Drielanden - Groene Zoomweg 49_Bijlagen bij toelichting-gecomprimeerd
Tekst van het document
aantal weken
15 busjes bouwbedrijf 4 busjes W-installateur 4 busje E-installateur gibo stucadoor spuiter schilder nuts 1 busje (0,5 dag per woning) tegelwerk (0,5 dagen per woning
dag per week
28 10 10
totaal dagen
5 5 5
2100 200 200 25 35 35 35 35 35
2700 enkele reis 10,8 per werkbare dag auto's aantal weken uitvoerder bouwbedrijf uitvoerder E uitvoerder W uitvoerder gibo uitvoerder stucadoor uitvoerder schilder uitvoerder tegelwerk
hoeveelheid per weektotaal dagen 28 15 10 10 10 15 10
5 5 5 1 1 1 1
140 75 50 10 10 15 10 310 enkele reis 1,24 per werkbare dag
10,8+1,24 = 12,04 enkele reis per werkbare dag 12,04 * 2 = 24,08 retour per werkbare dag, afgerond 25 verkeersbewegingen per dag
1. Aanvraag Mii. / nr. 999 d.d. 16-04-1997
0
0
-1. ;t•3z'3 WET MILIEUBEHEER aaniraag vergunning - tevens beschrijving Inrichtingen- en vergunningenbesluit
ÖONÔFT N i T E VE AANVRAAG
In vijfvoud indienen! Burgemeester en wethouders van de gemeente
HarderiwIjk Datum 26_
GEMEENTE PT2DERWIJK Gegevens aanvrager Naam aanvrager Drie1anden
40-3-3
lngek.
--
Fokko Kortiangiaani
Adres Postcode Telefoon
OAQ
Nummer
345 TC
-
-
Plaats _Ha Tlfiv
_0341 - 436 436_
Verzoekt voor de hieronder omschreven inrichting een
Verzoektbanmethbt veraderen vn de_inich-
vergunning inzake het
ting of van de weÏ
diâi- 7a
oTëds eén
of meer vergunningen zijn verleend, een nieuwe de
11 oprichten en inwerking hebben
hieronder omschreven inrichting of onderdelen daar-
13 EI veranderen van de werking
van waarmee die verandering samenhangt omvattende, vergunning (art 8.4)
EI tijdelijk karakter/duur van de hieronder omschreven inrichting en wel voor een termijn van
Aard van de inrichting Hier de aard, indeling en uitvoering van de inrichting vermelden. (type bedrijfsvoering, bijv. bakkerij, garage, restaurant tankstation. Indeling volgens plattegrond. Met betrekking tot uitvoering een korte beschrijving van de hoofdkenmerken van de belangrijkste apparatuur/installaties/ evt. bijzondere materialen/speciale uitvoeringen).
Kantoren - materifleistafling serv!re r .g. reparatieim-te_t..bv_eigen_i-i-dde1en parkeervnnrzi en 1 ngen_en_ op en_over ag_vanateraen-._--_----------------------Dit all es om een goenvoorzien ingsbedri evoeren -
r— door de gemeente in te vullen SBI-code
e Plaats waar de inrichting is of zal worden opgericht Naam inrichtingDrie1afldefl__ Adres Postcode
-
--
___FQkkKort1ang1aan_132___ 3845 LC
Plaats
Kadastrale ligging
Harderwijk ____
Telefoon
_K8*_K49
._-_--- ---- ---- ---------
Telefax Sectie
436 .437 _-----
-
-. Nr(s)
Kontaktpersoon Telefoon
Q3i-_I
Telefax
0341-. 436 437• -------------
Vraag zonodig voorlichting aan het gemeentebestuur welke andere vergunningen u nodig heeft voor het in bedrijf stellen van uw inrichting.
Bij de aanvraag over te leggen:
een bouwkundige plattegrondtekening in vijfvoud, schaal niet kleiner dan 1: 200, doch bij voorkeur 1: 100, de uit- en inwendige samenstelling van de inrichting en toebehoren aangevende (grens van de inrichting, ligging/indeling gebouwen, functie werkruimten, plaatsing apparatuur/installaties, aanduiding emissiepunten). Alswel de onmiddellijke omgeving van de inrichting binnen een straal van 500 meter (aantal/type/bestemming gebouwen en terreinen) (deze tekening dateren en ondertekenen). 34033 tij © samsom alphen a/d rijn
1.7775
Nauwkeurige beschrijving A Welke werkzaamheden worden in de inrichting verricht en welke produkten worden er vervaardigd?
MaterieelstaUj__ Service / reparatie t.b.v. eigen bedrijfsmiddelen Op- en overslag van aan groenvoorzieninggere1ateerde materialen
B Waaruit bestaat de uitbreiding of wijziging? (uitsluitend invullen indien het een uibreidings-, wijzigingsaanvraag of verandering van de gebezigde werkwijze(n) betreft)
N.v.t.
.
Bestaande vergunningen/kennisgevingen Welke milieuvergunningen en/of kennisgevingen zijn er in het verleden voor dit bedrijf verleend of gedaan? datum: U oprichtingsvergunning datum: uitbreidings- en/of wijzigingsvergunningen(en)
een nieuwe, (deel) revisievergunning (art. 8.4) een melding volgens artikel 8.19 Wet milieubeheer
een kennisgeving Besluit opslag propaan een kennisgeving Lozingbesluit bodembescherming een kennisgeving volgens de rioollozingsverordening
E een rioleringsvergunning
datum: datum: datum: datum: datum: datum: datum:
melding kennisgeving göederen
t
datum: datum: datum: datum:
29 - 11
-
199 fi
datum:
2
Bouwvergunning
Vinden er bouwkundige uitbreidingen en/of nieuwbouw plaats?
ja/neen
Bouwvergunning (nog) niet aangevraagd Bouwvergunning aangevraagd, datum: __________________________________________ (afschrift bijgevoegd) 14 - 01 - 199 7 Bouwvergunning verleend, datum:
I [II Sloopvergunning aangevraagd, datum: _______________________________________________ (afschrift bijgevoegd) E Sloopvergunning verleend, datum: 3
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Vinden er lozingen plaats waarvoor een W.v.o.-vergunning noodzakelijk is
O W.v.o.-vergunning (nog) niet aangevraagd O W.v.o.-vergunning aangevraagd, datum:
o W.v.o.-vergunning verleend, datum:
ja/neen (afschrift bijgevoegd)
-
L1
4 Omgeving 35
Afstand tot de dichtsbijzijnde woning van derden
meter
El Ligging: El Centrum/kern
LII Rustige woonwijk El Gemengd El Industrieterrein Buitengebied Bij gevoelig object
El Binnen waterwingebied gelegen
EI 60 - dagenzône EI 10-jaarszône
El 25 - jaarszône O Naam bestemmingsplan Werktijden
5 Ie
goedgekeurd
Werkdagen_ma
t/m vr_(overig inc i,d en t ee ll--- (bijv. ma t/m vr)
overdag
07.00 - 19.00 uur
l s avonds
19.00 - 23.00 uur
incidenteel in het seizoen incidenteel in het seizoen
Ei s nachts 23.00 - 07.00 uur El ___________ _________ - _________ uur 6 Afvoer dampen
El Hoeveelheid
Voorzieningen
Aard en samenstefling Hoogte afvoer m3/s
m
m 3/s
m
m3/s
m
Nr. op tekening
1 N.v.t. •
7 Ventilatie +7
m boven het maaiveld/daklijn
l Op mechanische wijze + 7
m boven het maaiveld/daklijn
l Op natuurlijke wijze
Eg aantal elektrische ventilatoren 8 Nr. op tek.
6
stuks
Stookinstallatie Soort brandstof
aardgas
Max. verbruik Capaciteit in m 3 Ih kW (nominaal) kC
188
18,8
Schoorsteenhoogte (in m boven dak)
n..v..t.
Thermische isolatie index (It)
Max. verbruik per jaar (ma)
37 600
IiI
9 Mechanisch vermogen Elektromotoren (totaal)
1 7 ,5
- kW
[1] Verbrandingsmotoren (totaal) _______________ kW 10 Opslag brandbare stoffen Type o p s l ag * (ondergr./boverigr.)
