Ruimtelijke onderbouwing uitbreiding Van der Valk
Tekst van het document
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 11 van 25
In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling.
Analyse: De onderzoekslocatie is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als habitatrichtlijngebied. Wel kan in algemene zin verontreiniging leiden tot een afname van de kwaliteit van het leefgebied van aangewezen vogelsoorten. In de aanlegfase zijn effecten door verontreiniging niet te verwachten. Met de bouw van het hotelgebouw en realisatie van verbindingspaden worden geen verontreinigende stoffen toegepast. Bij calamiteiten kan er brandstof of olie uit machines lekken. In dit geval is de zorgplicht van toepassing om deze verontreiniging direct op te ruimen. 4.4
Verstoring door geluid
Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductiesucces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd.
Analyse: Als gevolg van de realisatie van de hoteluitbreiding kan er in de aanlegfase sprake zijn van een tijdelijke toename van geluid. Door deze werkzaamheden buiten het broedseizoen van de aangewezen soorten (globaal lopend van 15 maart tot 15 augustus) uit te voeren zal deze tijdelijke toename van geluid niet leiden tot het niet kunnen behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, waarmee (significant) negatieve effecten zijn uitgesloten. Zelfs als binnen het broedseizoen werkzaamheden plaats moeten vinden zal dit niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen leiden. Omdat voor het merendeel het gaat op potentieel leefgebied waarbij broedgevallen van de aangewezen soorten redelijkerwijs zijn uit te sluiten, zal verstoring door geluid in de aanlegfase geen verstoring plaatsvinden. In de gebruiksfase zal slechts een verwaarloosbare toename van geluid zijn. De toename die zal plaatsvinden, zal komen van wandelaars over het wandelpad tussen het huidige gebouw en de nieuwbouw en komen van verkeersbewegingen tussen de huidige parkeerplaats van het hotel en de nieuwbouw. Over deze verbinding zullen auto’s en fietsers rijden met een beperkte snelheid. Ook omgevingsgeluid speelt in het gebied een rol. De onderzoekslocatie is gelegen binnen enkele tientallen meters van drukke verkeerswegen, wandelpaden en bedrijvigheid.
Doordat er in de huidige situatie reeds sprake is van verstoring door geluid, zal de toename van geluid in de gebruiksfase verwaarloosbaar zijn.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 12 van 25
4.5
Verstoring door licht
Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren: geen (onbekend) Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden.
Analyse: Volgens de effectenindicator zijn alle genoemde vogelsoorten gevoelig voor lichtverstoring. Om de effecten van lichtverstoring zo veel mogelijk weg te nemen wordt de verlichting langs het wandelpad en het rijpad te gerealiseerd met naar beneden richtende verlichting die met beweging geactiveerd wordt. Dit dient gewaarborgd te worden in een lichtplan waarin onder andere beschreven wordt hoeveel lichtpunten er komen, waar de lichtpunten komen en welke armaturen worden gebruikt. De randvoorwaarden ten aanzien van het vermijden van een toename van licht in het Natura 2000gebied geldt ook voor de verlichting van het nieuwe gebouw. Deze mag niet uitstralen in het Natura 2000-gebied. 4.6
Verstoring door trilling
Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht.
Analyse: Geen van de aangewezen soorten in het plangebied zijn gevoelig voor verstoring door trilling. Tijdens de aanlegfase is het mogelijk dat er verstoring door trilling op kan treden door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden en verdichten van de bodem. Gezien de tijdelijke aard van de effecten, de mate van gevoeligheid voor trillingen van de aangewezen soorten en de afwezigheid van geschikt broed- en foerageerhabitat zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen uit te sluiten. 4.7
Optische verstoring
Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg: Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 13 van 25
Analyse: Volgens de effectenindicator en Krijgsveld et al, 2008, zijn de duinpieper, nachtzwaluw, tapuit en vliegend hert gevoelig voor optische verstoring en zijn de boomleeuwerik, draaihals, wespendief en de zwarte specht weinig verstoringsgevoelig voor optische verstoring zoals landrecreatie. Daarnaast is voor de soorten, met uitzondering van de zwarte specht, geen geschikt voortplantingshabitat aanwezig, waardoor de gevoelige periode van verstoring tijdens de broedtijd niet aan de orde is. Echter kunnen deze soorten wel verstoord worden tijdens het foerageren. De zwarte specht en wespendief foerageren op de bosbodem waardoor wel sprake kan zijn van een verstoring van de foerageerfunctie van deze soorten. Doordat de boomleeuwerik en nachtzwaluw gebonden zijn aan heideterrein en open bos, wordt niet verwacht dat deze soorten negatieve effecten omtrent optische verstoring ondervinden door de voorgenomen planvorming. Rond het Bouw- & Infrapark ligt momenteel een deel van de MTB-route Harderwijk die door de onderzoekslocatie heen loopt (figuur 15). Om verstoring van broedgebied van de onder andere de zwarte specht op voorhand te voorkomen, is er bij het plannen en uitzetten van de route gelet op geschikte en/of bekende broedlocaties voor de zwarte specht. Deze locatie zijn vermeden om verstoring tegen te gaan. Tevens zijn het plannen van de route bosmierennesten vastgelegd.
