde planten‐ en diersoorten. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om het plangebied bouwrijp te maken buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieven aanwezig. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de provincie Zuid‐Holland. Verder kan de aanwezigheid van heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie van belang om eventuele effecten en maatregelen op een adequate manier in te kunnen schatten. Pas na afronding van deze inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. Conclusie Het nader onderzoek is in uitvoering.
Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan worden de conclusies toegevoegd aan het plan.
4.11
Cultuurhistorie en archeologie
Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads‐ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid‐Holland De provincie Zuid‐Holland heeft kaarten vervaardigd waarin de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid‐Holland is vastgelegd. Dit project is opgezet om het beleid en alle verantwoordelijkheden die de provincie heeft op het gebied van cultureel erfgoed ‐ archeologie, nederzettingsgeschiedenis en landschapsbehoud ‐ te onderbouwen en te integreren. Zo kan de waardering, de toetsing en de actieve bescherming van historische kwaliteiten worden verbeterd. De kaarten vestigen de aandacht op onder meer de landschapsvorming in het poldersysteem. Gebiedsprofielen Zuid‐Holland
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
47
De provincie Zuid‐Holland kent 16 gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen geven een overzicht van de landschappelijke waarden, waarmee bij ruimtelijke ingrepen rekening moet worden gehouden. De gemeente Hardinxveld‐Giessendam valt onder het gebiedsprofiel Alblasserwaard‐Vijfheerenlanden. Onder invloed van het veen en de rivieren heeft de regio Alblasserwaard‐Vijfheerenlanden drie gezichten gekregen: de Alblasserwaard in het westen, de Vijfheerenlanden in het oosten en de stedenband in het zuiden. De Alblasserwaard is een agrarisch landschap met als structuurdragers de linten, de lijnen van het watersysteem en de kamers met verkavelingsblokken. Het gebied kent een sterke oost‐west oriëntatie. Onder invloed van de rivier hebben de Vijfheerenlanden een afwijkend karakter. Naast enkele grote kamers bij de Diefdijk en Hei‐ en Boeicop hebben de linten onder invloed van de ondergrond een grilliger verloop en zijn de kamers onregelmatiger van karakter. Door de grienden, boomgaarden, lommerrijke linten en erven kennen de Vijfherenlanden bovendien een veel rijkere beplanting. Voor beide gebieden geldt dat ze minder waterrijk zijn in vergelijking met andere veenweidegebieden in Zuid‐Holland. De kavelsloten zijn relatief smal en daardoor ook veel minder dominant in het landschapsbeeld. Onder invloed van de rivier, het spoor en de weg is een min of meer aaneengesloten stedenband ontstaan.
De werven en aanverwante industrie zorgen voor een stoer en dynamisch uiterlijk. Aan de noordzijde van de stedenband is door de snelweg A15 en de Betuwelijn een harde grens ontstaan die maar op een beperkt aantal plaatsen gepasseerd kan worden. De acht belangrijkste ambities waar het gebiedsprofiel Alblasserwaard‐Vijfheerenlanden zich op richt zijn: 1. Het veiligstellen van de oost‐west oriëntatie van de open ruimte in de Alblasserwaard. 2. Het veiligstellen en waar mogelijk versterken van het lommerrijke karakter van de Vijfheerenlanden als contrast met de Alblasserwaard. 3. Het behoud van de kamerstructuur, door het herkenbaar houden van de middeleeuwse polderkaden en de linten. 4. Het herkenbaar houden en versterken van de differentiatie tussen en binnen de linten. 5. Het herkenbaar houden en versterken van het hoofdwatersysteem. 6. Het ontwikkelen van kwalitatief hoogwaardige dorpsranden bij het bouwen aan de dorpskernen. 7. Het bij de stedenband middels aantrekkelijke routes naar het landelijk gebied kwalitatief versterken van de stad‐landrelaties. 8. Het behouden en versterken van het contact met de rivier in de stedenband, met name bij herstructureringen en dijkverbeteringen. Onderzoek Gebiedsprofiel Alblasserwaard‐Vijfheerenlanden Kenmerkend voor het plangebied is: Herkenbaar waterrijk veenweide Veenweide komt nagenoeg in het gehele gebied voor.
