CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla_Toelichting.pdf

Commissie Ruimte 17 november 2022, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla24.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Om het afstromend hemelwater schoon te houden worden geen uitlogende materialen gebruikt bij de woningbouw en in de openbare ruimte (straatmeubilair en dergelijke). Op nieuwe bouwlocaties zal alleen het huishoudelijk afvalwater worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. Voor het hemelwater moet een andere wijze van afvoeren worden gevonden. Hiervoor bestaan in principe twee mogelijkheden, namelijk infiltratie in de bodem en lozing op het oppervlaktewater. Grondwater De bewoner heeft de verplichting om grondwater op eigen terrein te verwerken (Waterwet art. 3.6). De gemeente heeft een regierol wat inhoudt dat in overleg met degene die overlast ervaart er wordt gekeken naar een mogelijke oplossing. Uitgangspunten hierbij zijn: de perceeleigenaar: verwerkt grondwater op eigen terrein en zorgt voor een waterdicht pand. de gemeente: neemt meldingen in ontvangst en zoekt naar een oplossing. alleen als geen enkele andere partij een oplossing kan of hoeft te bieden, dan neemt de gemeente maatregelen. Er worden alleen maatregelen genomen als sprake is van structurele

24

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 grondwateroverlast die de gemeente op een doelmatige manier kan oplossen. het waterschap; neemt peilbesluiten en beïnvloedt hiermee de grondwaterstand. Vooral buiten de bebouwde kom speelt het waterschap hiermee een belangrijke rol. Ook verleent het waterschap vergunning voor kleinere grondwateronttrekkingen. de provincie: verleent vergunningen voor grotere industriële grondwateronttrekkingen, onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening en onttrekkingen voor een bodemenergiesysteem. Ook werkt de provincie aan natuurontwikkeling. Vooral als ergens sprake is van verdroging zal grondwater voor de provincie een belangrijk onderwerp zijn. Grondwaterneutraal bouwen Voor de bouw van eventuele ondergrondse ruimten (kelders) moet de grondwaterstand gedurende de uitvoeringsperiode mogelijk worden verlaagd. De constructie van de kelder(s) moet zodanig waterdicht worden uitgevoerd dat na de bouw in de gebruiksfase geen (permanente) grondwaterstandverlaging nodig is. Tevens betekent dit ook, dat bij nieuwbouw het vloerpeil (bijvoorbeeld ophogen) of de bouwwijze (bijvoorbeeld kruipruimte loos) moet worden afgestemd op de grondwaterstand, zodat er geen permanente drainage nodig is. Om grondwateroverlast te voorkomen moet er een watertoets worden uitgevoerd.

3.8.10 Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In paragraaf 5.6 zijn de resultaten van de watertoets beschreven.

3.9

Groenbeleid

In het Handboek Harderwijks Groen staat het Harderwijkse groenbeleid voor stad, landschap en bos in samenhang met elkaar beschreven. Dit beleidsplan is in december 2007 door de raad van de gemeente Harderwijk vastgesteld. Hoofddoelstelling van beleid is de hoofdstructuur van stedelijk groen (de Groene Mal) in stand te houden en te versterken. Hier zal niet worden gebouwd en worden ontbrekende schakels hersteld. Het groen dient naast belevingswaarde een duidelijke gebruikswaarde te bezitten (sport/spel). Het Watrefrontpark is een voorbeeld van een groengebied dat tevens een gebruikswaarde vertegenwoordigt.

3.10 Verkeers- en vervoersbeleid 3.10.1 Verkeer Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Harderwijk is opgenomen in het Verkeersstructuurplan (VSP). Het VSP is in december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Harderwijk en het plan bestaat uit een deel Mobiliteitsvisie (met een doorkijk naar 2030) en een deel Gemeentelijk Verkeersen Vervoersplan (met een doorkijk tot 2015). Het VSP geeft aan dat de komende jaren prioriteit wordt gegeven aan het aanpakken van verkeersonveiligheid in algemene zin en verkeersonveilige locaties in het bijzonder en daarnaast het stimuleren van het fietsverkeer in de gemeente Harderwijk. 3.10.2 Parkeren Op 23 mei 2013 is door de gemeenteraad een Parkeernormennota vastgesteld. Deze Parkeernormennota is een uitwerking van de vastgestelde visie op parkeren in Harderwijk (GVVP). De Parkeernormennota dient tevens als uitbreiding/toevoeging aan de parkeerfondsregeling. Omdat er geen wettelijke, door de rijksoverheid vastgestelde en voorgeschreven parkeernormen bestaan, heeft de gemeente Harderwijk besloten om de parkeernormen in één document vast te stellen

25

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 met normen die specifiek toepasbaar zijn voor de situaties binnen de gemeente Harderwijk. Deze parkeernormen worden gebruikt bij het berekenen van de parkeerbehoefte bij voorzieningen als woningen, scholen, winkels, kantoren en bedrijven. Het vaststellen van deze parkeernormen is onder meer voor burgers, projectontwikkelaars en de gemeente Harderwijk zelf van belang. Door het vaststellen is het namelijk voor iedere belanghebbende duidelijk en inzichtelijk welke parkeernormen voor een bepaalde functie gehanteerd worden. Hierdoor ontstaat eenduidigheid in het parkeernormenbeleid.

26

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

Harderwijk is van oudsher onlosmakelijk met het water verbonden. In vroeger tijden vormden handel en visserij een belangrijke bron van inkomsten. Na de aanleg van de Afsluitdijk en de drooglegging van Flevoland ligt de stad aan het Wolderwijd en het Veluwemeer. Vanaf de tweede helft van de vorige eeuw werd de historische binnenstad geleidelijk van het water afgesneden door de toenemende druk van bedrijvigheid en recreatie en de hiermee samenhangende verkeers- en parkeerproblemen. Aan de binnenstad grensde het verouderde en vervuilde industrieterrein Haven. Om het tij te keren ontwikkelt gemeente Harderwijk, in nauwe samenwerking met andere partijen, het project Waterfront. Een veelomvattend project dat de stad volop toekomst biedt als toeristische trekpleister, als aantrekkelijke woonstad en als regionaal economisch centrum. Met het Waterfront wordt de relatie tussen de stad en het water hersteld en ontstaat een nieuwe aantrekkelijke kustlijn die berekend is op de eisen van de moderne tijd, met respect voor de natuur en het historische karakter van Harderwijk. Dit bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van de Parkvilla en ook de inrichting van het omliggende Waterfrontpark. In dit hoofdstuk wordt het ontwerp van de Parkvilla en de inrichting van het Waterfrontpark nader toegelicht.

