Ruimtelijke onderbouwing uitbreiding Van der Valk
Tekst van het document
32/690
dubbelbestemming archeologie voor het projectgebied op te nemen. Overigens moet voor de ontwikkeling een opgeworpen aarden wal afgegraven worden. Deze wal is destijds door Defensie met groot materieel opgeworpen. Vanwege het gebruik van groot materieel wordt niet verwacht dat de bodem onder de wal nog intact is. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de nieuwe ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op de aanwezige archeologische waarden. Ook wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, moet hiervan direct melding gemaakt worden bij de bevoegde overheid.
4.7
Cultuurhistorie
Besluit ruimtelijke ordening Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorische kaart Om de cultuurhistorische waarden vast te stellen is de cultuurhistorische kaart van de provincie Gelderland geraadpleegd (zie afbeelding 4.3). De kaart geeft aan welke cultuurhistorische elementen en structuren op provinciale schaal van betekenis zijn.
33/690
Afbeelding 4.3 Uitsende cultuurhistorische waardenkaart (Bron: provincie Gelderland) Geplande ontwikkeling Het projectgebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart provincie Gelderland, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het projectgebied bevingen zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Wel is de Leuvenumseweg aangeven als Hanzeweg, een hanzeweg is een van de wegen die de zeven Nederlandse en Duitse Hanzesteden met elkaar verbonden in de middeleeuwen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de Leuvenseweg niet in zijn cultuurhistorische waarden geschaad Overigens was voorheen in het projectgebied een kazerne aanwezig. De Willem George Frederikkazerne is gebouwd in de jaren ’30 van de twintigste eeuw als thuisbasis van een artillerieregiment. Van 1945 tot 1994 huisvestte het complex de vierde divisie van het Nederlandse leger.Ter plaatse van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen meer aanwezig. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen nader onderzoek benodigd is en er geen sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
34/690
4.8
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Geplande ontwikkeling In het voorliggend geval is aan de hand van de NIBM-tool nagegaan of de theoretische toename van het aantal verkeersbewegingen (zie paragraaf 2.2.1) bijdraagt aan de luchtverontreiniging (zie afbeelding 4.4).
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling en de uitkomst van de NBIM-tool wordt gesteld dat het voorliggend 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Conclusie Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het
35/690
kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor voorliggend initiatief.
ingevulde NBIM-tool (Bron: Rijksoverheid)
4.9
Afbeelding 4.4 Uitsnede
Externe veiligheid
Wetgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Gemeentelijke wetgeving De gemeenten in de regio Noord-Veluwe hebben de Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid opgesteld en deze visie in in 2015 vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid.
Onderzoek Het hotel heeft een bruto oppervlak van meer dan 1.500 m2 en betreft daarom op grond van artikel 1 van het Bevi een kwetsbaar object. In de omgeving van het projectgebied liggen een aantal risicobronnen: de A28, het spoor en twee hogedruk aardgasledingen A-510 en N-570-20. Voor de beoogde ontwikkeling is onderzoek externe veiligheid uitgevoerd door AVIV naar deze risicobronnen (zie bijlage 12). Hieronder worden de conclusies uit het onderzoek weergegeven:
36/690
A28 Het projectgebied ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van de A28. Het volstaat het om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De Veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies hierover uit te brengen. Spoorlijn Amersfoort - Zwolle Het projectgebied ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van spoorlijn Amersfoort - Zwolle. Het volstaat het om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De Veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies hierover uit te brengen. Hogedruk aardgasleidingen A-510 en N-570-20 Plaatsgebonden risico De berekeningen hebben bij zowel aardgasleiding A-510 als N-570-20 niet geleid tot een PR 10-6 contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Groepsrisico Voor aardgasleiding A-510 geldt dat het groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde en door de planontwikkeling niet toeneemt. Voor aardgasleiding N-570-20 geldt dat het groepsrisico in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Voor beide leidingen geldt dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan worden beschreven in paragraaf 2.3.2 van het onderzoek naar externe veiligheid. De Veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Belemmeringenstrook Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstroken. De belemmeringenstroken leggen geen beperkingen op aan het plangebied. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. De projectlocatie ligt aan het Bouw & Infra Park en de Leuvenumseweg. De Leuvenumseweg is een doorgaande
37/690
weg waarmee het projectgebied snel aangesloten is op het regionale wegennet. Ook het Bouw & Infra Park is goed ontsloten. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via het Bouw & Infra Park de Watertorenweg bereikt worden en van de bronnen af worden gevlucht. Ook kan via de Leuvenumseweg van de bronnen af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het projectgebied wordt een hotel gerealiseerd. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Indien verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Het voor het groepsrisico maatgevende scenario is een zogenoemde BLEVE. De effecten van een koude en warme BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking. Het slachtofferbeeld wordt voornamelijk bepaald door de hittestraling en niet door de overdruk. Gebouwen kunnen bescherming bieden tegen de hittestraling, maar moeten dan wel bestand zijn tegen de overdruk. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Snel reageren is bevorderlijk. Om dekking te zoeken is een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief.
