CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Ritmeester Krommegat ontwerp.pdf

Gemeenteraad GHG 18 februari 2021, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 6: Vaststellen bestemmingsplan 'Krommegat' - Raadsvoorstel21.578 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Hardinxveld‐Giessendam Ritmeester Rivierdijk bestemmingsplan

Ritmeester Krommegat Hardinxveld‐Giessendam

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0523.BPKROMMEGAT‐DO01

26‐03‐2020 06‐10‐2020

concept ontwerp vastgesteld

projectnummer:

031601.20200104 opdrachtleider:

mr. S Lamkadmi

Weena 505

aangesloten bij:

RBOI - Rotterdam postbusbv150 Delftseplein 27b 3000 AD Rotterdam Postbus 150 T: 010-201 85 55 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl

© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

2

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding en doel

7

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

7

1.3

Geldende bestemmingsplannen

8

1.4

Leeswijzer

8

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Toekomstige situatie

10

Hoofdstuk 3

Beleidskader

13

3.1

Inleiding

13

3.2

Rijksbeleid

13

3.3

Provinciaal beleid

15

3.4

Gemeentelijk beleid

17

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

23

4.1

Inleiding

23

4.2

Vormvrije mer‐beoordeling

23

4.3

Bedrijven en milieuzonering

23

4.4

Wegverkeerslawaai

28

4.5

Verkeer en parkeren

29

4.6

Luchtkwaliteit

32

4.7

Externe veiligheid

34

4.8

Bodem

38

4.9

Water

38

4.10

Ecologie

44

4.11

Cultuurhistorie en archeologie

46

4.12

Kabels en leidingen

48

Hoofdstuk 5

Juridische aspecten

51

5.1

Wettelijke eisen

51

5.2

Opzet van bestemmingsregeling

51

5.3

Toelichting op de inleidende regels

51

5.4

Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

52

5.5

Toelichting op de algemene regels

53

5.6

Toelichting op de overgangsrecht‐ en slotregels

54

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

3

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

55

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

55

6.2

Economische uitvoerbaarheid

55

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Bijlage 2

Archeologisch onderzoek

Bijlage 3

Aeriusberekening gebruiksfase

Bijlage 4

Aeriusberekening aanlegfase

Bijlage 5

Quickscan soortenbescherming Wet natuurbescherming

Bijlage 6

Verkennend bodemonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

4

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

73

Artikel 1

Begrippen

73

Artikel 2

Wijze van meten

79

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

81

Artikel 3

Agrarisch

81

Artikel 4

Groen

83

Artikel 5

Verkeer ‐ Verblijfsgebied

84

Artikel 6

Water

85

Artikel 7

Wonen

86

Artikel 8

Waterstaat ‐ Waterstaatkundige functie

88

Hoofdstuk 3

Algemene regels

89

Artikel 9

Anti‐dubbeltelregel

89

Artikel 10

Algemene bouwregels

90

Artikel 11

Algemene gebruiksregels

91

Artikel 12

Algemene aanduidingsregels

92

Artikel 13

Algemene afwijkingsregels

93

Artikel 14

Algemene wijzigingsregels

94

Artikel 15

Overige regels

95

Hoofdstuk 4

Overgangs‐ en slotregels

97

Artikel 16

Overgangsrecht

97

Artikel 17

Slotregel

98

Bijlagen regels Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

Bijlage 2

GVVP 2012‐2022

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

Toelichting

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Op de locatie Kromme Gat 4a te Boven‐Hardinxveld was voorheen een tuincentrum gevestigd aan de voorzijde van het perceel, met daarachter een onbebouwd stuk. Het voornemen is om dit perceel te transformeren naar een landschappelijk woongebied waarbij de initiatiefnemer 4 woningen wenst te realiseren. De locatie bevindt zich achter de historische dijkbebouwing aan de Rivierdijk en is momenteel grotendeels onbebouwd. De gewenste ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan is het perceel voorzien van een agrarische bestemming. Om de realisatie van woningen planologisch mogelijk te maken, is het noodzakelijk een nieuw bestemmingsplan op te stellen voor deze locatie.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is kadastraal bekend als Gemeente Hardinxveld‐Giessendam, sectie C, nummers 4348, 4913, 4923, 4925, ged. 4997 en 5226

Figuur 1.1

Ligging plangebied (Bron Google Maps)

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

8

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Hardinxveld‐Giessendam, bebouwd gebied' (onherroepelijk vastgesteld op 30 maart 2017) van toepassing. Het plangebied is in het geldend bestemmingsplan bestemd als 'Agrarisch'. Daarnaast is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Voor het noordelijke deel van het plangebied is een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – paardenhouderij' opgenomen. Het zuidelijke deel van het plangebied valt binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – dijk 2'.

