CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla_Toelichting.pdf

Commissie Ruimte 17 november 2022, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla24.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Beleidsvisie externe veiligheid In 2014 is de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Harderwijk vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen, worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid.

Onderzoek Stationaire risicobronnen Binnen of nabij het plangebied zijn geen relevante stationaire risicobronnen aanwezig. Mobiele risicobronnen Binnen of nabij het plangebied zijn geen relevante mobiele risicobronnen aanwezig.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Groepsrisico De planontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Amersfoort-Zwolle, het groepsrisico dient beperkt verantwoord te worden. Spoorlijn Zwolle – Amersfoort De planontwikkeling is gelegen buiten 200 meter van de spoorlijn, maar is wel gelegen binnen het invloedsgebied (4000 meter). Conform artikel 8 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Maatgevende scenario's De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en dat van toxische vloeistoffen/gassen ligt, zijn een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp

46

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. Aandachtspunten uitvoering De Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland heeft advies uitgebracht over het bestemmingsplan. Dit advies is bijgevoegd in bijlage 7 van de toelichting.

Aangegeven is dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van de wet- en regelgeving over externe veiligheid. In het advies van de VNOG staan verschillende aandachtspunten beschreven ter bevordering van de zelfredzaamheid van bewoners en ten aanzien van de bereikbaarheid van het plangebied voor geneeskundige hulpverlening in het gebied. Verder wordt ingegaan op de onderwerpen gezonde leefomgeving, energietransitie en klimaatadaptatie. Ten aanzien van klimaatadaptatie wordt de suggestie gedaan een vergroening van de openbare ruimte en van de gebouwde omgeving. In het ontwerp voor het park vormt dit een belangrijk uitgangspunten en ten aanzien van het gebouw wordt uitgegaan van een groen en duurzaam ontwerp. Wat betreft het onderwerp 'energietransitie' is relevant dat de Parkvilla aangesloten zal worden op het Open Warmtenet. Wat betreft het onderwerp 'gezonde leefomgeving' valt te melden dat het plan voldoet aan de wettelijke eisen die zijn gesteld ten aanzien van verschillende milieuthemas. Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid.

5.7.5 Luchtkwaliteit In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer, en de bijbehorende bijlagen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging (<3% van de jaargemiddelde grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. Conform voorschrift 3B.2 van bijlage 3b van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' draagt een bouwplan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1.500 woningen. Er wordt in het plangebied wordt een berpekt aantal woningen mogelijk gemaakt. Vastgesteld wordt dan ook dat de ontwikkeling in het plangebied, niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Tevens maakt het gehele plan Waterfront onderdeel uit van het Nationale samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).

47

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

Conclusie luchtkwaliteit Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het realiseren van woningen in het aandachtsgebied. 5.7.6 Geluidhinder Wegverkeer De geluidbelasting op het plangebied en dan met name op 28 meter hoogte is niet eerder in beeld gebracht. In het model voor de geluidonderzoeken voor Fase 3 is de geluidbelasting op de Parkvilla berekent. De weg die de hoogste geluidbelasting geeft is de N302, deze geeft maximaal 46 dB en ligt daarmee onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Vanwege wegverkeer is er geen beperking voor het realiseren van de woontoren.

Gezoneerd industrieterrein Het plangebied ligt net binnen de geluidzone van het naastgelegen bedrijventerrein (Lorentz). Hier geldt dat er weliswaar meerdere hoge appartementenblokken tussen het industrieterrein en de Parkvilla gepland staan, maar op 28 meter boven het maaiveld is onzeker hoeveel geluiddemping die geven. Daarom is met behulp van hetzelfde geluidmodel als voor Waterfront fase 3 de geluidbelasting op 28 meter (en op lagere en grotere hoogten) berekend. De geluidbelasting vanwege het industrieterrein Lorentz bedraagt voor de situatie van een geheel gevuld industrieterrein (verkavelingsmodel) inclusief 1 dB aftrek vanwege redelijke sommatie, 49 dB(A). Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Conclusie geluid De geluidbelasting vanwege wegverkeer voldoet voor alle wegen aan de voorkeurswaarde van 48 dB op hoogten van 1,5 tot en met 28 meter hoogte. De geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein Lorentz voldoet op alle hoogten aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Vanwege gezoneerde bronnen zijn geen hogere waarden noodzakelijk en bestaan er geen belemmeringen voor het ontwikkelen van woningbouw op deze locatie.