Wanneer gebouwen ontbranden of instorten is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Wanneer gebouwen wel bestand zijn tegen de hittestraling, dienen personen binnen te blijven. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Advies VeiligheidsregioNoordoost Gelderland Door de VeiligheidsregioNoordoost Gelderland is om advies gevraagd over zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In bijlage 13 is het volledige advies van de VNOG opgenomen.
In het advies wordt extra aandacht gevraagd voor een tweede ontsluiting op het perceel en de beschikbaarheid van bluswater in de buurt van het hotel. Om de zelfredzaamheid van personen te vergroten worden de volgende adviezen benoemd: Tref voorzieningen (bijvoorbeeld een betonnen wand of aarden wal) om het gebouw te beschermen tegen de warmtestraling die kan ontstaan als gevolg van een fakkelbrand van de buisleiding. Projecteer vluchtdeuren aan de meest gunstige zijde van het gebouw, zodat mensen van de risicobron (hogedruk aardgasleiding) af kunnen vluchten. Tref voorzieningen waarmee de (mechanische) ventilatie – eventueel op afstand – afgeschakeld kan worden, als er sprake is van een incident waarbij een toxische gaswolk ontstaat of een brand waarbij sprake is van grote rookvorming in de omgeving van het hotel.
38/690
In opvolging van het advies wordt een extra ontsluiting voor bij eventuele calamiteiten richting het Bouw- en Infrapark aangelegd. In afbeelding 4.5 is de ontsluiting weergegeven. Ten aanzien van het bluswater wordt bij de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen nader over afgestemd. Voor de zelfredzaamheid is o.a. een nooduitgang van de buisleidingen af gesitueerd. De mechanische ventilatie kan straks worden afgesloten. In bijlage 14 zijn de calamiteiteinvoorzieningen opgenomen. Door de VeiligheidsregioNoordoost Gelderland is aangegeven dat het hotel Van der Valk zich in een zeer bosrijke omgeving bevindt. Er wordt aandacht gevraagd voor natuurbrandpreventie. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen wordt dit meegenomen.
Afbeelding 4.5 ontsluiting richting Bouw- en Infrapark Conclusie Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van de A28, Spoorlijn Amersfoort - Zwolle en hogedruk aardgasledingen A-510 en N-570-20. Vanwege de afstand tot de A28 en het spoor vormt het groepsrisico geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. Voor de aardgasleidingen geldt dat het groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde en door de planontwikkeling niet toeneemt. Uit de beperkte verantwoording blijkt dat de
39/690
zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied als voldoende kan worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.
4.10 Kabels, leidingen en zoneringen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. Zoals hiervoor reeds besproken bevinden zich nabij het projectgbied, een tweetal gasleidingen. De aan te houden zakelijk rechtstrook van de hoofd aardgastransport leiding bedraagt 5 meter aan weerszijden van de leiding. Voor de regionale aardgastransportleiding geldt een zakelijk rechtstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding. Het projectgebied ligt buiten de belemmeringenstroken. De belemmeringenstroken leggen geen beperkingen op aan het projectgebied. Naast de gasleiding ligt ook een persleidingriool van het waterschap op het terrein. Voor activiteiten binnen de vrijwaringszone heeft afstemming plaats gevonden met het waterschap (zie ook paragraaf 4.4).
4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaand aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.
Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en
40/690
beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. De geplande ontwikkeling valt onder categorie D11.2 'De aanleg, wijzeging of uitbreiding van een stedleijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' met een drempelwaarde van 'een oppervlakte van 100 hectare of meer' of 'een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer'. De ontwikkeling valt ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. In bijlage 16 is de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Conclusie Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.
41/690
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een ontwikkeling. In dat verband wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Er bestaan op voorhand geen belemmeringen voor het verlenen van medewerking aan de beschreven ontwikkeling, door het doorlopen van een procedure ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder sub 30 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om tegen het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning in bezwaar en beroep te gaan. In het voortraject van de ontwikkeling zijn is er samenspraak geweest met verschillende belanghebbende partijen. Hieronder wordt kort ingegaan op deze partijen. Provincie Gelderland en de Vogelbescherming Noord-Veluwe Met de Provincie Gelderland en de Vogelbeschermingswacht Noord- Veluwe hebben diverse overleggen plaatsgevonden over de mitigerende en compenserende maatregelen om de leefomstandigheden voor reptielen en vogels zo min mogelijk te verstoren. Hierbij is ook de boswachter betrokken geweest. Directe belanghebbenden B&I-Park en de MTB-club Met het Bouw en Infra park en de MTB-club is in het voortraject gesprekken gevoerd over de nieuwbouw plannen. Vooroverleg omwonenden, overige belanghebbende en raadsleden Voor de omwonenden, overige belanghebbende en raadsleden is op 6 februari 2023 een informatieavond georganiseerd. Op de avond zijn verschillende vragen gesteld. Hieronder zijn de vragen opgenomen met daarbij een antwoordt op de vraag.