Figuur 1.2 plannen)

1.4

Geldend bestemmingsplan 'Hardinxveld‐Giessendam, bebouwd gebied' (Bron: Ruimtelijke

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie en de gewenste toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Zuid‐Holland en de gemeente Hardinxveld‐Giessendam. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de sectorale milieu‐ en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de procedure.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

9

Hoofdstuk 2

2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Op de locatie Kromme Gat 4a was voorheen een tuincentrum gevestigd. Op het perceel rust op grond van het geldende bestemmingsplan 'Hardinxveld‐Giessendam, bebouwd gebied' een agrarische bestemming met een bouwvlak. De locatie ligt direct achter de Rivierdijk ter hoogte van het 'Kromme Gat' en grenst aan het slagenlandschap. De watertoren die een landmark is voor dit gebied ligt ook in de direct nabijheid van het plangebied. Wat betreft de groenstructuur zijn de achtergelegen boskavels zeer beeldbepalend voor de ontwikkeling.

Figuur 2.1

Bestaande situatie plangebied

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

10

2.2

Toekomstige situatie

De locatie zal worden getransformeerd tot een aantrekkelijke woonomgeving, waarbij de woningen worden omgeven door landschap. Het plangebied bestaat uit 4 kavels (zie figuur). Aan de noordzijde biedt kavel A ruimte aan een vrijstaande bedrijfswoning. Deze woning wordt net als de andere woningen ontsloten door het verlengen van de achterom via de brandweerkazerne. Naast het autoverkeer, biedt het profiel ruimte voor de voetganger. Aan de noord‐ en westzijde staat de woning in connectie met het water, waardoor een aantrekkelijk woonklimaat wordt gecreëerd. Ook heeft deze bedrijfswoning een directe relatie met het Pensionstal De Watertoren door een interne wandelverbinding. De eventuele berging/garage is gekoppeld aan de woning. Ook tussen de woningen en de percelen ten noorden van de watergang worden wandelverbindingen aangelegd. In bouwveld B ‐ D wordt een andere typologie woningen geïntroduceerd in de vorm van een drietal gelijkvloerse patiowoningen die levensloopbestendig zijn. Door de geringe hoogte van de woningtypologie (maximaal 4.0 m), worden deze fraai opgenomen in het landschap. Aan de westzijde staan ook deze woningen direct in contact met het water en hebben ze vrij zicht op het achtergelegen landschap. Het watersysteem speelt in dit gebied een nadrukkelijke rol. Direct ten noorden van het plangebied loopt de wetering die van primair belang is voor het waterafvoer.

Het slotenpatroon markeert het slagenlandschap met een duidelijke noord‐zuid richting. De beoogde ontwikkeling bouwt verder op deze structuur. De dwarse sloten worden ingezet als natuurlijke erfgrens waardoor deze opgaan in het landschap. De watergangen worden geflankeerd door groene taluds. Vanuit kwalitatief oogpunt wordt voorzien in extra open water aan de noordzijde van het plangebied. Conform het landschappelijk inpassingsplan wordt er binnen het plangebied een groenstructuur aangelegd die qua uitstraling en ecologische waarden passend is in de omgeving. Dit betekent dat er met inheemse soorten gewerkt dient te worden, waardoor de ecologische waarde van het noordelijk gelegen bosperceel doorgetrokken wordt binnen het plangebied. Door in de beplantingskeuze ook rekening te houden met het naastgelegen perceel, in gebruik als begraafplaats, kan een robuuste groenstructuur van hoge ecologische waarde tot stand worden gebracht. Wat betreft de groenstructuur zijn de achtergelegen boskavels beeldbepalend voor de ontwikkeling. De beplantingssfeer van de noordelijk gelegen boskavel wordt doorgetrokken in een brede zone aan de oostzijde van het plangebied en bepaalt het landschappelijke karakter. Deze beplantingszone zorgt daarnaast voor een robuuste groene inpassing van de naastgelegen stallen.

Deze beplantingszone bestaat uit gebiedseigen beplanting, in dit geval bloemrijk grasland met gestrooide bomen als wilg, els, berk, iep en es (eventueel uitgevoerd als hakhoutbos om de hoogte en dichtheid te beperken).

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

11

Figuur 2.2

Toekomstige situatie plangebied

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

12

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

13

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk is het relevante rijks‐, provinciaal‐ en lokaal beleid beknopt samengevat. Tevens is de beoogde ontwikkeling getoetst aan dit beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vastgesteld op 13 maart 2012), staan de plannen van de rijksoverheid ten aanzien van aspecten op het gebied van ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening.

Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;  een onderwerp provincie‐ of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk‐economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid en heeft daarom uit bovenstaande drie doelen slechts dertien nationale belangen naar voren laten komen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De dertien belangen van het Rijk zijn:  een excellent ruimtelijk‐economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

14

           

vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie; ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; efficient gebruik van de ondergrond; een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; ruimte voor waterveiligheid en duurzame zoetwatervoorzieningen en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora‐ en faunasoorten; ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Conclusie De ontwikkelingen die met onderhavige plan mogelijk gemaakt worden hebben geen nationaal belang. De SVIR zal dus ook geen invloed hebben op onderhavig plan. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Conclusie De ontwikkelingen die met onderhavige plan mogelijk gemaakt worden hebben geen nationaal belang. Het Barro zal dus ook geen invloed hebben op onderhavig plan. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet toe op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald.