Soort
1 Dieselolie 1(3 1(3 2 HBO 3 mv. n1in K4 4 fliv n1in K T<2 5 Rn7ine 6_ 7Ei N.v.t.
Hoeveelheid in kg/X
Datum installatie
Nr. op tekening
max. 10.000 bovengronds bovengronds max. 5.000 max. 1.500 hnvengrönds Drums_oplekbak max. 1.00 Jerrycans oo max.._1.500
* Bij ondergrondse opslag tank- en installatie-certificaten bijvoegen.
11
Chemische afvalstoffen
.
Opslagcap. in m 3
Wijze van opslag
Hoeveelheid in (kg/jr.)
AfvoerfreInzamelaar quentie per jaar
Aard
Lokatie
12 Afgewerkte olie 12 Olie/vetafzetting 12 Zand c.q. slibafval
2 bovengronds 1,5 + 2.500 Nieuwe installatie, nog geen gegevens voor handen Nieuwe installatie, nog geen gegevens voor handen Oude_direct retour naar leverancier nieuwe
Ei Accus
EJ T.L.-buizen [
Oliefilters Verfresten
Ei Ei KCA kantoor Ei KCA Ei koeivloeistof Ei Ei N.v.t. 12
oe
400
spec. container 0,1
12
Dusse 1 dorp
50
spec. container 0,06 0,12 vat 0,06 vat
2 2
Dusseldorp Dusseldorp Dusseldorp
100 50
Afvoerfrequentie per jr.
-t.akkenopslag L bouw / sloopafval E2 Överig afval
Hoeveelheid/ir. in kg
-
2 6 11
Ei N.v.t.
Wijze van opslag
Inzamelaar
f. 200 ton- op asfaitpiaa Van Werven 30.000 kg container Van Wemren55000 kg r.cnt.ainer
Gasopslag
Gassoort
1 P r- npa nn 2 3 4 5
1
Overige afvalstoffen
Aard
13
Dusseldor
Ei N.v.t.
Inhoud in m 3
Aantal
8st.iiks
Lokatie
Wijze opslag
f1es10,5kg
Keuringsdatum
-
14 Bedrijfsafvalwater
EI In gemeenteriool in vrijverval-/drukriool kantoor en bedrijfsafvalwater * D Opopenwater hemelwater afvoeren en bedrijfs / parkeerterrein L In septictank EI In bodem * bedrijfsafvalwater eerst via slibvanger LII en olie/benzineafscheider EI N.v.t. Via
D Zand c.q. slibvanger wasplaats (S10) en tankplaats (S1 ,5) EI Vetafscheider EI Waterzuiveringsinstallatie II Olie/benzine-afscheider wasplaats (S10) en tankplaats (S1 ,5) zie bijlagen 4, 5 en 6 EI Bezinkvijver 15
.
Spuitcabine
O Aantal uren per dag/week EI Hoeveelheden: lak
kg per dag/week/maand
verdunner
kg per dag/week/maand
verharder
kg per dag/week/maand
LII Bijgevoegd is een lijst van de samenstelling van lak, verdunner, verharder e.d. EI Type filtering -_________________________________ El Vangpercentage EI Bijgevoegd is een emissie-berekening spuitcabine/spuitwand. EI Spuitmethoden (bijv. pneumatisch, warm-airless, electrostatisch) EI Voorbehandeling: mechanisch/thermisch/chemisch (alkalisch-sotvent-reinigen)/beitsen/conversielagefl. Il N.v.t. Verfaanmaakruimte
EI I N.v.t.
Verfopslag
EI Hoeveelheden: lak
______________________ kg verdunner ______________________ kg kg verharder kg
EI N.v.t.
16 Af- en aanvoerbewegingen vrachtwagens
* Il
pq pq
75 10 2
c tussen 07.00 en 19.00 uur per dag/ tussen 19.00 en 23.00 uur perdag/peowee tussen 23.00 en 07.00 uur per dag/peowec
91 Aantal maximaal aanwezige vrachtwagens 1 EI Aantal parkeerplaatsen uitgerust met eigen koelmotoren EI Vermogen koelmotoren _______ neen O Aansluiting op electriciteit EI ja EI N.v.t.
incidenteel gedurende het seiz. incidenteel
* Gedurende het seizoen zal het aanvangstijdstip 1 uur vroeger zijn. Minimaal de helft van dit aantal bestaat uit woon/werkverkeer. Zie bijlage 7 voor situering van de diverse parkeerplaatsen. De uitrit aan de Fokko Kortianglaan is tijdelijk. Zodra de Groene Zoomweg gerealiseerd is, zal de definitieve ontsluiting hierop plaatsvinden.
9
17 kil
Aanwezige transportmiddelen binnen de inrichting 2
heftrucks
x LPG
_2 bedrijfswagen(s) vracht
in bedrijf in bedrijf
personen _________ loskr(a)ane(en)
in bedrijf
x diesel in bedrijf _80 x electr. in bedrijf
• diesel
2
tractor(en)
2
• diesel in bedrijf
Ei ___
% avond
% nacht
% dag 20 % dag
% avond % avond
% nacht % nacht
% dag % dag
% avond
% nacht
% avond
% nacht
% avond
% nacht
% avond
% nacht
% avond
% nacht
vermogens in kW in bedrijf
El
% dag
% dag vermogens in kW 40 10 90 % dag
in bedrijf
% dag
Ei N.v.t. 18
W
Voorziening tegen geluidoverlast
1 Omkasting slijp/test— nr. op tekening ruimte Ei Sluisdeur(en)
jlage_2 positie
2
GeIuidswalfli1(X (aangegeven optekening) wordt gelijktijdig met bouw van het bedrijfspand gerealiseerd LII Trillingsdempers nr. op tekening Ei Omschrijving geluidsbronnen niatçrjeel_servjce_activiteiten en incidenteel gebruik van mchines in de npen lucht t hv._afvoer afv a l. de aan— en afvoer van auto's en tserkmatpriee, de n— en pfvoer van aan groenvoorziening gerelateerde materialen De hoogte van de geluidsbelasting is _______ dB (A) op de gevel van de dichtsbijzijnde woning
LI Uitstraling gefuidsbronnen van _0610 tot i.OD uur van
- tot -
aan— en afvoer auto's en materieel
- uur
van 19.00 tot 06,00_ uur incidenteel aan/afvoer auto's/materieel Ei Akoestisch rapport is bijgevoegd (volgens reken- en meetvoorschrift industrielawaai IL-AR-13-01) tijdens seizoen Ei Geen
19
Luchtverontreiniging
Ei Opgave van de maatregelen ter voorkoming of beperking van luchtverontreiniging is bijgevoegd met opgave van emissies lJ N.v.t.
20
Voorziening tegen andere vormen van hinder (stof-, stank-, visuele-, parkeeroverlast) welke nog niet zijn vermeld 100
FKI
parkeerplaatsen op eigen terrein Begroeiing,te weten_beplantingstroken Rapport geurhinder is bijgevoegd Rapport stofhinder is bijgevoegd
en beplante geluidswallen Ei Ei Ei Zijn er maatregelen tegen geur- en stofhinder genomen? Zo ja, welke El
Ei Geen
0
21
Veranderingen van de gebezigde werkwijzen (bijv. technieken, werkmethoden)
Ei N.v.t. 22 Opslag grondstoffen, tussen-, neven- en eindprodukten
Ei Lijst opslag chemische stoffen is bijgevoegd Ei Grondstoffenlijst is bijgevoegd Ei Tussen-, neven- en eindproduktenlijst is bijgevoegd [3 fliv. dnde mat. t.h.v groenvoorz. activiteiten zoals hout—beton—rioleringsprodukten Ei 7.anci (5flm 3 ), grnndJ1O0m.?j, grind (0m 3 ), haifverharding (7m 3 Lj Levende materialen o.abnen en beplantingsprodukten Zie bijlage 1, 2, 3 en 7 )
23 Opslag overige stoffen Worden in het bedrijf: ontplofbare stoffen vervaardigd, verwerkt of opgeslagen? giftige, corrosieve of sterk prikkelende stoffen gebruikt en/of opgeslagen?