4.2

Waterfrontpark en Parkvilla

Waterfrontpark Centraal gelegen in het Waterfront zal het Waterfrontpark worden aangelegd. Dit park heeft een oppervlakte van ruim 14.000 m² en zal fungeren als groene verblijfsruimte voor de bewoners van het Waterfront, maar ook voor bewoners van de binnenstad en bezoekers van Harderwijk. Het park zal grotendeels 'groen' worden ingericht met het idee een glooiend landschap te creëren. In het park zal ruimte zijn voor verblijf (ligweides, banken etc), maar er zullen ook enkele speelvoorzieningen worden aangelegd voor zowel jonge als oudere kinderen. Hierbij kan gedacht worden aan diverse speeltoestellen, maar ook aan bijvoorbeeld een voorzieningen ten behoeve van skaten en een (verhard) voetbal- of basketbalveldje. Aan de zuidzijde kunnen rondvaartboten en fietsvakantieschepen afmeren en hun bezoekers afzetten voor een bezoek aan de stad. Op de kop van het park is een plek bedacht met aflopende treden richting het water waardoor het water optimaal beleefbaar wordt. Het ontwerp voor het Waterfrontpark moet nog verder worden uitgewerkt. In onderstaande afbeelding zijn een aantal impressies opgenomen van toekomstige beelden en functies in het park. Deze geven niet de toekomstige situatie weer maar wel de eerste ideeën. Samen met omwonenden zullen ontwerpsessies worden georganiseerd die helpen bij de verdere invulling van het park.

27

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

Parkvilla In het park is ruimte gereserveerd voor de bouw van de Parkvilla. Dit woongebouw zal één van de drie blikvangers worden voor zowel het Waterfront als voor Harderwijk. De Parkvilla maakt een belangrijk onderdeel uit van het park en zal daarom qua uiterlijk hierop worden afgestemd. Voor het nieuwe ontwerp wordt uitgegaan van een groen en duurzaam ontwerp, dat naadloos aansluit bij het groene karakter van het park. Ook is dit in deze tijd, waarin steeds meer aandacht voor het milieu is, een bewuste keuze. Onderstaand zijn enkele sfeerbeelden zichtbaar waaraan bij een dergelijke uitstraling gedacht kan worden.

Wat betreft de verschijningsvorm en detaillering zal in een later stadium het definitieve ontwerp voor het gebouw worden gemaakt. De criteria hiervoor, een aansprekend ontwerp met een duurzame uitstraling, zullen worden beschreven in een beeldkwaliteitplan dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd in bijlage 1. Dit beeldkwaliteitplan wordt na vaststelling onderdeel van de welstandsnota. De parkvilla is zo in het park gepositioneerd dat er voldoende afstand is ten opzichte van de bestaande en toekomstige woningen in het Waterfront en dat het park op een goede, aansprekende wijze ingericht

28

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 kan worden. Het ontwerp voor de parkvilla gaat uit van een maximale bouwhoogte van 28 meter. De voorgestelde hoogte op deze plek is zeker denkbaar, het is passend binnen het totale stedenbouwkundige plan voor het Waterfront en zorgt voor het gewenste onderscheidende beeld. Het gebouw zal geheel ingevuld worden met woningen en staat op een verhoogde plint waarop zich de privé buitenruimtes voor de appartementen op de begane grond bevinden. Dit biedt eveneens de mogelijkheid om het parkeren half verdiept onder het gebouw aan te leggen. De parkeergarage zal circa 2 meter boven het maaiveld uitsteken, waarbij een deel van het uitstekende deel van de parkeergarage zal worden geïntegreerd in een glooiend landschap van het Waterfrontpark . Door de beperkte 'footprint' van het gebouw (maximaal 400 m²) en de halfverdiepte parkeergarage (maximaal 800 m²) ontstaat er een slank en rank gebouw met een beperkt ruimtebeslag ten opzichte van het park. De halfverdiepte parkeergarage zal aan de noord- of oostzijde een in/-uitgang krijgen en aantakken op de Waterstadboulevard. Bij de plaatsing van de uitgang van de parkeergarage dient voorkomen te worden dat omwonenden lichthinder ondervinden.

Aangezien nog onbekend is hoeveel appartementen worden gerealiseerd, is ook nog niet bekend hoeveel parkeerplaatsen in de verdiepte parkeergarage zullen komen. Duidelijk is dat hier onvoldoende plek is om volledig te voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen. Daarom worden in de nieuw te realiseren parkeergarage op de Kop Stadswerven voldoende parkeerplaatsen gereserveerd om het tekort op te vangen. Op deze manier kan ruimschoots voldaan worden aan de norm.

4.3

Voorgeschiedenis

In de loop der jaren zijn in verschillende visies en stedenbouwkundige studies het Waterfrontpark en de ontwikkeling van een gebouw in het park verkend. Ook hebben er naar aanleiding van een voorstel uit 2018 op diverse manieren gesprekken plaats gevonden met omwonenden, de raad en de stad. Onderstaand staat dit kort beschreven: In het Masterplan Waterfront 2003 wordt voor het Waterfrontpark gesproken over een 'bijzonder, iconisch' gebouw; In 2008 is voor Waterfront-Zuid een globaal bestemmingsplan vastgesteld waarin een uitwerkingsplicht is opgenomen. In dit bestemmingsplan is voor geheel Waterfront-Zuid een maximale bouwhoogte opgenomen van 12 meter en 18 meter; In 2013 is beeldkwaliteitsplan Waterfront-Zuid vastgesteld. Hierin werd voor de Parkvilla gesproken over bijzonder, expressief gebouw met hoogteaccent (Het Hooge Huis). Het moet samen met twee andere locaties een nieuw beeldmerk worden voor Waterfront die in maat en schaal afwijken van de rest van de bebouwing; Vervolgens is in 2018 het voorstel gekomen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen waarin uit wordt gegaan van een maximum bouwhoogte van 30,5 meter en een oppervlakte van maximaal 728 m2.

Eind 2018 is hiervoor een afwijkingsprocedure opgestart en is een ontwerp ter inzage gelegd ("Gelders Kasteel"); In 2019 is naar aanleiding van de ter inzage legging van het ontwerp afwijkingsbesluit een variantenstudie opgesteld. Hierover is een informatiemarkt geweest. Eind 2019 is een nieuw ontwerp gepresenteerd; in juni 2020 heeft een online stadsgesprek plaatsgevonden waarbij men zich kon uitspreken over het ontwerp van de Parkvilla; Eind 2020 heeft burgemeester en wethouders de uitgangspunten voor de nieuwe Parkvilla vastgesteld. Dit voorstel is in januari 2021 besproken in de commissie Ruimte. De uitgangspunten zijn: 1. Een slanke woontoren van maximaal 28 meter hoog; 2. Met een zo minimaal ruimtebeslag van het park; 3. De locatie zoveel als mogelijk in de "zuidoost" hoek van de Kop van de Stadswerven; 4. Een aansprekend, iconisch ontwerp met een duurzame uitstraling. Deze uitgangspunten zijn (met uitzondering van een iconisch ontwerp) nu verwerkt in onderliggend bestemmingsplan. Onderbouwing