Mochten bij het uitvlaggen nieuwe nesten gevonden worden en is de standaard werkwijze dat ook deze gespaard worden en de route wordt omgeleid.
Figuur 15. MTB-route rond Bouw- & Infrapark Harderwijk (bron: MTBroutes.nl, 2021).
Door de nieuwbouw zal het deel van de MTB-route die rond het Bouw & Infrapark en door de onderzoekslocatie loopt, opgeheven worden. Hierdoor zal de optische verstoring die momenteel veroorzaakt wordt door de mountainbikers in dit gebied wegvallen en zal naar verwachting het aantal mountainbikers in de bredere omgeving afnemen. Door de uitbreiding van het hotel is het te verwachten dat er meer bezoekers gaan wandelen en fietsen in de directe omgeving en dus het Natura 2000-gebied. De meeste wandelaars zullen niet veel verder dan 5 kilometer afleggen (wandeling van ongeveer een uur). In figuur 20 is aangegeven welke gebieden binnen een wandeling van 2,5 km, 4 km en 6 km bereikbaar zijn vanaf het hotel. Hierbij is gekeken naar de meest kwetsbare habitats die in de omgeving liggen. Dit zijn voornamelijk de open gebieden, zoals de zandverstuivingen en de stuifzandheide. Er worden geen paden aangelegd, zodat optische verstoring in de beboste gebieden een minder belangrijke rol speelt dan de open terreinen. Voor recreatie per fiets wordt er vanuit gegaan dat deze zich over een veel groter gebied verspreid dan alleen in de omgeving van het hotel. Dit zal daardoor op voorhand geen merkbaar effect hebben op het totaal aantal fietsende recreanten. De planlocatie ligt aan de grens van de kom van Harderwijk. Dit betekent dat er vrij hoge recreatiedruk is.
Bezoekers komen zowel vanuit Harderwijk zelf als van de omliggende bungalowparken. Langs de wandelroutes richting het Beekhuizerzand zijn meerdere recreatieve voorzieningen aanwezig , zoals een trim- en cooperbaan, een slowrun verzamelpunt en een natuurspeelterrein (aangewezen als stuifzandheide). Verder is er een uitkijktoren aan de rand van het Beekhuizerzand. Het Beekhuizerzand zelf wordt behalve voor recreatie ook gebruikt als militair oefenterrein.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 14 van 25
Figuur 16. Wandelroutes vanaf het hotel naar de meest gevoelige habitats.
Een klein ommetje van rond de 2,5 kilometer betekent dat men alleen langs de habitattypen stuifzandheide en droge heide wandelt. Het gebied met stuifzandheide is in gebruik als natuurspeelplaats. Gelet op de aanwezige recreatiedruk zal van aanvullende verstoring geen sprake zijn. Het gebied dat is aangewezen als droge heide betreft een baan die is gekapt ten behoeve van een hoogspanningsleiding.
Figuur 17. Het als stuifzandheide aangewezen gebied dat als natuurspeelplaats in gebruik is (foto: Sven Klatt, via Google).
De uitkijktoren bij het Beekhuizerzand is bereikbaar middels een wandeling van 4 kilometer. Wil men het stuifzand bezoeken, dan is de wandeling minimaal 6 kilometer. Verwacht wordt dat dit slechts een beperkt deel van de bezoekers van het hotel zal worden gedaan.