5.7.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen In het kader van de wetgeving met betrekking tot de milieueffectrapportages (m.e.r.) is het van belang om te weten of de voorgenomen plannen m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn. Het Besluit milieueffectrapportage benoemt de activiteiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Voor Waterfront is in 2006 en 2010 een milieueffectrapportage (m.e.r.)-procedure doorlopen. In deze milieueffectrapportages is het deelgebied van de Stadsvilla ook meegenomen. Deze milieueffectrapportages hebben ten grondslag gelegen aan het moederplan Waterfront-Zuid Waterstad (2008). Wijziging besluit MER In mei 2017 is een wetswijziging doorgevoerd met betrekking tot de milieueffectrapportage. Door deze wijziging zijn ook projecten die genoemd staan in lijst D van bijlage 1 van het Besluit milieueffectrapportage, m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de in kolom 2 van deze lijst genoemde gevallen/grenzen niet overschreden wordt. In deze gevallen geldt een lichtere m.e.r.-beoordelingsprocedure (vormvrije m.e.r.). Het opstellen van een bestemmingsplan voor het wijzigen van stedelijke gebied (cat. D 11.2) is hiermee ook m.e.r.-beoordelingsplichtig. Het onderliggende plan heeft betrekking op het realiseren van appartementen.

De aanleg, wijziging of uitbreiding van onder andere woningbouw en bedrijfsmatige activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. opgenomen onder de noemer 'stedelijk ontwikkelingsproject'.

48

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Aangezien de indicatieve drempelwaarden van 2.000 woningen en 200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte niet worden overschreden, is een m.e.r.(-beoordelings)plicht niet aan de orde voor dit plan. Wel aan de orde is het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit houdt in dat gekoppeld aan het te nemen besluit (het bestemmingsplan) een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd op basis van beschikbare onderzoeken en informatie. Beoordeling Op grond van artikel 7.17 lid 3 Wet milieubeheer wordt bij het beoordelen of het opstellen van een m.e.r. nodig is, rekening gehouden met: 1. De resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu; 2. de in bijlage III bij de EEG richtlijn milieu-effectbeoordeling aangewezen criteria. Het betreft de volgende criteria: a. Kenmerken van het project; b. Plaats van het project; c.

Kenmerken van het potentiële effect. 1. Resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen Voor het moederplan is in 2010 een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De wijzigingen van het plan worden in deze m.e.r.-beoordeling gelegd naast de uitkomsten van de eerder opgestelde MER. 2. Criteria uit bijlage III van de EEG richtlijn milieu-effectbeoordeling a. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project en de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Omvang project en cumulatie met andere projecten Het plangebied is onderdeel van het grotere plan Waterfront. Voor het gehele plan Waterfront is een MER opgesteld. In deze MER is rekening gehouden met het gehele project en de cumulatie van de verschillende deelprojecten. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de productie van afvalstoffen De nieuwe appartementen zullen geheel gasloos zijn. De productie van afvalstoffen in het plangebied is de productie van huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen. Hierbij zijn geen bijzonderheden te verwachten.

Verontreiniging en hinder De toename van woningen en het situeren van bedrijvigheid op andere locaties heeft invloed op het aantal verkeersbewegingen, emissies naar de lucht en de milieuzonering van de bedrijven. Het gewijzigd plangebied heeft ook gevolgen voor de invloeden van buitenaf op het plangebied: geluid (wegen en industrie) en bedrijvigheid (Lorentz, Havendijk). Verkeer De toename in het aantal verkeersbewegingen is meegenomen in het verkeersmodel 2030 (opgesteld in 2018). Bij het bepalen van de geluidsemissie van de wegen op de woningen is hiermee rekening gehouden. Lucht

49

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 De bijdrage aan de luchtkwaliteit ten gevolge van de toename met een bepertk aantal woningen is "niet in betekenende mate" conform het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), omdat de toename blijft onder de criteria van 1500 woningen. Tevens maakt het gehele plan Waterfront onderdeel uit van het Nationale samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL). Milieuzonering Er wordt geen bedrijvigheid gesitueerd binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Ook is er geen sprake van hinder van omliggende bedrijven op bijvoorbeeld Lorentz en het Dolfinarium. Geluid Om geruime afstand van het plangebied zijn diverse wegen gesitueerd. Tevens is het geluidgezoneerd industrieterrein "Lorentz" in de omgeving van het plangebied gelegen. De geluidemissie van de wegen en "Lorentz" zijn inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een te hoge geluidsbelasting op de toekomstige gevels van het appartementengebouw. Ecologie Uit het uitgevoerde onderzoek (zie paragraaf 5.5) blijkt dat met in achtneming van de beschreven mitigerende maatregelen negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten zijn uitgesloten. Ook blijkt uit de geactualiseerde Passende Beoordeling dat significante effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.