In hoeverre wordt het pand energieneutraal? Antwoord: Aangegeven is dat Van der Valk er alles aan doet om zo veel mogelijk energieneutraal te zijn. Helemaal energieneutraal is in werkelijkheid helaas niet eenvoudig te bereiken. Naast de eigen ambities wordt Van der Valk door de stikstofcrisis ook gedwongen om zo min mogelijk uitstoot te hebben. Waar komen de zonnepanelen en waar het groene dak? Antwoord: Niet overal kunnen zonnepanelen komen. Daar waar een daktuin of groen wordt aangelegd kunnen geen zonnepanelen liggen. Buurtbewoners maken zich zorgen over de toenemende verkeersdruk en de veiligheid(oversteken). Gesuggereerd wordt om de ontsluiting van Van der Valk via B&I-Park op de N302 te laten gaan. Hier zou al eens over gesproken zijn met provincie/ gemeente. Antwoord: wij hebben als gemeente beoordeeld of de uitbreiding van Van der Valk zorgt voor een onevenredige extra verkeersdruk. Dit is niet het geval. Een kruising/ weg heeft een maximale capaciteit en deze is nog niet bereikt en zal ook niet bereikt worden door de uitbreidingsplannen. De uitbreiding van Van der Valk heeft een minieme impact op de bestaande verkeersdruk. De stagnatie op de Leuvenumseweg treedt vaak rond de spits op en gasten van Van der Valk vertrekken of komen op andere tijdstippen aan.Er bestaat een Platform N302 binnen Harderwijk waar
42/690
verschillende personen zitting hebben, waaronder een bewoner van de Eekhoornlaan. Dit platform wordt betrokken bij ontwikkelingen ten aanzien van de N302 en ze hebben met name contact met de provincie. De Leuvenumseweg en fietspaden zijn tenslotte in provinciaal eigendom.De problematiek van de N302 is bekend en er is een trajectaanpak in voorbereiding. Eerst was de verwachting dat deze weg in 2025 aangepakt werd, maar inmiddels lijkt het er op dat er wat vertraging optreedt (stikstof). Hierbij is het ook een belangrijke doelstelling om de veiligheid van oversteekplaatsen te vergroten. Van der Valk heeft hier in principe niet zo veel mee te maken, de provincie is aan zet.Van der Valk is zich bewust van de verkeerssituatie en heeft in het verleden ook meegewerkt aan oplossingen om de veiligheid voor fietsers te vergroten. Naar aanleiding van de informatiebijeenkomst zal Van der Valk intern bespreken wat voor extra maatregelen getroffen kunnen worden m.b.t. de verkeersveiligheid, denk aan verkeersborden of het informeren van hotelgasten alvorens hun verblijf. Hoe wordt verder omgegaan met de participatie? Antwoord: In het voortraject is in overleg getreden met direct belanghebbenden, zoals B&I-Park, de MTB-club en de Vogelbeschermingswacht. Op de inloopavond zijn overige omwonenden geïnformeerd over het voornemen en hebben hun vragen kunnen stellen.
Deze vragen worden verder meegenomen in het proces. Bij ter inzage legging van het ontwerpbesluit kunnen omwonenden hun zienswijze geven. Dit zal medio april/ mei zijn. Wat doet Van der Valk terug voor de maatschappij? Antwoord: Van der Valk heeft diverse contacten met Harderwijker bedrijven/ ondernemers om zo bijvoorbeeld arrangementen te kunnen aanbieden. Kunnen gasten makkelijk gebruik maken van het OV als ze naar de binnenstad willen? Antwoord: Deze vraag is afdoende beantwoord tijdens de informatieavond. Hoe wordt omgegaan met 'verantwoorde' verlichting van het pand? Antwoord: Mede vanwege de natuurbelangen zal zorgvulkdig met licht worden omgegaan, dit maakt deel uit van de mitigerende maatregelen die worden getroffen om zo de overlast voor natuur zo veel mogelijk te beperken. Zo wordt buitenlicht zo veel mogelijk naar beneden gericht. Hoe staat het met de plannen voor het transferium? Antwoord: De plannen voor het transferium zijn nog in voorbereiding. Wat is de situatie met het eethuisje? Antwoord: ten aanzien van het eethuisje is bij de gemeente niet wat de plannen zijn. De grond is deels van de gemeente en deels van de provincie. Intern is de wens om hier een bushalte in het groen te realiseren. Maar ook hier gaat de provincie over. Een nieuwe horecagelegenheid is hier ongewenst.