De recreatiedruk aan de rand het Natura 2000-gebied bij Harderwijk is vrij groot. Specifieke cijfers hieromtrent zijn voor deze toetsing niet achterhaald, omdat de toename van recreatie door een toename van 77 kamers niet merkbaar zal zijn ten opzichte van de huidige recreatiedruk. De provincie Gelderland is momenteel doende om in het kader van recreatiezonering verschillende gebiedsprocessen uit te voeren. Het gebiedsproces voor het Hulshorsterzand-Beekhuizerzand is onlangs afgerond. De inhoud is nog niet openbaar bekend. Uitgegaan wordt van een meer gereguleerde recreatiedruk in de omliggende gebieden van de onderzoekslocatie, waardoor de uitbreiding niet zal zorgen voor negatieve effecten op aangewezen vogel- en habitatsoorten.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 15 van 25
In de conceptfase van de recreatiezonering wordt vooralsnog uitgegaan van matig tot intensief recratief gebruik in het gebied rond het plangebied (zone A en B).
Figuur 18. Zonering volgens Concept Recreatiezonering Veluwe.
4.8
Verstoring door mechanische effecten
Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van faunaindividuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.
Analyse: Volgens de effectenindicator is de wespendief zeer gevoelig en zijn de nachtzwaluw en zwarte specht gevoelig voor mechanische verstoring. Dit effect is aan de orde als gevolg van toenemende recreatiedruk, specifiek als er buiten de paden wordt gerecreëerd. Aangezien er alleen gebruik mag worden gemaakt van de bestaande paden zal dit voor de kortere wandelingen niet leiden tot mechanische effecten. Voor betreding van de stuifzandheide en stuifzanden van het Beekhuizerzand geldt dat deze naar verwachting door een beperkt deel van het publiek uit het hotel zal worden bezocht omdat de wandelafstand meer dan 5 kilometer is. Ten opzichte van het geheel aan bezoekers zoals wandelaars, hardlopers, mountainbikers en gezinnen zal er geen merkbaar effect zijn. Verwezen wordt naar de recreatiezonering, waarbij de provincie in samenspraak met de gemeente Harderwijk moet toezien op de balans tussen natuur en natuurbeleving. In het concept zoneringsplan is het volgende opgenomen over het gebied:
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 16 van 25
Op basis van de inbreng van de deelnemers aan het gebiedsproces is de conceptzonering op enkele punten aangepast. Het Hulshorsterzand blijft – over gemarkeerde wandelpaden aan de randen – jaarrond toegankelijk voor wandelaars in zone D Delen van het Hulshorsterzand zullen nog worden aangepast van zone D naar een zone C/C*, zodat het zand daar jaarrond beleefbaar blijft door over (gemarkeerde) routes te wandelen en bijvoorbeeld in het zand te spelen. De exacte ligging van deze gebieden wordt nog onderzocht. Een aantal paden dwars over het zand is in het broedseizoen ontoegankelijk, zodat daar de grondbroedende vogels voldoende rust krijgen. Het Beekhuizerzand is uiteindelijk aangeduid als zone C* (rustig gebied met extensief recreatief medegebruik, rekening houdend met zeer verstoringsgevoelige soorten), mede vanwege de omvang van het zandgebied, de maaswijdte (afstand tussen paden) en het gebruik door Defensie. In het broedseizoen worden enkele paden in de kwetsbare overgangszones ontoegankelijk. De komende tijd moet een aantal zaken nog verder verkend worden. Op het Hulshorsterzand wordt nog onderzocht of de strook direct onder de A28 tussen Hierderweg en Klarenweg aangepast moet worden van zone C naar zone D om in dit deel van het gebied een zo robuust mogelijke zone zonder verstoring in het broedseizoen te maken.