Archeologie In het kader van archeologie zijn er geen wijzigingen te verwachten ten opzichte van de onderliggende plannen. De wijzigingen hebben geen betrekking op een veranderd plangebied. Overige aspecten Er zijn geen bijzonderheden te verwachten die nader onderzocht moeten worden. Risico van ongevallen In het kader van externe veiligheid is bij de inrichting van het plangebied rekening gehouden met de brandblusvoorzieningen en de zelfredzaamheid. De functies binnen het plangebied leveren geen extra risico's op ongevallen op. Plaats van het project Er vinden geen wijzigingen plaats in de locatie van het plangebied ten opzichte van het moederplan. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grensoverschrijdende karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Zoals eerder is vermeld, blijkt uit de toetsing van het plan onder punt 1 en 2, dat de wijzigingen niet leiden tot potentieel aanzienlijke effecten ten opzichte van de eerder onderzochte milieuaspecten.

Conclusie Er is geen aanleiding aanwezig om een milieueffectrapportage te verlangen, omdat de wijzigingen niet leiden tot significante nadelige gevolgen voor de omgeving.

50

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

5.8

Kabels en leidingen

Er bevinden zich in het plangebied geen planologisch relevante leidingen (zoals hoogspanning, gas en riool) waar op voorhand rekening gehouden moet worden. ls er met een graafmachine graafwerkzaamheden worden verricht, dient er eerst een graafmelding bij KLIC te worden gedaan. Op basis van deze melding wordt er informatie verschaft over de overige kabels en leidingen ter plaatse. Hierdoor kan schade door graafwerkzaamheden voorkomen worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor het project vormt.

5.9

Explosieven

Het plangebied was deels verdacht op de aanwezigheid van Conventionele Explosieven (rakketten 30/60 lbs en afwerpmunitie). Met betrekking tot de bouwmogelijkheden betekent een verdenking dat voorafgaand aan de werkzaamheden opsporingsonderzoek (detectie en eventuele benaderingen) plaats dient te vinden, indien grondroering plaats vindt van 0,5 m. +NAP tot 1,5 m. – NAP. Bij heiwerkzaamheden (welke trillingen veroorzaken) dient onderzoek plaats te vinden in een straal van 10 meter rondom. In het kader van de woningbouw Waterfront heeft nader onderzoek door het gespecialiseerde bureau IDDS plaatsgevonden. Inmiddels zijn alle verdachte gebieden vrijgegeven. Geconcludeerd kan worden dat de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven geen belemmering vormt voor het project.

5.10 Schaduwwerking Parkvilla Er is onderzoek gedaan naar de schaduweffecten van de beoogde nieuwbouw op de omgeving, zie het bijgevoegde onderzoek in bijlage 8. Een bezonningsstudie is een onderzoek waarbij de bezonning van de bestaande bebouwing wordt vergeleken met de bezonning na het doorvoeren van de veranderingen. Volgens het TNO is voor een compleet beeld het wenselijk om voor de volgende data een studie te doen: 22 december (laagse zonnestand), 21 juni (hoogste zonnestand), 21 maart en 23 september (tussen hoogste en laagste stand). Het TNO heeft voor het maken van een bezonningsstudie een norm ontwikkeld voor de woningen. Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Om te voldoen aan de strenge norm, moet er in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal. Ook hierbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Voor het maken van de studie is gebruik gemaakt van een 3D-model van het gebouw. Dit model is gemaakt op basis van het voorlopig ontwerp, gebaseerd op het bouwvlak dat in het bestemmingsplan is aangegeven met een hoogte van 28 m.

Conclusie Er wordt voldaan aan zowel de lichte als de zware norm van TNO, want er is meer dan drie uur bezonning op de gestelde data. T.a.v. de data van de lichte norm is er alleen op 19 februari tussen 09:45u en 10:45u en op 21 oktober tussen 09:00u en 10.15u heel beperkt sprake van schaduwvorming in de voortuin van het zuidwestelijke huis op het Zuidereiland. T.a.v. de zware norm (en de complete toetsing) is er alleen op de dagen dat de zon zijn laagste stand heeft (22 december en 21 januari) sprake van schaduwvorming op het Zuidereiland door de ‘parkvilla’.