Ontsluiting B&I-Park? Antwoord: Er blijkt een miscommunicatie geweest te zijn over de ontsluiting via het B&I-Park. De hoofdontsluiting van Van der Valk blijft op de huidige plek en al het verkeer voor het nieuwe deel gaat via de bestaande ontsluiting het terrein van Van der Valk op. Er wordt alleen een calamiteitenroute richting B&I-Park gerealiseerd. Er is dus geen sprake van het verplaatsen van de bestaande ontsluiting van Van der Valk naar B&I-Park. Het is ongewenst de gehele ontsluiting via B&I-Park te laten lopen. Is het wandelpad nog goed toegankelijk? Antwoord: Onduidelijk was welk pad wordt bedoeld dus deze vraag kan niet goed beantwoord worden. Aangegeven is wel dat op het terrein van Van der Valk het autoverkeer en voetgangersverkeer gescheiden worden. Hoe gaat het met de zwarte specht? Antwoord: Deze vraag is afdoende beantwoord. De nu voorliggende uitbreidingsplannen hebben geen significant negatief effect op de zwarte specht.
43/690
5.2
Economische uitvoerbaarheid en grondexploitatie
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze waarop gemeentelijke kosten op het plan worden verhaald (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De financiële haalbaarheid is niet in het geding. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Voor dit project geldt dat er sprake is van een omgevingsvergunning waarmee een gebouw wordt opgericht met hotel functie. De gemeente sluit hiervoor met de aanvrager een anterieure overeenkomst, waarin onder andere ook het aspect planschade is geregeld.
Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet noodzakelijk. Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Dit project maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen bouwplannen mogelijk waarop de grondexploitatieregeling van toepassing is.
44/690
Hoofdstuk 6 6.1
Afweging en conclusie
Aanleiding
Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarmee een een hotel met een bouwhoogte van 13 meter wordt mogelijk gemaakt.
6.2
Afweging
Op grond van het geldende bestemmingsplan is het niet toegestaan om een hotel met ondergrondse parkeergarage te realiseren omdat er ter plaatse de gebruiks- en bouwmogelijkheden hiervoor ontbreken. Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel rijks-als provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. In de beoogde situatie is ook sprake van een verantwoorde milieusituatie.
6.3
Conclusie
Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
45/690
46/690
Bijlagen
47/690
48/690
Bijlage 1
49/690
Voortoets Natura 2000 en GNN
VOORTOETS NATURA 2000 EN TOETSING GNN LEUVENUMSEWEG 7 TE HARDERWIJK
Rapportage voortoets Natura 2000 en toetsing GNN Leuvenumseweg 7 te Harderwijk Opdrachtgever
P.A.M. Teunissen Architectenbureau Veurseweg 143 2251 AB Voorschoten
Rapportnummer Versienummer
15403.003 D7
Status
Eindrapportage
Datum
25 juli 2023
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
De heer ing. E.R. Witter
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer J.G. Boogaard, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
3
TOETSING AAN NATURA 2000 ................................................................................................ 5 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
4
Oppervlakteverlies ............................................................................................................ 9 Versnippering.................................................................................................................. 11 Verontreiniging................................................................................................................ 11 Verstoring door geluid .................................................................................................... 12 Verstoring door licht ........................................................................................................ 13 Verstoring door trilling ..................................................................................................... 13 Optische verstoring ......................................................................................................... 13 Verstoring door mechanische effecten ........................................................................... 16 Conclusie Natura 2000 ................................................................................................... 17 Mitigatie verlies leefgebied ............................................................................................. 18 Aanvullende inrichtingsmaatregelen............................................................................... 19
TOETSING AAN GELDERS NATUURNETWERK ................................................................... 20 5.1 5.2 5.3 5.4
6
Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied de Veluwe ................................................ 5 Doelstelling Natura 2000 .................................................................................................. 5 Habitatrichtlijn ................................................................................................................... 6 Vogelrichtlijn ..................................................................................................................... 7 Gevoeligheid ..................................................................................................................... 8
INVENTARISATIE MOGELIJKE EFFECTEN NATURA 2000 ................................................... 9 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
5
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
Ligging ten opzichte van GNN ........................................................................................ 20 Randvoorwaarden omgevingsverandering ..................................................................... 21 Conclusie GNN ............................................................................................................... 22 Compensatie GNN.......................................................................................................... 23
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 24
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 15403.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van P.A.M. Teunissen Architectenbureau opdracht gekregen voor het uitvoeren van een voortoets Natura 2000 en toetsing aan het GNN ten behoeve van een uitbreiding van het Van der Valk Hotel aan de Leuvenumseweg 7 te Harderwijk. Ten aanzien van Wet natuurbescherming spelen zowel soortenbescherming als gebiedenbescherming een rol. Vanwege de ligging binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied de Veluwe en de ligging in het Gelders Natuurnetwerk (GNN), gelden er randvoorwaarden aan het beoogde gebruikt. Deze rapportage betreft een toetsing aan de randvoorwaarden die gelden ten aanzien van Natura 2000 en de GNN. De gevolgen ten aanzien van soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming, is in een separate rapportage getoetst (Econsultancy rapport 15403.001, d.d. 3 mei 2021). De voortoets Natura 2000 heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, (significante) gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het betreft een oriënterende fase. Uit de oriënterende fase moet blijken welke situatie aan de orde is: •
•
•
Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechteringstoets. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist.