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedlijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

15

Conclusie In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Raad van State (28 juni 2017, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. In dit plangebied worden vier woningen mogelijk gemaakt. Om deze reden is de ladder van duurzame verstedelijking niet van toepassing op onderhavig plan.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid‐Holland De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads‐ en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid‐Holland in 2035 CO²‐neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon‐ en leefomgeving in Zuid‐Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Bouwen binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied Met verdichting van het stedelijk gebied wordt de agglomeratiekracht versterkt.

Het draagt bij aan efficiënt ruimtebeslag en door binnenstedelijk te bouwen kan het open landschap behouden blijven. Behoud en ontwikkelen van het groenblauwe netwerk in, om en tussen de steden draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving, een attractief woonmilieu en een gezonde en klimaatadaptieve omgeving. Bouwen binnen bestaand bebouwd gebied speelt in op de behoefte aan binnenstedelijk wonen. De provincie wil dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads‐ en dorpsgebied. Met de inzet voor beter benutten van de bebouwde ruimte volgt de provincie ontwikkelingen in de maatschappelijke behoefte. De vraag naar wonen en werken in of rond stads‐ en dorpscentra neemt toe. De onderbouwing conform de Ladder voor duurzame verstedelijking vormt een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van regionale visies. Nieuwe verstedelijking moet passen past in regionale visies en de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit en andere in de visie en verordening aangegeven ruimtelijke kaders. Tevens moet nieuwe verstedelijking passen binnen wettelijke voorschriften.

Naast het toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de provincie de ruimte beter benutten door in te zetten op transformeren, herstructureren en verdichten bij voorkeur binnen de invloedsgebieden van de stations en haltes van Stedenbaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

16

De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verwerken van de regionale visie wonen, kantoren, en –indien van toepassing – detailhandel en bedrijventerreinen. De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat de samenwerkende gemeenten zelf hun verantwoordelijk nemen en zo nodig bestaande plancapaciteit voor stedelijke ontwikkelingen die niet (langer) in overeenstemming zijn met een regionale visie, zullen wegbestemmen. De provincie is zich bewust dat er grenzen zitten aan de mogelijkheden om te verdichten. Het bepalen of de woningbehoefte binnen de bebouwde ruimte opgevangen kan worden, is niet alleen een technische afweging (is het fysiek mogelijk om de woningbehoefte te accommoderen) maar bevat ook kwalitatieve elementen. Deze elementen zijn er vooral op gericht de leefkwaliteit van de inwoners te beschermen of zo nodig te versterken. Het gaat daarbij om:  het belang van ruimtelijke kwaliteit,  het behoud van voldoende groen binnen de bebouwde ruimte,  de ruimtevraag vanuit klimaat, lucht, geluid, externe veiligheid, bodem, ondergrond en energie.

Figuur 3.1

Uitsnede provinciale kaart Zuid‐Holland (Omgevingsvisie 2019 Zuid‐Holland)

Conclusie De gewenste ontwikkeling past binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied.

3.3.2 Omgevingsverordening De Omgevingsverordening Zuid‐Holland (in werking per 20 april 2019) is gemaakt in samenhang met Omgevingsvisie. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid‐Holland.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

17

In de Omgevingsverordening zijn geen diecte ambities beschreven voor onderhavig plangebied. Dit plan voorziet in de toevoeging van 4 woningen binnen het bestaand stedelijk gebied, waardoor onbebouwde grond wordt benut volgens de wensen van de provincie. De ontwikkeling voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is onderhavig plan in lijn met de regels van de Omgevingsverordening. Ladder voor duurzame verstedelijking Gezien de ligging binnen het bestaand stedelijk gebied en de toevoeging van slechts 4 woningen geldt voor onderhavig plan geen plicht voor het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan is in lijn met het provinciale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Hardinxveld‐Giessendam 2030 De gemeentelijke structuurvisie, die op 19 februari 2015 is vastgesteld, is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter die integrale keuzes bevat voor de hoofdlijnen van beleid voor de komende periode. De structuurvisie bouwt voort op de Visie Hardinxveld‐Giessendam, die op 22 maart 2012 na een zeer interactief traject met de bevolking is vastgesteld. De structuurvisie vertaalt deze visie naar de ruimtelijke ontwikkeling van Hardinxveld‐Giessendam. De structuurvisie, die vooruitkijkt tot 2030, is eveneens een integraal document en heeft als doel om de verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen landschap, woningbouw, maatschappelijke voorzieningen en werkgelegenheid zorgvuldig af te wegen. De structuurvisie biedt een kader waarin aanspraken op de ruimte kunnen worden afgestemd en gecombineerd. Deze structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke en sociale kwaliteiten. Daarnaast is de structuurvisie gericht op het versterken en behouden van de leefbaarheid. In de structuurvisie wordt gestuurd op ruimtelijke structuren: waar gebeurt wat, op welke manier, op welk moment en waarom? De structuurvisie is bedoeld om voor de langere termijn ruimtelijke samenhang tot stand te brengen en bezit daarom een zekere mate van globaliteit en abstractie.

Het vormt de basis voor het toekomstig beleid; ter uitwerking van de structuurvisie kunnen gebiedsvisies, masterplannen en bestemmingsplannen worden opgesteld en concrete (plan)ontwikkelingen in gang worden gezet.