51

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Geconcludeerd moet worden dat voldaan wordt aan de gehanteerde normen. Ook daar waar sprake is van een verslechtering ten opzichte van de bestaande situatie wordt hieraan voldaan. Er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de leefomgeving.

52

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische aspecten

Inleiding

6.1.1 Informatie bestemmingsplan Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriele regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriele regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een bestemmingsplan kan echter niet alles regelen. Via het Besluit omgevingsrecht is het bijvoorbeeld mogelijk om in bepaalde situaties vergunningvrij te bouwen ondanks dat het bestemmingsplan die bebouwing niet toestaat. In die gevallen gaat hetgeen bij wet vergunningvrij gebouwd kan worden voor op de bepalingen van het bestemmingsplan. Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen.

Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (voorheen: bouwvergunning) en regels voor het verrichten van 'werken' (voorheen: aanlegvergunning). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken (aanleggen). 6.1.2 Verbeelding, regels en toelichting Een bestemmingsplan moet worden opgezet volgens de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) daaraan stelt en de wettelijk voorgeschreven opzet en vormgeving van de 'RO standaarden 2012'. Een bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten een 'toelichting', de 'regels' en een 'verbeelding'. De verbeelding (voorheen bekend als 'plankaart') en de regels (voorheen bekend als 'voorschriften') vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Alleen deze twee zijn bindend voor de burger en de overheid.

Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemming met een bestemmingsvlak en soms via aanduidingen. De planregels van het bestemmingsplan bevatten de juridische verklaring, middels maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden, van de op de verbeelding weergegeven bestemmingen en aanduidingen. Die toegekende gebruiks- en bouwmogelijkheden aan gronden kunnen, naast de rechtstreekse bestemming, op de verbeelding op twee manieren nader worden ingevuld: 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen

53

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 gelden. Er geldt altijd één 'enkelbestemming' (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van een bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan, indien de regels en de verbeelding hier ruimte voor laten.

Hoofdstukopbouwvan de regels De regels zijn, zoals voorgeschreven in de 'RO standaarden 2012', verdeeld over 4 hoofdstukken: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze bepaald waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouw- en gebruiksregels en, eventueel, ook regels voor het 'uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel van de hoofdbestemmingen kent, eveneens conform de 'RO standaarden 2012', een vaste opzet. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens: a. antidubbeltelregel: Deze bepaling regelt dat grond die reeds eerder bij een verleende bouw- of omgevingsvergunning is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen.

Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro; b. algemene gebruiksregels: In dit artikel wordt een algemeen gebruiksverbod gegeven, wat geldt voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan, voor gebruik in strijd met de bestemming; c. algemene afwijkingsregels: In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan voor algemene en geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering) voor zover al elders in de planregels in afwijkingen is voorzien. Hiermee kan in specifieke situaties maatwerk worden geboden en biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. a. overgangsregels: Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro. Dit artikel bevat regels die als doel hebben bestaande situaties (gebruik of bouwwerken), welke niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, te regelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebruik en bouwen.

Het overgangsrecht met betrekking tot bouwen en bouwwerken regelt dat bouwwerken die aanwezig waren ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, maar in strijd zijn met het bestemmingsplan, onder overgangsrechtelijke bescherming vallen. Dat wil zeggen dat deze bouwwerken mogen blijven

54

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 bestaan. Deze bescherming geldt ook voor bouwwerken die op deze peildatum legaal kunnen worden gebouwd, maar nog niet zijn gebouwd. De regeling bevat voorts een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om bij een omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van een beperkte uitbreiding (maximaal 10%) van het niet in het nieuwe bestemmingsplan passende bouwwerk. Bouwwerken die wel bestonden op de genoemde peildatum, maar zijn gebouwd zonder (omgevings)vergunning, zijn expliciet uitgesloten van de beschermende werking van het overgangsrecht. Het overgangsrecht voor met het nieuwe bestemmingsplan strijdig gebruik regelt dat het gebruik van gronden dat bestaat op het moment dat het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt, mag worden voortgezet. Het bestaande gebruik dat (ook) in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan, is echter van deze beschermende werking van het overgangsrecht uitgesloten, indien het op grond van het recht nog mogelijk is om hiertegen op te treden. b. slotregel: Dit artikel bevat de titel (naam) van het vast te stellen bestemmingsplan.