29

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 In het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan en beeldkwaliteitplan uit 2013 voor het Waterfront zijn op een aantal plekken markante gebouwen of hoogteaccenten opgenomen. Deze gebouwen zullen beeldbepalend worden voor het imago van het Waterfront. Juist deze onderdelen geven het plan extra glans en karakter. Zij voegen nieuwe, eigentijdse en hoogwaardige tekens toe aan het silhouet van Harderwijk. Deze objecten passen uitstekend bij het ambitieniveau. De belangrijkste nieuwe objecten in het plangebied zijn: De toren op de kop van de Bakens; als landmark vanuit de vlakke polder en poort tot Gelderland en de Veluwe. Het Lichthuis, als karakteristiek vuurtorenachtig woongebouw bij de monding van de haven op het Noordereiland. Dit is het nieuwe beeldmerk van Harderwijk vanaf het water. Het Hooge Huis, als karakteristiek gebouw in het nieuwe stadspark op de kop van het gebied de stadswerven, prominent aan de boulevard als symbool voor Harderwijk.’ Parkvilla Het plaatsen van een bijzonder, hoog gebouw in het Waterfrontpark op deze plek sluit dus aan op het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan voor het Waterfront. Het is een van de drie hoogteaccenten die bedacht zijn in het plan.

Op deze wijze worden de belangrijke plekken in het Waterfront geaccentueerd en wordt het plan stedenbouwkundig leesbaar. Om hier het gewenste hoogteaccent te maken is de bouwhoogte van de Parkvilla vastgesteld op 28 meter. Het gebouw is daarmee 10 meter hoger dan de bebouwing langs de Waterfrontboulevard, die maximaal 18 meter zal bedragen. Om het eigentijdse karakter van het gebouw te borgen worden de beeldkwaliteitskaders voor het gebouw aanscherpt en wordt een eigentijds groen en duurzaam karakter voorgeschreven. Juist door zijn solitaire ligging in het park samen met de bouwhoogte van 28 meter en de duurzame uitstraling zal hier het gewenste beeld gaan ontstaan zoals omschreven is in het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan en in het beeldkwaliteitplan uit 2013. Alternatief Het alternatief gaat uit van het toevoegen van het bouwvolume van de Parkvilla op het aanliggende bouwblok langs de Waterfrontboulevard. Een voordeel van dit scenario is dat een deel van het park niet bebouwd zal worden en dat het uitzicht van bewoners op de kop van Zuidereiland minder wordt aangetast. Er kleven echter ook belangrijke nadelen aan dit alternatief. Uit een eerste verkenning blijkt dat er dan een accent zal ontstaan van 35 meter hoog. Dit volume heeft beduidend meer impact op de historische binnenstad en op de woningen die nog gebouwd worden in fase 3 van de Stadswerven.

Dit nieuwe volume zal ook beduidend meer schaduw werpen op het nieuwe stadspark. Doordat het accent onderdeel is van een groter bouwblok met bebouwing van 5 bouwlagen zal het gewenste beeld moeilijk te realiseren zijn. Er ontstaat op deze manier geen bijzonder solitair gebouw met uitstraling in het Waterfrontpark, zoals dat altijd uitgangspunt geweest is bij de opzet van het Masterplan. Conclusie Het voorstel om het bestemmingsplan voor de parkvilla in procedure te brengen is in lijn met het reeds eerder door de gemeenteraad vastgestelde Masterplan en Beeldkwaliteitsplan. Het is de uitgelezen kans om op een prominente plek in het Waterfront van Harderwijk een duurzaam gebouw te realiseren. Alternatieve plannen komen gedeeltelijk tegemoet aan de bezwaren van direct omwonenden maar doen de opzet van het stedenbouwkundig plan geweld aan. Hun stedenbouwkundige impact op de historische binnenstad, de nieuw te ontwikkelen woongebieden en het stadspark is zo ingrijpend dat dat geen alternatieven zijn.

4.4

Duurzaamheid

Met betrekking tot duurzaamheid zijn ambitieuze doelstellingen gesteld. Deze kunnen onderverdeeld worden in vier thema's: Aardgasloos en energieneutraal bouwen Er wordt ingezet op een CO2 uitstoot die tussen 2010 en 2031 met 45% op stadsniveau wordt gereduceerd. In de praktijk betekent dit dat nieuwbouw per definitie gasloos en in principe energieneutraal c.q. -leverend moet worden gerealiseerd. De Parkvilla zal worden aangesloten op het Open Warmtenet. Water, klimaatadaptatie en biodiversiteit

30

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Er wordt gestreefd naar een klimaat adaptieve stad. Het voorkomen van wateroverlast en hitte stress, het beperken van droogte en het stimuleren van biodiversiteit door slimme (groen)toepassingen in, aan en om de woningen is noodzakelijk om dit doel te realiseren en bewoners tevens meer woongenot te bieden. Bij toepassingen in en aan de woningen kan gedacht worden aan het metselen in de spouwmuur van winterverblijfplaatsen van vleermuizen en het aanbrengen van verblijfplaatsen voor de huismus. Dit wordt natuurinclusief bouwen genoemd. Circulair bouwen Bij de bouw wordt ingezet op circulair materiaalgebruik in de stad. Het inzetten op hergebruik van materialen en/of duurzaam materiaalgebruik en het nu voorkomen dat materiaal in de toekomst gerecycled moet worden is van belang om bij de nieuwbouw in Waterfront hier concreet invulling aan te geven. Mobiliteit Duurzame mobiliteit wordt bereikt door het creëren van veilige, leefbare, op voetgangers georiënteerde buurten en wijken. Het gebruik van fossiele brandstoffen en fijnstofemissies moeten worden teruggedrongen door nieuwe mobiliteitsconcepten als elektrisch vervoer en/of deelauto's.

31

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

32

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

Hoofdstuk 5 5.1

Onderzoek

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Per onderzoeksaspect wordt een beschrijving gegeven van de situatie ter plaatse.

5.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.2.1 Stedelijke ontwikkeling Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is een onderbouwing voor de Ladder voor duurzame verstedelijking verplicht. Een stedelijke ontwikkeling voor het bouwen van woningen is een ontwikkeling waarbij ten minste 12 woningen worden gebouwd. Dit bestemmingsplan staat meer woningen toe. Er is dus sprake van een stedelijke ontwikkeling. 5.2.2 Stedelijk gebied Het plangebied is gelegen tussen de binnenstad, de Knardijk N302 en naast woonwijk de Zeebuurt. Het plangebied is een voormalig bedrijventerrein. De locatie is bestaand stedelijk gebied. Er is dus geen sprake van uitbreiding. 5.2.3 Behoefte Voorliggend plan past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte voor Harderwijk en levert een belangrijke bijdrage aan het invullen van de woonopgaven zoals die zijn neergelegd in de Woonvisie Harderwijk 2017. Kortheidshalve kan hier verwezen worden naar paragraaf 3.3 over het woonbeleid. Het programma voor Waterfront draagt voor een belangrijk deel bij aan de realisatie van gevarieerde en aantrekkelijke wijken. Doordat in Waterfront een woonmilieu ontwikkeld wordt dat zich onderscheidt van andere nieuwbouwwijken, neemt de variatie in het woningaanbod van Harderwijk toe. Waterfront is onderdeel van de transformatie van voormalig industrieterrein Haven.