3.4.2 Regionale Woonvvisie Drechtsteden 2017 ‐ 2031 De regio Drechtsteden bestaat uit zeven gemeenten, waaronder de gemeente Hardinxveld‐Giessendam, in een compact stedelijk cluster met circa 280.000 inwoners. Binnen het ruimtelijke en economische netwerk van de zuidelijke Randstad vormt de regio daarmee de derde agglomeratie. Als woongebied profiteren de Drechtsteden van het karakter van maritieme topregio, verbonden door het Drierivierenpunt. Met de schoonheid en kracht van het water, kernen met een eigen identiteit en de nabijheid van natuur van wereldklasse, zijn de woonmilieus in de Drechtsteden onderscheidend en in potentie aantrekkelijk voor een bredere doelgroep dan alleen lokale woningzoekenden. De gunstige ligging, goede bereikbaarheid, de hoge concentratie MKB en de aanwezigheid van een aantal internationale spelers in de maritieme sector, maken de Drechtsteden tot een interessant werkgebied met een goede uitgangspositie voor toekomstige economische ontwikkeling. Om deze kwaliteiten te benutten is een integrale 'Groeiagenda 2030: Goed leven in de Drechtsteden' ontwikkeld. In de groeiagenda zijn de volgende ambities vastgesteld:  Wwonen inzetten als hefboom voor stedelijke ontwikkeling;  groei inwoneraantal als drager voor economische kracht;

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

18

      

stabiliteit en behoud van voorzieningen (meer dan 300.000 inwoners); evenwichtiger verdeling woonsegmenten; duurzame, gezonde woongebieden; benutten unieke gebiedskwaliteiten; transformatie kwetsbare wijken; interactie in binnenstad; compleet voorzieningenaanbod.

Het aantal inwoners per huishouden is dalend, dat betekent dat er meer woningen nodig zijn voor de huidige inwoners van Drechtsteden en toekomtige inwoners. Voor de gemeente Hardinxveld‐Giessendam houdt dit in dat er ongeveer 931 nieuwe woningen moeten komen. Conclusie Het plan is in lijn met de uitgangspunten van de Regionale Woonvisie van de gemeente Hardinxveld‐ Giessendam. 3.4.2.1 Lokale paragraaf gemeente Hardinxveld‐Giessendam Eind 2017 heeft de Drechtraad de regionale Woonvisie 2017‐2031 vastgesteld, hierin is afgesproken dat de individuele Drechtsteden gemeente een lokale paragaaf opstellen. Deze paragraaf sluit tevens aan bij het coalitieakkoord 2018‐2022 en het collegeprogramma 2018‐2022. In de Regionale Woonvisie verbindt de regio de kwalitatieve ambitie van aansprekende woningen en dito woonmilieus aan een kwantitatieve ambitie, om volop in de woningbehoefte te kunnen voorzien. Daarbij is er aandacht voor de kwaliteit van bestaande wijken en de spreiding en kwaliteit van de sociale sector over de regio. Dit is uitgedrukt in 20 kernpunten.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

19

Figuur 3.2 Gemeente Hardinxveld‐Giessendam, 20 kernpunten regionale woonvisie Drechtsteden (Bron: Regio Drechtsteden, 2017) Deze 20 kernpunten uit de Regionale Woonvisie vormen de leidraad voor de Lokale Paragraaf (opgesteld 11 juni 2019) van de gemeente Hardinxveld‐Giessendam. De 20 kernpunten worden via vier overkoepelende thema’s uitgewerkt in de Lokale Paragraaf Wonen: • Voldoende woningen bouwen De inzet van de gemeente is minimaal voldoende bouwen voor de lokale behoefte, maar liefst meer om bij te dragen aan de kwalitatieve regionale ambitie. Volgens actuele prognose zijn de lokale behoefte tot 2030 jaarlijks ruim 80 woningen nodig. De groei moet aansluiten bij de schaal van Hardinxveld‐Giessendam. De gemeente Hardinxveld‐Giessendam zorgt voor ruimte in de woningbouwcapaciteit binnen bestemmingsplannen,om eventuele tegenvallers op te kunnen vangen. Op de planning wordt 130% van de benodigde woningbouw opgenomen. Nieuwbouw in Hardinxveld‐Giessendam is gekoppeld aan het verbeteren van de bereikbaarheid. • Kwalitatief goede woningen toevoegen De gemeente wil meer doen voor midden‐ en hoger opgeleiden door het aanbod van kwalitatief hoogwaardige woonmilieus en duurdere koopwoningen. Primair wordt daarmee ingezet op doorstroming. Zo krijgen ook jongeren kansen. Maar doorstroming is soms moeilijk te sturen.