De MTB-verbinding Nunspeet en Harderwijk (tussen Klarenweg en Hierderweg) is belangrijk voor met name de lokale fietsers en verenigingen. Daarom zijn met Toerclub de Volharding gesprekken gestart die de komende tijd worden voortgezet. In deze gesprekken wordt gezamenlijk gekeken naar een alternatief tracé, hiervoor zijn ook door de vereniging ideeën aangedragen. Ook wordt nog gekeken waar precies een jaarrond open te blijven wandelpad komt tussen de Klarenweg en de Oude Klarenweg op het Hulshorsterzand. 35 Concept Recreatiezoneringsplan Veluwe < Inhoudsopgave Voor het Beekhuizerzand is het fietspad over het zand nog onderwerp van onderzoek. Er wordt verkend of het mogelijk, wenselijk en haalbaar is om het tracé van het fietspad te verleggen. Tijdens het gebiedsproces zijn er een aantal alternatieven besproken en op een rij gezet. 4.9
Conclusie Natura 2000
Er is sprake van oppervlakteverlies van leefgebied van de boomleeuwerik, draaihals, nachtzwaluw, wespendief en zwarte specht, door de aanleg van twee paden in Natura 2000-gebied. Het betreft een reeds sterk verstoorde zone met weinig feitelijk geschikt leefgebied. Effecten op de instandhoudingsdoelen zijn daarom uit te sluiten. Er is sprake wel sprake van een negatief effect, namelijk een afname van leefgebied van de betreffende soorten met 130 m2. Daarom is een vergunning benodigd. Om de vergunning te verkrijgen zullen maatregelen noodzakelijk zijn om het leefgebied van de soorten elders te verbeteren, door een bestaande pad af te sluiten (zie 3.10). De recreatiedruk aan de rand het Natura 2000-gebied bij Harderwijk is vrij groot. Specifieke cijfers hieromtrent zijn voor deze toetsing niet achterhaald. De toename van recreatie door een toename van 77 kamers zal niet merkbaar zijn ten opzichte van de huidige recreatiedruk. De provincie Gelderland is momenteel doende om in het kader van recreatiezonering verschillende gebiedsprocessen uit te voeren. Het gebiedsproces voor het Hulshorsterzand-Beekhuizerzand is onlangs afgerond. De inhoud is nog niet openbaar bekend. Uitgegaan wordt van een meer gereguleerde recreatiedruk in de omliggende gebieden van de onderzoekslocatie, waardoor de uitbreiding niet zal zorgen voor negatieve effecten op aangewezen vogel- en habitatsoorten.
Om de effecten van lichtverstoring zo veel mogelijk weg te nemen wordt de verlichting langs het wandelpad en het rijpad te gerealiseerd met naar beneden richtende verlichting die met beweging geactiveerd wordt. Dit dient gewaarborgd te worden in een lichtplan waarin onder andere beschreven wordt hoeveel lichtpunten er komen, waar de lichtpunten komen en welke armaturen worden gebruikt. Ook voor het gebouw geldt dat deze geen lichtuitstraling in het Natura 2000-gebied mag veroorzaken. Dit kan door het aantal lichtpunten te minimaliseren en armaturen te gebruiken die alleen richting de muren aanlichten.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 17 van 25
Op basis van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek naar stikstofdepositie (rapport 15403.002, d.d. april 2021) zijn negatieve gevolgen door vermesting en verzuring zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase uit te sluiten, waarbij aangesloten wordt bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling, die per 1 juli 2021 in werking is getreden. Overige externe negatieve effecten zijn vanwege de aard van de ingreep en ligging ten opzichte van aangewezen habitattypen en aangewezen soorten uit te sluiten. Omdat er sprake is van een negatief effect is een vergunningaanvraag noodzakelijk. 4.10 Mitigatie verlies leefgebied Door het afsluiten van paden kan de verstoring die nu plaatsvindt door de aanleg van de nieuwe paden worden verminderd. Hiertoe zijn mogelijkheden binnen het eigendom van Van der Valk zelf. Aan de zuidwestzijde van het huidige hotel zal een verbinding naar het aangrenzende bos worden verwijderd. Hierdoor zullen hotelgasten het bosgebied niet meer direct kunnen betreden (figuur 19). De oppervlakte van het tracé bedraagt 840 m2. Dit is boven de door de provincie Gelderland bepaald compensatiefactor van 5, waardoor 650 m2 behaald dient te worden. Behalve de fysieke compensatie van het oppervlak aan bos zal een relatief groot deel bos gevrijwaard zijn van wandelaars. Alleen aan de zuidzijde is nog een pad aanwezig.
pad vervalt (140 m2)
pad vervalt (700 m2)
afsluiten toegang bos
Figuur 19. Af te sluiten pad vanaf het Vander Valk Hotel. Deze zal in eigen beheer worden afgesloten.