5.2.4 Conclusie De woningbouw in het plangebied vormt een stedelijke ontwikkeling op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Ook is deze stedelijke ontwikkeling 'nieuw', aangezien het niet gaat om het verplaatsen van woningen of anderszins compenseren middels Ruimte voor Ruimte bijvoorbeeld. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is de voorkeur beschreven dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied worden opgelost. Het plangebied is bestaand stedelijk gebied. Ook past het geplande woningaantal binnen de woningbehoefte aan woningen in Harderwijk. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief voldoet aan de criteria van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

5.3

Archeologie en erfgoed

5.3.1 Archeologie Het plangebied is in de beleidskaart Archeologie aangemerkt als een gebied zonder archeologische verwachting, omdat de bodem is verstoord (ter plaatse van de Lelyhaven) of diep is vergraven onder archeologisch niveau. In dit plangedeelte behoeft geen archeologisch (voor)onderzoek te worden uitgevoerd.

33

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 5.3.2 Erfgoed Het huidige plangebied is recent geheel gesaneerd, waarbij alle bebouwing en infrastructuur is gesloopt en verwijderd. Om deze reden bevinden er zich geen cultuurhistorische waardevolle elementen in het plangebied. 5.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er qua cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor dit plan.

5.4

Molenbiotoop

De molen De Hoop staat aan de Vissershaven, Havendijk 9. Na een intensieve locatiestudie naar een beschikbare plek nabij de binnenstad met voldoende windbelasting, werd in 1995 aan de Vissershaven met de opbouw van de molen begonnen. Op 18 september 1999 is molen ‘De Hoop’ in bedrijf gesteld. Ondertussen is de molen op de lijst van beschermde rijksmonumenten geplaatst. De korenmolen ‘De Hoop’ is een achtkante stellingmolen. Een dergelijke molen staat op een verhoging, de stelling, om ook in de bebouwde kom voldoende wind te kunnen vangen om te kunnen draaien. De stellinghoogte van de molen ‘De Hoop’ bedraagt 9,10 meter. Met het plaatsen van molen ‘De Hoop’ is een molenbiotoop ontstaan. Zoals in paragraaf 3.2.4 is uiteengezet, is de molenbiotoop een zone van 400 m vanaf de molen. In onderstaande afbeelding is de molenbiotoop met de rode arcering aangegeven. Hieruit blijkt dat het appartementengebouw nagenoeg geheel binnen de molenbiotoop ligt.

Molenbiotoop (rood) ten opzichte van het plangebied (blauw)

Wanneer hoge(re) bebouwing binnen een molenbiotoop ligt dan dient beoordeeld te worden in hoeverre de bebouwing een extra belemmering voor de windvang van de molen met zich mee kan brengen. Aangetoond moet worden dat de nieuwe bebouwing niet beperkend werkt op het functioneren van de molen door middel van windvang. In het kader van de eind 2018 in gang gezette afwijkingsprocedure voor een appartementengebouw van bijna 30 m hoog is het ontwerp voorgelegd aan de Vereniging De Hollandsche Molen. De vereniging heeft toen het volgende aangegeven: "Het appartementencomplex met een NAP hoogte van +29,48 is een hoogte accent in het gebied. Hier is sprake van een overschrijding van de biotoopnorm met 15 meter. Echter, vanwege de afstand tot de

34

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 molen (ongeveer 350 meter), zal de hierdoor optredende windhinder wel merkbaar, maar niet heel problematisch zijn. Omdat enkele andere hoogteaccenten vanuit het plangebied Kop Stadswerven in de windschaduw van het appartementencomplex liggen ten opzichte van de molen, neemt de te ondervinden windhinder maar over een vrij beperkte hoek toe". De conclusie van het advies van De Hollandsche Molen luidt dat de optredende windhinder als gevolg van de bouwhoogte van voorliggend bouwplan wel merkbaar, maar niet heel problematisch zal zijn vanwege de afstand tot de molen. Aangezien dit bestemmingsplan een bouwhoogte kent van maximaal 28 m wordt er van uit gegaan dat van hetzelfde advies kan worden uitgegaan.

Biotooponderzoek Ten behoeve van de bouwplannen voor de Parkvilla en de woonblokken in Kop Stadswerven is een biotooponderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 3. In het onderzoek zijn vier scenario's op een rij gezet waarbij scenario 4 het meest relevant is. Deze gaat uit van de toekomstige situatie waarbij rekening is gehouden met de realisatie van fase 3 Waterfront. Ten aanzien van scenario 4 is geconcludeerd dat volgens het theoretisch rekenmodel een negatief effect op de windvang van de molen ontstaat. De negatief effect heeft in eerste instantie betrekking op de turbulentie-intensiteit op het gevlucht. De toename in turbulentie-intensiteit heeft nadelige effecten op de draaibeleving van de molenaar (UNESCO Immaterieel Erfgoed) en op de constructie van de molen als gevolg van stootbelasting op het gevlucht. In tweede instantie is er een effect op de windvang. Omdat de bouwvlakken van het bestemmingsplan in een hoek staan waaruit relatief weinig wind waait is de reductie in het aantal maaldagen beperkt als deze wordt uitgedrukt in maaldagen, namelijk 1 dag op 19 dagen. Procentueel gezien is dit een reductie van circa 3,5% ten opzichte van de bestaande situatie. De conclusies van het onderzoek worden voorgelegd aan de provincie Gelderland en Het concept-bestemmingsplan zal voor advies nogmaals worden voorgelegd aan de Harderwijkse Molenstichting.

Ontheffing provinciale Omgevingsverordening Vanwege de overschrijding van de molenbiotoop is nadat het biotooponderzoek gereed was overleg geweest met de provincie en de Harderwijkse Molenstichting. De overschrijding van de molenbiotoop brengt met zich mee dat ontheffing verleend moet worden van de provinciale Omgevingsverordening. Bij het verlenen van de ontheffing wordt een belangenafweging gemaakt, waarbij het belang van de Harderwijker Molenstichting zwaar telt. De Harderwijkse Molenstichting en de ontwikkelende partij hebben op 19 mei 2022 een overeenkomst gesloten. De provincie heeft vervolgens besloten ontheffing te verlenen voor de plannen in Kop Stadswerven en dus ook voor de parkvilla."

5.5

Ecologie

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het doel van de wet is het behouden en herstellen van de natuur. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige soorten zijn kwetsbaar. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De wet kent twee soorten bescherming: gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Binnen de Wet natuurbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een

35

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het Europees beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet alleen ter bescherming van gebieden, maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Natura 2000 omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd. Voor de Natura 2000-gebieden geldt ook de zogenaamde externe werking. Dit betekent dat ook gekeken moet worden of er negatieve effecten zijn van ontwikkelingen die plaatsvinden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebieden maar die toch van invloed kunnen zijn op dit gebied. In 2010 is voor het gehele project Waterfront een zogenoemde 'Passende beoordeling' opgesteld, een integraal ecologisch onderzoek naar effecten te verwachten effecten van het project Waterfront op de natuurwaarden in de Natura-2000 gebieden Veluwe en Veluwerandmeren. In 2013 is deze 'Passende beoordeling' geactualiseerd.