Daarom zal in beperkte mate ook in het middensegment toevoegingen gewenst zijn, tussen sociale huur en koop; zodat jongeren een start kunnen maken op de woningmarkt door aanbod van middenhuur en betaalbare koop.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

20

Daarbinnen is een deel van de huishoudens aangewezen op sociale huur. Voor hen moet er voldoende en passend aanbod sociale huur zijn. Dit is in Hardinxveld‐Giessendam vooral een kwalitatieve opgave, meer dan een kwantitatieve opgave. • Langer thuis De gemeente faciliteert mensen met een zorgvraag, zodat zij lang thuis kunnen wonen. Voor veel mensen is dit in Hardinxveld‐Giessendam goed mogelijk vanuit traditioneel sterke sociale cohesie en burenhulp. Echter dat geldt niet voor iedereen en voor elke situatie. Sommige mensen missen een netwerk, soms kan het netwerk dit niet aan. Dan is extra ondersteuning en passend woonzorgaanbod noodzakelijk. De gemeente initieert en regisseert de afstemming tussen corporaties, zorgaanbieders, cliëntenorganisaties, huurdersorganisaties, etc. voor een adequaat woonzorgaanbod. • Energie‐ en klimaatbestendig De gemeente levert haar bijdrage aan minder energieverbruik in de woningvoorraad, door bij nieuwbouw het maximale te doen en in de bestaande voorraad noodzakelijke stappen voorwaarts zetten. In 2035 is de gemeente aardgasvrij, in 2050 energieneutraal. Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Hardinxveld‐Giessendam Op 24 september 2015 is de Beleidsvisie Externe Veiligheid door de gemeenteraad vastgesteld.

Dit document beschrijft de visie van de gemeente op de wijze waarop de beheersing van externe veiligheidsrisico's in de gemeente Hardinxveld ‐ Giessendam moet plaatsvinden. De gemeente Hardinxveld ‐ Giessendam wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. De gemeente wil op de hoogte zijn van de risico's en de effecten op haar grondgebied en voert op basis hiervan haar beleid. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid (EV). Om die verantwoordelijkheid in te vullen, heeft de gemeente Hardinxveld ‐ Giessendam de Beleidsvisie Externe Veiligheid vastgesteld. Het doel van deze beleidsvisie is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente aanwezig zijn en hoe met toekomstige risico's om wordt gegaan in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en milieuvergunningverlening. Daarnaast is het belangrijk dat de beleidsvisie voor wat betreft het aspect externe veiligheid een vlotte voortgang van ruimtelijke procedures bevordert: heldere doelen en duidelijke werkprocedures verminderen de kans op onnodige vertraging in ruimtelijke plannen.

3.4.3 Groenbeleidsplan Hardinxveld ‐ Giessendam Het herziene groenbeleidsplan (25 mei 2007) is vooral een strategisch plan. Doel is ten aanzien van het openbaar groen, op zowel gemeentelijk niveau als wijkniveau, beleidsmatig te kunnen sturen en planmatig te beheren. Aan de hand van geformuleerde uitgangspunten, randvoorwaarden en richtlijnen geeft het plan richting aan de ontwikkeling van het openbaar groen binnen de bebouwde kom van de gemeente Hardinxveld‐Giessendam. Het plan zal tevens inzicht geven in de huidige en gewenste groenstructuren, zoneringen, groentypen en beheer‐, onderhouds‐ en inrichtingsmaatregelen. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan de financiële consequenties van de voorgestelde maatregelen. Het groenbeleidsplan is een richtlijn voor de bewoners en moet helder en duidelijk zijn voor het gemeentebestuur en handvatten bieden voor de uitvoerende diensten. In de gemeente Hardinxveld‐Giessendam zijn een aantal duidelijke groenstructuren aanwezig. Deze groenstructuren kunnen worden ingedeeld in de volgende elementen:  vlakvormige elementen: grotere groenelementen, zoals parken, plantsoenen, sportvelden en begraafplaatsen;  lijnvormige elementen: beplantingen met een duidelijke lineaire structuur, zoals lanen of bomenrijen;  puntvormige elementen: zijn kleinere groenelementen zonder samenhang, zoals solitaire (monumentale) bomen en plantsoentjes.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

21

Figuur 3.3

Groenstructuur in de gemeente Hardinxveld‐Giessendam (Bron: Groenbeleidsplan)

Boven‐Hardinxveld is een ‘woonwijk’ die alle facetten van een klein dorp in zich draagt. De wijk kenmerkt zich door een open en duidelijke structuur die in directe relatie met het polderlandschap kan worden gebracht. Natuurvriendelijke oevers en inheemse beplantingsoorten bepalen hier het beeld. De structuur van de beplanting is overzichtelijk en transparant. In de woonstraten worden lage tot middelhoge heesters gebruikt terwijl op de koppen van de straten de beplanting een meer afschermende functie heeft voor het borgen van de privacy van de bewoners. Het onderhoud van de groenvoorzieningen in de gemeente Hardinxveld‐Giessendam is ondergebracht in vier wijksecties met ieder een eigen onderhousploeg. Voor de begraafplaatsen is er een aparte vaste onderhoudsploeg.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

22

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

23

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2

Vormvrije mer‐beoordeling

Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 4 woningen. De beoogde ontwikkeling overschrijdt de drempelwaarden niet. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling' noodzakelijk is.

Ten behoeve van de m.e.r.‐beordelingsbeslissing is een notitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling opgesteld (Bijlage Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling). Op basis van deze notitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.‐beoordelingsbeslissing waarin wordt aangegeven dat geen volledige m.e.r.‐procedure doorlopen hoeft te worden.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

24

Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht.