Het af te sluiten pad is breed (figuur 20 en 21). Niet alleen is het afsluiten niet alleen een vermindering van de verstoorde zone van het bosperceel, ook de oppervlakte bos zal toenemen. Dit kan door natuurlijke verjonging of het aanplanten van bomen in het bestaande pad. Om de verdichting van de bodem ter plaatse van het pad op te heffen wordt deze ondiep gefreesd.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 18 van 25
Figuur 20. Af te sluiten pad vanaf het bestaande hotel.
Figuur 21. Het af te sluiten pad is breed, de afsluiting biedt behalve een toename van de onverstoorde zone ook kans voor uitbreiding van het oppervlakte bos.
4.11 Aanvullende inrichtingsmaatregelen Naast de mitigerende maatregelen in het kader van Natura 2000 wordt in het natuurinclusief ontwerp voorzien in enkele aanvullende maatregelen. Het gaat hierbij om het reptielenvriendelijk aanleggen van de toegangsweg. Nieuw aangelegde verhardingen kunnen hazelwormen gebruiken als opwarmplek. Daarmee lopen ze een verhoogd risico om door voertuigen geraakt te worden. Daarom wordt de toegangsweg verhoogd aangelegd, zodanig dat hazelwormen niet op de verharding kunnen kruipen. Om barrière-werking te voorkomen wordt in het midden van het tracé een kleine faunapassage aangelegd. De lichtpunten aan het nieuwe hotel worden afgeschermd, zodat uitstraling wordt geminimaliseerd. Het aantal lichtpunten wordt tot een minimum beperkt. Langs de weg worden lage armaturen toegepast die alleen het wegdek zelf verlichten. Voor de tuin van het hotel wordt een natuurinclusief ontwerp gemaakt. Daarin komen een aantal thema’s aanbod. Voor de hazelworm worden open plekken gemaakt waar de soort kan opwarmen en plekken waar dekking is. Hiervoor worden rillen van dood hout toegepast. Dood hout is ook het thema voor onder andere de zwarte specht. Het dood hout trekt houtmieren aan wat een belangrijke voedselbron voor de zwarte specht is.
Tot slot worden op het terrein plekken met open water aangelegd waar vogels en kleine zoogdieren zoals eekhoorns gebruik van kunnen maken. De bezoekers van het hotel worden met voorlichtingsborden voorgelicht over de keuzes die bij de inrichting zijn gemaakt.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 19 van 25
5
TOETSING AAN GELDERS NATUURNETWERK
5.1
Ligging ten opzichte van GNN
De locatie ligt voor een deel binnen het GNN (figuur 22). De nieuwbouw vindt plaats buiten de begrenzing van de GNN. De paden doorkruisen net als bij het Natura 2000-gebied wel het GNN gebied. Ook hier gaat het om een betrekkelijk klein oppervlak waar daadwerkelijk infrastructuur wordt aangelegd.
Figuur 22. Ligging ten opzichte van GNN.
De kernkwaliteiten van het betreffende gebied (Ermelo oost, 90) zijn als volgt: • • • • • • • • • • •
Onderdeel van grootschalig aaneengesloten gebied van droge, voedselarme bossen, zandverstuivingen en heide Onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe Onderdeel van Natura 2000-gebied Veluwe met de bijbehorende habitats en soorten Groot wild: m.n. edelherten, wilde zwijnen Leefgebied das Leefgebied steenuil Grenst aan Grote Eenheid Natuur Beekhuizer Zand, Hulshorster Zand en Hierdense Beek (noordoostelijk van N302) Enkele langgerekte ontginningsstroken nu vooral in gebruik voor recreatiebebouwing en instellingen Cultuurhistorische waarden van o.m. grafheuvels, oude ontginningen en boerderijen, Abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir aardkundige waarden
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 20 van 25
5.2
Randvoorwaarden omgevingsverandering
In de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021) is het volgende opgenomen:
1. Voor zover een bestemmingplan betrekking heeft op het Gelders natuurnetwerk wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 2. Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met paragraaf 2.6.2 worden gecompenseerd: 1. buiten het Gelders natuurnetwerk; of 2. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan zijn aangeduid met code N00.01.