Ligging plangebied (blauw) ten opzichte van Natura 2000-gebied (rood) Op basis van de geactualiseerde Passende Beoordeling heeft de provincie Gelderland in 2014 een Natuurbeschermingswet-vergunning verleend voor de realisering van alle onderdelen van het project Waterfront waarvoor niet al eerder een Nb-wet-vergunning was verleend. Vanwege de mogelijke veroudering van deze geactualiseerde passende beoordeling heeft Tauw (opnieuw) onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming. De effecten als gevolg van het project Waterfront zijn getoetst aan de hand van de relevante instandhoudingsdoelen. Hieruit blijkt dat effecten op habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels zijn uitgesloten. De geactualiseerde Passende Beoordeling is opgenomen als bijlage 2. Ten aanzien van stikstof is in de Nb-vergunning van 2014 ook toestemming verleend voor de realisatieen gebruiksfase qua stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 is een verstrekkende uitspraak gedaan door de Raad van State omtrent stikstof. Deze uitspraak zorgde er voor dat alle projecten die onder het PAS (in werking per 1 juli 20215) zijn vergund opnieuw beoordeeld moeten worden. De in 2014 verleende Nb-vergunning voor Waterfront wordt niet door deze uitspraak geraakt, dus de

36

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 vergunning is nog steeds van toepassing. Voor geheel Waterfront geen sprake van een stikstofprobleem. Dit is door de provincie bevestigd per mail van 1 december 2020. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.. De provincie nodigt de Gelderse samenleving uit om in de GO initiatieven te ontwikkelen die bijdragen aan de realisatie van deze dubbele doelstelling.

Vanwege de dubbele doelstelling is er in de GO ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en voor een uitbreiding van bestaande bedrijven, woningen en bouwwerken en andere functies. Het plangebied ligt niet in GNN- of GO-gebied, zoals uit onderstaande afbeelding blijkt.

Ligging plangebied t.o.v. GNN (donkergroen) en GO (lichtgroen), bron: Omgevingsverordening Gelderland

Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. In grote lijnen blijft de bescherming gelijk aan de oude Flora- en Faunawet. Het doel van deze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet hanteert het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten in principe verboden zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De aanvraag moet onderbouwd worden met een onderzoek naar het voorkomen van en de

37

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 effecten op beschermde soorten. In de nieuwe wet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen, zoals bouwactiviteiten, altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Quickscan Er is een quickscan uitgevoerd om te beoordelen of en welke soorten aanwezig zijn in het plangebied en welke maatregelen daarvoor getroffen kunnen en/of moeten worden. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 4. Op basis van de quickscan is geconcludeerd dat broedvogels hinder zouden kunnen ondervinden van de planontwikkeling. Om negatieve effecten te voorkomen dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. Er is dan geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming en het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. Met inachtneming van de in de quickscan beschreven mitigerende maatregelen zijn negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten uitgesloten. . Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan vanuit ecologisch oogpunt voldoet aan wet- en regelgeving.

5.6

Watertoets

5.6.1 Inleiding In het kader van bestemmingsplannen is een Watertoets vereist. De Watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor het project Waterfront is al in oktober 2002 gestart met de procedure voor de Watertoets. In de afgelopen jaren heeft hierover regelmatig overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Harderwijk, Waterschap Veluwe (sinds 2013 "Waterschap Vallei en Veluwe", na een fusie met "Waterschap Vallei en Eem") en Rijkswaterstaat Midden Nederland. Resultaten zijn vastgelegd in verschillende Watertoetsdocumenten en in de waterparagrafen van opgestelde bestemmingsplannen en MER-documenten. Hierbij is sprake van een 'aangroeidocument', waarbij steeds verdieping heeft plaatsgevonden aansluitend bij het proces in de ruimtelijke planvorming (Masterplan à bestemmingsplan à uitwerkingsplan). In 2009 is met alle partijen overleg gevoerd en is een overkoepelend 'Basisdocument watertoets Waterfront Harderwijk' (12 januari 2010) opgesteld. In het Milieueffectrapport Waterfront Harderwijk (het MER, d.d. februari 2010), deel B, wordt in hoofdstuk 7 uitvoerig ingegaan op het aspect water. In het MER deel B, hoofdstuk 7, paragraaf 5 zijn aanbevelingen ('bouwstenen') opgenomen voor het 'Meest Milieuvriendelijk Alternatief' (MMA).

In 2012 is met de 'waterpartners' overleg gevoerd over diverse wateraspecten van het gehele plan Waterfront. Hierbij is afgesproken dat er voldoende aan de doelstelling van het watertoets proces is voldaan (het vroegtijdig betrekken en informeren), en dat toetsing van de nadere uitwerking plaats kan vinden in de reguliere vergunningprocedures (waterwetvergunning). Gelet op het al gevoerde overleg, het beschikbare materiaal en het globale karakter van dit uitwerkingsplan Waterfront-Watersportboulevard was er geen aanleiding meer om specifiek voor dit bestemmingsplan afzonderlijk overleg over de watertoets te voeren. Het overkoepelend bestemmingsplan Waterfront-Zuid Waterstad is in februari 2008 door de gemeenteraad vastgesteld. In de toelichting bij dat bestemmingsplan is een uitvoerige paragraaf over de waterhuishouding opgenomen.

38

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 5.6.2 Beleidsmatige wijzigingen De voor dit bestemmingsplan relevante versie (12 januari 2010) van het aangroeidocument Watertoets is opgenomen in het MER (MER deel C bijlage 13). Deze watertoets beschouwt integraal de ontwikkelingen in Waterfront Zuid en Waterfront Noord-II. Na januari 2010 hebben op regionaal niveau de volgende beleidswijzigingen plaatsgevonden.

Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor de periode 2016 - 2021. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en de vervanger van alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Het NWP gaat over waterveiligheid, wateroverlast, droogte en waterkwaliteit. Op basis van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) heeft het NWP voor de ruimtelijke aspecten de status van rijksstructuurvisie. In het Nationaal Waterplan benoemt het Rijk vier opgaven voor het IJsselmeergebied: waterveiligheid, zoetwater, ecologie en ruimtelijke ontwikkeling. Verbindend element voor deze opgaven is de ontwikkeling van het peilbeheer in het gebied, waarbij een keuze gemaakt dient te worden voor het meebewegen met de stijgende zeespiegel of het handhaven van het huidige peil. In het deelprogramma Waterveiligheid is gewerkt aan nieuwe normen voor waterveiligheid. Hierbij wordt overgestapt van een overschrijdingskans benadering op een overstromingskans benadering. De hoogte van de normen (overstromingskansen) wordt onderbouwd aan de hand van de volgende doelen. Voor iedereen in Nederland die achter de dijk woont, gaat een zelfde basis veiligheidsniveau gelden.