6.1.3 Juridische regeling Het is zaak om voor de bestaande en de toekomstige bebouwing en functies een bestemmingsregeling te ontwerpen, die zoveel mogelijk ruimte biedt voor verandering en aanpassing aan veranderende wensen. Het plan dient flexibel en doelmatig te zijn en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming. Dit betekent dat in principe aan de gebruiker van gronden en opstallen zoveel mogelijk vrijheden worden gegeven. Deze zijn als recht in het plan geformuleerd. Als in bepaalde gevallen een mogelijke beschadiging van de belangen van andere burgers wordt verwacht, geeft het plan als recht meer beperkte mogelijkheden. Voor uitzonderingssituaties biedt het plan ruimere mogelijkheden in de vorm van binnenplans afwijken van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning. 6.1.4 Afwijken van de regels In een bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen inzake afwijking van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning. Deze afwijkingen van de regels zijn bedoeld om de nodige flexibiliteit in het plan te brengen, zodat kan worden gereageerd op onvoorziene omstandigheden. Het gaat daarbij om relatief kleinschalige ruimtelijke ingrepen.

Bij grotere ingrepen ligt het voor de hand een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, of tot een planherziening te komen. Algemene regels voor afwijken in het plan betreffen: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken in het openbaar gebied. Deze mogen een hoogte hebben van maximaal 5 meter en een oppervlakte van ten hoogste 25 m². Het betreft bouwwerken ten dienste van het openbaar nut; b. bouw van erkers, balkons, luifels, bordessen, pergola's en dergelijke bouwwerken aan de voorgevel met een diepte van maximaal 1,50 meter; c. bouwen van antennes met een bouwhoogte van maximaal 25 meter; d. de maatvoering. De maatvoering van bouwwerken mag onder voorwaarden afwijken met ten hoogste 10%.

6.2

Algemene uitgangspunten

Voor het bestemmingsplan 'Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla' worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: de toekomstige situatie is een belangrijk uitgangspunt in de planregels. Het stedenbouwkundig ontwerp heeft aan de basis gelegen van het bestemmingsplan; er is sprake van meer gedetailleerde bestemmingen om zo meer rechtszekerheid te geven aan de omgeving over de toekomstige situatie. Zo is het bouwvlak binnen de bestemming 'Wonen' beperkt van omvang gebleven. Binnen de bestemmingen is in de bestemmingsomschrijving aangegeven welk gebruik binnen de desbetreffende bestemming is toegestaan.

55

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

6.3

Verantwoording Handboek Harderwijk

De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld aan de hand van de Standaard Handboek Harderwijk, versie 2019-02. Vanwege de ligging binnen de molenbiotoop is het begrip peil (lid 1.32) aangepast in die zin dat het peil voor gebouwen gerelateerd is aan de huidige hoogte (+1,90 NAP). Dit is 30 cm lager dan de huidige hoogte ter plaatse van de toegangsdeur van de molen (+2,20 NAP). De wijze van meten van de stellinghoogte (lid 2.6) is gekoppeld aan deze +2,20 NAP. Op deze manier zijn de toegestane hoogten van gebouwen gerelateerd aan de stellinghoogte van de molen. Vanwege het ontbreken van dergelijke regels in het handboek zijn de volgende aanduidingen en regels toegevoegd: om de molenbiotoop te beschermen is een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen (zie lid 9.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop). Aan de algemene afwijkingsregels (lid 10 Algemene afwijkingsregels onder d waarin het veranderen van de maatvoering met maximaal 10% is geregeld) is toegevoegd dat de bescherming van de molenbiotoop in acht moet worden genomen; in lid 10 onder e is bepaald dat bouw- en aanduidingsgrenzen onder voorwaarden overschreden mogen worden. Het doel hiervan is om enige flexibiliteit te bieden, omdat het een gebied in ontwikkeling is en bouw- en aanduidingsgrenzen in de praktijk anders kunnen uitvallen.

6.4

Bestemmingsbepalingen

In de regels is het beschreven beleid vertaald in de bestemmingsbepalingen. De volgende bestemmingen worden in het plan onderscheiden: Groen Water Wonen Bij elk van deze bestemmingen zal in deze paragraaf een korte toelichting worden gegeven omtrent doel en inhoud. 6.4.1 Groen Het Waterfrontpark heeft de bestemming ´Groen´ gekregen vanwege de centrale functie die het park heeft binnen de wijk. Binnen de bestemming ‘Groen’ is het niet mogelijk om doorgaande wegen en parkeerplaatsen te realiseren. Het plaatsen van voorzieningen, ter ondersteuning van en passend in de groene ruimte zijn mogelijk. Ook toegangswegen (ter ontsluiting van het gebouw en de aanlegplaatsen), wandel- en fietspaden passen binnen deze bestemming. 6.4.2 Water Het water, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig ontwerp, heeft de bestemming Water gekregen. Om flexibiliteit te bieden zijn deze gronden niet alleen bestemd voor water, maar ook voor onder andere oevers, taluds steigers en verkeersdoeleinden. 6.4.3 Wonen Binnen deze bestemming vormt wonen de hoofdfunctie. Algemeen uitgangspunt is dat bij woningwijzigingen geen verschil wordt gemaakt tussen huur- en koopwoningen, ook al zullen wijzigingen bij huurwoningen minder vaak voorkomen. Er is gestreefd naar een eenduidige bebouwingsregeling afgestemd met de rest van de woningen in Waterfront.