Het gebied loopt van oost naar west af. Dit gegeven verklaart de opeenvolging van oost naar west in de ondergrond van rivierklei naar veen en uiteindelijk zware klei. In het westen is bovenop de oorspronkelijke rivierondergrond een veencomplex ontstaan. Het aflopende maaiveldpeil bepaalt ook het hoofdpatroon van de ontwatering. De Giessen en de Alblas zijn veenstromen waarvan de hogere oevers de aanleiding vormden voor het ontstaan van bebouwingslinten. Onderscheidend riviergebied Het Kromme Gat bestaat uit komgrond. Het onderscheidend rivierengebied zet vooral in het oosten van de Alblasserwaard‐Vijfheerenlanden haar stempel op het landschap. De dynamische rivieren met hun zware dijken, ruige uiterwaarden, de hoger gelegen oeverwallen en de, verder van de rivier af, lager
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
48
gelegen komgronden bepalen hier het beeld. In dit landschap zijn op de zanderige oeverwallen boomgaarden te vinden en verder van de rivier op de klei de graslanden. Kwaliteit in stads‐ en dorpsgebied Groene ruimte dichtbij huis vormt een belangrijke kwaliteit voor de leefomgeving. De beoogde ontwikkeling zorgt voor voldoende aansluiting op het netwerk van wandel‐ en fietsroutes. Archeologie Uit het bureauonderzoek uitgevoerd door IDDS (Bijlage Archeologisch onderzoek) blijkt dat het plangebied op de overgang van de oeverwal van de Merwede en het komgebied ligt. Ondanks dat het plangebied een dubbelbestemming Archeologie kent, is uit onderzoek geconstateerd dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft voor alle perioden. Het plangebied ligt in een komgebied dat in 1658 deels is geërodeerd, waardoor waarschijnlijk alle mogelijk aanwezige archeologische waarden uit de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd niet langer intact zullen zijn. Tevens blijkt uit het historisch kaartmateriaal dat het plangebied tot in de tweede helft van de twintigste eeuw alleen gebruikt is voor de landbouw en waarschijnlijk geen bebouwing heeft gekend. De dubbelbestemmingen zullen vanwege de lage archeologische verwachting niet worden opgenomen.
Cultuurhistorie Conform het vigerende bestemmingsplan 'Hardinxveld‐Giessendam, bebouwd gebied' kent het gebied geen dubbelbestemming voor cultuurhistorische waarden. De historische ontwikkeling van Hardinxveld‐Giessendam is nog steeds goed waarneembaar en bepaalt in grote mate het karakter van de gemeente. Het ontginningslint Damstraat‐Binnendams en de dijklinten Buitendams, de Rivierdijk en de Peulenstraat zijn als uitgestrekte ensembles nog altijd duidelijk herkenbaar. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Tevens dient het Antenneregister geraadpleegd te worden. Onderzoek Uit de Netkaart van het RIVM is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
49
Figuur 4.11
Uitsnede Netkaart RIVM
In de nabije omgeving van het plangebied staat een antenne. De antenne vormt geen gevaar voor de woningen. Een veilige afstand is 0,95 meter. Het plangebied ligt op circa 120 meter van de antenne en valt daar dus ver buiten.
Figuur 4.12
Uitsnede Antenneregister
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
50
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
51
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische aspecten
Wettelijke eisen
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie‐ en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
5.2
Opzet van bestemmingsregeling
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Opzet verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen 'Wonen', 'Gemengd‐1', 'Groen', 'Water' en 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' opgenomen. Met een bouwvlak is voor de bestemming Wonen aangegeven waar het gebouw gerealiseerd mag worden. Tevens worden de dubbelbestemming 'Waterstaat ‐ Waterstaatkundige functie' opgenomen. Voor het plangebied gelden overigens de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone ‐ dijk 1' en 'vrijwaringszone ‐ dijk 2'. Opzet regels De regels van het plan bestaan uit de volgende onderdelen: a. inleidende regels; b. bestemmingsregels; c. algemene regels; d. overgangs‐ en slotregel.
5.3
Toelichting op de inleidende regels
Begrippen ‐ Artikel 1 Dit artikel van de regels definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
52
Wijze van meten ‐ Artikel 2 Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen, worden in dit artikel verklaard.