Daarbij richt men zich op een lokaal individueel risico (LIR), waarbij de kans op overlijden voor een individu ten gevolge van een overstroming niet groter mag zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Waar grote groepen slachtoffers kunnen vallen, grote economische schade kan optreden of sprake is van ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang, wordt een hoger beschermingsniveau geboden. Drie gebieden vragen hiervoor speciale aandacht: het rivierengebied, delen van de Rijnmond-Drechtsteden en het gebied rond Almere. Ook op andere plekken, zoals het Waddengebied, het IJsselmeergebied en de Zuidwestelijke Delta zal geïnvesteerd moeten worden om aan de nieuwe normen te voldoen. Tegelijkertijd zijn er ook plekken, vooral langs de kust, waar de bescherming reeds op orde is. Daar blijft goed onderhoud van belang. Voor de 'hoge gronden', waar gemeente Harderwijk ook onder valt, zijn geen normen voor overstromingskansen opgesteld.

Deltaprogramma 2019 Het doel van de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is een klimaatbestendige en waterrobuuste ruimtelijke inrichting van Nederland in 2050. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen moeten daarom vanaf 2020 klimaatbestendig en waterrobuust handelen. In 2017 hebben de overheden afgesproken de aanpak te versnellen en te intensiveren. De versnelling is nu breed ingezet. De meeste overheden werken aan stresstesten en geven klimaatadaptatie een plaats in plannen en regels om zich aan te passen aan de potentiële effecten van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen. Uit het Deltaprogramma 2015 (deelprogramma IJsselmeergebied) blijkt dat het winterpeil van de Veluwerandmeren tot 2050 niet aangepast wordt (huidig streefpeil in de winter is 0,30- mNAP). Voor de periode na 2050 blijft voor het IJsselmeer de optie open om het winterpeil beperkt mee te laten stijgen met de zeespiegel (maximaal 30 cm), maar alleen als dat noodzakelijk en kosteneffectief is. Voor het Markermeer en de Veluwerandmeren wordt ook na 2050 geen stijging van het gemiddeld winterpeil voorzien: in geval van verdere stijging van het IJsselmeer na 2050 treedt het ontkoppelingsbesluit in werking. Het zomerpeil in het IJsselmeer, het Markermeer en de Zuidelijke Randmeren kan op langere termijn mogelijk een grotere bandbreedte krijgen tussen 0,40- en 0,10+ mNAP.

Ook na 2050 geen verandering in het peilbeheer in de zomer optreedt in de Veluwerandmeren. Initiatiefnemers blijven zelf verantwoordelijk voor eventuele schade in buitendijkse gebieden.

39

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 De Keur van het Waterschap Met betrekking tot het regionale waterbeleid is van belang dat per 1 januari 2014, dus na het vaststellen van het MER, de Keur van het Waterschap is geactualiseerd (de Keur is een verordening van het Waterschap die regelt wat wel en niet mag in of nabij regionaal oppervlaktewater/waterkeringen/grondwater). Met die actualisering zijn 'Algemene regels Waterschap Vallei en Veluwe' in de Keur opgenomen. Omdat het oppervlaktewater rondom het plangebied open verbinding staat met het hoofdwatersysteem, is niet het waterschap maar Rijkswaterstaat Midden Nederland bevoegd gezag. Dit betekent dat de Algemene regels van het waterschap die betrekking hebben op wat wel/niet mag in of nabij regionaal oppervlaktewater voor dit bestemmingsplan niet van toepassing zijn. De keur en algemene regels voor wat/wel en niet mag ten aanzien van het grondwater binnen het plangebied zijn wel van toepassing. 5.6.3 Relevante aspecten uit Bestemmingsplan Waterfront Zuid Waterstad De voor dit bestemmingsplan relevante versie (12 januari 2010) van het aangroeidocument Watertoets is als bijlage opgenomen in het MER (MER deel C bijlage 13). Deze watertoets beschouwt integraal de ontwikkelingen in Waterfront Zuid en Waterfront Noord-II.

In het MER is het 'Meest Milieuvriendelijk Alternatief' (MMA) aangegeven. Dit bestemmingsplan maakt, wat de wateraspecten betreft, realisering van het MMA mogelijk. In het MER wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling Waterfront Zuid een neutrale invloed zal hebben op de wateraspecten (paragraaf 4.6 van deel B-7 Water). Opmerking: de MER-watertoets d.d. 12 januari 2010 betrof een concept document, waarop formeel geen integraal wateradvies is afgegeven. Het laatste wateradvies had betrekking op de watertoets Waterfront-Zuid d.d. 13 januari 2006. In dat advies is het verzoek geuit om in komende bestemmingsplannen een voorbeeld te geven hoe het richtinggevende karakter van de watertoets heeft doorgewerkt op de uiteindelijke inhoud van het bestemmingsplan.

Veiligheid en wateroverlast Ten gevolge van klimaatveranderingen zal de zeespiegel in de loop van deze eeuw waarschijnlijk gaan stijgen . Omdat het IJsselmeer afwatert in de Waddenzee, heeft een zeespiegelstijging gevolgen voor de afwateringssituatie van het IJsselmeer. De lozingssituatie van het IJsselmeer bepaalt voor een belangrijk deel ook de lozingssituatie van de Randmeren. Waterfront-Zuid wordt op een hoogte van 1,60 m+NAP aangelegd (maaiveld). Bij het bepalen van de aanleghoogte is van het volgende uitgegaan: 1. Er is rekening gehouden met de verwachte ontwikkelingen tot 2050, uitgaande van het worst-case scenario. Ontwikkelingen die zich na die tijd voordoen, zijn niet meegenomen in het bepalen van de aanleghoogte; 2. Daarnaast is rekening gehouden met de toekomstige gebruiksfunctie: beleving van water is een belangrijk aspect in de woonwijk, de afstand tot het water dient dan ook niet te groot te zijn; 3. Omdat het plangebied wordt omsloten door de N302, het Dolfinarium terrein en een kade loodrecht op de N302, wordt het plangebied beschermd tegen golfaanval. Uitgaande van het huidige zomerpeil van 0,05 m-NAP is er bij een peilstijging van 1 m (mogelijke situatie 2100) een drooglegging van 65 cm. Dit is gering.

Uitgaande van de Deltabeslissingen zoals vastgelegd in het Deltaprogramma 2015 is de kans dat het tot een dergelijke stijging van het streefpeil in de Veluwerandmeren zal komen eerder kleiner dan groter geworden dan in 2010. Om het gebied te beschermen tegen hoog water, bestaat de mogelijkheid om de kades die het plangebied deels omgeven, uit te breiden, zodat het gehele plangebied in de toekomst kan worden afgesloten met een waterkering. Uit een 'stresstest' hoogwater blijkt dat de risico's op hoogwater (als gevolg van hoog peil en/of opwaaiing) of en kruiend ijs verwaarloosbaar klein zijn (zie bijlage 5).