In dit geval is het appartementengebouw geplaatst binnen een bouwvlak waar een maximale bouwhoogte van 3 m voor de eerste laag is opgenomen en voor het deel waar de appartementen binnen vallen een bouwhoogte van 28 m. De eerste 3 m is bedoeld voor de half-verdiepte parkeergarage en hier bovenop komen de appartementen. Het bouwvlak is iets ruimer ingetekend dan dat het gebouw zal worden om enige flexibiliteit te behouden

56

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 bij het uitwerken van het bouwplan. Voor het appartementendeel is een bouwvlak opgenomen op de verbeelding van 625 m2. In de regels is opgenomen dat het grondoppervlak van het appartementen-deel maximaal 400 m2 bedraagt. Er is rekening gehouden met een iets groter vlak om zo nog te kunnen schuiven met het gebouw indien gewenst. Voor het parkeerdeel geldt hetzelfde. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 1.370 m2 terwijl in de regels een maximale oppervlakte is opgenomen van 800 m2. Het aantal appartementen is niet vastgelegd in de regels om zo flexibiliteit te houden in het te realiseren woningbouwprogramma. Voor het overige is aangesloten bij de regels die in zijn algemeenheid gelden ten aanzien van de woonbestemming in Waterfront, met uitzondering van bepalingen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken aangezien deze bij de appartementen niet van toepassing zijn. Bed&Breakfast en gastenverblijf Onder wonen is Bed & Breakfast en/of een gastenverblijf mede begrepen. Met deze regeling voorziet de gemeente in een toenemende behoefte aan geschikte bed- en breakfastruimten. De voorwaarden voor het toestaan van Bed & Breakfast en gastenverblijven zijn mede gebaseerd op de in 2009 verschenen "Beleidsnotitie Bed & Breakfast" van het Platform Bed & Breakfast Nederland.

Deze voorwaarden houden verband met de ruimtelijke consequenties die toelating van een verblijfsrecreatieve functie binnen de woonbestemming kan hebben en de gevolgen voor het toeristisch product in kwalitatieve zin. Belangrijke voorwaarden zijn dat: 1. de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat het een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 2. het een kleinschalige verblijfsaccommodatie betreft met maximaal 7 slaapkamers, die deel uitmaakt van een woning; 3. het een ondergeschikte nevenactiviteit ten opzichte van de functie wonen betreft, waarbij het gebruik beperkt is tot 40% van het gebruiksoppervlak van de woning met een maximum van 100 m²; 4. de activiteiten geen afbreuk mogen doen aan de woonfunctie 5. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, uitgaande van de parkeernormen zoals opgenomen in de laatst vastgestelde Parkeernormennota Harderwijk. Mantelzorg Ruim 2,6 miljoen Nederlanders zorgen langere tijd intensief voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, ouder, kind of ander familielid, vriend of kennis. Deze vorm van onbetaalde zorg heet mantelzorg en omvat dus niet de alledaagse zorg voor bijvoorbeeld een gezond kind. Mantelzorgers zijn geen beroepsmatige zorgverleners, maar geven zorg omdat zij een persoonlijke band hebben met degene voor wie ze zorgen.