De toetsing aan het beleid ten aanzien van de GNN is op basis van de regels uit de Gelderse Omgevingsverordening. Hierin staat beschreven onder welke voorwaarden ontwikkelingen binnen de grenzen van het GNN mogelijk zijn. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 1 van 25
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1,5 ha) ligt aan de Leuvenumseweg 7, circa 2 kilometer ten zuidoosten van de kern van Harderwijk. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 172.420, Y = 482.750 (zie figuur 1)
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een perceel met voornamelijk bomen en struiken. Het bomenbestand bestaat voornamelijk uit grove den, beuk en eik. Op de bouwlocatie is geen ondergroei aanwezig, maar rond de bouwlocatie bevinden zich enkele struiken. Verder is er een strooisellaag aanwezig bestaande uit dode bladeren. In het westen van het perceel bevindt zich een woning. Daarnaast ligt in het midden van de onderzoekslocatie een zanddepot. De onderzoekslocatie is gelegen in bosrijk buitengebied aan de rand van Harderwijk op het Bouw & Infrapark. Ten westen van de onderzoekslocatie loopt de N302. Aan de noordzijde loopt de A28. Rondom de onderzoekslocatie is verschillende bebouwing aanwezig zoals het Van der Valk Hotel (zuidwesten), appartementencomplexen (oosten) en bedrijfspanden (noordoosten). Ten noorden grenst de onderzoekslocatie aan een oprit/parkeerplaats. In figuur 3 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 2 van 25
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Onderzoekslocatie vanuit het westen met links parkeerplaats.
Figuur 4. Zanddepot in het midden van de onderzoekslocatie gezien vanaf het westen.
Figuur 5. Gebouw aan westzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 6. Zanddepot en hekwerk gezien vanaf het noordwesten.
Figuur 7. Zuidelijk deel onderzoekslocatie met links Hotel Van der Valk.
Figuur 8. Drie ingemeten bomen die gekapt zullen worden.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 3 van 25
Figuur 9. Hotel Van der Valk en strook Natura 2000, gezien vanaf zanddepot.
2.2
Figuur 10. Midden van de onderzoekslocatie gezien vanaf zanddepot met op de achtergrond woningen Ceintuurlaan.
Figuur 11. Onderzoekslocatie gezien vanaf zanddepot vanaf westelijke richting.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens het naastgelegen Van der Valk Hotel uit te breiden met 77 kamers en een wellness ter hoogte van waar nu het zanddepot is gelegen. De uitbreiding valt onder de bestemming ‘gemengd’ van het Bouw- & Infrapark. Voor de uitbreiding zullen 9 bomen worden gekapt die al zijn ingemeten. Daarnaast zullen twee paden worden aangelegd van het bestaande gebouw naar de nieuwbouw. De werkzaamheden zullen op zijn vroegst in 2023 starten, buiten het broedseizoen. In figuur 12 is een ontwerpschets weergegeven van de voorgenomen uitbreiding van het Van der Valk Hotel. De nieuwbouw zal gebouwd worden buiten de aangewezen grenzen van Natura 2000gebied Veluwe. De twee verbindingspaden zullen wél een strook Natura 2000-gebied van 20 meter breed doorkruisen. Het betreft een rijweg van 5 meter breed, die de nieuwbouw met de huidige parkeerplaats zal verbinden voor auto’s en fietsers en een voetpad van 1,5 meter breed, die het hotel met de nieuwbouw zal verbinden. De verbinding voor auto’s zal half-verhard worden aangelegd en voorzien worden van naar bedeneden richtende verlichting die beweging geactiveerd zal zijn. Voor de aanleg van de paden zullen geen bomen gekapt worden. Het voetpad wordt onverhard.
Figuur 12. Ontwerpschets uitbreiding Van der Valk Hotel (bron: P.A.M. Teunissen Architectenburo B.V., 20-01-2023).