Tneen neen
Zo ja, Soort stof/bijprodukten
Hoeveelheid in m'
Verpakking c.q. type opslag
24 Afvalstoffen Afvalstof
[3
Aard
Omvang Plaats kg/jaar m3/jaar opslag
Wijze opslag
Wijze afvoer
Reduktie door
N.v.t.
25
Samenstelling produkten
26
Bestrijdingsmiddelen
Ei Bestrijdingsmiddelenkast, niet betreedbaar
capaciteit max. 2.500 kg 12 Betreedbare bestrijdingsmiddelenkast El Hoeveelheden die maximaal aanwezig zijn per soort:
Ei
kg/I kg/1 kg/l N.v.t.
Zie bijlage 2 positie 3
kg/l kg/l kg/l
27
Brandbeveiliging
ki De inrichting voldoet aan het Bouwbesluit: 1 De inrichting voldoet aan de Bouwverordening: Omschrijving van de aanwezige brandblusmiddelen toegevoegd of op tekening. ü Omschrijving van de aan te brengen brandveiligheidsinstallaties toegevoegd (bv. brandmeldinstallatie, sprinklerinstallatie).
E De inrichting voldoet aan de Min, regeling Bouwbesluit brandveiligheid (alleen bij bestaande bedrijven) 28
Milieubelasting van de inrichting
Wijze waarop de milieubelasting bij normaal bedrijf wordt vastgesteld en geregistreerd (bijv. periodieke teflingeri, metingen, onderzoek, inspectie, monsterneming, bijhouden logboek. milieuzorgsysteem)
Mlieuzorg systeem in werking
29
Opgaaf van redelijkerwijs te voorziene ongewone ongevallen
Mogelijke incidenten of calamiteiten, buiten de normale bedrijfsomstandigheden en de daarbij ingezette milieuVOO rz ien ing en
30 Nadere gegevens Dit slaat op evt. extra gegevens, die het gemeentebestuur kan verlangen.
LU
31
Toekomstige ontwikkelingen
Hier vermelden de redelijkerwijs binnen afzienbare tijd te verwachten milieurelevante ontwikkelingen, zoals aard/ omvang van wijzigingen of uitbreidingen van de inrichting of veranderingen van de in de inrichting gebezigde werkwijzen, de situering daarvan op het terrein van de inrichting en de periode waarbinnen een en ander zal worden gerealiseerd. En in hoeverre nevenindustriën in de nabijheid zullen worden gevestigd.
.
Deaanvrager
Firma stempel,
-1 i .
(han
wooszlningn BV Mnn POstbus 425, 3840 AK Harderwijk 7dbon (0341) 436 436 Fax (0341) 436 437
Behoort bij besluit van burgemeesters en wethouders van de gemeente d.d.
De secretaris,
Bijlagen ________ stuks
~40j4r'
fl.0.
- -4_.-
-
----
-
-
-:
-
S
'qç ,
t
-
aA4
gemeente harderwijk
Aan de regionale inspecteur van de volksgezondheid voor de milieuhygiëne Postbus 60083 6800 JB ARNHEM
DATUM: ONS KENMERK:
23 april 1997 SB1999
UW BRIEF VAN: UW KENMERK: ONDERWERP:
Wet milieubeheer.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.17, 3e lid van de Algemene wet bestuursrecht, zenden wij u een exemplaar met bijbehorende stukken van een op 16 april 1997 ingediend verzoek van Drielanden, Fokko kortlanglaan 137 te Harderwijk. Het betreft een aanvraag op grond van de Wet milieubeheer. Het verzoek is bij ons ingeboekt onder nummer 999. Indien u advies wilt uitbrengen, ontvangen wij dit graag zo snel mogelijk. Het hoofd van de sector Stadsbeheer,
.
-. -
SECTOR: SB BEHANDELD DOOR: DOORKIESNUMMER:
411216
BIJLAQEN: Div.
Havendam 56 Postbus 149 3840 AC Harderwijk Telefoon (0341) 411 911 T elefax (0341) 425 895 Bank 28.50.03.313 Giro 83.04.16
gemeente harderwijk
-~iu
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo t.a.v. de afdeling bouwen, wonen en milieu Postbus 500 3850AM ERMELO
DATUM: ONS KENMERK:
5juni 1997 SB/999
UW BRIEF VAN: UW KENMERK:
.ONDERWERP: Wet milieubeheer.
Geacht college, Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.17, 3e lid van de Algemene wet bestuursrecht, zend ik u een exemplaar met bijbehorende stukken van een op 16 april 1997 ingediend verzoek van Drielanden, Fokko Kortlanglaan 137 te Harderwijk. Het betreft een aanvraag op grond van de Wet milieubeheer. Het verzoek is bij ons ingeboekt onder nummer 999. Op grond van artikel 7.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, bent u wettelijk adviseur aangezien de inrichting is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de gemeentegrens tussen Harderwijk en Ermelo. Indien u advies wilt uitbrengen, ontvangen wij dit graag zo snel mogelijk. Het hoofd van de sector Stadsbeheer,
SECTOR: SB BEHANDELD DOORKIESNUMMER:
411216
BIJLAGEN: DIV.
Havendam 56 Postbus 149 3840 AC Harderwijk Telefoon (0341) 411 911 Telefax (0341) 425 895 Bank 28.50.03.313 Giro 83.04.16
Vergunning 2.2 Mii nr. 999 26-08-1997 d.d.
0
0
Afschrift aan: Milieu
_s. * gemeente harderwijk
Drielanden Celsiusstraat 6 3846 BL HARDERWIJK
DATUM: ONS KENMERK:
2 september 1997 SB/999
UW BRIEF VAN: UW KENMERK: • ONDERWERP:
Vergunning Wet milieubeheer.
Geachte
,
De aanvraag Onlangs ontvingen wij uw aanvraag om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van het groenvoorzieningenbedrijf, gelegen aan de Fokko Kortlanglaan 137 te Harderwijk. Uitgaande van de door u verstrekte informatie hebben wij geconcludeerd dat het gaat om een ontvankelijke aanvraag waarvoor wij het bevoegd gezag vormen. Uw aanvraag is daarop bij ons ingeboekt op 16 april 1997 onder nummer 999. Procedure De gevolgde procedure is overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht uitgevoerd. Bezwaren en adviezen De aanvraag en de ontwerpbeschikking hebben gedurende de gebruikelijke termijn voor het publiek ter inzage gelegen. Er zijn geen bezwaren tegen de aanvraag en ontwerpbeschikking ingebracht. De regionaal inspecteur voor de Milieuhygiëne ziet in de aanvraag geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
is
Beoordeling milieuhygiënische aspecten Bij de beoordeling van deze aanvraag spelen meerdere milieuhygiënische aspecten een rol. Bij de beoordeling van de aanvraag hebben wij met name gekeken naar de gevolgen die de inrichting kan hebben op de bestaande toestand van het milieu en de van belang zijnde ontwikkelingen. Door voorschriften aan de vergunning te verbinden kunnen nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen dan wel zoveel mogelijk worden beperkt. De aanvrager heeft in de aanvraag ter voorkoming van geluidshinder aangegeven rond het terrein een talud met een hoogte variërend van 2,00 m tot 2,50 m. Na realisering van de Groene Zoomweg zullen de aan- en afvoeractiviteiten via de Groene Zoomweg plaatsvinden. De inen uitgang richting Fokko Kortlanglaan zal dan als noodvoorziening dienst gaan doen.
SECTOR:
SB
BEHANDELD DOOR: DOORKIESNUMMER: BIJLAGEN:
411216 Div.
Havendam 56 Postbus 149 3840 AC Harderwijk Telefoon (0341) 411 911 Telefax (0341) 425 Bank 28.50.03.313
895
-2Binnen de inrichting mag geen omzetting van organisch materiaal (compostering) plaatsvinden. Tuinafval e.d. wordt gestort op een vloeistofdichte ondergrond. Niet verontreinigd hemelwater wordt niet geloosd op de gemeentelijke riolering. Binnen de inrichting is opvangcapaciteit aanwezig. Uiteindelijk wordt een bodemlozing van dit water uitgevoerd aan de voorzijde van het kantoorgebouw (zie aanvraag). In de te lozen vloeistof mogen geen stoffen voorkomen uit lijst 1 en II (zie hiervoor bijlage bij lozingsvoorschriften riolering), of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst 1 zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op lang termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.