5.4
Toelichting op de gehanteerde bestemmingen
5.4.1 Enkelbestemmingen Agrarisch ‐ Artikel 3 De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn primair bestemd voor agrarische bedrijvigheid, in het bijzonder een paardenhouderij. Daarnaast is het hobbymatig houden van dieren tevens toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij voldaan moet worden aan de maatvoeringseisen voor gebouwen. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is het tevens toegestaan niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals mestopslag, longeercircel, stapmolen, en bouwwerken, geen gebouwen zijnde te bouwen. Groen ‐ Artikel 4 Voor structureel groen is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Aangeven is dat ter plaatse geen gebouwen mogen worden opgericht, met uitzondering van straatmeubilair. Het groene karakter van deze gronden dient, binnen in het plan gestelde voorwaarden, zoveel mogelijk behouden te blijven met de inachtneming van het landschappelijk inpassingsplan. Binnen de bestemming is onder andere de aanleg mogelijk van groenvoorzieningen, voet‐ en fietspaden, speelvoorzieningen straatmeubilair, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Verkeer ‐ Verblijfsgebied ‐ Artikel 5 De in het plangebied voorkomende erftoegangswegen zijn bestemd als ‘Verkeer ‐ Verblijfsgebied’. Binnen deze bestemmingen zijn onder andere parkeer‐, groen‐ en speelvoorzieningen alsmede waterberging en watergangen mogelijk.
Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast, met het oog op de verkeersveiligheid, het in het plan beoogde straatbeeld en de bescherming van het openbaar groen nadere eisen stellen aan de situering en de omvang van gebouwen en bouwwerken. Water ‐ Artikel 6 De bestemming ‘Water’ is opgenomen voor de (hoofd)watergangen en oppervlaktewateren in het gebied, alsmede voor de (Buiten‐)Giessen en de Merwede. Ten behoeve van de bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht zoals duikers, bruggen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Wonen ‐ Artikel 7 De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor woondoeleinden. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. 5.4.2 Dubbelbestemmingen Waterstaat ‐ Waterstaatkundige functie ‐ Artikel 8 Ten behoeve van het onderhoud van de hoofdwatergangen in het plangebied is bepaald dat een strook van 5 meter in principe onbebouwd dient te blijven. Een en ander is geregeld middels de dubbelbestemming ‘Waterstaat ‐ Waterstaatkundige functie’. Voor het oprichten van bouwwerken en voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, ten behoeve van de onderliggende bestemming, geldt dat advies moet worden ingewonnen van de waterbeheerder.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
53
5.5
Toelichting op de algemene regels
Antidubbelregel ‐ Artikel 9 Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Algemene bouwregels ‐ Artikel 10 Overschrijding bouwgrenzen Om te voorkomen dat kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden. Parkeren Met deze regeling wrodt geborgd dat er voldoende parkeergelegenheid bij een ontwikkeling wordt gerealiseerd. Algemene gebruiksregels ‐ Artikel 11 In dit artikel zijn gebruiksregels opgenomen aangaande het algemeen gebruik van de gronden binnen het plangebied. Hierin is opgenomen wat verstaan wordt onder strijdig en niet‐strijdig gebruik van de gronden. Algemene aanduidingsregels ‐ Artikel 12 In dit artikel zijn beperkende regels voor wat betreft nieuwe bouwwerken en gebouwen opgenomen vanwege de in het plangebied aanwezige dijken.
Algemene afwijkingsregels ‐ Artikel 13 In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan op basis van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om omgevingsvergunning voor afwijken te verlenen van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Algemene wijzigingsregels ‐ Artikel 14 Overschrijding bestemmingsgrenzen Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. Waarde archeologie Met deze wijzigingsbevoegdheid kan de bestemming Waarde ‐ Archeologie geheel of gedeeltelijk van gronden worden verwijderd, indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn en het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. Op grond van het uitgvoerde onderzoek is geen nader onderzoek noodzakelijk, hiermee komen de archeologische waarden te vervallen. Overige regels ‐ Artikel 15 In de regels van een bestemmingsplan wordt in een aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
54
De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro‐procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich mee kunnen brengen.
5.6
Toelichting op de overgangsrecht‐ en slotregels
Overgangsrecht ‐ Artikel 16 De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). Slotregel ‐ Artikel 17 Deze regel bevat de titel van het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
55
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de verschillende overlegpartners. De ingekomen reacties worden van een beantwoording voorzien. Ter inzagelegging Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom bij de initiatiefnemer. De kosten voor de functiewijziging van het plangebied worden door de initiatiefnemer gedragen. Deze beschikt over voldoende financiële middelen om de ontwikkeling te kunnen realiseren. De gemeentelijke kosten met betrekking tot de planologische procedure en daaraan verwante kosten worden verhaald via een anterieure overeenkomst. Het is daarom niet nodig een exploitatieplan vast te stellen. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
56
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
bijlagen bij de Toelichting
Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Rho adviseurs voor leefruimte
031601.20200104
Realisatie woningen Kromme Gat, Hardinxveld-Giessendam aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
projectnummer:
datum:
031601.20200104
30-06-2020
projectleider:
opdrachtgever:
mr. S. Lamkadmi
Van Dijk Vastgoed BV
auteur(s):
L. el Hachioui MSc
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
031601.20200104
Inhoud
1.