Mantelzorg is in woningen vanzelfsprekend toegestaan. In de Harderwijker bestemmingsplannen is een regeling opgenomen ten aanzien van mantelzorg in vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Aangezien deze bij appartementen niet van toepassing zijn, is de standaard regeling ten aanzien van mantelzorg in dit bestemmingsplan achterwege gelaten. Bedrijvigheid aan huis In de maatschappij is een trend waarneembaar in het starten van eigen ondernemingen aan huis. Woongebieden kunnen zo een belangrijke broedplaats worden voor startende bedrijvigheid. Hoewel (nog) gering in aantal, gaan ook steeds meer mensen thuiswerken. Deze ontwikkelingen stellen nadere eisen aan de woning. De beschikbare ruimte, de lichtinval en de inrichtingsmogelijkheden gaan een belangrijke rol spelen. Niet alleen heeft het werken aan huis gevolgen voor de woning, maar ook voor de woonomgeving. Binnen een woongebied worden deze gevolgen al gauw gezien als overlast, zoals het aantrekken van extra verkeer en het ontstaan van geluidsoverlast. Aan de andere kant kunnen met wonen verenigbare functies een bijdrage leveren aan de levendigheid en de sociale controle in het gebied. Aan huis gebonden beroepen worden in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Het is wel belangrijk dat de woonfunctie uitgangspunt blijft. De bedrijvigheid mag niet plaatsvinden in vrijstaande bijbehorende bouwwerken en is beperkt tot maximaal 75 m².

Op 7 februari 2013 is de Beleidsregel voor beroepen en bedrijven aan huis in werking getreden. Deze beleidsregel is het kader om aanvragen voor bepaalde beroeps- of bedrijfsuitoefening in vrijstaande bijbehorende bouwwerken aan te toetsen, alsmede voor aanvragen voor beroepen of bedrijven die niet in het bestemmingsplan bij recht zijn toegestaan, zoals webwinkels.

57

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

6.5

Handhaving

Met het vaststellen van het bestemmingsplan zijn de werkzaamheden niet beëindigd. De instandhouding en ontwikkeling van een kwalitatief hoogwaardige woonomgeving vereist, dat er daarna, ook op het gebied van de handhaving, de nodige activiteiten worden verricht.

Handhavingsbeleid bouwen, ruimtelijke ordening en milieu 2014-2018 Op 14 januari 2014 is het handhavingsbeleid bouwen, ruimtelijke ordening en milieu 2014-2018 vastgesteld. De gemeente Harderwijk gunt iedereen zijn of haar vrijheid om te doen en laten wat hij of zij wil. Echter, daar waar de vrijheid van de één die van een ander schaadt, moet worden ingegrepen. In de vorm van kaderstelling in verschillende nota's legt de gemeente vast wat de spelregels zijn. Handhaving van deze regels is essentieel in het bewaken van orde, regelmaat én veiligheid in een leefgemeenschap. Als de handhaving onvoldoende is, verliezen de regels hun kracht. En daarom geldt: Vertrouwen waar het kan, handhaven waar het moet! Milieu Het milieu is misschien wel de meest collectieve 'ruimte' die er is. Een goed milieu is essentieel voor een gezonde leefomgeving. Omdat een goed milieu zo belangrijk is, moeten de regels die daarvoor zijn, strak worden nageleefd. Het streven is om te zorgen voor een duurzame leefomgeving waar huidige en toekomstige generaties gezond kunnen wonen. Ruimtelijke ordening Een stad is een levend organisme en heeft behoefte aan evenwicht in de ordening van schaarse ruimte. De samenleving en ruimte moeten zo goed mogelijk met elkaar in harmonie zijn. Omdat ruimtelijke ordening vaak grote objecten betreft, is handhaving erg belangrijk.

Het nalaten van deze taak zou leiden tot een onevenwichtige stad, waar wonen, werken en infrastructuur niet op elkaar zouden zijn afgestemd. Bouwen Bouwen en veiligheid zijn termen die hand in hand behoren te gaan. Iedereen in het bezit van een valide bouwvergunning heeft het recht om te bouwen conform de verleende vergunning. Veiligheid is een belangrijk argument om bouwvoorschriften te handhaven. Zodra er sprake is van een overtreding is het de plicht van de gemeente of brandweer een handhavingsprocedure te starten. Deze kan soms heel urgent zijn als er sprake is van overtreding die bijvoorbeeld de brandveiligheid in de weg staat. Een goede naleving van de regels verkleint de kans op ernstige calamiteiten. Een ander punt is welstand. Met name de stijl van het vooraanzicht van een pand is bepalend voor de sfeer en uitstraling van een buurt. Als deze stijl niet aansluit bij de uitstraling die in de buurt gewenst is, dan moet er worden ingegrepen. Richtlijnen voor welstand zijn daarom nodig. Naleving van deze regels is net zo hard nodig. Op deze manier draagt ook een stijlvolle welstand bij aan een evenwichtige stad die voor iedereen aangenaam is. Coalitieakkooord 2018-2022 In mei 2018 is het coalitieakkoord 2018-2022 opgesteld.