•
Besluit Mede gelet op het vorenstaande besluiten wij de door u aangevraagde vergunning te verlenen overeenkomstig de bij dat besluit behorende, gewaarmerkte stukken. Ook de aanvraag, inclusief tekeningen en overige bij lagen, maakt deel uit van de vergunning. Aan de vergunning verbinden wij de voorschriften zoals vermeld in de bijlagen: Algemene voorschriften. Voorschriften ter beperking van geluidshinder. Voorschriften ter bescherming van de bodem. Bijlage behorende bij voorschrift 3 (Voorschriften ter bescherming van de bodem). Voorschriften met betrekking tot afvalstoffen. Voorschriften voor de opslag van K3-vloeistoffen (bovengrondse stalen tank, inhoud groter dan 3.000 liter). Voorschriften voor de opslag van K3-vloeistoffen en afgewerkte olie (bovengrondse stalen tank, inhoud ten hoogste 3.000 liter). Voorschriften voor het af- en overtappen van brandbare vloeistoffen (met elektrische pompen). Voorschriften voor het af- en overtappen van brandbare vloeistoffen (met handpompen). Voorschriften voor de opslag van brandbare vloeistoffen. Voorschriften voor de bewaring van gevaarlijke (vloei)stoffen in emballage. Voorschriften voor de opslag van gasflessen. Voorschriften voor het gebruik van gasflessen. Bijlage behorende bij voorschrift 12 (Voorschrift voor het gebruik van gasflessen). 13. Voorschriften voor reparatiewerkpiaatsen voor motorvoertuigen.
Voorschriften voor het wassen van voertuigen. Voorschriften voor heftrucks. Voorschriften voor de gasgestookte verwarmingsinstallatie (centrale verwarmingswarmwaterinstallaties met een belasting groter dan 130 kW tot maximaal 2500 kW vermogen). Voorschriften voor opslagplaatsen voor bestrijdingsmiddelen (maximaal 2.500 kg). Lozingsvoorschriften riolering.
Harderwijk, 26 augustus 1997 Burgemeester en wethouders van Harderwijk, De burgem
___-----k4J-van dn Beukel —burgemees er
De K. Dikkema
-3-
Datum terinzagelegging: 3 september 1997 Legesf. 55809-
•
.
Op de volgende zaken wordt uw aandacht gevestigd. 1. Ingevolge artikel 20.6 van de Wet milieubeheer kan tot 6 weken na de datum van de terinzagelegging beroep worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State door: degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Het besluit wordt na afloop van de beroepstermijn van kracht tenzij voor deze datum 2. beroep is ingesteld en met toepassing van artikel 20.3 van de Wet op de Raad van State een verzoek wordt gedaan tot schorsing van het besluit dan wel tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het beroepschrift moet worden gericht aan de voorzitter van de afdeling Bestuursrechtspraak en moet worden gezonden aan de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Het verzoek tot schorsing of een voorlopige voorziening moet worden gericht aan de voorzitter van deze afdeling. Het besluit wordt pas van kracht nadat op dat verzoek is beslist. 3.
Ingevolge artikel 8.23 en 8.25 van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu de vergunning wijzigen of intrekken. Een voornemen daartoe wordt van tevoren bekendgemaakt. 4. Ingevolge artikel 8.25 lid lb van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag tevens een vergunning voor een inrichting intrekken indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, de inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest of de vergunninghouder de inrichting niet meer drijft. 5. Aan de in de vergunning opgelegde voorschriften moet zijn voldaan voordat de inrichting in werking wordt gebracht. 6. Deze vergunning houdt niet in, dat ook andere vereiste vergunningen zullen worden verleend. Toezending besluit Een exemplaar van dit besluit is gezonden aan: de aanvrager; de regionale inspecteur voor de Milieuhygiëne, Postbus 60083, 6800 JW Arnhem; degenen die bezwaren tegen het ontwerp-besluit hebben ingebracht; Gemeente Ermelo, afdeling bouwen, wonen en milieu, Postbus 500, 3850 AM Ermelo.
gemeente harderwijk
9 - Ü-n~,
1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN De elektrische installatie mag geen storing in de radio- en/of televisieontvangst veroorzaken. De elektrische installatie moet voldoen aan de voorschriften zoals aangegeven in de norm NEN 1010.
•
Toelichting Met de genoemde NEN normen wordt bedoeld de véér de datum waarop deze beschikking van kracht wordt laatstuitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correcties. In de inrichting dienen blusmiddelen aanwezig te zijn zoveel en op de plaatsen als op de plattegrond zijn aangegeven; de blusmiddelen moeten steeds onbelemmerd bereikt kunnen worden, te allen tijde tot onmiddellijk gebruik gereed zijn en in goede staat van onderhoud verkeren; jaarlijks moeten zij op hun deugdelijkheid worden gecontroleerd door REOB erkende onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen; van elke uitgevoerde controle moet aantekening worden gemaakt op een bij het apparaat ter inzage aanwezige registratiekaart. Het onderhoud van draagbare brandblustoestellen moet overeenkomstig NEN 2559 geschieden. Draagbare blustoestellen moeten zijn voorzien van een rijkskeurmerk met rangnummer. Slanghaspels moeten voldoen aan NEN 3211.
•
Behoudens slanghaspels mogen de blusmiddelen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor brandbestrj ding. De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. Op het terrein van de inrichting mogen geen afvalstoffen van welke aard dan ook worden verbrand. Indien zich een onvoorziene gebeurtenis zoals een bedrijfsstoornis heeft voorgedaan of zich voordoet, waardoor hinderlijke, schadelijke of gevaarlijke stoffen buiten de inrichting zijn gekomen dan wel kunnen komen, moeten onmiddellijk maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk de gevolgen te beperken c.q. aan het gevaar een einde te maken, van een en ander moet terstond kennis worden gegeven aan de sector Stadsbeheer, afdeling Milieu, tel. 411254 of tussen 17.00 en 08.30 uur aan het basisteam politie Harderwijk, tel. 436300. Uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen, luchtbehandelingsinstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan verder geen andere voorschriften zijn gesteld, moeten zodanig zijn gesitueerd dat van de hierdoor uittredende lucht en de daarin aanwezige stoffen geen hinder wordt ondervonden buiten de inrichting.
MV-101
2 Installaties of onderdelen van installaties, welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd, tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren. Stoffen die, om welke reden dan ook, niet (meer) in de inrichting worden toegepast, alsmede de daarbij behorende emballage, moeten zo spoedig mogelijk uit de inrichting worden verwijderd. Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet zoveel mogelijk worden voorkomen; zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Degene die de inrichting drijft is overigens gehouden te doen en na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om gevaar en schade dan wel hinder buiten de inrichting te voorkomen of te beperken.
00
De vergunninghouder is verplicht alle in de inrichting werkzame personen te instrueren met het doel gedragingen hunnerzijds uit te sluiten die tot gevolg zouden kunnen hebben dat de inrichting niet overeenkomstig de vergunning en haar voorschriften dan wel met overtreding van een of meer van die voorschriften in werking is. De in de inrichting aangebrachte of gebezigde verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen hinderlijke lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is. Daar waarin deze vergunning is voorgeschreven dat degene die de inrichting drijft verplicht is metingen, keuringen en controles aan installaties of installatieonderdelen te verrichten of te laten verrichten, moeten de resultaten daarvan in de inrichting worden bewaard en ter inzage worden gehouden voor het bevoegd gezag. van B. en W. rQ3r#t,k V
D seCr2ta van HârdorWjk,
MV- 101
gemeente harderwijk
2. VOORSCHRIFTEN TER BEPERKING VAN GELUIDSHINDER Het equivalente geluidsniveau (LAeq), geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en daar plaatsvindende activiteiten mag, gemeten en beoordeeld volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01" van maart 1981, ter plaatse van Fokko Kortianglaan 133, 151, 153, 157, 159 en 132, niet meer bedragen dan: 45 dB (A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur; 45 dB (A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur; 40 dB (A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur. .
2.