In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwb edrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. De veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder paarden en melkrundvee). Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld geldt een minimale afstand ten opzichte van geurgevoelige objecten van 100 m indien het object is gelegen binnen de bebouwde kom en 50 m indien het object is gelegen buiten de bebouwde kom. Deze afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast dient in alle gevallen te worden voldaan aan een minimumafstand van 50 of 25 m tussen de gevel van het geurgevoelige object en de meest nabijgelegen gevel van de veehouderij. In het Activiteitenbesluit staat daarnaast dat een afstand van 50 meter aangehouden dient te worden tot mestopslag en opslag van overige bedrijfsstoffen zoals (ruw) voer. Onderzoek In de beoogde situatie worden 4 woningen gerealiseerd.

Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. Het plangebied kan, gezien de aanwezigheid van verschillende bedrijven en ligging nabij een gezoneerd industrieterrein worden aangemerkt als een gemengd gebied. Ter plaatse van de meest noordelijke gelegen kavel wordt een bedrijfswoning gerealiseerd die een directe relatie heeft met de Pensionstal. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein waar bedrijven tot en met milieucategorie 5.1 zich mogen vestigen. Bedrijven die in de VNG‐publicatie zijn ingedeeld in milieucategorie 5.1 kennen een maximale richtafstand van 500 meter in een rustige woonwijk. Zoals hiervoor beschreven kan het gebied worden getypeerd als 'gemengd gebied' waardoor met 1 afstandsstap kan worden afgeweken van de richtafstanden van de VNG‐publicatie. Deze bedrijven hebben een richtafstand van 300 meter in gemengd gebied. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 140 meter, waardoor niet aan de richtafstand wordt voldaan. Tussen het bedrijventerrein en de beoogde woningen zijn reeds (burger)woningen (Kromme gat 4, 4A, 6 en 10) gelegen. De aanwezigheid van deze burgerwoningen bepaalt in de huidige situatie de ontwikkelruimte van de bedrijven op het bedrijventerrein.

Dit betekent dat de bedrijven op het bedrijventerrein al worden belemmerd door de aanwezigheid van deze woningen. Door de oprichting van de nieuwe beoogde woningen in onderhavig plan worden deze bedrijven niet nader beperkt.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

25

Desondanks dient wel sprake te zijn van een acceptabel woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Hierbij is van belang dat rondom het bedrijventerrein op basis van de Wet geluidhinder een geluidzone is vastgesteld. Buiten deze zone mag de gezamenlijke geluidbelasting als gevolg van de gevestigde bedrijven niet hoger zijn dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde (50 dB). De nieuwe woningen liggen allen buiten de geluidzone waardoor ter plaatse van de beoogde woningen de geluidbelasting lager is dan 50 dB. Hierdoor is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat voor het aspect geluid. Daarnaast moeten de bedrijven die gevestigd zijn op het bedrijventerrein ter plaatse van de dichterbij gelegen burgerwoningen al voldoen aan milieuvoorschriften zoals vermeld in hun vergunning(en) of aan de milieuregels zoals vermeld in het Activiteitenbesluit. Ten tijde van vergunningverlening is al getoetst of aan de geldende milieunormen wordt voldaan ter plaatse van de burgerwoningen. Aangezien ter plaatse van de dichterbij gelegen burgerwoningen reeds wordt voldaan aan de geldende milieunormen, zal dit ter plaatse van de verder weg gelegen beoogde woningen ook het geval zijn. Hiermee is een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen (incl. de nieuwe bedrijfswoning) geborgd.

Op circa 15 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een begraafplaats. Een begraafplaats is in de VNG‐brochure ingedeeld in milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Ten zuidoosten van het plangebied, op circa 70 meter, is de brandweerkazerne Boven Hardinxveld gevestigd. Volgens de VNG‐publicatie behoren brandweerkazernes tot milieucategorie 3.1 waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Er wordt aan deze richtafstand voldaan. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een paardenhouderij. In figuur 4.1 is de situatie ter plaatse weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

26

Figuur 4.1 Ligging beoogde woningen ten opzichte van de paardenhouderij De afstand van de grens van de paardenhouderij tot de dichtstbijzijnde beoogde woning is meer dan 25 meter. Een paardenhouderij is op basis van de VNG‐brochure ingedeeld in milieucategorie 3.1 en heeft in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter voor de aspecten geluid en stof. Er wordt aan de richtafstand voor de aspecten geluid en stof voldaan. Daarnaast wordt vanaf de burgerwoningen ook in noordelijke richting voldaan aan de vereiste afstanden. Ten aanzien van geur vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) en het Activiteitenbesluit het belangrijkste toetsingskader. Hieronder wordt voor de verschillende onderdelen van de paardenhouderij nader ingegaan op het aspect geur. Pensionstal De pensionstal biedt ruimte aan maximaal 48 paarden. Op grond hiervan valt het bedrijf volledig onder