Figuur 23. Beslisboom planvorming binnen GNN
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 21 van 25
Ten behoeve van de planvorming worden er binnen de GNN bomen gekapt en vindt nieuwbouwplaats binnen de GNN. Tevens betreft het een onverhard pad en een half verhard pad dat een strook aan de rand van de GNN doorkruist. In totaal betreft de afname 880 m2 (figuur 24).
Figuur 24. Afname GNN door nieuwbouw en aanleg paden
5.3
Conclusie GNN
Er is sprake van oppervlakteverlies binnen de GNN. Deze wordt veroorzaakt door de aanleg van een onverhard en halfverhard pad en de nieuwbouw. Overige effecten op de kernkwaliteiten zijn vanwege het geringe schaalniveau niet aan de orde. Een ruimtelijk initiatief in het Gelders natuurnetwerk kan doorgaan als er geen negatieve gevolgen kunnen zijn voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk. Dit is ook het geval als eventuele negatieve gevolgen voor de kernkwaliteiten of samenhang volledig worden gemitigeerd op dezelfde locatie en het oppervlakteverlies wordt gecompenseerd overeenkomstig de bijlage Gelijkwaardige natuurbeheertypen en door fysieke natuurcompensatie (artikel 2.50) of door gebruik te maken van de compensatiepool (artikel 2.51). Dan is per saldo geen sprake van negatieve gevolgen en kan het ruimtelijk initiatief dus plaatsvinden. Het ruimtelijk initiatief kan doorgaan als het oppervlakteverlies wordt gecompenseerd. Bij het oppervlakteverlies moet rekening gehouden worden met de ontwikkeltijd van het natuurbeheertype (N16.03, droog bos met productie). Hiervoor geldt een toeslag van 2/3 van het afgenomen oppervlakte. De oppervlakte houtopstand moet dient 1:1 gecompenseerd. In totaal moet de fysieke compensatie minimaal 1.467 m2 bedragen.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 22 van 25
5.4
Compensatie GNN
De fysieke compensatie wordt gerealiseerd op een bosperceel ten westen van ’t Harde (figuur 25). De oppervlakte van 2.611 m2 voldoet ruim aan de benodigde 1.467 m2 (zie 5.3). Voor het gebied is een separaat compensatieplan opgesteld (Herbebossing Oldebroek vak 8, Drielanden Bomen).
Figuur 25. Ligging compensatiegebied GNN (rood), ten opzichte van de bestaande GNN.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 23 van 25
6
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van P.A.M. Teunissen Architectenbureau een voortoets Natura 2000 en toetsing aan GNN uitgevoerd aan de Leuvenumseweg 7 te Harderwijk. De voortoets Natura 2000 en toetsing aan GNN zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. De initiatiefnemer is voornemens het naastgelegen Van der Valk Hotel uit te breiden met 77 kamers en een wellness ter hoogte van waar nu het zanddepot is gelegen. De uitbreiding valt onder de bestemming ‘gemengd’ van het Bouw- & Infrapark. Voor de uitbreiding zullen buiten het Natura 2000gebied in totaal 9 bomen worden gekapt en wordt er deels binnen het GNN gebouwd. Daarnaast zullen twee paden worden aangelegd van het bestaande gebouw naar de nieuwbouw. Deze paden doorkruisen het Natura 2000-gebied en maken deel uit van de GNN. Conclusie Natura 2000 Er is sprake van oppervlakteverlies van leefgebied van de boomleeuwerik, draaihals, nachtzwaluw, wespendief en zwarte specht, door de aanleg van twee paden in Natura 2000-gebied. Het betreft een reeds sterk verstoorde zone met weinig feitelijk geschikt leefgebied. Effecten op de instandhoudingsdoelen zijn daarom uit te sluiten. Er is sprake wel sprake van een negatief effect, namelijk een afname van leefgebied van de betreffende soorten met 130m2. Daarom is een vergunning benodigd.