Onverminderd het voorgaande voorschrift mag het maximale geluidsniveau (Lmax.), dat een gevolg is van de in de inrichting/uitbreiding aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en daar plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand "fast", op de in het voorgaande voorschrift genoemde locaties, niet groter zijn dan: 70 dB (A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur; 65 dB (A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur; 60 dB (A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur. Het gestelde in voorschrift 2 is niet van toepassing op aan- en afvoerbewegingen ten behoeve van de inrichting voorzover dit plaatsvindt tussen 07.00 uur en 19.00 uur. Ramen en deuren in de buitengevels van de bedrijfsgebouwen moeten tijdens het in werking zijn van lawaaiproducerende machines gesloten worden gehouden; deuren mogen dan slechts worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. Gedurende het laden en lossen mag de motor van het voertuig waarin wordt geladen, onderscheidenljk waaruit wordt gelost, niet in werking zijn tenzij het in werking zijn van de motor noodzakelijk is voor het laden en lossen. Machines en toestellen moeten zodanig zijn opgesteld dat zij in niet tot de inrichting behorende ruimten geen merkbare trillingen veroorzaken.
Onverminderd het gestelde in voorschrift 1 mogen in de periode van 19.00 uur tot 07.00 uur lawaaimakende werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd in de werkplaats. var d.dl47 nr. VcJ Hari*' De secr9ta van Hard0 1w11k,
MV-102
gemeente harderwijk
9 `U
3. VOORSCHRIFTEN TER BESCHERMING VAN DE BODEM Op het terrein van de inrichting mogen geen (vloei)stoffen in de bodem en/of het grondwater worden gebracht die de bodem en/of het grondwater kunnen verontreinigen. Een bedrijfsriolering voor de afvoer van afvalwater c.q. verontreinigd regenwater moet vloeistofdicht zijn uitgevoerd. Vaatwerk of reservoirs met vloeibare (afval)stoffen mogen uitsluitend worden bewaard in de bewaarplaatsen zoals deze zijn weergegeven op de bij deze beschikking behorende tekeningen. Indien verontreiniging van de bodem en/of het grondwater met stoffen, anders dan ten gevolge van een ongewoon voorval in de zin van wet Bodembescherming (Stb.
1986, 374), optreedt of is opgetreden na het van kracht worden van de beschikking, dan wel wordt vermoed, moet degene die de inrichting drijft: daarvan melding doen aan het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders van Harderwij k); maatregelen treffen om verdere verontreiniging van de bodem en grondwater te voorkomen; de aard, de mate en de omvang van de verontreiniging te onderzoeken op een door het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk) goed te vinden wijze; de resultaten van de onderzoeken in voorschrift 4c uiterlijk binnen 3 maanden aan het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk) te overleggen; de opgetreden verontreiniging van bodem en grondwater op een door burgemeester en wethouders van Harderwijk goedgekeurde wijze ongedaan maken; eventuele tanks en/of leidingen die met de verontreinigende stoffen in aanraking zijn geweest, laten controleren op aantasting en indien nodig, laten herstellen of vervangen; alle door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen en opdrachten, die het onder b. tot en met f. gestelde ten doel hebben, worden opgevolgd.
Om de werking van de aangebrachte voorzieningen ter bescherming van de bodem te controleren, moet de bodem worden onderzocht. De uitgangssituatie dient te worden vastgesteld in een zogenaamd nulonderzoek waarbij zowel de vaste bodem als het grondwater worden onderzocht. Daarna dient het grondwater periodiek (eenmaal per 2 jaar, met ingang van de datum van de vergunningverlening), te worden onderzocht. Bij het beëindigen van de inrichting dient ten slotte een eindcontrole plaats te vinden, waarbij zowel de vaste bodem als het grondwater moeten worden onderzocht. De resultaten van het eerste (nul)onderzoek dienen bij voorkeur voor het in gebruik nemen van de inrichting of een deel van de inrichting, doch uiterlijk binnen vijf maanden na het van kracht worden van deze beschikking aan burgemeester en wethouders van Harderwijk te worden overgelegd. De resultaten van de volgende onderzoeken dienen maximaal 1 maand na de uitvoering aan burgemeester en wethouders van Harderwijk te worden overgelegd.
MV- 103
-2Toelichting Het bodemonderzoek is gericht op de controle van het goed functioneren van de getroffen bodembeschermende voorzieningen. Voor dit onderzoek is een analyse op bodembedreigende stoffen, die bij een normale bedrijfsvoering binnen de inrichting aanwezig zijn, in principe voldoende. Voor de uitvoering van het bodemonderzoek ter controle van de bodembeschermende maatregelen moet een onderzoeksvoorstel ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders van Harderwijk worden overgelegd. In het onderzoeksvoorstel moet ten minste het volgende worden opgenomen: de doelstelling van het onderzoek; een opsomming van alle stoffen welke in de inrichting worden gebruikt; de plaatsen waar de potentieel bodembedreigende stoffen worden gebruikt en/of bewaard (aangeven op een plattegrond); de locatie van boringen en peilbuizen (aangeven op een plattegrond); de te onderzoeken parameters. Dit onderzoeksvoorstel mag gecombineerd worden met het onderzoeksvoorstel dat bij voorschrift 10 wordt voorgeschreven. De grondwatermonsters moeten worden genomen uit de peilbuizen, die zo dicht mogelijk bij en onderstrooms ten opzichte van de potentiële bronnen van verontreiniging moeten worden geplaatst. De grondwatermonsters moeten op relevante bodembedreigende stoffen worden geanalyseerd. Per potentiële bron van verontreiniging dient ten minste 1 peilbuis te worden geplaatst.
Het aantal te plaatsen peilbuizen moet verder afhankelijk van de specifieke situatie worden vastgesteld. De voor het onderzoek te plaatsen peilbuizen dienen zodanig te worden geplaatst en afgewerkt, dat ze niet worden beschadigd en te allen tijde bereikbaar zijn voor het nemen van monsters. Indien peilbuizen niet meer geschikt zijn voor het nemen van watermonsters dienen ze te worden vervangen. Ten minste 3 maanden vôér het beëindigen van (een deel) van de inrichting dient een onderzoeksvoorstel voor een eindcontrole van de bodemkwaliteit nabij de potentiële bronnen van bodemverontreiniging ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders van Harderwijk te worden overgelegd. Naast het grondwateronderzoek, als beschreven in 12, 13, 14 en 15, dient de grond nabij de potentiële bronnen van bodemverontreiniging te worden onderzocht. Indien een redelijk vermoeden bestaat, dat de aangebrachte voorzieningen ter bescherming van de bodem en het grondwater niet meer afdoende werken, moet op een daartoe strekkend verzoek van burgemeester en wethouders van Harderwijk binnen een daarvoor gestelde termijn een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Ehoort bij beî'tt van B. en W. van Harderwijk d.d. i,iÇ? -nr. De secretaris van Harderwijk,
MV-103
gemeente harderwijk
--~iU
BIJLAGE BEHORENDE BIJ VOORSCHRIFT 3 (VOORSCHRIFTEN TER BESCHERMING VAN DE BODEM) Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan. Organische fosforverbindingen. Organische tinverbindingen. Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben. Minerale oliën en koolwaterstoffen. Cyaniden. De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan: kwik beryllium Ehoort bij v S. on W. -
-
1 -
-
-
ai lood•
thallium arsenicum
vai Havderwijk d.d24, 7 nr.9
De secretaris van Harderwijk
-zilver '
zink borium koper vanadium nikkel kobalt chroom barium selenium titaan molybdeen. Biociden en derivaten. Stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie kunnen maken. Organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan, met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in onschadelijke stoffen. Anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor. Ammoniak, nitrieten en nitraten. Chioriden, bromiden, fluoriden. Sulfaten. -
-
-
-
-
-
.
-
-
-
-
-
MV- 104
*4
gemeente harderwijk
4. VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT AFVALSTOFFEN Afvalstoffen van welke aard dan ook mogen niet in de inrichting worden verbrand, gestort of begraven. Afvalstoffen moeten op gezette tijden uit de inrichting worden afgevoerd; het afvoeren moet zodanig geschieden dat zich geen afvalstoffen in of buiten de inrichting kunnen verspreiden. Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze geschieden; van afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden. Verontreiniging van het openbare terrein rond de inrichting door uit de inrichting afkomstige afvalstoffen moet worden voorkomen; mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. Afvalcontainers en dergelijke moeten, wanneer deze vol zijn, worden afgevoerd en onmiddellijk worden vervangen door een lege afvalcontainer, dan wel worden geleegd en de inhoud moet door middel van een daartoe geschikt gesloten transportmiddel uit de inrichting worden afgevoerd; zowel het legen van de afvalcontainer als het afvoeren van de inhoud van de afvalcontainer moet zodanig geschieden, dat zich geen afval buiten de inrichting kan verspreiden. Aan rotting en bederf onderhevig afval mag in de inrichting uitsluitend worden bewaard in goed gesloten vaten of containers.
40
Indien afvalwater via een vet- of olieafscheider wordt afgevoerd dan wel een slibvanger passeert moet deze, zo dikwijls als dit voor de goede werking daarvan noodzakelijk is, worden ontdaan van vet-, olie- dan wel slibafzetting. Vloeibare afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moeten worden bewaard op een vloeistofdichte vloer; de vloer moet zijn omgeven door vloeistofdichte opstaande randen welke met de vloer een bak vormen. De hoogte van de opstaande randen wordt bepaald door de opnamecapaciteit daarbinnen, welke gelijk moet zijn aan de inhoud van het grootste vat, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige vaten. Indien de vloeistofdichte vloer buiten is moet boven deze vloeistofdichte vloer een dak aanwezig zijn; het dak moet zo groot zijn dat regenwater niet binnen de vloeistofdichte bak kan komen. Oude accu's moeten zijn geborgen in een vloeistofdichte bak die bestand is tegen de inwerking van de zich daarin bevindende zuren. De opvangbak moet zodanig zijn uitgevoerd, dat bij lekkage de gehele voorraad vloeistoffen kan worden opgevangen. Deze emballage moet binnen zijn geplaatst dan wel op een zodanige wijze zijn uitgevoerd dat de opslag tegen weersinvioeden is beschermd.
MV- 105
-210. Met boor- en slijpolie verontreinigd metaalafval moet bewaard worden in een vloeistofdichte bak. De metaalafvalbak moet zijn geplaatst op een vloeistofdichte vloer. 11. Indien de vloeistofdichte vloer buiten is moet boven deze vloeistofdichte vloer een dak aanwezig zijn; het dak moet zo groot zijn dat regenwater niet binnen de vloeistofdichte bak kan komen. 12. De hoeveelheid vrijkomende afvalstoffen dient zo veel mogelijk te worden beperkt. Reststoffen dienen zo veel mogelijk te worden hergebruikt, dan wel zodanig vrij te komen, dat deze door derden in gebruik genomen worden als grondstof. 13. Van alle uit de inrichting afgevoerde afvalstoffen moet een afvalstoffenboekhouding worden bijgehouden. Deze boekhouding moet ten minste de volgende gegevens bevatten: een opgave van de aard/samenstelling en de hoeveelheden van de afgevoerde afvalstoffen; de naam van de inzamelaar en/of de naam van verwerker aan wie de afvalstoffen zijn afgegeven; het tijdstip waarop de afvalstoffen zijn afgegeven; de meldings- en omschrijvingsformulieren die op grond van de Wet milieubeheer voor de afvoer van gevaarlijke afvalstoffen benodigd zijn; facturen betreffende de afvoer van de afgevoerde afvalstoffen. 14. De afvalstoffenboekhouding moet gedurende ten minste 3 jaar in de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde ambtenaren op eerste aanvraag ter inzage worden gegeven.
-oortbij b+ti V' :.-. •' vän HarderW d.d.246)7 De secretans van HarderWijk ,
.3.
[Ji
MV-105
gemeente harderwijk
5. VOORSCHRIFTEN VOOR DE OPSLAG VAN K3-VLOEISTOFFEN INCL. AFGEWERKTE OLIE (bovengrondse stalen tank, inhoud groter dan 3.000 liter) De stijfheid en de sterkte van een tank moeten voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van zettingen, eventuele verzakking van de steunpunten of als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen, terwijl de dichtheid onder alle omstandigheden moet zijn verzekerd; de dikte van de voor de tankwand gebruikte plaat moet ten minste 5,0 mm bedragen en mag tevens niet kleiner zijn dan:
= 1.4 * lengte v/d tank (mm) + 1.4 * diameter v/d tank (mm) 1000 De ondersteunende constructie van een tank moet uit onbrandbaar materiaal bestaan; op plaatsen waar kans op verzakking bestaat, moet een doelmatige fundering zijn aangebracht. Een tank moet een cilindrische vorm hebben en zijn vervaardigd van gewalst staal dat ten minste voldoet aan de eisen voor Fe 360, volgens Euronorm 25-72, tabel 2; de bolle fronten van horizontale, respectievelijk de bodem en het dak van verticale tanks moeten zodanig zijn gevormd dat de bevestigingsnaad aan de romp in het cilindrische deel van de tank is aangebracht; de bolle fronten, respectievelijk de bodem en het dak moeten ten minste even sterk zijn als de romp van de tank; alle lassen moeten doorgelast zijn en overigens voldoen aan de eisen van goed vakmanschap. Een tank en de bijbehorende leidingen moeten afdoende zijn beschermd tegen uitwendige corrosie, bijvoorbeeld door een oppervlaktebehandeling en het direct daarna aanbrengen van een doelmatige verfiaag.
Ie
Een tank moet van doelmatige afsluitbare openingen zijn voorzien waardoor het inwendige wandoppervlak in voldoende mate kan worden onderzocht; zijn de afmetingen van de tank zodanig dat dit onderzoek alleen uitvoerbaar is door het inwendige van de tank te betreden, dan moet de tank zijn voorzien van een mangat; bij een verticaal geplaatste tank moet ten minste een mangat in het dak en indien de inwendige hoogte meer bedraagt dan 2,5 m bovendien een mangat in de romp zijn aangebracht. Een tank moet zijn voorzien van een peilvoorziening of een vloeistofstandaanwijzer, die zodanig is ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de tank, ook door verkeerde werking of door breuk, niet mogelijk is. Alle leidingen en appendages moeten vloeistofdicht zijn, voldoende sterk zijn en waar nodig doeltreffend tegen beschadiging zijn beveiligd. Leidingen, met uitzondering van flexibele verbindingsstukken, moeten zijn vervaardigd van metaal van voldoende mechanische sterkte; de verbindingen moeten onder alle omstandigheden even sterk zijn als de rest van de leiding; de leidingen en de appendages moeten blijvend oliedicht zijn. MV-312
-2Leidingen moeten zodanig met gelaste verbindingen, flensverbindingen of fitwerk zijn uitgevoerd, dat bij zetting van de tank of de leidingen geen gevaarlijke mechanische spanningen kunnen optreden; koperen leidingen moeten elektrisch zijn geïsoleerd van de tank. Een tank moet zijn voorzien van een ontluchtingsleiding met een inwendige middellijn van ten minste 38 min; bij tanks met meer dan 1 vulleiding moet de inwendige middellijn ten minste 50 mm bedragen; de ontluchtingsleiding moet stevig zijn bevestigd, moet buiten uitmonden en tegen inregenen zijn beschermd; ter voorkoming van overlast en/of explosiegevaar moet de uitmonding van een ontluchtingsleiding van een tank zich ten minste 3 m boven maaiveld bevinden; de ontluchtingsleiding moet te allen tijde een open verbinding van de tank met de buitenlucht verzekeren, en de uitmonding moet zich op een zodanige plaats bevinden dat het door de ontluchtingsleiding ontwijkende gasmengsel zich niet kan verzamelen in een besloten ruimte, noch kan uitstromen nabij schoorstenen, ramen of andere openingen van gebouwen, noch stankoverlast kan veroorzaken in de omgeving.
In elke aansluiting op een tank beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de tankwand een metalen afsluiter zijn geplaatst; deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend dan wel is gesloten; de zich direct tegen de buitenwand van de tank bevindende verbindingsstukken en de appendages beneden het hoogste vloeistofniveau moeten van staal zijn vervaardigd. Doorvoeringen van leidingen door een tankomwalling of door een andere constructie, bestemd om olieproducten binnen een bepaalde ruimte te houden, moeten vloeistofdicht zijn geconstrueerd; de leidingen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat bij zetting van de tank geen beschadiging van de leidingen of de tank kan plaatsvinden; buiten de tankomwalling of muur moeten de leidingen tegen mechanische beschadiging zijn beschermd; indien met reden voor zetting van de tank kan worden gevreesd, moet in de leidingen een expansiestuk of een flexibel tussenstuk worden aangebracht; de leidingen dienen bij voorkeur over de tankomwalling of muur te zijn aangebracht. Leidingen moeten afdoende tegen corrosie zijn beschermd; ondergrondse leidingen moeten beperkt en zo kort mogelijk worden gehouden en met (asfalt)bitumen dan wel polyetheen overeenkomstig NEN 6910 respectievelijk NEN 6902 bekleed zijn.
40
Tenzij op grond van een door of namens het KIWA afgegeven bodemweerstandrapport kan worden aangetoond, dat de specifieke weerstand van de grond op de plaats waar de onderleidingen van de tank komen te liggen meer dan 50 ohm.m bedraagt moeten de ondergrondse leidingen uitwendig tegen corrosie zijn beschermd door middel van een kathodische bescherming, welke aan het gehele te beschermen oppervlak te allen tijde een potentiaal geeft van -850 mV, of een meer negatieve waarde, gemeten ten opzichte van een Cu-CuSO4 - referentiecel; in anaërobe gronden is een potentiaal van -950 mV, of een meer negatieve waarde noodzakelijk; de aangelegde potentiaal mag niet groter zijn dan -1500 mV; de meting van de weerstand van de grond mag niet geschieden onder extreme omstandigheden van droogte; de weerstand van de grond moet worden bepaald op het diepste punt van de te maken uitgraving. Indien voor beschadiging van de ondergrondse leidingen van de tank door zwerfstromen gevreesd moet worden, moeten hiertegen afdoende maatregelen zijn getroffen. Het meetpunt van een kathodische bescherming moet goed bereikbaar en herkenbaar zijn aangebracht, bijvoorbeeld door een meetplaatje of een meetkast.
MV-312
-3De kathodische bescherming moet zodanig zijn geïnstalleerd, worden onderhouden en gebruikt dat er geen schade aan ondergrondse objecten zoals gasleidingen en telefoonkabels in de omgeving van de ondergrondse leidingen van de tank kan worden toegebracht; het bodemweerstandrapport en een door of namens het KIWA afgegeven genummerd KB-installatiecertificaat, moeten aan het bevoegd gezag worden overgelegd voor het in gebruik nemen van de onder grondse leidingen van de tank. Alle afsluiters en hulpstukken in de ondergrondse leidingen van de tank moeten van staal zijn; het gebruik van cilindrische schroefdraad in de ondergrondse leidingen is verboden. Indien gevaar voor mechanische beschadiging van leidingen of appendages bestaat, moeten deze hiertegen zijn beschermd. Een tank moet ten minste 5 m van enig tot de inrichting behorend gebouwonderdeel of een bewaarplaats van brandbare stoffen zijn verwijderd, tenzij de wand van het gebouw of de bewaarplaats een brandwerendheid bezit van ten minste 60 minuten; de afstand tussen twee tanks moet ten minste 1 m bedragen; de afstand tussen een tank en de erfscheiding moet ten minste 3 m bedragen.
Een tank moet zijn omgeven door een vloeistofdichte omwalling of muur van zodanige hoogte, dat samen met een vloeistofdichte vloer een vloeistofdichte lekbak ontstaat met een inhoud ten minste gelijk aan de inhoud van de tank; deze tankomwalling of muur moet voldoende sterk zijn om weerstand te kunnen bieden aan de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk. Indien binnen de tankomwalling of muur twee of meer tanks zijn opgesteld, dan moet de opnamecapaciteit binnen de tankomwalling of muur ten minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste tank, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige tanks. Hemelwater moet uit de vloeistofdichte lekbak worden afgevoerd door een leiding waarin buiten en zo dicht mogelijk bij de tankomwalling of muur een afsluiter is aangebracht; deze afsluiter moet gesloten worden gehouden en mag slechts voor het laten afvloeien van hemelwater worden geopend; deze voorzieningen kunnen achterwege blijven, indien boven de vloeistofdichte lekbak een afdak is aangebracht, zodanig dat geen hemelwater in de lekbak kan komen, of indien een pompvoorziening is opgenomen die slechts voor het verpompen van hemelwater in bedrijf mag worden gesteld. Ten behoeve van de bepaling van het vloeistofniveau in een tank, moet zo nodig een doelmatige stand-peilpiaats op de tank aanwezig zijn.
Een tank moet aan alle zijden op een doelmatige wijze bereikbaar zijn. Alvorens met het vullen wordt begonnen moet door middel van een peilstok of oliestandaanwijzer de vloeistofinhoud worden bepaald; het opnemen van de vloeistofinhoud van de tank met een peilstok moet geschieden door een speciaal daartoe bestemde peilopening, die behoudens tijdens het peilen gesloten moet zijn; peilstokken mogen niet vervaardigd zijn van metaal dat edeler is dan staal.
MV-312
-4-
Het vullen van een tank uit een tankwagen moet geschieden door een zowel aan de aanvoerende tankwagen als aan de vulleiding van de tank gekoppelde lossiang; de tankwagen moet tijdens het lossen in de open lucht zijn opgesteld; de motor van de tankwagen mag gedurende het aan- en afkoppelen van de vulsiang(en) niet in werking zijn; het vullen van een tank moet zonder lekken of morsen van vloeistof geschieden; tijdens het vullen mag de peilvoorziening niet zijn geopend. Onmiddellijk nadat de vloeistof in een tank is overgebracht en de lossiang is afgekoppeld moet de vulleiding met een goed sluitende dop of een afsluiter worden afgesloten. Ten minste eenmaal per jaar moet een tank op de aanwezigheid van water worden gecontroleerd; eventueel aanwezig water moet milieutechnisch verantwoord uit de tank worden verwijderd. Een tank mag voor ten hoogste 95% met vloeistof worden gevuld. De wanddikte van een tank moet ten minste eenmaal per 8 jaar niet destructief, door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige worden gemeten; bij meting van plaatdikte moeten gelijkmatig over de omtrek van de tank ten minste 2 metingen per ring worden verricht; bovendien moeten alle stompen van 100 mm en groter worden gemeten en de overige stompen visueel worden gecontroleerd; bij tanks met een inhoud van meer dan 100 m3 dient het aantal metingen per ring 4 te bedragen.
Een tank moet ten minste eenmaal per 16 jaar inwendig en uitwendig geheel worden geïnspecteerd door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige; de inwendige inspectie mag alleen geschieden als er geen brand- en/of explosiegevaar bestaat en maatregelen zijn getroffen om de tank veilig te kunnen betreden. Een tank verkeert in slechte staat wanneer een eventueel gelijkmatige aantasting van de tankwand door corrosie wordt geconstateerd die meer bedraagt dan 10% van de voorgeschreven wanddikte of een eventuele putcorrosie die meer bedraagt dan 30% van de voorgeschreven wanddikte; bij overschrijding van deze waarden moet de vloeistof binnen 2 maanden uit de tank zijn verwijderd. Beschadigingen aan de oppervlakte van de tankfundering rond de basis van de fundering moeten worden gerepareerd voordat beschadiging van de dragende fundering kan plaatsvinden.
De gehele installatie van de tank en de leidingen moet vloeistofdicht zijn, hetgeen binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning of na een grote reparatie door een beproeving op dichtheid moet worden aangetoond; de beproeving moet geschieden door de tank af te persen met een overdruk van 30 kPa met lucht of van 200 kPa met water; bij het persen mag gedurende ten minste 15 minuten geen drukverlaging optreden; bij een beproeving met lucht moet op de tank een U-vormige open pijp met waterkolom als veiligheid zijn aangebracht; indien bij de beproeving een lekkage of een andere ongerechtigheid wordt geconstateerd mag de tank niet (opnieuw) in gebruik worden genomen; van de beproeving moet tijdig kennis worden gegeven aan het bevoegd gezag, zodat het bevoegd gezag in de gelegenheid is om bij de beproeving aanwezig te zijn.
MV-312
-5Van elke beproeving, meting of inwendige inspectie moeten de feiten en de gegevens worden vastgelegd in een logboek of kaartsysteem, dat in de inrichting aanwezig moet zijn en te allen tijde aan een door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar moet kunnen worden getoond; een afschrift van het beproevingsrapport moet aan het bevoegd gezag kunnen worden overgelegd. Indien aan een tank ingrijpende werkzaamheden moeten worden verricht of wanneer onderzoek uitwijst dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat de sterkte van de tank is aangetast moet dit aan het bevoegd gezag worden gemeld. Wanneer een tank definitief buiten gebruik wordt gesteld moet de tank worden geledigd en worden schoongemaakt. De omgeving van een tank moet vrij van brandgevaarlijke stoffen worden gehouden; de begroeiing in de omgeving van een tank moet kort worden gehouden. Indien een tank, bestemd voor de opslag van vloeibare aardolieproducten, gebruikt gaat worden voor de opslag van een ander vloeibaar aardolieproduct, moet voor de wisseling van het opgeslagen product een beoordeling van de tank plaatsvinden overeenkomstig voorschrift 35. hoc - bij
v- ftderwij,
n W.
DQ secretaris van Harderwijk.
ge
MV-312
gemeente harderwijk
9UQ
6. VOORSCHRIFTEN VOOR DE OPSLAG VAN K3-VLOEISTOFFEN EN AFGEWERKTE OLIE (bovengrondse stalen tank, inhoud ten hoogste 3.000 liter) De stijfheid en sterkte van een tank moeten voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van zettingen, eventuele verzakking van de steunpunten of als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen terwijl de dichtheid onder alle normale bedrijfsomstandigheden moet zijn verzekerd. De ondersteunende constructie van een tank moet uit onbrandbaar materiaal bestaan; op plaatsen waar kans op verzakking bestaat, moet een doelmatige fundering zijn aangebracht. Een tank moet ten minste 3 m van een gebouw en ten minste 5 m van enig tot de inrichting behorend brandbaar gebouwonderdeel of een bewaarplaats van brandbare stoffen zijn verwijderd, tenzij de wand van het gebouw of de bewaarplaats een brandwerendheid bezit van ten minste 60 minuten; de afstand tussen een tank en de erfscheiding moet ten minste 3 m bedragen, tenzij op de erfscheiding een muur met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten is geplaatst; de hoogte van deze muur dient ten minste even hoog te zijn als de tank; de lengte van de muur dient even lang te zijn als de tank, vermeerderd met de hoogte van de muur aan beide zijden van de tank; de afstand tussen 2 tanks moet voldoende zijn ten behoeve van inspectie en onderhoud en moet ten minste 1 m bedragen.
Een tank moet zijn voorzien van een ontluchtingsleiding met een inwendige middellijn van ten minste 30 mm; de ontluchtingsleiding moet stevig zijn bevestigd, moet buiten uitmonden en tegen inregenen zijn beschermd; ter voorkoming van overlast en/of explosiegevaar moet de uitmonding van een ontluchtingsleiding van een tank zich ten minste 5 m boven maaiveld bevinden; de uitmonding moet zich tevens op een zodanige plaats bevinden dat het door de ontluchtingsleiding ontwijkende gasmengsel zich niet kan verzamelen in een besloten ruimte, noch kan uitstromen nabij schoorstenen, ramen of andere openingen van gebouwen, noch stankoverlast kan veroorzaken in de omgeving; het boveneinde van de ontluchtingsleiding moet zijn voorzien van een doelmatige vlamkerende voorziening; de vlamkerende voorziening moet in een goede warmtegeleidende verbinding staan met de pijpleiding, welke eveneens moet zijn vervaardigd van materiaal, dat de warmte goed geleidt. Indien een niveau-aanwijzing of peilvoorziening aan de tank is aangebracht, moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de tank, ook door verkeerde werking of door breuk, onmogelijk is. 6.
In elke aansluiting op een tank beneden het hoogste vloeistofniveau en in de toevoerleiding naar een verbruikstoestel moet zo dicht mogelijk bij de tankwand een metalen afsluiter zijn geplaatst; deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend, dan wel is gesloten; de zich direct tegen de buitenwand van de tank bevindende verbindingsstukken en de appendages beneden het hoogste vloeistofniveau moeten van staal zijn vervaardigd.
MV-311
-2Het uitwendige van een tank en de leidingen moet deugdelijk tegen corrosie zijn beschennd, bijvoorbeeld door een oppervlaktebehandeling en het direct daarna aanbrengen van een doelmatige verfiaag. Leidingen moeten bovengronds zijn gelegd. Een tank moet zijn omgeven door een vloeistofdichte omwalling of muur van zodanige hoogte dat samen met een vloeistofdichte vloer een vloeistofdichte lekbak ontstaat met een inhoud ten minste gelijk aan de inhoud van de tank; deze omwalling of muur moet voldoende sterk zijn om weerstand te kunnen bieden aan de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk. Indien zich binnen een vloeistofdichte lekbak twee of meer tanks bevinden, dan moet de opnamecapaciteit ten minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste tank, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige tanks.
Hemelwater moet regelmatig uit de vloeistofdichte lekbak worden afgevoerd door een leiding, waarin buiten en zo dicht mogelijk bij de omwalling of muur een afsluiter is aangebracht; deze afsluiter moet gesloten worden gehouden en mag slechts voor het laten afvloeien van hemelwater worden geopend; deze voorzieningen kunnen achterwege blijven indien boven de vloeistofdichte lekbak een afdak is aangebracht, zodanig dat geen hemelwater in de lekbak kan komen, of indien een pompvoorziening is opgenomen die slechts voor het verpompen van hemelwater in bedrijf mag worden gesteld. De tank dient te zijn voorzien van een lekdetectievoorziening, zodanig dat geen hemelwater in de lekdetectievoorziening kan geraken. Een lekdetectievoorziening dient gedurende ten minste 15 jaar te functioneren. Een lekdetectiemedium mag niet oxiderend, schadelijk, toxisch, corrosief of voor het milieu gevaarlijk zijn en moet gedurende ten minste 15 jaar zijn eigenschappen behouden. Het lekdetectiemedium mag niet worden aangevuld en dient te zijn gewaarborgd door middel van een verzegeling of andere gelijkwaardige voorziening. De tank dient tegen aanrijding te zijn beveiligd met behulp van vangrails, betonnen paaltjes of een andere gelijkwaardige voorziening.
De gehele installatie van de tank en de leidingen moet vloeistofdicht zijn, hetgeen binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning of na een grote reparatie, door beproeving moet worden aangetoond; deze beproeving moet geschieden door de tank en de leidingen geheel met water te vullen of door de tank en de leidingen af te persen met een overdruk van 30 kPa met lucht of 200 kPa met water; indien bij de beproeving een lekkage of een andere ongerechtigheid wordt geconstateerd mag de tank niet in gebruik worden genomen; van de beproeving moet tijdig kennis worden gegeven aan een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar, zodat deze in de gelegenheid is om bij de beproeving aanwezig te zijn. Bij het vullen van, of het aftappen uit een tank dient morsen te worden voorkomen. Een tank mag slechts voor 95% worden gevuld.
MV-311
-3Onmiddellijk nadat de vloeistof in een tank is overgebracht en de losslang is afgekoppeld, moet de vulstomp, de vulopening of de vulleiding met een goed sluitende dop of afsluiter worden afgesloten. Olieleidingen, met uitzondering van flexibele leidingen aan een aftapvoorziening en flexibele verbindingsstukken, moeten zijn vervaardigd van metaal van voldoende mechanische sterkte; de verbindingen moeten onder alle normale bedrijfsomstandigheden even sterk zijn als de rest van de leiding; de leidingen en de appendages moeten blijvend oliedicht zijn. Ondergrondse leidingen moeten zo nodig tegen corrosie worden beschermd. De omgeving van een tank moet vrij van brandgevaarlijke stoffen worden gehouden; de begroeiing in de omgeving van een tank moet kort worden gehouden. Indien een tank bestemd voor de opslag van een vloeibaar aardolieproduct gebruikt gaat worden voor de opslag van een ander vloeibaar aardolieproduct, moet voor de wisseling van het opgeslagen product een beproeving van de tank plaatsvinden overeenkomstig voorschrift 17.