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

27

het Activiteitenbesluit. Voor paarden is geen geuremissiefactor vastgesteld, maar geldt er een vaste richtafstand van 50 meter buiten de bebouwde kom of 100 meter binnen de bebouwde kom (art 4 lid 1 Wgv). De beoogde woningen worden ontsloten via het Kromme Gat en de Rivierdijk. Aan deze wegen bevinden zich in een langgerekt lint een aantal verspreid liggende (bedrijfs)woningen en bedrijven. De dichtstbijzijnde dorpskern is die van Boven‐Hardinxveld op een afstand van ongeveer 500 meter. Op grond van bestaande jurisprudentie en de gemeentelijke geurvisie die is opgesteld voor de locatie Koningin Wilhelminalaan 137 kan worden geconcludeerd dat de beoogde woningen buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Woningen die geconcentreerd zijn gelegen in een op zichzelf staande lintbebouwing worden niet beschouwd als binnen de bebouwde kom. De aan te houden afstand van 50 meter geldt vanaf het emissiepunt van het dierverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object (art 4 Rgv). Deze emissiepunten bestaan uit de te openen delen zoals ramen en deuren (art. 1 Rgv). In dit geval bestaat de eerste 10 meter van de "pensionstal" uit kantine/kantoor. Hierin zitten geen ventilatieopeningen vanuit de paardenboxen. Als gevolg hiervan verlaat de lucht vanuit de paardenboxen de pensionstal op een afstand van circa 57 meter of meer (afhankelijk van waar de deuren/ventilatieopneningen exact zitten).

Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstandseis van 50 meter voor het aspect geur. De beoogde bedrijfswoning kent geen bescherming ten opzichte van mogelijke hinder van de pensionstal omdat beide tot dezelfde inrichting behoren. De Wet milieubeheer (Wm) en de Wet geurhinder veehouderij (Wgv) regelen uitsluitend de gevolgen van een inrichting voor de omgeving. Gezien de afstanden (>30 meter) van de bedrijfswoning tot het dierenverblijf (pensionstal) en de mestopslag (>80 meter) kan tevens worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de beoogde bedrijfswoning. Wonen rondom een paardenhouderij brengt een zekere mate van milieubelasting met zich mee, maar leidt in geen geval tot een onaanvaardbaar woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de beoogde bedrijfswoning. Mestopslag De locatie van de mestopslag, ten noorden van de pensionstal, ligt op grote afstand van de beoogde woningen. De afstand van de mestopslag tot de meest nabij gelegen nieuwe woning bedraagt circa 130 meter zodat ruimschoots wordt voldaan aan de minimumafstand van 50 m. Er is daarom geen kans op geurhinder als gevolg van de opslag van paardenmest. De mest wordt overigens wekelijks opgehaald zodat de verspreiding van geuremissie beperkt zal zijn. Overig Verder is van belang dat paarden geen kuilgras eten maar het veel drogere voordroogkuil of volledig gedroogd hooi.

Dit voer produceert geen stank waardoor de situering van de opslag van ruwvoer van paarden niet van belang is vanuit het oogpunt van geurhinder. Uit het Activiteitenbesluit volgt dat de minimumafstanden alleen van toepassing zijn op dierverblijven en niet op de overige bouwwerken, de binnenbak en de stapmolens. Geuremissie ontstaat als paarden langdurig in een kleine ruimte (paardenboxen in de pensionstal) verblijven. Zowel de binnenbak als ook de stapmolens worden kortstondig gebruikt. Als paarden mesten in de binnenbak of stapmolen dan wordt dit opgeruimd. Er is geen geurhinder te verwachten afkomstig uit deze overige bouwwerken. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG‐brochure en de vaste afstanden uit de Wgv en het Activiteitenbesluit.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

28

4.4

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/uur‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk mits voldaan wordt aan het gemeentelijke beleid Hogere Grenswaarden. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh.

Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek Het voornemen is om dit perceel te transformeren naar een landschappelijk woongebied waarbij er op het achterste deel van het perceel 4 woningen worden gerealiseerd. Woningen zijn geluidgevoelige functies waarvoor op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien deze gelegen zijn binnen de geluidzone van een weg. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Kromme Gat en de Rivierdijk.

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage Akoestisch onderzoek). De resultaten zijn:  Ten gevolge van het wegverkeer op de Kromme Gat wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 44 dB, inclusief 5 dB aftrek artikel 110g Wgh.  Ten gevolge van het wegverkeer op de Rivierdijk wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 41 dB, inclusief 5 dB aftrek artikel 110g Wgh. Conclusie De realisatie van de woningen kent geen belemmering met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai. Ter plaatse is sprake van een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

29

4.5

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Ter bepaling van de hoeveelheid verkeer dat door deze ontwikkeling wordt gegenereerd, zijn kencijfers van het CROW (publicatie 381, 2018) gebruikt. De omvang van de verkeersgeneratie wordt onder andere bepaald door de locatie van het plangebied. In deze situatie ligt het plangebied in de rest bebouwde kom in een weinig stedelijke gemeente (volgens de adressendichtheid van het CBS). De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is berekend aan de hand van normen uit het gemeentelijk verkeersbeleid (GVVP Hardinxveld‐Giessendam 2012 – 2022). Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten door het Kromme Gat en de Rivierdijk. Kromme Gat is een eenrichtingsweg met uitzondering van fietsers, die is bedoeld voor doorgaand verkeer dat vanaf de Rivierdijk in westelijke richting rijdt en ontsluit tevens enkele langs gelegen percelen.