40

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Vuilwater (Huishoudelijk afvalwater) Het vuilwater wordt via een gemeentelijk vuilwaterriool ingezameld en afgevoerd naar RWZI Harderwijk. Er zijn geen riooloverstorten naar oppervlaktewater opgenomen in het nieuwe (en bestaande gemengde stelsel) in plangebied (ook niet elders in Waterfront Zuid).

Hemelwater Het relatief schone hemelwater van daken en extensief belaste openbare verharde oppervlakken wordt niet geloosd op een gemengd stelsel, maar via een gescheiden hemelwaterstelsel rechtstreeks geloosd op oppervlaktewater. Hemelwater vanaf private percelen wordt via oppervlak aangeboden op de perceelsgrens waardoor het risico op foutaansluitingen verwaarloosbaar klein is. Er liggen geen intensief belaste wegoppervlakken voor in het plangebied. De totale vuiluitworp naar oppervlaktewater is kleiner dan een virtueel traditioneel verbeterde gescheiden stelsel met een berging van 4 mm en een pompovercapaciteit van 0,3 mm/uur (bij traditionele verbeterd gescheiden stelsels is sprake van ondergrondse huisaansluitingen waar in de praktijk een percentage foutaansluiting in aanleg- of beheerfase onvermijdelijk is). Er wordt gebruik gemaakt van niet uitlogende materialen ter voorkoming van diffuse verontreinigingen. Hiermee wordt het principe 'schoonhouden, scheiden, schoonmaken' gehanteerd.

Oppervlaktewater In het plangebied (als onderdeel van Waterfront-Zuid) wordt gewoond aan water. De watergangen worden voornamelijk stedelijk ingericht en krijgen recreatieve en gebruiksfuncties (vaarwater, kijkwater, water om langs te recreëren, uitdrukkelijk geen zwemwater). Dit betekent dat de oeverovergangen met het vasteland hoofdzakelijk zullen bestaan uit kades. Kindveiligheid is een belangrijk aandachtspunt bij de verdere uitwerking van de inrichting. De watergangen worden zo ingericht, dat varend onderhoud mogelijk is. De watergangen in Waterfront staan in open verbinding met het water in het Wolderwijd en (indirect) het Veluwemeer. Er worden (buiten het plangebied) maatregelen getroffen om de bestaande havenarmen te doorspoelen met oppervlaktewater uit de Friesegracht. Het hemelwater van het verharde oppervlak wordt geloosd op de watergangen, waardoor 'interne' verversing en doorspoeling optreedt. Door de watergangen voldoende breed (>10 m) en diep (>1 m) uit te voeren, wordt algenbloei niet verwacht. In het MMA wordt voorgesteld om locaties aan te wijzen waar activiteiten plaatsvinden die mogelijk verontreinigingen op de waterkwaliteit veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is een plaats waar auto's gewassen kunnen worden. Dit betekent dat op andere plaatsen in het plangebied wassen van auto's niet wordt toegestaan.

Het voorliggende bestemmingsplan is niet zo gedetailleerd dat dit hierin kan worden geregeld. Om het Waterfront aantrekkelijk in te richten en rekening te houden met (onvermijdelijk) contact met het oppervlaktewater is het van belang dat er niet te veel ziekteverwekkers in het water voorkomen die problemen kunnen opleveren voor de volksgezondheid. Potentiële besmettingsbronnen zijn menselijke en dierlijke ontlasting (feaces). De risico's worden onder andere beperkt door geen riooloverstorten te realiseren en geen honden uit te laten direct langs het water. Via een hemelwaterstelsel kan hondenpoep op straat ook voor afspoeling van ziektekiemen zorgen. Deze kiemen komen bij (directe) lozing vanuit het hemelwaterstelsel in het oppervlakwater terecht.

Verontreinigde (water)bodems Ernstig verontreinigde (water)bodems in het plangebied worden als onderdeel van het integrale saneringsplan Waterfront gesaneerd. In geval van risico op verspreiding van bodem- en grondwater verontreinigingen worden tijdig passende (monitoring)maatregelen getroffen.

Grondwateroverlast en -onderlast

41

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Grondwateroverlast in het gebied wordt voorkomen door te zorgen voor voldoende ontwatering. Als minimale ontwateringsdiepte voor nieuw stedelijk gebied geldt in principe 70 cm beneden het maaiveld bij een overschrijding van 1 maal per jaar. De ontwateringsdiepte van 70 cm beneden het maaiveld is gericht op de grondwaterstand bij gebouwen, wegen, kabels en leidingen. In parken en ander stedelijk groen kunnen hogere grondwaterstanden worden geaccepteerd; ter plaatse van bijzondere (natte) natuur binnen stedelijk gebied is een hogere grondwaterstand gewenst. Voor Waterfront-Zuid geldt in het algemeen het volgende: 1. De grondwaterstanden hebben een sterke relatie met het streefpeil van het oppervlaktewater en zijn minder gevoelig voor tijdelijke peilstijgingen. 2. Bij een aanleghoogte van 1,60 m+NAP is er tot 2050 nog een drooglegging van 1,35 m. Tot 2050 zijn er dan ook geen aanvullende maatregelen voor een goede ontwatering noodzakelijk (op grond van Deltaprogramma Waterveiligheid 2015: daarna waarschijnlijk ook niet); Beheer en onderhoud Rijkswaterstaat is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder van het hoofdwatersyteem waaronder de Randmeren.

Op grond van het 'Besluit aanwijzing zijwateren van hoofdwateren' is Rijkswaterstaat in de huidige situatie ook beheerder van het havengebied in Harderwijk. De gemeente beheert de nautische aspecten van het havengebied en is eigenaar en beheerder van de kademuren. Uit het watertoetsoverleg is geconstateerd dat de globale waterkwaliteit van de Veluwerandmeren momenteel met relatief geringe beheerinspanningen gehandhaafd kan worden (nadat er in de afgelopen decennia door meerdere partijen fors is geïnvesteerd om de kwaliteit substantieel te verbeteren). Mocht er door de gewijzigde inrichting en gebruiksfunctie (van industrieel havenwater naar dichtstedelijke oppervlaktewater) verhoogde beheerinspanningen noodzakelijk zijn, dan is dat in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor deze wijziging: de gemeente. Mogelijk dat hiervoor tegen een redelijke vergoeding een beroep gedaan wordt op de inzet van RWS/waterschap. In de toekomst wordt de beheersituatie aangepast op de feitelijke veranderingen in het gebied Waterfront-Zuid. Uitgangspunt hierbij is het op orde houden van de waterkwaliteit tegen de laagste maatschappelijke kosten.

Klimaatadaptatie Overstroming: Uit stresstest hoogwater en kruiend ijs buitendijks gebied blijkt dat risico verwaarloosbaar klein is.