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 4 van 25
3
TOETSING AAN NATURA 2000
3.1
Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied de Veluwe
De onderzoekslocatie grenst aan het Natura 2000-gebied de Veluwe. In figuur 13 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
3.2
Doelstelling Natura 2000
Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek (vaak internationaal) belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
•
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijke niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 5 van 25
3.3
Habitatrichtlijn
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van aangewezen habitattypen. De meest dichtbij zijnde aangewezen habitattypen betreffen droge heide, zandverstuivingen en stuifzandheide met struikhei en zijn weergegeven in figuur 14.
Figuur 14. Ligging aangewezen habitattypes op de onderzoekslocatie en omgeving.
Behalve habitattypen zijn ook de leefgebieden van enkele habitatsoorten beschermd. De in totaal 7 habitatsoorten die voor de Veluwe zijn aangewezen, zijn voornamelijk soorten die afhankelijk zijn van watergebonden habitats zoals de beekprik, rivierdonderpad en drijvende waterweegbree. De meervleermuis heeft geen potentieel leefgebied in de omgeving. De enige habitatsoorten die potentieel leefgebied in de omgeving van de onderzoekslocatie hebben zijn vliegend hert en kamsalamander. De onderzoekslocatie zelf vormt echter geen leefgebied voor deze soorten, zodat deze verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 6 van 25
3.4
Vogelrichtlijn
Voor Natura 2000-gebied Veluwe zijn 10 broedvogelsoorten aangewezen. Deze soorten zijn de boomleeuwerik, duinpieper, draaihals, grauwe klauwier, ijsvogel, nachtzwaluw, roodborsttapuit, tapuit, wespendief en zwarte specht. In opdracht van BIJ12 heeft SOVON Natura 2000-leefgebiedenkaarten opgesteld voor deze soorten. In de leefgebiedenkaarten wordt binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied Veluwe onderscheid gemaakt tussen ‘geen leefgebied’, ‘potentieel leefgebied’ en ‘bezet leefgebied’. Potentieel leefgebied biedt in potentie geschikt habitat voor de soort, maar er zijn geen territoria bekend binnen dit gebied. Potentiele leefgebieden kunnen belangrijk zijn voor het realiseren van uitbreidingsdoelstellingen en het robuust maken van populaties van de betreffende soorten. Bezet leefgebied is geschikt leefgebied waarbinnen territoria zijn vastgesteld van de betreffende soorten. In tabel I staat weergegeven voor welke soorten de onderzoekslocatie is aangewezen als leefgebied, de leefgebiedkaarten van de desbetreffende soorten zijn te vinden in bijlage 3. De pixelgrootte op deze kaarten zijn 25 x 25 meter, hiermee dient rekening te worde gehouden bij de interpretatie van de begrenzing van de leefgebieden. Tabel I. Aanwijzingsdoelstellingen voor Vogelrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe relevant voor onderzoekslocatie.
In grijs de leefgebieden van soorten die zijn aangewezen voor de onderzoekslocatie zelf. De overige leefgebieden liggen in de omgeving van het plangebied. Code
Naam
Status leefgebied
Doelstelling Oppervlak/omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Populatie
A246
Boomleeuwerik
Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied
Verbetering
2400 paar
A233
Draaihals
Potentieel geschikt leefgebied
Verbetering
Verbetering
t.b.v. hervestiging
A255
Duinpieper
Potentieel geschikt leefgebied
Verbetering
Verbetering
t.b.v. hervestiging
A338
Grauwe klauwier
Potentieel geschikt leefgebied en Verbetering bezet leefgebied
Verbetering
40 paar
A229
IJsvogel
Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied
Behoud
30 paar
A224
Nachtzwaluw
Potentieel geschikt leefgebied
Behoud
Behoud
610 paar
A276
Roodborsttapuit
Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied
Behoud
1100 paar
A277
Tapuit
Potentieel geschikt leefgebied en Verbetering bezet leefgebied
Verbetering
100 paar
A072
Wespendief
Potentieel geschikt leefgebied
Behoud
Behoud
100 paar
A236
Zwarte specht
Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied
Behoud
400 paar
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 7 van 25
3.5
Gevoeligheid
De toetsing van de mogelijke externe effecten op Natura 2000-gebieden in de omgeving is uitgevoerd aan de hand van de effectenindicator van het Ministerie van Economische Zaken (Effectenindicator Synbiosys Alterra, 2021). In de effectenindicator zijn de meest voorkomende storende factoren met betrekking tot Natura 2000-gebieden in het kader van diverse werkzaamheden beschreven. De effectenindicatoren die het meest aansluit op de voorgenomen ingreep zijn de activiteiten ‘woningbouw’ en ‘landrecreatie’ In tabel III staan dikgedrukt de storende factoren weergegeven die bij deze toetsing worden beoordeeld. De niet dikgedrukte factoren kunnen wegens de aard van de voornemens en de ligging buiten Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Effecten van stikstofdepositite zijn separaat getoetst door Econsutancy (rapport 15403.002, d.d. april 2021), waarbij geconcludeerd werd dat het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgt en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Tabel II. Storende factoren conform effectenindicator*. 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid
11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling
* De vetgedrukte factoren worden bij de toetsing betrokken, de overige factoren zijn op voorhand niet aan de orde.