Inleiding
5
2.
Plaats en kenmerken van het project
6
3.
Kenmerken van de milieueffecten
10
4.
Conclusie
15
1.1. 1.2. 1.3. 2.1. 2.2. 2.3.
3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9. 3.10. 3.11.
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? Leeswijzer Plaats van het project Kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten
Verkeer en parkeren Geluid Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem en water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Sloop- en aanlegwerkzaamheden Mitigerende maatregelen
Bijlagen
Bijlage 1 – Akoestisch onderzoek Bijlage 2 – Bodemonderzoek Bijlage 3 – Aeriusberekening Bijlage 4 – Quickscan flora en fauna Bijlage 5 – Archeologisch onderzoek
031601.20200104
5 5 5
6 8 9
10 10 11 11 11 12 13 13 14 14 14
16 17 18 19 20 21
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
031601.20200104
5
1. Inleiding
1.1.
Aanleiding
De opdrachtgever is voornemens om zijn perceel aan de Kromme Gat 4a te Hardinxveld-Giessendam te transformeren naar een woongebied met 4 woningen. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’ (onherroepelijk vastgesteld op 30 maart 2017). Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 4 woningen en blijft daarmee (ruim) onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.
1.2.
Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in?
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: • de plaats van het project; • de omvang van het project; • de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
1.3.
Leeswijzer
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: • beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; • licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; • geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.
031601.20200104
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
6
2. Plaats en kenmerken van het project
2.1.
Plaats van het project
Het plangebied ligt in de gemeente Hardinxveld-Giessendam en bevindt zich achter de historische dijkbebouwing aan de Rivierdijk. Op de voorzijde van de locatie was voorheen een tuincentrum gevestigd. Het plangebied is in gebruik als een bedrijfsterrein, deels verhard en deel begroeid met gras en bomen.
Figuur 2.1 Ligging plangebied (rode contour) (Bron: Google Maps)
Conform het huidige bestemmingsplan 'Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied' kent het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’, 'Waarde – Archeologische verwachting 4' en 'Waarde – Archeologische verwachting 9’. Voor deze dubbelbestemmingen geldt voor alle bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 100 m2 en bodemingrepen dieper dan 0.3 meter een archeologische onderzoeksplicht. Het plangebied kent een gebied met een middelmatige verwachting voor archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd langs de Merwede-dijk (de blauwe lijn). De roodbruine band heeft een hoge archeologische verwachting en het gele gebied kent een lage verwachting (figuur 2.2). Conform het bestemmingsplan 'Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied' kent het gebied geen dubbelbestemming voor cultuurhistorische waarden. Het plangebied valt overigens wel binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – dijk 2'. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
031601.20200104
7
Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebied (figuur 2.3). Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is gelegen op circa 600 meter en betreft het gebied ‘De Biesbosch’. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (figuur 2.3). Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 100 meter van het plangebied. Verder is het project niet gelegen binnen waterwin-, grondwaterbeschermings- en/of milieubeschermingsgebieden (figuur 2.4).
Figuur 2.2 Het plangebied op een uitsnede van Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente HardinxveldGiessendam)
Figuur 2.3 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (Bron: Provincie Zuid-Holland)
031601.20200104
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
8
Figuur 2.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (Bron: Provincie Zuid-Holland)
2.2.
Kenmerken van het project
Het perceel bestaat uit 4 kavels. Er zullen in totaal 4 woningen gebouwd worden, waarvan 3 burgerwoningen en 1 bedrijfswoning (zie figuur 2.5). Aan de noordzijde biedt kavel I ruimte aan een vrijstaande bedrijfswoning. Deze woning wordt net als de andere woningen ontsloten door het verlengen van de achterom via de brandweerkazerne. Naast het autoverkeer, biedt het profiel ruimte voor de voetganger. Aan de noord- en westzijde staat de woning in connectie met het water, waardoor een aantrekkelijk woonklimaat wordt gecreëerd. Ook heeft deze bedrijfswoning een directe relatie met de Pensionstalling Ritmeester door een interne wandelverbinding. De eventuele berging/garage is gekoppeld aan de woning. In bouwveld II-IV wordt een andere typologie geïntroduceerd in de vorm van een drietal gelijkvloerse patiowoningen die levensloopbestendig zijn. Door de geringe hoogte van de woningtypologie (circa 3,5 m), worden deze fraai opgenomen in het landschap. Aan de westzijde staan ook deze woningen direct in contact met het water en hebben ze vrij zicht op het achtergelegen landschap.
Figuur 2.5 Ontwerp locatie Ritmeester (Bron: Stedenbouwkundig Programma van Eisen, Spacevalue BV)
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
031601.20200104
9
Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Kromme Gat en de Rivierdijk. De Kromme Gat is een eenrichtingsweg die is bedoeld voor doorgaand verkeer dat vanaf de Rivierdijk in westelijke richting rijdt en tevens enkel ontsluit langs gelegen percelen. Het verkeer dat vanaf de Rivierdijk in oostelijke richting rijdt, maakt geen gebruik van Kromme Gat maar van de Rivierdijk zelf. Ter hoogte van de twee aansluitingen van de Kromme Gat op de Rivierdijk zijn kruispunten gecreëerd, waar verkeer van rijrichting kan veranderen. Kromme Gat en Rivierdijk zijn in het GVVP Hardinxveld-Giessendam (2012 – 2022) beide gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom. Er geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. Verkeer en parkeren Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. Uit de worst-case berekening blijkt dat de verkeersgeneratie maximaal 64 mvt/etmaal (motorvoertuigbewegingen per etmaal) op een gemiddelde weekdag bedraagt. Er geldt een parkeerbehoefte van 8 á 9 parkeerplaatsen. In paragraaf 3.1 wordt ingegaan op de eventuele milieueffecten hiervan.
2.3.
Cumulatie met andere projecten
Voor zover bekend zijn er redelijkerwijs geen te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.
031601.20200104
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
10
3. Kenmerken van de milieueffecten
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief de effecten van ontwikkelingen in de omgeving waarvan de realisatie zeker is (autonome ontwikkelingen). In het plangebied was een tuincentrum gevestigd.
3.1.
Verkeer en parkeren
Verkeer en ontsluiting Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. Uit de worst-case berekening blijkt dat de verkeersgeneratie maximaal 64 mvt/etmaal (motorvoertuigbewegingen per etmaal) op een gemiddelde weekdag bedraagt. De bestaande infrastructuur in de omgeving zal het extra verkeer door de lage verkeersgeneratie zonder problemen kunnen afwikkelen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. Parkeren In de categorie 'woning, duur' in de rest van de bebouwde kom geeft het GVVP Hardinxveld-Giessendam (2012 – 2022) een minimale parkeernorm van 2,0 per woning en een maximale parkeernorm van 2,2 per woningen. Dit zou betekenen dat er op eigen terrein een parkeerbehoefte van 8 á 9 parkeerplaatsen dient te worden opgelost. Op eigen terrein is bij de woningen voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.2.
Geluid
Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Kromme Gat en de Rivierdijk. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Rho Adviseurs met als doel na te gaan of kan worden voldaan aan een (blijvend) goed woon- en leefklimaat in de omgeving (zie bijlage 1). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de Kromme Gat de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 44 dB, inclusief 5 dB aftrek artikel 110g Wgh. De maximale berekende geluidbelasting van het wegverkeer op de Rivierdijk bedraagt 41 dB, inclusief 5 dB aftrek artikel 110g Wgh. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
031601.20200104
11
3.3.
Geur
Ten oosten van het plangebied bevindt zich een paardenhouderij. Het toetsingskader voor geur afkomstig van een paardenhouderij wordt gevormd door het Activiteitenbesluit. Op grond van het Activiteitenbesluit moet ten opzichte van de beoogde woningen een minimumafstand worden aangehouden tot de emissiepunten van de pensionstal. De beoogde woningen bevinden zich op meer dan 50 m van de emissiepunten van de pensionstal zodat ruimschoots wordt voldaan aan de minimumafstand uit het Activiteitenbesluit. De locatie van de mestopslag, ten noorden van de pensionstal, ligt op grote afstand van de beoogde woningen. De afstand van de mestopslag tot de meest nabij gelegen nieuwe woning bedraagt circa 130 m zodat ruimschoots wordt voldaan aan de minimumafstand van 50 m. Er is daarom geen kans op geurhinder als gevolg van de opslag van paardenmest. De mest wordt overigens wekelijks opgehaald zodat de verspreiding van geuremissie beperkt zal zijn. Hierdoor kan er geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen worden uitgesloten.