Dit coalitieakkoord heeft de titel ‘‘Aanpakken met Ambitie”, waarrmee het nieuwe college aangeeft door te willen pakken op onderwerpen die al eerder in gang zijn gezet. Toezicht en handhaving is daarbij een belangrijk speerpunt, omdat beiden bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Nota integrale toezicht en handhaving Op 8 september 2015 heeft het college de Nota integrale toezicht en handhaving vastgesteld. Deze nota is op 19 november 2015 in werking getreden. Deze nota geeft onder andere inzicht en antwoord op wat

58

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 de gemeentelijke doelstellingen zijn en welke toezicht- en handhavingsonderwerpen daarbij horen. Daarnaast wordt ingegaan op wat de bouwstenen zijn voor het jaarlijkse uitvoeringsprogramma integraal toezicht/handhaving en hoe dat in de praktijk plaatsvindt. Toezichthouders controleren of inwoners en ondernemers zich houden aan regels. Toezicht heeft een belangrijk preventief karakter. Door toezicht te houden kan een overtreding worden voorkomen. Als men weet dat ergens op gelet wordt, is men minder geneigd regels te overtreden. Handhaving gaat een stap verder dan toezicht. Bij handhaving schrijft het gemeentebestuur iemand aan om een overtreding te beëindigen. Het gemeentebestuur neemt een handhavingsbesluit. Deze is gericht op herstel. Bij integraal toezicht en handhaving vindt het toezicht plaats op basis van gestelde prioriteiten en doelen waarbij de prioriteit leidend is voor de frequentie van het toezicht. Toezichthouders hebben een signaalfunctie voor elkaar. En waar dit mogelijk/wenselijk is, wordt samen toezicht/controle uitgevoerd. Door dit vooraf met de verschillende afdelingen af te stemmen wordt integrale samenwerking gestimuleerd. Dat levert efficiencyvoordelen op maar ook een afname van de toezichtlast voor inwoners en ondernemers.

59

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

60

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Tegelijkertijd met het bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) vastgesteld worden. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met enkel conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met het realiseren van het bouwplan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten waarin onder meer over planschade en kostenverhaal afspraken zijn gemaakt. Geconcludeerd kan worden dat de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd zijn en dat het vaststellen van een exploitatieplan dan ook niet noodzakelijk is.

61

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

62

bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003

Hoofdstuk 8 8.1

Inspraak en overleg

Inspraak

Eind 2018 is een afwijkingsprocedure opgestart voor de realisatie van een appartementengebouw van circa 30 m hoog. Een ontwerp heeft toen ter inzage gelegen en hierop zijn meerdere zienswijzen binnen gekomen. Gezien de vele zienswijzen is de procedure destijds stop gezet. Vervolgens heeft in juni 2020 een stadsgesprek plaats gevonden. Een ieder kon toen zijn idee inbrengen ten aanzien van de invulling van het gebied. Gezien het feit dat er reeds twee maal een plan ter inzage heeft gelegen en omdat het plan in beperkte mate is gewijzigd, is er bij onderliggend bestemmingsplan voor gekozen geen inspraakprocedure te doorlopen. Op basis van artikel 2 lid 3, onder d, sub iii van de gemeentelijke inspraakverordening kan hiervoor gekozen worden.

8.2

Vooroverleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Tegelijkertijd wordt het bestemmingsplan voorgelegd aan andere relevante instanties. Het voorontwerpbestemmingsplan "Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla" is in het kader van dit wettelijke vooroverleg opgestuurd naar de relevante vooroverlegpartners. Van vier organisaties is een reactie ontvangen. Drie hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. De vierde reactie betrof een advies van de Veiligheidsregio. Dit advies is verwerkt in het bestemmingsplan. In bijlage 9 is het verslag van het wettelijke vooroverleg opgenomen.

8.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan "Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla" heeft met ingang van 27 september 2021 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon een ieder schriftelijk zienswijzen kenbaar maken bij de gemeenteraad. Desgewenst kon ook worden volstaan met een mondelinge zienswijze. Dit is op 24 september 2021 bekend gemaakt in het Gemeenteblad. Er zijn tijdens deze periode 21 ontvankelijke zienswijzen binnengekomen. Eén indiener van een zienswijze heeft besloten zijn zienswijze in te trekken. De zienswijzen zijn in de "Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Watefront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla" samengevat en van een beantwoording voorzien. Tevens is aangegeven of en op welke wijze een zienswijze tot wijziging van het bestemmingsplan heeft geleid. De nota is toegevoegd in bijlage 10.

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=e7079334-012a-429c-ab31-d5c7c18e8041