Wateroverlast (uitgangspunten rioleringsplan): bij ontwerpbui met herhalingstijd van 2 jaar. geen water op straat in binnenhoven en achterpaden bij ontwerpbui met herhalingstijd van 5 jaar. geen water op straat openbare ruimte bij ontwerpbui met herhalingstijd van 10 jaar. geen water op straat openbare ruimte op primaire routes voor hulpdiensten, vluchtroutes en calamiteit verzamelplaatsen bij klimaatbui met herhalingstijd van 250 jaar: geen langdurige maatschappij ontwrichtende effecten Hittestress: In het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met maatregelen in openbare ruimte om hitte eiland effect door stedelijk bebouwing te beperken. Voorbeelden zijn laanstructuren langs wegen en rijke boomgroepjes bij ontmoetingsplekken in de openbare ruimte. De minimale afstand tot een koelte eiland is 300 m.

42

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Droogte: Door de nabijheid van het Wolderwijd en een gegarandeerde aanvoer van grondwater vanaf het Veluwmassief is de grondwaterbeschikbaarheid het hele jaar rond stabiel, ook tijdens lange perioden van neerslagtekorten. Om de waterbeschikbaarheid in de leeflaag ook bij langdurige droogte te verbeteren is aandacht nodig voor een goede 'sponswerking' van de toplaag. Bijvoorbeeld door een humusrijke bodemopbouw van groen percelen die periodiek gevoed wordt met afstromend hemelwater, waterpasserende verharding in combinatie met drainerend cunet en ondergrondse voorzieningen voor bomen die in de verharding staan. Er is in dit plangebied niet gekozen voor ondergrondse infiltratievoorzieningen is vanwege de bodemcondities (na asbestsanering) die complicaties op zouden leveren bij aanleg, beheer en onderhoud (dit geldt zowel voor openbaar als privaat gebied). 5.6.4 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.

5.7

Milieu

5.7.1 Inleiding In dit hoofdstuk komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voortkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: geluid (Wet geluidhinder en Wet milieubeheer), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), bodemkwaliteit (Wet bodembescherming), externe veiligheid (Bevi, Revi en Wet milieubeheer) en bedrijvigheid (Wet milieubeheer en VNG Handreiking Bedrijven en milieuzonering). Ook wordt ingegaan op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij milieuaspecten moet zowel worden gedacht aan de geschiktheid van de locatie voor de beoogde ontwikkelingen, als aan de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de omgeving. Omgevingsdienst Noord-Veluwe (ODNV) heeft milieu-advies gegeven (d.d. 26 mei 2021, kenmerk ODNV2021AVIF-00194) dat in deze paragraaf integraal is verwerkt. Het gehele advies is opgenomen in bijlage 6. 5.7.2 Bedrijven Bij de ontwikkeling van gebieden wordt met behulp van de systematiek uit de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (uitgave 2009) bepaald binnen welke straal bedrijven invloed hebben op de omgeving en met welke milieuaspecten (zoals geluid, gevaar, e.d.) rekening gehouden dient te worden. In de VNG uitgave zijn voor de diverse SBI-codes deze zogenoemde milieuzones bepaald ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen.

Aan de ene kant wordt hiermee bepaald of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij omliggende gevoelige objecten. Aan de andere kant wordt bekeken of eventuele nieuwe gevoelige objecten de omliggende bedrijven niet beperken. Naast de geadviseerde milieuzonering op basis van de VNG uitgave kunnen er ook afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Uitgangspunten De VNG uitgave gaat uit van twee omgevingstypen: een rustige woonwijk / buitengebied of een gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging, waar bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies aanwezig zijn. Voor een gemengd gebied zijn de milieuzones kleiner dan voor een rustige woonwijk of buitengebied. In dit advies is voor het zoekgebied uitgegaan van een rustige woonwijk. Dolfinarium Binnen het onderzoeksgebied is het Dolfinarium, Strandboulevard Oost 1 gelegen. In het onderliggende bestemmingsplan ‘Waterfront Zuid Waterstad’ vastgesteld op 5 februari 2008, onherroepelijk per 21 november 2008 is een milieucontour om het Dolfinarium vastgelegd. De Parkvilla is geprojecteerd buiten

43

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 deze milieucontour. In het akoestisch onderzoek behorend bij de omgevingsvergunning onderdeel milieu van het Dolfinarium van 9 mei 2018 zijn onderstaande geluidcontouren van het Dolfinarium opgenomen.

Uit bovenstaande geluidscontouren blijkt dat de Parkvilla buiten de vergunde geluidscontour van het Dolfinarium is gelegen. Er is een goed woon- en leefklimaat in de Parkvilla te garanderen en het Dolfinarium wordt door de komst van de Parkvilla niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Parkeergarage Het plan voor de Parkvilla voorziet in het realiseren van een parkeergarage. De parkeergarage behoort bij de appartementen en wordt half-verdiept aangelegd. Wanneer de parkeergarage voorziet in meer dan 20 parkeerplaatsen en is voorzien van een mechanische afzuiging, wordt geadviseerd om aan te sluiten bij de voorschriften vanuit het Activiteitenbesluit. De parkeergarage is geen inrichting in de zin van het Activiteitenbesluit maar door aan te sluiten bij de voorschriften kan wel een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. In het Activiteitenbesluit zijn eisen opgenomen met betrekking tot de aan- en afvoer van lucht in verband met luchtkwaliteit en geur. Tevens moet op basis van het Activiteitenbesluit dusdanig voorzieningen getroffen worden dat het binnenniveau in de appartementen ten gevolge van de parkeergarage niet meer is dan 35 dB(A). Wanneer aan de voorschriften vanuit het Activiteitenbesluit voldaan kan worden, is een goed woon- en leefklimaat in de appartementen te garanderen.

Conclusie bedrijven De Parkvilla is geprojecteerd buiten de milieucontour van het Dolfinarium. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Ook zal het Dolfinarium niet in zijn mogelijkheden worden beperkt. Bij het realiseren van de parkeergarage wordt geadviseerd om dusdanige maatregelen te treffen dat een goed woon- en leefklimaat in het appartementencomplex is te garanderen.

44

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 5.7.3 Bodemkwaliteit De gehele locatie is gesaneerd. De verontreinigde toplaag met asbest is door onderzuiging van schone grond verlaagd tot 0,4 m -NAP. Daarboven is de onderliggende zandlaag opgebracht met een dikte van 2,0 m -mv. De sanering is formeel nog niet afgerond, vermoedelijk eind van 2021.

Op grond van de beschikbare bodeminformatie wordt geconcludeerd dat herontwikkeling van het gehele onderzoeksgebied wel tot de mogelijkheden behoort. Wel moet rekening worden gehouden met de sterk verontreinigde onderlaag met asbest. Voorafgaand aan werkzaamheden in verontreinigde laag moet contact worden opgenomen met het bevoegd gezag. 5.7.4

Externe veiligheid

Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

45

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=e7079334-012a-429c-ab31-d5c7c18e8041