Verkeer dat vanaf de Rivierdijk in oostelijke richting rijdt, maakt geen gebruik van Kromme Gat maar van de Rivierdijk zelf. Ter hoogte van de twee aansluitingen van het Kromme Gat op de Rivierdijk zijn kruispunten gecreëerd, waar verkeer van rijrichting kan veranderen. Het plangebied is toegankelijk via een aansluiting op de Rivierdijk (langs de brandweerkazerne op eigen terrein). In de toekomstige situatie zullen de woningen worden ontsloten door het verlengen van de achterom via de brandweerkazerne. Naast het autoverkeer, biedt het profiel ruimte voor de voetganger. Onderstaande figuur toont de ontsluiting van het plangebied op de Rivierdijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

30

Figuur 4.2

Ontsluiting plangebied

Kromme Gat en Rivierdijk zijn in het GVVP Hardinxveld‐Giessendam (2012 – 2022) beide gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom. Er geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. In oostelijke richting leidt de Rivierdijk door de kern Boven‐Hardinxveld via de Nieuwe Wolpherensedijk naar de aansluiting op de A27. In westelijke richting kan via de Nieuweweg Hardinxveld‐Giessendam worden bereikt en verderop de aansluiting op de A15. De bereikbaarheid van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer is goed. In geval van calamiteiten kan via de noordzijde over het naastgelegen perceel aan de oostzijde worden ontsloten. Langzaam verkeer Op Kromme Gat liggen aan beide zijden van de weg fietssuggestiestroken. Op het gedeelte van de Rivierdijk tussen de kruispunten met Kromme Gat ligt aan de zuidkant een vrijliggend fietspad. Op de twee kruispunten kunnen fietsers oversteken, zij moeten hier voorrang verlenen aan het gemotoriseerde verkeer. Er zijn langs Kromme Gat en de Rivierdijk geen voorzieningen voor voetgangers aanwezig. Op het brede profiel van de zijweg van de Rivierdijk (langs de brandweerkazerne) is wel voldoende ruimte voor voetgangers. Ook is er voor voetgangers een verbinding naar het bos, door de brug over de watergang. Openbaar vervoer Op circa 100 meter loopafstand van het plangebied ligt de bushalte Boven‐Hardinxveld, Seolto.

Hier halteert de buurtbus 707 tussen Giessenburg Regthuis ‐ Boven‐Hardinxveld Station. Tijdens de spits halteert hier verder de streekbus 191 tussen Boven‐Hardinxveld Werkendamseveer ‐ Rotterdam Zuidplein.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

31

Verkeersgeneratie en –afwikkeling Binnen het plangebied was voorheen een tuincentrum gevestigd, in de toekomstige situatie wordt het perceel getransformeerd tot woongebied met 4 vrijstaande woningen. CROW publicatie 381 geeft hiervoor een maximaal kencijfer van 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal (weekdaggemiddeld). Dit zou leiden tot een worst‐case verkeerstoename van 35 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Op een gemiddelde werkdag betekent dat een worst‐case verkeerstoename van circa 40 mvt/etmaal (voor woonfuncties wordt doorgaans een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd). De berekende toename is beperkt en zal opgaan in het heersend verkeersbeeld van de Rivierdijk. Ook is de voormalige verkeersgeneratie van het tuincentrum nog niet meegerekend, terwijl deze ook al zorgde voor een verkeersaantrekkende werking en de toename daarmee lager uitvalt dan is berekend. Derhalve leidt de beoogde ontwikkeling niet tot knelpunten met betrekking tot de verkeersafwikkeling. Parkeren In het GVVP Hardinxveld‐Giessendam (2012 – 2022) wordt voor parkeernormen verwezen naar de meest actuele kencijfers van het CROW. CROW‐publicatie 381 (2018) geeft voor vrijstaande koopwoningen in de rest bebouwde kom van een weinig stedelijke gemeente een minimale norm van 1,9 parkeerplaats per woning en een maximale norm van 2,7 parkeerplaatsen per woning. De gemeente hanteert doorgaan de maximale norm.

Dit zou betekenen dat er voor de woningen op eigen terrein een parkeerbehoefte van 11 parkeerplaatsen dient te worden opgelost. Uitgaande van 4 vrijstaande woningen, dienen dus op basis van de maximale norm 11 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Op eigen terrein is bij de woningen voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte. Zo krijgen de woningen een garage met lange oprit met voldoende ruimte om te parkeren. Onderstaande figuur toont de locatie van de ruimte om te parkeren.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

32

Figuur 4.3

Overzicht parkeeraanbod (Bron: Stedenbouwkundig Programma van Eisen Ritmeester 2019)

Conclusie De ontsluiting van het plangebied is goed. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is beperkt en zal nauwelijks merkbaar zijn om het omliggende wegennet. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings‐ praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

33

Stof Stikstofdioxide (NO2)

Toetsing van Grenswaarde Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie Uurgemiddelde Max. 18 keer p.j. meer dan 200 concentratie µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24‐uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. Meer dan concentratie 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht;  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in een functiewijziging naar wonen en het realiseren van vier woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Kromme Gat ten zuidwesten van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020: 18,9 µg/m³voor NO2, 18,4 µg/m³voor PM10 en 11,2 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,5 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

031601.20200104

34

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐6 per jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/536/documents/15935