Om de vergunning te verkrijgen zullen mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn om het leefgebied van de soorten elders te verbeteren, door bestaande paden af te sluiten. De toegang vanaf het bestaande Van der Valk Hotel zal worden afgesloten en het pad zal worden verwijderd. Hierdoor zal de rust in het bos ten zuidwesten er van toenemen. Ook zal het oppervlak bos toenemen. Hiertoe zal het pad licht worden gefreesd om de bodemverdichting ter plekke te verminderen en bomen worden aangeplant. Om de effecten van lichtverstoring zo veel mogelijk weg te nemen wordt de verlichting langs het wandelpad en het rijpad te gerealiseerd met naar beneden richtende verlichting die met beweging geactiveerd wordt. Dit dient gewaarborgd te worden in een lichtplan waarin onder andere beschreven wordt hoeveel lichtpunten er komen, waar de lichtpunten komen en welke armaturen worden gebruikt. Dit geldt ook voor het gebouw. Op basis van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek naar stikstofdepositie (rapport 15403.002, d.d. april 2021) zijn negatieve gevolgen door vermesting en verzuring zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase uit te sluiten, waarbij aangesloten wordt bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling, die per 1 juli 2021 in werking is getreden.
Overige externe negatieve effecten zijn vanwege de aard van de ingreep en ligging ten opzichte van aangewezen habitattypen en aangewezen soorten uit te sluiten.
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 24 van 25
Conclusie GNN Er is sprake van oppervlakteverlies binnen de GNN. Deze wordt veroorzaakt door de aanleg van een onverhard en halfverhard pad en de bouw van het hotel. Overige effecten op de kernkwaliteiten zijn vanwege het geringe schaalniveau niet aan de orde. Het ruimtelijk initiatief kan doorgaan als het oppervlakteverlies wordt gecompenseerd. Bij het oppervlakteverlies wordt rekening gehouden worden met de ontwikkeltijd van het natuurbeheertype (N16.03, droog bos met productie). De fysieke compensatie wordt gerealiseerd op een agrarisch perceel ten westen van ’t Harde. De oppervlakte van 2.611 m2 voldoet ruim aan de benodigde 1.467 m2. Voor het gebied is een separaat compensatieplan opgesteld (Herbebossing Oldebroek vak 8, Drielanden Bomen). Naast de mitigerende maatregelen wordt er voor het hotel en het omliggende terrein een natuurinclusief ontwerp gemaakt met als hoofdthema’s reptielenvriendelijke aanleg van de toegangsweg, leefgebied voor de hazelworm, water voor vogels en kleine zoogdieren en dood hout als voedselbron voor de zwarte specht.
Econsultancy Zwolle, 25 juli 2023
Rapport 15403.003 versie D7
Pagina 25 van 25
GERAADPLEEGDE BRONNEN Nijssen M., Versluijs R., van den Bremer L. & Sierdsema H. 2019. Soortenherstelprogramma beheerplan Natura 2000 Veluwe: Ecologisch profiel en analyse knelpunten vogelsoorten. Sovonrapport 2019/76. Stichting Bargerveen & Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Provincie Gelderland, 2017. Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057). Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland op 23 januari 2018 Vastgesteld door het Ministerie van LNV op 9 maart 2018 Vastgesteld door het Ministerie van Defensie op 2 maart 2018. Drielanden Bomen, Herbebossing Oldebroek vak 8, Axel Makkinga, zonder datum. https://www.gelderland.nl/Wet-Natuurbescherming-Vergunning-voor-Natura-2000-gebieden https://experience.arcgis.com/experience/e55c698c0d5843d3b77da444762adbfd/page/page_0/
Rapport 15403.003 versie D7
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 15403.003 versie D7
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 15403.003 versie D7
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn Vogels
appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend,
slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 15403.003 versie D7
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Rapport 15403.003 versie D7
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.
Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.
Rapport 15403.003 versie D7
Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.
Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.
Rapport 15403.003 versie D7
Bijlage 3
Leefgebiedkaarten SOVON
Figuur 26. Boomleeuwerik
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 27. Draaihals
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 28. Nachtzwaluw
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 29. Wespendief
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 30. Zwarte specht
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 31. Duinpieper
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 32. Grauwe klauwier
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 33. Tapuit
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 34. Roodborsttapuit.
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 35. IJsvogel.
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 36. Kamsalamander.
Rapport 15403.003 versie D7
Figuur 37. Vliegend hert.
Rapport 15403.003 versie D7
98/690
Bijlage 2
99/690
Wnb-vergunning uitbreiding Wellness en 77 kamers Van der Valk