Per factor wordt beschreven of deze als gevolg van de voorgenomen ingreep in zijn algemeenheid kan plaatsvinden. Vervolgens wordt beschreven of het optreden van de verstorende factor tot negatieve effecten kan leiden. Niet iedere soort is even gevoelig voor de mogelijk optredende storende factoren. In tabel IV staat per habitat/soort die in het plangebied aanwezig is in welke mate deze volgens de effectenindicator gevoelig is voor storende factoren. Tabel III. Gevoeligheid voor storingsfactoren volgens effectenindicator.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 8 van 25
4 4.1
INVENTARISATIE MOGELIJKE EFFECTEN NATURA 2000 Oppervlakteverlies
Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Gevolg: door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.
Analyse: De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van een beschermd habitattype. Het dichtstbijzijnd habitattype is gelegen op circa 500 meter afstand van de onderzoekslocatie. Oppervlakteverlies van aangewezen habitattypen is met de voorgenomen ingreep op voorhand uit te sluiten. Oppervlakteverlies kan enerzijds optreden door afname van geschikt leefgebied voor aangewezen soorten als gevolg van de herinrichting van het gebied. Anderzijds kan in algemene zin oppervlakteverlies optreden als een leefgebied niet meer geschikt is door bijvoorbeeld een toename van recreatiedruk. Het plangebied vormt voor een gedeelte bezet leefgebied voor de boomleeuwerik, draaihals, zwarte specht, nachtzwaluw en wespendief. Voor de overige aangewezen vogelsoorten, vliegend hert en kamsalamander is geen potentieel geschikt leefgebied aanwezig op de onderzoekslocatie, redelijkerwijs kan voor deze soorten negatieve effecten op het leefgebied door oppervlakteverlies uit worden gesloten. Zwarte specht Het plangebied maakt deels onderdeel uit van het ‘bezet leefgebied’ van de zwarte specht. Zoals te zien is in bijlage 3 zal het wandelpad voor een gedeelte in ‘bezet leefgebied’ komen te liggen. De auto/fietsverbinding zal in ‘potentieel leefgebied’ komen te liggen.
Als gevolg van de aanleg van de het voetpad zal er een afname van 30 m2 aan bezet/potentieel leefgebied zijn en als gevolg van de aanleg van de rijweg 100 m2 potentieel leefgebied. Er zullen geen bomen worden gekapt binnen de grenzen van het aangewezen bezet en potentieel leefgebied van de zwarte specht. Doordat de houtopstand in de strook Natura 2000-gebied voornamelijk bestaat uit jonge loofbomen en grove den is het niet te verwachten dat er ondanks de herontwikkeling zwarte spechten hier zouden gaan broeden. De huidige aanwezigheid van menselijke activiteit maakt het eveneens suboptimaal als broedlocatie voor de soort. Enkele honderden meters ten oosten en zuiden van de onderzoekslocatie zijn wel geschikte broedgebieden aanwezig, door de aanwezigheid van oude loofbomen en minder menselijke activiteit. Voor de zwarte specht is de aanwezigheid van voldoende liggend en staand dood hout essentieel om te foerageren. Alhoewel dit maar beperkt aanwezig is in de strook Natura 2000 op de onderzoekslocatie, is het wel mogelijk dat de onderzoekslocatie gebruikt kan worden als foerageergebied door de zwarte specht. Ten behoeve van de nieuwbouw zullen buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied enkele bomen worden gekapt.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 9 van 25
Door tijdens de werkzaamheden te sturen op het creëren van meer liggend en staand dood hout zal in het gebied de foerageermogelijkheden voor zwarte specht verbeteren, zodat per saldo meer geschikte foerageermogelijkheden voor deze soorten aanwezig zijn dan in de huidige situatie het geval is. Doordat er geen broedgelegenheden zijn en maar beperkte foerageermogelijkheden, zijn significant negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies door de planvorming uit te sluiten. Als gevolg van het aanleggen van verbindingspaden in het gebied en een uitbreiding van het hotel zal er wel een toename zijn van menselijke activiteit in het plangebied en het aantal bezoekers en recreanten in de directe omgeving. In hoeverre een toename van bezoekers kan leiden tot een afname van geschikt leefgebied, wordt verder getoetst in paragraaf 3.7. Boomleeuwerik De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de boomleeuwerik. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. In het plangebied en de directe omgeving is geen optimaal geschikt leefgebied voor boomleeuweriken aanwezig. De soort prefereert heideterreinen en bosranden boven dichte bosgebieden, die op enkele honderden meters ten oosten van de onderzoekslocatie wel aanwezig zijn. De boomleeuwerik broedt niet in grote bomen maar in korte vegetatie.
Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied binnen de invloedsfeer van de voorgenomen herontwikkeling is oppervlakteverlies van leefgebied van boomleeuwerik op voorhand uit te sluiten. Draaihals De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de draaihals. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. De draaihals is een spechtensoort en broedt vooral in berken in half open bosgebieden met de aanwezigheid van berken, veelal grenzend aan heideterrein. Daarnaast prefereert de soort ondergroei om te foerageren naar mieren en mierenpoppen. Doordat deze habitats niet aanwezig zijn op de onderzoekslocatie kan geconcludeerd worden dat de onderzoekslocatie geen onderdeel zal uitmaken van het leefgebied van de draaihals. Nachtzwaluw De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de nachtzwaluw. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. Voor de nachtzwaluw geldt net als de boomleeuwerik dat het broedgebied vooral uit open gebieden bestaat zoals heideterreinen en zandvlaktes. Kapvlaktes kunnen ook leefgebied vormen en dienen samen met heideterreinen als broedlocatie.
Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied binnen de invloedsfeer van de voorgenomen herontwikkeling is oppervlakteverlies van leefgebieden van nachtzwaluw op voorhand uit te sluiten. De reden dat het plangebied als 'potentieel' leefgebied is aangewezen is omdat nachtzwaluwen het bos en bosranden gebruiken om te foerageren. Aangezien geen bomen worden gekapt en indien donkerte behouden blijft in het N2000 gebied, is er geen sprake van afname van potentieel leefgebied en is er geen risico op significant negatieve effecten. Wespendief De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de wespendief. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. Voor de begrenzing van het leefgebied van de wespendief is een vereenvoudigde methode toegepast, hierdoor is vrijwel de gehele Veluwe aangewezen als potentieel leefgebied. Uit de uitgevoerde quickscan is gebleken dat de soort niet op de onderzoekslocatie en de directe omgeving broedt (er zijn geen horsten waargenomen). Door de vele menselijke activiteit die in de huidige situatie reeds aanwezig is rond het onderzoeksgebied, is het onwaarschijnlijk dat de wespendief in de toekomst hier zal broeden.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 10 van 25
Een groot deel van het plangebied is weinig geschikt om te foerageren. Het voedselbiotoop bestaat uit bos en bosranden, randen van kapvlakten en heide, bermen, taluds en vrijwel alle denkbare andere plekken waar nesten van sociaal levende en in de grond nestelende wespen voorkomen. Vooral randzones en reliëfrijke stukken zijn geschikt. Openheid is net als bij de nachtzwaluw, de boomleeuwerik en de draaihals van belang. De wespendief foerageert op de grond en moet vaak diep graven om bij voedsel (wespennesten) te komen. Omdat de soort erg kwetsbaar is tijdens het graven is de vogel erg alert op beweging en geluid in de omgeving. Door de huidige aanwezigheid van autowegen, wandelpaden en bedrijvigheid op en rond de onderzoekslocatie is het niet waarschijnlijk dat dit gebied belangrijk foerageergebied vormt. Het is niet te verwachten dat met de voorgenomen ontwikkeling er specifiek verslechtering zal optreden. 4.2
Versnippering
Kenmerk: van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg: als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk.
Analyse: Ten behoeve van het beoogde gebruik worden er twee nieuwe paden in het terrein aangelegd. Voor de soorten met (potentiele) leefgebieden binnen het plangebied ontstaan hierdoor echter geen barrières. De houtopstand blijft behouden waardoor de soorten gemakkelijk het gebied kunnen passeren, bijvoorbeeld via de boomkronen. Daarnaast vormt de met verbindingspaden te doorkruisen strook Natura 2000-gebied, geen essentiële verbinding van natuurkern naar natuurkern. De locatie is gelegen aan de rand van de Veluwe en het loopt hier als het ware ‘dood’. Het is daarom uit te sluiten dat de genoemde soorten de onderzoekslocatie gebruiken als migratieroute. Als gevolg van het aanleggen van verbindingspaden in het gebied zal er wel een toename zijn van menselijke activiteit wat tot verstoring kan lijden. In hoeverre een toename van bezoekers kan leiden tot een versnippering van het gebied wordt verder getoetst in paragraaf 3.7. 4.3
Verontreiniging
Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex.